 |
| We zijn de 02de week van 2022
|
 |
|
 |
| Rustig genieten van gedichten, liedjesteksten, muziek, vertellingen, prenten en foto's. |
| Welkom in mijn thuishaven. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. |
 |
| 15-05-2014 |
Aan de dichter. |
|
Ik stond bewonderend als zovelen,
voor de rijke boekenschat,
die uw arbeid in zich vat.
En ik hoorde uit al die delen,
stemmen fluisteren, tonen kwelen,
gans Europa's dichtenrij,
toog mij als voorbij.
Ongeëvenaard vertaler,
hoorde ik fluisteren om mij heen,
sterk geheugen als niet een.
Stout en onnavolgbaar maler,
met de woorden op het papier,
maar altijd scholier.
In zijn hemels gefemel,
In zijn aardse spotternij,
wat ondeugends soms erbij.
In zijn hel en in zijn hemel,
In zijn klank- en kleurgewemel,
In dat alles hoort ge mij,
lispt de dichtenrij.
Als hij zwaar met werk beladen,
neerzit, bijna schrijvensmoe,
komen wij allen naar hem toe.
Brengen wij als kameraden,
elk ons deel gedrukte bladen,
schoon hij ons niet altijd noemt,
en ons zelfs verbloemt.
Dichter die met woorden tovert,
als voor u maar zelden een,
waarom werkt gij nooit alleen?
Dichter die ons oor verovert,
ons met paarlen overstrooit,
waarom toont gij uw schatten nooit?
1867 geen dichter vermeld
15-05-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 14-05-2014 |
Op het strand. |
|
Wat was het strand zonnig en zo breed,
toen ik u zag, de golven weken staag
verder terug, en op mijn vragen schreedt
gij vriendelijk naast mij voort. Een frisse vlaag
van levenslust doorstroomde ons, zo blij
als kinderen waren wij. Zoals kinderen doen,
begonnen wij elkander helpend, toen
een berg van zand te bouwen, om daar vrij
te kunnen op staan aan de verste rand,
waar eb eindigt. En wij stonden daar,
zo rustig hand in hand, en wonderbaar
klonk ons het branding breken tegen het strand.
Ver achter ons was nu het mensengewoel,
wij waren samen met ons kinderlijk gevoel,
jij had op mijn schouder je hoofd geleid,
en peinzend staarden wij in de oneindigheid.
Daar kwam de vloed, wij zagen het bruisen reeds
van ver, het opsteken van der golven kam,
het opstuiven van de baren heir, dat steeds
met breder scharen, dreigend nader kwam.
Toen wilde ik mijn armen om je heen slaan,
en zeggen: laat ons hier blijven staan,
als wij elkander houden is het goed,
al stort over ons de watervloed.
Maar gij werd voor de hoge zee beducht,
en nam de plooien van je kleed bijeen,
en zijt naar veiliger strand teruggevlucht,
en liet mij op de zandberg heel alleen.
1893 geen dichter vermeld
14-05-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 13-05-2014 |
Ochtend en avond. |
|
Ochtend
De hemel is zo troosteloos grijs,
het wil niet dagen,
de wind zingt in de bomen een wijs,
van klagen.
Ik hoor de druppels nedergaan,
in het nevelig duister,
blijf voor mijn open venster staan,
en luister.
Zo stil is het overal om mij heen,
op donkere wegen,
alleen het troosteloos geween,
van de regen.
Avond
Zij zit bij het lampenlicht voor het open raam,
ik loop onder donkere bomen,
en noem haar naam.
Zij weet niet van waar, zij weet niet hoe ,
dan hoort zij dichtbij mij komen,
en knikt mij toe.
Zij geeft mij zwijgend haar koele hand,
en blijft mij stil aanstaren,
hoe koel is toch die hand.
Om haar hoofd een stralend aureool,
geel licht in blonde haren,
o goddelijk idool.
1893 geen dichter vermeld
13-05-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 12-05-2014 |
Geluk. |
|
Nu hebt gij zo stil in mijn armen gerust,
tot mij gelachen zo mild,
ik heb u op mond en ogen gekust,
zo innig, zo wild.
Nu heeft uw hand met liefkozend gebaar,
zacht mijn wangen gestreeld,
nu hebben mijn bevende vingers gespeeld,
en gewoeld in uw haar.
Kom nu mijn liefste, voor mij staan,
zie mij aan, zo stil, zo stil,
dan nog één kus, en zwijgend wil
ik henen gaan.
*******
De zee is één onmetelijk verlangen,
waarboven wolken hangen,
van grijze melancholie.
Op de golven, die steeds maar schommelen,
ligt willoos mijn ziel te dommelen,
en te dromen dat ik je zie.
1893 geen dichter vermeld
12-05-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 11-05-2014 |
Apollo. |
|
Gelukkig hij die zo de zon zag,
de god van het licht, uit de duistere nacht geboren,
nog beeft in het oosten het schuchter ochtendgloren,
als reeds hijzelf verschijnt, de jonge dag.
Een glans, een gloed, daarna vonk op vonk, als rag
scheurt wolk op wolk, en blijde vogelkoren
begroeten luid, die stralend buigt naar voren,
turend vooruit, zover het oog vermag.
De lucht trilt, als hij tot sneller vaart
zijn rossen aandrijft, zodat zij slaan en steigeren,
hoog zich verheffend in het goud gareel.
Dan schiet vooruit de zonnekar, en heel
het oosten schitterschalt, of duizend krijgeren,
slaan op de schilden met hun blinkend zwaard.
1901 geen dichter vermeld.
11-05-2014, 00:18
Geschreven door André 
|
|
 |
| 10-05-2014 |
Vier kwatrijnen. |
|
Een stilte strak, maar klaar en kimzuiver,
omgaf de morgen en zijn uren blank,
nu wordt de wereld waaks, muziekgehuiver
bevangt een boom, een merel stemt zijn zang.
Wij die de vlam van de apostel dragen,
en de aarde bergen in een woordenschrijn,
die tomen vreugd en doet glimlachen pijn,
wij zien de dag vanzelf naar het eeuwig dagen.
De liefde die ik prees is langzaam aan verschaald,
en offerloos is het altaar in de haag der goden,
de wijn heb ik verspild op dorrend gele zoden,
toen traag een matte zon in de nevels is gedaald.
Ik die het lied zong van de bonte morgenstond,
en mijn koeien drentelend langs de dijken weidde,
ik ging naar de stad, maar zag alleen een nimf, die beidde (1)
vlak aan de zee, hem, die bij de dorre brem haar schond.
1.beidde: wachten op
1922 geen dichter vermeld
10-05-2014, 09:43
Geschreven door André 
|
|
 |
| 09-05-2014 |
Het viooltje. |
|
Al zwijgen
de twijgen
omlaag van de heg,
Al school je
viooltje
daar gans onder weg.
Bespeuren
wij de kleuren
ook niet uwer blaan,
toch wekt ge
toch trekt ge
onze aandacht bij het gaan.
Verbeuren
uw geuren
op de koelte zich rond,
verraden
de paden
daar waar gij ze ons zond.
Dus plengt ge
Dus brengt ge
uw reukkoffer aan,
waar vulde
ooit hulde
fluweliger blaan?
Geprezen
wier wezen
aan gaven zo rijk,
bescheiden
zij spreiden
viooltje u gelijk.
Vriendin
wier gemin
mij jubelen doet,
dus streef ik
dus zweef ik
uw gunst naar mij toe.
1881 geen dichter vermeld
09-05-2014, 08:47
Geschreven door André 
|
|
 |
| 08-05-2014 |
Lelietje van dalen. |
|
Het is een mei morgenstond,
lelietjes van dalen,
geurend heel mijn kamer rond,
zie ik verrast er pralen.
Boven het blad dat haast ze omsluit,
gluren witte kelkjes uit,
weg bestoven foliant,
lelietjes van dalen,
maken nu dat mijn verstand,
telkens af gaat dwalen.
Boeken, vandaag geef ik u rust,
bloemengeur wekt zingenlust,
het bos herschiep gij voor mijn oog,
lelietjes van dalen.
Wat mij toestroomt van omhoog,
wildzang, zonnestralen,
en gij met uw zusterenrei,
geuren zendt uit mos en hei,
maar wie bracht u hier toch wel,
lelietjes van dalen?
Wie lokt mij uit mijn studiecel,
weer tot doelloos dwalen?
Niemand is hier nog gezien,
wacht, toch weet ik het misschien.
Gisteren droeg een lieve maagd,
lelietjes van dalen,
schoon ik het haar vriendelijk heb gevraagd,
wou zij mij niet verhalen,
waar zij in het bos die bloemen vond,
of zij mij ook deze ruiker zond.
U verklappen wou zij niet,
lelietjes van dalen,
daar zij liever zelf er me biedt,
dan mij er te doen halen.
Moge zij die u heeft geplukt,
lelietjes van dalen,
vinden wat haar hartje verrukt,
gebloemd zonder falen,
Moge steeds haar levensbaan,
door bebloemde dreven gaan.
1881 geen dichter vermeld
08-05-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 07-05-2014 |
De sleutelbloem. |
|
Schoon madeliefje,
reeds bloeide de viool,
en ook het klokje,
in het sneeuwbed reeds school.
Schoon zich de krokus,
alreeds heeft vertoond,
zijt gij begunstigd,
met eer gekroond.
Primula Veris,
van alle gebloemt,
wordt gij eersteling
van de lente genoemd.
Ook prijst de volksmond,
als sleutelbloem u,
het heerlijke voorjaar,
opent gij ons nu.
Bloemen van de lente,
en zangen van de jeugd,
gezegend die u weelde,
in het najaar nog heugt.
Klink, o weerklink dan,
gelijk in het verleen,
nagalm van jonkheid,
beziel mij als voorheen.
Wees gij als eersteling
van de lente, in het kruid,
ook weer een sleutel,
die de harten ontsluit.
1881 geen dichter vermeld
07-05-2014, 08:47
Geschreven door André 
|
|
 |
| 06-05-2014 |
Wachten. Victor Hugo |
|
Klim eekhoorn naar de takken van de eiken,
die tot de hemel schijnt te reiken,
en buigt en siddert als een riet.
Vlieg ooievaar, vlieg van de oude toren,
die gij u als nest hebt uitverkoren,
op de kerktoren is de hemel verloren,
die het slot aan haar voeten ziet.
Stijg uit uw rotskloof, vogelkoning,
naar uw grijze, winterse, eeuwige woning,
de bergen met hun wit besneeuwde top.
En gij die nooit het ochtendblozen,
op het mollig legerdons zag pozen,
verlaat de streek die geurt van rozen,
stijg leeuwerik, stijg ten hemel op.
En ziet gij uit de eikentoppen,
of van de torens gouden knoppen,
of van het hooggebergte uit het luchtgebied,
waar mist of schemering de aarde omhuiven,
geen vederbos van verre wuiven,
geen rokend ros dat het zand doet stuiven,
keert nog mijn beminde niet?
1837 vertaald gedicht
06-05-2014, 09:18
Geschreven door André 
|
|
 |
| 05-05-2014 |
Een straat in de stad. |
|
Ik hou van velden, wouden stromen,
Ik heb een zonnig landschap lief,
Ik voel zo graag de wind komen,
alsof het schatting van de bloemen hief,
en toch laat me ook de stad niet koel,
menselijkheid eist mijn medegevoel.
Hoe brengt zij binnen de enge muren,
al de uitersten van het leven saam,
hoe maakt zij hoog en lang, geburen
in een zuilenrij en tralieraam,
hoe paalt de haard van het braaf gezin,
er aan het hol van de wulpse min.
Ik zie de weelderige rijke,
hoogmoedig langs de straten gaan,
Ik zie de arme zijns gelijke,
al hongerend aan de poorten staan,
en mijmer over het eigen leed,
thuis op stromat en tapeet.
Al melden toch die weidse zalen,
ons niets van het jammeren dat zij zien,
al kan ons geen gouden koets verhalen,
hoe ook bij haar de sluimering vlien,
de zomerlucht, schoon, blauw en klaar,
gaat ook van rosse bliksems zwaar.
Tot bij de vaderen van de gemeente,
Tot bij de notabelen van de stad,
verteert de dood ons gebeente,
schiet hij te kort of faalt hij wat,
slechts wee is ons aller erfenis.
Maar is al het menselijke des mensen,
hoe spreekt dan uit de bonte rij,
een heir van klachten en van wensen,
in gang en blik en zucht tot mij,
hoe deel ik met een bewogen hart,
in aller vreugd, in aller smart?
1840 vertaald uit het Engels
05-05-2014, 08:34
Geschreven door André 
|
|
 |
| 04-05-2014 |
Het eiland Seeland. |
|
Gij kleine plek van golfgeklots omgeven,
met schone bloemen op uw groene strand,
en het vogelkoor in uw groene dreven,
ik heb u lief, gij zijt mijn vaderland.
Gij voortijds een reuzenterp met diepe voren,
omploegd, lang nog voor er een stad bestond,
door reuzen runderen met gulden horen,
ik heb u lief, o mijn geboortegrond.
Gij leliebloem van de zee, uw zoete geuren,
hoe liefelijk trekken zij ons naar het zoute strand,
het is een godenkelk, een bloem met onschuldkleuren,
ik heb u lief, gij zijt mijn vaderland.
O land, bestraald door morgenzon gloeien,
van de verre kust tot aan uw groene strand,
schoon waar soms wilde stormen loeien,
toch heb ik u lief, gij zijt mijn vaderland.
Gij bruid van de oceaan, wier eeuwig dralen,
hem hopeloos minnend, drijft van het koude strand,
ik wil zingen tot de laatste zon zal dalen,
ik heb u lief, gij zijt mijn vaderland.
1843 vertaald uit het Deens.
Oorspronkelijk was Seeland verbonden met het vaste land. Maar reusachtige runderen beploegden het land.
zij waren zo sterk dat zij bij de eerste gang het gehele stuk land in zee trokken.
04-05-2014, 08:24
Geschreven door André 
|
|
 |
| 03-05-2014 |
Wonde. Heinrich Heine |
|
O wisten de bloemen, de kleenen,
wat wonde me brandt in het hart,
zij zouden gewis met mij wenen,
en helen mijn folterende smart.
En wisten de vogels in het lommer,
hoe treurig ik ben en hoe krank,
de nachtegaal suste mijn kommer,
met zoet en verkwikkend gezang.
En waren aan de sterren, die dwalen
daarboven, mijn lijden bekend,
zij zouden tot mij willen dalen,
mij troosten in al mijn ellend.
Toch allen zij kunnen het niet weten,
één enkele slechts kent mijn smart,
en het is zij die haar heeft opengereten,
de brandende wonde van mijn hart.
1844 vrije vertaling
03-05-2014, 09:24
Geschreven door André 
|
|
 |
| 02-05-2014 |
Sympathie. Franz Dingelstedt |
|
O mocht ik vol van vrees en zoet verlangen,
mijn blik op uw omnevelde ogen slaan,
O wapperde ik rondom uw blozende wangen,
verkoelend als de wind af en aan.
Wat zou ik gaarne aan uw sponde staan,
die uw lichaam meedogenloos houdt omvangen,
een engel op mijn ruwe levensbaan,
daar over de adem van uw boezem hangen.
Maar ik ben er niet, en zend alleen
dit kleine lied, als bode tot u heen,
tot u wier liefde ik nimmer zal vergeten.
Ik breng u mijn groet vol trouw en tederheid,
en slingert, daar ons de afstand scheidt,
tussen ons de onverbreekbare liefdeketen.
1837 vertaald gedicht
02-05-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 01-05-2014 |
Hongaarse poëzie 4. Koloman Toth |
|
Men riep naar huis haar weer terug,
het was wreedheid ons te storen,
maar o, haar fluisterend "goedenacht",
hoe klonk het mij zoet in de oren.
Wat klank ik ook vergeten mag,
deze klank niet, toen vernomen,
het hield mijn hart, dat dwaze kind,
gewiegd in zoete dromen.
Vele jaren gingen sedert heen,
maar hoeveel ook vervlogen,
die oude, schone, reine tijd,
staat mij altoos nog voor ogen.
Het kleine meisje is dezelfde nog,
en ook mijn droom is de oude,
maar de gloed voor haar ontbrand,
is niet verstijfd in 's levens koude.
En komt er soms een enkele dag,
die zich dag mag heten,
een enkele drup op gans de zee,
waarin ik in schijn haar zou vergeten.
Nog nauwelijks gaat die dag ter rust,
en ik zie het maanlicht blinken,
en ik hoor dat zoete "goedenacht",
weer door mijn ziele klinken.
01-05-2014, 07:59
Geschreven door André 
|
|
 |
| 30-04-2014 |
Hongaarse poëzie 3. Koloman Toth |
Na de regen.
Langzaam trekken weg de wolken,
op de bergen top vergaderd,
nog is het zonlicht niet gekomen,
maar men voelt reeds dat het nadert.
Een vogel klein schudt en poetst de veren,
die van regendruppels blinken,
nog is het stil, maar in zijn binnenste
zwelt reeds het lied, dat weldra zal klinken.
En een zalige verademing,
deelt aan bloem en struik zich mede,
na een twist met mijn geliefde,
sloten we altoos zo de vrede.
Zo verdwenen de donkere wolken dan,
die ons aangezicht omhulde,
tot de zonnestraal van vertrouwen,
hart en hemel weer vervulde.
En zweeg nog op onze lippen,
de schoonheid van het minnekozen,
beiden voelden wij alreeds toch,
dat het niet meer lang zou pozen.
Blonk ook in haar oog of het mijne,
een enkele blije traan ons tegen,
lachend noemden wij het een druppel,
van nog niet gedroogde regen.
30-04-2014, 09:24
Geschreven door André 
|
|
 |
| 29-04-2014 |
Hongaarse poëzie 2. Koloman Toth |
|
Gij zijt een dochter van de grote wereld,
een stil bescheiden kring groet mij als zoon,
uw lot is onbezorgd, vol weelde en vreugde,
ik ben aan droefenis en aan zorg gewoon.
Een krans is uw omgeving, en ik dien u,
als kleine grashalm in die volle krans,
hij heeft plaats naast de anderen, maar hij verdort,
welnu, de roos bloeit toch in volle glans.
Een woord is nodig maar, opdat gij alles
wat blinkend is en kostbaar, voor u ziet,
een ruiker zelf bijeengegaarde bloemen,
een kunsteloze zang is wat ik bied.
Gij wilt ook die goedgunstig wel aanvaarden,
en glimlacht dan om hem, die tranen vraagt,
oprecht te voelen is zo ouderwets ook,
een mode is het, die geen salon meer draagt.
Ik ben in uw kring als een verdoolde zwerver,
in een donker bos, waar wilt gedierte loert,
de wilde dieren zijn mijn wilde smarten,
wat heeft ooit mijn weg tot u gevoerd.
29-04-2014, 09:30
Geschreven door André 
|
|
 |
| 28-04-2014 |
Hongaarse poëzie 1. Koloman Toth |
|
Bleek een vrouw zijt gij geworden,
meisje rood en fris van wangen,
nauwelijks een schaduw van uzelf meer,
een zucht heeft uw lach vervangen.
Hecht als een rots is uw gade,
gij, het bloempje, moet hem eren,
gij in het dal, hij hoog daarboven
storm noch onweer kan u deren.
Maar ook de minnekozende koelte,
het zonlicht schijnt hem overbodig,
en geen rust heeft het vrouwenhart,
het vrouwenhart heeft liefde nodig.
In lege, stille kamers,
sluipen traag voorbij de dagen,
slechts mijn stem verschijnt aan uw hart,
om de oorzaak van uw leed te vragen.
(midden 19de eeuw)
28-04-2014, 00:00
Geschreven door André 
|
|
 |
| 27-04-2014 |
Lied van Mirza Schaffy 2 |
|
Zaligste der zaligen, terwijl
de domme wereld in haar wenteling zucht,
en iedereen op zijn wijs het heil,
dat voor zijn voeten ligt, misbruikt en ontvlucht,
terwijl men hopeloos zijn eigen lichaam kastijdt,
en zegt dat de hemel eens zal schadeloos stellen,
ofwel zich aan de profeten wijdt,
en dingen van de toekomst gaat vertellen,
die de één min als de ander gezien heeft,
dan kniel ik voor het altaar van liefde neder,
en schrijf mijn vreugdelied teder,
de gouden wijn uit fonkelende schalen,
verlokkend geurend, verjaagt alle aardse pijn,
men kan in deze tranendalen,
met liefde en wijn als in de hemel zijn.
Verbitter u het jonge leven niet,
versmaad wat God u gegeven heeft niet,
een schoner loon dan wijn en liefde,
biedt u deze aarde voor uw streven niet.
Wie kan van bloemen de geuren roemen eer hij de bloemen geroken heeft?
Wie kan de bloemen zijn eigen noemen eer hij de bloemen gebroken heeft?
27-04-2014, 08:04
Geschreven door André 
|
|
 |
| 26-04-2014 |
Lied van Mirza Schaffy 1 |
|
Als eenmaal onder hemels zangakkoorden,
het paradijs van vromen opengaat,
en samengeschaard uit alle wereldoorden,
de menigte vol angst en twijfel staat,
zal ik alleen bij al die zondaarssoorten,
zonder vrees en zonder wanhoop staan,
terwijl sinds lang op aarde alle poorten,
van het paradijs voor mij open staan.
De roos heeft smartelijk getreurd,
de geur verdwijnt, de pracht verkleurt,
die mij de lente had gegeven,
ik heb de treurende opgebeurd,
weet dat gij in al mijn liederen geurt,
en dat gij verwierf een eeuwig leven.
Wel weet ik kransen samen te binden,
van bloemen fris en zelf geplukt,
ook wel het rechte woord te vinden,
ben ik verblijd of neergedrukt.
Zolang ik mijn gevoel kan noemen,
en meester van mijn zinnen ben,
beschik ik over alle bloemen,
en al de gedachten die ik ken.
1874
26-04-2014, 09:21
Geschreven door André 
|
|
 |
|
 |
|