Gelijk een non, die bleek en rusteloos, De kloostergaarde wandelt op en neer, Bij hetzelfde perk neemt zij dezelfde keer, Het is herfst: ontbladerd ligt de laatste roos.
En het Plechtig uur herdenkt zij telkens weer, Toen zij, zo jong, met vreugde en voor altoos, de witte wijle instee der wereld koos, In het stervend lover zingt geen vogel meer.
Zo dool ik droef, door Levens dreven heen, Geen zon, geen zang, een bloem? Ik vind er geen, De dorre bladeren vallen geel en bruin.
Op het marmeren kruisbeeld vallen ze, één voor één, O Leven, stille, kille kloostertuin, Met hoge muren en een god van steen.
Elk uur heeft zijn eigen gezicht. Eén uur in de nacht is het tweede spookuur. Na een uur spoken krijgen de spoken er niet genoeg van en zij spoken nog een uurtje verder. Eén uur staat zeer eenzaam in de donkere nacht.Gestalten zwerven rond, vreemde gedaanten, mistig, omneveld en zwart. Waar komen zij vandaan? Uit graven of uit het ontstelde brein van dolaars langs kerkhoven, moerassen en puin? De koopmansdochter die door een prins vermoord werd in haar eigen huis blijft maar ronddolen op zoek naar haar moordenaar. Ach kind toch, je moordenaar is reeds eeuwen dood en ligt te rusten in zijn graf. Ik heb dat steeds oneerlijk gevonden. Het slachtoffer vindt geen rust en blijft maar ronddolen. En de dader leeft rustig verder en blijft rusten na zijn dood. Er bestaat geen rechtvaardigheid. Het slachtoffer wordt gestraft en de dader beloond. Welke gedachten heeft men toch om één uur 's nachts? Het gewelf waar de sterren in steken gelijk de pennetjes in de trommel van een beiaard, is een vierde slag dieper achter de horizon gewenteld. De laatste tram gonst ver, en hunkert naar huis. Een trein trekt vermoeide slaapwagens. Plots gaat ergens nog een licht aan, vlindert en klapwiekt weer uit. Je hoort de vlugge stappen van iemand die weet dat hij te laat is. Bij de brug zit een politieagent een beetje verdoken te kijken of alles veilig is. Alle torenhanen slapen. De uurwijzers vragen zich af voor wie moeten wij de tijd tonen? In ziekenhuisbedden zitten magere gezichten naast een wit licht te denken, nog maar één uur. Welke dingen gebeuren om één uur in de nacht? Ik ben opgebleven. Mijn kamer ziet bleek en bleek zien ook mijn boeken. Ik was een boek aan het lezen over de geschiedenis van mijn stad. Nu ben ik nog meer fier op mijn stad dan vroeger. Ik kijk door het raam en zie aan de overkant een populier traag wiegen in de wind. Meer zie ik niet. Uit dit uur groeien al de komende uren. Steeds zestig minuten van de nacht. Ik zie een beeld in mijn geest en ik denk aan iets. Welk beeld, welke gedachte? Elkeen heeft zo zijn bloedeigen schoon geheim. Ik zink weg in het niet van de nacht. En ik droom een mooie droom.
Opzij, opzij, opzij, de poppenstoet gaat hier voorbij, zij komen recht uit speelgoedland, daar zijn ze dansend hand in hand, en Zwarte Piet marcheert van voor, nog zwarter dan een oude Moor.
Een Zeeuws Boer, een Eskimo, Roodkapje en Pinokkio, een Indiaan, een Kapitein, een Mexicaan en Harlekijn, een Edelvrouw, een Nobele Heer, en Mickey Mouse met Teddybeer.
Ohee, ohee, ohee, wie stapt er met die stoet niet mee, trompetten klinken hoog en hel, te samen met trom en rinkebel, en klein en groot aan dansen gaat, terwijl Harlekijn de maten slaat.
Een Zeeuws Boer, een Eskimo, Roodkapje en Pinokkio, een Indiaan, een Kapitein, een Mexicaan en Harlekijn, een Edelvrouw, een Nobele Heer, en Mikey Mouse met Teddybeer.
Hoera, hoera, hoera, Nu komt de Sint bij ons weldra, en ieder wordt door hem bedacht, als hij op tocht gaat door de nacht, daarom ook danst de hele stoet, zo blij de avond tegemoet.
Een Zeeuwse Boer, een Eskimo, Roodkapje en Pinokkio, een Indiaan, een Kapitein, een Mexicaan en Harlekijn, een edelvrouw, een Nobele Heer, en Mickey mouse met Teddybeer.
Kom uit de kring der kerende jaren, kom uit de kring en wordt als een kind, wordt als een kind met duizenden vragen, met duizenden vragen omdat het bemint, luister als kind naar duizend verhalen, naar duizend verhalen van water en wind, blijf dan het kind dat duizenden namen, in duizenden talen al spelende vindt.
Wij staan in de kring der kerende jaren, wij staan in de kring waar verveling begint, wij zoeken gezeldschap en vrienden die kaarten, en eentje die altijd iets geestigs verzint, wij zoeken wat warmte aan open haarden, en ook nog een vrouw die ons teder bemint, maar eens op een dag in de kring van die jaren, een volgend bezoek dat geen datum meer vindt.
Kom uit de kring der kerende jaren, kom uit de kring en wordt als een kind, wordt als een kind met duizenden vragen, met duizenden vragen omdat het bemint, luister als kind naar duizend verhalen, naar duizend verhalen van water en wind, blijf dan het kind dat duizenden namen, in duizenden talen al spelende vindt.
Wij krijgen geschenken wanneer wij verjaren, en telkens opnieuw is een jaar weer eens om, wij wachten opnieuw totdat wij verjaren, en altijd opnieuw zoals het éénmaal begon, maar altijd opnieuw wanneer wij verjaren, is altijd opnieuw een jaar weer eens om, en eens op een dag in de kring van die jaren,,, een laaste verjaardag en het leven is om,
Kom uit de kring der kerende jaren, kom uit de kring en wordt als een kind, wordt als een kind met duizenden vragen, met duizenden vragen omdat het bemint, luister als kind naar duizend verhalen, naar duizend verhalen van water en wind, blijf dan het kind dat duizenden namen, in duizenden talen al spelende vindt.
Het Belfort van Brugge. Henry Wadsworth Longfellow
Op de marktplaats, binnen Brugge, staat het Belfort grijs en oud, Driemaal viel het, driemaal rees het, de reus, die pal de stadswacht houdt, Op een vroege zomermorgen stond ik op dat hoog gebouw, En de wereld rees uit het duister, als een weduwe uit de rouw.
Rijk in dorpen, rijk in steden, grijs van dampen, grijs van smoor, Kwam mij het wijde en ronde landschap als een schild in zilver voor, aan mijn voeten sliep de stad, en uit de schouwen, rond aan rond, rook in blanke kronen klimmend, die spoorloos in de lucht verzwond.
Geen gerucht rees uit de stad, bij dit vroege zon opstaan, Maar ik hoorde een bronzen hart, in de oude toren slaan, Uit haar nest, beneden de balken, zong de zwaluw, wild en hoog, En omlaag scheen de wereld, verder dan de hemelboog.
Oude tijden wederbrengend, klonk dan plechtig, klaar en hel, Klonk met hemels klank verwisselend, het zachte en droevige klokkenspel, Lijk de psalmen van de nonnen, in een zeer oud kloosterkoor, En de grote klok, zong hen luid, lijk een vrome monnik voor.
Beelden en schimmen uit een ver verleden, kwamen in mijn geest ontstaan Die in vroeger dagen leefden, zag ik weer op aarde gaan, Al de Forestiers van Vlaanderen, Boudewijn met de ijzeren arm, Diederik Van den Elzas en Karel, Filips en Gwijde, arm in arm,
Ik zag de grootste schouwtonelen, uit die dagen van weleer, Vorstenklederen droegen de vrouwen, het Gulden Vlies de ridderheer, Ik zag de kooplieden uit Italië, met hun schepen zwaar bevracht, Volk uit twintig landgewesten, koninklijke weelde en pracht.
Ik zag de Vlaamse weverscharen, Naamse paarden en Guliks vlag, Opwaarts trekken, om te strijden in de Gulden Sporenslag, Ik zag het gevecht bij het Minnewater, der Kaproenen wilde wraak, Artevelde zegevierde op het slot der Gouden Draak.
Dan weer hoe de woeste Spanjaarden, gans de streek de schrik injoeg, Hoe de zware noodseinhamer, op het brons der klokken sloeg, Tot het antwoord van de Gentse brandklok, klonk door weide, dijk en zand, Ik ben Roeland, ik ben Roeland, daar is zege in het Vlaanderenland.
Trommels sloegen, en het gerucht dat uit de ontwaakte stad klom, Dreef de weergeroepen schimmen, naar hun graven stil en stom, Uren waren heen als seconden, en voor ik het had bemerkt, Liep de schaduw van het Belfort, door de klaarverlichte markt.
De sterren bloeiden in de zomernacht, De zuidenwind suisde in de bomen zacht, Op de oude huizen trilde het maanlicht, Hun ogen loken stil, de zwanen dicht, (1) Die straks nog dreven op de donkere gracht, De sterren bloeiden in hun flonkerpracht.
Wij wandelden dromend door de straten heen, De herinnering troost me nu ik verlaten ben en alleen, In kalme sluimer lag de stille stad, De maan dreef langzaam langs haar zilveren pad, En stil togen wij over de oude brug, Die oude herinnering komt zo trouw terug.
En zoek je een rots waarop je leunen mag? O neem mijn arm, die ik je te steunen gaf, En zoek je een warm hart en een zachte borst? O neem de mijne, en stil je liefdesdorst. En zoek je een ziel die zegt, mijn vriend ontwaak? O neem de mijne, voor die godentaak.
De jaren vlogen na die zomernacht, Weer ruist een koelte door de bomen zacht, Ik zie je ogen blauw in het sterrenlicht, De stille stad, als in een vergezicht, En het woord dat je mij liefde gaf, die nacht,, Heb ik niet gehoord, of was het te zacht?