Kan ik anders dan wederom een paar woorden te wijden aan 'de koers'? Nope. De omstandigheden nopen mij ertoe. Het wielerseizoen is vier klassiekers ver en drie keer al ging een Belg met de ruiker bloemen aan de haal. Daar kwam zelfs geen inbreuk op de wetgeving bij kijken, telkens betrof het een Belgische wielrenner die zich dankzij zijn overwinning opwierp als rechtmatige eigenaar van het kleinood. Vorige week zondag deed Johan Vansummeren de heroïek van Parijs-Roubaix waardig gestand. Hij bewees dat ook notoire niet-winnaars op indrukwekkende wijze grote koersen kunnen winnen. Of beter: één bepaalde grote koers, want zoals Parijs-Roubaix is er geen andere wedstrijd. Zoals de Amstel Gold Race zijn er daarentegen veel andere wedstrijden. Hooguit zit het unieke hem in de manier waarop er gewonnen wordt, een bedenking die Philippe Gilbert zich goed in de oren heeft geknoopt. Voor het bereiken van die uniciteit hoefde Gilbert eigenlijk helemaal niks speciaals te doen: hij reed aan zijn eigen tempo de Nederlandse heuvels op, en degradeerde zo haast en passant de rest van het peloton tot een meute puffende wielertoeristen.
De link naar mijn persoonlijke actieve sportbeleving is hiermee snel gelegd. Het seizoen van Forza Mechelen B, een meute puffende voetbaltoeristen, zit er sinds gisteren namelijk helemaal op. Zesentwintig zaterdagen lang gaven we 90 minuten het beste van onszelf; ruw geschat 22 keer bleek dit helaas niet te volstaan. Zelf heb ik nochtans de statistieken mee. De vorige update hieromtrent dateert al van enige tijd geleden, maar het is met nauwelijks verholen fierheid dat ik kan melden dat mijn seizoen wordt afgeklokt met acht goals en vijf assists achter mijn naam. Dat er zich onder die acht goals vier penalty's, twee afgeweken ballen en één inleggertje bevinden, klasseer ik graag onder de categorie 'niet ter zake doend'. Goal is goal, en daarbij, voor de rest waren het enkel ware beauty's, toch een niet onbelangrijke nuance. Samengevat mag dus gesteld dat ik het voorbije seizoen een rijke mix aan doelpunten heb gemaakt. Wie het zich vrijelijk zou permitteren om samenvattend andere dingen te stellen, doet dat voor alle duidelijkheid op eigen risico, want ik ken mensen...
Sta me toe een keer zot te doen en mijzelve tijdelijk tot spreekbuis van alle wielerliefhebbers te bombarderen: "Dit is een mooie week", zeg ik dan in die hoedanigheid. In andere hoedanigheden had ik evengoed kunnen gewagen van een matige week, een slechte week, een waanzinnige week of had de evaluatie van welk tijdsbestek dan ook mij geen ene fuck kunnen interesseren. Heel veel, zo niet alles, is afhankelijk van de hoedanigheid van het moment. Met dit volle besef in het achterhoofd roep ik deze week uit tot 'mooi'. We bevinden ons immers te midden van die vergulde zevendaagse tussen De Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix in. Het nagenieten van het (hoe je het ook draait of keert) draaien en keren door het Vlaamsche land houdt aan, terwijl de stenen van De Hel van het Noorden aangenaam nabij liggen te lonken.
Een spektakelkoers was het in elk geval, die Ronde. Mag ook wel, met een top drie die respectievelijk de bijnamen 'Bom van Bevel', 'La Machine' en 'Spartacus' meetorst. Een lauw koersverloop had dan een beetje belachelijk geweest. Toch zag het daar lang naar uit. Ik hoef jullie het hele verslag niet meer te geven, maar toen Cancellara op 40 kilometer van de meet aanzette achtte iedereen het pleit beslecht. De winnaar was bekend, de spanning zou zich beperken tot de strijd om de ereplaatsen. Compleet oninteressant natuurlijk, want the winner takes it all - een adagium dat doorgaans in meer dan één betekenis van toepassing is op de wielerwereld. Tot het onmogelijke gebeurt. Cancellara plafonneert op De Muur, de sterksten uit het peloton storten zich als wolven op hun prooi en voor de man uit de straat in de zetel goed en wel is bekomen, is er een kopgroep gevormd van twaalf favorieten. Wat volgt is een fysieke slijtageslag annex tactisch steekspel om duimen en vingers van af te likken, met als klap op de vuurpijl zowaar een Belg op het hoogste schavot. Mocht Leni Riefenstahl ooit de kans gekregen hebben een propagandafilm voor het wielrennen te maken, het eindresultaat zou geheid verdacht veel lijken op de Ronde van Vlaanderen van afgelopen zondag. Het bedenken van een geschikte titel zou alvast geen onoverkomelijk probleem vormen (zie titel).
Het wonder is geschied. Onze Rode Duivels hebben niet nul, niet één, maar twéé matchen op rij gewonnen. Dat is alweer geleden van 2005, als ik de gespecialiseerde vakpers mag geloven. Wanneer ik voortga op mijn eigen gespecialiseerde herinneringen, moet het echter nog veel langer geleden zijn, van de tijd dat 'Back to the Nineties'-fuiven nog gewoon als 'Nineties'-fuiven door het leven gingen. Laten we het erop houden dat er een poos is verstreken intussen. Na de anticlimax der anticlimaxen in de thuiswedstrijd tegen Oostenrijk vorig jaar, werd nu vrij makkelijk de maat genomen van datzelfde Oostenrijk en van dat andere Azerbeidjan, het toetsenbordvriendelijkste land ter wereld. De ambiance in het stadion was er naar. Meer dan 35.000 dolenthousiaste toeschouwers maakten er een heksenketel van en vroegen zich 90 minuten retorisch af waar dat feestje nu eigenlijk precies is. In het Koning Boudewijnstadion dus.
Was er na de wedstrijd in Oostenrijk hier en daar nog een kniesoor die voorbehoud aantekende, dan nam de glansrijke overwinning tegen Azerbeidjan alle twijfels weg: België wordt wereldkampioen! Eventueel pikken we tussendoor nog even de Europese titel mee ook, doet er in feite niet zozeer toe. Wat telt is dat België nu echt wel getoond heeft de sterkste voetbalnatie ter wereld te zijn. Uiteraard surf ook ik graag mee op deze golf, of beter tsunami, aan enthousiasme. Maar ergens wringt het ook op een rare manier. Jarenlang deelde ik met de vaste kliek lief en leed met de Rode Duivels, waarbij we vooral het leed voor lief namen. In nauwelijks gevulde tribunes zagen we België niet winnen tegen grootmachten als Litouwen, Polen en Kazachstan, in mijn herinnering steeds vergezeld van een kouwelijke noorderwind. Nu is het tij gekeerd, wat ook met zich meebrengt dat de Rode Duivels niet langer exclusief (op een paar duizend vrijkaarten na) aan ons toebehoren. Het is zoals die muziekgroep die je in een vroege fase zelf ontdekt hebt en waarvan je de wereldwijde doorbraak nadien vreemd genoeg met lede ogen aankijkt.
Gelukkig was er nog de NMBS om voor gerechtigheid te zorgen. Teneinde toch voor een deel van de jongelui de avond te vergallen, bevatte de trein Brussel - Luik slechts drie (uiteraard overvolle) wagons, was er op het stuk tussen Brussel en Leuven alleen al 54 minuten vertraging en werd er over dit alles niks gecommuniceerd aan de reizigers. De NMBS houdt echt met alles rekening. Dat die successupporters maar niet gaan denken dat een wedstrijd van België bijwonen een plezierreisje is! Ik moet wel toegeven dat ik op het moment zelf redelijk kwaad was en de NMBS zelfs van onkunde betichtte. Wat was ik toch een naïeve, onwetende jongen in die tijd, om zo aan de diepere betekenis voorbij te gaan. Een verzachtende omstandigheid is dat overacting aan NMBS-zijde hiervan aan de basis lag. De mededeling "Euh.., is hier soms een treinbestuurder aanwezig?", die in Brussel-Noord door de intercom schalde, had wat mij betreft niet gehoeven. Maar voor de rest: geniaal alweer. Ge-ni-aal zeg ik u.
15 maart 2011. Hoewel de ambities van deze blog verder reiken dan de functie van sprekende klok (eigenlijk: schrijvende kalender), wil ik dit stukje toch inzetten met de droge weergave van de datum van vandaag. Ik doe dat niet zomaar. 15 maart 2011 is immers de dag dat er weer een beetje België verdween. Dat heeft zelfs niks te maken met de Moffen of zo, ik bedoel het in figuurlijke zin. Het Grondwettelijk Hof heeft vandaag namelijk beslist dat de uitzonderingen die er bestaan op het rookverbod in de horeca vernietigd worden. Vanaf 30 juni 2011 zal er een algemeen rookverbod van kracht zijn. Daarmee krijgt de belgitude nog maar eens een forse klap. Meer dan wat ook blinkt het Belgische volkscafé uit in eensgezindheid over de taalgrens heen. Lapzwansen aan de toog zijn vaste kost, een pintje in de ene hand en een sigaret in de andere hand vechten immer voor een plaatsje aan de lippen. Misschien is het allemaal niet gezond, maar het is Belgisch en het is al decennialang zo.
Op dit punt gekomen wil ik een kanttekening maken: ik ben van nature vrij conservatief. Niet per se op politiek vlak, wel per se voor wat betreft maatschappelijke topics die mij aanbelangen. Ikvertoef graag op café en ik wil van dat hele rookverbod niks weten. Het is goed zoals het is, dat zeg ik als niet-roker en wel-drinker. Half gevulde cafés omdat de helft (vandaar dus half gevuld) buiten een sigaret staat te roken lijkt me niet direct het na te streven ideaal. Het past in een tijdsgeest die eerder gericht is op scheiden dan op verenigen. Om nog maar te zwijgen over de totaal oneerlijke concurrentiepositie waarin de niet-rokende vrijgezellen plotsklaps gekatapulteerd worden (zie hiervoor mijn eerdere blog 'Waar rookverbod is, is vuur', nvdr). Daar denken weinig mensen aan, maar weinig mensen zijn dan ook waarachtige denkers. De goegemeente draait er haar hand niet voor om, om nog wat vrijheden op te offeren ten dienste van een flard volksgezondheid en kleren die niet naar de rook stinken de dag nadien.
Zoals steeds echter zie ik het bredere perspectief. Ik durf vragen stellen bij de almacht van de volksgezondheid, in een tijd waar zelfmoord een van de belangrijkste doodsoorzaken is en grote delen van de bevolking haar toevlucht zoekt tot antidepressiva. Moeten we af en toe niet gewoon proberen gelukkig te zijn? Het voortschrijdende totalitarisme overgieten met een portie hedonisme? Leven en laten leven, tot de daardoor iets vroeger intredende dood volgt? Mijn mening is duidelijk. We moeten dat allemaal wel doen. Met om te beginnen dat hele rookverbod met zijn klikken en klakken aan onze laars lappen, ook al is dat voor mij als niet-roker een heikele klus.
Tunesië, Egypte, Libië en tutti quanti. De gehele Arabische revolutiegolf is zonder sporen na te laten voorbijgetrokken aan mijn blog. Dat heeft niks te maken met slechte wil of desinteresse, maar evenmin alles met goeie wil of een overmaat aan interesse. Zoals zo vaak ligt de waarheid in het midden. Om toch de vinger aan de actualiteitspols te blijven houden, zou ik alsnog exclusief enige letters aan de hele kwestie willen wijden. Je hebt een informatieplicht of je hebt het niet. Of, bij nader inzien: je hebt een informatierécht of je hebt het niet. De exclusief aan de hele kwestie gewijde letters zijn de volgende: l, t, z, s, a, r, x, en p. Deze lukraak gekozen letters staan vanaf heden symbool voor de moedige volksopstanden in de Arabische wereld. Hopelijk staat eenieder even stil bij wat er daar gaande is wanneer hij of zij deze symbolen ergens ontwaart, bijvoorbeeld in een geschreven tekst. Meer kan ik denk ik echt niet doen.
Na deze daad van naastenliefde is het tijd voor een woord van zelfbeklag. Waarover juist, is op dit eigenste moment nog onderwerp van diepe contemplatie. Ik moet gewoon af en toe kunnen klagen en zagen, of daar nu een concrete aanleiding voor is of niet is dan wel de laatste van mijn zorgen. Van de andere kant is in het ijle klagen natuurlijk lastig. Bij voorkeur spuit de mens zijn grieven met een welomlijnd iets of iemand in gedachten. De overheid heeft zelfs rekening gehouden met die voorkeur van de mens en lang geleden al een speciale instantie opgericht, met als hoofddoel het foeteren te faciliteren. Maar je zal het altijd zien, als de nood om eens lekker te klagen het hoogst is, vervult die Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen nu net al een hele week zijn ondergeschikte taken (zoals treinen op tijd laten rijden) met verve. Een trouwe dienstontlener blijft zo dus nog maar eens in de kou staan. En dan verbaasd zijn dat wij mopperen!
Ik ben er toch eerst effe moeten van bekomen, eigenlijk. Een mens maakt niet elke dag een kwantumsprong in zijn interessegebied mee. Maar vorige zondag was het van dat. Wat de uitvinding van de pil was voor de anticonceptie, de uitvinding van de televisie voor de afstandsbediening of de uitvinding van de linkerschoen voor de rechterschoen, is het geval-Stijn Stijnen voor de humor. Een mijlpaal. In zijn eentje stuwt hij het hele concept humor naar ongekende hoogten. Nooit geweten dat deze communicatievorm zoveel potentieel in zich droeg.
Ik hoop dat de lezenden onder jullie reeds over enige voorkennis beschikken. Voor de eigen bestwil, want grappiger gaat het echt niet meer worden dit decennium, of het moet zijn dat er een sekstape uitlekt van Di Rupo met De Wever. En zelfs dan, wie wil dat nu bekijken. Stijn Stijnen dus. Ik heb er altijd al een soort René Vandereycken in gezien. Verongelijktheid als tweede natuur. Steeds in de vaste overtuiging dat iedereen altijd tegen hem is. De levenshouding van Calimero en, dat treft, evenzeer een half ei. Op een andere manier kan ik het niet benoemen, daarvoor is Stijn(en)s remedie tegen zoveel onderwaardering van de boze buitenwereld gewoon te hallucinant. Briljant hallucinant weliswaar, als we even het algemeen welbevinden (= de haha-erlebnis) als maatstaf nemen. Het idee om zelf op internetfora ten strijde te trekken is immers ronduit geniaal. Kwaadspreken over de directe concurrenten, tot daar nog aan toe, dat is een plan dat u en ik eventueel ook wel zelf kunnen bedenken. Maar de eigen prestaties tot in het absurde ophemelen, daaraan herkent men het echte komische rastalent.
Vooral belangrijk is dat Stijnen het méént. In navolging van mijn tweede plaats op het Groot Dictee heb ook ik mezelf een aantal flatterende bijnamen toegeëigend, genre 'The Great Dicteetor'. Die navolging is overigens nog steeds bezig. Maar een essentieel verschil is toch dat bij mij op zijn minst de schijn van ironie overeind blijft, waar Stijnen bloedserieus hilarisch is. Zijn inventiviteit daarbij is grenzeloos. Het kan gaan over hoe scherp hij wel niet staat op training (Stijnen is in wezen een papzak, nvdr), over hoezeer Club Brugge nood heeft aan 11 Stijnens op het veld of over hoe de supporters een erehaag voor hem zouden moeten vormen. David Brent uit 'The Office' is er werkelijk niks tegen, tegen deze onweerstaanbare cocktail van eigenwaan en zieligheid. Ik stel dus voor dat Stijn Stijnen het "ere wie ere toekomt"-principe onderschrijft en de volle verantwoordelijkheid neemt voor deze humorhoogstandjes. Zijn broer en vriendin hiervoor laten opdraaien is gewoon flauw, plus het doet het komisch gehalte van dit verhaal te zeer kelderen. We mogen toch wel eens lachen zeker!?