Rustig genieten van gedichten, liedjesteksten, muziek, vertellingen, prenten en foto's.
Welkom in mijn thuishaven. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.
29-04-2014
Hongaarse poëzie 2. Koloman Toth
Gij zijt een dochter van de grote wereld,
een stil bescheiden kring groet mij als zoon,
uw lot is onbezorgd, vol weelde en vreugde,
ik ben aan droefenis en aan zorg gewoon.
Een krans is uw omgeving, en ik dien u,
als kleine grashalm in die volle krans,
hij heeft plaats naast de anderen, maar hij verdort,
welnu, de roos bloeit toch in volle glans.
Een woord is nodig maar, opdat gij alles
wat blinkend is en kostbaar, voor u ziet,
een ruiker zelf bijeengegaarde bloemen,
een kunsteloze zang is wat ik bied.
Gij wilt ook die goedgunstig wel aanvaarden,
en glimlacht dan om hem, die tranen vraagt,
oprecht te voelen is zo ouderwets ook,
een mode is het, die geen salon meer draagt.
Ik ben in uw kring als een verdoolde zwerver,
in een donker bos, waar wilt gedierte loert,
de wilde dieren zijn mijn wilde smarten,
wat heeft ooit mijn weg tot u gevoerd.
29-04-2014, 09:30
Geschreven door André
28-04-2014
Hongaarse poëzie 1. Koloman Toth
Bleek een vrouw zijt gij geworden,
meisje rood en fris van wangen,
nauwelijks een schaduw van uzelf meer,
een zucht heeft uw lach vervangen.
Hecht als een rots is uw gade,
gij, het bloempje, moet hem eren,
gij in het dal, hij hoog daarboven
storm noch onweer kan u deren.
Maar ook de minnekozende koelte,
het zonlicht schijnt hem overbodig,
en geen rust heeft het vrouwenhart,
het vrouwenhart heeft liefde nodig.
In lege, stille kamers,
sluipen traag voorbij de dagen,
slechts mijn stem verschijnt aan uw hart,
om de oorzaak van uw leed te vragen.
(midden 19de eeuw)
28-04-2014, 00:00
Geschreven door André
27-04-2014
Lied van Mirza Schaffy 2
Zaligste der zaligen, terwijl
de domme wereld in haar wenteling zucht,
en iedereen op zijn wijs het heil,
dat voor zijn voeten ligt, misbruikt en ontvlucht,
terwijl men hopeloos zijn eigen lichaam kastijdt,
en zegt dat de hemel eens zal schadeloos stellen,
ofwel zich aan de profeten wijdt,
en dingen van de toekomst gaat vertellen,
die de één min als de ander gezien heeft,
dan kniel ik voor het altaar van liefde neder,
en schrijf mijn vreugdelied teder,
de gouden wijn uit fonkelende schalen,
verlokkend geurend, verjaagt alle aardse pijn,
men kan in deze tranendalen,
met liefde en wijn als in de hemel zijn.
Verbitter u het jonge leven niet,
versmaad wat God u gegeven heeft niet,
een schoner loon dan wijn en liefde,
biedt u deze aarde voor uw streven niet.
Wie kan van bloemen de geuren roemen eer hij de bloemen geroken heeft?
Wie kan de bloemen zijn eigen noemen eer hij de bloemen gebroken heeft?
27-04-2014, 08:04
Geschreven door André
26-04-2014
Lied van Mirza Schaffy 1
Als eenmaal onder hemels zangakkoorden,
het paradijs van vromen opengaat,
en samengeschaard uit alle wereldoorden,
de menigte vol angst en twijfel staat,
zal ik alleen bij al die zondaarssoorten,
zonder vrees en zonder wanhoop staan,
terwijl sinds lang op aarde alle poorten,
van het paradijs voor mij open staan.
De roos heeft smartelijk getreurd,
de geur verdwijnt, de pracht verkleurt,
die mij de lente had gegeven,
ik heb de treurende opgebeurd,
weet dat gij in al mijn liederen geurt,
en dat gij verwierf een eeuwig leven.
Wel weet ik kransen samen te binden,
van bloemen fris en zelf geplukt,
ook wel het rechte woord te vinden,
ben ik verblijd of neergedrukt.
Zolang ik mijn gevoel kan noemen,
en meester van mijn zinnen ben,
beschik ik over alle bloemen,
en al de gedachten die ik ken.
1874
26-04-2014, 09:21
Geschreven door André
25-04-2014
Alles verdriet mij. Ludwig Beckstein
Alles verdriet mij,
als ik verdrietig ben,
het verdriet in mij.
Te koud is de wintertij,
Te snel de lente voorbij,
Te heet de zomernoen,
Wie zou de herfst voldoen?
Brengt hij de muggen niet?
Muggen mijn kwelverdriet,
Muggen is al wat men ziet.
Dorren als groenen,
ik haat de seizoenen,
ik roep bij het gedruis in de stad,
of ik al buiten zat.
Ik zucht bij de rust van het veld,
hoe mij die stilte kwelt,
ik mompel bij elk bezoek,
nog liever het vervelendste boek.
Dikwijls te kijven,
lamzalig schrijven,
ik hou van geen zonneschijn,
moet ik dan geblakerd zijn?
Ik hou van geen regenvlaag,
nat zijn is mij een plaag,
mij is de wind te guur,
mij is het brood te duur,
mij is de wijn te zuur,
bierpap of zuivel,
gun ik de duivel.
Ginds wordt geschertst, gespeeld,
Ginds wordt gedanst, gekweeld,
Ginds wordt het blijdschap.
Wis zijn ze stapelzot,
hier schijnt van kop tot teen,
het hele gezelschap van steen.
Spreek toch of ik ga heen,
liet gij mij komen,
om mij te zien dromen?
Waar ik ook ga of sta,
sluipt mij mijn schaduw na,
steeds vervolgt ze mij,
ergernis, laat mij vrij.
Maar als zij van mij vlucht,
dank zij een grauwe lucht,
hoe ik dan mor en zucht,
als een blauw scheentje,
sta ik in mijn eentje.
Alles verdriet mij,
als ik verdrietig ben,
het verdriet in mij.
1840
25-04-2014, 08:47
Geschreven door André
24-04-2014
Drie kussen. Heinrich Menzel
Een jongeling zag een meisje blond,
en kuste driemaal haar lieve mond,
met deze woorden:
Mijn eerste kus heb ik u toegewijd,
omdat gij de schoonste jonkvrouw zijt,
hier aan de Donau's boorden.
Mijn tweede kus omdat in het brandend oosten,
uw minnelijk beeld mijn heil is en mij zal troosten,
in woelige tijden.
Mijn derde kus, omdat ik op het hoogaltaar,
een gouden kroon wil zetten op uw haar,
mijn trouw u wijden.
Is uw hart gelijk uw blik zo teer,
geef mij, lieveling, mij het drietal kussen weer,
en wordt de mijne.
Zij sloeg haar ogen peinzend neer,
maar gaf geen drietal kussen weer,
gelijk aan het zijne.
Duld, sprak zij, duld dat ik andermaal,
die zoete schuld terugbetaal,
van harte.
Ik zend er één als afscheid, als mijn voet,
de kloosterdrempel overschrijden moet,
mijn huis van smarten.
Ik zend er één in deze stond,
een laatste groet die mijn trouw verkondt,
uw droefheid lenigt.
De derde,vriend, geen kus van aards genot,
die geef ik eerst wanneer ons God,
bij Hem heeft herenigt.
1837
24-04-2014, 08:10
Geschreven door André
23-04-2014
Ode aan de Westenwind. Percy B Shelly
Adem van de herfst, ontembare Westenwind,
die zonder spoor de bladeren van het woud,
tot roof kiest en voortdrijft pijl gezwind,
als wichelaars hun geesten, flets en koud
en tering ziek, een troep melaatsen, gij,
die het wapperend zaad een winterbed ontvouwt,
waar het roerloos ligt in muffe slavernij,
als lijken in hun somber graf, tot weer
uw zuster de lente, haar melodij
van de dromende aarde toezingt, heinde en veer,
als weidde zij de lammeren, veld en paan,
bestrooiend met een geurig knoppenheer,
ontembare Geest, die beurtelings doet vergaan,
en roept te leven: hoor, hoor mij aan.
O Gij wiens drift in aamechtig hijgen,
de losse nevelen als loof ontbloot,
en meesleurt uit de hemel dichte twijgen,
met bliksemvuur of water in hun schoot,
reeds zie ik op uw glad azuren sop,
weer schitterend, als de vlechten van een groot
en woest Nimfen hoofd, vanaf de top
des spansels tot het deinzend firmament,
de kuiven van de orkaan. O lijklied op
het stervend jaar, wiens middernacht de tent
zal worden van een reuzen groeve, ontstaan
en ingenomen door geheel uw bent
van zwarte dampen, waaruit vonken slaan
en regenjachten: hoor, hoor mij aan.
O Gij, die wekte uit zijn zomerdromen,
de kristallijnen Middellandse vloed,
waar hij gesust door het kabbelen zijner stromen,
nabij een puinsteenrif aan een baai voet,
al slapend torens en paleizen zag,
en op dier tinnen, vonkelend in de gloed
der diepte, azuren kruiden, die geen dag
zo schoon penseelde. ondwingbare, voor wiens baan
het Atlantisch meer zijn dammen met één slag
tot kuilen botst, terwijl de dorre blaan,
van slijkerige wouden en het riet,
en het zeegebloemte uw barre stem verstaan,
en rillend van angst hun kleur verschiet,
zich plotseling zelf plunderen, hoor mij aan.
Ware ik een dorrend blad dan hoordet gij,
Ware ik een wolk die schielijk met u vlood,
een rappe golf die enkel minder vrij,
door uw macht beteugeld voorwaarts schoot,
als tolk van uw verschrikkingen. Wanneer
ik nog een knaap was, en uw tochtgenoot
kon worden in de ruimten, als weleer,
toen nauwelijks mij het beschamen van uw spoed,
een droombeeld dacht, ik riep u uit de sfeer,
niet biddend af en pijnde mijn gemoed.
Grijp als een golf, een wolk, een blad mij aan,
ik val op 's levens distelen, ik bloed,
een juk van uren kromde en deed vergaan,
een ding als jij: trots, vurig, onweerstaan.
Maak mij uw lier gelijk het dreunend woud,
zo vallen ook mijn vege bladeren vrij,
de bruising uwer noten, fors en stout,
ontlokt ons beiden een najaarsmelodij,
weldroef, toch liefelijk tevens. In uw bond
neem mij op, onstuimige, wees mij.
Verhef mijn dode zangen, dat de stond
mag doemen van verrijzing, hemelwaart,
en schud en slinger bij deze tovervond,
als sprenkels uit een ongebluste haard,
mijn liederen onder het mensdom heen en weer.
Galm door mijn lippen aan de sluimerende aard,
uw profetieën uit: "O storm wanneer
de winter naakt, is dan de lente veer?"
1879 vertaald gedicht
Het gedicht is geschreven in het bos aan de Arno, op een dag dat de onstuimige wind,
waarvan de temperatuur zoel en prikkelend is, de dampen vergaart die de herfstbuien
ontlasten. Het begint tegen zonsondergang, vergezeld van donder en bliksem, eigen aan
de Cis Alpijnse gewesten. De plantengroei op de bodem van de zee, meren en rivieren komt
overeen met het land in de kentering van de seizoenen. En staat dus onder invloed van de wind.
23-04-2014, 17:29
Geschreven door André
22-04-2014
Het lijden van Jezus. Vertelling
Tweeduizend jaar geleden was mijn stad een lijden. Een wreedaardig en laf volk uit het onbekende Romeinse heuvelland had ons
veroverd en vernietigd. Wij leefden onder een verschrikkelijke terreur. Wij waren slaven. Om elke verzet tegen te gaan werden
verdachte personen of zelfs volledig onschuldige mensen gekruisigd. Het was een dagelijks tafereel. Iedereen moest openlijk de
veroordeelden haten en bespotten. Anders werden zijzelf gekruisigd. En of dat niet genoeg was, werden de vrouwen aangerand en
baby's vermoord.
Wij dachten dat het einde van de wereld nabij was. Want erger kon niet meer. Regelmatig kwamen mensen naar voor die zich profeet
of god noemden. Zij voorspelden het einde en maanden ons aan om boete te doen. De Romeinse verdrukkers lieten dat toe. Die
godheden en profeten waren ongevaarlijk en maakten de angst nog groter.
Een van die profeten was een zekere Johannes. Hij doopte de mensen aan het water dat door onze stad loopt. Lang,mager en gekleed in
een harig gewaad wou hij de mensen tot God brengen. Alleen dat kon ons nog redden. Eenmaal weigerde hij iemand te dopen. Een
zekere Jezus. "Ik ben het niet waard om zelf zijn slaaf te zijn." Maar een Goddelijk teken, niet zichtbaar voor ons, gaf hem de opdracht
om Jezus te dopen. Johannes werd met rust gelaten. Tot hij de plaatselijk heer bekritiseerde om zijn gedrag.Die had zijn vrouw verstoten
om diens zuster te huwen. Johannes werd aangehouden en onthoofd.
Stilletjes hoopten wij dat er iemand zou opstaan om ons te bevrijden van de verdrukker. En wij dachten aan die ene Jezus. Hij was hier
geboren en was een rechtstreekse afstammeling van de stichter van onze stad. Hij had zijn jeugd doorgebracht in een nabije stad waar
zijn vader gewerkt had aan de bouw van de kathedraal. Zijn vader was vroeg gestorven. En de familie was teruggekeerd naar het ouderlijk
huis. Zijn moeder had graag gehad dat Jezus timmerman werd zoals zijn vader. Maar met angst en droefheid moest zij aanzien dat Jezus
een andere weg opging.
Hij predikte over een betere wereld, over goedheid, over naastenliefde en vergeving. Hij genas mensen en liet doden opstaan. Hij
vertelde verhalen met een diepere betekenis. De godsdienst moest er voor de mensen zijn. Gedaan met al die regels die de mens zo
zwaar belasten. Dat vraagt God niet. Jezus kwam met een blijde boodschap. God zal ons bevrijden en Zijn heerschappij zal op aarde
zegevieren.
De moeder van Jezus was heel bezorgd. Hoe zou dat aflopen? De Romeinen zagen hem als een profeet en dus ongevaarlijk. Maar de
bevolking zag in hem hun bevrijder. En dat werd heel duidelijk. Toen hij na een tocht terug onze stad binnenkwam werd hem hulde
gebracht en door de stad gevoerd als een held.
Jezus ging bidden in de kathedraal. Maar de kathedraal, een plek van rust en gebed, was ingenomen door handelaars die er hun
waren verkochten. Jezus was zo aangedaan dat hij al de kooplieden wegjoeg.
Nadien ging Jezus met enkele volgelingen eten. Hij wist dat het zijn laatste avondmaal was. Hij stelde Petrus als zijn opvolger aan en
vertelde dat iemand Hem zou verraden. Ongeloof alom. Na het Laatste Avondmaal ging Jezus bidden op een zanderige heuvel aan de rand van de stad om te wachten wat komen zou.
En toen reageerde de overheid. Een van Jezus' volgelingen werd gedwongen te zeggen waar Jezus was. Uit angst voor een opstand werd Jezus gearresteerd. Jezus moest voor de Romeinse overheid verschijnen.
De geestelijken zeiden dat hij God belasterd had. En godslastering werd door de verdrukker niet bestraft. Dat wisten de geestelijken. Zo
hoopten zij nog om Jezus vrij te krijgen. Jezus gaf eerst geen enkel antwoord. De landvoogd sprak onder vier ogen met Jezus.
En Jezus zei aan de landvoogd: "Ik kom het Rijk van mijn Vader stichten." Dat was voor de landvoogd genoeg. Jezus was een
vrijheidsstrijder. En dus moest hij sterven aan het kruis.
Om elk verzet de kop in te drukken moesten de mensen schreeuwen dat zij de dood van Jezus wilden. Anders werden zij ook gekruisigd.
En de landvoogd ging nog verder. Hij liet de keuze: Jezus vrij of een vrouwenmoordenaar vrij. En iedereen moest schreeuwen om de
vrouwenmoordenaar vrij te laten. Uit angst om zelf niet gekruisigd te worden.
Jezus was nu door iedereen verlaten. Zijn volgelingen waren gevlucht. Ene Judas, die uit angst voor de kruisdood, Jezus verraden had
pleegde zelfmoord. En Petrus, Jezus' opvolger, ontkende driemaal Jezus te kennen. En toen kraaide de haan.
Jezus werd gegeseld en met een zwaar kruis op de schouder door de stad gejaagd. De bevolking werd verplicht Hem uit te jouwen.
Op de Grote Markt aangekomen werd Jezus gekruisigd samen met twee andere veroordeelden. Geen van hen was goed of slecht, alleen
slachtoffer van brute overheersing. Op het kruis stond de reden van de kruisdood vermeld: "koning van onze stad." En dat konden de
Romeinen niet toestaan. Een kluizenaar die op een eiland woonde buiten de stadsmuren heeft enkele druppels bloed opgevangen van de stervende Jezus aan het kruis. Hij heeft alles goed bewaard.
Vandaag nog, met hemelvaart wordt het Heilig Bloed in processie rondgedragen in mijn stad. De mooiste dag van het jaar.
Wij hadden Jezus verkeerd begrepen. Wij dachten dat Jezus ons zou bevrijden van de Romeinse heerschappij. En dat dachten de
Romeinen ook. Maar Jezus wou ons slechts verzoenen met God.
Na Jezus' kruisdood waren wij bang. Wij sloten ons op. Wij hoorden verhalen dat Jezus uit zijn graf was opgestaan. Dat konden wij niet
geloven. En er waren getuigen van. Jezus had enkele volgelingen ontmoet bij de stadspoort. En toen verscheen Hij in ons midden. Het
was toch waar dat Jezus was verrezen. Misschien was er toch hoop voor de toekomst.
Een heel droevig verhaal eindigend met hoop. Maar het ergste gebeurt vandaag nog. Wij hebben Zijn boodschap nog altijd niet begrepen.
Wij zijn nog altijd niet bevrijd. Jezus, kom terug naar onze stad en wij zullen U ontvangen als onze bevrijder en Uw Boodschap
begrijpen.
Jaren geleden vertelde een oude man mij het verhaal. Ik heb alles netjes opgeschreven.
22-04-2014, 00:00
Geschreven door André
21-04-2014
Pasen in oude prentkaarten 3
Prentkaarten uit grootmoeders tijd. Zo schoon.
21-04-2014, 20:54
Geschreven door André
Pasen in oude prentkaarten 2
Prentkaarten uit grootmoeders tijd. Zo schoon.
21-04-2014, 09:22
Geschreven door André
20-04-2014
Pasen in oude prentkaarten 1
Mooie prentkaarten uit grootmoeders tijd. Zo schoon.
20-04-2014, 09:18
Geschreven door André
Pasen
Een zalig paasfeest aan iedereen. De paasklokken zijn terug. Nu nog de paaseieren oprapen.
zalig Paasfeest.
zalig Paasfeest.
zalig Paasfeest aan iedereen.
De paasklokken zijn terug.
Nu nog de paaseieren oprapen.
Smakelijk.
Hoera. En maar genieten.
Ik wens jullie allemaal nog 365 dagen zomer.
20-04-2014, 00:00
Geschreven door André
19-04-2014
De bij. Th Moore
Wanneer de eerste zomerbij,
langs de jong roos zal zweven,
zal ik mij tot u begeven,
lieveling, even vlug als zij.
Zij naar de bloemen, ik naar uw lippen,
waar de honing overvloeit,
wat voor een ontmoeting zal dit wezen,
beiden in de liefde ontbloeit.
Dan snort zij van plant tot plant,
door de gaarde heen en weer,
altijd steeds getrouw en teer,
daar ik bij u toef, in liefde ontbrand.
Dan snelt zij om nieuwe zoetheden,
steeds naar duizend bloemen heen,
maar dat zoet van duizendtallen,
vindt mijn hart slechts bij één.
vertaald gedicht
19-04-2014, 00:00
Geschreven door André
18-04-2014
Bij de dood van een meisje. Th Moore
Pleng geen tranen om hen, die in de bloei van hun jeugd,
door de sluier van het graf zijn ontrukt aan uw oog,
eer de zonde de bloem deed verwelken der deugd,
of eer de aarde had ontwijd, wat ontlook voor omhoog.
De bron die verkild is door de adem van de dood,
zij bevroor even rein als zij de akkers doorvloot,
en zij slaapt tot het zonlicht van de hemel ze ontboeit,
tot verfrissing van het Eden, dat ze eerst heeft besproeid.
Ween om haar niet, de bruid van de vallei, noch betreur
de allerliefste, aan ons midden zo plotseling ontroofd,
eer de glans van het leven, verschoten van kleur,
en de krans van de liefde verdorde om haar hoofd.
Ja, haar tijd was het toen, toen zij de aarde moest ontvlieden,
zodat haar geest niet het donker van de wereld zou zien,
en de zang aan haar mond onder het sterven ontvloden,
werd door haar lippen als herhaald voor Gods troon.
Ween om haar niet, zij is jong naar die oorden gesneld,
waar geen kluister de zielen weerhoudt in hun vaart,
en nu ziet zij, als het gesternte op de dauw blikt van het veld,
met een glimlach neder op de tranen van de aarde.
1838
gedicht is vertaald door S J Van den Bergh
18-04-2014, 08:45
Geschreven door André
17-04-2014
De laatste zomerroos. Th Moore
Het is de laatste zomerroos,
die alleen in bloei bleef staan,
al haar tedere gezellinnen,
zijn ontbladerd en vergaan.
Niet één bloempjes van haar maagschap,
Niet één knopje is haar nabij,
om haar blosje weer te kaatsen,
of te zuchten aan haar zij.
Ik wil u zeker niet achterlaten,
om te kwijnen op uw steel,
nu de lieven zijn gaan slapen,
zij de sluimering ook uw deel.
Daarom strooit mijn hand uw blaadjes,
zachtjes langs het bloembed uit,
waar uw zusters neder liggen,
geurloos en de dood ten buit.
Even spoedig moge ik volgen,
als de vriendschap mij is ontvloon,
als de parel is ontvallen,
aan de rijke liefdekroon.
En als trouwe vrienden sterven,
En de dierbaren zijn vergaan,
wie wenst dan alleen te wandelen,
op de droeve levensbaan?
1838
17-04-2014, 07:25
Geschreven door André
16-04-2014
Stangen. William Wordsworth
Hoe kalm glijdt langs de azuren baan,
de lieve maan,
schoon haar wolken vaak omhuiven,
de luister dovend van haar licht,
zodra zij uit elkander stuiven,
hoe helder is haar aangezicht.
Niet traag, al is de wind van de kust,
in slaap gesust,
niet voortgezweept, ofschoon de vloed,
de storm zich tot de hemel verheft,
blijft zij even statig voorwaarts spoeden,
draagt zij gelaten wat haar treft.
En schamen wij het geveinsd verdriet
bij haar ons niet?
wij die ook het hoofd doen hangen,
ofschoon het zoete des levens tot ons stroomt,
wij huichelaars, op wier hetse wangen,
het ganse jaar geen lachje koomt.
Zo ooit die zonde van het gemoed,
mij struikelen doet,
geduldig aan de trans verheven,
dan snelt u mijn verbeelding na,
en leert van uw blijmoedig leven,
en vindt voor die zonde gena.
1840
1770-1850 Engels romantisch dichter
vertaald gedicht
16-04-2014, 06:40
Geschreven door André
15-04-2014
Wallonië in oude prenten 1
Prentkaarten uit grootmoeders tijd. Zo schoon.
15-04-2014, 18:21
Geschreven door André
Gescheiden 4. Jean Ingelow
Stout verbreden de wateren hun banen,
daverend gedruis meldt ze het schemerend verschiet,
wapperende zeilen, die reuzige zwanen,
knotten de lelie's en kraken het riet.
Waar is de bedding die wij overspanden?
Het schuim voor die boeg gold bij oorsprong een meer,
en wie voorspelde bedrijvige stranden?
Het frisse groen lint dat ons aansloeg van veer.
Harte, mijn harte, dat wegkrimpt van rouw,
schreiend valt het mij arme, zo zwaar,
straks als naar de andere oever ik schouw,
het stipje te volgen in het woelen dier schaar.
Verder al verder, maar zien is nog groeten,
tot het mijn blikken in tranen ontgleed,
om het alleen in mijn hart weer te ontmoeten,
waar ik verlaten de levensweg treed.
Toch wijkt de twijfel die vlijmend mij griefde,
Toch is het me blijde in mijn binnenste te moe,
lief had hij mij en wijd me nog zijn liefde,
inniger, beter dan ik het hem doe.
Het zoete bewustzijn verzekerd zich zelve,
ruist de rivier ook zo gram aan, mijn zij,
over uw breedte en diepte hoe welven,
steeds zijn gedachten zich bogen tot mij.
1820-1897 dichteres en romanschrijfster
gedicht vertaald uit het Engels
15-04-2014, 07:30
Geschreven door André
14-04-2014
Gescheiden 3. Jean Ingelow
Even of rust boven rang viel te kiezen,
Even als streelt haar de schepper niet meer,
ligt daar de maan bij die wuivende biezen,
legt zich bleek op de wateren er neer.
De schitterende hemel maakt droef haar te moede,
medegevoel zag zij in de schemerende dauw,
en of het beekje haar stemming bevroedde,
stillen zijn golven zich, ademen nauw.
Voort om het gras waar geen wind om wiegelt,
Voort schrijden wij in het schijnsel van de maan,
tot ons gelaat al haar droefheid weerspiegelt,
vreugde in de knop reeds verwelkt en vergaan.
De adem van het leven in frisheid ontwakend,
getjilp door het lover, aan de oever geschreeuw,
gegons en geklep aan het morgenrood hakend,
wolken in het oosten, zo donzig als sneeuw.
Groenende vlakten waar runderen op grazen,
dalen met hagen van dorens omtuind,
en waar de nevel ter zij wordt geblazen,
heuvels door suizelend geboomte gekruind.
Rozerood schittert de hemel van stralen,
goud is het licht dat om de eikentop gloeit,
hoe op de vloed wij de weerschijn zien dalen,
beekje dat stroom werd, maar statig nog vloeit.
Zwemend naar zilver bij het wijken van huiver,
glijdt hij langs neerbuigende ooftbomen voort,
waar slechts de klacht van verlaten duiven,
het loflied er minnen in zijn schateren stoort.
Dauwdrop en golfkruin wedijveren in ijver,
op rijst de lelie, ontwaakt is de roos,
doch wij twee blijft de dageraad duister,
wuiven wij elkaar niet vaarwel voor altoos?
14-04-2014, 00:00
Geschreven door André
13-04-2014
Gescheiden 2. Jean Ingelow
Wisselziek drijft boven het weiland de heuvel,
kraaien doorklieven al krijsend de lucht,
voorwaarts en aarzeling verbreedt hun gewemel,
schaduw bij schaduw op het stille genucht.
Ook op de beek die het gras nu weet te scheiden,
als een lief meisje het lokkig haar,
zeker dat lachen van de zon haar verbeiden,
waar zij het glinsterend gelaat wordt gewaar.
Dartelend zingt zij, hoe zingen wij mede,
tot één van beide stapt over de vliet,
stapt? maar die oevers scheidt nauwelijks een schrede,
hand nog in hand rijst langs weerszij ons lied.
Echter verbreedt zich het vonkelend geklater,
los laat ik hem en wij staken de zang,
het scheiden verstomd ons, al gaat ook het water,
zingende de neigende zon, zijn gang.
Hij zegt: "kom tot mij", maar ik durf het niet wagen,
ik roep: "spring over", maar de beek is te breed,
het hangen van handen maakt kouten tot klagen,
pijnlijk ontveinzen wij in lachen ons leed.
Zuchten die wederzijds uit deernis wij smoren,
woorden wier zin ons ter harte niet gaat,
toch slaat de beek, even blij als te voren,
dansend bij het luchtig liedje de maat.
Huivering bevangt mij, de kloof blijkt zo wijd,
"Lieve komt tot mij, de golfslag wast aan",
"Waar het te doen", suist van de andere zij,
nauwelijks vernomen, te goed maar verstaan.
Keren? Ter heide? de dag is aan het zinken,
keren naar de oorsprong? wij dwaalden te veer,
"Kom toch", nog zie ik het avondrood blinken,
"Kom toch eer het schemert", "Helaas", klinkt het weer.
Smartelijke kreten en strekking van armen,
beide vergeefs, want de beek wordt zo wild,
hoe haar hartstochtelijke bede om erbarmen,
sterft in het geruis, dat haar schreien niet stilt.