 |
| We zijn de 02de week van 2022
|
 |
|
 |
| Rustig genieten van gedichten, liedjesteksten, muziek, vertellingen, prenten en foto's. |
| Welkom in mijn thuishaven. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. |
 |
| 15-08-2015 |
Dromerij 2. Hilda Ram |
|
En toch, toch richt de mens op beter tijden
het beneveld oog; de toekomst geldt zijn streven,
zijn wens durft, ja, de doodgrens overschrijden.
In het boek des daarzijns, dient zijn naam geschreven;
indrukken wil hij laten, iets moet blijven,
toch iets van hem moet leven na zijn sneven.
Indrukken kunnen in het zand beklijven,
hoe lang zou het wemelend strand een spoor bewaren,
de minste wind genoegt om het glad te wrijven?
Zie, anderen zwierven naast de stille baren,
ik volg al mijmerend de afprent hunner schreden,
niet eens bedenkend, wie ze zijn of waren.
En wijl ik volg, vervormen mijn treden
het spoor der hunne, tot weer anderen komen,
die naar hun eigen voet ook het mijne herkneden.
Zo zwerven op der eeuwigheden zomen
der mensen kinderen; van hun doortocht spreken
in het stuifzand enige verplaatste atomen.
Snel door de vloed der jaren gladgestreken
of op de wind der wederwaardigheden
het gedwongen standpunt voor de tijd ontweken.
Niets blijft er heden van hun kort verleden.
15-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 14-08-2015 |
Dromerij 1. Hilda Ram |
|
Ik wandelde eenzaam langs de vlakke kuste
en zag hoe de ebbe allengs de moede baren
den lande onttrok en zacht ten doodtij suste.
Het was of ze stil in slaap gezonken waren;
hun fluisterend ruisen scheen het ademhalen
der matte scharen thans de strijd ontvaren.
En op wiens moede leden de rust mocht dalen,
die sterkte leent en moed en verse krachten
voor later strijd en later zegepralen.
Want alles toch is worstelen, zwoegen, trachten,
het is alles rusteloos ijveren hier beneden
voor het peinzend brein, als voor de blinde krachten.
En dan noch blijft er niets van het moeizaam heden,
zodra het plaats maakt voor het harde morgen,
zodra het verzinkt in het bodemloos verleden.
Niets blijft, geen arbeid kan vergelding borgen,
geen lange vrede volgt op het ruwe strijden,
geen waken hoedt voor altijd nieuwe zorgen.
14-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 13-08-2015 |
Een meilied. Hilda Ram |
|
Gegroet, gegroet, gij schone bloem,
gij geurige roos in 's Herengaard,
gij lelie, van de smet gespaard,
van Eva's nakroost, gij de roem.
Gij lokte door het zondenzwerk,
dat de aarde omving, een stralenschicht
van 's hemels zegen spreidend licht;
en nevel vloog met rasse vlerk.
Verheven boven allen prijkt
in heerlijkheid en reine glans:
als voor de maan aan 's hemels trans,
voor u al het aardse gesternte wijkt.
Bestraal met zachte schijn ons pad,
opdat we voorwaarts gaan met moed
door wel en wee, door zuur en zoet,
nooit hopeloos, nooit afgemat.
Maria, tussen God en mens
verkoren middelares, ons hart
richt steeds naar u in vreugd en smart
zijn droefste klacht, zijn zoetste wens.
Verlicht gij het leed, dat pletterend drukt,
droog gij de traan, die hopeloos vliet;
bescherm gij hem, die elk verliet;
richt op, wien schuld ter neder bukt.
13-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 12-08-2015 |
Onbestendigheid. Hilda Ram |
|
Onbestendig, al wat de aarde
aan haar wuften boezem voedt.
Niets van alles wat ze baarde
kon ze ooit redden uit de vloed,
tijd geheten; de ongestuimen,
die met zijn woest geweld
rusteloos voortstuwt naar de ruime
kolk, waar het Nu in het Gisteren smelt.
En toch wil de mens, verwaten,
dobberend op de wilde stroom,
tekens van zijn doortocht laten;
toch, betrouwend op een droom,
richt hij al zijn roekeloos streven
naar een nevel, naar een schim,
die tot immer verder zweven
hem verleidt met vals geglim.
Erezuilen wil hij stichten,
die der eeuwigheden zee
als een vuurbaak zullen lichten;
die, met krachtig luid hoezee,
eeuw na eeuw haar groet zal brengen,
ondertussen bruist de tij
met haar strandgoed, wrakken, krengen,
ongemerkt zijn blik voorbij.
Krachtloos riet, het zijn geen stormen
slechts, waarvoor ge buigt en knakt:
aan uw wortel wriemelen wormen;
het windje raakt u; naast u zakt
één, waarop ge leunde, neder;
en, de stortvloed voert u mee,
en geen poging redt u weder
uit de peilloos diep der zee.
12-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 11-08-2015 |
Een traan. Hilda Ram |
|
Ik wou, ik kon niet blijven:
te wrevelig was mijn hart,
door bitterheid en twijfel
was het lang reeds moegesard;
ik las koelheid in uw blikken,
en koelheid sprak uw mond,
ik ging: ik wou ze bergen
mijn diepste hartewond.
Dra sloeg het scheidingsuur
gewenst en toch gedacht,
wij zwegen beide stille,
gesmoord werd klacht en zucht;
doch, toen uw hand de mijne,
mijn blik de uwe zocht,
brak plots de borstweer neder,
die spijt en argwaan wrocht.
Want aan uw lange wimpers
hong sidderend een traan,
ik stokte, was mijn hartzeer
dan niets dan bittere waan?
in nauwe omarming schreiden
we wrok en droefheid uit;
zoet, zoet is het klagen, zuchten,
als koelheid het niet en stuit.
Zo zal ik in uw boezem
weer leven als voorheen?
Zo zijn we in smart en vreugde
als voormaals, weder één?
Zo was het slechts een dwaling,
die tussen ons ontstond,
een dwaling, wreed voor beiden,
maar zonder recht noch grond?
Die traan, ze gaf me een hemel
aan heil en vreugde weer;
Die traan, ze viel, een dauwdrop
op het kwijnend bloemken, neer;
een frisse teug den lippen
door hete koorts verteerd
was zij mijn dorstend harte,
mijn schroeiend harte weerd.
11-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 10-08-2015 |
Een schone oktoberdag. Hilda Ram |
|
Hoe lacht de zon uit de klare hemel
de winterende aarde toe. Hoe schoon
in de gulden straten ligt daar de moede;
hoe spreidt ze het laatst haar pracht ten toon.
Zie die blauwige nevel daarginder,
hoe het koesterend licht zijn sluiers doordringt
en over velden en beemden en weiden
nog eens hem de heerschappij ontwringt.
Weer knikken de sierlijk wiegelende kruinen
op het gras hun dartele schaduw toe;
weer speelt in het vale, bruine lover
de fluisterende koelte, nimmer moe.
En het blaadje, reeds bereid tot vallen,
aarzelt, hecht aan de stam zich vast;
het is, of de reeds versteven sappen
weer klimmen onder de ruwe bast.
Het vogeltje dat door de nijdige stormen
zijn schommelend nestje verwoesten zag,
vergeet zijn kommer, vergeet zijn lijden,
neuriet een lied, als het des zomers plag.
En het bloemken, gedoemd in zijn knop te sterven,
verstilt door de zware dampen der nacht,
recht zijn kwijnend stengeltje, opent
verrukt zijn geurig kelkje en lacht.
Weer babbelt het beekje, weer ruist en vliet het,
door wind noch verstijvende kou gestoord;
weer speelt en malt het met het zonnig straaltje,
het visje en het bloempje, dat knikt aan zijn boord.
Weer kwaken de eenden en schudden hun veren;
weer zingt de lustige krekel in het gras;
planten en dieren, alles verheugt zich
of dood en vernieling niet nakend was.
Weer stoeit de lieve jeugd in het vrije,
en juicht en jubelt, huppelt en speelt;
weer komt de sukkelende ouderdom buiten,
wie weet of voor het laatst hem de zon niet streelt.
O wanneer des levens winter zal naken,
de winter, die nooit meer in lente smelt,
o moge dan herinnering een zonnig straaltje
spreiden, waar weemoed mij het hart beknelt.
10-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 09-08-2015 |
Standvastigheid. Hilda Ram |
|
O ga niet, neen,
te spoedig heen,
al is het dat de zon verdween,
en wolkenschaduw, zwart, omvaamt
het landschap, waar ge rusten kwaamt;
de wolk drijft:
het zongestraal, daarachter blijft.
O, gaat niet, neen,
te spoedig heen,
al is onzichtbaar nog de kern
van het zaadje toevertrouwd aan de aarde;
houd stand, en wacht, en wees bedaard:
een weinig tijd
en tot een plant is het zaad gedijd.
O trek niet voort
waar daad of woord
soms onverwachts tot wrok u spoort,
denk niet te ras: de liefde is dood,
of vals is het hart, dat vriendschap bood;
een druk der hand
knoopt vaster straks de oude band.
O geef niet op
voor stoot of schop
het doel, dat ge voeren wilt ten top,
ga voort en arbeid als een man;
geen hoon of smaad die schaden kan,
waar het helder oog
vol hoop en moed zich richt omhoog.
09-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 08-08-2015 |
Lentezucht. Hilda Ram |
|
O, ik tracht zo naar de bloemen,
de eerste bloemen van den hof,
winter plunderde al de bedden,
lei hun bonte tooi in stof,
doch reeds wiegelen ranke stengels
in het zonlicht heen en weer,
vormt, u knopjes; verft u, kelkjes,
haast u bloemkens, ach wanneer.
O, ik tracht zo naar het lover,
het jonge lover in het bos,
naakt en droevig staan de bomen,
winter roofde hun de dos,
maar de botten zwellen, zwellen,
breek uw kluisters, schuchter loof,
kom te voorschijn, spreid u, kleur u,
wat ik me in uw schaduw beloof.
O, ik tracht zo naar de zangen
van het rustig vogelkoor,
al de nestjes zijn verlaten,
winter had geen hart, geen oor,
maar reeds is de tak gekozen,
haastig zangers, niet gedraald,
rept uw wieken, scherpt uw snavels,
pluimpjes, halmen aangehaald.
Ach, wat heb ik vaak naar lover,
bloemen, vogels zo getracht,
lente kwam, nog bleef ik zuchten,
ik lette niet op wat ze bracht,
haast u niet, gebloemde lover,
vogels, bouw uw nest in vree,
immer blijft mijn hart verlangen,
elke getij brengt wensen mee.
08-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 07-08-2015 |
Mensenhart. Hilda Ram |
|
Gij eeuwig raadsel, mensenhart,
waar hecht ge uw heil aan vast,
wat wilt, wat zoekt ge op 's levens baan,
waar mengt ge aan vreugde geen getraan,
wat wordt u niet tot last?
Gij wispelturig mensenhart,
wat wens hebt ge ooit gevoed
die nauw voldaan, u niet benard
heeft, niet verkeerd in bange smart
het lang betrachte goed?
Gij ontevreden mensenhart,
wat u het heden biedt,
waardeert ge slechts wanneer het ontvlood,
ge schat slechts wat ge reeds genoot;
nooit wat ge thans geniet.
Gij onverzaadbaar mensenhart,
de liefde lokt u aan,
doch aan haar boezem neergevleid,
waarom gezucht, waarom geschreid,
vindt ge ook in haar slechts waan?
Gij ongestadig mensenhart,
gij dorst naar roem en eer,
en werkend, strevend vindt ge uw doel,
het lang bejaagde, en, het laat u koel:
gij wenst geringheid weer.
Gij onstandvastig mensenhart,
getrouwheid kent ge niet:
vervelend schijnt u, wat weerstaat,
en toch betreurt ge, wat vergaat,
toch schreit ge om wat ontvliedt.
Gij onbestendig mensenhart,
waarom niet kalm en stil,
gelijk de ceder op de rots
die, onbeweeglijk in zijn trots
beeft voor geen wind, hoe kil.
Gij wankelmoedig mensenhart,
maar neen, ge zijt geen stronk
geen logge massa van voelloos hout,
die, immer even stug en koud,
nooit 's levens weelde dronk.
Gij trachtend, smachtend mensenhart,
bestormd door het wilde bloed,
dat immer kookt, dat immer woelt,
denk niet dat ge ooit uw lusten koelt
aan aards vergankelijk goed.
07-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 06-08-2015 |
Tevredenheid. Hilda Ram |
|
Och, als ge het bloeiende roosje plukt
geniet het dan in zijn volle fleur:
peins niet vooraf, hoe het welken zal,
hoe ze zal verliezen zijn kleur en geur.
Och, als het zonnetje vriendelijk lacht,
al wordt het herfst, al dorst het gras,
denk aan geen komende winterstorm;
die doet zich voelen maar al te ras.
Och, als de liefde u het harte streelt,
en het leven herschept in zoet genot,
vergeet dan, voor zo lange ge kunt,
hoe tijd met trouw en met eden spot.
Och, als ge het zoete des levens smaakt,
wees blijde om hetgeen u geschonken wordt,
en zegt niet mijmerend, met een zucht:
al de aardse vreugd is zo broos en kort.
06-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 05-08-2015 |
Het molenrad. Hilda Ram |
|
Molenrad, molenrad,
worstelend door het weerstrevend nat,
draai wat sneller, molenrad.
Weet ge niet, dat op de brug
Dientje haar bruigom wacht?
Langzaam draait ge, zwaar en stug,
of ge moede waart van de vracht,
of de trage, grauwe beek
water niet, maar lood u bleek.
Dientjes blik wordt droef en bang,
want ze wacht reeds, och, zo lang.
Molenrad, molenrad,
draai wat sneller, molenrad.
Molenrad, molenrad,
stoeiend door het speelse nat,
draai zo snel niet, molenrad.
Weet ge niet, dat op de brug
Dientje bij haar bruigom staat?
Haastig draait ge, licht en vlug,
of ge moeite en last vergaat,
of de dartele, klare beek
u een speelgenootje bleek.
Dientje lacht zo gul en blij:
Doris staat haar ook ter zij.
Molenrad, molenrad,
draai zo snel niet, molenrad.
05-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 04-08-2015 |
De eik. Hilda Ram |
|
Schuchter blozen de oosterkimmen
als een bruid, wier bruigom naakt;
door wier tranen lachjes glimmen,
op wier kroon het verlangen blaakt.
Lichte donzen wolken zweven,
gans met goud omzoomd, doorweven,
langs de mistige blauwe trans.
Blijde ontwaakt gebloemt en lover
daar het kozend straalgetover
het siert met parelend dauwgeglans.
Lust en leven allerwegen,
dromerige zoete lentevreugd,
fluisterend heen en weer bewegen,
zacht ontwaken tot geneugt.
Zie het geboomt, met bloem beladen,
waar de tengere groene bladen
nauw ontschoten aan de bot.
Zie het in frisse weelde prijken,
in zijn lentedos, den rijken,
vieren lentes feestgenot.
Doch, niet alles lust en leven,
al geen juichend vreugdbetoon,
zie op het eind der bloemendreven,
lentes zegefeest ten hoon.
De oude eik, nog onbewogen
winters wrede macht betogen.
Zie zijn lover, dor en vaal,
in de morgenkoelte beven.
Neen, hij wil het niet begeven,
trots het omringend feestgepraal..
Zo, wanneer in bonte reien
knapen, meiden aan den dans
vreugdestralend zich vermeien,
kruist een stille grijsaard, gans
lusteloos, hun dartele schreden.
Niets bedenkt hij dan het verleden,
hecht zich peinzend daaraan vast.
Liever is hem het oude lijden
dan het huidig, wild verblijden.
Weemoed is hem niet ten last.
04-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 03-08-2015 |
November. Hilda Ram |
|
Droeve, mistige tijd, tijd van getreur en weedom,
alles siddert en kwijnt, alles wat leefde en tierde;
het laatste bloemken welkt, voor het zijn kelkje ontvouwde:
smaakt de dood, eer het van leven wist.
Het gras verslenst op de wei, het loof aan de bomen welkt,
dor, en geluw, en vaal, frommelend, kreukend hangt het,
tot de grimmige wind woest van de twijgen het afrukt,
heinde en ver het verspreidt in het rond.
Droef dan zucht het geboomt, daar het in der stormen woeden
het voorhoofd nederig bukt, daar het van zijn dorre twijgen
traan bij traan op het puin eigener schoonheid neerstrooit,
het puin des sierlijke bladerdos.
Stil op het dromerig land zijgt als een killig lijkkleed
de ondoorzichtbare mist, die met zijn logge dampen
het kwijnend plantje verstikt, dat aan haar boezem de aarde
warmde en pleegde met moederzorg.
Ziel, wat treurt gij en lijdt? Roert u des planten sterven?
Drukt de nevelige baar pletterend u neer, als het landschap?
Vindt de klacht van het geboomt ook in uw diepte een weerklank?
Kwijnt gij mede met loof en bloem?
Of...bedenkt gij alreeds, hoe in het rijk des harten
het ook november eens wordt, wanneer als een sombere lijkbaar,
rouw, bekommernis daalt, smorende lust en vreugde?
Ducht ge de nakende levensherfst?
03-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 02-08-2015 |
Bij mijn haardje. Hilda Ram |
|
Ik zit zo gaarne bij mijn haardje
als daarbuiten, kil en guur,
tegen het raam de regen klettert;
als in het nare schemeruur
zo gemoedelijk gezellig
brandt het knetterend kolenvuur.
Ik zit zo gaarne bij mijn haardje,
op de vlam de blik gericht,
of in het halve duister volgend
het spookgevecht, waar schouw en licht,
dartele schimmen, dalen, klimmen
tot daar een van beiden zwicht.
Ik zit zo graag bij mijn haardje
overpeinzend in mijn hart
het roerend woord, dat mij mocht treffen,
het woord van een geliefde bard,
tot mijn ziel het diepst verborgen
zoet geniet de dichterssmart.
Ik zit zo gaarne mij mijn haardje
denkend aan vervlogen tijd,
aan genoten heil en vreugde,
aan doorleefde smart en strijd:
week wordt dan mijn harte weder
om het verleden, zij het ook wijd.
Ik zit zo gaarne bij mijn haardje
dromend van toekomstig goed,
bouwend hoge luchtkastelen
in de wemelende gloed;
luchtkastelen, die een adem
weer in puin verzinken doet.
Ik zit zo gaarne bij mijn haardje;
anderen gun ik luider vreugd:
mij bevalt de lieve vrede,
met haar sussende geneugd,
met haar dromen, met haar beelden,
die in stilte het hart verheugt.
02-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 01-08-2015 |
De schoonste tijd. Hilda Ram |
|
De zon lacht, de wind speelt
in het ruizelend riet zijn kinderspel,
of kust het bloemken dat zich heelt,
of zwaait en zwierf de haverbel.
De vissen dobberen in de vliet;
de lammeren huppelen langs de baan,
nog kent het visje de angel niet;
geen scheren heeft het lam doorstaan.
Het is alles leven, vreugde en licht,
waarheen mijn lettend oog zich keert,
het stemt alles samen tot een gedicht
welluidend zoet, onzeglijk teer.
Een schoon gedicht, dat dromen doet,
het oog met stille tranen vult,
en beelden wekt voor het krank gemoed,
die het dol verleden had omhuld.
Mijn hart is zwaar, mijn hart is droef,
eens was het licht als des winden schacht;
nu volgt het mat des levens groef
met allerhande leed bevracht.
Gij die aan 's levens drempel staat
en hoopvol in de toekomst blikt,
gij, die nog in uw dageraad,
voor middagbrand noch onweer schrikt.
Vertoef, vertoef in het lommerrijk prieel,
dat argeloze onschuld om u vlecht:
ernst brengt de toekomst, geen gespeel;
lang blijve ervaring u ontzegd.
01-08-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 31-07-2015 |
Aan de zee. Hilda Ram |
|
Zee, wanneer uw wijde boezem
zwoegt en zwelt;
wanneer uw woeste baren steigeren,
met geweld
de oevers beuken, die u knellen,
woelt dan in
het diepste van uw nare kolken
haat of min?
Wanneer de rozige ochtendvlammen
strelend zacht,
of de purperen avondluister
in zijn pracht
uw stille wateren kussen,
glimmend groen:
trilt dan tot uw verste boorden
niet uw zoen?
Ducht ge sombere onweerswolken?
Schrikt ge, wanneer
zwaar als lood, uw baren stuiten
in hun ren,
onbeweeglijk het woeden tartend
van de orkaan?
IJst ge dan, van angst en gruwel
aangedaan?
Mint ge het lieflijk stergeflonker?
Is die glans
zilverhel, die 's nachts u kroont, een
vreugdekrans?
Of, hebt gij, van het menselijk hart,
steeds misleid,
niets, niets dan de onmeetbare diepte en
rusteloosheid?
31-07-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 30-07-2015 |
Het zonnestraaltje. Hilda Ram |
|
Aardig, grillig zonnestraaltje,
zeg, hoe drong je door tot mij?
vensterraam en voorhang, schoof ik
dicht daareven. Mijmerij
keert zich af van licht en leven,
zoekt alleenzijn, duisternis;
trek terug, hier helpt geen mallen;
al uw speelsheid slaat hier mis.
Doch, wat komt ge dartelen, stoeien
op mijn vers beschreven blad?
"Weemoed" was het laatste woordje;
daar, ja, staat het, half nog nat,
waarom hecht ge u aan al die letters,
zonnestraaltje, juist aan die,
tot ze doof en rossig worden,
tot ik hen met moeite zie?
O, ik versta u, niet bestand is
weemoed voor uw vriendelijk licht;
weemoed is een zwarte schim,
die voor het zonnestraaltje zwicht;
als een vijand, heimelijk strelend,
sluipt hij in het mensenhart,
voedt het met zijn zoete giften,
geeft het over aan de smart.
Dank u, dank u, hemelbode,
hier is thans uw taak volbracht;
ga nu verder, waar nog anderen,
zuchten onder droefheids macht,
dring door vensterblind en luiken,
tot ge uw oude vijand vindt,
tot ge met uw gouden schichten
hem doorborend, overwint.
30-07-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 29-07-2015 |
Bloemen plukken. Hilda Ram |
|
Bloemen plukken, bloemen plukken,
zie ze schitteren langs het kronkelig pad,
zie ze wiegelen op de adem van de wind,
zie ze met parelende dauw bespat.
Het is of hun hartje in de zonnestralen
warm is geworden, vuur heeft gevat,
het is of ze wenken en lonken en vleien,
het is of ze vragen, fluisterend zacht,
pluk me, pluk me, voor u is mijn schoonheid,
geurend en kleurend uw liefde ik betracht.
Bloemen plukken, bloemen plukken,
ach, maar ze zijn zo tenger, zo broos,
nauwelijks ontrukt ge ze aan het koesterend zonlicht,
of vergaan is hun liefelijk gebloos.
Nauwelijks beroert ze uw hand, of de parel,
die in hun kelk zijn schuilplaats koos,
rolt verloren; geknakt is de stengel,
het hoofdje is gebogen, verflenst is de kroon;
bloemen plukken, alleen uw beroeren
doemt tot verderf hun bekoorlijk schoon.
29-07-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 28-07-2015 |
Landschap 2. Hilda Ram |
|
Thans is het winter, bos en velden
liggen stil en naakt en koud;
alles zwijgt en schijnt te dromen
van het zomerzonnegoud.
Dromend smelt in de open verte
het nevelig floers van land en lucht:
witte mist en witte wolken
met nog witter sneeuw bevrucht.
In haar zachte donzen mantel
hult zich de aarde en bergt haar leed;
maar soms lekt van het levend twijgje
stil een traan op het blanke kleed.
Toch, en toch min ik het droeve landschap,
het heeft iets treffend voor mijn oog,
als het gelaat eens teergeliefden,
dat de weemoed overtoog.
Iets als meelij voel ik wellen
in mijn zacht gestemde borst;
iets, dat, als een zonnestraaltje,
smelten wou die winterkorst.
28-07-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 27-07-2015 |
Landschap 1. Hilda Ram |
|
Als der bomen botten breken
en het verfrommeld blaadje lacht
schuchter uit het enge kluisje,
waar de winter het hield versmacht.
Als het jong en spichtig grasje
uit de harde bodem schiet,
en het weergekeerde vinkje
neurt zijn eerste lentelied.
Als de vissen in de vijver
duiken uit de diepten op
en de gladde waterspiegel
breken met hun vlugge kop.
Als het vee met dartele sprongen
uit de stal gehuppeld komt,
het luchtruim vult met vreugdig loeien
door de kou zo lang verstomd.
Dan, dan is het een leven buiten,
dan, dan is het feest op het land,
blijde jubelt al wat stem heeft,
juicht u tegen te allen kant.
27-07-2015, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
|
 |
|