Voor een siervijver met plantengroei en een natuurlijke evenwicht, komen vissen in aanmerking die het milieu zo weinig mogelijk belasten, geen planten vreten en niet in de bodem woelen. Als sierelement moeten ze kleur bevatten, waardoor ze ook van een afstand in het water zichtbaar zijn. Natuurlijk moeten we ons wel beperken in het aantal vissen dat we in de vijver uitzetten. De praktijk leert dat men geneigd is een - in verhouding tot de waterinhoud - te groot aantal vissen te houden. Hoewel een duidelijke regel niet te geven is, moeten we niet te veel afwijken van 5 cm vislengte per 100 liter water. Dat betekent voor een vijver van 5000 liter inhoud, slechts 6 goudwindes en 6 goudvissen van ca. 20 cm lengte. Het meest geschikt zijn de goudwinde en de goudvis. Daarnaast worden in veel vijvers ook het beekgondeltje, het bittervoorntje, het driestekelige stekelbaarsje en het zonnebaarsje uitgezet.
2.Japanse Koi
De laatste jaren komt er meer en meer interesse voor het houden van kleurkarpers, de zogenaamde Japanse Koi. Het zijn schitterend gekleurde vissen, die onder gunstige omstandigheden uitgroeien tot 70-80 cm lengte en wel 40 jaar oud kunnen worden. De oorspronkelijke vorm van de Koi karper is de Cyprinus Carpio. In China en Japan kweekt men deze vis reeds eeuwenlang voor de consumptie. Sinds de vorige eeuw worden in Japan kleurvariëteiten gekweekt. Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat er een stamboom ontstond voor zeer vele kleurvormen. Deze kleurvormen hebben een eigen naam en gereglementeerde kleurpatronen en vormen. De populariteit van Japanse Koi is inmiddels zo toegenomen dat er wereldwijd tentoonstellingen en wedstrijden worden gehouden, waarbij de waarde van sommige exemplaren kan oplopen tot 50.000,00. Momenteel worden ook in Europa Koi Karpers op grote schaal nagekweekt. Jonge vissen zijn relatief goedkoop en zeker aan te bevelen voor de beginnende liefhebber.