Deze wedstrijd heeft plaats onder de zeer bekwame leiding van Shlomo Mintz voor een internationale jury en in de loop der jaren heb ik er jaarlijks heel wat muzikaal talent ontmoet in de stad Sion CH. Het is zeer de moeite om er 900km voor te rijden, doorheen Frankrijk, Duitsland enz. Ik ken deze stad op mijn duimke..
De Koningin Elisabethwedstrijd is een internationale muziekwedstrijd in België, opgericht in 1937 door de Belgische vioolvirtuoos Eugène Ysaÿe die ze vernoemde naar Elisabeth in Beieren, Koningin der Belgen.
Organisatie
De wedstrijd vindt plaats in Brussel en staat open voor jonge (d.i. tot 30 jaar) musici. Er is afwisselend een wedstrijd voor pianisten, violisten en zangers, die om de vier jaar worden gehouden, met één jaar zonder wedstrijd. Er is ook een wedstrijd voor componisten, die om de twee jaar wordt georganiseerd, samen met de wedstrijd voor piano of viool. Het winnende werk fungeert dan als verplicht finalewerk voor de pianisten of violisten.
Deze wedstrijd geldt als een van de meest veeleisende muziekwedstrijden ter wereld. Ze bestaat uit voorronden, halve finales (voor de 24 besten) en een finale (voor de twaalf finalisten of laureaten). Na de halve finales worden de finalisten gedurende een week afgezonderd in de Muziekkapel Koningin Elisabeth te Argenteuil, waar ze geen bezoek mogen ontvangen en niet mogen uitgaan. Tijdens deze afzondering moeten zij het speciaal voor deze wedstrijd gecomponeerd werk instuderen.
De finale-concerten vinden plaats in de grote concertzaal van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, en worden rechtstreeks uitgezonden door radio en televisie; zij worden ook op CD uitgebracht. De voorronden vinden plaats in het Koninklijk Conservatorium van Brussel. De deelnemers worden beoordeeld door een internationale jury van gerenommeerde muzikale personaliteiten.
Koningin Fabiola is beschermvrouw van de wedstrijd. Jaarlijks wordt dan ook de koningin Fabiola-prijs uitgereikt voor de laureaat. De wedstrijd en de laureaten genieten veel belangstelling van het Belgische hof. De juryleden worden elk jaar ontvangen op het Koninklijk Paleis voor een diner. Koningin Elisabeth onderhield persoonlijke contacten met de jury en de laureaten.
Geschiedenis
De Koningin Elisabethwedstrijd is de opvolger van de internationale muziekwedstrijd die in 1937 voor het eerst plaatsvond en genoemd was naar Eugène Ysaÿe, die in 1931 was overleden en kapelmeester aan het hof van België was geweest. De eerste wedstrijd, voor viool, had meteen grote internationale weerklank: de winnaar was de Sovjet-Russische violist David Oistrach.
In 1938 was de wedstrijd voorbehouden voor pianisten; winnaar was de Russische pianist Emil Gilels. In 1939 was er wedstrijd voor dirigenten gepland, maar die ging niet door vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Na de Tweede Wereldoorlog werd, in 1950, de VZW "Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België" opgericht, en de naam van de wedstrijd veranderde vanaf 1951 in Koningin Elisabethwedstrijd.
Eerst werd er achtereenvolgens een wedstrijd gehouden voor viool, voor piano, en voor compositie, gevolgd door een jaar zonder wedstrijd. In 1975 werd de volgorde veranderd, om de volgende vioolwedstrijd te laten samenvallen met de honderdste verjaardag van de geboorte van Koningin Elisabeth, die zelf een violiste was.
De afzonderlijke wedstrijd voor componisten was niet erg succesvol; na de eerste wedstrijd, gewonnen door Michael Spisak, werd er herhaaldelijk aan de formule gesleuteld, maar ze verdween tenslotte tot 1991. Van dan af is er een tweejaarlijkse compositiewedstrijd voor een piano- of vioolconcerto; de winnende inzending vormt een verplicht onderdeel van het finaleprogramma voor de finalisten, die dit werk pas in de week voorafgaand aan de finale mogen instuderen.
De wedstrijd voor zang werd op initiatief van Gerard Mortiervoor het eerst op het programma gezet in 1988. Zodoende kwamen de wedstrijden voor viool en piano wat verder uit elkaar te liggen om het niveau hoog te houden. De editie zang was meteen een groot populair succes, hoewel de formule ook aan kritiek onderhevig is: de deelnemers moeten zowel opera-aria's, liederen als Barokmuziek zingen, wat als onrealistisch ervaren wordt omdat geen enkele individuele stem geschikt zou zijn voor al deze genres.
Deze violiste mag ook terugkijken. Zij stond al zeer jong op de planken en trad op tijdens het fetival van Lucern CH sindsdien is ze niet meer gestopt.
Deze foto toont hoe ik mijn kinderen leerde volhouden in de hoge bergen van Zwitserland. Het was een hele klus om die twee vechthanen,"en cordée", naar de spits te slepen, heel vroeg voor de zonsopgang. Het meisje bleef in de berghut wachten tot wij terug afzakten van de extra steile klim naar de top, gedurende enkele zeer inspannende uren. Maar de glorie van het aanschouwen van de opkomst van de zon op die hoogten is onvergetelijk en maakte de moeite weer enigszins goed. Zo hebben ze geleerd dat er, zonder inspanning,geen vreugde bestaat .En die schoonheid werd in hun ziel geplant.
Men moet de passie leerstof geven want zoniet blijft men op het niveau van een amateur(en dikwijls nog met de gekende zelfoverschatting) en blijft men steken. Later komen dan de frustaties en onnodige verwijten aan het adres van eventuele leraren. Prachtige ouders, die dat op tijd kunnen inzien en zachtjes mee leiding en prioriteiten geven! Is dat niet OPVOEDEN ?
Het is van het grootste belang dat de correcte houding bij de leerling streng gesurveilleerd wordt en langzaam wordt bijgebracht. Dit is ook weer een kwestie van geduld...zowel voor de leraar als voor de leerling. Maar velen zijn geroepen en weinig uitverkoren en dit geldt evenzeer voor de leraar!
Een violist(e) is een musicus die een viool bespeelt.
De voornaamste speeltechnieken zijn: pizzicato: de snaren worden met de vingers getokkeld; dubbelgrepen: er worden 2 snaren tegelijk aangestreken; con sordino: met demper (rubberen knijper die op de kam geplaatst wordt); tremolo: zeer vlug met de strijkstok over de snaar heen en weer gaan (op dezelfde noot); saltato: de strijkstok springt over de snaren; vibrato: de linkerhand beweegt lichtjes heen en weer over de snaar; legato: gebonden; col legno: letterlijk: met het hout; met de achterkant van de strijkstok op de snaren slaan; scordatura: het verstemmen van één of meerdere snaren (bijvoorbeeld: de la-snaar wordt in simol gestemd). Dit wordt soms toegepast om de grepen te vereenvoudigen.
Slijtageslag http://www.music-abc.com/rsi.html Veel van onze bewegingen - daaronder dus zeker die welke te maken hebben met het bespelen van een instrument - vinden op de 'automatische piloot' volgens een aangeleerd patroon plaats. We verliezen zo steeds meer van de natuurlijke manier van bewegen die we als kind wel hadden. Daarbij komt dat een eenzijdige belasting, bijvoorbeeld van de halswervels van een violist, na verloop van tijd in slijtage overgaat, waardoor de belasting wordt verplaatst en daar dus extra groot wordt. In dit stadium is het kwaad dus al geschied en zou je in feite met vioolspelen moeten ophouden. Niet vergeten mag worden dat pijn niet alleen maar een dwingend signaal is, maar een dergelijke prikkel werkt op allerlei manieren op het lichaam in. Het doet waarschijnlijk spieren aantrekken, waardoor gewrichten - of in het geval van de violist de halswervels - gedeeltelijk geblokkeerd raken en de slijtage in de naastliggende delen toeneemt. Zenuwen kunnen daarbij bekneld raken waardoor uitval en gevoeloosheid kan optreden. Het zijn duidelijk situaties die bij voortduren rampzalig kunnen uitpakken en die inmiddels heel wat muzikanten in de WAO heeft doen belanden. zie ook http://www.halviala.com/
De Ontwikkeling van de Vioolmethodes Zie volledig bron op: http://www.halviala.com/bibviool.htm De ontwikkeling van de vioolmethodes is een lang proces geweest. De "regels" van het vioolspel werden eerst grotendeels van mond tot mond overgebracht, zodat de leerling niets anders had dan de aanwijzingen van zijn leermeester. Van een vioolmethode in de letterlijke zin van het woord was tot eind zeventiende eeuw nog geen sprake. Het eerste werk dat beschouwd kan worden als een "vioolmethode", is het in 1645 in Milaan uitgegeven boek "Il scolaro per imparare a suonare di violino ed altri Stromenti" van Gasparo Zanetti. Hoewel Zanetti ook uitleg geeft over andere instrumenten dan de viool, heeft hij de eerste stap gezet op weg naar een werkelijk lesmethode. Dat het zo lang heeft geduurd, berust op het feit dat de viool als instrument nog niet de plaats ingenomen had, waarop zij recht had, maar werd beschouwd als een minderwaardig speelgoed, goed genoeg voor de straatmuzikant. In de boeken werd de viool opgenomen in de grote familie van de strijkinstrumenten en ondergebracht bij de "kleine violen". Aan een afzonderlijke lesmethode werd niet eens gedacht. Volgens de geleerden was de viool niet geschikt voor de "hogere kunsten". Begrijpelijk is dat deze toestand niet bevorderlijk was voor de populariteit van de viool, en daarom was het onderwijs in die tijd nog niet tot grote bloei gekomen. De ontwikkeling kwam eigenlijk pas goed op gang nadat de prachtige Italiaanse violen overal bekend werden.
Francesco Geminiani THE ART OF PLAYING THE VIOLIN Zie volledig bron op: http://www.halviala.com/bibviool.htm De vioolschool van Francesco Geminiani: "The Art of playing the violin", is uitgegeven in 1740 te Londen. Zijn werk werd spoedig overal bekend, zodat er een Franse vertaling volgde in 1752 onder de titel "L'Art de jouer le violon". Ook bestaat er een Duitse uitgave. "The Art of playing the violin" betekende destijds een grote vooruitgang op de reeds bestaande methodes. Geminiani streefde naar professionaliteit, en laat dan ook iedereen in de introductie weten dat zijn werk niet geschreven is voor violisten, wier doel is voor de dans of in een orkest te spelen. Geminiani richt zich tot de violisten die hogere aspiraties hebben. Zo schrijft hij in zijn voorwoord: "Degene, die in mijn methode zoekt naar de imitatie van de haan, de koekoek of een andere vogel, hetzij van de trom, de trompet of iets dergelijks, zal zich teleurgesteld zien, want zulke acrobatiek of kwakzalverij is ten ene male vreemd aan mijn boek. Maar ik vlei mij met de stellige verwachting, dat de leerling alles erin zal vinden, wat hem tot een goed violist kan vormen". De bedoeling is duidelijk. Geminiani verzet zich tegen de liefhebberij van de toenmalige violisten, om alle mogelijke dieren en vreemde geluiden op de viool te willen nabootsen. De methode is verdeeld in 24 paragrafen (exemples) met tekst en voorbeelden. Hier volgen enkele voorbeelden.
HOUDING VAN DE VIOOL Om de houding van de viool te beschrijven, geeft Geminiani een middel aan om de juiste stand van de linkerhand te verkrijgen. Hij laat de leerling de eerste vinger plaatsen op de noot F op de E-snaar, de tweede op de C van de A-snaar, de derde op de G van de D-snaar en de pink op de D van de G-snaar. Dit moet kunnen zonder een vinger op te lichten, totdat alle vingers op hun plaatsen bevinden. Daarna worden zij tot geringe hoogte opgeheven. Volgens deze manier zal de houding van de hand goed zijn. Deze stand van de linkerhand is later bekend geworden als "de Geminianische greep". Op zich zelf is het een goede oefening voor een reeds gevorderde speler, maar veel te moeilijk voor een beginneling. Hierover mogen wij niet vergeten, dat tot diep in de tweede helft der achttiende eeuw, de hals van de viool twee a drie centimeter korter was dan tegenwoordig en dat dus de bewuste greep een spanning vereiste, welke nu gelijk staat met dezelfde greep in de derde of de vierde positie.
HOUDING VAN DE STRIJKSTOK Het spreekt vanzelf, dat Geminiani de ltaliaanse houding gebruikt: de stok vasthouden tussen de duim en de vingers, op korte afstand van de slof, de haren naar binnen gekeerd tegen de nagelkant van de duim. In die stand moet de stok vrij en ontspannend zonder stijfheid vastgehouden worden. Over de bewegingen van de rechterarm schrijft Geminiani als volgt: "Wanneer men snelle detache noten te spelen heeft, moeten deze met de pols en de elleboog (hier wordt de onderarm bedoeld) uitgevoerd worden en weinig of helemaal niet met het schoudergewricht; maar wanneer het lange noten zijn, die de gehele stok eisen, wordt het schoudergewricht gebruikt. Uit deze regels blijkt wel, dat Geminiani de functies van de pols, de onder- en bovenarm reeds anatomisch vastgesteld heeft.
Verder geeft Geminiani nog enkele richtlijnen voor het strijken: "De stok moet steeds parallel met de kam lopen, en het is alleen de eerste (wijs)vinger, die hem op de snaren drukt en dus niet het gewicht van de hele hand". "De beste spelers sparen hunstok niet en gebruiken hem in zijn geheel, van de punt tot slof, zelfs voorbij de vingers". "Als een van de voornaamste schoonheden van het vioolspel geldt, dat de toon zacht of sterk kan worden: de lange noten moeten zacht beginnen en langzamerhand sterker worden tot in het midden van de stok en daarna zachter worden tot aan het einde". Het is dus eenvoudig een "crescendo-diminuendo" op een lange toon, of volgens de Franse uitdrukking, een "son file" Ten slotte schrijft hij nog, "mag de beweging van de stok niet haperen en vooral niet in 't midden opbouden, want het nakomen van deze stelregel zal de schoonheid van de klank bevorderen".
DE LINKERHAND In plaats van het woord "posities", gebruikt Geminiani de term "ordres", die in numerieke opvolging gestudeerd worden. Voor de positiewisseling geldt een bijzonder regel: "Naarmate de linkerband naar boven gaat, moet de duim steeds achter de eerste vinger blijven, om tenslotte helemaal onder de hals te verdwijnen, wanneer de hand in de hoogste positie is". Op zeer exacte wijze wordt dus de belangrijke functie van de duim beschreven. "Het is een vaste regel dat de vingers zo stevig mogelijk op de snaren gezet moeten worden en dat we ze alleen opheffen, wanneer het nodig is. Het nakomen van deze regel zal U van het grootste nut zijn bij het spelen van dubbelgrepen". Deze aanwijzing had vandaag geschreven kunnen zijn. Van de leerling verlangt Geminiani, dat de vingerzettingen van de diverse posities eerst zonder, daarna met strijkstok gestudeerd zal worden, zodat de speler de aandacht op elke moeilijkheid afzonderlijk kan vestigen. De oefeningen voor het leren van de vingerzettingen zijn zeer uitgebreid. Een daarvan geeft b.v. alle manieren aan om dezelfde noot in alle posities te spelen. Bij een ander voorbeeld zien wij, dat hij uitsluitend de eerste en de tweede vinger gebruikt voor de toonladder van C vanaf G (losse snaar) tot C, derde positie op de e snaar. Vervolgens krijgt de leerling nog drie andere manieren om de toonladder van C te spelen. De linkerhand oefent een heen en-weer beweging in alle mogelijke combinaties, zodat de leerling "de nodige handigheid" leert. Bij de chromatische toonladders wordt hetzelfde systeem toegepast. Twee chromatische tonen mogen nooit met dezelfde vinger gespeeld worden, vooral in een snel tempo. Dit is om het glissando te vermijden: Wanneer vier chromatische tonen elkaar opvolgen, worden ze in een en dezelfde positie genomen, hetgeen een samentrekking van de hand veroorzaakt. Hierna volgt de studie van de toonladders, op- en afgaande in gebroken tertsen, kwarten, kwinten, sexten, octaven en decimen. In sommige oefeningen wordt de linkerarm aan een moeilijke proef onderworpen namelijk door de snelle snaarwisseling, welke het vereist. Het is opmerkelijk, dat Geminiani weinig positiewisselingen gebruikt om de hoge posities te bereiken. Uit de volgende voorbeelden kan men zien, dat hij de hand alleen daar verplaatst, waar het, nodig blijkt. Hij blijft zo lang mogelijk in een positie. Om naar de hogere posities op te klimmen gebruikt Geminiani slechts de vingers, die nodig zijn.
DE STOKVOERING De stokvoering bij Geminiani is sterk ontwikkeld. Hij begint met ons te laten zien, hoeveel strijkmanieren mogelijk zijn om twee, drie, vier, vijf en zes noten te spelen. B.v. twee noten hebben vier mogelijkheden; drie hebben er acht; vier zestien; vijf noten twee en dertig en zes noten, niet minder dan vier en zestig. Hieronder een voorbeeld van vier noten: Aan het bovenstaand voorbeeld merkt men, dat de oefeningen steeds af- en opstreek gespeeld werden. "De leerling", zegt de meester, "moet onvermoeid die verschillende streken studeren, totdat hij ze volkomen beheerst, Alleen degene, die een perfecte stokvoering heeft, zal in staat zijn een melodie mooi te kunnen weergeven".
Veel kritisch luisteren doet denken. Maar bescheidenheid en bewondering verminderen niet uw dagelijkse inzet. integendeel. Men beklimt een berg, komt eindelijk boven en ziet nieuwe spitsen voor u. Is er een grens aan "het Schone?" Een uitdaging geeft moed en doet leven.