Rechts en links, rechts- en
linkshandig, rechts- en linksdraaiend: allemaal fascinerende onderwerpen.
Vooral als er verder niets onder de zon is waarover je geacht wordt je mening
te geven. Waarom bestaan er mensen die uitgesproken linkshandig zijn? Waarom
hebben we het over rechtsdraaiende yoghurt? Waarom kunnen sommige toch wel handige
en rechtschapen lieden onmogelijk een spijker in een plank slaan met hun
linkerhand? Waarom lopen de atleten hier bij ons op het plaatselijke
sintelbaantje hun rondjes tegen de wijzers van de klok in? Waarom sla je bij
het pootje-over schaatsen altijd je rechter schaats over je linker en nooit
andersom? Voor u een vraag en voor mij ook.
Iets wat mij ieder jaar zeer
verbaast is dat de links- of rechtsdraaierigheid niet alleen voor yoghurt
geldt, maar zelfs ook voor plantaardige wezens van wie niemand ooit zou
verwachten dat zij enig richtinggevoel zouden hebben.
Ieder jaar, op 30 april (maar
dat is toeval), kunt u mij in mijn moestuin aan het werk zien met mijn
bonenstaken. Op 60
centimeter van elkaar zet ik paren van staken, telkens
twee tegenover elkaar. Ik buig ze enigszins naar elkaar toe en verbind hen met
losse staken waarvan ik een bruggetje of een overspanning maak. Maar het
bijzondere komt pas later.
Daar waar de bonenstaak de
grond raakt, rondom elk van hen, drukt mevrouw Terra - u weet wel: die met de
groene vingers - voorzichtig haar boontjes in de grond. En als de temperatuur
en de vochtigheid meewerken boontjes houden van vochtige en warme grond
steekt binnen enkele dagen een slank groen stengeltje zijn kopje uit de grond.
En dan voltrekt zich het wonder! In hun streven op te groeien in de hoogte
zoeken de slanke stengels steun bij de staken. De uiteinden wikkelen zich als
vanzelf om de ronde stokken. Zij doen dat rechtsdraaiend!
Soms knoop ik een loshangende stengel, die de weg kwijt is, met een
vliegertouwtje vluchtig aan de staak vast, maar echt nodig is dat bijna nooit.
Als door een wonder gedreven slaat de bonenstengel zich soepel, steeds rechtsaf
slaand, om de stok en houdt zich met zijn tentakels stevig vast. Steeds hoger:
het gaat crescendo. Totdat het eind van de stok is bereikt. Dan wappert het
dunne boveneinde een beetje in de wind. Ondertussen vormen de stengels een
stevige groene balustrade waaraan straks de bloemen en de vruchten, de peulen,
de snijboontjes of de slabonen verschijnen.
Ooit heb ik geprobeerd een
paar bonenstengels te leiden. Dat wil zeggen ik voerde ze met mijn handen rond
de staken en maakte ze hier en daar vast. Ik deed het met de beste bedoelingen,
want ik wilde hen vastigheid in het leven geven. Maar mijn grootste fout was
het ontkennen van de juiste draairichting. Ik leidde de stengels linksom, tegen
de wijzers van de klok, langs de staken naar boven. Daar gingen dat jaar bijna
al onze bonen-aan-staken aan dood. Hun stengels braken en zij raakten volledig
de kluts kwijt. Dat kwam niet door de droogte of door de wortelknagend
ongedierte in de grond. Het was mijn eigen domme schuld. Ik had kunnen weten
dat ook bonen een zulke mate van intelligentie hebben dat ze precies weten
welke kant ze bij het klimmen op moeten. Ze oriënteren zich daarbij op de gang
van de zon langs het zwerk. Ze gaan zoals het hoort: rechtsdraaiend. Zo slim
zijn bonen.
Kruissteken met dubbel-s in het midden. Niet dat u denkt dat
Ma haar gebed opende en afsloot met de vluchtige rechterhandbeweging waarmee je
een kruisje slaat. Daarvoor was zij teveel protestant, hoewel ze af en
toe wel enige voorliefde of op zijn minst interesse toonde voor katholieke
rituelen als knielen, kruistekens slaan, een askruisje halen en (op Kerstmis)
kindje wiegen. Ik herinner mij nog als de dag van gisteren hoe Ma en ik door de
snerpende vrieskou om vier uur in de ochtend naar de nachtmis in B. gingen om
daar de kerstrituelen in ogenschouw te nemen. Het was maar goed dat onze
katholieke slager, aldaar aanwezig, Ma ontdekte en haar een zitplaats aanbood,
anders hadden we de gehele mis tussen het gewone volk achterin de kerk moeten
staan. Dat gewone volk is een grapje van mij, want Ma had er geen enkel
bezwaar tegen om bij het gewone volk te horen. Je iets verbeelden of je
ergens op vóór laten staan zijn werkelijk wel de laatste zaken waar je aan
denkt als je het over Ma hebt.
Kruissteken met dubbel-s horen thuis in de wereld van de
nuttige handwerken met een artistiek randje; de fascinerende wereld van
smyrnakussens, telpatronen, borduurwerkjes, merklappen en antimakassars. Je
moet streng in de leer zijn, hetgeen in deze context betekent dat je secuur en
nauwkeurig moet kunnen werken. Je hebt er een stramienachtige ondergrond voor
nodig, strengen garen in vele kleuren en natuurlijk naald en draad. Een
kruissteek, zo heb ik mij laten vertellen, is in de borduurwereld wat
één-recht-één-averecht is bij het breien: een basisbewerking zonder welke
borduren (of breien in het tweede geval) volstrekt ondenkbaar is.
In den beginne is er
de volledig blanco ondergrond, het gekleurde borduurgaren en het
borduurgereedschap. Ooit heeft Ma een voorbedrukt stramien gebruikt, maar dat
was eens maar nooit weer. Een rood kruisje op een ondergrond-in-dezelfde-kleur
borduren kan immers iedereen, daar is geen kunst aan.
Hoe Ma begint? Ergens
in het lege veld slaat zij om zo te zeggen eerst een paar piketpaaltjes: zij
zet met donker garen op vaste afstanden hier en daar een beginkruisje. De
juiste plaats bepaalt zij door eenvoudig te tellen. Daarna verbindt Ma de
beginkruisjes met elkaar zodat er vormen, lijnen, vierkanten, recht- en
veelhoeken ontstaan. Symmetrie mág, maar hoeft niet per sé. Liever niet. Soms
begint zij met twee diagonalen. De zo ontstane door kruissteken afgebakende
vormenworden vervolgens opgevuld zodat er veelkleurige vlakken ontstaan.
Wanneer het gehele stramien gevuld is, werkt Ma het geheel af met een gehaakt
randje. Het eindresultaat kan van alles zijn: een lopertje op tafel, een
kussenovertrek, een vloerkleedje, een antimakassar op de stoelrug of een
wandversiering.
Af en toe liepen Mas borduurwerkjes uit de hand. Vooral
toen ze bij het hoofdstuk vloerkleedjes aangekomen was. Overal in haar kamer
in het verzorgingstehuis waar ze aan het eind van haar leven woonde, lagen haar
vloerkleedjes. Het waren er tenslotte zoveel dat we er wat van zeiden.
Bijvoorbeeld dat ze gevaarlijk waren: Straks val je erover en breek je je heup
of nog erger! Wat dan weer een typisch Ma-antwoord opleverde: Nee hoor, dat
zal mij niet overkomen, dat is immers nog nooit gebeurd, waarna de discussie
gesloten was.
Ma bewoonde de naar haar zeggen mooiste kamer van het
verzorgingstehuis (toen nog rusthuis geheten). Dat was de kamer naast de
centrale ingang. Om beter te kunnen zien wie er in- en uitging, zat Ma graag op
de leuning van haar stoel bij het raam. Af en toe zwaaide ze vriendelijk naar
een passerende kennis. Onder de stoel stond haar borduurmandje met het
opgerolde half-affe kleedje en de strengetjes wol. Toen ze hoogbejaard was
geworden, kwam als vanzelf het ogenblik dat het kleedje niet meer afgemaakt
werd. Het zou voor altijd on-af blijven.
Vanmorgen om een uur of tien
was het weer zover. Onze drie topsy-turvys, de drie gratiën noem ik hen vaak
liefdevol, of de barmhartige drieëenheid vanwege de vele goede werken die ze
uitvoeren, maar u weet nu wie ik bedoel. Op bepaalde ochtenden komen ze bij
elkaar, bij ons in de keukenvensterbank, om de stand van zaken door te nemen.
Wannéér ze komen is voor hen een weet, maar voor ons een raadsel. Soms is het iedere
dinsdag, maar soms duurt het weken voordat ze iets van zich laten horen. Wat
wel zeker en vast is, is de plaats van samenkomst. Dat is altijd in de
vensterbank, op de tegeltjes, in het ochtendzonnetje als die tenminste zo goed
is om te schijnen. Dat was vandaag het geval.
Opvallend aan onze drie
turvies is hun kleurrijke kleding. Niet alleen veelkleurig qua aantal, maar ook
qua kwaliteit en dan bedoel ik het passend samengaan van kleur. Zoals de
middelste dame die slechts enkele tere kleuren nodig heeft om er fantastisch
uit te zien. Kleren maken de man, maar kleuren maken de vrouw, zoveel is zeker.
Vandaag overlegt het drietal
over de kleur van nieuw aan te schaffen kussens op de logeerbedden. Twee opties
liggen voor hun voeten en nu komt het er op aan te besluiten welke kleur het
wordt. Wordt het een vlammend paars of toch maar liever een decent oker? Met
tal van steekhoudende argumenten worden de voors en tegens tegen elkaar
afgewogen. Totdat de teerling is geworpen en de keuze is gemaakt. Vaak wordt
met algemene stemmen besloten, maar een enkele keer blijft men het oneens en
dan beslist de majoriteit, waarbij twee altijd nog meer is dan één en dus de
doorslag geeft. Eén keer is het gebeurd dat alle drie de dames iets anders
wilden. Toen moest de dobbelsteen eraan te pas komen. Wie het eerste zes gooide
kreeg haar zin.
Dat zijn uitzonderingen. Smaken verschillen, maar met liefdevol
uitgewisselde argumenten kom je een heel eind. Zo ook deze morgen. De drie
besluiten eenstemmig dat de kussens knalgeel worden. Het is niet mijn keuze,
maar dat is hier niet aan de orde. Hun wil is wet.
Voor hoogwaardigheidsbekleders geldt dat er een tijd is van
aantreden en een tijd van aftreden. Sommigen, de heel hoogwaardigen, kunnen dat
tijdstip zelf bepalen. Onze Koningin der Nederlanden kan, net als haar collega
in Brittannië, zelf besluiten wanneer zij haar troon en kroon over doet aan
haar zoon en opvolger. Maar die keuzevrijheid is slechts weinigen gegeven.
Meestal zijn het wetten en regels die voorschrijven wanneer wij mogen komen en
op welk tijdstip wij vriendelijk doch dringend worden verzocht op te stappen.
De heren Leterme en Balkenende mogen dan wel denken dat hun premierschap eeuwig duurt, maar dat is toch een
vergissing (sprak de oppositie).
Net zoals er een tijd van aantreden en aftreden is, is er
een tijd van maaien en zaaien. Daarvoor heb je een goed voorbereid zaaibed
nodig. Nu, in het voorjaar, met de zomerklok op tijd gezet, gaan wij in onze
groentetuin aan het werk. De eerste grote klus is het bouwrijp maken van de
grond. Bemesten, spitten, hakken, schoffelen, harken en sjouwen met de
kruiwagen zijn dagelijks voorkomende werkwoorden. Op een van de fotos ziet u
de eerste voor. Eerst gooien wij de harde, stoffige bovenlaag van vorig jaar, met
de onkruiden die de winter hebben overleefd, onderin de nieuwe voor, waarna wij
zacht geurende, oude koemest toevoegen. Met de schop verplaatsten wij, al
omkerende, grond van de ene naar de andere plek. Net zolang tot ons hele
veldje, korrelig en van het meeste onkruid ontdaan, ligt te wachten op het
nieuwe zaad, dat straks in de warme, rulle grond geen moeite heeft met
ontkiemen.
Zon eerste nieuwe voor leg je niet zomaar op het oog. Nee,
je meet precies waar je moet beginnen en eindigen. Niet met je meetlat,
waterpas of meetlint. Wij doen dat van oudsher met de beproefde methode van het
aftreden. Met de klomp als meeteenheid. Wij beginnen aan de rand en zetten onze
klompen tegen elkaar aan. Tellen tot acht en precies op dát punt begint de
voor. Hetzelfde doe je aan de andere kant. Wanneer je nu de twee punten met
behulp van waslijndraad aan elkaar verbindt, kun je een beginvoor maken die aan
rechtheid niet te overtreffen is.
Alles goed en wel, zult u zeggen. Maar wat een gedoe! Heb je
daar wel tijd voor?
En dan? Dan komen de derde en vierde Paasdag met hun
heerlijk voorjaarsweer. Weer om te planten en te poten. Weer om te schoffelen
en te spitten. Weer om te genieten. Kijkt u maar eens hoe mooi onze moestuin er
nu bijligt!
Wat denkt
u, kunt zonder een computer? Kunt u zich een leven voorstellen zonder hardware
en software, zonder internet en email, zonder getwitter, gechat en gehyves, een
bestaan zonder ipod, usb-stick, monitor, externe harde schijf en powerpoint? Ik vraag maar. Kunt u nog
een vulpen hanteren en daar een brief (in inkt op papier) mee schrijven, of
bent u helemaal overgeleverd aan uw met twee vingers getypte Worddocumentje dat u laat verschijnen op
uw schermpje en dat u straks gaat printen en versturen? Of meteen als bijlage
in een mail meesturen, dat is natuurlijk nog veel handiger. (Om uw vraag vóór
te zijn: zelf ben ik langzamerhand volslagen overgeleverd aan de digitaliteit.
Behalve als het om het lezen van teksten gaat, dat doe ik nog steeds het liefst
van écht papier.)
De eerste
keer dat ik persoonlijk met een computer van doen kreeg, was eind jaren 70 van
de vorige eeuw. Ik was tweedejaarsstudent aan de universiteit van Nijmegen en
zat af en toe in de computerzaal van het Erasmusgebouw. De computer zelf, een mainframe bakbeest met de omvang van een
complete studiezaal, stond in een aparte ruimte op dezelfde verdieping. Wij
hadden alleen maar een toetsenbord onder onze vingers en een monitor voor onze
ogen. We hadden ook al een paar programmas: een ingewikkeld mathematisch
programma omnog ingewikkelder
rekensommetjes te kunnen maken en een tekstverwerkingsprogramma waarmee je een
onderzoeksverslagje kon schrijven. Het besturings-programma was te vatten in
drie letters: DOS.Printers waren er niet. Als je wat te
schrijven had deed je dat en na een paar uur kon je in het grote universitair rekencentrum
(vijf minuten fietsen) uit een bak zon kettingformulier halen waar je tekst op
stond. Alsof het gedrukt was.
Niet veel
later had iedereen de beschikking over een personal
computer, waardoor je onafhankelijk werd van de grote universiteitscomputer. De ontwikkeling verliep zo snel dat je
moeite had om alle vernieuwingen bij te houden. Maar nog steeds herinner ik mij
de Dell-laptop die ik op zeker moment op mijn bureau had staan. Met een
spreadsheat-programma CALC, een
tekstverwerker WordPerfect (versie
4.1) en Powerpoint versie Nul waarmee
je mooie presentaties kon maken. Bijzonder was dat de kleine laptop een
ingebouwde printer had met een rol thermisch papier.
In
diezelfde 80-er jaren viel mijn oudste zoon voor de Commodore 64 en mijn
jongste zoon voor diens opvolger: de Amiga. Fantastische apparaten waarmee je
uren, nee dagen zoet was. Zelf speelde ik er biathlon mee, een onderdeel van de
spelletjesreeks Olympic Winter Games.
(Ik had virtuele kasten kunnen vullen met gouden medailles die ik daarmee heb
gewonnen. ) Je kon de Commodore ook aansluiten op je tv-scherm beneden en daar getweeën
metjoysticks goed zichtbaar op het
tv-scherm ijshockey spelen.
Toen al
bleek dat de zonen computerdeskundigen in de dop waren. Binnen de kortste keren
wisten ze alles tien keer beter dan hun vader. Zo gaat dat meestal met vaders
en zonen.
Momenteel
barst het bij ons thuis van harde en softe waren. Veel zaken die helemaal niet
zo onmisbaar zijn als ze lijken. En daar bovenop komt het gevoel dat we, gezien
de onophoudelijke snelle ontwikkeling, ergens toch de boot missen.
Misschien
wordt het tijd voor een retraite. Een vastenvrijdag mét vis en zónder computer.
Of een digitale ramadan? Overdag je weblogje schrijven met pen en inkt en een
bijbehorende foto schieten met je oude vertrouwde analoge camera. Het geheel s
avonds na zonsondergang, feestelijk met een glaasje wijn of een pintje bier,
digitaal versturen. Of schiet je daar ook niets mee op?
Tijdens de kerkdienst verlaat de priester of de dominee soms
voor even het altaar om de preekstoel te beklimmen. Dat gebeurt meestal met
behulp van een trapje. Vanaf de preekstoel heeft de predikant een vrij uitzicht
over de gelovigen daar beneden. En vanaf deze hoogzit, ook wel kansel genoemd, spreekt
hij het volk toe en verkondigt hij het Evangelie.
Als je het hebt over religieuze boodschappen, spreek je van
een kansel. Ik spreek in dit verhaaltje over de preekstoel in de betekenis van
meubelstuk. De mooie, stokoude, houten preekstoel in onze dorpskerk staat op
een strategische plaats: alle ogen zijn op hem gericht. Het lijkt
meubelblasfemie, maar zo bedoel ik het niet: de preekstoel is net een grote
bloempot op een poot. Maar dan anders. Je komt er via een wankel, smal trapje.
Het deurtje is ingebouwd in de rand en je doet hem open door de rand even op te
klappen. (Hoe vaak heb ik niet een gastpredikant, al wurmend met het deurtje,
tevergeefs zien proberen in de preekstoel plaats te nemen! Maar altijd was daar
een koster die zo goed was om het preekstoeldeurtje voor hem te openen.) Aan de
achterwand van het spreekgestoelte is een zitbankje bevestigd, zodat de predikant af en toe een
time-out kan nemen. Op de grond ligt een heel klein houten pallètje. Dat wordt
gebruikt bij predikanten van gering postuur. Kunnen ze zich groter voordoen dan
ze zijn. Komt pater Hieronymus met zijn twee meter ons toespreken, dan haalt de
koster van tevoren de pallet weg.
Op de brede rand van de preekstoel liggen alle attributen
die een prediker nodig heeft. Aan onze preekstoel is een prachtige koperen
lezenaar bevestigd waarop een even prachtige Statenbijbel ligt. Sinds jaar en
dag is deze statenbijbel opengeslagen bij het bijbelboek Jeremia. (Hoofdstuk
16, maar ik kan me vergissen.) De laatste keer dat ik deze statenbijbel zag,
was hij bedekt met doorschijnend plastic, waarschijnlijk om hem te beschermen
tegen voorgangers die met consumptie prediken. Dat nu vind ik grote onzin. Een
Boek dat sinds eeuwen bestendig is tegen alle aanvallen van buiten en alles met
glans en gloria overleeft, kan toch wel tegen een beetje vocht?
Ten slotte nog twee technische verworvenheden. In de eerste
plaats het orgelknopje. In onze kerk kan de dienstdoende predikant de organist
niet zien en hij moet daarom op een knopje drukken om deze (de organist dus) te
vragen te beginnen te spelen. Ook zien we bij tijd en wijle een microfoon.
Onder ons gezegd en gezwegen, het is altijd hommeles met de geluidskwaliteit
van de woorden die de voorganger uitspreekt. Of het piept en kraakt, of het
galmt je de luidsprekers uit en je oren in. En een loopmicrofoontje om iemands
nek is in de eerste plaats geen gezicht en het helpt bovendien geen zier.
Kortom, er zit niets anders op dan te doen wat predikanten in onze dorpskerk
eeuwen hebben gedaan: preken met de eigen stem zonder enige vorm van
elektronische geluidsversterking.
Hoe weet jij dat allemaal? vraagt u. Je beschrijft het zo beeldend dat
wij denken dat het geen fantasie kan zijn. Beste lezer(es), u moet weten dat vroeger
bij ons thuis een sleutel van de kerk aan de kapstok hing. Heel vaak heb ik
stiekem en ongevraagd de sleutel gepakt en de kerk talloze malen min of meer
clandestien bezocht. Er is geen plekje in de kerk waar ik niet ben geweest.
Vaak stond ik in mijn eentje in de doodstille kerk op de preekstoel en sprak
onhoorbare woorden tegen een onzichtbaar kerkvolk dat ademloos luisterde.
Dus daarom weet ik alles. Het is wel lang geleden, maar met
mijn geheugen is niets mis. Ik ken ook nog een toepasselijk afsluitend
aftelversje in dialect. Dat gaat zo:
De (wilde) planten die u hieronder
ziet, zijn witte dovenetels. Je hebt ook gele, maar eerlijk gezegd vind ik witte
mooier. De bloemen zijn ware kunstwerken. Het lijkt wel of een capuchon de
kostbare meeldraden en stamper beschermt tegen de regen. Vaak zie je een hommel
landen op het platform, zich vervolgens naar voren en naar binnen bewegen teneinde
zoete stoffen uit de bloem te peuren. Als hij even later weer opduikt, schudt
hij even het overtollige stuifmeel van zich af, net als een hond de regen. En
daarna meteen door naar de volgende.
Ook de tweede foto heeft de
witte dovenetel tot onderwerp. Alleen heeft hier het wit een wat bruinige
bijtoon gekregen. Ook het groen is niet zo sprankelend meer. U ziet hier een
blad uit mijn herbarium. En voor iedereen die vergeten is wat ook al weer een
herbarium was, zeg ik nog even dat het een album met losse bladen is waarin
gedroogde planten en bloemen bewaard worden. Het is een heel apart fotoblad:
uit het album gehaald en toen gescand.
Deze dovenetel is ruim
vijftig en dat is voor een plant, zelfs voor een gedroogde,buitengewoon oud. Maar hij houdt zich
voortreffelijk in mijn herbarium. Kroon en kelk zijn weliswaar enigszins
verfrommeld, maar de zaagtandjes aan de rand vanhet blad zijn nog gemakkelijk te tellen. In
opdracht van een leraar biologie is deze dovenetel verzameld, gedroogd,
opgeplakt en bewaard: zo'n halve eeuw geleden. Behalve de datum is de
eigen- en familienaam, zowel in de landstaal als in het Latijn, vermeld. Jammer
is alleen, dat er niet méér bijgeschreven is. Maar niets let mij om dat alsnog te doen. De volgende extra-
informatie wordt aan het doveneteldossier toegevoegd:
* Gevonden langs de berm van
de weg.
* Op 100 meter van het huis
van de familie van der K.
* Wanneer gevonden? Op een
vrije woensdagmiddag, om drie uur.
* Er stonden er nog meer. De
mooiste heb ik uitgestoken. De overige laten staan.
* Het was mooi weer. Droog.
Zacht voor de tijd van het jaar.
* Opdracht van biologieleraar
meneer de Vries. Inleverdatum van het herbarium (met minimaal 50 planten) 1
juni.
* Tenslotte het herbarium
sluiten. De linten knopen en strikken. Het geheel goed bewaren tot de jongste
dag.
Weet je nu wanneer je moet drukken? vraagt mijn moeder
terwijl ze op het belletje wijst. Ik knik van ja en ga op het hoekje van de
kunstleren bank zitten, vlakbij de chauffeur en vlakbij het belletje. In de
spiegelende voorruit zie ik een vijfjarig verlegen jongetje, op weg naar zijn
tante vijf kilometer verderop, dat met een druk op het belletje de buschauffeur
zal vragen hem er de volgende halte uit te laten.
Eigenlijk is mijn tante Dina geen tante, maar een oudtante.
Ze is een zuster van mijn grootvader, dus een tante van mijn vader. De
familierelaties zijn wat ingewikkeld en ik kom er niet goed achter hoe alles
precies in elkaar zit.
Mijn tante Dina komt oorspronkelijk uit Duitsland, uit
Pruisen beter gezegd. De boerderij waar ze opgroeitligt een paar kilometer over de grens.
Honderden jaren hebben mannen en vrouwen elkaar over en weer elkaar gevonden;
de grens speelt alleen een papieren rol. Voordat tante Dina met haar Hendrik
trouwt en in Holland gaat wonen, laat ze een fraai statieportret maken in
Bocholt (Westfalen). Althans, dat staat op de foto die ik voor u heb gescand.
Dina en Hendrik krijgen drie dochters. Groot is hun verdriet
wanneer hun oudste dochter aan tbc sterft. Weet je wat, zegt mijn moeder, op
mij wijzend, hij kan wel een paar maanden bij jullie logeren. Dan heb je wat
afleiding.
Ik voel mij thuis bij mijn tante Dina. Geen wonder, want ik
word schandalig verwend, daar bij al die tantes. Als de dag van gisteren
herinner ik mij de stem van tante Dina als ze me in haar duits-hollandse
mengelmoesdialect tijdens het eten vraagt:Jóngen, langt mi-j dn telder s an. (Jongen, geef mij het bord eens
even.) Op weer een andere foto ziet u tante Dina met haar beide dochters.
De nog inwonende volwassen dochters Hanna en Jetta noem ik
voor het gemak ook tante. Maar ook andere vrouwen die op bezoek komen, zoals de
buurvrouw die ik met tante Nagel aanspreek. Bestaan er ook vrouwen die geen
tante zijn?
Met ooms is het niet anders gesteld. Hendrik, de echtgenoot
van mijn tante Dina, die niet mijn tante is, maar mijns vaders tante, noem ik
oom Hendrik, terwijl hij niet mijn oom is. En op een drukke verjaardagsvisite
zegt tante Hanna, dus een nicht van mijn vader, op de mannen onder de gasten
wijzend, tegen mij: Geef die ooms ook maar even een hand.
Vijf maanden duurt dit nostalgisch paradijs, van november
tot maart. Ik eet elke morgen de spekpannenkoek die mijn tante Dina voor mij
bakt. En nog steeds geloof ik dat het spekhuusken, het stukje deeg waarin het
spek zich onder het bakken al krullend omdraait, het lekkerste is dat ik ooit heb
gegeten. s Avonds om half negen is er pap. Iedere avond, vóór het naar bed
gaan.
Overdag help ik mijn tantes met kleine klusjes. Ik veeg het
erf en s zaterdags poets ik een rij zwarte schoenen. Ik zie toe hoe tante
Hanna als een volleerde slager een konijn de huid afstroopt. Bij het
varkensslachten in november roer ik met een houten stok in een emmer met bloed.
Mijn tante Dina zal daar later eigenhandig haar ongeëvenaarde bloedworst van
maken. De slachter, iemand uit de buurt, spoelt de varkensblaas uit in het hete
water en blaast er vervolgens lucht in door een rietje. Een halve dag wordt
ermee gevoetbald op het erf.
Op zondag ga ik met tante Hanna naar de kerk. Schrijlings zit
ik op de bagagedrager van haar fiets. Jongen, pas op dat je je voeten niet
tussen de spaken krijgt! Nu nog staan de afdrukken van de drager in mijn
achterwerk.
Op een doordeweekse dag in maart haalt mijn moeder me bij
mijn tante Dina op. Staande langs de kant van de weg steken we onze hand op om
de buschauffeur te waarschuwen dat we ook nog mee willen. Een nieuw tijdperk
staat op punt van beginnen. Op 1 april begint het eerste leerjaar van de lagere
school.
Altijd wanneer ik een kookboek opensla moet ik aan de
aanvoegende wijs denken, hoewel die op
zich niets met koken of kokkerellen te maken heeft. Het komt door de
bijzondere manier waarop kookboekenschrijvers vroeger een recept begonnen. Neem
de vroeger zo populaire turfjes:
gebakken reepjes brood, vooraf geweekt in een mengsel van ei en melk.
Men neme .. drie
eieren, een snufje zout, vier sneetjes bruin brood, een vleugje peper en één
deciliter niet-volle melk. Zo ongeveer staat het in de zoveelste druk van
het Amsterdamse huishoudschoolkookboek. Die eieren en die halfvolle melk
interesseren mij verder niet, het gaat nu even om het rare woord neme. Het hoofd der school heeft het
onderwerp behandeld toen ik in de zesde klas zat. Ja, toen leerde je op de
lagere school al verschillende wijzen: de aantonende, de gebiedende en de
aanvoegende wijs. Men neme, lang leve de koningin, wat de toekomst
brengen moge. Van die wijzen.
De aanvoegende wijs heeft altijd iets geheimzinnigs. Zij
zit, als ik het tenminste goed heb onthouden, zon beetje tussen de aantonende
en de gebiedende wijs in. Neem nou de zin: Jaap pakt een ei uit het treefje.
(U kent een treefje: zo'n kartonnen eierbewaardoosje.) Dat zie je vóór je, het is als het ware een voorstelling, een performance, het is een zin in de
aantonende wijs. En als Jaap het vertikt, zegt zijn wederhelft: Jaap, pak als
de wiedeweerga een ei uit het treefje! Ze vraagt het niet vriendelijk, ze
beveelt het op luide toon, ze gebiedt. Dus is het een zin in de gebiedende
wijs.
Bij een aanvoegende wijs, zei de meester, moet je denken aan
een goede raad, aan een voorstel, aan een welgemeend advies. Als je in het
kookboek men neme een ei leest, dan
bedoelt de schrijfster te zeggen dat men er verstandig aan doet een ei uit het
treefje te pakken.
Het ongemak waarmee wij een aanvoegende wijs tegemoet
treden, heeft ook te maken met het toegevoegde onderwerp men. Men neme (drie
eieren), men schrijve (zijn eigen naam, foutloos indien mogelijk), men spreke
(het liefst zonder consumptie), men leze (dit verhaaltje er nog maar eens goed
op na). De meester zei: stam plus e. En bij navraag bleek dat te kloppen. Nemen is het werkwoord, neem is de stam, neme is de aanvoegende wijs. Horen is een werkwoord, hoor is de
stam en wie oren heeft om te horen, hore wat er gezegd wordt. Gebeure wat
gebeurt en kome wat komt.
Een tijdje geleden, bij het koffiedrinken op het
achterterrasje, in mijn werkplunje gezeten in het zonnetje, stopte ik een
stukje Deventer ontbijtkoek tussen mijn klompen. Zomaar, in een losbandige bui,
van de weeromstuit. Tegen het kleine, jongekrieltje dat poolshoogte kwam nemen, even later gevolgd door haar broertje,
zei ik het volgende. Men kijke eerst goed om te zien of het wel koek is en
niet iets anders. Daarna bukke men zich voorover en pikke behoedzaam het stukje
koek tussen de klompen vandaan. Daarna slikke men het stukje koek smakelijk
weg. Tenslotte ga men over tot de orde van de dag. Gaan is het werkwoord, ga is
de stam, maar deze aanvoegende wijs krijgt geen e. Jammer, maar helaas.
Al zeg ik het zelf: ik heb een goed geheugen. Weliswaar is
het overdreven om van een geheugen-als-een-pot te spreken, want daarvoor
vertoont de geheugenklei waarin mijn herinneringen zijn opgeslagen recentelijk
teveel scheurtjes.Zo kon ik laatst met
geen mogelijkheid een naam bij een bekend gezicht bedenken. En ook ontviel mij
op een ongelegen moment de titel van een lied. Terwijl toch zowel naam als
titel al die jaren daarvoor op afroep beschikbaar waren.
Maar ik dwaal af. Ik wilde u eigenlijk vertellen dat ik mij
uit de eerste jaren van mijn leven nog veel kan herinneren. Bijvoorbeeld dat in
de tuin naast de onze vroeger tabak werd verbouwd. Ik moest eraan denken toen
ik laatst een interessant artikel las over tabaksteelt in Nederland. In de jaren
in en na de oorlog (ik bedoel WO II en niet de Boerenoorlog of de
Vietnamoorlog), toen buitenlandse tabak een schaars goed was, werd in de tuin
van de buren tabak aangeplant. Na het oogsten van de bladen moest je met een
scherp mes een sneetje maken in de brede nerf aan de voet van het blad. Daar
doorheen kwam een ijzerdraadje.Vervolgens werden de tabaksbladeren aaneengeregen en op de grote zolder
ter droging opgehangen. Samen met de bijbehorende geur is het beeld van de rij
tabaksbladeren voor altijd in mijn geheugen geprent.
Het gebeurde ook in die dagen dat mijn latere schoonvader,
een eenvoudige Achterhoekse boer met een groot technisch vernuft, een
machientje maakte om eigenverbouwde tabak te snijden. Op een van de de fotos ziet u het
apparaatje. Het bestaat uit een buis waarin een zwengel draait. Aan het
uiteinde van de zwengel zit een rond stuk ijzer dat precies in de buis
past.De buis kan aan de andere kant met
het snijmes afgesloten worden. Het procédé is vernuftig door zijn eenvoud. Je
stopt een hoeveelheid gedroogde tabak in de buis, sluit de achterkant met de
schuif en draait langzaam de zwengel aan. De tabak wordt in elkaar geperst. Als
u het snijmes omhoog beweegt, zoekt de tabak die zich het dichtst bij de
uitgang bevindt een uitweg en treedt naar buiten. Je beweegt dan het snijmes
naar beneden en snijdt kleine krulletjes tabak af.
De materie rechts beneden is geloof het of niet -tabak uit de jaren vlak na de oorlog. Die
hebben wij bewaard. Geur en smaak zijn verdwenen en als je de tabak in je handen
wrijft , blijft er alleen tabaksstof over dat wegwaait in de wind.
Hoe de tabak geconsumeerd werd, weet ik niet precies. Het is
niet waarschijnlijk dat er sigaren van werden gemaakt. Dat vraagt toch een
specifiek vakmanschap. Ik weet wel dat sommigen de tabak in een pijp rookten.
Je ziet het voor je:twee mensen bij
elkaar. Zegt de een tegen de ander: hier, stop nog maar eens een pijpje van ons
merk Eigenbouw.
---------------
Op de andere foto ziet u een deel van de ruimte waarin wij onze tabakssnijder bewaren. Met aan de muur oud klompenmakersgereedschap. Op de achtergrond onze stenen broodbakoven.
Zelf woon ik al ruim dertig
jaar in een meer dan honderd jaar oud boerderijtje ergens op het Achterhoekse
platteland. In Gelderland dus, oostelijk Nederland. Mijn vrouw woont er nog
veel langer: zij is er geboren en getogen. De boerderij heeft geen beschoten
kap en we hebben tot dusver ook geen tijd, geld en zin gehad om het dak te
beschieten. In donkere nachten is het dus mogelijk, over de zolder lopend, door
het pannendak heen de Poolster te zien, als u tenminste het sterrenbeeld kent
waar de Poolster deel van uitmaakt. Zon min of meer open constructie leidt wel
eens tot de aanwezigheid van ongenode gasten. Zo hebben wij enkele jaren
geleden het genoegen gesmaakt een compleet volk hoornaars op onze open zolder
te herbergen. In de voorzomer heeft de koningin de locatie geïnspecteerd en in
orde bevonden. En in de maanden daarna heeft haar volk nijver gewerkt aan een
nest van papier (gekauwd hout) dat langzamerhand in de nok van het zolderdak
zichtbaar werd.
Hoornaars (of hoorntjes)
behoren tot de familie van de wespen
(Vespa cabro).Als u zoals ik niet beter weet, denkt u dat
het een groot soort hommel is. Het zou best eens kunnen dat een steek, hoewel
misschien niet meteen dodelijk, zo gevaarlijkis dat u beter niet met hen van doen kunt hebben. Mijn vriend, B.D. te
V., imker en groot kenner van al het rondvliegend insectengespuis, verzekerde
mij dat ik koningin en volk rustig met rust kon laten. Dat heb ik gedaan. En
inderdaad: de hoornaars hebben zich dat zomerseizoen voorbeeldig gedragen. Via
vaste routes kwamen en gingen zij. Van hun mogelijkheden om aanvallers met
gerichte steken buiten bedrijf te stellen hebben zijalthans wat ons betreft geen gebruik gemaakt.
In de loop van het seizoen werden het vertrouwde huisdieren.
De werksters onder de hoornaars hebben de gewoonte om zich bij het begin
van de winter af te scheiden van het levende deel der schepping. Zij verwisselen het tijdelijke voor het eeuwige en gaan dood. Behalve de
koningin: die overwintert en sticht het jaar daarop een nieuw volk. Nu wil het
geval dat, ergens in november, het lege hoornaarsnest zich heeft losgemaakt van
de daknok en op de zachte isolatiedekens is gevallen die wij over de
nieuwgebouwde slaapkamers-op-zolder hadden gevleid. Zorgvuldig heb ik
hoornaarsnest met beide handen de trap af gedragen en buiten op een
tuintafeltje gelegd. Daar laat ik het u even zien: ruim veertig centimeter in doorsnede. Licht, fragiel,
architectonische meesterwerk, dat zijn de woorden die bij het nest passen.
Onbewoond nu, maar we blijven het bewaren.