Golfsurfen is het principe van voortstuwing op een plank door gebruik te maken van de golfslag van de zee. Tijdens een storm op de oceaan zal wind, dat over het wateroppervlak waait, de aanwezige rimpels verder versterken tot wat wij noemen golven. Er vindt dus een gedeeltelijke energieoverdracht plaats van wind naar golf (vloeistofdynamica). Dit wil dus zeggen dat naarmate de wind over het wateroppervlak blijft aangrijpen in de tijd, de golfenergie verder zal toenemen (=grotere golven). Zodra deze golven buiten het stormgebied verplaatsen zal een matige demping plaatsvinden door o.a. inwendige wrijving. Dergelijke golven noemt men ook wel deininggolven ofwel deining.
Als deze deining het ondiepe gedeelte van de kust tegemoet komt, zal de golf naarmate het ondieper wordt, steiler worden en uiteindelijke breken in de brandingzone omdat de golf zijn maximale steilheid (=golfhoogte/golflengte) heeft bereikt. Dit is het punt waar het golffront (=voorkant golf) dus het steilst is. Een golfsurfer gebruikt deze voorzijde om al staande een voorwaartse beweging te creëren.
Het golfsurfen is waarschijnlijk duizenden jaren geleden ontstaan in Polynesië. Deze sport is door de Polynesiërs meegenomen naar Hawaï en is daar bekend geworden bij het grote volk. Nu nog altijd wegens daar de grote golven.Vooral de Olympisch zwemmer Duke Kahanamoku heeft de sport enorm bekend gemaakt.
De sport is in de loop der jaren veel veranderd. De massieve balsahouten planken werden eerst vervangen door holle planken en vandaag de dag bestaat een plank uit polyurethaan of polystyreen schuim met daarom heen een glasvezeldoek en een kunsthars (polyester of epoxy) laag. Ook worden er kleinere boards gemaakt waardoor de bewegingsvrijheid enorm wordt vergroot.
Stijlen
Er zijn verschillende surfstijlen, dit heeft te maken met de plank en de golven waarop gesurft wordt.
Judo (柔道 jūdō) is een van oorsprong Japansevechtsport die rond 1882 is ontworpen door Jigoro Kano. Het woord betekent 'zachte weg', waarbij het woordje do (weg) verwant is aan tao en naast de betekenis 'manier' ook de connotatie heeft van 'levenspad'. Een beoefenaar van het judo heet een judoka.
Opsomming van judotechnieken
Een hoofdindeling van de judopraktijk maakt onderscheid in
tachi-waza (staande technieken)
ne-waza (liggende technieken, grondgevecht)
Daarnaast dient de judoka goed de techniek van het ukemi-waza valbreken te beheersen.
De diverse gevechtstechnieken van judo worden verdeeld in:
nage-no-waza (werptechniek, worpen)
katame-waza (insluittechniek)
atemi-waza (aanvalstechniek op het lichaam)
Nage-waza
De verschillende worpen kunnen ingedeeld worden als:
De technieken zijn erop gericht een tegenstander buiten gevecht te stellen zonder hem te verwonden. Slaan, stoten en schoppen zijn in de judocompetitie verboden, maar deze technieken worden wel aangeleerd bij de hogere graden, om de ontstaansgeschiedenis van judo beter te begrijpen maar in het begin zijn ze te gevaarlijk voor de jonge judoka's.
Geschiedenis
Jigoro Kano had bij het ontwerpen van de sport, die ontleend is aan oudere verdedigingskunsten als jiujitsu, ook nadrukkelijk een training van de geest voor ogen. Zijn filosofie wordt gekenmerkt door twee begrippen:
Seiryoku Zenyo (Maximale effectiviteit met minimale inzet): wat een persoon doet, moet met optimale inzet van geestelijke en lichamelijke energie gebeuren. In het judo leert men de kracht van de tegenstander te gebruiken om hem ten val te brengen. In het leven is dit het principe van de juiste dingen doen op het juiste moment.
Jita Kyoei (Wederzijds profijt en welbevinden): de spelers dienen respect te hebben voor zichzelf en voor anderen. Bij het beoefenen van het judo leren ze samen te werken om zich de vaardigheden eigen te maken. Zonder tegenstander om mee te judoën kan men de sport immers niet leren; men werpt zelf en wordt op zijn beurt geworpen. Deze opvatting van samenwerkend leren is ook in andere gebieden van het leven geldig.
Traditie
Judoka's dragen een witte katoenen broek (zubon) en een jas (kimono) die door een band (obi) bijeen wordt gehouden. Het geheel noemt men dit een judogi. Tijdens wedstrijden van hoog niveau, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Kampioenschappen, draagt de ene judoka een wit pak en de andere judoka een blauw pak. Door dit onderscheid is deze dynamische sport beter te volgen voor het publiek en de scheidsrechters. De meisjes dragen een wit T-shirt onder de kimono. Judolessen beginnen in geknielde houding waarbij de leraar tegenover de rij leerlingen zit en ze op het commando rei (groeten) ceremonieel naar elkaar buigen om wederzijds respect uit te drukken. De judomat heet tatami.
Graduatiesysteem van judo
Graad
Kleur
Naam
6e Kyu
wit
rok-kyu
5e Kyu
geel
go-kyu
4e Kyu
oranje
yon-kyu of shi-kyu
3e Kyu
groen
san-kyu
2e Kyu
blauw
ni-kyu
1e Kyu
bruin
ichi-kyu
1e Dan
zwart
sho-dan
2e Dan
zwart
ni-dan
3e Dan
zwart
san-dan
4e Dan
zwart
yon-dan
5e Dan
zwart
go-dan
6e Dan
zwart (rood-wit)
roku-dan
7e Dan
zwart (rood-wit)
shichi-dan (nana-dan)
8e Dan
zwart (rood-wit)
hachi-dan
9e Dan
zwart (rood)
ku-dan
10e Dan
zwart (rood)
ju-dan
11e Dan
wit (brede band)
juni-dan
De kleur van de band geeft de graad van gevorderdheid in het judo aan; een beginner heeft een witte band, waarna geel, oranje, groen, blauw, bruin en zwart volgen (de kyu-graden, die van hoog naar laag genummerd zijn een hoge graad heeft een laag nummer). De wachttijd tussen kyu's bedraagt minimaal zes maanden. Tussen 1e kyu en 1e dan is de wachttijd minimaal een jaar. Hoe hoger de dan, hoe langer de wachttijd.
Voor kinderen en jonge judoka's tot 12 jaar is er nog een onderverdeling waarbij aan een band een andersgekleurde slip kan zitten om aan te geven dat de beoefenaar tussen de gedragen band en de volgende in zit. Tussen de meestergraden (zwarte banden; dangraden) is het onderscheid te zien aan witte streepjes dwars op het uiteinde van de zwarte band.
Alle judoka's moeten lid van nationale judovereniging en bezitten ook een judopaspoort voor wedstrijden en examens.
NB 1: het systeem van gekleurde banden is een westers systeem. In Japan heeft men de indeling: wit(6e t/m 4e kyu) - bruin (3e tot 1e kyu) - zwart. NB 2: een judoka moet voor zijn zwarte band een examen afleggen en aan wedstrijden meedoen waarin danpunten kunnen worden behaald. Bij 100 danpunten krijgt men vrijstelling voor kata. Alle kandidaten moeten hun vaardigheden bewijzen. Vroeger kregen judoka's die geen wedstrijden hadden gedaan een zwarte band met een witte streep in de lengte, in plaats van een geheel zwarte band. Daar vrouwen in die tijd geen wedstrijden mochten spelen, werd deze band al snel een 'vrouwenband' genoemd. Deze punten worden in een judopaspoort geregisteerd.
De kyu-examens worden afgenomen door de judoclubs. 1e t/m 3e dan-examens worden afgenomen door regionale examencommissies. Alleen 4e en 5e dan-examens worden afgenomen door landelijke examencommissies. De kandidaten van 4e of 5e dan worden beoordeeld door de meesters die 6e of hogere dan hebben. Dangraden boven 6e dan worden meer op grond van verdiensten voor de judosport dan voor exceptionele bekwaamheid in het uitvoeren ervan toegekend. Bij de 6e, 7e en 8e dan is er een roodwitte band, bij de 9e en 10e dan een rode band. Deze behaalde banden worden in een judopaspoort afgetekend.
Tot nu toe is de 10e dan toegekend aan slechts 17 judoka's in de hele wereld. De meeste 10e danhouders zijn Japanners. Slechts een Nederlandse en een Britse judoka zijn in het bezit van deze dangraad. Op 8 januari 2006 werden drie nieuwe 10e danhouders verkozen door de Kodokan, dit was voor het eerst in 22 jaar. Jigoro Kano verkreeg na zijn dood de hoogste graad, de 11e dan, een brede witte band.
Wedstrijd
In wedstrijden worden, naar idee van Anton Geesink, ook wel een blauw en een wit judopak gebruikt omdat de scheidsrechter dan tijdens het gevecht beter kan zien welk lichaamsdeel bij welke sporter hoort. Bovendien is het op film en tv allemaal veel duidelijker. Bij kleine wedstrijden wordt een rode en een witte band gebruikt.
Het judoën wordt gedaan op een mat of tatami die enigszins meegeeft, zodat zelfs als men er krachtig op geworpen wordt er meestal geen letsel ontstaat. De techniek van het 'breken' (verzachten) van de val, van zowel het eigen lichaam als die van de tegenstander, is een belangrijk onderdeel van judo.
Doel van het spel is om de tegenstander in volle vaart plat op de rug te gooien. Als dit lukt, is het gevecht direct afgelopen. De scheidsrechter geeft hiervoor ippon. Ook een gevecht afmaken met een verwurging, armklem of een houdgreep (een controletechniek die je 25 seconden vast moet houden) levert een ippon op. Omdat dit doel heel moeilijk te verwezenlijken is, zijn er scores voor worpen die niet perfect lukken, of houdgrepen die korter duren dan 25 seconden.
Een worp waarbij Uke (degene die gegooid wordt) op de billen landt, geeft koka. Bij een val op de zijkant van het lichaam krijg je yuko en net niet perfect is waza-ari. Een tweede waza-ari staat gelijk met een ippon en beëindigt dus ook de wedstrijd. Wanneer binnen een afgesproken tijd (maximaal 5 minuten) geen van beide judoka's een ippon heeft gemaakt, wordt de winnaar bepaald aan de hand van de volgende criteria:
indien een van beide judoka's een waza-ari heeft gemaakt, wint hij de wedstrijd, ongeacht het aantal yuko's en koka's
indien het aantal waza-ari's gelijk is voor beide judoka's, wint de judoka met de meeste yuko's, ongeacht het aantal koka's
indien het aantal waza-ari's en yuko's voor beide judoka's gelijk is, wint de judoka met de meeste koka's
indien het aantal waza-ari's, yuko's en koka's gelijk is, begint de wedstrijd opnieuw. Het scorebord wordt op 0 gezet en de tijd opnieuw ingesteld. Wie het eerste een resultaat maakt wint. Dit noemt men 'golden score'
wanneer het resultaat op het eind van deze golden score partij nog steeds 0-0 is, dan wordt de winnaar aangewezen door de scheidsrechters
Straffen worden direct omgezet in punten voor de tegenstander. Je krijgt een kleine straf (shido) voor het riskeren van blessures, bij jezelf of bij je tegenstander, voor het verlaten van de gevechtsruimte, anders dan in het ontwijken van een aanval, of voor het 'vergeten' van het doel van het spel (het gooien van je tegenstander). Wie te veel bezig is met het verdedigen op de aanval van de tegenstander en niet probeert te gooien, krijgt een straf. Vier van die straffen leveren diskwalificatie voor die wedstrijd op.
Wie geen respect heeft voor de scheidsrechter of de tegenstander, of een techniek uitvoert waarbij de eigen nek-/ruggenwervels of die van de tegenstander in gevaar komen, krijgt direct han-soku-make (diskwalificatie). Dit is dus het einde van het toernooi voor deze persoon. Han-soku-make komt weinig voor.
Het gevecht vangt staande aan; de tegenstanders grijpen elkaar bij de jas, bij voorkeur een mouw en revers en proberen elkaar op de grond te werpen. De manier waarop de jas vastgepakt wordt, is erg belangrijk voor het gevecht en heel bepalend voor het verloop van de wedstrijd. Om een bepaalde worp perfect te kunnen maken, is een bepaalde 'pakking' nodig. Men vecht voor die pakking en probeert er tegelijk voor te zorgen dat de tegenstander zijn favoriete pakking niet kan maken. Als het goed is, ken je de specialiteit van je tegenstander. Het gevecht begint dus vaak met wat leken omschrijven als: dat gepluk.
Ook weet je van je tegenstander of je daarmee het grondgevecht wel aan moet gaan. Je weet dus of je een reële kans hebt om met een houdgreep, verwurging of armklem te winnen, of dat je meer kans hebt in het staande gevecht. Als je geen zin hebt in een grondgevecht, dan probeer je dit te voorkomen. Andersom zijn er ook technieken om zonder spectaculaire worp een grondgevecht aan te kunnen gaan. Voor publiek is dit gevecht minder spectaculair dan een staande partij en daarom wordt tegenwoordig het grondgevecht door de scheidsrechters veel sneller afgebroken dan een aantal jaar geleden. De meeste partijen worden derhalve staande beslist.
Ieder gevecht wordt beslist. Als de speelduur voorbij en de stand gelijk is, volgt er golden score. Is er na de tijd van de golden score nog geen winnaar, zal de hoofscheidsrechter de winnaar aanwijzen. Bij wedstrijden waar hoekscheidsrechters aanwezig zijn zal er door middel van het opsteken van een gekleurde vlag gestemd worden. En overeenkomstig de meerderheid de winnaar aangewezen worden. Tegenwoordig komen dergelijke situaties niet, of slechts zelden voor.
De sport wordt over de gehele wereld beoefend door jonge en oude judoka's en maakt deel uit van het olympisch programma. De meeste judoka's nemen nooit deel aan officiële wedstrijden en maken die alleen onderling tijdens de trainingen. Gehandicapte sporters zijn geïntegreerd, maar hebben wel hun eigen wedstrijdkalender.
De pedagogische waarden van het recreatief judo zijn aangetoond. Ook voor mensen met beperkingen kan het judo van waarde zijn. Een positieve effect is aangetoond voor (met name kinderen) met autisme en ADHD.
Darten of darts is een sport die gespeeld wordt met drie darts (pijltjes) en een dartbord. Een oude Nederlandse en in de Vlaamse spreektaal nog gebruikelijke naam van het spel is vogelpik (of vogeltjepik).
In 1908 wordt een Engelse kroegbaas voor de rechter gedaagd. In zijn café werd gedart en men dacht dat dit een kansspel was. In de rechtszaal hangt de kroegbaas een dartbord op en gooit drie pijlen in de 20. Vervolgens vraagt hij de rechters hetzelfde te doen, wat geen van hen lukt. De eerste officiële erkenning van darten als sport.
Nummering op het dartbord
Wie de ring met cijfers aan de buitenzijde van het dartbord nader bekijkt, zal zich er misschien over verbazen dat de cijfers zo door elkaar staan. Er zit schijnbaar geen logica in. Toch is het met opzet zo gedaan, darten is een sport waarbij je door je kansen te berekenen een ideale score moet zien te halen en dat kost een hoop rekenwerk. Als we de verdere vakverdeling van het dartbord bekijken wordt het al een stuk duidelijker.
De nummering van het dartbord is een vinding uit 1896 en staat op naam van de toen 44-jarige timmerman Brian Gamlin uit Bury. Het zou natuurlijk een stuk makkelijker zijn geweest als Gamlin de nummers in telvolgorde had geplaatst, maar dan zou er veel minder nagedacht hoeven te worden en dat is niet de opzet.
Wat opvalt als we met de klok mee steeds de punten van twee naast elkaar liggende vlakken optellen is, dat de som van deze vlakken schommelt tussen de 16 en 26. Wie op de 14 mikt, loopt weinig risico op een lage score. Een ideaal bed dus voor de nog niet zo trefzekere beginner: de scorekans is hoog, al zou de score hoger kunnen (als je op 20 gaat gooien, maar daar is de 1 en 5 het alternatief). Voor de beginnende gooier zijn er nog andere combinaties. Als je eenmaal zo je kansen gaat bepalen, ben je op weg een professionele speler te worden. In de meeste berekeningen die worden gemaakt ontdekken we dat de Bull en Bulls eye niet genoemd worden. Wel is het een feit dat de Bull de meeste scoringskansen biedt voor de onervaren speler.
De sportattributen
De baan
Voor een wedstrijdbaan is een minimale ruimte nodig met een lengte van 4 meter, een breedte van 3 meter en een hoogte van 3 meter. Thuis kan er ook met een kleinere ruimte worden voldaan. Het dartbord moet dusdanig worden opgehangen dat het midden van het bord 1,73 meter boven de vloer hangt. De afstand van de werplijn (oche) tot de voorkant van het dartbord bedraagt 2,37 meter. De oche moet minimaal 61 centimeter breed zijn. Naast het dartbord hangt vaak een scorebord. Verder moet er voldoende verlichting aanwezig zijn, op die manier dat er geen hinderlijke schaduw op het bord ontstaat als de darts in het bord zitten.
Het dartbord
Het wedstrijdbord dat tegenwoordig gebruikt wordt komt uit Londen. Het dartbord bestaat uit een ronde vezelplaat van 18 millimeter dik, waarop sisalvezelborsteltjes onder grote druk gelijmd en geperst worden. Het geheel wordt omlijst door een metalen band. Het bord wordt voorzien van een vakindeling door middel van verschillende kleuren. Vervolgens wordt er een metalen web op bevestigd dat diezelfde vakindeling heeft. Op de buitenzijde wordt een metalen ring aangebracht waarop volgens de vakindeling bepaalde cijfers zijn bevestigd. Deze ring is los te maken, zodat de cijfers ten opzichte van het bord verschoven kunnen worden. Het is de bedoeling dat het vak (bed) 20 middenboven zit. Op deze 20 wordt normaalgesproken het meest gegooid. Hierdoor zal de bodemplaat dan ook in dit vak het eerste kapot gaan. Elke dart die gegooid wordt tast de vezeltjes van het bord aan. Door de lijmlaag valt het bord niet uit elkaar, maar na verloop van tijd wordt op bepaalde plaatsen een opeenhoping van vezeltjes zichtbaar, in de vorm van bulten. Om dit te voorkomen dient het bord om de zoveel tijd gedraaid te worden, zodat het cijfer twintig weer boven een nieuw, minder gehavend bed staat. De 20 staat wel altijd boven een zwart bed. Velen denken nog steeds dat het een dartbord ten goede komt als het regelmatig nat gehouden wordt. Met de sisalvezelborden is dit echter beslist niet aan te raden.
Een dartbord
Puntentelling
Aan de buitenkant van het dartbord is een ring met getallen bevestigd. Dit geeft het aantal punten aan, voor een pijl in het desbetreffende vak. Deze vakken zijn echter onderverdeeld in nog een aantal kleinere vakken. De buitenste smalle ring van het bord is de double ring. De score van een dart in de double ring is twee keer het aantal punten dat bij het betreffende vak staat. De bredere ring die nu volgt, het bed, levert eenmaal het puntenaantal van het betreffende vak op. Dan volgt weer een smalle ring, de triple (of treble) ring. Dit levert drie maal het puntenaantal op. De volgende brede ring is weer een bed. Ten slotte is er in het midden de single bull en de double bull (bull's eye), respectievelijk 25 en 50 punten. Een dart in de buitenste zwarte rand (naast de double ring) levert geen punten op. Ook een bouncer, een dart die van het bord terugkomt heeft geen score tot gevolg.
De darts
Enkele darts en onderdelen daarvan
De darts zijn de pijltjes waarmee op het dartbord gegooid wordt. Een setje darts bestaat uit drie pijlen, en elke pijl bestaat uit vier onderdelen.
Punt (point)
De punt of point is van metaal en zit vastgeklemd in de barrel vanwege het taps toelopende gat. Bij het soft-tip darts is de punt van plastic. Deze punten zijn door de gebruiker zelf te vervangen, omdat de plastic punten snel kunnen afbreken.
Barrel
De barrel is het onderdeel dat de darter vasthoudt en bepaalt het gewicht van de dart. Er bestaan verschillende soorten 'grips': van heel veel profiel naar glad. Ook in breedte en lengte variëren barrels.
Shaft
De shaft is het onderdeel tussen de flight en de barrel. De lengte en het materiaal (meestal kunststof of aluminium) varieert.
Flight
De flight is de stabilisator van de dart. Flights variëren in lengte en breedte. Normaalgesproken heeft een flight 4 vleugels, maar tegenwoordig zijn ze er ook met 3 vleugels, de tri-fin.
De dart mag niet zwaarder zijn dan 50 gram en niet langer zijn dan 30,5 centimeter.
Spelverloop
Er zijn verschillende manieren om te darten, maar de bekendste gaat als volgt: elke speler krijgt 501 punten (dit kan in andere varianten ook 301, 701 of zelfs 1001 zijn) die hij/zij moet wegspelen door de om de beurt drie pijltjes te gooien. De speler moet precies op 0 uitkomen, de laatste beurt wordt niet meegerekend als het puntenaantal daarmee onder de 0 zou komen. De laatste pijl moet altijd een double zijn (dus de buitenste ring of de Bull's eye). Degene die als eerste op 0 uitkomt wint de game of leg. Zo kan doorgespeeld worden. Meestal wint diegene die als eerste drie legs wint, de set, soms wordt ook gespeeld met het twee legs is 1 set principe. De uiteindelijke winnaar hangt af van de afspraak: bij bijvoorbeeld een best-of-9-sets wint de speler die het eerste vijf sets wint.
Een andere bekende spelvorm, en zeker voor beginners interessant, is tac-tics. Hierbij moet iedere speler proberen zo snel mogelijk de getallen 10 t/m 20 en de bull drie keer te raken (dicht gooien). Punten kunnen gescoord worden voor iedere keer dat een speler een getal raakt nadat hij/zij dit getal dicht heeft gegooid en de tegenstander nog niet. De winnaar is degene die als eerste alle getallen heeft dichtgegooid en de meeste punten heeft. Bij grotere groepen kan dit spel ook met teams worden gespeeld, van bijvoorbeeld 2 of meer personen, of zelfs met meerdere teams, hoewel dan de punten moeten worden vervangen door strafpunten.
Dan zijn er verder nog minder bekende spelsoorten die als oefening of gewoon voor de lol gebruikt worden, zoals: follow me (of big 6), killers, cricket, etc.
Terminologie
Zoals bij elke sport heeft ook darten zijn eigen terminologie. Aangezien de oorsprong in Engeland ligt zijn alle termen Engels, hoewel er voor sommige wel Nederlandse vertalingen zijn.
Game bij 501, die met het minimum van 9 pijlen uitgegooid is.
Bed & Breakfast
Eén pijl in de single 5, één in de single 20 en één in de single 1.
Bottom of the house
Dubbel 3.
Bouncer
Dart die van het bord terugkomt en geen score tot gevolg heeft.
Bull('s eye) (of roos)
Midden van het bord; 50 punten.
Double (of dubbel)
De buitenste smalle ring van het bord en de bull's eye. Hierbij is de score het dubbele van het aangegeven getal.
Double Trouble
Het langdurig niet kunnen finishen op een dubbel.
Madhouse
Dubbel 1.
Matchdart
De dart die gegooid wordt, waarmee de wedstrijd kan worden gewonnen.
Maximum
Score van 180, het maximaal haalbare met drie darts.
Maximum finish
Hoogste uitgooi: 170 (T20, T20, bull's eye).
Robin Hood
Situatie waar de punt van een pijl in de flight van een andere pijl die al in het bord zit wordt gegooid (pijl op pijl). Dit is te vergelijken met de legende van Robin Hood die een pijl splijt met de volgende pijl die hij afschiet.
Shanghai
Een combinatie van een triple, een double en een single, alle drie van hetzelfde getal. Wordt meestal alleen gebruikt als term bij het getal 20. 120 wordt namelijk zo goed als altijd op deze wijze uitgegooid (shanghai 20).
Single
De 2e, 4e of 5e ring van buitenaf. Hierbij is de score gelijk aan het aangegeven getal. Voor de 5e ring (single bull) betekent dit 25 punten.
Tops
Dubbel 20.
Treble (of triple)
De 3e ring van buitenaf. Hierbij is de score het driedubbele van het aangegeven getal.
Bungeejumpen is een activiteit waarbij een persoon vanaf een zeer hoge positie springt, waarbij de voeten aan een elastisch koord zijn bevestigd. Als de persoon springt zal het koord uitrekken en de energie van de val opnemen. Na het bereiken van het laagste punt zal het koord zich weer snel samentrekken zodat de persoon weer omhoog vliegt. Het bungeejumpen wordt gerekend tot de risicosporten, waarin mensen doelbewust een kick zoeken.
In de jaren 1950 nam David Attenborough samen met een BBC filmteam opnames mee van het Pentecosteiland in Vanuatu waar jonge mannen van een hoog houten plateau sprongen met lianen aan hun enkels gebonden, als een bewijs van hun durf en moed. Deze gewoonte bestond daar al eeuwen, maar het is niet duidelijk of dit aan de bron heeft gestaan van de sport bungeejumpen.
De eerste bungeejump is uitgevoerd door de Dangerous Sports Club van de Universiteit van Oxford. De experimentele sprong werd uitgevoerd vanaf de 75 meter hoge Clifton hangbrug in Bristol, rond 1970.
De eerste commerciële uitbater van bungeejumpen was A.J. Hackett uit Nieuw-Zeeland, die zelf in 1986 zijn eerste sprong maakte vanaf de Greenhithe Bridge in Auckland. In de jaren daarna sprong hij onder andere van de Eiffeltoren, waarmee hij veel belangstelling wekte.
Ondanks het gevaar van het springen van grote hoogte, hebben verscheidene miljoenen bungeejumps plaatsgehad sinds 1980. Er hebben echter ook verschillende dodelijke ongevallen plaatsgehad. De meest gemaakte fout is een te lang koord te gebruiken. Het koord dient behoorlijk veel korter te zijn dan de hoogte waarvan wordt gesprongen, omdat het koord immers flink uitrekt. De vergissing die gemaakt kan worden komt door het misverstand dat een bungeejumper af remt als hij zijn normale lengte bereikt. Dit is onjuist. Door de versnelling van de zwaartekracht gaat de persoon steeds sneller vallen. Op het moment dat het koord zich gaat strekken is de terugwerkende kracht echter nog zeer gering (zie de Wet van Hooke). Deze kracht neemt langzaam toe, en het duurt enige tijd voordat deze kracht gelijk is geworden aan het gewicht van de springer.
De hoogste sprong is te maken in Zuid-Afrika, waar men zich in Plettenberg Bay van de 216 meter hoge Bloukrans Brug naar beneden kan werpen.
Variaties
Er zijn verschillende varianten op het bungeejumpen.
Bij de "Catapult" begint men op de grond. Het koord wordt gespannen en men schiet de lucht in zodra men wordt losgelaten
De Twin Tower is soortgelijk, maar met twee schuine koorden.
Bowling, ontstaan uit het aloude spel kegelen, is een sport waarbij de speler door middel van een bal moet trachten tien kegels (in de bowlingsport pins genoemd) omver te gooien.
Spelregels
De bowlingbaan bestaat uit gepolijst hout of kunststof, de baan is tussen de foul line en de eerste pin, ook wel headpin genoemd, 18,3 meter lang en is 1,05 meter breed. De 10 pins (38,1 cm hoog) worden op het einde van de baan in een driehoek opgesteld. In de bowlingbal zitten vingergaten voor een goede greep, hij heeft een doorsnede van 21,6 centimeter. Een bowlingbal kan verschillende gewichten hebben: tussen 6 en 16 lbs (pond).
Elke speler speelt 2 ballen na elkaar (een frame), uitgezonderd bij een strike, dan worden de pins allemaal in 1 worp omver gegooid. Als je erin slaagt om de 10 pins om te gooien in twee beurten dan heb je een spare gegooid. Een spel (game) bestaat uit 10 beurten (frames). Elke omver geworpen pin levert 1 punt op. Als men een strike geworpen heeft krijgt men de punten van de twee worpen erna bij de tien punten van de strike zelf. Zo kan een strike je dus 30 punten opleveren als je nog twee strikes na de eerste gooit. Bij een spare komt er maar 1 worp extra bij. Een spare kan dus maximaal 20 punten opleveren. Als je op de tiende beurt een strike of een spare gooit krijg je respectievelijk twee of één extra beurt om de extra punten voor de strike of spare te kunnen verdienen. Deze punten tellen dan maar alleen bij de strike of spare mee en worden niet nog eens extra bijgeteld. Op deze manier kan je dus 12 strikes gooien in 1 spel. Iemand die dit kan heeft een "perfect game" gegooid. Een perfect game is 300 punten (10 x 30) want de laatste twee strikes tellen enkel bij de tiende strike mee en niet nog eens extra.
Bowling wordt in Europa en Amerika veel beoefend als recreatie. Bowling is ook een sport. In Nederland en België wordt de sport meer en meer in competitie gespeeld. In Amerika bestaan er ook scholen om bowlingles te volgen.
Bowlingjargon
Arrows: de pijltjes op de baan waarop gemikt kan worden.
Dots: de rondjes op de approach waar je je beginpunt kunt bepalen maar ook de rondjes op de baan zelf waarop ook gemikt kan worden.
Pins: misschien beter bekend als kegels, de pins zijn afgebeeld op de afbeelding hieronder.
Headpin of Kingpin aanduiding voor kegel(pin)1.
7 8 9 10
4 5 6
2 3
1
Frame: een serie van 2 worpen.
Game: een serie van 10 frames.
Spare: het omverwerpen van alle 10 pins in 2 worpen, in 1 frame.
Strike: het omverwerpen van alle 10 pins in de 1e worp, in 1 frame.
Approach: de aanloopzone.
Foul line: de lijn tussen aanloopzone en bowlingbaan.
Pocket: voor linkshandigen: kegel 1 en 2. Voor de rechtshandigen kegel 1 en 3.
Brooklyn:voor linkshandigen kegel 1 en 3. Voor rechtshandigen kegen 1 en 2.
Backswing: de beweging die men maakt om de bowlingbal los te laten op de baan; de arm wordt naar achteren gebracht en dan terug naar voren.
Release:het punt in je beweging waar je de bal loslaat.
Indiaantje: twee pins achter elkaar.
Split: wanneer twee pins ver van elkaar staan, moeilijk om te sparen. De moeilijkste is de 7 - 10 split.
Goot: gedeelte naast de twee zijkanten van de bowlingbaan, deze is best te vermijden
Het "in komen" van de bal: Iedere bal heeft een bepaald hoekpunt dat ervoor zorgt dat de bal op het droog gedeelte van de baan begint te reageren. Hoe groter het hoekpunt hoe meer uw bal "in komt".
Aanloop: de stappen tot aan de foul line alvorens de bal los te laten verschilt van 3 tot 5, al te zien hoe hoog of laag je de bal houdt.
Perfect game: een aaneengesloten serie van 12 strikes in één game; resulterend in de maximale score van 300 punten.
Baancondities
Droog: als er weinig of geen olie op de bowlingbaan is.
Nat: als er (te) veel olie op de bowlingbaan is.
Trivia
Hoewel ze zwaar zijn, drijven sommige bowlingballen toch. Dit komt door de dichtheid van de bal, die kleiner is dan die van water. Door het grote volume drijft zo'n bal dan toch.
Badminton is een sport die wordt gespeeld met rackets en een shuttle. De shuttle, die kan zijn gemaakt van nylon of van veren, wordt over een net heen-en-weer geslagen met de rackets.
Badminton wordt in een zaal gespeeld zodat er geen hinder van wind is.
Er zijn verschillende vormen: mannen/vrouwen singles, gemengd dubbel en mannen/vrouwen dubbels
Algemene spelregels
Speelveld
Een partij badminton bestaat uit twee winnende games. Wie twee games wint, is de winnaar van de partij. Het aantal punten waaruit een game bestaat is afhankelijk van het type spel. Als het 1-1 is, wordt er een derde en beslissende game gespeeld.
Het veld wordt in tweeën gedeeld door een net op 1,55 meter hoogte bij de staander. In het midden mag het net niet lager hangen dan 1,525 meter. Het net zelf moet 0,76 meter hoog zijn. De touwen waarvan het net gemaakt is moeten donker van kleur zijn en van gelijkmatige dikte. De maaswijdte mag variëren van 15 tot 20 millimeter.
Er wordt onderhands geserveerd naar het veld schuin tegenover het vak van waaruit wordt geserveerd. Hierbij mag (op het moment van raken van de shuttle) het blad van het racket niet boven de heup uitkomen. Tevens moet de service met één vloeiende beweging geslagen worden. De shuttle wordt over het net heen en weer geslagen (een rally). Zodra de shuttle op de grond komt, wordt het spel gestopt. Afhankelijk van of de shuttle binnen / op de lijnen (in) of buiten de lijnen (uit) valt wordt beoordeeld hoe het spel doorgaat. Als de shuttle op de grond komt door een fout van de serverende partij, wordt de service aan de andere partij overgedragen. Als de fout gemaakt is door de tegenpartij, krijgt de serverende partij een punt.
Nieuwe puntenscore vanaf 2006
Sinds 1 februari 2006 werd er echter geëxperimenteerd met een nieuwe puntentelling om het spel aantrekkelijker te maken voor het publiek. In de lente van 2006 werd besloten dit nieuwe rally-point-systeem officieel in te voeren vanaf het badmintonseizoen dat begint op augustus 2006. Tot nu toe kon men alleen punten maken op de eigen service en was er een onderscheid tussen dames en heren. (damestelling tot 11 punten, herentelling tot 15 punten) In de nieuwe puntentelling wordt dit onderscheid niet meer gemaakt; dames en heren zijn gelijkwaardig. De telling gaat voor beide seksen tot 21 punten per game;
Staan beide spelers op 20 punten dan komt er automatisch een verlenging, tot een van beiden 2 punten achter elkaar maakt. Echter, om de tijdsduur van een wedstrijd enigszins in de perken te houden, is er besloten om hieraan een maximum van 29 punten te verbinden. Staan beide spelers op 29 punten, dan zal het eerstvolgende punt beslissend zijn voor de winst van de set of wedstrijd. Er wordt nog steeds best out of three games gespeeld.
Een ander groot verschil is dat het rally-pointsysteem er voor zorgt dat een speler niet alleen punten kan maken op zijn eigen service, maar ook op die van zijn tegenspeler.
Grote evenementen werden al volgens het nieuwe systeem gespeeld in het seizoen 2005-2006, bijvoorbeeld de Dutch open (winnares Mia Audina vertelde dat dit nieuwe systeem erg zwaar is, vooral voor de mentale gesteldheid).
Fouten
Badminton kent de volgende fouten:
een speler slaat de shuttle buiten de lijnen (uit)
de shuttle valt in het eigen veld (een speler mist de slag)
een speler slaat de shuttle in het net
een speler raakt de shuttle meer dan één keer, tenzij het in eenzelfde beweging is
een speler raakt de shuttle met zijn lichaam
een speler raakt het net aan, voor de shuttle op de grond gevallen is
een speler slaat de shuttle terug voor die boven het eigen veld is
een speler staat op een lijn bij het serveren (voetfout)
een speler slaat de service in het verkeerde vak
een speler serveert voordat de tegenspeler klaarstaat.
een speler serveert en het blad komt boven het middel voordat de shuttle het blad verlaten heeft.
een speler serveert en de shuttle raakt het blad boven de hand waarmee de speler serveert.
de shuttle raakt tijdens een rally niet tot het speelveld behorende objecten (plafond, palen links/rechts van het speelveld)
Wanneer de scheidsrechter niet zeker weet of hij de goede beslissing maakt, kan hij een let geven. Dit komt voor wanneer er bijvoorbeeld niet duidelijk is of de shuttle in of uit was en wanneer niet duidelijk was of de tegenstander klaarstond (zo niet, dan een let). Een let houdt in dat de gespeelde punt opnieuw gespeeld moet worden.
N.B. Middel, een denkbeeldige circel ter hoogte van het laagste punt van de onderste rib.
]Soorten
Single
De single (ook wel enkel genoemd) wordt op een lange, smalle baan gespeeld. Voor de breedte gelden de binnenste lijnen, voor de lengte de achterste lijn. De score tijdens een game loopt zowel bij dames en heren tot 21. Men heeft één servicebeurt per persoon; maakt de serveerder/serveerster een fout dan gaat de service naar de tegenstander en kan hij of zij punten maken. Er kunnen zowel punten gemaakt worden door de serverende als de ontvangende partij. Bij een even aantal punten wordt geserveerd uit het rechter serveervak, bij een oneven aantal uit het linker. Wanneer de stand dus 20-20 is, wordt er door gespeeld tot dat een van beide teams een verschil van 2 punten heeft weten te behalen. (bijv. 22-20). Het kan voorkomen dat de stand 29-29 wordt. In dit geval zal het 30ste punt de beslissende zijn.
Gemengd dubbel (Mix)
herendubbel
Bij het gemengd dubbel spelen een man en een vrouw samen. Net als bij singlen hebben beide partijen één servicebeurt. Na elk gewonnen punt moet het serverende koppel van serveervak wisselen. Wordt in de servicebeurt een fout gemaakt, dan gaat de servicebeurt over naar de tegenstanders. De service wordt bij 0 of een even aantal punten vanuit het rechter, en bij een oneven aantal punten vanuit het linkerserveervak gegeven. Dames beginnen de wedstrijd altijd rechts. De set gaat tot eenentwintig. Hierbij moet een verschil van twee punten zijn. Wanneer de stand dus 20-20 is, wordt er door gespeeld tot dat een van beide teams een verschil van 2 punten heeft weten te behalen. (bijv. 22-20). Het kan voorkomen dat de stand 29-29 wordt. In dit geval zal het 30ste punt de beslissende zijn. Het veld is bij de service breed en kort. Na de eerste service speelt men op het gehele veld (breed en lang).
Mannen- of vrouwendubbel
Bij een mannen- of vrouwendubbel spelen twee mannen of twee vrouwen samen. Dezelfde regels gelden als bij het gemengd dubbel.
Techniek
De slagtechniek bij badminton kan je onderverdelen in 2 categorieën: de rotatieslagen en de extensieslagen. Bij de eerste, de rotatieslagen, wordt een rotatie van de onderarm gebruikt (de pols blijft in theorie gestrekt!). Bij de tweede, de extensieslagen, gebruikt men geen rotatie, men duwt de pluim als het ware over het net.
Slagen
Clear
Een verdedigende slag. De shuttle wordt hoog gepakt en hoog naar het achterveld van de tegenspeler gespeeld.
Smash
Een aanvallende slag. De shuttle wordt hoog gepakt en met hoge snelheid naar beneden geslagen.
Lob
Een verdedigende slag. De shuttle wordt laag gepakt en hoog naar het achterveld van de tegenspeler gespeeld.
Drop (achter)
Een aanvallende slag. De shuttle wordt van achteren hoog gepakt en kort over het net gespeeld. Dit kan met een boogje zijn, maar ook directe slag naar het net.
Drop (voor)
Een aanvallende slag. De shuttle wordt van voor kort over het net gespeeld. Dit is altijd met een boogje. Deze slag wordt vaak netdrop genoemd.
Drive
Een aanvallende slag. De shuttle wordt van de zijkant van het veld met een zijdelinge beweging snel over het net geslagen.
Volleybal is een balsport waarbij het speelveld is verdeeld in twee gelijke helften gescheiden door een net. De beide teams bevinden zich ieder op hun eigen helft en proberen door het slaan of tikken tegen de bal deze op het tegenoverliggende deel van het speelveld binnen de lijnen de grond te doen raken. Wie het eerst een afgesproken aantal punten (meestal 25) heeft behaald wint de set. Wie het eerst een afgesproken aantal sets (meestal 3) heeft gewonnen wint de wedstrijd.
Op de zijkanten van het net, precies boven de zijlijn, zijn twee antennes geplaatst. Een bal die naar het speelveld van de tegenstander wordt gespeeld moet tussen deze antennes door gaan.
In de oorspronkelijke variant, het gewone zaalvolleybal, bestaat ieder team uit zes personen en meet het veld 9 bij 18 meter.
Afmetingen van het speelveld: 9 bij 18 meter Hoogte van het net: 243 cm voor heren en 224 cm voor dames
Belangrijkste regels:
Het balcontact moet kort zijn (te beoordelen door de scheidsrechter) en de bal mag met ieder deel van het lichaam worden gespeeld. Het eerste contact mag echter iets minder zuiver zijn.
Een speler mag de bal niet twee keer na elkaar aanraken, behalve bij het blokkeren. Behalve bij de eerste bal, waar het is toegestaan de bal twee keer achtereen te raken, als dit gebeurt binnen één en dezelfde handeling.
Elk team mag maximaal drie keer balcontact achter elkaar hebben, waarbij de blokkering niet als een balcontact telt.
De bal mag de antenne niet aanraken. Het net mag wel geraakt worden, het spel gaat dan gewoon door.
Een lichaamsdeel van een speler mag het speelveld van de tegenstander niet raken. De middenlijn hoort bij beide speelvelden. Voor de voeten en handen geldt dat ze volledig over de lijn moeten zijn om als fout beoordeeld te kunnen worden.
Een team scoort een punt door de bal het veld van de tegenstander te doen raken (binnen de lijnen) of doordat een tegenstander een fout maakt.
Zodra een team een punt scoort krijgt dat team in de volgende rally het recht van opslaan (ook wel serveren genoemd)
Het team dat de opslag naar zich toe haalt, roteert voor de opslag kloksgewijs één plaats.
Voor aanvang van een nieuwe rally mag een speler worden gewisseld. Ieder team heeft per set recht op maximaal zes wissels. Een speler die is uitgewisseld mag voor diezelfde speler weer worden ingewisseld maar mag daarna niet weer worden gewisseld. In totaal zijn dit dan dus twee wissels van de maximaal toegestane zes. Een uitzondering is dat de libero vrij gewisseld mag worden voor een willekeurige speler in het achterveld, zij het dat de libero niet mag serveren.
Ieder team heeft in elke set recht op twee time-outs van dertig seconden.
Tussen twee sets is een pauze toegestaan van maximaal 3 minuten.
Op het hoogste niveau zijn er in elke set technische time-outs van één minuut op het moment dat het eerste team het 8e en 16e punt scoort. Dit is niet het geval in een 5e set.
Een achterspeler mag een bal gesprongen overspelen, maar enkel indien hij afstoot achter de 3meterlijn. Hij mag wel voor de lijn landen. Maar als de hand waarmee de bal wordt overgespeeld niet boven het net komt, geldt deze regel niet.
De libero slaat nooit op en is altijd achterspeler. Hij mag nooit deelnemen aan een blokkerende actie. Hij mag ook geen bovenhandse pass geven binnen de 3-meterlijn (tenzij er van achter de 3-meterlijn op wordt aangevallen).
Puntentelling
Binnen de Nederlandse competitie wordt Het Rally Point Systeem toegepast. Dit systeem is in het jaar 2000 ingevoerd om het spel aantrekkelijker te laten verlopen. Het komt er op neer dat iedere rally resulteert in een punt voor een van beide teams. De set eindigt als een team 25 punten heeft behaald en minstens twee punten meer heeft dan de tegenstander, dus als de stand 25-24 is wordt er tot 2 punten verschil doorgespeeld. Een eventuele vijfde set gaat tot 15 punten met twee punten verschil.
Voorheen werd er gewerkt met een ander systeem. Hierbij kon alleen het serverende team een punt scoren. Als het niet-serverende team de rally wint, krijgt het wel de opslag, maar geen extra punt. Een set eindigt bij 15 punten met twee punten verschil.
Vanaf begin jaren '90 is het oude systeem langzaam overgegaan naar het nieuwe systeem, te beginnen met alleen de vijfde set op internationaal niveau tot uiteindelijk alle sets tot op het laagste nationale niveau.
Bij beide systemen is het zo dat het team dat het voorgaande punt gewonnen heeft, de volgende opslag krijgt (behalve bij het begin van een set).
Het spel
amateurvolleybal
Wanneer een team de bal op de speelhelft van de tegenstander krijgt, de bal door de tegenstander buiten de lijnen wordt geslagen, of er een fout wordt gemaakt die wordt bestraft door de scheidsrechter, krijgt het de opslagbeurt. Die duurt totdat de tegenstander scoort.
De bal wordt in het spel gebracht door de serveerder door middel van een opslag of service vanachter de achterlijn: de bovenhands geslagen opslag of de sprongservice. Op recreatieniveau en bij de jeugd wordt ook wel de onderhandse opslag gebruikt. De opgeslagen bal moet over het net in het veld van de tegenstander belanden. Een vrij nieuwe regel is dat wanneer de bal het net raakt en er overheen gaat, het spel gewoon doorloopt. Een van de veldspelers van de ontvangende partij vangt de geserveerde bal met naast elkaar gestrekte onderarmen op. In het hedendaagse volleybal mogen deze ook ' bovenhands ' gespeeld worden. Gewoonlijk wordt de bal doorgespeeld naar een spelverdeler. Komt de bal op de grond, wordt hij buiten de lijnen of in het net geslagen of fout geretourneerd, dan gaat de opslagbeurt naar de tegenstander, ongeacht de wijze van puntentelling.
De spelverdeler, een speler met een goede techniek en spelinzicht, staat in de rally iets rechts van het midden voor het net, of zorgt dat hij of zij daar komt te staan wanneer de bal van de tegenstander ontvangen is. Die speelt de bal meestal door naar een van de aanvallers de set-up (opzet) genoemd. De spelverdeler kan de set-up geven aan de buitenaanvaller ( meestal de receptie/hoek), welke aan de linkerkant aan het net staat, de middenaanvaller (ook wel hoofdblokkeerder genoemd), welke in het midden aan het net staat of aan de diagonaalspeler (= opposite), welke rechts aan het net staat. In dat laatste geval wordt de set-up meestal achterover gegeven. Tevens kan de spelverdeler de set-up geven aan een van de achterspelers, deze kunnen een zogenaamde "3-meteraanval" uitvoeren. Dit houdt in dat ze net als de voorspelers alle ballen mogen slaan zolang de aanval (en de afzet) maar achter de 3-meterlijn gebeurd. Binnen deze 3-meterlijn mogen de achterspelers de bal alleen over het net spelen, als zij hem onder de netrand raken. Een uitzondering voor de achterspelers is de libero die nooit vanuit het achterveld een aanvallende actie mag uitvoeren. De aanvaller die de bal krijgt toegespeeld tikt of slaat de bal over het net naar de grond. Meestal wordt de smash toegepast, een harde klap met de vlakke hand, waarbij het balcontact zo kort mogelijk moet zijn. Soms gebruikt de aanvaller een legbal, bijvoorbeeld als de opzet niet goed is voor een smash, of om de tegenstander te verrassen.
De verdediging moet de bal van de grond zien te houden en doet dat gewoonlijk door een blok te vormen: een, twee of drie spelers springen tegelijk en naast elkaar met gestrekte armen en handen op, om de tegenstander te beletten de bal over het net heen te slaan/tikken. De kunst is om op het juiste moment en precies tegelijkertijd te springen, en natuurlijk op de plek waar de bal geslagen wordt. Blokkeren kan aanvallend zijn, waarbij de bal direct teruggaat naar het veld van de tegenpartij, of verdedigend, waarbij de bal zoveel mogelijk wordt vertraagd zodat deze door een teamgenoot makkelijker kan worden gespeeld.
Als een bal het blok passeert dient deze door de verdedigers in het achterveld te worden verdedigd. Dit levert vaak spectaculaire acties op met glijduiken en zijwaartse rollen. De enige jaren geleden geïntroduceerde libero is een specialist in dit soort verdedigende acties.
Gewoonlijk zitten trainer/coach, reservespelers en andere teamleden tegenover de hoofdscheidsrechter. Als de trainer/coach dat nodig vindt mag hij/zij een time-out aanvragen. De trainer maakt met zijn handen een T-teken, de scheidsrechter blaast af en er kan met de spelers worden overlegd. Een time-out kan simpelweg een tactische manoeuvre zijn om de vaart uit het spel van de tegenstander te halen, en/of nodig zijn om aanwijzingen aan de eigen spelers te geven. Een time-out duurt 30 seconden en mag per set en per team tweemaal worden aangevraagd.
Punten scoren
In volleybal kunnen op vele manieren punten worden gescoord. Naast de voor de hand liggende wijze van de bal in of uit slaan, moet ook de techniek van de spelers en de taktiek van de aanval volgens de regels gaan. Opvallend is dat je formeel als team geen punten kan maken, maar alleen dankzij een "fout" van de tegenstander. De meest voorkomende "fouten" waarmee een team punten kan maken staan hieronder:
In: de bal komt op de grond in de speelhelft van de tegenstander.
Uit: de bal komt op de grond buiten het speelveld; hieronder vallen ook de bal tegen de muur, het plafond of andere objecten spelen, of de bal tegen, naast of over de antennes spelen.
Touché: de bal is weliswaar uit, maar eerder aangeraakt door één van de tegenstanders.
Lijnfouten: Met een lichaamsdeel (meestal de voet) op of over één van de lijnen staan. Bij een aanval of blok mag niet de middenlijn overschreden worden; bij een aanval van een achterspeler boven de netrand niet de drie-meterlijn betreden worden; bij een service mag niet de achterlijn of (de verlengden van) de zijlijnen betreden worden.
Netfout: een tegenstander raakt (op een hinderlijke of opzettelijke wijze) het net aan.
Viermaal spelen: de bal wordt niet in drieën over het net gespeeld.
Tweemaal spelen: de bal wordt twee keer achtereen door de zelfde speler aangeraakt.(hieronder valt ook het onzuiver spelen van een bal).
Lang contact (dragen,tillen,liften): een tegenstander raakt de bal een te lange tijd.
Opstellingsfout: op het moment van de service staat de tegenstander niet in de juiste volgorde in het veld.
Ontstaan van het volleybal
Uit tekeningen blijkt dat al in de 16e eeuw aan het Engelse hof van koningin Elizabeth een spel werd gespeeld dat veel op volleybal leek. Maar officieel geldt de Amerikaan William G. Morgan als de bedenker van het volleybal. William G. Morgan was sportleider bij de Young Men Christian Association (YMCA) in Massachusetts. Hij gaf onder meer les aan een groep al wat oudere zakenlieden. Het toen al bekende basketbal vond hij iets te hard voor deze groep en hij bedacht in 1895 een ander spel.
Morgan verzamelde spelregels uit de bestaande sporten als tennis, basketbal en honkbal. Deze regels bij elkaar werd volleybal. De bal moest zonder de grond te raken over het net worden gespeeld. Dit heet volley. Een netserve mocht één keer over en je mocht in het spel dribbelen tot één meter voor het net. Dribbelen hield in, de bal voor jezelf omhoog spelen. Een wedstrijd bestond uit innings. Zo'n inning was voorbij als alle spelers van beide teams een serveerbeurt hadden gehad. Bovendien was het mogelijk één tegen één te spelen, maar ook tien tegen tien. En om de vingers van de dames te beschermen konden zij de bal eerst vangen en dan opgooien.
De YMCA zag wel wat in dit spel en ging het verder ontwikkelen met de nodige wijzigingen:
1900 afschaffen van het dribbelen
1912 invoeren van het doordraaien
1917 regeling dat een game tot 15 punten gaat
1918 regeling dat zes spelers per team in het veld staan
In Nederland wordt volleybal beoefend van recreatie- tot profniveau. Tienduizenden amateurs in Nederland en België spelen wekelijks gewestelijke en landelijke competitiewedstrijden.
Het hoogste niveau is de A-league (de oude eredivisie) en daaronder volgen, op nationaal niveau, de B-league, de eerste en tweede divisie. Op regionaal niveau, dus per district georganiseerd, komen hieronder de derde divisie, de promotieklasse en daarna volgen de klassen 1 t/m 4-6 (afhankelijk van de regio). Promotie- en degradatie gaat in deze volgorde.
Op professioneel niveau heeft het Nederlandse volleybal vooral bij de mannen de laatste 15 jaar een enorme sprong gemaakt. Al zo'n tien jaar draait het Nederlandse mannenvolleybalteam mee in de wereldtop.
Het begon met het Bankrasmodel, waarbij een aantal van de beste spelers van de landelijke competitie onder leiding van trainer Arie Selinger in een paar jaar tijd via dagelijkse trainingen in de Amstelveense sporthal Bankras werden klaargestoomd voor het grote werk. Dat resulteerde in een zilveren medaille op de Olympische Spelen van 1992. Na die Spelen nam Joop Alberda de leiding over en in 1996 won het oranjeteam goud op de Olympische Spelen in een zinderende finale tegen aartsrivaal Italië. Na dat hoogtepunt haakten de trainer en een aantal van de beste en meest ervaren spelers af, waarna een wat minder succesvolle periode onder leiding van Toon Gerbrands volgde. Intussen is een verjongd team onder trainer Bert Goedkoop bezig aan een nieuwe opmars, die bij de Spelen van 2004 tot goede resultaten had moeten leiden. Sinds 2006 is Peter Blangé de nieuwe coach van het oranjeteam.
De Internationale Volleybalfederatie organiseert World League wedstrijden (wereldcompetitie in poulewedstrijden). In 2002 speelden de mannen de finaleronden in Brazilië, van 12-18 augustus. Deelnemers aan de finale: Brazilië, Polen, Italië, Spanje, Rusland, Nederland, Joegoslavië en Frankrijk. Winnaar: Rusland
De WK Volleybal voor vrouwen jaargang 2002 vond plaats van 30 augustus tot 15 september in Duitsland. Deelnemende landen waren Duitsland, Cuba, Rusland, Brazilië, China, Verenigde Staten, Korea, Italië, Japan, Nederland, Argentinië en Australië.
De WK voor mannen 2002 werd gehouden in Argentinië, van 28 september tot 3 oktober. Deelnemende landen: Argentinië, Australië, Brazilië, Joegoslavië, China, Canada, Cuba, Nederland, Italië, Rusland, Kroatië, Tsjechië, Tunesië, Verenigde Staten, Griekenland, Frankrijk, Spanje, Bulgarije, Japan, Venezuela, Portugal, Kazachstan, Egypte en Polen.
Het wereldkampioenschap 2006 voor mannen werd gehouden in Japan. In de finale won Brazilië in 3 sets van Polen. Bulgarije werd derde, dankzij een overwinning op Servië&Montenegro.
Verschillende spelers
De basis van een volleybalteam bestaat uit de volgende type spelers:
De receptie/hoekspelers zijn de spelers die samen met de libero voor de receptie en verdediging zorgen en aanvallen aan de buitenkant (links voor). Bekende Nederlandse receptie/hoekspeler zijn Ron Zwerver, Reinder Nummerdor, Guido Görtzen en Elles Leferink.
Middenman
De middenman is een speler die aanvalt in het midden. Zijn taken zijn louter aanvallend: middenaanval, blok en service. De middenman gaat er achter in het veld vaak uit voor de libero. Bekende Nederlandse middenmannen zijn Bas van de Goor, Ronald Zoodsma en Francien Huurman.
Opposite
De opposite valt aan op rechts. De diagonaal staat achter in het veld vaak uit de receptie, zodat hij of zij kan aanvallen achter de drie meter. Bekende Nederlandse opposites zijn Olaf van der Meulen en Richard Schuil.
Spelverdeler
De spelverdeler, ook wel passeur genaamd, speelt elke tweede bal en zorgt er voor dat de aanvallers kunnen scoren. Een goede spelverdeler weet de blokkering van de tegenstander weg te spelen en zijn of haar aanvallers op de juiste manier te bedienen. Bekende Nederlandse spelverdelers zijn Peter Blangé en Avital Sellinger.
Libero
De libero mag achter in het veld vrij ingewisseld worden. De libero is gespecialiseerd in recepteren en verdedigen. De libero mag geen bovenhandse passen geven in de drie meter (waaruit wordt aangevallen) en geen blokpoging ondernemen. Bekende Nederlandse libero's zijn Marco Klok en Richard Rademaker.
Noot: in Nederland worden voor de eerste drie spelers andere benamingen gebruikt, respectievelijk passer/loper, hoofdblokkeerder en diagonaal. Ook is er een betekenisverschil in het woord pass: in België is dit de bal die de passeur speelt, in Nederland bedoelt men hiermee het ontvangen van de opslag, het 1ste balcontact dus. De Belgische pass wordt doorgaans een set-up genoemd in Nederland.
Wielersport is een verzamelnaam voor alle sporten waarbij gebruik wordt gemaakt van een fiets. Voor die sporten (de meeste) waarbij het op snelheid aankomt, wordt ook de term wielrennen gebruikt. De UCI is de wereldbond in het wielrennen. Er zijn verschillende takken binnen de wielersport. Binnen elke tak draagt de wereldkampioen op een bepaald onderdeel altijd de Regenboogtrui.
Honkbal is ontstaan uit volksbalspelen die Engelse kolonisten in de 17e en 18e eeuw naar Noord-Amerika brachten. Deze ingevoerde balspelen waren mogelijk afgeleid van cricket. Softbal is later van honkbal afgeleid. Honkbal is één van de meest gespeelde sporten ter wereld, in Europa is het een van de minder populaire sporten. In Nederland honkballen er ongeveer 25.000 tot 30.000 mensen. In Amerika spelen vele miljoenen mensen honkbal.
In de Verenigde Staten is honkbal de belangrijkste sport in de zomermaanden. Daarom worden honkbalspelers wel "the boys of summer" genoemd. Tegen het einde van september wordt het seizoen afgesloten door de World Series. Na het honkbalseizoen worden American football en basketbal, en in mindere mate ijshockey, de belangrijkste sporten. Er zijn in Amerika enorme stadions. Het nieuwe stadion van één van Amerikaans bekendste honkbalverenigingen, de New York Yankees, wordt binnenkort vernieuwd en dan kunnen er rond de 80.000-100.000 mensen in.
Het spel wordt gespeeld door twee teams bestaande uit negen spelers, eventueel aangevuld met een aangewezen slagman.
Bijna iedereen weet dat er voor het honkbalspel een handschoen, een knuppel en een bal nodig zijn, maar een nadere beschouwing van de sport leert dat er veel meer bij komt kijken. Alleen al in knuppels en handschoenen tref je een verscheidenheid aan van maten, gewichten en modellen. Ook voor het speelveld zijn materialen nodig, zoals honken, thuis- en werpersplaten; deze zijn gemaakt van hard rubber en zijn altijd wit.
Een slagman, links de catcher
Knuppels: Honkbalknuppels zijn van hout of een harde soort lichtmetaal, aluminium. Vroeger werden alleen maar houten knuppels gebruikt. Aluminium knuppels zijn echter eenvoudiger te fabriceren en zijn aanzienlijk gemakkelijker om (ver) mee te slaan. Houten knuppels breken overigens snel bij onjuist gebruik. De laatste jaren komt ook het gebruik van moderne composiet-materialen in knuppels steeds meer voor.
In de Amerikaanse Major League is het voorgeschreven met houten knuppels te slaan. Sinds enige jaren worden in internationale wedstrijden zoals de Haarlemse honkbalweek nog uitsluitend houten knuppels gebruikt. Gevolg hiervan is dat ook in de hoogste landelijke klassen (zoals de Nederlandse hoofdklasse) houten knuppels worden gebruikt.
Traditioneel is de regel dat dergelijke knuppel uit 1 stuk hout vervaardigd moeten zijn. In de Nederlandse competities wordt hier van afgeweken door bepaalde aanpassingen toe te staan ten gunste van de duurzaamheid van de knuppel (m.n. coaten van de knuppel).
Aluminium knuppels worden meestal voorzien van een (kunst)leren 'grip', zoals je ook bij tennisrackets en hockeysticks ziet. Bij houten knuppels volstaat de speler meestal met het aanbrengen van wat hars (pine-tar) om de greep op de knuppel te verbeteren.
Ballen: Een honkbal is aan de buitenzijde van leer. De kern is van rubber of kurk. Om deze kern heen is wol en katoen gewonden, respectievelijk voor de veerkracht en de stevigheid. Hieromheen is een dun laagje rubberlijm aangebracht en daaroverheen gaat de lederen huid. Een goede honkbal is gemaakt van paardenleer omdat dit niet rekt.
Handschoenen: Handschoenen werden van oudsher gemaakt van leer met een vulling van wol. De wollen vulling is bij veel handschoenen vervangen door een kunststof vulling. De buitenkant van de meeste (goede) handschoenen wordt nog steeds van leer gemaakt, hoewel er steeds meer andere materialen verschijnen.
De leren honkbalhandschoenen variëren in afmetingen en gewicht en ook in model; het model en de afmetingen van de handschoen zijn afhankelijk van de positie en persoonlijke voorkeur van de speler in het veld. De 'normale' veldhandschoen herkent men aan de vingers. In het binnenveld worden relatief kleine handschoenen gebruikt en in het buitenveld relatief grote. De afmetingen zijn echter wel aan maxima gebonden.
De eerste honkman mag een apart model handschoen gebruiken. Deze is meestal flink wat groter dan de gewone binnenveldhandschoenen en bovendien bestaat het vanggedeelte uit één stuk, geen vingers dus. Met deze handschoen kan beter worden gevangen, maar heeft als nadeel dat de bal diep in de handschoen komt en dat het dus langer duurt om een tweede actie te maken. De achtervanger of catcher tenslotte gebruikt ook een apart model handschoen. Dit model is speciaal gemaakt om de harde worpen van de werpers goed mee te kunnen vangen. Daarnaast beschikt het over een dikke beschermende laag om de hand van de achtervanger te beschermen. Deze handschoen is wat groter dan de normale binnenveldhandschoen. Ook is het vanggedeelte uit één stuk en veel steviger dan bij alle andere modellen.
Speciale beschermende materialen: Bij elke spelersuitrusting behoort ook een toque ter bescherming van de geslachtsdelen. Op bepaalde posities of onder bepaalde omstandigheden worden aanvullende materialen gebruikt. Als je aan slag bent zul je een helm moeten dragen waarbij tenminste één oor beschermd is. Speciale slaghandschoentjes zijn niet zo zeer voor veiligheid, maar voor een betere grip op het handvat van de knuppel. Daarnaast worden door de slagmensen soms scheenbeschermers (in verband met fout geslagen ballen) en elleboogbeschermers (als bescherming tegen worpen van de werper) gebruikt.
De achtervanger of catcher gebruikt de meeste beschermende materialen, hij heeft dan ook de gevaarlijkste positie. Hij gebruikt beenbeschermers, die ook de knieën bedekken. Vaak worden vlak onder de knieholtes zogenoemde kneesavers bevestigd om de knieën tegen slijtage te beschermen. Verder gebruikt hij een bodyprotector die het hele bovenlichaam bedekt behalve de armen en de gooischouder (dus wel de vangschouder), en een speciale helm met een gezichtsmasker en een klepje onderaan dat de keel beschermt. Ook komt het voor dat achtervangers duimprotheses dragen omdat de duim achterover slaat wanneer de bal in de handschoen komt, dit in verband met effectballen die de werper eventueel gooit.
Plaatscheidsrechters gebruiken vrijwel dezelfde set beschermende materialen als de achtervangers, met als extra nog bescherming waar de achtervanger dat niet heeft, zoals op de armen en beide schouders. Ook dragen ze speciale schoenen met stalen neuzen.
Spelregels
Honkbalveld
Spelersposities verdedigend team
Een wedstrijd bestaat uit negen innings en elke inning bestaat uit twee speelhelften. In de ene speelhelft wordt door het thuisspelende team in het veld verdedigd en door het bezoekende team "aan slag" aangevallen, in de andere speelhelft zijn de rollen omgedraaid. De halve inning van de aanvallende partij eindigt wanneer sprake is van drie uit, ook wel drie nullen genoemd.
Een uit wordt onder andere gegeven wanneer:
een geslagen bal rechtstreeks (zonder de grond te raken) wordt gevangen door de verdedigende partij
een van de aanvallende spelers wordt uitgetikt terwijl hij niet op een honk staat
een van de aanvallende spelers uitgebrand wordt; de bal is dan eerder 'op' het honk dan de loper. Dit geldt alleen als er sprake is van een gedwongen loop: de loper is gedwongen een honk op te schuiven
Buitenvelder HCAW vangt spectaculair
Een van de teams verdedigt (staat in het veld) terwijl van het aanvallende team steeds een speler aan slag is. Alleen het team dat aan slag is kan punten scoren.
Het veld bevat vier honken. Wanneer een aanvallende speler alle vier de honken op rij is gepasseerd dan wordt er een punt gescoord. Wanneer de honken in de eigen slagbeurt worden gepasseerd dan heet dat een homerun. Een homerun levert ook één punt op, plus de binnengeslagen punten van de eventuele honklopers.
De werper of pitcher gooit de bal over het vierde honk, de thuisplaat. De bal moet over de plaat gaan en moet tussen knie- en ellebooghoogte van de slagman terechtkomen (dit heet de 'slagzone'). Is de worp niet in dit vak dan levert de worp een wijd op. Is de worp wel in dit vak dan levert dit een slag op. Dit wordt beoordeeld door de (hoofd)scheidsrechter, die achter de catcher en de thuisplaat staat. De aanvallende speler mag bij vier wijd naar het eerste honk lopen en zal dus alleen (proberen te) slaan op goede worpen. Hij moet steeds in een fractie van een seconde de worp beoordelen en beslissen. Anderzijds zal de werper de hoogte, snelheid en het effect van zijn worp variëren om het de slagman te bemoeilijken. Als de slagman slaat op een bal buiten het vak dan wordt dat als een slag beschouwd. Drie keer slag levert een uit op.
De partij met de meeste punten wint.
Geschiedenis
De soms gehoorde veronderstelling dat honkbal 1838 door Abner Doubleday in Cooperstown (New York) zou zijn bedacht, is een verzinsel (Doubleday zat in 1839 niet eens in de buurt van Cooperstown, maar in het zo'n 280 kilometer verderop gelegen West Point). Zoals Jeff Idelson van de Baseball Hall of Fame in Cooperstown mooi heeft verwoord: "Baseball wasn't really born anywhere." Wel kun je uit de historie concluderen dat baseball geleidelijk is voortgekomen uit Engelse volksspellen, zoals bijvoorbeeld stoolball en rounders.
Base ball
Een spel met de naam "base ball" ontwikkelde zich in de vroege 18e eeuw in Engeland, en het bleef die naam houden tot na 1800. Het spel werd 't eerst vermeld in een boekje dat in 1744 werd gepubliceerd onder de titel: Little Pretty Pocket-Book. Zoals bij vele volksspellen, zijn er enorm veel varianten. Soortgelijke spellen werden overigens ook in Amerika al ruim voor 1800 gespeeld.
De regels voor "base ball" verschenen in 1796, in een Duits boek van de schrijver Johann Guts Muths, die het spel "Ball mit Freistätten (oder Das englische Baseball)" noemde. In het door Guts Muths beschreven spel varieert het aantal honken met het aantal spelers. En één man uit betekende meteen: slagbeurt voorbij!
Begin 2004 ontdekte de Amerikaanse historicus John Thom een verwijzing naar een plaatselijke verordening uit 1791, die het eenieder verbood om binnen een afstand van 80 yards van het "new meeting house" in Pittsfield, Massachusetts te baseballen. Een bibliothecaris vond de authentieke verordening vervolgens terug in de Berkshire Athenaeum-bibliotheek. Dit zou wel eens de vroegste verwijzing naar het Amerikaanse baseball-spel kunnen zijn.
Het huidige spel
Abner Doubleday heeft dus, hoe mooi de legende ook is, niets te maken gehad met honkbal. Wat echter wèl klopt, is dat de eerste spelregels in 1845 door Alexander Joy Cartwright aan het papier zijn toevertrouwd. Diezelfde Cartwright kwam op het idee om een vereniging op te richten en dat mondde uit in de New Yorkse Knickerbocker Baseball Club. Deze club voerde op 3 september 1845 een aantal extra regels in en verhief daarmee baseball van tijdverdrijf voor kinderen tot een volwaardige sport voor volwassenen.
Op 19 juni 1846 werd de eerste honkbalwedstrijd gespeeld in Hoboken, New Jersey. De New York Knickerbockers en de New York Base Ball Club brachten de regels in de praktijk. In 1868 werd door Harry en George Wright de eerste profhonkbalclub (Cincinnati Red Stockings) opgericht. De eerste competitie dateert van 1876.
In 1865 werd de American Baseball Corporation opgericht. Elf jaar later kwam er een scheiding tussen de amateurs en professionals. In 1902 werd The National League of Professional Baseball Clubs opgericht, gevolgd door de oprichting van The American League. Samen vormen deze organisaties The Major Leagues. Bij de National Association of Professional Baseball Leagues zijn de Minor Leagues aangesloten.
Pas na 1900 raakte honkbal in Nederland bekend. Er gaan verhalen over de Amsterdammer J.C.G. Grasé die tijdens een vakantie in de Verenigde Staten enkele honkbalwedstrijden had gezien en daar hevig van onder de indruk was geraakt. Bij thuiskomst, introduceerde hij het spel in Nederland. In 1911 werden de eerste Nederlandse wedstrijden georganiseerd. Op 12 maart 1912 richtte Grasé de Nederlandse Honkbal Bond op. En 'n jaar later speelde de honkbaltak van de sportclub Excelsior onder de naam AHC Quick. Quick was de eerste georganiseerde club in Nederland. De eerste officiële competitie begon in 1922. Ajax, Blauw Wit, Hercules en Quick vormden de hoogste divisie. Quick werd in dat jaar de eerste kampioen van Nederland.
Lange tijd was de Amsterdamse voetbalclub 'Ajax' ook actief op het gebied van honkbal. Die honkbalafdeling behaalde maar liefst vier keer het landskampioenschap van Nederland. Johan Cruijff heeft zelfs nog een tijdje gehonkbald bij Ajax, voor hij definitief koos voor het voetballen. Op de website van Ajax staat hij als catcher op een foto uit 1961.
Eindhoven heeft ook een belangrijke rol gespeeld onze honkbalgeschiedenis. Na het geweldige succes van het eerste Europese Kampioenschap op Nederlandse bodem (1958) werd het honkbalveld aan de Kruislaan in Amsterdam weer afgebroken. In 1959 werd in Eindhoven het eerste permanente honkbalveld in ons land aangelegd, met 10.000 gulden sponsorgeld van Philips. Een jaar later kon de eerste Amerikaanse coach worden aangetrokken: Ron Fraser. Zijn opvolger Bill Arce organiseerde in 1963 het eerste leerzame jeugdkamp in, jawel, Eindhoven.
Toch is Haarlem onbetwist Nederlands' honkbalhoofdstad geworden. Er schijnt al een foto uit 1912 te zijn, waarop al een aardige klap wordt geslagen(foto staat in het boekje "SCHOTEN van boerendorp tot Haarlem-noord periode 1900-1927"uitgegeven door De vrieseborch Haarlem). In 1923 is er een honkbaldemonstratie waar ene Kuling als ongeveer enige toeschouwer een kijkje gaat nemen. Enige maanden later richt hij de HC Haarlem op. Haarlem volgde in 1959 het voorbeeld van Eindhoven, met de aanleg van een permanent honkbalveld. En bouwde na het succes van de eerste Haarlemse honkbalweek in 1961 het eerste honkbalstadion van Nederland.
De Koninklijke Nederlandsche Honkbalbond (KNHB) werd op 12 maart 1912 in Amsterdam opgericht op initiatief van honkbalpioniers Grasé, Bleesing en Baggelaar. In 1934 werd de eerste officiële internationale wedstrijd gespeeld, in Haarlem tegen België. Later ging deze bond over in de huidige Koninklijke Nederlandse Baseball en Softball Bond (KNBSB).
In Europa maken Nederland (mede door een deelname van een groot aantal spelers geboren op de Antillen en Aruba) en Italië (mede door deelname van 'Amerikaanse' Italianen) al geruime tijd de dienst uit op honkbalgebied. De laatste tien jaar kan Nederland zich mondiaal meten met de sterkere honkballanden uit Noord- en Midden-Amerika en Azië, zoals Cuba, VS, Zuid-Korea, Japan. Hoogtepunt in de nationale honkbalhistorie was de overwinning op Cuba bij de Olympische Spelen in 2000 (de eerste Olympische nederlaag ooit van veelvoudig Olympisch en wereldkampioen Cuba). Bij het WK 2005, dat werd gespeeld in Nederland, behaalde Nederland een historisch hoogste vierde plaats.
Vanaf 2008 is honkbal echter geen Olympische sport meer, tot spijt van vele honkballiefhebbers en na veel protest vanuit de Amerikaanse hoek, maar ook de KNBSB en het NOC*NSF zijn het er niet mee eens en de bondscoach Robert Eenhoorn heeft al meerdere malen kritiek gegeven op het beleid van de Olympische organisatie.
Clubs & spelers in Nederland
De meest succesvolle club in de Nederlandse honkbalhistorie is Haarlem Nicols (jaren '70-'80). De laatste tien jaar is het Rotterdamse Neptunus veelal de sterkste ploeg in de Nederlandse competitie. De oudste nog spelende club van Nederland is AHC Quick in Amsterdam (sinds 1913).
In de VS wordt honkbal (baseball) ook wel de 'national pastime' genoemd. Voor elk niveau en leeftijd zijn er wel leagues te vinden, hoewel een Europese club-structuur ontbreekt in de meeste Amerikaanse sporten. Competatieve amateur teams zijn vaak verbonden aan middelbare scholen (high schools) en universiteiten/hogescholen (colleges). Professioneel honkbal in de VS wordt gespeeld binnen de organisaties van Major League Baseball, Minor League Baseball en de zogenaamde 'independent leagues'.
De Major Leagues worden algemeen beschouwd als de beste honkbalcompetitie ter wereld. Er nemen 30 teams (franchises) aan deel.
De Minor Leagues zijn een wirwar van professionele competities op verschillende niveaus. De meeste teams in de Minor Leagues worden financieel gesteund door teams uit de Major Leagues, en doen dienst voor het opleiden van spelers voor de Major Leagues. Er worden 4 niveaus onderscheiden (van laag naar hoog): Rookie League, A (single A), AA (double A),en AAA (triple A). Met name binnen de laagste niveaus wordt vaak nog een onderscheid gemaakt in 'low' en 'advanced', of 'short season' en 'full season'. De teams in the Minor Leagues zijn verbonden aan een Major League franchise. Een nieuwe professionele speler krijgt een contract van een Major League organisatie. Vervolgens wordt hij door zijn team bij een minor league team (affiliate) ondergebracht om ervaring op te doen. Naarmate hij beter speelt promoveert hij naar een hoger niveau, om uiteindelijk, als hij echt goed is, in het Major League team uit te komen.
Gemiddeld heeft een Major League team 6 a 7 affiliates. De New York Yankees hebben bijvoorbeeld een Rookie League team, een Short Season A team, een A team, een Advanced A team, een AA team en een AAA team in hun organisatie. Andere franchises hebben een andere samenstelling van hun Minor League organisatie.
Independent Leagues is een verzamelnaam voor alle profcompetities die niet binnen de organisatie van MLB worden gespeeld. Het zijn toevluchtsoorden voor spelers van allerlei pluimage, die één ding gemeen hebben: ze hebben geen profcontract (meer) bij een MLB organisatie. Het gaat dan om spelers die niet gekozen zijn in de jaarlijkse draft, of het aanbod van de MLB organisatie niet goed genoeg vinden ('hold outs'); spelers die zijn ontslagen ('released') door een MLB organisatie; buitenlandse spelers die niet direct de aandacht trekken van deze organisaties (met name Cubaanse vluchtelingen). Gezien de lage lonen (ergens tussen de $600 en $3000 per maand in 1998, en dat wordt dan alleen tijdens de competitie betaald), de onzekerheid (een aantal teams al ging failliet tijdens het seizoen), en de beperkte kans op verbetering binnen de organisatie, is het streven van de meeste spelers om (opnieuw) te gaan spelen binnen de affiliated Minor Leagues. Enkele grote namen die een tijdje in de Independent leagues hebben gespeeld zijn Darryl Strawberry (nadat hij was ontslagen wegens cocaïne-verslaving; werd later weer door de NY Yankees gecontracteerd) en Rickey Henderson (kon geen contract meer krijgen omdat hij te oud was, wilde in vorm blijven voor het geval er iemand later in het seizoen een buitenvelder/lead-off slagman nodig had, wat ook gebeurde).
Atletiek is een oude sport waar de sporters (atleten) individueel of in groepen (estafette) moeten presteren. Atletiek wordt zowel op de weg als op een atletiekbaan beoefend. Atletiek wordt wel 'de moeder der sporten' genoemd omdat het de menselijke basisbewegingen (lopen, springen, werpen) omvat.
Atletiekbanen zijn meestal ovaal gevormd en 400 meter lang. Op het middenterrein worden de werp- en springonderdelen beoefend. Er zijn banen van gras, kunststof en gravel.
Dit artikel gaat over de atletiek als wedstrijdsport, maar atletiek in brede zin omvat ook recreatieve vormen. De KNAU (kortweg Atletiekunie) in Nederland doet ook veel voor de loopsport, sportief wandelen en Nordic Walking. Voor de loopsporters zijn er wel wedstrijden maar ook de zogeheten trimlopen, 'wedstrijden' waarbij geen uitslag wordt opgemaakt. Slechts een klein deel van degenen die hardlopen als eerste sport noemen, is daadwerkelijk lid van de KNAU.
Geschiedenis
Atletiek is een sport die oorspronkelijk nauw verbonden was met de Griekse klassieke Olympische spelen, die vanaf 776 voor Christus om de vier jaar gehouden werden als onderdeel van een feest ter ere van de god Zeus. Het vijfdaagse programma bestond uit sportieve krachtmetingen en wedstrijden in de schone kunsten. De beste atleten kwamen tegen elkaar uit in een vijfkamp, die bestond uit de onderdelen: hardlopen, verspringen, worstelen, speerwerpen en discuswerpen. De diverse onderdelen hadden veel minder regels dan nu.
Atletiek is samen met de zwemsport de oudste sport ter wereld. De Kretenzers deden als eersten aan atletiek rond 1500 jaar v. Chr. De moderne atletiek ontstond in Engeland aan het einde van de 17e eeuw. De eerste professionele wedstrijden vonden daar plaats in de vroege 19e eeuw. Atletiek was een onderdeel op de eerste moderne Olympische Spelen in 1896.Nu is de atletiek nog steeds de belangrijkste sport in de Olympische Spelen, maar de band tussen atletiek en de Olympische Spelen is wel losser geworden. Dit kun je merken aan het feit dat naast de Olympische Spelen nog een heleboel andere atletiekevenementen worden gehouden, zoals de jaarlijkse Europacupwedstrijden en de Wereldkampioenschappen atletiek, die voor het eerst plaatsvonden in 1983.
Leeftijdsindeling
Bij grote wedstrijden wordt niet naar leeftijd gekeken, het gaat puur om de prestatie. Slechts een enkeling is zo getalenteerd dat hij of zij al op jonge leeftijd om de prijzen mee kan doen en daarom zijn er ook wedstrijden en kampioenschappen naar leeftijd, waar meer met gelijken gestreden kan worden. Internationaal zijn atleten junior/jeugd tot en met het jaar van de negentiende verjaardag; de overgang naar de senioren vindt plaats op 1 januari van het jaar waarin men twintig wordt. De onderverdeling van de junioren is niet internationaal vastgelegd en verschilt van land tot land. In Nederland en Vlaanderen is de onderverdeling als volgt.
Nederland
Vlaanderen
jaren
Junior-A
Juniores
19 en 18
Junior-B
Scholieren
17 en 16
Junior-C
Cadetten
15 en 14
Junior-D
Miniemen
13 en 12
Pupil-A
Pupillen
11 en 10
Pupil-B
Benjamins
9
Pupil-C
Benjamins
8
Minipupil
Benjamins
7 of jonger
Om de stap van junioren naar senioren wat te verzachten zijn er internationale kampioenschappen voor neo-senioren ingevoerd. Het bleek namelijk dat talenten die bij de junioren in de top meededen bij de senioren soms de motivatie verloren omdat ze niet meer zo in de schijnwerpers stonden, terwijl ze na een paar jaar trainen wel weer de top zouden kunnen halen. Neo-senior is men in de jaren waarin de 20e, 21e en 22e verjaardag vallen.
Het omgekeerde gebeurt bij het ouder worden. Er komt een moment dat de jonge atleten altijd sterker zullen blijken te zijn. Om toch met gelijken te kunnen strijden is de mastersatletiek (voorheen veteranen genoemd, maar dat had te veel een militaire bijklank) ingevoerd. Master is men vanaf de 35e verjaardag.
Onderdelen
Veel atletiekwedstrijden vinden plaats op een speciale atletiekbaan; in de winter wordt ook op indoorbanen atletiek bedreven. Daarnaast zijn er wedstrijden op de weg (stratenlopen of wegwedstrijden genoemd) en in het vrije veld (veldlopen of crosscountry). Bij grote kampioenschappen vinden de marathon en de langere snelwandelwedstrijden op de weg plaats, maar start en finish liggen meestal op de atletiekbaan.
Er zijn 24 Olympische atletiekonderdelen. Deze worden onderverdeeld in loopnummers, springnummers, werpnummers en meerkampen. Bij de loopnummers is er het onderscheid tussen de gewone loopnummers, de hindernislopen, de estafettes en het snelwandelen.
Loopnummers
Sommige loopnummers worden zelden beoefend, ook al erkent de IAAF wereldrecords op die afstanden. De courante, meest gelopen afstanden, kennen de sterkste records; op incourante afstanden staan de records een beetje of heel veel zwakker. De courante afstanden zijn:
Naast de officiële nummers worden er soms wedstrijden gehouden op allerlei andere afstanden en nummers, te veel om op te noemen. Zo sprint de jongste jeugd over 40 m en oudere jeugd over 60 m en 80 m. Ook de andere afstanden worden bij de jeugd veelal iets ingekort; bij de masters is dat eveneens soms het geval (80 en 300 m horden). In landen zonder het metrieke stelsel worden nog wel wedstrijden gelopen over bijvoorbeeld 100 yards (91.44 m) of 3218 m (twee Engelse mijl). Verder zijn er dubbele meerkampen, namelijk de veertienkamp voor vrouwen en de twintigkamp voor mannen of vrouwen, met daarin ook de afgeschafte 200 m horden. Er is de bliksemmeerkamp, een zevenkamp of tienkamp die binnen het uur afgewerkt moet worden, er zijn exotische estafettes als de 10x100 m estafette en zweedse estafette (400m-300m-200m-100m). Bij de jeugd bestaat het balwerpen als voorbereiding op het speerwerpen, terwijl werpers het gewichtwerpen hebben bedacht om ook een werpvijfkamp te kunnen doen. De ultralopers houden wedstrijden over vele afstanden, tot 1000 mijl aan toe (1609 km); de 24 uur verdient speciale vermelding omdat het wereldrecord bij de mannen daar zo sterk staat (303506 m).
Zwemmen is een watersport waarbij de zwemmer zich door middel van arm- en beenbewegingen voortbeweegt in het water. Men onderscheidt recreatiezwemmen en wedstrijdzwemmen. Zwemmen wordt gezien als een zeer gezonde vorm van recreatie en lichaamsbeweging. De fysiotherapie maakt dankbaar gebruik van de eigenschappen van water voor het vergemakkelijken van therapeutische lichaamsoefeningen.
Zwemmen kan al op jonge leeftijd worden aangeleerd. Veel ouders nemen baby's en kleine kinderen al mee om te gaan zwemmen in een zwembad. Er bestaat ook baby-zwemmen en peuter-zwemmen voor de jongste kinderen. Daarna gaan kinderen vaak naar zwemles.
Doorgaans is de motoriek van een kind rond het 6e of 7e levensjaar voldoende ontwikkeld. In Nederland is het schoolzwemmen, zwemles in schoolverband, veelal verplicht. Een leerling kan verschillende zwemdiploma's halen, waarbij naast een steeds langere afstand, nieuwe zwemslagen, duiken, onderwater zwemmen en zwemmend redden bijkomende onderdelen zijn. Nederland heeft hierdoor één van de hoogste percentages personen die kunnen zwemmen, waarbij dit op relatief jonge leeftijd wordt geleerd.
Training voor wedstrijdzwemmen wordt gegeven in zwemverenigingen. Een topzwemmer zal vaak al e en jaar of tien trainen op techniek, snelheid, kracht en uithoudingsvermogen voordat internationaal goede resultaten worden behaald.
Op de golven van de euforie van de Nederlandse zwemsuccessen bij de Olympische Spelen van Sydney (2000) ontstaan drie profploegen: in Eindhoven de Philips-zwemploeg van trainer-coach Jacco Verhaeren en boegbeeld Pieter van den Hoogenband, Topzwemmen Amsterdam (TZA) onder leiding van trainer- coach Fedor Hes en het Topzwemmen West-Nederland (TWN) in Dordrecht van trainer-coach Dick Bergsma. Na de enigszins teleurstellend verlopen Olympische Spelen van Athene (2004) besluit de TZA-leiding het contract met Hes niet te verlengen, waarna deze zich met zijn zwemmers, onder wie Marleen Veldhuis en Thijs van Valkengoed, afsplitst en een eigen ploeg begint: Team Hes. Topzwemmen Amsterdam blijft bestaan met als trainer Martin Truijens. De twee teams zwemmen beide in het Sloterparkbad in Amsterdam. Team Hes vindt na een tijd een sponsor Xlence. Deze blijft enige tijd aan het team verbonden, maar in april 2006 houdt Xlence op met het sponsoren. Het team gaat nu wederom sponsorloos verder. Ondertussen is Jacco Verhaeren bezig om in samen met de KNZB een geheel nieuwe topsportstructuur op te zetten. Hij wil 2 topsportcentra in Nederland, één in Amsterdam (NZA) en één in Eindhoven (NZE). De structuur komt van de grond en in begin 2007 zijn beide centra officieel van start gegaan. Ondertussen zijn er nogal wat verschuiving van zwemmers geweest. Marleen Veldhuis kiest er in augustus 2006 voor om bij NZE te gaan zwemmen en verlaat het Swimteam van Hes. Ook Inge Dekker heeft daarvoor al besloten bij Verhaeren te gaan trainen. Na Dekker en Veldhuis kiezen nog een aantal zwemmers voor Eindhoven. Bij de start van NZA worden zowel Hes als Truijens aangesteld als trainer. Dit gaat echt maar korte tijd goed en al in januari neemt hij afscheid van NZA en gaat bij de bond werken. De zwemmers die bij de beide centra zwemmen zijn:
Zwemmen wordt beoefend in een 25-meter bad (kortebaan) en (voor grotere wedstrijden) een 50-meterbad (langebaan). Bij een zwemwedstrijd kunnen meestal zes deelnemers tegelijk starten. De banen zijn gescheiden door drijvende lijnen, of de nieuwe strak boven het water gespannen lijnen die speciaal zijn ontworpen voor zo min mogelijk golving in de andere banen. Werden vroeger start- en aankomsttijden met de hand geklokt, tegenwoordig worden deze tijden elektronisch gemeten door middel van sensoren, waarbij de thuisplaat moet worden aangetikt, hetzij met de hand of met een ander lichaamsdeel. Dit is afhankelijk van de gezwommen slag . Ook het correct nemen van het keerpunt kan door middel van sensoren en soms ook onderwatercamera's worden gecontroleerd.
De gebruikelijke afstanden zijn: 50, 100 en 200 meter. Bij de vrije slag ook de 400 meter, 800 meter en 1500 meter. Daarnaast worden in Nederland bij het zogeheten 'openwater' ook langere afstanden gezwommen zoals twee, drie, vijf en tien kilometer. Internationaal worden er zelfs marathons gezwommen van 12 tot 88 km (stroomafwaarts).
Naast de reeds genoemde grondvormen, bestaan er diverse variaties:
Individuele wisselslag: 100, 200 en 400 meter, waarbij een kwart van de afstand in elk van de vier zwemtechnieken door dezelfde zwemmer wordt gezwommen. De volgorde bij individuele wisselslag is vlinderslag, rugcrawl, schoolslag, vrije slag. Waarbij de vrije slag NIET een van de voorgaande slagen gezwommen mag worden. Dit wordt dan meestal gezwommen in borstcrawl.
Wisselslagestafette: 4x50, 4x100, 4x200 en 4x400 meter, waarbij vier zwemmers elk een kwart van de afstand met een andere zwemslag afleggen. De volgorde is rugcrawl, schoolslag, vlinderslag, borstcrawl.
Bij de wisselslagestafette is de volgorde van de slagen anders. Deze is namelijk rugslag, schoolslag, vlinderslag en om af te sluiten vrije slag. (de rug komt vóór de schoolslag omdat het anders onmogelijk is te starten, bv. schoolslag aantikken en rugslag wegstarten door een ander teamlid kan niet)
Zwemkampioenschappen
Naast club- en districtskampioenschappen kent het wedstrijdzwemmen nationale, continentale en wereldkampioenschappen, zowel op de langebaan (50 meter) als de kortebaan (25 meter). Zwemmen is daarnaast een volwaardige Olympische sport, die sinds de allereerste editie (1896) op het Olympisch programma staat. Ook voor gehandicapten worden nationale, internationale en Olympische zwemkampioenschappen gehouden.
Nationale Wedstrijden
Per seizoen (lopend van september tot juni) worden een groot aantal nationale wedstrijden afgewerkt. Ook worden in het zomerseizoen in het open water kampioenschappen gehouden. In een seizoen zijn er voor de oudere zwemmers (jongens vanaf 18 jaar, meisjes vanaf 16 jaar) 3 Nationale kampioenschappen in het bad. Er is een NK korte baan (25m bad), wat meestal wordt gehouden in december, een NK lange baan (50m bad), meestal in juni gehouden, maar soms naar voren wordt geplaatst en een NK sprint, eind juni of begin juli waarbij alleen de kortste afstanden worden gezwommen in een 25m bad. Om aan een NK deel te nemen moeten limieten worden verzwommen, zodra een zwemmer daaraan voldoet is hij of zij gerechtigd om deel te nemen. Tijdens de NK's zijn er per gezwommen afstand medailles te behalen verdeeld in de volgende categorieën: Heren Senioren Dames Senioren Heren Jeugd (17 en 18 jaar) Dames Jeugd (15 en 16 jaar) Ook zijn er nog medailles te behalen tijdens de estafettes, waarbij in clubverband tegen elkaar wordt gestreden.
Nationale Junioren Kampioenschappen
De jongere zwemmers, de zogenaamde junioren strijden tegen elkaar voor het nationaal kampioenschap in andere wedstrijden, de nationale junioren kampioenschappen (NJK). Hiervan is ook een lange en een korte baan variant. De zwemmers strijden hier alleen tegen zwemmers die in hetzelfde jaar zijn geboren als zijzelf. De categorieën zijn: Dames minior 6 (12 jaar, deze categorie is pas januari 2007 aan de NJK toegevoegd) Dames junior 1 (13 jaar) Dames junior 2 (14 jaar) Heren junior 1 (13 jaar) Heren junior 2 (14 jaar) Heren junior 3 (15 jaar) Heren junior 4 (16 jaar) Ook strijden deze zwemmers mee tijdens het NJK sprint, welke op een ander weekend, veelal het weekend na de NJK wordt gehouden.
De NJK's worden altijd in een 50 meter bad gezwommen, bijvoorbeeld in het Sloterparkbad in Amsterdam of in de Tongelreep in Eindhoven. De NJK sprint wordt gezwommen in 25 meter baden, bijvoorbeeld in Rozendaal.
Nationale Jaargangwedstrijden
De nationale jaargangfinales worden gehouden aan het einde van het zwemseizoen en daar zwemmen de jongste zwemmers om het officieuze nationale kampioenschap in hun leeftijdsgroep. Het is geen officieel NK, omdat de KNZB er geen ondersteuning aan geeft. De wedstrijd wordt gehouden in Dordrecht en wordt verzwommen in het 50m bad. In januari/februari zijn er in Leiden ook altijd jaargangwedstrijden, wat geldt als het officieus kampioenschap korte baan. Voor deze wedstrijden gelden geen limieten, maar worden de beste 18 zwemmers van Nederland uitgenodigd.
Golf is een balspel waarbij een kleine, harde bal met een golfclub van de tee (afslagplaats) weggeslagen wordt in de richting van een met een vlag gemarkeerd punt (de hole). Het doel is om de bal in zo min mogelijk slagen in de hole te doen belanden.
De lengte tussen de tee en de hole ligt meestal tussen de 100 en 560 meter. Afhankelijk van de lengte en de moeilijkheid van de hole wordt vastgesteld in hoeveel slagen de hole gespeeld zou moeten worden, de zgn. "par". Zo kan een speler die erg goed speelt op een baan onder par spelen, oftewel in minder dan het aantal vooraf vastgestelde slagen.
De fairway is het kort geschoren grastraject tussen de tee en de green; het minder kort geschoren gras ernaast heet de semi-rough en het niet speciaal geprepareerde terrein ernaast de rough.
Elke hole heeft een vereist aantal slagen, genaamd par. Het is de bedoeling om de bal, in een aantal slagen in de hole te krijgen. Bij een par 4 moet de speler de bal in 4 keer in de hole krijgen om zo par te lopen. Een par 3 is relatief makkelijker dan een par 5. Een par 5 moet langer zijn dan 400 meter. Een par 4 is tussen de 200 en de 550 meter en een par 3 is tussen 0 de en de 220 meter. Als je al de 18 holes bij elkaar optelt kom je op een bepaalde par uit, meestal tussen de 70 en 72. Loopt een speler een par 4 in 4 keer, dan loopt deze par. Loopt hij of zij echter deze hole in 3, dan heeft hij of zij een birdie, nog een beter een eagle. Als een speler een par 5 in 2 slagen loopt, noemt men dit een albatros en een hole-in-one is als de bal in 1 keer in de hole verdwijnt. Loopt de speler één meer dan de vereiste par, dan heeft hij of zij een bogey, twee meer een Double Bogey, drie meer een triple bogey en vier of verder dan is deze speler gemiddeld niet bepaald goed. Een speler mag maximaal 9 slagen over een par 4 doen, om zo de snelheid in het spel te houden. Je mag andere spelers niet hinderen, dus een voorspoedige doorloop is altijd prettig en wordt ook meestal geëist.
Elke hole heeft zijn hindernissen om de hole moeilijker te maken er zijn bijvoorbeeld bunkers (zandgaten), water, en bos). de hole eindigt in een gat, die ligt in een zeer kort gemaaid grasveld (de green).
Elke speler heeft een handicap die berekend is in functie van zijn scores. Hoe lager de handicap, hoe beter de speler. De laagste handicap die een speler kan halen is handicap 0.
Historie van de Golfsport
Er zouden verschillende soorten sporten als voorloper van het huidige golfspel worden beschouwd. In oude geschriften van Egyptenaren, Perzen, Grieken en Romeinen zijn verwijzingen te vinden naar verschillende spelvormen die op het golf leken, wat ook mogelijk is, is dat sporten als hockey, polo en croquet hieruit zijn ontstaan.
Het staat in ieder geval vast, dat golf niet (zoals rugby) plotseling ontstaan of uitgevonden is, maar een geëvolueerd proces is dat tot op de dag van vandaag voortduurt.
Waarschijnlijk vond te Loenen aan de Vecht, bij het kasteel Kronenburg, op tweede kerstdag 1297 de eerste partij colf plaats. Door middel van deze golfpartij werd de moord op Floris V, graaf van Holland en Zeeland herdacht. De partij bestond uit twee teams van elk vier personen. Deze golfpartij heeft ongeveer 550 jaar stand gehouden.
De meer recente geschiedenis van de golfsport vormt sinds jaar en dag een bron van tweestrijd tussen de Nederlanders en de Schotten; beide beweren namelijk de echte bakermat van het huidige golfspel te zijn. Omdat het onmogelijk is met argumenten en bewijzen de wederzijdse beweringen te staven, is het daarom beter de waarheid in het midden te laten.
Omstreeks 1650 werd in Holland golf gespeeld met Schotse klieken (stokken), maar aan het begin van dezelfde eeuw werden grote hoeveelheden ballen van Hollands fabricaat naar Schotland geëxporteerd. Door deze feiten is het duidelijk dat er ruim drie-en-een-halve eeuw geleden in Nederland golf werd gespeeld in welke vorm dan ook.
Slagen
Er zijn verschillende slagen bij golf. Er is elke keer een ander type slag nodig om de bal in de hole te krijgen.
In strokeplay komt het erop aan met het minste aantal slagen (strokes) de baan af te leggen, eventueel na verrekening van de handicap van de spelers.
Bij matchplay spelen twee spelers (of twee duo's) tegen elkaar, hole per hole; wie het minste slagen op een hole nodig heeft, wint die hole. Wie één hole meer gewonnen heeft dan de tegenstander is "one up", enz. (de tegenstander is dan "one down" enz.); bij gelijke stand zegt men dat het "all square" is.
Bij matchplay hoeven niet noodzakelijk alle holes gespeeld te worden: als men meer holes voorsprong telt dan er overblijvende holes zijn, staat de winnaar vast en wordt de wedstrijd afgesloten. Wanneer men met twee tegen twee speelt, kan dit nog op twee manieren: ofwel heeft elke speler zijn eigen bal (fourball), waarbij enkel de beste score van beide op een hole meetelt, ofwel is er één bal voor beide spelers die er om beurten mee spelen (foursomes).
De meeste professionele toernooien gebruiken strokeplay, waarbij de scores van verschillende rondes worden samengeteld om de winnaar te kennen. Bij de grote toernooien wordt dit gedaan over een lang weekend, donderdag tot en met zondag. Hoewel de spelers in groepjes van twee of drie spelen is het dus in feite een individuele competitie: iedereen speelt om de laagste score te krijgen. Meestal valt na de tweede ronde, genaamd de cut, een aantal spelers af en enkel zij die niet meer dan een bepaalde score hebben, worden toegelaten tot de laatste twee ronden. Om zo de beste over te laten voor het weekend.
De score wordt bijgehouden ten opzichte van de par van de baan; de winnaar heeft de laagste score. Als meerdere spelers na de laatste ronde op de eerste plaats, dus een gelijk aantal slagen na 4 dagen, staan moeten deze een play-off spelen; hiervoor zijn er verschillende systemen in gebruik. Meestal gaat het om degene die een hole wint, dus de laagste van de twee of meerdere deelnemers. Als na de hole nog iedereen een gelijke score heeft, volgt er nog een hole, net zo lang totdat er een winnaar uit de bus komt.
Uitrusting
De voornaamste uitrusting voor het golfspel bestaat uit:
golfballen: men mag zijn bal niet vervangen tijdens het spel. Maar als een golfbal verloren raakt tijdens de hole, in het water bijvoorbeeld, dan mag de speler, afhankelijk wat de regels zeggen, een nieuwe bal droppen. Meestal gaat dit gepaard met een of twee strafslagen.
De aerodynamica van een golfbal is erg interessant: het oppervlak van de bal is voorzien van vele ronde, ondiepe putjes (dimples) die, geheel tegen het gevoel in, de luchtweerstand significant verlagen. Hierdoor is het mogelijk om met een golfclub de bal meer dan 330 meter te slaan.
de tee, dit is een (houten, plastic) pinnetje dat in de grond wordt gestoken om er de golfbal op te plaatsen wanneer men afslaat op een hole. Alleen tijdens het afslaan mag men een tee gebruiken.
een marker. Alleen wanneer de bal op de green ligt mag deze worden opgepakt en schoongemaakt. Dan dient een marker te worden gebruikt, die eerst vlak achter de bal wordt geplaatst in de lijn van de hole. De marker is een klein plastic/ijzer rondje, er wordt ook wel eens een munt gebruikt. Om zo de bal te markeren en weer op dezelfde plek terug te leggen.
een Pitch fork, dit is een kleine 'vork' om de kuiltjes op de green te herstellen. Als een bal landt op de green, laat deze een afdruk achter, omdat de bal met een tegengestelde draai op een oppervlak land, graaft deze zich in. Alle omstandigheden moeten gelijk blijven voor elke speler en daarom moeten deze beschadigingen hersteld worden.
golfclub (golfstok): er bestaat een uitgebreid gamma van clubs geschikt voor het slaan van verschillende lengte's en omstandigheden op de golfbaan:
driver: de langste club met de minste hellingshoek ("loft") ("wood 1") om de bal zo ver mogelijk mee te kunnen slaan vanaf de tee;
3- of 4-wood("houten 3 of 4"): (oorspronkelijk net als de driver met een houten clubkop, tegenwoordig uit metaal zoals titanium)met een schuiner raakvlak dan dat van de driver, zodat de bal een hogere baan beschrijft en minder ver gaat.
hybride: vervangen de lange (van ijzer 1 tot 3) ijzers en de woods 5-7-9. Het voordeel bij deze clubs is dat ze de precisie van ijzers hebben en de afstand van een wood geven.
ijzers: de verschillende "ijzers" hebben een nummer van 1 tot 11 (de 10 en 11 worden ook wel PW en SW genoemd) dat aangeeft hoeveel loft, oftewel hoe schuin, het raakvlak van de club is; hoe hoger het nummer, hoe schuiner het clubvlak en hoe hoger (en minder ver) de bal zal vliegen. Bij een 3 iron (ijzer 3) vormt het clubvlak een hoek van 21° met de verticale; bij een 9 iron is de hoek 44 graden. Zo kan men met dezelfde snelheid, van de golfclub, een kortere afstand afleggen, doormiddel van het aantal , dat een club heeft.
sand iron: een ijzer met een zeer 'plat' vlak (56°), speciaal bedoeld voor gebruik in zand (bunker) om een vaak steile bunkerwand, of uit het zand te komen, om zo de weg naar de hole te vervolgen.
pitching wedge: een club met een minder extreme hoek dan de sand iron (48 à 52°), gebruikt om de bal van nabij de green zo dicht mogelijk bij de hole te kunnen spelen.
lob-wedge: een ijzer met een extreme hellingshoek tot wel 65°, speciaal voor moeilijke situaties waar een extra hoge balvlucht wordt verlangd. De wedge hebben allen een verschillende bounce, de negatieve hoek aan de onderkant van het slagvlak.
putter: de club gebruikt om op de green te spelen. Het raakvlak is praktisch verticaal, omdat de bal over de green gerold moet worden. Er is een grote verscheidenheid in putters.
Het golfreglement beperkt het aantal golfclubs dat men kan meenemen. Men mag maximaal 14 clubs mee nemen in de tas.
kledij: het voornaamste hierbij zijn de golfschoenen, die ervoor moeten zorgen dat de speler een stabiele stand heeft bij het slaan, ook al is het gras vochtig en glad. Golfschoenen zijn daarom meestal voorzien van nopjes. Dat kunnen spikes zijn maar ook, wat op de meeste golfbanen het geval is, soft spikes, zodat de banen minder beschadigd raken. Metalen spikes zijn op de meeste banen in binnen- en buitenland zelfs verboden. Daarnaast gebruiken veel spelers een handschoen aan de verkeerde hand om een vaste grip te krijgen op de club. Voor rechtshandigen is de handschoen aan de linker hand en voor de lefty precies omgekeerd. Het is prettig om loszittende kleding te dragen, omdat je daar beter in beweegt.
Veel spelers dragen meerdere truien over elkaar als het fris weer is, in plaats van een stug jack, ook al is dat hipper. Spijkerbroeken en T- shirts ziet men niet graag op de golfbaan en er zijn banen waar je dan niet welkom bent. Een speler moet zich fijn kunnen draaien tijdens de swing.
Tennis is een balsport voor twee (enkelspel) of vier (dubbelspel) spelers, waarbij een kleine bal met een racket over een net gespeeld moet worden. Tennis wordt gespeeld voor het plezier of voor een wedstrijd.
Bij een wedstrijd moet de bal binnen de speelhelft van de tegenstander(s) worden geslagen met als doel het de tegenstander onmogelijk te maken de bal terug te slaan over het net en binnen het eigen speelveld. Als sport is tennis ideaal om het met een aantal bekenden te spelen, zonder aan georganiseerde wedstrijden mee te doen. Tennissers van wedstrijden en tennissers voor hun plezier zijn over het algemeen lid van tennisverenigingen. De Nederlandse overkoepelende organisatie voor het tennis is de KNLTB.
Meestal spelen tennissers in witte kleding. De bal is meestal geel. Tennis is ontstaan in Engeland en wordt in zijn hedendaagse vorm gespeeld sinds 1873. De naam is evenwel afgeleid van het Franse woord "tenez!": "houd (de bal)!".
Speelgrond
Tennis wordt gespeeld op verschillende soorten ondergrond:
Memorabele profpartijen: (bijvoorbeeld Ivan Lendl vs Michael Chang, vierde ronde Roland Garros 1989 -- Steffi Graf vs Jana Novotna, finale Wimbledon 1993 -- Andy Roddick vs Younes El Aynaoui, kwartfinale Australian Open 2003), Finale Wimbledon 2001 Goran Ivanisevic vs Patrick Rafter waar Goran met een wildcard het toernooi binnenkwam en na drie eerder verloren finales eindelijk de Wimbledontitel pakte die iedereen hem gunde.
Spelregels
Het veld
Tennisbaan met afmetigen
Tennisbal
Het speelveld wordt in twee helften verdeeld door een net, dat in het midden standaard 91.4 cm hoog hangt en aan de zijkanten 107 cm hoog hangt. Elk van de twee speelhelften is verdeeld in drie vlakken: een achtervlak, en twee voorvlakken (service vakken). Het veld en de diverse vakken worden gescheiden door witte lijnen, die gelden als onderdeel van het speelveld. Een geslagen bal die buiten het veldkader van de tegenstander geslagen wordt (dwz. zelfs de lijn niet meer raakt) is 'uit' en levert de tegenstander een punt op. In het enkelspel wordt het veldkader begrensd door de binnenste zijlijnen. In de dubbelspelvariant worden de buitenste zijlijnen gebruikt. (Beide zijlijnen worden samen ook wel de 'tramrails' genoemd.)
De ballen
Voor de grootte, gewicht en doorsnede van de ballen is alles vastgesteld: De doorsnee van de bal moet ongeveer 6,5 centimeter zijn. Het gewicht ongeveer 58 gram. De stuiterhoogte, als de bal van ongeveer 2,5 meter hoogte wordt losgelaten, moeten ze tussen de 1,27 en 1,52 meter hoog opstuiteren.
Er worden in de professionele tenniswereld bijna uitsluitend gele tennisballen gebruikt. Bij training kunnen echter wel andere kleuren worden gebruikt. Geel-groene ballen zijn extra zachte ballen, die worden gebruikt bij mini's (jonge tennisspelers, meestal tot 7 jaar). Oranje-gele ballen zijn extra hard. Ze zijn erg geschikt om te worden afgeschoten door ballenmachines. Omdat ballenmachines veel gebruikt worden bij trainingen, worden ze ook veel gebruikt in de rest van de training (uit economische redenen).
De opslag of service
De bal wordt van buiten de achterlijn, de baseline, in het spel gebracht met de opslag, waarbij de bal met één hand omhoog wordt geworpen en met het racket in de andere hand wordt geslagen. Opslag en service is hetzelfde. Dit kan onderhands en bovenhands gebeuren (onderhands serveren is weliswaar toegestaan, maar geoefende spelers hebben voordeel aan een bovenhandse service). De bal moet daarbij zonder het net te raken neerkomen in het voorvak van de tegenstander, diagonaal ten opzichte van de kant waar vandaan men serveert. Indien de bal het net raakt ( en in het service-vak komt) krijgt men een zogenaamde "let" en moet de opslag over worden gedaan, maar als de bal buiten het service-vak valt is het een fout. Dit "let" fenomeen kan zich tot in het oneindige herhalen, zonder dat het punt naar de tegenstander gaat.
Een teruggeslagen serveerslag noemt men een return. Een niet door de tegenstander aangeraakte, correcte serveerslag heet een ace. Een bal die op de netrand wordt geslagen is een netbal.
Men mag eenmaal een foute service (opslag) doen zonder direct puntverlies. Bij de tweede foute opslag, een dubbele fout genoemd, gaat het punt naar de tegenstander. Men mag bij het serveren de achterlijn niet met de voet(en) raken voordat de bal geraakt is: bij een voetfout is de service altijd fout, zelfs al komt de bal in het juiste vak. De opslagbeurt rouleert per game. Wie goed serveert heeft over het algemeen meer kans de game te winnen, al geldt dit in mindere mate bij dames. Verliest men de eigen opslagbeurt, dan is de tegenstander 'door de opslag gebroken' of heeft deze een (service)break gerealiseerd.
Een aantal soorten slagen
Forehand: slag waarbij de palm van de speelhand naar voren wordt gehouden. De forehand kan zowel enkelhandig als dubbelhandig geslagen worden. Een dubbelhandige forehand wordt zelden tot nooit gespeeld (Raemon Sluiter is een voorbeeld van een proftennisser met een dubbelhandige forehand).
Backhand: slag waarbij de rug van de speelhand naar voren wordt gehouden. De backhand kan zowel enkelhandig als dubbelhandig geslagen worden.
Groundstroke: lange slag, die a.h.w. het hele speelveld bestrijkt.
Slice/Backspin: onderscheiden in forehandslice en backhandslice. Techniek waarbij achterwaarts effect wordt bereikt door de bal met een neerwaartse beweging en een licht achterwaarts gekanteld racket te spelen.
Topspin: onderscheiden in forehandspin en backhandspin. Techniek waarbij voorwaarts effect wordt bereikt door de bal met een opwaartse beweging te spelen.
Dropshot: slag waarbij de speler de bal zodanig speelt dat die zo snel en steil mogelijk vlak achter het net de grond raakt en zo min mogelijk opstuit.
Smash: slag waarbij een hoge bal (meestal zonder stuit) boven het hoofd, met kracht wordt gespeeld, dus door een worpbeweging gelijkaardig aan de opslag.
Wapenend voor de smash
Volley: slag van de bal die niet heeft gestuit, kan zowel met de forehand als met de backhand in principe met een korte beweging gespeeld vanaf een positie bij het net, je gebruikt deze slag als je aan het net staat.
De puntentelling
De punten worden geteld volgens het traditionele Britse systeem: 15, 30, 40, game, set and match.
Een match of wedstrijd wordt gespeeld naar twee gewonnen sets, hoewel de heren in grote toernooien (Grand Slam) drie sets moeten winnen, en men dan maximaal een vijfsetter speelt. Voor vrouwen is het maximale aantal te spelen sets altijd drie, behalve met de finale van het Masterstoernooi aan het eind van het seizoen. Die wordt bij uitzondering via best-of-five beslist.
Een set wordt gewonnen door de speler die het eerst 6 games wint, met een verschil van twee games. Als de stand in een set 6-5 is en de speler die op 6 staat de volgende game wint, dan wordt het 7-5 en is de set afgelopen. Wordt het echter 6-6 dan zijn er twee mogelijkheden waarbij de tiebreak de meest gebruikelijke is:
doorspelen totdat er een verschil van twee games wordt bereikt.
er wordt een tiebreak gespeeld. Dit is te beschouwen als een bijzondere game en de winnaar van deze tiebreak wint de set.
Een game wint men door vier gewonnen punten, die geteld worden als 15, 30, 40 en 'game'. Ook hier echter een verschil van twee. Als het 40-40 (deuce ) wordt dan worden er nog minimaal 2 punten gespeeld. Eerst heb je advantage en dan game, advantage kan zowel voor de serveerder zijn als voor de ontvanger. Het kan lang duren tot de game uiteindelijk gewonnen wordt, doordat het na advantage steeds weer deuce kan worden.
Wanneer men "No-add" speelt is de game gewonnen na het eerstvolgende punt bij de stand 40-40(deuce). De ontvanger beslist in deze situatie of het punt van links of van rechts wordt aangevangen.
Wedstrijdleiding
Elke professionele tennispartij wordt geleid door een scheidsrechter (umpire), die op een verhoogde stoel aan een uiteinde van het net zit. De scheidsrechter kent de punten toe, beslist in twijfelgevallen (was de bal uit of in?), geeft de verplichte rustpauzes en spelhervattingen aan, geeft zo nodig toestemming voor blessurebehandeling, plaspauzes en shirtwisseling (dames), en houdt overenthousiaste spelers, trainers, ouders en overige toeschouwers bescheiden in toom. De scheidsrechter krijgt (als het goed is) na afloop van de partij een hand van de spelers.
Bij een professionele tennispartij houden 8 (soms 10) lijnrechters in de gaten of de bal binnen, op, of buiten de lijnen valt: er zijn 6 lijnrechters voor de verticale lijnen en 2 (soms 4) voor de horizontale lijnen. Met roepwoorden en/of armgebaren maken ze hun waarneming duidelijk. Een 'uitbal' en een 'netbal' worden altijd hoorbaar aangegeven.
Ballenjongens en -meisjes rapen de ballen voor de spelers op en zorgen ervoor dat de speler die de opslag heeft de nodige ballen ontvangt. Verder verlenen ze de spelers tijdens het spel en de rustpauzes wat hand- en spandiensten.
Sinds 2007 wordt de scheidsrechter ook bijgestaan door een electronisch systeem, de Hawk-Eye, dat de lijnen bewaakt. Iedere geslagen bal wordt gevolgd door een cameracircuit; op aanvraag produceert het systeem een animatie om te bepalen of de bal in of uit is. Beide spelers hebben het recht driemaal per set de hawkeye aan te roepen (dit heet een challenge). Het systeem werd al eerder gebruikt voor tv-uitzendingen. Bij wedstrijden op gravel is het systeem niet nodig, omdat daar de balafdruk als bewijs dient.
Records
Snelste tennisopslag
Andy Roddick (VS) vestigde op 24 september 2004 het record voor de snelste tennisopslag met 250 km/u (155 Mph). Dat deed hij in de halve finale van de Davis Cup tegen Vladimir Voltchkov uit Wit-Rusland. Ter vergelijking: Roger Federer haalt gemiddeld een snelheid van 200 km/uur.
Venus Williams haalde tijdens Roland Garros 2007 een opslag van 206 km/uur. Dit is het officiële record. Dat is echter nog niet de hardste opslag ooit bij de vrouwen; die staat nog steeds op naam van Brenda Schultz-McCarthy. Zij haalde 209 km/h. Omdat dit tijdens een kwalificatietoernooi gebeurde, wordt het niet erkend als record
wij maken deze blog om iedereen wat info te geven over alle sporten we willen alle sporten in de kijker zetten, dus als u een sport kent die nog niet in onze blog staat, mail het dan. je kan ons e-mailen via onderstaande link. veel succes op deze sportieve maar leerrijke blog
Druk oponderstaande knop om ons te e-mailen.
voor vragen, info, of andere dingen...