Rustig genieten van gedichten, liedjesteksten, muziek, vertellingen, prenten en foto's.
Welkom in mijn thuishaven. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.
11-05-2014
Apollo.
Gelukkig hij die zo de zon zag,
de god van het licht, uit de duistere nacht geboren,
nog beeft in het oosten het schuchter ochtendgloren,
als reeds hijzelf verschijnt, de jonge dag.
Een glans, een gloed, daarna vonk op vonk, als rag
scheurt wolk op wolk, en blijde vogelkoren
begroeten luid, die stralend buigt naar voren,
turend vooruit, zover het oog vermag.
De lucht trilt, als hij tot sneller vaart
zijn rossen aandrijft, zodat zij slaan en steigeren,
hoog zich verheffend in het goud gareel.
Dan schiet vooruit de zonnekar, en heel
het oosten schitterschalt, of duizend krijgeren,
slaan op de schilden met hun blinkend zwaard.
1901 geen dichter vermeld.
11-05-2014, 00:18
Geschreven door André
10-05-2014
Vier kwatrijnen.
Een stilte strak, maar klaar en kimzuiver,
omgaf de morgen en zijn uren blank,
nu wordt de wereld waaks, muziekgehuiver
bevangt een boom, een merel stemt zijn zang.
Wij die de vlam van de apostel dragen,
en de aarde bergen in een woordenschrijn,
die tomen vreugd en doet glimlachen pijn,
wij zien de dag vanzelf naar het eeuwig dagen.
De liefde die ik prees is langzaam aan verschaald,
en offerloos is het altaar in de haag der goden,
de wijn heb ik verspild op dorrend gele zoden,
toen traag een matte zon in de nevels is gedaald.
Ik die het lied zong van de bonte morgenstond,
en mijn koeien drentelend langs de dijken weidde,
ik ging naar de stad, maar zag alleen een nimf, die beidde (1)
vlak aan de zee, hem, die bij de dorre brem haar schond.
1.beidde: wachten op
1922 geen dichter vermeld
10-05-2014, 09:43
Geschreven door André
09-05-2014
Het viooltje.
Al zwijgen
de twijgen
omlaag van de heg,
Al school je
viooltje
daar gans onder weg.
Bespeuren
wij de kleuren
ook niet uwer blaan,
toch wekt ge
toch trekt ge
onze aandacht bij het gaan.
Verbeuren
uw geuren
op de koelte zich rond,
verraden
de paden
daar waar gij ze ons zond.
Dus plengt ge
Dus brengt ge
uw reukkoffer aan,
waar vulde
ooit hulde
fluweliger blaan?
Geprezen
wier wezen
aan gaven zo rijk,
bescheiden
zij spreiden
viooltje u gelijk.
Vriendin
wier gemin
mij jubelen doet,
dus streef ik
dus zweef ik
uw gunst naar mij toe.
1881 geen dichter vermeld
09-05-2014, 08:47
Geschreven door André
08-05-2014
Lelietje van dalen.
Het is een mei morgenstond,
lelietjes van dalen,
geurend heel mijn kamer rond,
zie ik verrast er pralen.
Boven het blad dat haast ze omsluit,
gluren witte kelkjes uit,
weg bestoven foliant,
lelietjes van dalen,
maken nu dat mijn verstand,
telkens af gaat dwalen.
Boeken, vandaag geef ik u rust,
bloemengeur wekt zingenlust,
het bos herschiep gij voor mijn oog,
lelietjes van dalen.
Wat mij toestroomt van omhoog,
wildzang, zonnestralen,
en gij met uw zusterenrei,
geuren zendt uit mos en hei,
maar wie bracht u hier toch wel,
lelietjes van dalen?
Wie lokt mij uit mijn studiecel,
weer tot doelloos dwalen?
Niemand is hier nog gezien,
wacht, toch weet ik het misschien.
Gisteren droeg een lieve maagd,
lelietjes van dalen,
schoon ik het haar vriendelijk heb gevraagd,
wou zij mij niet verhalen,
waar zij in het bos die bloemen vond,
of zij mij ook deze ruiker zond.
U verklappen wou zij niet,
lelietjes van dalen,
daar zij liever zelf er me biedt,
dan mij er te doen halen.
Moge zij die u heeft geplukt,
lelietjes van dalen,
vinden wat haar hartje verrukt,
gebloemd zonder falen,
Moge steeds haar levensbaan,
door bebloemde dreven gaan.
1881 geen dichter vermeld
08-05-2014, 00:00
Geschreven door André
07-05-2014
De sleutelbloem.
Schoon madeliefje,
reeds bloeide de viool,
en ook het klokje,
in het sneeuwbed reeds school.
Schoon zich de krokus,
alreeds heeft vertoond,
zijt gij begunstigd,
met eer gekroond.
Primula Veris,
van alle gebloemt,
wordt gij eersteling
van de lente genoemd.
Ook prijst de volksmond,
als sleutelbloem u,
het heerlijke voorjaar,
opent gij ons nu.
Bloemen van de lente,
en zangen van de jeugd,
gezegend die u weelde,
in het najaar nog heugt.
Klink, o weerklink dan,
gelijk in het verleen,
nagalm van jonkheid,
beziel mij als voorheen.
Wees gij als eersteling
van de lente, in het kruid,
ook weer een sleutel,
die de harten ontsluit.
1881 geen dichter vermeld
07-05-2014, 08:47
Geschreven door André
06-05-2014
Wachten. Victor Hugo
Klim eekhoorn naar de takken van de eiken,
die tot de hemel schijnt te reiken,
en buigt en siddert als een riet.
Vlieg ooievaar, vlieg van de oude toren,
die gij u als nest hebt uitverkoren,
op de kerktoren is de hemel verloren,
die het slot aan haar voeten ziet.
Stijg uit uw rotskloof, vogelkoning,
naar uw grijze, winterse, eeuwige woning,
de bergen met hun wit besneeuwde top.
En gij die nooit het ochtendblozen,
op het mollig legerdons zag pozen,
verlaat de streek die geurt van rozen,
stijg leeuwerik, stijg ten hemel op.
En ziet gij uit de eikentoppen,
of van de torens gouden knoppen,
of van het hooggebergte uit het luchtgebied,
waar mist of schemering de aarde omhuiven,
geen vederbos van verre wuiven,
geen rokend ros dat het zand doet stuiven,
keert nog mijn beminde niet?
1837 vertaald gedicht
06-05-2014, 09:18
Geschreven door André
05-05-2014
Een straat in de stad.
Ik hou van velden, wouden stromen,
Ik heb een zonnig landschap lief,
Ik voel zo graag de wind komen,
alsof het schatting van de bloemen hief,
en toch laat me ook de stad niet koel,
menselijkheid eist mijn medegevoel.
Hoe brengt zij binnen de enge muren,
al de uitersten van het leven saam,
hoe maakt zij hoog en lang, geburen
in een zuilenrij en tralieraam,
hoe paalt de haard van het braaf gezin,
er aan het hol van de wulpse min.
Ik zie de weelderige rijke,
hoogmoedig langs de straten gaan,
Ik zie de arme zijns gelijke,
al hongerend aan de poorten staan,
en mijmer over het eigen leed,
thuis op stromat en tapeet.
Al melden toch die weidse zalen,
ons niets van het jammeren dat zij zien,
al kan ons geen gouden koets verhalen,
hoe ook bij haar de sluimering vlien,
de zomerlucht, schoon, blauw en klaar,
gaat ook van rosse bliksems zwaar.
Tot bij de vaderen van de gemeente,
Tot bij de notabelen van de stad,
verteert de dood ons gebeente,
schiet hij te kort of faalt hij wat,
slechts wee is ons aller erfenis.
Maar is al het menselijke des mensen,
hoe spreekt dan uit de bonte rij,
een heir van klachten en van wensen,
in gang en blik en zucht tot mij,
hoe deel ik met een bewogen hart,
in aller vreugd, in aller smart?
1840 vertaald uit het Engels
05-05-2014, 08:34
Geschreven door André
04-05-2014
Het eiland Seeland.
Gij kleine plek van golfgeklots omgeven,
met schone bloemen op uw groene strand,
en het vogelkoor in uw groene dreven,
ik heb u lief, gij zijt mijn vaderland.
Gij voortijds een reuzenterp met diepe voren,
omploegd, lang nog voor er een stad bestond,
door reuzen runderen met gulden horen,
ik heb u lief, o mijn geboortegrond.
Gij leliebloem van de zee, uw zoete geuren,
hoe liefelijk trekken zij ons naar het zoute strand,
het is een godenkelk, een bloem met onschuldkleuren,
ik heb u lief, gij zijt mijn vaderland.
O land, bestraald door morgenzon gloeien,
van de verre kust tot aan uw groene strand,
schoon waar soms wilde stormen loeien,
toch heb ik u lief, gij zijt mijn vaderland.
Gij bruid van de oceaan, wier eeuwig dralen,
hem hopeloos minnend, drijft van het koude strand,
ik wil zingen tot de laatste zon zal dalen,
ik heb u lief, gij zijt mijn vaderland.
1843 vertaald uit het Deens.
Oorspronkelijk was Seeland verbonden met het vaste land. Maar reusachtige runderen beploegden het land.
zij waren zo sterk dat zij bij de eerste gang het gehele stuk land in zee trokken.
04-05-2014, 08:24
Geschreven door André
03-05-2014
Wonde. Heinrich Heine
O wisten de bloemen, de kleenen,
wat wonde me brandt in het hart,
zij zouden gewis met mij wenen,
en helen mijn folterende smart.
En wisten de vogels in het lommer,
hoe treurig ik ben en hoe krank,
de nachtegaal suste mijn kommer,
met zoet en verkwikkend gezang.
En waren aan de sterren, die dwalen
daarboven, mijn lijden bekend,
zij zouden tot mij willen dalen,
mij troosten in al mijn ellend.
Toch allen zij kunnen het niet weten,
één enkele slechts kent mijn smart,
en het is zij die haar heeft opengereten,
de brandende wonde van mijn hart.
1844 vrije vertaling
03-05-2014, 09:24
Geschreven door André
02-05-2014
Sympathie. Franz Dingelstedt
O mocht ik vol van vrees en zoet verlangen,
mijn blik op uw omnevelde ogen slaan,
O wapperde ik rondom uw blozende wangen,
verkoelend als de wind af en aan.
Wat zou ik gaarne aan uw sponde staan,
die uw lichaam meedogenloos houdt omvangen,
een engel op mijn ruwe levensbaan,
daar over de adem van uw boezem hangen.
Maar ik ben er niet, en zend alleen
dit kleine lied, als bode tot u heen,
tot u wier liefde ik nimmer zal vergeten.
Ik breng u mijn groet vol trouw en tederheid,
en slingert, daar ons de afstand scheidt,
tussen ons de onverbreekbare liefdeketen.
1837 vertaald gedicht
02-05-2014, 00:00
Geschreven door André
01-05-2014
Hongaarse poëzie 4. Koloman Toth
Men riep naar huis haar weer terug,
het was wreedheid ons te storen,
maar o, haar fluisterend "goedenacht",
hoe klonk het mij zoet in de oren.
Wat klank ik ook vergeten mag,
deze klank niet, toen vernomen,
het hield mijn hart, dat dwaze kind,
gewiegd in zoete dromen.
Vele jaren gingen sedert heen,
maar hoeveel ook vervlogen,
die oude, schone, reine tijd,
staat mij altoos nog voor ogen.
Het kleine meisje is dezelfde nog,
en ook mijn droom is de oude,
maar de gloed voor haar ontbrand,
is niet verstijfd in 's levens koude.
En komt er soms een enkele dag,
die zich dag mag heten,
een enkele drup op gans de zee,
waarin ik in schijn haar zou vergeten.
Nog nauwelijks gaat die dag ter rust,
en ik zie het maanlicht blinken,
en ik hoor dat zoete "goedenacht",
weer door mijn ziele klinken.
01-05-2014, 07:59
Geschreven door André
30-04-2014
Hongaarse poëzie 3. Koloman Toth
Na de regen.
Langzaam trekken weg de wolken,
op de bergen top vergaderd,
nog is het zonlicht niet gekomen,
maar men voelt reeds dat het nadert.
Een vogel klein schudt en poetst de veren,
die van regendruppels blinken,
nog is het stil, maar in zijn binnenste
zwelt reeds het lied, dat weldra zal klinken.
En een zalige verademing,
deelt aan bloem en struik zich mede,
na een twist met mijn geliefde,
sloten we altoos zo de vrede.
Zo verdwenen de donkere wolken dan,
die ons aangezicht omhulde,
tot de zonnestraal van vertrouwen,
hart en hemel weer vervulde.
En zweeg nog op onze lippen,
de schoonheid van het minnekozen,
beiden voelden wij alreeds toch,
dat het niet meer lang zou pozen.
Blonk ook in haar oog of het mijne,
een enkele blije traan ons tegen,
lachend noemden wij het een druppel,
van nog niet gedroogde regen.
30-04-2014, 09:24
Geschreven door André
29-04-2014
Hongaarse poëzie 2. Koloman Toth
Gij zijt een dochter van de grote wereld,
een stil bescheiden kring groet mij als zoon,
uw lot is onbezorgd, vol weelde en vreugde,
ik ben aan droefenis en aan zorg gewoon.
Een krans is uw omgeving, en ik dien u,
als kleine grashalm in die volle krans,
hij heeft plaats naast de anderen, maar hij verdort,
welnu, de roos bloeit toch in volle glans.
Een woord is nodig maar, opdat gij alles
wat blinkend is en kostbaar, voor u ziet,
een ruiker zelf bijeengegaarde bloemen,
een kunsteloze zang is wat ik bied.
Gij wilt ook die goedgunstig wel aanvaarden,
en glimlacht dan om hem, die tranen vraagt,
oprecht te voelen is zo ouderwets ook,
een mode is het, die geen salon meer draagt.
Ik ben in uw kring als een verdoolde zwerver,
in een donker bos, waar wilt gedierte loert,
de wilde dieren zijn mijn wilde smarten,
wat heeft ooit mijn weg tot u gevoerd.
29-04-2014, 09:30
Geschreven door André
28-04-2014
Hongaarse poëzie 1. Koloman Toth
Bleek een vrouw zijt gij geworden,
meisje rood en fris van wangen,
nauwelijks een schaduw van uzelf meer,
een zucht heeft uw lach vervangen.
Hecht als een rots is uw gade,
gij, het bloempje, moet hem eren,
gij in het dal, hij hoog daarboven
storm noch onweer kan u deren.
Maar ook de minnekozende koelte,
het zonlicht schijnt hem overbodig,
en geen rust heeft het vrouwenhart,
het vrouwenhart heeft liefde nodig.
In lege, stille kamers,
sluipen traag voorbij de dagen,
slechts mijn stem verschijnt aan uw hart,
om de oorzaak van uw leed te vragen.
(midden 19de eeuw)
28-04-2014, 00:00
Geschreven door André
27-04-2014
Lied van Mirza Schaffy 2
Zaligste der zaligen, terwijl
de domme wereld in haar wenteling zucht,
en iedereen op zijn wijs het heil,
dat voor zijn voeten ligt, misbruikt en ontvlucht,
terwijl men hopeloos zijn eigen lichaam kastijdt,
en zegt dat de hemel eens zal schadeloos stellen,
ofwel zich aan de profeten wijdt,
en dingen van de toekomst gaat vertellen,
die de één min als de ander gezien heeft,
dan kniel ik voor het altaar van liefde neder,
en schrijf mijn vreugdelied teder,
de gouden wijn uit fonkelende schalen,
verlokkend geurend, verjaagt alle aardse pijn,
men kan in deze tranendalen,
met liefde en wijn als in de hemel zijn.
Verbitter u het jonge leven niet,
versmaad wat God u gegeven heeft niet,
een schoner loon dan wijn en liefde,
biedt u deze aarde voor uw streven niet.
Wie kan van bloemen de geuren roemen eer hij de bloemen geroken heeft?
Wie kan de bloemen zijn eigen noemen eer hij de bloemen gebroken heeft?
27-04-2014, 08:04
Geschreven door André
26-04-2014
Lied van Mirza Schaffy 1
Als eenmaal onder hemels zangakkoorden,
het paradijs van vromen opengaat,
en samengeschaard uit alle wereldoorden,
de menigte vol angst en twijfel staat,
zal ik alleen bij al die zondaarssoorten,
zonder vrees en zonder wanhoop staan,
terwijl sinds lang op aarde alle poorten,
van het paradijs voor mij open staan.
De roos heeft smartelijk getreurd,
de geur verdwijnt, de pracht verkleurt,
die mij de lente had gegeven,
ik heb de treurende opgebeurd,
weet dat gij in al mijn liederen geurt,
en dat gij verwierf een eeuwig leven.
Wel weet ik kransen samen te binden,
van bloemen fris en zelf geplukt,
ook wel het rechte woord te vinden,
ben ik verblijd of neergedrukt.
Zolang ik mijn gevoel kan noemen,
en meester van mijn zinnen ben,
beschik ik over alle bloemen,
en al de gedachten die ik ken.
1874
26-04-2014, 09:21
Geschreven door André
25-04-2014
Alles verdriet mij. Ludwig Beckstein
Alles verdriet mij,
als ik verdrietig ben,
het verdriet in mij.
Te koud is de wintertij,
Te snel de lente voorbij,
Te heet de zomernoen,
Wie zou de herfst voldoen?
Brengt hij de muggen niet?
Muggen mijn kwelverdriet,
Muggen is al wat men ziet.
Dorren als groenen,
ik haat de seizoenen,
ik roep bij het gedruis in de stad,
of ik al buiten zat.
Ik zucht bij de rust van het veld,
hoe mij die stilte kwelt,
ik mompel bij elk bezoek,
nog liever het vervelendste boek.
Dikwijls te kijven,
lamzalig schrijven,
ik hou van geen zonneschijn,
moet ik dan geblakerd zijn?
Ik hou van geen regenvlaag,
nat zijn is mij een plaag,
mij is de wind te guur,
mij is het brood te duur,
mij is de wijn te zuur,
bierpap of zuivel,
gun ik de duivel.
Ginds wordt geschertst, gespeeld,
Ginds wordt gedanst, gekweeld,
Ginds wordt het blijdschap.
Wis zijn ze stapelzot,
hier schijnt van kop tot teen,
het hele gezelschap van steen.
Spreek toch of ik ga heen,
liet gij mij komen,
om mij te zien dromen?
Waar ik ook ga of sta,
sluipt mij mijn schaduw na,
steeds vervolgt ze mij,
ergernis, laat mij vrij.
Maar als zij van mij vlucht,
dank zij een grauwe lucht,
hoe ik dan mor en zucht,
als een blauw scheentje,
sta ik in mijn eentje.
Alles verdriet mij,
als ik verdrietig ben,
het verdriet in mij.
1840
25-04-2014, 08:47
Geschreven door André
24-04-2014
Drie kussen. Heinrich Menzel
Een jongeling zag een meisje blond,
en kuste driemaal haar lieve mond,
met deze woorden:
Mijn eerste kus heb ik u toegewijd,
omdat gij de schoonste jonkvrouw zijt,
hier aan de Donau's boorden.
Mijn tweede kus omdat in het brandend oosten,
uw minnelijk beeld mijn heil is en mij zal troosten,
in woelige tijden.
Mijn derde kus, omdat ik op het hoogaltaar,
een gouden kroon wil zetten op uw haar,
mijn trouw u wijden.
Is uw hart gelijk uw blik zo teer,
geef mij, lieveling, mij het drietal kussen weer,
en wordt de mijne.
Zij sloeg haar ogen peinzend neer,
maar gaf geen drietal kussen weer,
gelijk aan het zijne.
Duld, sprak zij, duld dat ik andermaal,
die zoete schuld terugbetaal,
van harte.
Ik zend er één als afscheid, als mijn voet,
de kloosterdrempel overschrijden moet,
mijn huis van smarten.
Ik zend er één in deze stond,
een laatste groet die mijn trouw verkondt,
uw droefheid lenigt.
De derde,vriend, geen kus van aards genot,
die geef ik eerst wanneer ons God,
bij Hem heeft herenigt.
1837
24-04-2014, 08:10
Geschreven door André
23-04-2014
Ode aan de Westenwind. Percy B Shelly
Adem van de herfst, ontembare Westenwind,
die zonder spoor de bladeren van het woud,
tot roof kiest en voortdrijft pijl gezwind,
als wichelaars hun geesten, flets en koud
en tering ziek, een troep melaatsen, gij,
die het wapperend zaad een winterbed ontvouwt,
waar het roerloos ligt in muffe slavernij,
als lijken in hun somber graf, tot weer
uw zuster de lente, haar melodij
van de dromende aarde toezingt, heinde en veer,
als weidde zij de lammeren, veld en paan,
bestrooiend met een geurig knoppenheer,
ontembare Geest, die beurtelings doet vergaan,
en roept te leven: hoor, hoor mij aan.
O Gij wiens drift in aamechtig hijgen,
de losse nevelen als loof ontbloot,
en meesleurt uit de hemel dichte twijgen,
met bliksemvuur of water in hun schoot,
reeds zie ik op uw glad azuren sop,
weer schitterend, als de vlechten van een groot
en woest Nimfen hoofd, vanaf de top
des spansels tot het deinzend firmament,
de kuiven van de orkaan. O lijklied op
het stervend jaar, wiens middernacht de tent
zal worden van een reuzen groeve, ontstaan
en ingenomen door geheel uw bent
van zwarte dampen, waaruit vonken slaan
en regenjachten: hoor, hoor mij aan.
O Gij, die wekte uit zijn zomerdromen,
de kristallijnen Middellandse vloed,
waar hij gesust door het kabbelen zijner stromen,
nabij een puinsteenrif aan een baai voet,
al slapend torens en paleizen zag,
en op dier tinnen, vonkelend in de gloed
der diepte, azuren kruiden, die geen dag
zo schoon penseelde. ondwingbare, voor wiens baan
het Atlantisch meer zijn dammen met één slag
tot kuilen botst, terwijl de dorre blaan,
van slijkerige wouden en het riet,
en het zeegebloemte uw barre stem verstaan,
en rillend van angst hun kleur verschiet,
zich plotseling zelf plunderen, hoor mij aan.
Ware ik een dorrend blad dan hoordet gij,
Ware ik een wolk die schielijk met u vlood,
een rappe golf die enkel minder vrij,
door uw macht beteugeld voorwaarts schoot,
als tolk van uw verschrikkingen. Wanneer
ik nog een knaap was, en uw tochtgenoot
kon worden in de ruimten, als weleer,
toen nauwelijks mij het beschamen van uw spoed,
een droombeeld dacht, ik riep u uit de sfeer,
niet biddend af en pijnde mijn gemoed.
Grijp als een golf, een wolk, een blad mij aan,
ik val op 's levens distelen, ik bloed,
een juk van uren kromde en deed vergaan,
een ding als jij: trots, vurig, onweerstaan.
Maak mij uw lier gelijk het dreunend woud,
zo vallen ook mijn vege bladeren vrij,
de bruising uwer noten, fors en stout,
ontlokt ons beiden een najaarsmelodij,
weldroef, toch liefelijk tevens. In uw bond
neem mij op, onstuimige, wees mij.
Verhef mijn dode zangen, dat de stond
mag doemen van verrijzing, hemelwaart,
en schud en slinger bij deze tovervond,
als sprenkels uit een ongebluste haard,
mijn liederen onder het mensdom heen en weer.
Galm door mijn lippen aan de sluimerende aard,
uw profetieën uit: "O storm wanneer
de winter naakt, is dan de lente veer?"
1879 vertaald gedicht
Het gedicht is geschreven in het bos aan de Arno, op een dag dat de onstuimige wind,
waarvan de temperatuur zoel en prikkelend is, de dampen vergaart die de herfstbuien
ontlasten. Het begint tegen zonsondergang, vergezeld van donder en bliksem, eigen aan
de Cis Alpijnse gewesten. De plantengroei op de bodem van de zee, meren en rivieren komt
overeen met het land in de kentering van de seizoenen. En staat dus onder invloed van de wind.
23-04-2014, 17:29
Geschreven door André
22-04-2014
Het lijden van Jezus. Vertelling
Tweeduizend jaar geleden was mijn stad een lijden. Een wreedaardig en laf volk uit het onbekende Romeinse heuvelland had ons
veroverd en vernietigd. Wij leefden onder een verschrikkelijke terreur. Wij waren slaven. Om elke verzet tegen te gaan werden
verdachte personen of zelfs volledig onschuldige mensen gekruisigd. Het was een dagelijks tafereel. Iedereen moest openlijk de
veroordeelden haten en bespotten. Anders werden zijzelf gekruisigd. En of dat niet genoeg was, werden de vrouwen aangerand en
baby's vermoord.
Wij dachten dat het einde van de wereld nabij was. Want erger kon niet meer. Regelmatig kwamen mensen naar voor die zich profeet
of god noemden. Zij voorspelden het einde en maanden ons aan om boete te doen. De Romeinse verdrukkers lieten dat toe. Die
godheden en profeten waren ongevaarlijk en maakten de angst nog groter.
Een van die profeten was een zekere Johannes. Hij doopte de mensen aan het water dat door onze stad loopt. Lang,mager en gekleed in
een harig gewaad wou hij de mensen tot God brengen. Alleen dat kon ons nog redden. Eenmaal weigerde hij iemand te dopen. Een
zekere Jezus. "Ik ben het niet waard om zelf zijn slaaf te zijn." Maar een Goddelijk teken, niet zichtbaar voor ons, gaf hem de opdracht
om Jezus te dopen. Johannes werd met rust gelaten. Tot hij de plaatselijk heer bekritiseerde om zijn gedrag.Die had zijn vrouw verstoten
om diens zuster te huwen. Johannes werd aangehouden en onthoofd.
Stilletjes hoopten wij dat er iemand zou opstaan om ons te bevrijden van de verdrukker. En wij dachten aan die ene Jezus. Hij was hier
geboren en was een rechtstreekse afstammeling van de stichter van onze stad. Hij had zijn jeugd doorgebracht in een nabije stad waar
zijn vader gewerkt had aan de bouw van de kathedraal. Zijn vader was vroeg gestorven. En de familie was teruggekeerd naar het ouderlijk
huis. Zijn moeder had graag gehad dat Jezus timmerman werd zoals zijn vader. Maar met angst en droefheid moest zij aanzien dat Jezus
een andere weg opging.
Hij predikte over een betere wereld, over goedheid, over naastenliefde en vergeving. Hij genas mensen en liet doden opstaan. Hij
vertelde verhalen met een diepere betekenis. De godsdienst moest er voor de mensen zijn. Gedaan met al die regels die de mens zo
zwaar belasten. Dat vraagt God niet. Jezus kwam met een blijde boodschap. God zal ons bevrijden en Zijn heerschappij zal op aarde
zegevieren.
De moeder van Jezus was heel bezorgd. Hoe zou dat aflopen? De Romeinen zagen hem als een profeet en dus ongevaarlijk. Maar de
bevolking zag in hem hun bevrijder. En dat werd heel duidelijk. Toen hij na een tocht terug onze stad binnenkwam werd hem hulde
gebracht en door de stad gevoerd als een held.
Jezus ging bidden in de kathedraal. Maar de kathedraal, een plek van rust en gebed, was ingenomen door handelaars die er hun
waren verkochten. Jezus was zo aangedaan dat hij al de kooplieden wegjoeg.
Nadien ging Jezus met enkele volgelingen eten. Hij wist dat het zijn laatste avondmaal was. Hij stelde Petrus als zijn opvolger aan en
vertelde dat iemand Hem zou verraden. Ongeloof alom. Na het Laatste Avondmaal ging Jezus bidden op een zanderige heuvel aan de rand van de stad om te wachten wat komen zou.
En toen reageerde de overheid. Een van Jezus' volgelingen werd gedwongen te zeggen waar Jezus was. Uit angst voor een opstand werd Jezus gearresteerd. Jezus moest voor de Romeinse overheid verschijnen.
De geestelijken zeiden dat hij God belasterd had. En godslastering werd door de verdrukker niet bestraft. Dat wisten de geestelijken. Zo
hoopten zij nog om Jezus vrij te krijgen. Jezus gaf eerst geen enkel antwoord. De landvoogd sprak onder vier ogen met Jezus.
En Jezus zei aan de landvoogd: "Ik kom het Rijk van mijn Vader stichten." Dat was voor de landvoogd genoeg. Jezus was een
vrijheidsstrijder. En dus moest hij sterven aan het kruis.
Om elk verzet de kop in te drukken moesten de mensen schreeuwen dat zij de dood van Jezus wilden. Anders werden zij ook gekruisigd.
En de landvoogd ging nog verder. Hij liet de keuze: Jezus vrij of een vrouwenmoordenaar vrij. En iedereen moest schreeuwen om de
vrouwenmoordenaar vrij te laten. Uit angst om zelf niet gekruisigd te worden.
Jezus was nu door iedereen verlaten. Zijn volgelingen waren gevlucht. Ene Judas, die uit angst voor de kruisdood, Jezus verraden had
pleegde zelfmoord. En Petrus, Jezus' opvolger, ontkende driemaal Jezus te kennen. En toen kraaide de haan.
Jezus werd gegeseld en met een zwaar kruis op de schouder door de stad gejaagd. De bevolking werd verplicht Hem uit te jouwen.
Op de Grote Markt aangekomen werd Jezus gekruisigd samen met twee andere veroordeelden. Geen van hen was goed of slecht, alleen
slachtoffer van brute overheersing. Op het kruis stond de reden van de kruisdood vermeld: "koning van onze stad." En dat konden de
Romeinen niet toestaan. Een kluizenaar die op een eiland woonde buiten de stadsmuren heeft enkele druppels bloed opgevangen van de stervende Jezus aan het kruis. Hij heeft alles goed bewaard.
Vandaag nog, met hemelvaart wordt het Heilig Bloed in processie rondgedragen in mijn stad. De mooiste dag van het jaar.
Wij hadden Jezus verkeerd begrepen. Wij dachten dat Jezus ons zou bevrijden van de Romeinse heerschappij. En dat dachten de
Romeinen ook. Maar Jezus wou ons slechts verzoenen met God.
Na Jezus' kruisdood waren wij bang. Wij sloten ons op. Wij hoorden verhalen dat Jezus uit zijn graf was opgestaan. Dat konden wij niet
geloven. En er waren getuigen van. Jezus had enkele volgelingen ontmoet bij de stadspoort. En toen verscheen Hij in ons midden. Het
was toch waar dat Jezus was verrezen. Misschien was er toch hoop voor de toekomst.
Een heel droevig verhaal eindigend met hoop. Maar het ergste gebeurt vandaag nog. Wij hebben Zijn boodschap nog altijd niet begrepen.
Wij zijn nog altijd niet bevrijd. Jezus, kom terug naar onze stad en wij zullen U ontvangen als onze bevrijder en Uw Boodschap
begrijpen.
Jaren geleden vertelde een oude man mij het verhaal. Ik heb alles netjes opgeschreven.