Ha, mooie herinneringen aan febr 2006 toen we met Dr.Dre (in New Orleans is iedereen dokter of professor, denk maar aan Dr. John, Dr. Michael White of Professor Longhair) in Bourbon Street en andere French Quarter-straten kralen stonden op te vangen tijdens de wilde Mardi Gras-feesten (hey Mister, throw me some Beads!). Een partytown is dat Franse kwartier heel het jaar door, daar komen we zeker nog op terug later deze week, maar het is ook reuzeleuk er op een zonnige middag doorheen te lopen. Zoals de tekst van foto 1 aantoont is de sfeer hier eerder Spaans, omdat na twee grote branden onder het kortstondige Spaanse bewind deze wijk in veelal Iberische stijl werd heropgebouwd, vandaar al die soms schitterend versierde balkons. Maar een melting pot blijft het: de creoolse exuberantie en de uitbundige tropische vegetatie is bepaald niet Spaans, en een drankje als een handgranaat zal je op het Iberisch schiereiland ook niet gauw vinden, net zo min als een voodoo-ritueel of kaartlezers. De man op het paard is Andrew Jackson, de generaal die de slag van New Orleans won tegen de Britten anno 1815, noem het gerust de tweede Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd, de man aan de fontein is de bescheiden Passenger. Jackson zou later president worden, en de piraat Jean Laffite, die Jackson hielp met zijn kennis van het gebied, zou zich ontpoppen tot een populaire figuur in tal van films, zoals The Buccaneer van Cecil B. de Mille, terwijl hij een schurk was die vrijstelling van zijn misdaden zocht. Mooie geschiedenis, na te trekken in de Cabildo (het stadsmuseum) maar vooral: supergezellige buurt, niet kapot te krijgen, en voorzien van enkele fabuleuze, zij het dure, restaurants, zoals BAYONA, waar wij vanavond gebraden eend eten en een chocolade crème brulee. Yummie!
AMERIKA 2019: New Orleans (1): Esplanade Avenue (=onze B&B buurt)
Het is van eind september geleden dat we het nog zo warm hebben gehad: 23 graden vandaag, zon alom, heel aangenaam. Ja, je moet echt tot de zee, in casu de Golf van Mexico, doorzakken om herfst en winter kwijt te spelen. Wij verblijven 7 nachten in het Edgar Degas House, de plek waar de jonge schilder in 1872-1873 enkele maanden woonde, op bezoek bij de creoolse familie van zijn moeder. Op Degas komen we later terug, want we hebben als gast van de B&B (zie foto 1 en 2) natuurlijk recht op een House Tour, die door een achternicht van de Degas-familie gegeven wordt, maar daar hebben we nog tijd genoeg over, we sparen dat op voor een dag met minder zonnig weer. Het heeft voor- en nadelen in zo een antiek huis te verblijven. Het is aantrekkelijk, zeker (we hebben ons eigen achterbalkon, vanwaar we naar de huiskat kunnen turen), de auto kan voor de deur staan zonder kosten en het yacuzzibad is geweldig (bijna een mini-zwembad, het duurt een eeuwigheid voor het volgelopen is), maar de WiFi is wispelturig zodat we het raadzaam achten tekst en fotos separaat door te sturen en er is geen enkel restaurant op wandelafstand. Toch niet zo erg, daar we nog benen hebben en wandelen op Esplanade Avenue, misschien wel de mooiste Avenue van de stad, bepaald geen straf is. Wèl integendeel, het is een parade van fraaie huizen in tal van stijlen, en niet zelden ingekaderd door alweer machtige bomen. Op die wijze ben je toch sneller dan verwacht in The French Quarter, je zou het op een dik halfuur stappen kunnen afbrengen als je niet voortdurend zou stilstaan om een foto te nemen. Nog een beetje verder lopen brengt je aan het waterfront, dat bepaald niet het mooiste van Amerika is, maar je kan er wel een Mississippi Steamer op voor een Cruise, al hoeft naar Natchez varen voor ons bepaald niet, want daar zijn we al geweest. Als het donker is wordt uitgebreid wandelen in New Orleans niet aangeraden, er zijn ook veel armoedige buurten naast de toeristische trekpleisters, maar dat hoeft ook niet: een taxi in The French Quarter is snel gevonden en de kost terug naar het Degas House bedraagt niet meer dan 11 usd, dat is veel goedkoper dan wanneer je je eigen auto ergens in een garage zou moeten stallen. We zullen nog dikwijls te voet downtownwaarts trekken overdag, want op die creoolse huizen raken wij maar niet uitgekeken. Al is de Spaanse invloed minstens even groot als de Franse, zie daarvoor de volgende blog.
Op de River Road, tussen Baton Rouge en New Orleans, zijn tal van oude Creeolse plantages bewaard gebleven (de rijkelijkste van allen, Petit Versailles, is wel verdwenen) en wij doen er drie aan. Je zou zeggen, dat is toch driemaal hetzelfde, maar dat klopt niet, ze hebben allemaal hun eigen karakter. De eerste, Oak Alley, maakt zijn naam waar door die iconische dreef met kunstig gedraaide eikenbomen, we herinneren ons dat vintage plaatje nog heel goed van 2006. Maar de gidsuitleg is nogal oppervlakkig en de slavernijbarakken zelfs hypocriet, want dit zijn eigenlijk de verblijven van de sharecroppers na de burgeroorlog, die toch iets beter af waren dan hun voorzaten. Wel een voortvarende dokter, lees het tekstplaatje maar. De tweede, Laura Plantation, is qua familiehistorie zeer interessant, en dit dankzij het feit dat Laura DuParc, die zomaar eventjes 102 werd, haar memoires te boek stelde. De mannelijke DuParcs waren veelal heethoofden (de peetvader uit Normandië vluchtte in de zeemacht nadat hij iemand vermoord had en kwam zo in Louisiana terecht, zijn kleinzoon doodde een slaaf zonder reden en kwam er vanaf met het betalen van een geldsom aan diens eigenaar), de vrouwelijke veelal ueberbitches, met uitzondering van Laura zelf. Boeiend slavenregister hier ook. Jean-Pierre, een braaf werkdier, moest een centje kosten, maar le lunatique Smathe kon je bijna gratis kopen. En een zeer fraaie tuin heeft Laura eveneens. Maar de ontroerendste plantage is toch Whitney. Aan het huis is weinig te zien daar dit een werkplantage was (de familie Heider, Duitse inwijkelingen, verbleef meestal in New Orleans), maar de geschiedenis van de slavernij is hier very touching en zeer persoonlijk, want gebaseerd op opgetekende verhalen van de Federal Writers, die in de jaren 30 na een initiatief van Roosevelt het land doortrokken op zoek naar verhalen. En vele bejaarde zwarten konden zich hun kinderslavernij nog goed herinneren. En de straffen wel het allerbest: eenmaal weglopen = oren scheren, een tweede maal vluchten = gebrandmerkt worden, zoals de beesten. Drie keer is scheepsrecht: executie en onthoofding, en de afgehakte hoofden op een paal ter afschrikwekkend voorbeeld. Voor kleinere vergrijpen stond de cat with Nine Tails (een soort zweep) ter beschikking. En dan had je nog al die verkrachte slavinnen; daar zat een systeem achter, want een kind betekende op termijn een gratis slaaf erbij. Vele plantagehouders gebruikten hun slaven ook als onderpand om een lening te krijgen, het waren de eerste kredietkaarten. Zo zie je, Donald, hoe het Amerikaans kapitalisme eigenlijk uit slavenarbeid geboren is. Make America Great again, maar vergeet je verleden niet.
In de vorige blog hadden we het nog over inteelt, maar kijk nu naar onze bootsman Jonathan. Daar is toch iets mee? Onmogelijk zijn leeftijd vast te stellen, hij lijkt wel een figurant uit de film Deliverance. Maar hola, hij leidt ons wel vlekkeloos doorheen de Bayou met zijn platbodem en onderweg zien we waterlievende bomen, Spanish Moss in overaanbod, vele vogels en schildpadden, en natuurlijk ook enige alligators. Met als ster van de show een pas bevallen moeder, die haar kleintjes in het oog houdt die aan de andere kant van die struik zitten. Dat kan ze beter doen, want volwassen alligators eten heel kannibalistisch vele kleintjes op, zij het niet die van henzelf. Ineens begrijpen we ook hoe het met Jonathans overgevulde mond zit: die heeft de tanden van een alligator getrokken en heel die handel in zijn eigen bek gestoken! Grappig momentje in de boot, als de dame vooraan haar leesbril in het water laat vallen. Niet te recupereren natuurlijk, Jonathan kan er toch moeilijk zijn tanden achtergooien. Geen probleem, zegt The Passenger, now there will be at least one gator who will be able to read its menu better tonight! Jonathan vindt het ook een goeie, zijn tanden vallen bijna uit zijn mond van het lachen. Serieus, dit was de beste boottrip van ons Bayou-weekend. Lekker intiem, en niks geen insecten, want de bomen van de Bayou scheiden een zuur af dat mosquitoes niet kunnen lijden, sympathiek! En zo valt het doek over dit intrigerend gebied, al gaan we toch proberen de swamps ten zuiden van New Orleans ook nog even te verkennen een van de volgende dagen. Maar morgen zijn we eerst aan enige plantages toe.
Louisiana is trots op haar gecompliceerde geschiedenis, en dat merk je in het Vermilion Centre in de provinciehoofdstad Lafayette (waarvan Vermilionville de oorspronkelijke benaming was). Het is een soort Bokrijk, en dus het soort instellingen waar ook onze Jan Jambon graag subsidies aan geeft, met oude werkplaatsen, lui in antieke klederdrachten en een gezellige veerpont die je met eigen armkracht over de Swamp moet voortbewegen. Interessants vonden wij het oude schoolgebouw, dat getuigenis aflegt van de pogingen het Frans uit het systeem van de leerlingen te krijgen. En de gekke benamingen. Een vacherie is hier geen smeerlapperij, maar gewoon een ranch, en een traiteur brengt geen broodjes, maar is een adept van de natuurgeneeskunde, met kruiden en zo. Zoals Azalea Stevens, vast familie van Guy Stevens. Je kan hier voor 5 usd ook smullen van cochon du lait, oude gerechten van vroeger, en weliswaar niet geschikt voor vegetariërs. In de buurt maken we ook W27, a wetland walk (20 min), klein maar fijn, met plankieren over de Swamp. De eerste burgervader van Vermilion was Jean Mouton, die het land waarop nu de forse kerk staat aan de stad schonk, op voorwaarde dat het gerechtsgebouw er vlak naast stond. Niet meteen een voorstander van de scheiding tussen kerk en staat, denken wij. Het kerkhof ligt overigens vol met lieden die Mouton of Brossard heten; geen gebrek aan inteelt bij de Creolen en Cajuns als u het ons vraagt. Wel staat er ook hier een prachtige eikenboom naast de kerk, een van de oudsten van Amerika, overal in Louisiana kom je indrukwekkende eiken tegen. Maar de bekendste eik (nadat we ons verbaasd hebben over de reclame voor een antiekshop in de buurt) staat toch iets verder, in Martinsville. Die heeft te maken met het bekende Evangeline-gedicht van de romantische poëet Longfellow, dat een smartelijke love story situeert in de grote volksverhuizing van de Acadians/Cajuns van Canada naar Louisiana. Een verhaal dat de culturele identiteit van de Cajuns geweldig opkrikte, alweer iets wat onze NVA geweldig moet aanstaan. Tijl Uilenspiegel onder een machtige boom plaatsen? Maar zulke eiken hebben we nog nooit gezien in Vlaanderen, pech voor Jan Hesp. Enfin, voor ons volstaat het nummer Evangeline van The Band, te vinden op The Last Waltz Suite en uiteraard ook op de Southern Passenger playlist. Maar we zijn vandaag ook voor de 2de maal gaan varen, zie volgende blog.
THE EASTCOAST BLUES (5): Philip Roth, The ghost writer, Fawcett Books (Random House), 1979, 222 blz
In 1979, toen Roth 46 was, had hij twee succesboeken achter de rug (Goodbye Columbus en vooral Portnoys complaint) en verder veel flops, commercieel zowel als artistiek. In Praag mocht hij niet meer binnen om zijn geliefkoosde Oost-Europese schrijvers, die hij uitgaf in Amerika, te bezoeken. In London verliep de relatie met de actrice Claire Bloom stroef, vanwege problemen met haar dochter. Het was tijd voor iets nieuws, zoals een geheime verhouding met een andere Engelse, en een soort boek dat Roth nog nooit eerder geschreven had: een lange novelle waarin nu eens geen seks zat (maar wel verlangen ernaar) en hij de problematiek van het Jood zijn eens en voor goed van zich af schreef. En definitief zijn alter ego Nathan Zuckerman introduceerde als ghost writer al zijn er evenveel verschillen tussen Roth en Zuckerman als gelijkenissen. The Ghost Writer werd zeer goed ontvangen en is, zoals Claudia Roth Pierpont in haar studie schreef, kamermuziek van een hoge orde. Een heel gecontroleerde novelle, waarin de jonge Nathan in 1956 een bezoek brengt aan zijn idool E.I.Lonoff, die als kluizenaarsschrijver op een heuvel in The Berkshires (Connecticut) leeft samen met zijn half-hysterische vrouw (Roth zou zelf later in The Berkshires gaan leven in net zo een huis, al was hij ongetwijfeld veel socialer dan Lonoff). Er is toevallig echter ook een jonge vrouw aanwezig, Amy Bellette, een vluchtelinge uit Europa die Lonoffs papieren aan het herschikken is en waarvan Zuckerman vermoedt dat zij....Anne Frank is, die dus de Holocaust zou ontsnapt zijn. Het eerste van Roths What If? verhalen dus. Die zowel de femme fatale van Lonoff (die er een verhouding mee heeft) als die van Zuckerman (smoorverliefd op het meisje) dreigt te worden. Deze korte roman komt wat traag op gang, en de slapstickmomenten van de hysterische uitvallen van Lonoffs vrouw vinden wij niet de sterkste momenten van het verhaal (al begrijp je waar ze vandaan komen), maar ontwikkelt zich gaandeweg tot een krachtig en intrigerend verhaal waarin Roth in hoofdstuk 3, waarin hij in de ik-persoon beschrijft hoe Anne Frank in Amerika is terechtgekomen en waarom zij zich niet kenbaar maakt, tot het moment dat ze dat werkelijk niet meer kan omdat ze een dode beroemdheid is geworden, grote hoogten bereikt. Temeer daar in het korte slothoofdstuk 4 blijkt dat Zuckerman dat verhaal verzonnen heeft, en Amy Bellette Anne Frank niet is. Of liegt ze? Amy is het spook van deze novelle, Nathan de spookschrijver. Het is een korte roman die je bijblijft en abstract gezien over twee themas handelt: ouders versus kinderen, en leven versus kunst. Lonoff is een vaderfiguur voor Amy, maar ook voor Zuckerman en beiden hebben gecompliceerde relaties met hun eigen vader, wat prachtig aan bod komt als Nathan zich herinnert hoe zijn vader door een jeugdverhaal dat hij geschreven heeft ondersteboven geraakt omdat het als antisemitisch zou kunnen beschouwd worden. Hij legt het verhaal voor aan een bevriende rabbi die Nathan een brief schrijft waarin hij de jonge auteur vraagt: zou je dit verhaal ook geschreven hebben in de jaren 30 in Nazi-Duitsland? Precies wat Roth zelf overkwam, naar aanleiding van een van zijn jeugdverhalen! Nathan kan het net zo min als Roth nalaten te choqueren, en dat doet hij zelfs in deze rustige novelle, bv door de helft van de wereldliteratuur te beschrijven als gedreven door LUST en aan de definitie van de Joodse schrijver door Isaac Babel (a man with autumn in his heart and spectacles on his nose) toe te voegen: and with blood in his penis. Nog meer autobio-elementen zijn hier Lonoff die een HALF eitje voor ontbijt vraagt (iets wat Roth Bernard Malamud, een literaire vaderfiguur voor hemzelf, ooit aan zijn vrouw hoorde vragen), en iemand die verkeerdelijk zegt: he committed suitcase (dat hoorde Roth Vaclav Havel, die toen nog niet goed Engels sprak, in Praag éénmaal zeggen - ja, een schrijver gebruikt alles wat hij hoort). Bovenal is The ghost writer een spiegelpaleis van schrijvers, nogal logisch voor een roman die leven continue tegenover schrijven stelt, ook in de gedragingen van Anne Frank en Lonoff, die zijn heuvelhuis niet uitkomt. Roth heeft zelf nooit vergeten te leven, maar toch was ook hij de literatuur toegedaan. Lonoff is dus gebaseerd op Roths vriend Malamud, al heeft hij de fysiek van Roths schildervriend Philip Guston. De winterse setting van de handeling doet aan de grote Russen denken, Tsjechov zowel als Tolstoj (hoofdstuk 4 heet: Married with Tolstoj). De andere voorbeeldschrijver voor Zuckerman heet Abravanel, een extravert die aan Saul Bellow doet denken. De roman is opgedragen aan Milan Kundera (die Roth in Praag leerde kennen en waarmee de filosofische fond van dit boek verwant is) en de door Roth levenslang bewonderde Kafka is de grote leermeester op de achtergrond. Zoals Claudia Roth Pierpont mooi opmerkte in haar studie: This may be Roths greatest lesson from Kafka: The more fantastical The imaginative plan, The more realistically detailed The execution. Al is de wijze waarop Roth hier de tragedie van Anne Frank laat uitmonden in de farce van de laatste ruzie tussen Lonoff en zijn hysterische vrouw, die een leven in de schaduw van de kunst niet meer aankan, even mooi hoor.
Born on The Bayou, zingt John Fogerty van CCR, al was hij bijlange geen zuiderling. Wij ook niet, maar John en wij kunnen goed doen alsof en koesteren een diepe liefde voor dit geheimzinnig gebied, dat we op deze mooie dag (tot 19 graden op de warmste uren, maar fris voordien en daarna) op drie verschillende wijzen gaan ontsluiten: wandelend, rijdend en varend. Eerst langs het VISITOR Centre van Atchafalala Basin, waar een videofilmpje draait dat typisch besloten wordt met See you later alligator, waar een spectaculaire muurschildering hangt (foto 1) en waar men ons de wandelingen van de streek toont. Maar doe een oranje hesje aan, zegt de ranger, want het is hunting season (de T spreken ze niet uit zodat het als honey season klinkt) and you dont want to be mistaken for a deer. Hoezo, een hert op twee poten? We hebben al een roze trui aan, dat moet volstaan. Of zouden de jagers dat aanzien als een holebi-hert? Nu, we horen daadwerkelijk wat schoten in de verre verte, maar komen op onze langdurige W26 (Indian Bayou Loop, twee uur eneenhalf, we zijn na enige rijdagen toe aan wat beweging) verder enkel enige ruiters met honden tegen, waarmee we een praatje slaan. Daarna is het tijd voor een kleine verkenning per wagen, waarbij we stuiten op immer fraaie bomen (met Spanish moss niet zelden aan hun takken - de slimme Henry Ford loet dat verzamelen en gebruikte het als stoelvulling voor de eerste Ford Ts) en kleine nederzettingen, waar in het weekend onveranderlijk gemusiceerd wordt (maar het is zydeco, en die trekzakmuziek werkt snel op onze zenuwen, er staat ook maar 1 modern zydeconummer op onze roemruchte Southern Passenger playlist). En natuurlijk op de Bayou en de Swamp, het verschil is dat in de Bayou het water stroomt en in de swamp niet, dat is een stilstaande plas). Kan je allemaal beter bekijken vanop het water, wij nemen de Swamp Tour van 90 minuten van MacGees tussen 3 en 4.30 pm. Een air boat ride had ook gekund, maar daar lijkt het ons niet warm genoeg voor, das meer iets voor in The Everglades. Rustig varen met uitleg van de kapitein heeft zijn charme, en we weten ook enkele Blue Herons en Gators te bespeuren, cfr de fotos. Dat je hier alligators ziet is niet zo verwonderlijk, want er zijn er ongeveer 2 miljoen, dat is dubbel zoveel als dat er in Louisiana mensen wonen. Er mag dan ook op Gators gejaagd worden, maar enkel in september (dat is dus de ideale vakantiemaand voor alligators). De gids heeft ook interessante verhalen te vertellen over het verschil tussen Creolen (de nazaten van de oorspronkelijke Franse of Spaanse kolonisten) en de Cajuns. Cajun is een Engelse verbastering van Acadian, en de Acadians waren Franse hugenoten die om godsdienstvervolging te ontlopen naar Nova Scotia (Canada) uitweken. Maar dra waren daar de Engelsen de baas en die waren de Acadians/Cajuns ook liever kwijt dan rijk. Zodat een groot gedeelte van hen de wijk nam naar Louisiana waar immers ook Frans gesproken werd. Toch werden de Cajuns ook hier als tweederangsburgers beschouwd door de Creolen, maar ze mochten blijven, en er is nu nog altijd een cultureel verschil tussen beide groepen (naar het schijnt ook merkbaar in de bereiding van gumbo en jambalaya, toe maar al). Op het einde van de rondvaart nemen we de waterautosnelweg tussen Highway 10 die via twee bruggen over Bayou Teche loopt, een mooi staaltje engineering. Ja, we hebben die druk fotograferende Chinezen maar van boord gekieperd, want met hen kunnen we toch niet praten. Maar wel met de bazin van Chez Jacqueline, waar we aansluitend gaan eten. Jacqueline is nu 75 en al 50 jaar in Louisiana, maar ze spreekt nog altijd Engels met een accent, en met ons graag Frans. Werkelijk waar, zelden of nooit hebben we zo goed gegeten als hier. Op zn Frans, jazeker, Oeufs Parisiennes & Lapin Chasseur maar wel gekruid op zn Cajuns. Als ze zondags niet gesloten zou zijn, kwamen we morgen terug. Want naar Freds Lounge (info voor Dre) moeten we niet meer gaan. Het muziekcafe bestaat nog wel, maar Freds weduwe Tante, die in 2006 nog zo stoer met een heupfles whiskey rondliep, behoort niet meer tot de levenden, en dan kan het niet meer hetzelfde zijn. Al schijnt ze volgens voodoo-gebruik nog wel rond te spoken, she walks on guilded splinters! (Dr John, natuurlijk ook aanwezig op de Southern Passenger playlist).
AMERIKA 2019: Nottoway Plantation & Baton Rouge Louisiana State Capitol
Een daad van nostalgie: net zoals in 2006 een nacht doorbrengen in Nottoway Plantation. Weliswaar gisteren aangekomen in de regen, maar nu zijn zonnige dagen en steeds hogere temperaturen (eindelijk!) aan de orde, zodat we s morgens nog wat blijven rondwandelen op het domein. Nottoway was het droomhuis van Mr. Randolph van Virginia, die in Louisiana eerst succesrijk was met katoen, en daarna overschakelde naar nog lucratievere suikerwinning. Dan heb je een huisje verdiend, maar toen kwam de burgeroorlog. Randolph was tegen, omdat hij terecht niet geloofde dat het zuiden een oorlog tegen het geïndustrialiseerde noorden kon winnen, maar toen Louisiana zich bij de Secessie aansloot wilde hij niet achterblijven en steunde de Confederals met hart en ziel, en 3 zonen in de strijd, waarvan 1 overleed. Randolph kwam in nauwe schoentjes en moest naar Texas verhuizen om zaken te kunnen blijven doen, terwijl zijn vrouw en een paar dochters achterbleven op Nottoway teneinde te vermijden dat het domein in beslag zou worden genomen door The Union. Moedige dames! Het lukte ook, maar na de oorlog moest Randolph persoonlijk op bedevaart naar Washington DC om gratie af te smeken van de nieuwe president Andrew Johnson. Die kreeg hij, na betaling van een hoge belasting. Dit alles komen we te weten in een aardig filmpje in het Movie Theatre (was dat er in 2006 ook al? Kunnen we ons niet herinneren). Maar misschien nog het meest herinnerenswaardig aan Nottoway: de schitterende eikenbomen, wat een joekels (we zullen er komende maandag vast nog zien als we nog een paar plantages aandoen als laatste stop voor New Orleans). De hoofdstad van Louisiana is Baton Rouge, zo genoemd omdat de eerste Franse kolonisten hier een rode totempaal zagen staan, ter afbakening van het jachtgebied van een Indianenstam. Geen interessante stad, maar toch voorzien van een mooie moderne kerk met heel aardige glasramen. Die zijn we maar per toeval tegengekomen, onze bestemming was het Louisiana State Capitol, een art deco-toren met een panoramisch terras, waar je van een fraai uitzicht kan genieten. Zeker even interessant is echter de statige lobby, voorzien van murals met de Godin van de wijsheid bovenaan, die de kamerleden en senatoren van de staat moet bijstaan. Twee boeiende figuren hier. Het standbeeld is van Jean Baptiste Le Moyne, sieur de Bienville, de eerste gouverneur van Frans Louisiana in de eerste helft van de 18de eeuw. Die mens had het niet onder de markt, want toen hij meer kolonisten vroeg stuurde Frankrijk hem eerst edellieden die te lui waren om te werken of te dom om te helpen donderen en daarna een stelletje rifraf, tuig van de richel zeg maar, waarmee hij ook niets kon aanvangen. Bienville stopte er uiteindelijk mee in 1743 en zou Frankrijk nooit meer verlaten. De andere hoofdfiguur is Huey Long (1893-1935), een populist avant la lettre die de meest flamboyante gouverneur van Louisiana was. Hij was de Donald Trump van zijn tijd, die oppositie voerde tegen Roosevelt, zelf president wou worden (hij schreef zelfs een boek waarin hij zichzelf als president opvoerde) en een boontje had voor de law and order die Mussolini in Italië klaarmaakte. En dus werd hij gehaat door velen, al kon het volk hem wel hebben (dit gebouw werd overigens onder zijn bewind gebouwd). En dus ook vermoord, in 1935. Maar door wie? Officieel door een dokter Weiss, die meteen door Longs maffia-lijfwachten (want Long vertrouwde zijn eigen politie niet) werd neergeschoten (32 keer, om zeker te zijn!). Dat is de officiële versie, maar er bestaan ook talloze samenzweringstheorieen, zoals dat steeds het geval is met moorden op hooggeplaatsten in Amerika. Eentje vermeldt zelfs Roosevelt als opdrachtgever van de moord, allez, zo een brave mens! Ze worden ons opgedist door een werkelijk fantastisch leuke gids, een showman van de eerste orde, very entertaining! Ja, we zijn blij dat we een paar uur in Baton Rouge hebben doorgebracht. Maar nu zitten we voor 3 nachten in Breaux Bridge, centrum van de Bayou met Creoolse en Cajun-inslag. Waarover meer de komende 2 dagen. Voorlopig volstaan we met een goed eetmaal, de nationale schotel crawfish voorafgegaan door gator bites. Wel ja, het mag al eens omgekeerd zijn dan in: Polk Salad Annie, The Gators ate your granny (natuurlijk ook een song die niet ontbreekt op Southern Passenger!).
In Natchez waren we in 2007 ook al even, met Dre. Het is het Doornroosje van Mississippi, geheel ingeslapen en terend op een rijk verleden van veelal katoenhandelaars wier Plantations doorgaans in Louisiana lagen. Frans, Brits, Spaans, weer Brits en dan Amerikaans bezit, lees d3 tekst op foto 2 maar, het is een boeiende geschiedenis. Waarin de slavenhandel, wat had u gedacht, natuurlijk centraal stond. Natchez had, na New Orleans, de grootste slavenmarkt van Amerika, en wat we niet wisten is dat zelfs zwarte freemen, want die bestonden ook (vrijgelaten door goede meesters) niet zelden slaven hadden - zozeer was het systeem ingeburgerd in de maatschappij. En indien die freemen op familiebezoek gingen naar het Noorden, moesten ze oppassen niet door slavenhandelaars gekidnapt te worden - cfr de waarschuwing in een krant van Boston, en cfr de film Twelve years a slave, die deze problematiek als uitgangspunt had. Wij verblijven hier 1 nacht in de Oak Hill B&B, bij Doug, die alles van The South afweet. Zijn huis is ook geklasseerd en kan bezocht worden, wij kunnen als gast natuurlijk gratis een paar fotos nemen, en hebben de verdieping boven geheel voor eigen gebruik. Aan de tafel van de foto zijn we nochtans niet alleen voor het ontbijt. Een bejaard koppel uit Arkansas, maar ook Jorge, een vriend van Doug, die eigenlijk van Columbia is. Hij kwam in Miami terecht om La Violencia te ontvluchten en dreef er een zaak in Chinaware, maar toen kwam, niet lang na Katrina, orkaan Irma op Miami af. De schrik zat er goed in, en The Weather Channel dreef de spanning op (erger dan Katrina! Uiteindelijk bleek dat niet zo te zijn, het werd geen direct hit). Gevolg was dat stapels inwoners van Florida westwaarts vluchtten, ook Jorge en zijn vrouw, maar zij konden geen onderkomen vinden want alle hotels en motels waren volgeboekt. Tot ze Natchez bereikten en bij Doug terechtkwamen. Een en ander beviel Jorge dermate goed dat hij een huis kocht in Natchez en hier zijn zaak heropstartte. Hij kwam in de lokale krant als orkaanvluchteling en iedereen groette hem op straat, wat natuurlijk niet zo was in Miami, waar je anoniem bent. Wat een verhaal. Maar ja, The South weet wat gastvrijheid is. Al gaat het er wel allemaal een pak trager. De mensen bewegen langzaam, en ze spreken nog langzamer, met die befaamde Southern drawl. Dat merk je ten overvloede in de drie iconische huizen die wij vandaag met een combiticket bezoeken. Je mag er binnen niet fotograferen, maar of het nu Longwood, Stanton of Rosalie is, je moet telkens een uitleg ondergaan die langer duurt dan in het Noorden (in Stanton is iedereen bovendien in 19de eeuwse klederdracht uitgedost). Het zijn natuurlijk fraaie huizen, daar niet van. En je hoort wel eens rare dingen. In Stanton hangt een kopie van Rafaël, waarover de wetenschap verdeeld is: heet die nu Madonna with child or Madonna with chair (omdat Jezus halvelings op een stoel zit). Zegt onze begeleidingsdame: I consider it my lifes mission to find out which title is correct. Maar mens toch, denken wij. Rafael schilderde voor opdrachtgevers, die altijd hetzelfde vroegen. Tuurlijk dat de prins van de renaissance er dan al eens een stoel bijschilderde, teneinde niet in slaap te vallen door altijd exact hetzelfde te moeten doen. Maar met titels was die mens verder niet bezig hoor (met niet zo propere meisjes wel, zodat hij jong overleed aan syfilis). Deze anekdote doet ons denken aan alweer een nummer van onze Southern Passenger playlist: Rednecks (Randy Newman), met als geweldig refrein: We are rednecks (x2), we dont know our ass from a hole in The ground, We are rednecks (x2), we are keeping The Niggers down. Neen, hier leven niet de grootste intellectuelen van Amerika, maar Natchez, waar de gewone huizen, alsmede de katholieke kerk en een bandstand aan het water, eigenlijk even bekoorlijk zijn als de grote tourhuizen, om van de bomen nog maar te zwijgen, blijft wel een verplichte stop op de route richting New Orleans. Waarna we twee uur te rijden hebben, en onszelf alweer een eargasm bezorgen. Want we zijn erin geslaagd nu toch A real mother for ya in de beste versie van Texaan Johnnie Guitar Watson op spotify te vinden! Bliss! Meteen op Southern Passenger gepleurd natuurlijk, onze lijst bevat nu 150 nummers, grrrroovy!
De B&Bs van The South zijn dotjes hoor. Ja, de kamers zijn redelijk eenvoudig, maar The Corners, onze B&B in Vicksburg, MS is een prachtig huis+tuin met een pedigree tot in de 19de eeuw en een aardige gastvrouw, Macy, intussen ook gepensioneerd. Een vorstelijk ontbijt wacht ons om 9 hr (vast uur, Macy wil uitslapen), dat is dus na de yacuzzi, want die hebben we ook in onze badkamer, en dan aan tafel wat babbelen. Macys echtgenoot, ook een Joe, krijgen we niet te zien, maar hij blijkt een grote Trump-fan te zijn, zoals zovelen in The South. Wij uiten enige bedenkingen over Trumps belachelijke persoonlijkheid en daar is zij het helemaal mee eens: sure, he is a Dick and an ego-maniac, whereas Obama was civilised and humble, maar, voegt ze eraan toe: hoe kan je Trump zijn beleid haten? We hebben allemaal meer geld, de economie doet het prima, hij heeft het goed gedaan en houdt zijn beloften. Ja, zeggen wij, maar dat deed Hitler ook, die heeft ook alle beloften van Mein Kampf ingelost, dat is geen argument. Dont let my husband hear you, zegt Macy. En, zegt ze nog, dat hele impeachmentproces van de Democraten, die daar al 3 jaar mee bezig zijn, is toch dikke flauwekul. Wij denken dat Macy de mening van velen in Amerika vertolkt en we kunnen haar ook wel enigszins volgen, zeker waar het die impeachment-procedure betreft. Enigszins hé, niet overdrijven. We blijven nog een halve dag in Vicksburg, een voormalige havenstad, kan je zien aan de typische boten op de Mississippi. Leuke murals aan het waterfront ook, waarop je o.a kan zien hoe vroeger, toen er nog geen bruggen waren, de rivier werd overgestoken in een combi van boot en trein, merkwaardig. Ja, oma, de Amerikanen kunnen alles, het is waar. En nog wat Blues natuurlijk, de lokale held is Willie Dixon, wiens songs door velen werden gecoverd, waaronder The Stones en Eric Clapton. Maar de reden dat mensen naar Vicksburg afzakken is toch vooral het lokale Military Park, dat na Gettysburg, Pa (dat wij in 2013 bezochten) de belangrijkste Civil War-site van Amerika is. Het is ook erg goed gedaan: een sprekend filmpje van 20 minuten in het VISITOR Centre en daarna een self guided rondrit met de eigen auto, een tour van 20 km die je afwisselend bij de zuidelijken en de noordelijken brengt, als was je Buster Keaton in The General zelve. Onderweg memoriaals in alle maten en gewichten (per staat) en een versterkte kanonneerboot voor anker, allemaal voortreffelijk gedaan. En overal verduidelijkende plakkaten zoals die over de migranten op die boten, ook dat is merkwaardig. Maar was die burgeroorlog nu nodig? Waarschijnlijk wel, maar niet uit nobele bedoelingen. De Union was uit mekaar gevallen met 11 afgescheurde Staten, dat konden de Noordelijken niet hebben. En het zal wel zo zijn dat sommige politici echte abolitionisten waren met een moreel kompas, maar de meesten maakten zich zorgen over het feit dat gevluchte slaven in het noorden de arbeidsmarkt verstoorden, en zich bovendien voor een centje door slimme fabriekseigenaars lieten betalen om stakingen te breken. Wat in geen enkel geval nodig was, waren de drie pogingen van de Noordelijken om het versterkte en op een heuvel gelegen Vicksburg te veroveren. Driemaal mislukt, ten koste van duizenden doden. Pas daarna besloot generaal Ulysses Grant tot een uithongeringsbeleg. Dat lukte wel, de verdedigers van de stad die de Mississippi controleerde stierven bij bosjes aan malaria en difterie en moesten zich uiteindelijk uitgeput overgeven. De stroom was nu van The Union, en het front tussen Texas en de dissidente Staten ten oosten van de Mississippi was gesplitst, en die klap zouden de zuidelijken nooit meer te boven komen. Allemaal interessant, maar nu moeten we naar Natchez, waarbij we de Natchez Trace Parkway van verleden week even terugvinden, een blij weerzien. En we zijn op tijd in Natchez, waarover morgen meer, om nog een verdienstelijke zonsondergang aan The Mighty Mississippi mee te pikken en vervolgens heel goed te gaan tafelen (op aanraden van onze Innkeeper Doug) in Restaurant 1818 van The Monmouth Historic Inn, dat tegenwoordig tot The Small Leading Hotels of The World behoort. Yummie, maar onze eigen B&B, zie morgen, is ook OK hoor, en veel goedkoper.
De weerberichten kloppen hier altijd. Nadat wij ons zo lang mogelijk hebben verschanst in onze warme kamer moeten we om 10 hr toch buiten: het is -8 Celsius (MIN 8!) en het voelt nog kouder aan door de noordenwind (wel terug zonnig na wat sneeuw vannacht). Trump heeft gelijk, die klimaatopwarming is dikke flauwekul! Serieus, zelfs de locals zeggen dat deze temperatuur voor medio november niet normaal is, en het zal gelukkig niet lang duren, vanaf morgen is enige opwarming weer aan de orde. Intussen: leve de stoelverwarming in autos! We moeten vandaag behoorlijk wat afstand afleggen (geen enkel probleem met onze Southern Passenger playlist die van aard is zowel Sam Philips als de verenigde zwarte bluesgoden jaloers te maken), maar tijd voor twee alweer iconische stops is er wel. De eerste is literair van aard (wat een fraaie parking trouwens!): Rowan Oaks is het huis van de grote schrijver William Faulkner (ja, nog groter dan Philip Roth) die hier eigenlijk permanent leefde, behalve in de periode dat hij om den brode scenarioschrijver was in Hollywood (eenmaal werd hij afgedankt door Hitchcock, die duidelijk meer van schilderkunst dan van moderne literatuur afwist). Faulkner was ook zo lief de vorige bewoners van zijn huis in zijn romans in te schrijven, en hield zich verder buiten schrijven bezig met zijn paarden en met wandelen. Maar lawaai mocht er niet gemaakt worden, anders kon meneer niet schrijven (een zware opdracht voor zijn vrouw en dochter). Volgens Philip Roth, we hebben het net gelezen, schreef Faulkner met As I lay dying de beste Amerikaanse roman van de eerste helft van de twintigste eeuw. Kan er nooit ver naast zijn, al zouden wij zelf Hemingways The Sun also rises die bekroning geven, en van Faulkner vinden we The Sound and The fury zijn allerbeste roman. Enfin, een grote was Faulkner sowieso en dat hij niet bepaald geld teveel had blijkt uit de binnenhuisinrichting, die alles behalve weelderig is. Maar hij mocht zich wel verheugen in een aangename natuur om hem heen. Daar kan je nu nog van profiteren: we maken de korte wandeling Bailey Woods Trail, heel mooi en versierd met plakkaten van de Universiteit van Mississippi (die ook het huis van de schrijver uitbaat). En waarom heette die slang nu Penelope? Ha, omdat Faulkner even goed vertrouwd was met de Odyssee als met Shakespeare natuurlijk. En verder zuidwaarts rijden we, maar het weigert vooralsnog warmer te worden, we blijven onder nul. Dan maar warmte zoeken bij de Blues, zoals de niggers van vroeger, die zich het pleuris moesten werken op de katoenvelden van de Mississippi-delta. Ja, in dit vlakke land werd de Blues geboren, en rondom Clarksville (maar ook Tunica op de kaart is ons bekend: van Tunica Motel, een uitmuntend nummer van Tony Joe White, het staat op onze Southern Passenger playlist!) zijn er interpretatieve bluesmusea bij bosjes, maar het beste, want modernste, is sinds 2008 toch het B.B.King Museum in Indianola dat niet alleen alles over de baas van Lucille vertelt, die bescheiden begon als tractor-chauffeur op de katoenplantage van een zwarte eigenaar (hij moest er wel Mister tegen zeggen, maar het was een goeie baas), maar ook over de levensomstandigheden in de Delta zelf. Knap hoor. B.B.King maakte het in Memphis, en werd een internationale bekendheid met The thrill is gone in 1970, maar bescheiden bleef hij altijd, geen Graceland voor hem. Wel een eigen opnamestudio, en het bezoek van U2 in 1988, voor de Rattle and Hum-film. Kostelijk moment hier op video: B.B die tegen Bono zegt dat hij eigenlijk niets van akkoorden afweet (ha nee, die oude bluesmannen speelden allemaal op gevoel, Bonnie Raitt legt het goed uit op de Lucille talks-foto). En Bono, duidelijk bedremmeld naast een King te staan, terwijl hij toch zelf ook geen bedelaar was, die antwoordt: euh...geen probleem, The Edge zal dat akkoordengedoe wel regelen. Mooi allemaal, heel mooi, we zijn weeral ontroerd. Eindelijk ook geleerd waar de naam Lucille voor alle gitaren van King vandaan kwam, zie foto en nee, het was geen liefje van hem. Knappe concertfragmenten in dit museum ook, en een schilderij in de gift shop dat zowaar door een Belg is gemaakt. Al hebben wij nooit van die meneer Le Roy gehoord. King ligt achter het museum ook begraven, hij werd 90 (1925-2015), en wel op veel eenvoudiger wijze dan de familie Presley op Graceland. Typisch, zwart of blank, het is toch nog altijd niet hetzelfde in Amerika.
THE EASTCOAST BLUES (4): Claudia Roth Pierpont, Roth unbound, a writer and his books, Farrar, Straus and Giroux, New York, 2013, 353 blz
Tot dusver 4 boeken van Philip Roth gelezen: dat is een beetje weinig. Alvorens The ghost writer, Exit ghost & The human stain aan te vatten, eerst even deze literaire biografie, gevonden in een boekhandel in Seattle verleden jaar, van een staff writer van The New Yorker, die Roth sinds 2005 persoonlijk kende en toch geen familie is, ondanks het feit dat haar meisjesnaam ook Roth luidt. Dat soort boeken wil al eens snel tot een maatjesslijmerig werk verworden, maar Pierpont slaagt erin die valkuil te vermijden en de informatie die ze van Roth persoonlijk kreeg in haar voordeel te benutten. Ze fladdert chronologisch van boek naar boek, weet de krachtlijnen daarvan heel goed te duiden, voegt een persoonlijk waardeoordeel toe (dat niet over elk boek positief is, en zo hoort het) en schrijft bijna even vlot als Roth zelf. En wat zijn dan de themas van Philip Roth? Pierpont wijst onder andere op de morele strijd die in zijn romans dikwijls aan de orde is, een morele strijd die eveneens in Roths leven kan aangetroffen worden. Meer bepaald in zijn talloze reizen naar Praag in de jaren 70, waar hij - tot hij niet meer werd binnengelaten - de dissidente schrijvers een hart onder de riem ging steken en hun boeken in Amerika uitgaf (Roth had daar ook het geld voor, want hij was in 1969 miljonair geworden dankzij het enorme succes van zijn schandaalroman Portnoys complaint). Het is een mooi hoofdstuk dat dit verhaal vertelt (met bijrollen voor Kundera en Havel) en het wordt fraai besloten door een uitspraak van Ivan Klima, die Roth als Engelskundige op zijn reizen in Praag begeleidde, en aan de geheime politie, die van hem wilde weten wat die Amerikaanse schrijver toch elk jaar in Praag kwam doen, zegde: Why, dont you read his books? He comes for The girls. Grappig, maar nee dus, ondanks de reputatie van Roth, die op dat moment samenleefde met de actrice Claire Bloom, deels in London, deels in zijn huis in Connecticut. Roth kwam oorspronkelijk voor Kafka, een van zijn literaire idolen, net als Tsjechov, Saul Bellow, Hemingway, Henry Miller en Faulkner, ze zitten allemaal in Roths eigen werk, zoals Pierpont overtuigend aantoont. Maar dat wil niet zeggen dat Roth ooit een self-referential schrijver zou zijn geweest. Nee, hij was een realistisch schrijver, die niet buiten de realiteit kon, en door die realiteit permanent gevoed werd. Tegenover de mode van de tekst die enkel naar de tekst zou verwijzen, stelde Roth zijn romans, die altijd aan het LEVEN refereren. Echter niet in een een op een-relatie. Pierpont betoogt terecht dat Roth op zijn best is als hij vertelt vanuit een masker, Nathan Zuckerman of anderen, dat is zijn Maskenfreiheit. Zonder masker blijkt de echte Roth een aimabel man te zijn, met is hij scherper, kan hij zijn woede beter uiten, is hij vrijer ook. Maar vele elementen van Roths romans zijn op zijn eigen leven terug te voeren, dit boek is genoeg biografie om dat duidelijk te maken (de beschuldiging van mysoginie, die Roth dikwijls kreeg, wordt door Pierpont wel afgewezen, al wijst ook zij erop dat Roth door zijn eerste vrouw Maggie zwaar gesjareld werd - zij manipuleerde hem in een huwelijk via een vervalste zwangerschapstest - en door zijn tweede, Claire Bloom, hard werd aangepakt in haar autobiografie. Twee acties die tegenreacties hebben uitgelokt, vast wel). En Roth was een Jood natuurlijk, met of zonder masker. Roths grootouders (van beide kanten) waren Oost-Europa ontvlucht en Roths ouders waren hardwerkende lui, die meer dan eens in verhulde vorm in Roths romans werden opgevoerd. Zoals in Portnoys Complaint. Philip was blijkbaar niet gerust in hun reactie, want hij stuurde zijn ouders op reis naar London toen het boek uitkwam, kwestie van de mediastorm te ontlopen. Maar vader Herman had kopies van de roman meegenomen, en vroeg aan iedereen die hij tegenkwam of zij een getekende kopie van de roman wilden kopen. From Philip Roths Father, Herman Roth. Grappig en touching. Roth heeft geschreven over Israël (en het land ook bezocht), hij ondervond enig antisemitisme aan den lijve in London en kloeg het aan, hij doceerde ooit een Holocaust-cursus aan een universiteit en was bevriend met Primo Levi in zijn laatste levensjaren, en bedacht de term DIASPORISM (in tegenstelling tot zionisme). Maar anderzijds maakt Pierpont duidelijk dat Roth altijd veel kritiek van officiële Joden heeft gekregen (zoals van een rabbi, in de tijd van zijn debuut Goodbye Columbus al) en vooral altijd ook een all American boy is gebleven, een aartsdemocraat ook (contra Nixon, Reagan en Bush), liefhebber van New York en New England, en van baseball. En ook dat element vind je overal in zijn romans terug, naast aftakeling en dood, die Roth in zijn laatste boeken steevast vergezelde. Er mag hier echt gesproken worden van een voorbeeldige reader die niets belangrijks laat liggen en dat soms briljant verwoordt (bv over The Plot against America: after so many counterlifes, why not a counterhistory?), en zelfs belangstelling heeft voor Roth als stilist. Jaja, Philip was heel wat meer dan een dwangmatig masturbator (Portnoys complaint) en borstenzot (The breast en ibidem). Bv ook een man met veel gevoel voor humor, die als Claudia, waarvan hij wist dat ze terugschrok voor het aan dieren toegebrachte leed in het werk van Cormac McCarthy, kwam aanbellen, jolig aan de parlofoon zei: Be right there, I am just skinning a Kangaroo! Of bij een andere gelegenheid op haar afkwam in de rol van Robert De Niro in Raging bull, hierbij alluderend op de wijze waarop hij zoveel operaties (aan hart en rug) had overleefd, zoals Jake La Motta Sugar Ray Robinson, die hem net tot pulp heeft geslagen, komt zeggen dat Sugar Ray hem toch lekker niet tegen het canvas heeft gekregen. Maar Roth was toch vooral een groot schrijver, en het is prettig van Claudia te vernemen dat de drie romans die wij nu gaan lezen volgens haar tot Roths allerbesten behoren. Goed gekozen citaten uit Roths werk ook hoor, zoals deze uit The counterlife, over de Joden: Jews are to History what Eskimos are to snow. Of deze uit Exit Ghost, over de nooit eindigende aantrekkingskracht van jonge vrouwen op oudere mannen, die seksueel nochtans niets meer voor mekaar krijgen: There is no situation that infatuation is unable to feed on. Looking at her provided a visual jolt - I allowed her into my eyes The way a sword swallower swallowed a sword. Jazeker, Roth was een groot schrijver en deze Roth unbound is een heel goeie, slimme en goed geschreven literaire studie over hem.
AMERIKA 2019: Memphis, TN (2): Sun Studio & Graceland
Het wispelturige klimaat blijft ons verbazen. Gisteren, zondag, was het 19 graden en zonnig, vandaag was het hondenweer met veel wind en regen en alsmaar kouder, vannacht gaat het vriezen en sneeuwen, en morgen komen we niet boven de -2 Celsius uit. Waarna het weer warmer wordt. Geen wonder dat er zoveel maffe Amerikanen zijn, dat komt door het weer dat hun brein verwart! Nu, wij laten ons niet van de wijs brengen, de twee activiteiten van vandaag hebben geen goed weer nodig. De eerste is veruit de leukste: Sun Studio, waar radio-ingenieur Sam Philips de rockn roll uitvond vanaf 1952. Zijn grootste ontdekking was volgens hemzelf HowlinWolf, volgens de rest van de wereld eerder Elvis Presley natuurlijk. De jonge Elvis zakte nochtans voor zijn eerste test, hij zong een ballade en Philips stond erom bekend een hekel aan ballades te hebben. Maar de tweede, Thats Allright mama, was wel prijs. Speel dat eens een beetje rapper, kid, zei Philips, en toen Elvis dat deed en misschien vant verschieten wat rare heupbewegingen begon te maken, was The Pelvis geboren en legde Philips Elvis snel een driejarig contract voor. Dat na 17 maanden voor een recordbedrag werd overgenomen door RCA. Maar dat is maar het topje van de ijsberg, want ook Jerry Lee Lewis, Johnny Cash, Ike Turner, Muddy Waters, B.B.King, Carl Perkins en Roy Orbison (die snel opstapte omdat hij van Philips geen ballades mocht zingen). Onze gids vertelt op een 40 minuten-lang bezoek vele leuke anekdotes, en in de Heilige Graal (de eenvoudige studio zelf) horen we vele authentieke opnames, die we wat graag meezingen - zoals iedereen trouwens. Tofkens, en dat vond ook U2, die hier in 1988 samen met B.B.King een deel van Rattle and Hum kwamen opnemen. Overigens kwam de oude Jerry Lee Lewis, nu 84, hier verleden jaar nog eens gedag zeggen, dixit onze gids, en hij bracht...Mick Jagger mee. Twee liefhebbers van jonge vrouwen! Hoe dan ook, Sun is het Mekka van Memphis.
Wie niet meer zal langskomen is Elvis. Al is ook Graceland uiteraard een bedevaartsoord, zij het gelukkig vandaag minder druk bezocht dan anders, ongetwijfeld te wijten aan het rotweer op deze Veterans day (zoals ze in Amerika 11 november noemen). Het zou gek zijn Graceland over te slagen als je in Memphis bent, but we are not impressed. Let wel, Elvis jonge jaren vallen ook in onze smaak en het was een groot performer, maar dat is allemaal nog geen reden voor een heiligverklaring, die hier veelal aan de orde is. We zien alle benedenkamers, incl de slaapkamer van Elvis ouders (die van Elvis zelf is uit respect niet bezoekbaar), de TV-zaal, de speelzaal en de vreemde jungle room. En verder veel fotos en home movies waarin dochter Lisa Marie de hoofdrol speelt. Maar we horen niets over Elvis vreemde gedragingen die toenamen tijdens de Las Vegas-jaren en hem zijn huwelijk met Southern Belle Priscilla kostten. Kom, nog even in de regen naar Presleys privé-vliegtuigen gaan kijken en onze eer bewijzen op het kerkhof (grootmoeder Minnie Mae overleefde iedereen) en we zijn rond met dit verplicht nummer. En nu moeten we vroeg gaan slapen, want morgen is The entire region on The receiving end of a bone-chilling blast of cold air, luidens The Weather Channel. En daar kan Mister OOSTUOGOLF, zoals het op onze laundry bag staat (we hebben vandaag een boel kleren laten wassen), niet goed tegen, maar geen nood, we hebben zelfs stoelverwarming in de wagen en overmorgen wordt het alweer aanzienlijk minder koud.
AMERICAN MUSIC 3: Al Greens Tabernacle Church (gospel), Stax Museum (soul), Rum Boogie on Beale Street (Blues)
Muzikale zondag, in drievoud! Maar omdat het zondag is gaan we eerst naar de kerk. Kent u de man op foto 2? Dat is Al Green, die in 1976 zijn wereldlijke soulcarriere opgaf om een eenvoudige kerk te kopen, waarvan hij meteen zelf pastor werd. Kwam niet echt uit de lucht vallen want zijn hit Take me to The river (een van onze lievelingsnummers, die we eerst leerden kennen via prima covers van Talking Heads en Bryan Ferry) heeft al een religieus geïnspireerde tekst. Effectief, Al Green himself, nu een frisse zeventiger, is aanwezig en houdt eerst een bezielde preek waarin hij iedereen aanmaant eerder het goede nieuws van de bijbel te beluisteren, dan het slechte nieuws dat je dagelijks op TV kan horen. Ja, daar kunnen we inkomen. Onlangs zagen we nog een fragment van een politiek debat op CBS waarin de ueberbitch Judge Janine (van Fox Tv) in de clinch ging met leftie Whoopi Goldberg en beide vrouwen binnen de kortste keren mekaar begonnen uit te schelden. Polarisatie in de USA, Al Green daarentegen uses The Bible as his road map. Ja, hij doet maar, wij zijn vooral geboeid door de zoals altijd knettergek opgeklede zwarte vrouwen, het is hier net zo als in New York, waar we al twee keer zo een gospelmis bijwoonden. Bring it on, Al, swingtime! Daarna is het tijd voor soul in het Stax Museum of American Soul Music. Een echte pelgrimstocht voor ons hoor, wij zijn levenslang verknocht aan veel van deze muziekjes. Stax werd gesticht door Jim Stewart en zijn oudere zus Estelle Axton, vandaar de combinaam Stax. Jim, die viool speelde, wilde eigenlijk country & westernster worden, maar dat lukte niet. Geïnspireerd door het succes van Sam Philips Sun Studio (zie morgen) werd hij dan maar in 1957 producer en dat lukte wonderwel op grond van het verzamelde muzikale talent van zovele zwarten, al waren er ook witten bij, zoals Steve Cropper, de gitarist van het huisorkest Booker T and The MGs. Er wordt hier goed uitgelegd dat Stax Soul steunde op drie componenten: de kerk en haar gospel, country and Western en The Blues. Vooral dat laatste element maakte de Stax Sound minder gepolijst dan die van de grote concurrent uit Detroit, Tamla Motown. En door een handige deal met Atlantic Records werd Stax in no time een grote player, maar dat luidde meteen de ondergang in. Want wie groot wil zijn moet groot investeren, en toen er een zakelijk conflict ontstond tussen de oorspronkelijke eigenaars en mede-eigenaar CBS kwamen er financiële zorgen, nog vergroot door de geldhonger van nieuwe sterren als Isaac Hayes, wiens vergulde Cadillac hier een pronkstuk is. Stax kwam in cash flow-problemen en vroeg het failliet aan in 1974, het gebouw werd verkocht voor....10 usd aan een kerk. Gelukkig stichtten nostalgici in de jaren 90 de Soulsville USA non profit organisatie, die erin slaagde van het verkommerde huis een museum te maken, dat vol staat van bios van de grote figuren, zoals Otis Redding en zijn begeleidingsgroep The Bar Kays, die in 1967 omkwamen in een van de vele vliegtuigongelukken die de showbiz toen teisterden. Plus een dansvloer, waar je gebeurlijk kan meedansen op de onweerstaanbare videomuziekjes ervoor. En een heuse muziekstudio, waar je diverse opnames op de koptelefoon kan beluisteren. Allemaal goddelijk goed, als u het deze muziekliefhebber vraagt, en alweer inspiratie opgedaan voor een uitbreiding van onze Southern Passenger playlist. Deel 3 van dit muzikaal verhaal wordt geschreven in Beale Street, zoiets als Broadway in Nashville, maar allemaal een beetje groezeliger zoals alles in Memphis groezeliger is. Overdag al een levendige plek en slogans als Put some South in your mouth & Pork with an attitude, daar hebben wij wel oren naar. Wij kiezen Rum Boogie Bar uit om eerst chicken strips with Fries and some beers te nuttigen (geen wijn hier, het gaat er ruiger aan toe) en vervolgens anderhalf uur te luisteren naar de Memphis All Stars. Onderschat deze jongens niet! Ze hebben in jongere tijden allemaal samengespeeld met bekende namen als Solomon Burke, Dr. Feelgood en Albert King, en de lead gitarist, die ook prima mondharmonica speelt, heeft zelfs een nummer voor Robert Cray geschreven, horen we. En de gastzangeres, Queen Anne, steekt zowaar de Queen of Soul, Aretha Franklin, naar de kroon, zeker als ze een spetterende versie van Chain of fools ten gehore brengt. Nee, het zijn geen gekken in Memphis, dit is de meest muzikale stad ter wereld. En door al dat moois zijn we onze verkoudheid zelfs totaal vergeten!
AMERIKA 2019: Memphis, Tennessee (1) - focus National Civil Rights Museum
Memphis is een heel andere stad dan Nashville. Veel zwarter, en ook veel groezeliger, al valt het in de onmiddellijke buurt van ons hotel nog wel mee, met een gezellige trolley die doorheen de verder verkeersvrije Main Street loopt. Maar kijk naar foto 4: lijkt wel Berlijn voor de val van de muur, Memphis heeft veel verlaten terreinen en leegstand, en je zou twijfelen hier in de duisternis rond te lopen. Die grauwheid tekent ook de buurt van het Lorraine Hotel, waar diverse soulgroten overnachtten (Wilson Pickett, Aretha Franklin, Otis Redding, Steve Cropper, noem maar op) maar ook Martin Luther King, die in april 1968 de staking van de zwarte jongens van de vuilkar geweldloos kwam ondersteunen. Op het balkon voor kamer 306 werd hij neergeschoten door James Earl Ray (waarvan men zich nog altijd afvraagt of hij door hogere machten betaald werd), en wel vanuit de kamer waar wij foto 8 namen. Het National Civic Rights Museum is een uitmuntend, en bijzonder pakkend museum. De zwarte strijd wordt er in alle details uit de doeken gedaan, inclusief projecties van walgelijke wetten, die zelfs in het o zo tolerante California anno 1906 golden. De zuidelijke Staten spanden natuurlijk de kroon, zelfs tot over de grenzen van de dood heen. En toen weigerde Rosa Parks haar plaats in de bus op te geven (in de nagebouwde bus hoor je heel overtuigend de chauffeur haar aanmanen op te staan voor een blanke) en radicaliseerde de burgerrechtenstrijd. Boeiende items over Malcolm X en de Nation of Islam, en de Freedom Riders uit het noorden, die vooral in Mississippi en Alabama zwaar werden aangepakt, en zeker als ze blank waren (het verhaal werd verteld in de film Mississippi Burning). Je vraagt je af waarom de burgeroorlog werd uitgevochten. Het was de Supreme Court die de fout maakte segregatie niet als anticonstitutioneel te veroordelen, en daar maakte de zuidelijke Staten handig misbruik van. In dit museum ook een andere visie op de Kennedys dan in het JFK-museum in Boston. De president riep gouverneur Wallace van Alabama wel een halt toe, maar voordien hadden hij en broer Robert maar weinig belangstelling voor rassensegregatie, de Russen interesseerden hem meer. Alles in dit museum, vast wel een van de beste in haar soort, is perfect gepresenteerd en ontroering maakt zich ook van meester, als we tenslotte naar kamer 306 en 307 geleid worden, waar King en de zijnen verbleven. Mahalia Jackson zingt op de achtergrond de psalm die King 1 minuut voor zijn dood gevraagd had te spelen, weinigen houden het droog. Dit museum reikt sinds 1999 ook Freedom Awards uit, diverse presidenten mochten er een ontvangen. En Obama heeft hier uiteraard ook een ereplaats, als eerste zwarte president. Donald Trump laat weten niet te begrijpen dat hij niet al lang ook zo een award heeft gekregen. Maar om 20.30 hr is Main Street al volledig verlaten. Nee, het gaat niet zo goed met de stad Memphis, lijkt ons, en dat ondanks haar rijke muzikale verleden (en heden) waarover meer in de volgende blog, en ook morgen.
Je kan via een snelle freeway van Nashville naar Memphis (dan ben je nog minstens 3 uur onderweg), maar ons leek een omweg leuker: via de Natchez Trace Parkway die in de buurt van Nashville begint (aan een enorme brug, zie foto 1) en 700 km verder in Natchez, Missississipi eindigt. Wij doen vandaag de eerste 300 km, een aardige rit door bosgebied, al is het zeker niet zo spectaculair als de Sky Line Drive of de Blue Ridge Parkway, maar wel weer een verwezenlijking van Franklin Roosevelt tijdens de Grote Depressie. Voor twee stops vinden we nog de tijd: de historische plek Franklin, waar president Jackson met de Indianen onderhandelde om hen wandelen te sturen, en zowaar een kleine, maar fijne wandeling (W24, 20 min) die ons rond een kreek voert die door bevers is afgedamd zodat er een nieuw ecosysteem is ontstaan. Daarna moeten we nog 200 km karren om net voor de duisternis (dat is al om 5 hr, wij vinden dat winteruur maar niks) in Memphis aan te komen. Ons eerste plan was vanavond al Beale Street en haar bluesclubs op te zoeken, maar we zijn verkouden en moe. Dus houden we het maar op een cocktail in de rooftop bar van ons hotel, die o.a uitzicht biedt op de moderne en verlichte brug over de brede Tennessee rivier. We zullen dat de komende 2 ongetwijfeld hoogst muzikale dagen allemaal wat beter bekijken en vanavond eerst proberen die verkoudheid weg te slapen met een lange nachtrust. Start!
AMERICAN MUSIC 2: Nashville, The Country Music Hall of Fame & Museum en Roberts Western World (country)
Hoe je ook tegenover Tennessee, Nashville of Country Music staat: een bezoek aan The Country Music Hall of Fame & Museum is een must. Je wordt eerst naar een gelegenheidstentoonstelling geleid, die gewijd is aan de wondere werken van Boudleaux & Felice Bryant. Nog nooit van gehoord, zegt u? Wij ook niet. En wie noemt zijn zoon nu Boudleaux? Vader Bryant had een goeie reden, hij werd in WO1 van de dood gered door een Franse soldaat met die naam. Felice had dan weer Siciliaanse roots en samen vormden de Bryants een songwriterduo dat dan wel niet zo bekend is als, pakweg, Leiber and Stoller, maar toch even roemrucht. Zij penden de wereldhit Love hurts en ook de drie grootste hits van The Everly Brothers (Bye bye love, Wake up little Susie, All I have to do is dream) die alle 3 op onze eigen befaamde Spotify-playlist Southern Passenger prijken (en die we morgen met enorm veel plezier in de auto onderweg naar Memphis gaan spelen). En ze werden steenrijk omdat ze met muziekmanager Wesley Rose een deal negocieerden die hen na 10 jaar de rechten op hun eigen songs in handen speelde (zo slim waren ze lang niet allemaal in de prehistorische tijden van studiohaaien). Daarna volgt de vaste rondgang, die aangenaam begint bij het...euh, begin, ttz de fiedelaars op plattelandsfeesten in de jaren 20 en 30 van de 20ste eeuw. En via filmpjes veel aandacht heeft voor de crossover met rockn roll, met Elvis The Pelvis (alle meisjes in zwijm) en Carl Perkins (niet op mijn blauwe schoenen staan), en voor andere tenoren, zoals Waylon Jennings en Willie Nelson, de zelfverklaarde outlaws die daadwerkelijk The Law achter zich aan kregen (de eerste voor drugsbezit, de tweede voor belastingsontduiking), maar toch hun plaats in de Hall of Fame konden opeisen. Want vergis je niet: countrysterren zijn patriotten, kijk maar eens hoeveel van hen in het leger dienden. Je ziet hier ook de Cadillacs van Elvis Presley (met ingebouwde TV en koelkast) en een andere Pipo, die een zadel op zijn versnellingsbak liet monteren en revolvers als klinken (neem ze in Tennessee vooral hun wapens niet af!), maar het gaat toch vooral om de muziek, die langs alle kanten op je af komt. Toch vragen wij ons af of Country zijn beste tijd niet gehad heeft. Tuurlijk, de Grand Ole Opry zit nog altijd vol, maar waar zijn de nieuwe sterren? Het is bedenkelijk dat men hier met Lady Gaga en Taylor Swift moet afkomen. Wereldsterren, zeker, maar kwalitatief van twijfelachtig allooi en wat hebben zij eigenlijk met Country and Western te maken? Enfin, tijd voor een test in de praktijk. Daarvoor kiezen wij Roberts Western World op Broadway, waar een ouderwets countrygroepje em van jetje geeft. Niet slecht, maar ook niet super, een Hall of Fame zit er niet in. Wel een goeie sfeer hier, wij blijven een uurtje luisteren en kijken met een biertje in de hand, al was een oxo ons liever geweest om de kou buiten te trotseren. Nogal wiedes dat we dus niet naar de nachtclubs van Printers Alley gaan (laatste foto), al liggen ze dicht bij ons hotel en zijn ze, naar hun eigen zeggen, wereldberoemd. Nashville is een beetje teveel verliefd op zichzelf, het zal daarom zijn dat Trump hier zo populair is, maar dat Country hier een religie is, kan niet betwijfeld worden. Op naar Memphis, en de nog straffere muziekgeschiedenis daar.
AMERIKA 2019: Nashville, TN (2): downtown & Frist Center for The Visual Arts
Voor half elf durven we ons niet buiten wagen, daarna doen we het toch: 2 graden Celsius (langzaam opwarmend tot 5) en een ijskoude wind die vanuit Canada over de Grote Meren komt aangeblazen. Gelukkig dat we die nordic sweater gekocht hebben, maar dan nog, dit is te koud voor ons. Eigenlijk hebben we zin in onze broek te pissen om het wat warmer te krijgen (we hebben toch onze zwarte broek aan, niemand gaat dat zien), maar ach, dat koelt ook weer snel af en er staan twee musea op ons programma dus veel buitengeloop is er nu ook weer niet bij. Nashville is de 2de stad in Tennessee die ons niet bevalt. Kijk naar Victory Square & Tennessee State Capitol: het lijkt wel of Albert Speer hier de architectuur heeft verzorgd. Nu ja, Andrew Jackson, de 7de president van de Verenigde Staten tussen 1829 en 1837, was van deze streek afkomstig en had daadwerkelijk de reputatie een dictator te zijn, al presenteerde hij zich graag als man van het (witte) volk (hallo Donald!), die de Indianen verbande uit alles wat ten oosten van de Mississippi lag. Ook de moderne wolkenkrabbers van Nashville zeggen ons niets: allemaal veel te grosseel en te dikdoenerig, zoals dat stadium voor het lokale American Football Team. En dat geldt ook voor de Grand Ole Opry, 10 km van de stad gelegen, we zijn daar gisteren speciaal even voorbij gereden: Las Vegas in Tennessee met een hotel van 2800 kamers waarin je binnen op een rivier kan varen en wat al meer, bah. Wat ze hier wel goed doen is, niet zonder schuldbewustzijn, overal in de stad bordjes met historische gegevens plaatsen. Lees dat van de sit-ins van zwarte studenten anno 1960 maar eens, zo was het toen gesteld met de segregatie in zuidelijke Staten als Tennessee. Waar je in Nashville moet zijn is op Broadway. We hebben het gisteravond al gezien: de ene live music-bar naast de andere, waar je je bovendien te pletter kan drinken (het stinkt naar bier als je hier s avonds op straat loopt). Ze zijn overdag ook best populair hoor, al gaan wij nu toch niet binnen stappen in Redneck Rivièra, dat is ons te bar. Hadden we maar in legeruniform gekomen, we zouden eerste klas-bediening krijgen. Nee, in Nashville krijgt socialist Bernie vast geen poot aan de grond. Ook op Broadway, maar verder van de Strip, is het kunstmuseum van de stad. Het Frist Museum of Visual Arts heeft geen vaste collectie, maar pakt wel altijd met interessante gelegenheidstentoonstellingen uit, dixit de Lonely Planet. Nou, die expo van een Braziliaanse tweeling vinden wij anders maar niks (zoveel kleur dat het pijn aan de ogen doet), maar in de thematentoonstelling Native women of The USA is wel iets te zien. Iets hé, naast geijkte al dan niet geweven kleedjes en stereotiepe beeldjes. De vijf op de foto willen wij toch onthouden. Allereerst de Container of souls van Marianne Nicolson. Het is bijna niet te fotograferen met een simpele lens, maar de box in het midden bevat in het klein de tekeningen die in het groot als schaduwen op de muur verschijnen, waarbij je eigen schaduw, als je er doorheen loopt, ook nog eens een rol speelt. Heel mooi, en thematisch zinvol. Dat geldt ook voor de reclining nude van Rebecca Belmore, wier werk ook nog eens met Hans Holbein lijkt te dialogeren. Net als diens platte Christus is deze Indiaanse gemarteld, maar het rood is geen bloed, het zijn kralen die op overlevingskracht wijzen. Fraai werk ook van Faye Heavyshield, die op vederlichte wijze de landelijke gemeenschap van haar stam gedenkt. De figuurtjes bewegen zacht in de wind, alsof ze dansen, en ze zijn gebogen bovenaan: een hoofd of de dakbedekking van een tipi? Joan Hill is de oudste van het lot, geboren in 1930. Ze maakt naieve, hyperrealistische schilderijen van beraadslagende vrouwen, die een vreemde aantrekkingskracht hebben. En omdat er ook eens gelachen mag worden: Hulleah Tsinhnahjinnie, die Indianenkinderen associeert met de maan en de maanlanding, als om te zeggen: wij zijn ook moderne mensen hoor! Ja, die vijf mogen er wezen. Maar bon, we zijn in Nashville vanzelfsprekend voor de muziek. En op dat vlak scoort de stad wel goede punten, zie volgende blog.