Buxus is heden ten dage niet meer weg te denken in onze tuinen, ook de tuinarchitecten maken er veel gebruik van. Dit heeft hij vooral te danken aan zijn veelzijdigheid o .a .als haagplant, kuip- en terrasplant en natuurlijk ook solitair om in vormen te snoeien. Men gebruikt hiervoor best een buxusschaar.
Welke vijanden heeft buxus:
1. De buxus-spintmijt
Dit zijn microscopisch kleine, bruinrode insecten met in tegenstelling tot andere mijtachtigen vrij grote pootjes, waardoor ze snel bewegen. De oranjekleurige eitjes in spinsel gelegd kan men enkel vinden met een vergrootglas. Deze mijten hebben zuigende en bijtende monddeeltjes. Ze hebben meerdere levensgeneraties per jaar (één generatie leeft drie à vier weken).
2. psylla buxi Naar aanleiding van een reactie op deze pagina heb ik deze buxusvijand toegevoegd. Dit is de reactie:
Ik kweek al jaren buxus en vind dat u bij de buxusvijanden de "psylla buxi" vergeten bent. Deze buxusbladvlo komt bij iedereen en altijd voor. De buxusspintmijt komt eerder zeldzaam voor. Hierdoor denk ik dat velen de buxusspint gaan nemen voor de buxusbladvlo wat zeker niet hetzelfde is en ook de bestrijding is anders. Eric
Het is een 3 tot 5mm grote insecten waarvan de larven(bedekt met een witte, wasachtige laag) jonge scheuten aanprikken en leegzuigen. Vooral in het voorjaar zichtbaar. Schade: lepelvormige, gekrulde topscheuten. Bestrijding: begin april, enkel indien bladvlooien voorkomen met bv Confidor
3. Fysiologische afwijkingen
Wanneer de Buxus niet op de juiste plaats staat kunnen er zich problemen voordoen. Dit kan men voorkomen door de Buxus op een kalkrijke, voedzame bodem te planten, liefst in de halfschaduw. Ook een goede waterhuishouding is noodzakelijk.
Inleiding Deze nostalgische vrijstaande woning die aan een drukke doorgaande weg ligt heeft een onderhoudsvriendelijke tuin met een duidelijke structuur door het gebruik van haagjes en bestrating. In de zomer zorgen de vaste planten voor veel kleur.
Wensen Oorspronkelijk bestond de voortuin voor het merendeel uit gazon met rondom een rand beplanting. In de zijtuin was nog niet zo lang geleden een vijver aangelegd. Deze moest in het nieuwe tuinontwerp opgenomen worden. In de nieuwe tuin wilden de eigenaars geen gazon meer en moest het tuinonderhoud niet te veel tijd kosten.
Resultaat De lijnen van de bestrating zijn zo in het ontwerp verwerkt dat de aanwezige vijver geheel opgenomen is in het nieuwe tuinontwerp.
Op de hoek van de tuin is een cirkel van split gemaakt zodat er een verhard tuingedeelte ontstaan is waar elk seizoen met planten en ornamenten een decoratieve schikking gemaakt kan worden.
- Materialen die je nodig hebt voor groenten te zaaien
Materialen die je nodig hebt voor groenten te zaaien
1. Natuurlijk heb je eerst en vooral zaden nodig. Lees de verpakking goed voor je begint te zaaien.
2. Je hebt ook potten, zaaibakken of een miniserre nodig.
je kan ook turf potten gebruiken, je kan er je planten in zaaien en vervolgens rechtstreeks in de grond stekken. Als je de planten in de turf pot gaat planten dan moet je wel zien dat je de grond goed vochtig houd zodat de pot week kan worden en verteren. Als je dit niet doet dan kan de plant niet goed groeien omdat de wortels niet goed door de pot kunnen dringen.
3. Je hebt natuurlijk ook een goede zaai en stekgrond nodig die fijn en regelmatig is.
Wat valt er allemaal te doen in januari. -Bij goed vorstvrij weer is het ideaal om fruit en andere bladverliezende struiken en bomen aan te planten. Uiteraard ook niet Planten als de grond nog bevroren is. -Dode en zieke takken van struiken en bomen kunnen nu verwijderd worden. -Het is nu de ideale periode om rustig allerlei zaadcatalogi door te kijken en een lijstje te maken van allerlei soorten die je wilt kopen om over enkele maanden te zaaien. -Als je een groentetuin hebt, kun je nu ook mooi de indeling voor het komende groeiseizoen uitdokteren.
Handige tips. Geen zout maar zand: De paden en het terras kan door de vorst gevaarlijk glad zijn. Om de paden begaanbaar te laten blijven haalt men al snel het strooizout boven. Strooizout is slecht voor planten. Als je dat strooit op je terras of pad, komt het al snel tussen de bomen, struiken en in de border terecht. De planten in de border kunnen dan last van het hoge zoutgehalte krijgen. Pas als de planten gaan groeien, wordt het zichtbaar. De groei blijft achter en groen blad wordt geel. Je kunt dan ook veel beter strooizand (gewoon scherp zand of metselzand) gebruiken. Dat werkt net zo goed als zout en het is niet schadelijk voor de planten.
Afhankelijk van de weersomstandigheden kan men in de hobbyserre reeds vroeg planten en zaaien. Een serre biedt heel wat mogeliJkheden en wij zullen onze investering dan ook maximaal proberen te laten renderen. Dit betekent: vroeg beginnen en laat stoppen. Eigenlijk zijn de laatste groenten nog niet volledig geoogst (veldsla, spinazie, weeuwenselder, peterselie, wintersla, andijvie, ... ) of de vroegste worden al gezaaid.
Voorbereiding van de serre
Maak de serre vooraf volledig teeltklaar. Kuis het glas of plastiek zodat het licht maximaal naar binnen kan en ziekten en teeltresten weg zijn. Maak vooraf ook de grond in orde. Neem de bovenlaag (10 cm) weg met een spade of platte schop. Dit laagje bevat opmerkelijk veel zouten, onkruidzaden, teeltresten en ziektekiemen. Deze grondlaag is best te verstrooien tussen de fruit- of sierbomen. Hier kan het als grondverbeteraar dienst doen en de ziektekiemen kunnen er geen schade veroorzaken.
Voorbereiding van de grond
Maak vervolgens de grond goed los en beregen of giet overvloedig zodat de nog aanwezige zouten doorsijpelen naar diepere grondlagen. Zo vormen zij geen hinder meer bij het kiemen van het zaad. Zouten in de grond zijn nu best te merken in gewassen als veldsla. Op zoute plekken blijven de blaadjes klein en donker van kleur. Bij zeer hoge concentratie sterven de plantjes zelfs af.
Wat bemesting betreft, verdient het aanbeveling om niet te veel compost onder te werken op de plaatsen bestemd voor vroege zaaiteelten. Vlak voor het planten van tomaten, paprika, komkommer en meloenen zullen we dan nog een extra gift goed verteerde compost toevoegen.
En wat kunnen we zoal zaaien?
Onder de vroegste groenten die wij in januari al kunnen zaaien, vernoemen we radijzen, wortelen, spinazie, sla, erwten. Ook mogen we de eerstvolgende weken reeds aan planten denken: sla, plantajuin, plantslalot, bieslook, rabarber. Let wel op de aangepaste rassenkeuze te maken.
Opgepast: koning winter is nog niet vertrokken!
Om te voorkomen dat de serretemperatuur bij vriesweer te sterk gaat dalen, kan men bepaalde voorzorgen nemen, zoals het aanbrengen van noppenfolie tegen de wanden, het maken van een mini-serretje, plastiektent of bak binnen de serre. Een warmtebron (en dan vooral bodemwarmte) schept nog meer mogelijkheden en dus groeikansen. Men kan de bodem verwarmen door het aanbrengen van bodemverwarmingskabels of van warmtematten. Bodemverwarmingskabels vallen het goedkoopst uit. Voor een paar duizend frank aan materiaal kan men reeds enkele vierkante meter verwarmen. Het verbruik is vrij beperkt en het resultaat goed.
Men kan ook gebruik maken van petroleum- of gaskachels die een hoog rendement geven en een zuivere verbranding.
Zorg er steeds voor dat er naast warmte ook een maximum aan licht aanwezig is in de winter. Maak glas of plastiek van de serre goed helder door overvloedig afwassen met zuiver water. licht is immers een beperkende factor in de winterperiode. Bij te weinig licht gaan de plantjes te week opgroeien.
Voor een betere opkomst zal men in deze periode de zaden laten voorkiemen. Dit geldt vooral voor spinazie, erwten, radijzen en wortelen.
En buiten de serre?
Ook in de vollegrond kan men reeds bij open weder aan de slag, bv. voor spinazie. Hiervoor moet men wel over een perceeltje beschikken waar vroeg op te telen valt, ttz. een stukje grond dat liefst wat beschut gelegen is en waar de grond zeer goed in orde is wat betreft structuur, bemesting en (vooral) vochtigheid. Het koude neerslagwater is immers de grote vijand van kiemende gewassen en teelten. Wij moeten het zo snel mogelijk trachten af te voeren en zelfs zoveel mogelijk trachten te beletten dat het langdurig met de jonge plantjes in aanraking komt en ziekten in de hand werkt. Een goede methode bestaat erin om het perceel waarop men de vroegste gewassen wenst te zaaien of te planten, reeds enige tijd vooraf af te dekken met een dichte kunststof-folie, zodat het water ter plaatse niet in de grond dringt. Deze folie kan nuttig zijn tot bij de opkomst. Daarna dekt men enkel af met gaatjesfolie of vliesdoek. En nu maar hopen dat de weergoden ons wat gunstig gezind zullen zijn.
Bekijk die mooie appelboom, perenboom of kers waar u de afgelopen zomer zo heerlijk onder zat, maar eens goed. Hij verdient die extra aandacht want u moet 'm gaan snoeien. Volgt u onze raadgevingen op dan bent u volgend jaar in het bezit van een gezonde fruitboom die een rijke oogst oplevert.
Onmisbare snoeimaterialen
Snoeischaar. Mooie gladde snijwonden voorkomen het binnendringen van ziektes (waarvoor fruitbomen gevoelig zijn): werk dus altijd met een scherp geslepen snoeischaar.
Snoeizaag. De (eveneens scherpe) snoeizaag is nodig voor de dikkere takken.
Ladder. Gebruik bij het snoeien van hoge fruitbomen een stevige (veilige!) ladder of trap.
Geef appelbomen en perelaars vijf hoofdtakken
Houdt in de loop der tijd vijf hoofdtakken (gesteltakken) aan, die op diverse hoogten van de stam beginnen en in verschillende richtingen wijzen. Indien nodig, de takken naar beneden buigen en vastzetten met touwen of band (dat u na een jaar weer kunt weghalen). Snoei de zijtakken ieder jaar tot op de helft terug.
Zomersnoei bij hoog- en halfstam
Om de groei van een kroon te bevorderen, kunt u in de zomer al snoeien. Snoei ¾ van de scheuten terug. De scheuten in het verlengde van de gesteltakken laat u zitten. Buig de takken horizontaal uit en zet ze vast voor bevordering van de knopvorming. Vooral naar binnen groeiende twijgen weghalen. Hoogstammen
Schema soorten boomvormen
Boomvormen bij de fruitboom
spil
ballerina
halfstam
hoogstam
Pruimenboom: maximaal vier gesteltakkenVoor pruimenbomen gelden bijna dezelfde regels als voor de appel en peer. Het verschil is dat de pruim in de zomer wordt gesnoeid en dat u daarbij 3 à 4 gesteltakken moet aanhouden. Zet de takken zo nodig wijder door er een stokje als wig tussen te zetten en ze niet steil naast elkaar gaan groeien. Een pruim heeft om de twee jaar onderhoudssnoei nodig. Haal alleen de steil groeiende takken langs de stam helemaal weg, zodat er een mooie open kroon blijft. Snoei alleen twijgen die de lichtinval belemmeren.
Spilvorm ideaal voor de kersenboom
Een kersenboom groeit uit tot een stevige boom die voor een gemiddelde tuin al snel te groot wordt. Als u echt kersen wilt eten, moet u de boom in spilvorm snoeien. Dit gaat als volgt:
Na het planten niet snoeien.
Houdt de spilvorm op een hoogte van 2,5 à 3 meter.
Snoei de kers in augustus, dan helen de wonden beter.
Houdt 5 of 6 hoofdtakken aan. Verdeel die op de stam op zo'n manier dat de onderste takken ook licht krijgen.
Snoeien van oud naar jong
Ook een oude vruchtboom kunt u verjongen. Zaag de takken die naar binnen groeien (alsmede alle beschadigde en zieke takken) helemaal weg. Het jaar daarop zijn in de winter de gesteltakken aan de beurt. Snoei deze allemaal op ongeveer gelijke lengte. Ontstaan er grote wonden, gebruik dan een wondafdekmiddel. Er zullen veel jonge scheuten ontstaan: die pakt u aan zoals hieronder beschreven.
Onderhoudssnoei bij een volgroeide kroon
Zorg voor een goed evenwicht tussen het aanal vruchttakken en groeitakken. Zorg ook dat de zijtakken op de gesteltakken (die het geraamte van de boom vormen), niet zwaarder worden dan de gesteltakken zelf. Hou het gestel van de boom ook steeds ongeveer even groot.
-Jonge appelbomen (jonger dan 4 jaar) kan men best in het voorjaar (maart/ april) snoeien. Bij vroeg snoeien (december of januari) kan er vorstschade ontstaan.
-Oudere appelbomen kan men snoeien, zodra het blad gevallen is. Meestal is dit vanaf december tot maart. Niet snoeien terwijl het vriest. (Vorstschade is mogelijk).
-Zwakke groeiers (met veel gemengde knoppen) kan men het eerst snoeien (januari). Sterke groeiers (met weinig gemengde knoppen), kan men het laatste snoeien (maart). Vroeg fruitbomen snoeien bevordert de groei. Laat snoeien (april/ mei) remt de groei af.
-Snoei bij voorkeur bij droog weer. Snoeiwonden die lang nat blijven zijn erg vatbaar voor infecties van vruchtboomkanker.
-Snoei bij voorkeur als het niet of slechts weinig vriest. Als het te hard vriest kan het wondweefsel niet goed toegroeien.
-Aaltjes (Nematoden) Microscopisch kleine, ongelede, wormachtige diertjes. Sommige worden gebruikt om plaagdieren zoals naaktslakken te bestrijden.
-Aanaarden Hieronder verstaan we het ophopen van grond aan de voet van een plant. Het gebeurt meestal in het jeugdige stadium bij een plant en heeft meerdere bedoelingen: Het kan steun verlenen aan planten. Het kan de ontwikkeling stimuleren van ondergrondse plantedelen. Beschutting geven tegen de koude. Om bepaalde plantendelen wit te houden. Ook als onkruidbestrijding.
-Aanslaan Het vormen van wortels bij gewassen die men verplant of bij stekken. Men spreekt ook van aanslaan als men jonge plantjes verplant en deze op hun nieuwe standplaats zo snel mogelijk dmv hun wortels aan water kunnen komen, zodat ze niet gaan slap hangen maar snel weer in de groei komen.
-Adventief Dit is een plant die toevallig of door een menselijke ingreep op een plaats is terechtgekomen waar hij niet inheems is. Dus op plaatsen waar ze normaal niet voorkomen.Kan ook slaan op de groei die buiten het normale bouwschema van een plant loopt, vb bijwortels aan een stengel (adventieve wortels).
-Adventieve knop Latente of slapende knop op stengel of wortel, vaak onzichtbaar tot hij tot uitlopen wordt aangezet.
-Adventieve scheut Loot die zich ontwikkelt
op een ongewone plaats, bijvoorbeeld aan de zijkant van een wortel.
-Adventieve wortel
Wortel die zich ontwikkelt op een onverwachte plaats, bijvoorbeeld uit een blad.
-Afleggen Een vermeerderingsmethode waarbij men een tak of stengel van een plant naar de grond buigt (eventueel een insnijding maakt) zodat deze ook wortels kan vormen.Na een tijdje kan men de bewortelde tak of stengel van de moederplant scheiden.Vooral gebruikt bij houtige gewassen of planten.
B -Bladrand De rand van een blad of kroonblad. De kenmerken van een bladrand (gezaagd, getand ) zijn belangrijk bij de determinatie van een plant.
-Bladrozet Groep bladeren die zich verspreiden vanaf een korte stengel.
-Bladschijf Het vlakke gedeelte van een blad.
-Bladsteel De steel waarmee het blad aan een tak of stengel is bevestigd.
-Bloeiwijze De manier waarop bloemen worden gedragen.
-Bloem Het voortplantingsorgaan van de bedektzadige planten. De bloem is wezenlijk voor het determineren van geslacht en soort van de plant. Doorgaans bestaat een bloem uit drie delen: de kelk, de kroon en de voortplantingsorganen (de mannnelijke meeldraden en de vrouwelijke stamper.) Niet alle drie deze delen hoeven aanwezig te zijn in elke bloem.
-Bloembol Korte, afgeplatte onergrondse stengel met vlezige bladeren die voedsel bevatten.
-Bloemknop Knop waaruit zich een bloem en later een vrucht ontwikkelt.
-Bloemsteel Het steeltje van een individuele bloem in een inflorescentie.
-Bloesem Ander woord voor bloem. Vooral gebruikt bij fruitbomen.
-Bol Een (meestal) ondergronds opslagorgaan van voedsel dat bestaat uit gezwollen bladeren die rusten op een gezamenlijke bolschijf en die als de rokken in een ui over elkaar liggen of uit vlezige schubben bestaan zoals bij lelies.De bloeistengel groeit uit het hart van de bol. Bollen groeien gewoonlijk maar niet altijd, ondergronds.
-Bolster Een gewoonlijk stekelig omhulsel van een vrucht of een aantal vruchten.
-Boom Men spreekt van een boom bij een houtig gewas dat gewoonlijk meer dan 4.5m hoog wordt en in elk geval in het eerste jaar geneigd is om een enkele stam te vormen.
Callus Kurkachtig wondweefsel dat door de plant na beschadiging wordt gevormd. Callus groeit vaak vanuit de randen over een wond, die kan ontstaan zijn door verwijdering van een tak of onderaan een stek.
Callusweefsel Beschermend weefsel, met name door houtige gewassen gevormd om wonden te overgroeien.
Cambiumlaag De weefsellaag waar de nieuwe cellen worden gevormd die de omvang van stengel en wortels vergroten.
Capillaire doorlaatbaarheid De uitwisseling van zuurstof, koolstofdioxide, water en zouten enz. tussen het bloed in de capillairen (fijne bloedvaatjes) en de weefsels.
Capillair water Water vastgehouden in de minuscule ruimten tussen bodemdeeltjes of tussen plantencellen.
Celluose Plantenstof die een onderdeel vormt van de structuur van celwanden.
Chemotype Plantenpopulatie binnen een soort, die in bepaalde chemische bestanddelen afwijkt van de rest.
Chlorofyl (bladgroen) Het groene pigment in planten dat licht absorbeert en daarmee energie voor de fotosynthese levert.
Compost Compost Ontstaat door vertering van organisch materiaal zoals balderen, dierlijke mest, grasmaaisel, keukenafval e.d. door bacteriën en schimmels. Wordt gebruikt als bodemverbeteraar en bemesting.
Conifeer Boom of heester, meestal groenblijvend, waarvan de zaden in kegels zitten.
Culitvar Een ander woord is ras, een term die tegenwoordig vaak alleen nog voor cultivars van groenten en fruit wordt gebruikt. Een gewoonlijk uit een doelbewuste kruising ontstane of geselecteerde plantenvariëteit die vermeerderd kan worden met alle middelen die zijn specifieke karakter niet aantasten. De meeste cultivars van houtige of langlevende gewassen zijn afkomstig van een enkele kloon en worden vermeerderd door stekken, delen of enten. Cultivars van éénjarigen, bijvoorbeeld f-1 Hybriden komen vaak via geslachtelijke weg soortecht terug en worden uit zaad vermeerderd.
Hoe moet je een vijver aanleggen? Hoe moet je de vijver onderhouden? Welke vissoorten? Welke producten? Wat voor planten moet er in? Op deze pagina vindt je het hopelijk.
Momenteel worden de pagina's over de vijver verandert
Vijvers zijn en blijven mateloos populair. Daar zijn een aantal redenen voor. Ten eerste gaat er van helder water, gekleurde vissen en waterlelies natuurlijk een grote aantrekkingskracht uit. Bovendien maken moderne kunststofmaterialen het aanleggen van een vijver gemakkelijke en relatief goedkoop. En tenslotte kan er ook in kleine tuinen verantwoord een vijver worden opgenomen.
2.Hoe groot?
In een vijver van minder dan 500 liter kan het milieu niet optimaal biologisch functioneren. In vijvers van 1000 liter of meer kan het natuurlijke evenwicht zich stabieler ontwikkelen.
3.Waar moet de vijver komen?
Kiest u eerst een mooi plekje uit, bijvoorbeeld in de buurt van het terras en als het even kan ook nog zichtbaar vanuit de woonkamer. Belangrijk is wel, dat het wateroppervlak een deel van de dag in de zon ligt. Waterlelies, oeverplanten en zuurstofplanten hebben voor een goede groei namelijk tenminste 6 uur zonlicht per dag nodig. Een plaats onder of in de buurt van loof- en naaldbomen moet u in ieder geval zien te voorkomen.
4.Hoe diep moet u vijver zijn?
Vijvers van 2 tot 5 m² moeten plaatselijk tenminste 60 cm diep zijn. Ligt het oppervlak tussen de 5 en 10 m², dan moet u tot tenminste 80 cm doorgraven, terwijl nog grotere vijvers toch zeker een meter diep moeten zijn. Als u deze richtlijnen aanhoudt, geeft u de vissen voldoende schuilgelegenheid en voorkomt u dat de planten bevriezen.
5.Welke materialen?
Plasticfolie is zeer populair, vooral omdat het relatief goedkoop en ook voor kleinere vijvers geschikt is. De afmetingen van het foliemateriaal bepaalt u aan de hand van het graven en vormgeven van de vijverput. Let er op, dat de taluds onder een hoek van ongeveer 45 graden komen te liggen en dat u bij het moerasgedeelte een diepte van 20 tot 25 cm aanhoudt. Lek stoten van de folie kunt u voorkomen door eerst een aantal lagen oude kranten of turfmolm in de vijverput aan te leggen. Om de rand vast te leggen en de vijver vorm te geven kunt u gebruik maken van een drainagebuis, die in elke gewenste vorm gebogen kan worden voordat u de folie eroverheen spant. Let hierbij wel op, dat de rand zo waterpas mogelijk ligt. Voorgevormde of vaste vijver: een voorgevormde of vaste vijver is een goed alternatief voor de folievijver. Ze zijn in allerlei vormen en maten verkrijgbaar, gaan langer mee en zijn eenvoudiger in te graven, terwijl ze bij een verhuizing probleemloos mee kunnen. Kiest u echter voor een betonnen of gemetselde vijver, dan moet u deze eerst goed uitlogen en enkele keren van schoon water voorzien, voordat u met de definitieve inrichting kunt beginnen.
6.Weg met die kale rand
Gebruik van harde turven, die een ideale voedingsbodem voor veel oeverplanten vormen en daardoor na verloop van tijd geheel begroeid raken. Een nog mooiere oplossing is een zogenaamde begroeiingsmat. Deze milieuvriendelijke matten bevatten een groot aantal tassen, waarin de oeverplanten kunnen worden gepoot. De matten zorgen voor een prachtige natuurlijke overgang van water naar land. Eventueel kunt u de mat afdekken met turf.
De informatie voor deze pagina vond ik op de website van velda.
Voor een siervijver met plantengroei en een natuurlijke evenwicht, komen vissen in aanmerking die het milieu zo weinig mogelijk belasten, geen planten vreten en niet in de bodem woelen. Als sierelement moeten ze kleur bevatten, waardoor ze ook van een afstand in het water zichtbaar zijn. Natuurlijk moeten we ons wel beperken in het aantal vissen dat we in de vijver uitzetten. De praktijk leert dat men geneigd is een - in verhouding tot de waterinhoud - te groot aantal vissen te houden. Hoewel een duidelijke regel niet te geven is, moeten we niet te veel afwijken van 5 cm vislengte per 100 liter water. Dat betekent voor een vijver van 5000 liter inhoud, slechts 6 goudwindes en 6 goudvissen van ca. 20 cm lengte. Het meest geschikt zijn de goudwinde en de goudvis. Daarnaast worden in veel vijvers ook het beekgondeltje, het bittervoorntje, het driestekelige stekelbaarsje en het zonnebaarsje uitgezet.
2.Japanse Koi
De laatste jaren komt er meer en meer interesse voor het houden van kleurkarpers, de zogenaamde Japanse Koi. Het zijn schitterend gekleurde vissen, die onder gunstige omstandigheden uitgroeien tot 70-80 cm lengte en wel 40 jaar oud kunnen worden. De oorspronkelijke vorm van de Koi karper is de Cyprinus Carpio. In China en Japan kweekt men deze vis reeds eeuwenlang voor de consumptie. Sinds de vorige eeuw worden in Japan kleurvariëteiten gekweekt. Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat er een stamboom ontstond voor zeer vele kleurvormen. Deze kleurvormen hebben een eigen naam en gereglementeerde kleurpatronen en vormen. De populariteit van Japanse Koi is inmiddels zo toegenomen dat er wereldwijd tentoonstellingen en wedstrijden worden gehouden, waarbij de waarde van sommige exemplaren kan oplopen tot 50.000,00. Momenteel worden ook in Europa Koi Karpers op grote schaal nagekweekt. Jonge vissen zijn relatief goedkoop en zeker aan te bevelen voor de beginnende liefhebber.