|
Daar houdt de Maas de blanke arm gebogen
in het oevergroen, beneveld en bedauwd,
de meeuwen, van de verre zee gevlogen,
scheren er sneeuwwit onder het zonnegoud.
Wijd schrijdt de grijze brug met zeven bogen
in het water, dat haar beeld er spiegelend schouwt,
van de oevers wuiven franjig, windbewogen,
koren dat gloeit, en groen dat ver vergrauwt.
Daar beurt mijn stee haar tal van schone spitsen,
en scherpe daken om de donkere Dom:
getogen zwaarden, die in het zonlicht flitsen.
Sta vast en wacht mij, tot mijn uur weerkom(e),
en ik zal u schoon gelijk gij waart, hervinden,
u lievend, als ik eenmaal u beminde.
08-09-2016, 00:00
Geschreven door André 
|