Na dat de mensen van Meerstad ons voedsel en kleren hadden gegeven vertrokken wij richting de Eenzame berg. Daar aangekomen zochten we de hele dag lang naar de geheime ingang. Maar we vonden niets. De dwergen gaven het op en keerden terug naar Meerstad. Maar ik gaf niet op, we hadden deze reis niet voor niets gemaakt en ik bleef alleen achter om de geheime ingang te zoeken.
Toen de maan begon te schijnen verscheen het verborgen sleutelgat! Ik had de ingang gevonden. Ik begon te roepen van blijdschap. En Thorin had mij gehoord. Snel kwamen de dwergen terug. Eenmaal we de berg binnen waren was het mijn taak om de Arkensteen van Smaug- de draak - te stelen. Ik was helemaal alleen op zoek naar een edelsteen in een gigantische zaal vol met goud.
Toen bewoog er iets. Een reusachtige goudstapel bewoog op en neer. En dan zag ik het. Onder al dat goud lag Smaug te slapen en ik had hem gewekt.
Ik deed snel mijn ring aan en werd onzichtbaar. Ik dacht zo aan Smaug te kunnen ontsnappen maar ik was iets vergeten. Draken kunnen goed ruiken. Smaug wist dat ik hier was. Hij begon tegen mij te praten. Hij vroeg mij wie en wat ik was want hij had nog nooit een Hobbit geroken.
Ik deed dus mijn ring uit en stelde mij voor.
Ik kon amper praten door de angst maar ik deed mijn best om verstaanbaar te blijven om Smaug niet kwaad te maken. Maar Smaug wist dat ik zijn Arkensteen wou stelen. Plots begon hij vuur te spuwen, ik deed snel mijn ring aan en begon te lopen voor mijn leven. Ik verstopte mij achter een pilaar om op adem te komen, en toen vond ik hem.