SCHRIEK
Verleden - Heden - Toekomst


Tekstgrootte aanpassen?
Klik op + of -

BLOG ZOOM

Foto

Wapenschild van SCHRIEK

Zoeken in blog

We zijn de 09de week van 2021
 

Parochie
St.-Jan Baptist

Inhoud blog
  • Overlijdensakten BS 1895-
  • Huwelijksakten BS 1916
  • Familieberichten
  • Infogids Schriek
  • Ons Oorlogsdagboek 1914-1919 (11)
  • Huwelijksakten BS 1911-1915
  • Remember 14-18
  • Remember 40-45
  • Overlijdensakten BS 1891-1894
  • Pv-WO I Itegem
  • Overlijdens Schriek 2020-
  • Pv-WO I Tremelo-8
  • Huwelijksakten BS 1891-1898
  • Huwelijksakten BS 1899-1904
  • Huwelijksakten BS 1905-1910
  • Wijzigingen van de berichten.
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (10)
  • KOM MEE RADIO MAKEN IN SCHRIEK.
  • Geboorteakten BS 1891-1893
  • Geboorteakten BS 1894-1896
  • Geboorteakten BS 1897-1899
  • Geboorteakten BS 1900-1901
  • Geboorteakten BS 1902-1903
  • Geboorteakten BS 1904-1905
  • Geboorteakten BS 1906-1907
  • Geboorteakten BS 1908-1909
  • Geboorteakten BS 1910-1911
  • Geboorteakten BS 1912-1913
  • Geboorteakten BS 1914-1915
  • Geboorteakten BS 1916-1918
  • Geboorteakten BS 1919-1920
  • OPROEP.
  • Oproep aan de genealogen.
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (2)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (3)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (4)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (5)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (6)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (7)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (8)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (9)
  • Kerkrestauratie 2016-2017
  • Overlijdens 2015-2019
  • Geboorteakten BS 1809-
  • Rouwprentjes Schriek A-B
  • Rouwprentjes Schriek C
  • Rouwprentjes Schriek D
  • Rouwprentjes Schriek H-I
  • Rouwprentjes Schriek J-L
  • Rouwprentjes Schriek M-O
  • Rouwprentjes Schriek P-R
  • Rouwprentjes Schriek S-T
  • Rouwprentjes Schriek U-V
  • Rouwprentjes Schriek -Van den P
  • Rouwprentjes Schriek Van H
  • Rouwprentjes Schriek Van R
  • Rouwprentjes Schriek Verl
  • Rouwprentjes Schriek Vert.-Z
  • Open brief
  • Kerkrekening 1561
  • Kerkrekening 1561-(1)
  • Kerkrekening 1561-(2)
  • Kerkrekening 1561-(3)
  • Kerkrekening 1561-(4)
  • Kerkrekening 1561-(5)
  • Kerkrekening 1561-(6)
  • Kerkrekening 1561-(7)
  • Kerkrekening 1561-(8)
  • Kerkrekening 1561-(9)
  • Kerkrekening 1561-(10)
  • Kerkrekening 1561-(11)
  • Kerkrekening 1561-(12)
  • Kerkrekening 1561-(13)
  • Kerkrekening 1561-(14)
  • Kerkrekening 1561-(15)
  • Kerkrekening 1659-1660
  • Kerkrekening 1658-1659
  • Kerkrekening 1657-1658
  • Kerkrekening 1656-1657
  • Schriek - Het onderwijs tot 1800
  • Wijzigingen in het blog
  • Altaarsteen in de St.-Jan Baptist kerk
  • Pastoorsverslagen WO I
  • Pastoorsverslagen WO I
  • Pv WO I Tremelo-1
  • Pv WO I Tremelo-2
  • Pv WO I Tremelo-3
  • Pv WO I Tremelo-4
  • Pv WO I Tremelo-5
  • Pv WO I Tremelo-6
  • Pv-WO I Tremelo-7
  • Overlijdensakten BS 1816-
  • Huwelijksakten BS 1816-
  • Geboorteakten BS 1816-1819
  • Overlijdensakten BS 1807-1809
  • Gezinnen 1604-... (B)
  • Gezinnen 1604-... (A)
  • Overlijdensakten BS 1797-1807
  • Huwelijksakten BS 1800-1808
  • Parochiegeschiedenis-1
  • Parochiegeschiedenis-2
  • Parochiegeschiedenis-3
  • Parochiegeschiedenis-4
  • Geboorteakten BS 1797-1804
  • Geboorteakten BS 1804-1808
  • Overlijdens 1930-1935
  • Overlijdens 1935-1942
  • Overlijdens 1942-1948
  • Overlijdens 1948-1956
  • Overlijdens 1956-1965
  • Overlijdens 1965-1971
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (A-D)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (E-L)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (M-S)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (T-Van O)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (Van P- Z)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (A-D)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (E-K)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (L-S)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (T-Van Rom)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (Van Roo-Z)
  • Overlijdens 1604-1929 (A-B)
  • Overlijdens 1604-1929 (C)
  • Overlijdens 1604-1929 (D)
  • Overlijdens 1604-1929 (E-G)
  • Overlijdens 1604-1929 (H-J)
  • Overlijdens 1604-1929 (K-M)
  • Overlijdens 1604-1929 (N-Q)
  • Overlijdens 1604-1929 (R-S)
  • Overlijdens 1604-1929 (T-Van den Bra)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van den Bro-Van Dy)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van E-Van L)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van M- Van U)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van V-Verha)
  • Overlijdens 1604-1929 (Verhe-Vers)
  • Overlijdens 1604-1929 (Vert-Wa)
  • Overlijdens 1604-1929 (We-Z)
  • Gezinnen 1604-1923 (A-B)
  • Gezinnen 1604-1923 (C-Cl)
  • Gezinnen 1604-1923 (Co-De C)
  • Gezinnen 1604-1923 (De D-De V)
  • Gezinnen 1604-1923 (De W-Du)
  • Gezinnen 1604-1923 (E - F)
  • Gezinnen 1604-1923 (G-Go)
  • Gezinnen 1604-1923 (Go-Hen)
  • Gezinnen 1604-1923 (Her-Hu)
  • Gezinnen 1604-1923 (I-Li)
  • Gezinnen 1604-1923 (Lo-N)
  • Gezinnen 1604-1923 (O-Q)
  • Gezinnen 1604-1923 (R-Ser)
  • Gezinnen 1604-1923 (Sey-T)
  • Gezinnen 1604-1923 (U - Van Cr )
  • Gezinnen 1604-1923 (Van D-Van den Bu)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van den C-Van der)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van Des-Van Hou)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van Hove-Van M)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van N - Van V)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van W-Verha)
  • Gezinnen 1604-1923 (Verhe-Versch)
  • Gezinnen 1604-1923 (Verst-Vi)
  • Gezinnen 1604-1923 (Vo-Z)
  • Dopen 1604-1621
  • Dopen 1621-1630
  • Dopen 1631-1641
  • Dopen 1641-1651
  • Dopen 1651-1669
  • Dopen 1670-1673
  • Dopen 1673-1685
  • Doopregister 4 -afbeeldingen
  • Dopen 1685-1692
  • Dopen 1692-1697
  • Dopen 1698-1703
  • Dopen 1703-1707
  • Dopen 1707-1708
  • Dopen 1708-1710
  • Dopen 1711-1720
  • Dopen 1721-1730
  • Dopen 1730-1739
  • Dopen 1740-1749
  • Dopen 1750-1759
  • Dopen 1760-1769
  • Dopen 1770-1776
  • Dopen 1776-1780
  • Dopen 1781-1784
  • Dopen 1785-1788
  • Dopen 1788-1791
  • Dopen 1792-1794
  • Dopen 1795-1796
  • Dopen 1797-1797
  • Dopen 1798-1800
  • Dopen 1800-1803
  • Dopen 1803-1806
  • Dopen 1807-1810
  • Dopen 1810-1813
  • Dopen 1813-1817
  • Dopen 1817-1820
  • Dopen 1820-1823
  • Dopen 1823-1826
  • Dopen 1826-1827
    Foto

    PAROCHIE

    * Parochie info
    * Parochiale Leven
    * Parochiecentrum
    * Verenigingen
    * Onderwijs
    * Vormsel 2008
    * Vormsel-jaarprogramma
    * Catechesegroepen
    * Vormsel-start
    * Vormsel-kerkbezoek
    * Vormsel-datumwijziging
    * H.Doopsel
     Genealogie: zoek uw voorouders op, publiceer uw genealogie, consulteer de burgerlijke stand ...
    29-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Parochiegeschiedenis-1

    PAROCHIEGESCHIEDENIS VAN SINT-JAN BAPTIST TE SCHRIEK EN DE H. NAAM JEZUS TE GROOTLO

    DOOR
    J. R. VERELLEN, pr.

    U I T G AV E
    van de Pastorij Schriek
    © Copyright 1956


    INLEIDING

      Een parochie is een beperkt kerkelijk gebied, waarover de bisschop een pastoor aanstelt, om er de zielzorg voor zijn parochianen waar te nemen, de godsdienstoefeningen in de parochiekerk te houden, en de Sacramenten. toe te dienen. De parochie is eerst een geestelijke gemeenschap, met geestelijk einddoel en heilmiddelen; daarbij heeft ze zichtbare gezagdragers en ledematen, tijdelijke behoeften en belangen; zij leeft naar binnen en ook naar buiten.

      Een parochiegeschiedenis is dan het verhaal van wat er werkelijk gebeurd is, op dit geperkt gebied en in die bepaalde gemeenschap; de geschiedenis van het godsdienstig leven, dat in waarneembare gedaante tot uiting is gekomen, door de geslachten en tijden heen, en waarvan de zekerheid steunt op de geloofswaardige geschreven bronnen van het parochiearchief. Daarmee is de inhoud verantwoord.

      De grote indeling, namelijk in drie perioden, wordt aangewezen door twee bijzonder belangrijke gebeurtenissen onder godsdienstig opzicht : de Nederlandse Beroerten voor het jaar 1600, en de Franse Omwenteling voor 1800. De onderverdelingen, in hoofdstukken, volgen naar tijdsorde, zo mogelijk bij elke pastoor, of een reeks van pastoors; en waar het wenselijk blijkt, in een doorlopend overzicht, als net kerkgebouw, de eredienst, de devoties, de kerkgoederen, de tienden, de armenzorg en dergelijke.

      Ten slotte, omdat het de parochiegeschiedenis van Schriek en Grootlo is, van onze voorouders, die hier geboren en begraven zijn, die op deze grond geleefd en in deze kerk gebeden hebben, en wier namen hun afstammelingen van dichtbij of verre nu veelal nog dragen, daarom moest deze geschiedenis eenvoudig en bevattelijk, gemoedelijk en aantrekkelijk om lezen zijn. want op de allereerste plaats voor alle gezinnen en alle parochianen van Schriek en Grootlo bestemd.

      Ook voor geschiedkundigen en alle lezers kan deze proeve van parochiegeschiedenis belangwekkend zijn, omdat ze, toegepast op een bepaalde parochie, meteen haast alle onderwerpen behandelt, die eender welke parochie aanbelangen.

    VERKORTINGEN

    A.A.M. Archief Aartsbisdom Mechelen.
    A.R.A. Algemeen Rijksarchief Brussel.
    K.A.S. Kerkarchief Schriek.
    R.A.A. Rijksarchief Antwerpen.

    DEEL I.
    ONTSTAAN EN EERSTE GROEI
    (1221-1377)

      Van de vijftien parochies der huidige dekenij Heist-op-de-Berg, waaronder Schriek en Grootlo, bestonden er, ongeveer zevenhonderd jaar geleden, slechts vier :Itegem, Heist, Beerzel en Putte. Schriek was nog afhankelijk van Beerzel, en werd zelfstandige parochie in 1309. Schriek en Grootlo hoorden van ouds samen, men vindt ze dan ook meestal samen vernoemd.

    Hoofdstuk I.
    SCHENKING VAN WOUTER BERTHOUT
    TE GROOTLO, 1221

      Van Grootlo is er voor het eerst spraak in een akte van 27 januari 1221 (n. s.). Wouter Berthout, Brabantse edele en heer van Mechelen, laat weten aan zijn broeder Gillis en aan zijn eigen zonen Wouter en Hendrik. dat bij, in het leger der Kruisvaarders bij Damiette liggend, ziek van lichaam doch helder van geest, aan het Ste-Maria-hospitaal der Teutonische Ridderorde te Jeruzalem geschonken beeft, 24 bunder beemden in « Rama » en 6 bunder harde grond in « Grutlo », tot zielerust van zijn voorouders en opdat God zich over hem in het laatste oordeel moge erbarmen. Onder de getuigen bevinden zich zijn zonen Gillis en Arnout, zijn broeder Hendrik van Duffel en zijn eigen dienaar Baziel.

      Het gebeurde tijdens de vijfde kruistocht. Zij waren vertrokken in 1217; Damiette werd belegerd in 1218, ingenomen en bezet in 1219, en nadien weder ontruimd. De Berthouts waren vurige kruisvaarders, sedert hun stamvader, Wouter Berthout van Grimbergen, in 1096 met Godfried van Bouillon aan de eerste kruistocht had deelgenomen.

      In de vijfde kruistocht nu waren er, de oudste, Wouter IV van Grimbergen (of I van Mechelen), met twee van zijn zonen, Gillis en Arnout; zijn jongste broeder Hendrik van Geel, Walem en Duffel; en zijn ander broeder Gillis I van Keerbergen, Berlaar, enz., met zijn vrouw, die beide reeds voor de akte van 27 januari 1221 terug naar huis keerden. Deze Gillis begon rond 1220 aan de abdij Rozendaal onder Walem, die zijn twee dochters nadien als abdis bestuurden, en hij trad zelf rond 1228 in de Teutonische Ridderorde van Pitsemburg te Mechelen.
      In 1190 hadden Duitse ridders tijdens de derde Kruisvaart hun legertenten omgevormd in een hospitaal voor zieken te Jeruzalem, en sedert lang hadden de Berthouts hen leren kennen en waarderen. Zo schonk Wouter Berthout, heer van Mechelen, de 24 bunder beemden in Rama en de 6 bunder grond in Grootlo (nu nog is er de Raambeek onder Grootlo), aan de Duitse ridders, die intussen tot broederschap en Ridderorde erkend en verheven werden; en volgens de akte, moesten zij daar, in Grootlo, een van die grote hoven maken, en kregen zij meteen de vergunning om in het uitgestrekte woud van Waver, zoveel hout te kappen en zwijnen te hoeden, als drie begunstigde ridders gewoon zijn.

      Grootlo kreeg zijn oudste vermelding in 1221, op grond van de kristelijke weldadigheid der Berthouts, die toen reeds optraden als de bijzonderste beschermers van kerken en kloosters, vooral der Cisterciënsers en Premonstratensers.

    Hoofdstuk II.

    OPRICHTING VAN DE PAROCHIE SCHRIEK, 1309

      Schriek werd in 1309 afgescheiden van Beerzel. Maar Beerzel zelf was oudtijds een kapel onder Heist, met de persoon van Heist als begever. Zo gold Heist op zijn beurt voor Schriek als de grote kerk, de moederkerk, met eveneens de persoon van Heist als begever van Schriek.

    Vrijstelling der goederen door de Berthouts.

      Op 9 maart 1309 (n.s.) lieten Adelisia de Ghinis, weduwe van wijlen Wouter Berthout IV, heer van Mechelen, en haar zoon Gillis, heer van Mechelen, aan de bisschop van Kamerijk Filippus weten, dat zij als tijdelijke heren de kerkgoederen van Schriek uit hun rechtsmacht hadden vrijgegeven, en smeekten hem ootmoedig, dat hij de kapel van Schriek tot parochiekerk zou willen inrichten. Voor een goed werk aan kerk of klooster waren de Berthouts altijd gereed.

    Begiftiging en begrenzing van de parochie

      Intussen had reeds dezelfde bisschop Filippus opdracht gegeven aan heer Hendrik, deken van St.-Rombouts te Mechelen, en aan broeder Jan van Malre, monnik van St.-Bernaerts, om persoonlijk ter plaatse een onderzoek in te stellen aangaande de bruidschat en de afbakening der nieuwe parochie. De oprichting geschiedde tegelijkertijd voor drie parochies, Aartselaar, Reet en Schriek; en zo bleef ook het verslag over de drie, opgemaakt de 4 april 1309, samen bewaard. 

      Te Schriek werden, onder meer beëdigde en geloofswaardige getuigen, opgeroepen : heer Willem pastoor van Beerzel, onder wiens parochie Schriek gelegen was, en heer Simon pastoor van Putte als naaste gebuur. Zij vonden ter plaatse een kapel, ter eer van Sint Jan Baptist gesticht en gebouwd door Gillis Berthout, heer van Mechelen, tot wiens heerlijkheid Schriek in volle recht behoorde, en de kapel door Gillis zelf begiftigd met 12 pond Leuvens jaarlijks ter waarde van 16 tornoys, te heffen op de tiende van Gillis Berthout in die plaats, samen met een geringe tiende ter waarde van 100 schellingen tornoys. Deze tiende had eertijds Nikolaas zaliger memorie, wijlen bisschop van Kamerijk, geschonken aan wijlen Wouter Berthout, heer van Mechelen, grootvader van voornoemde Gillis, op voorwaarde dat hij aan de kapel 12 pond Leuvens zou toewijzen.

      Zij stelden ook, met instemming van alle belanghebbenden, de grenzen vast, volgens dat de aloude gracht zich uitstrekt rond de voornoemde plaats, tot dewelke niettemin ook behoort enig land, dat daar ligt buiten de gracht en genoemd wordt Berthouts-meer, zoals het zich rondom uitstrekt. En om de gezegde grenzen eeuwigdurend te doen onderhouden, zorgden zij ervoor vaste palen en perken als tekens aan te duiden. Tevens werden al de goederen, in het gebied der vrouwe van Mechelen en van haar zoon Gillis Berthout gelegen, vrijgesteld tot behoef van de kerk en aan elke wereldlijke rechtsmacht onttrokken.

    Goedkeuring door de bisschop

    Op 8 juni 1309 werden door de bijzondere zaakgelastigde van de bisschop van Kamerijk te Brussel, alle schikkingen bekrachtigd, alsook de afscheiding der kosterij, zodat voortaan elke kerk, Schriek zowel als Beerzel, een zelfstandige parochie zou zijn en blijven, met eigen doopvont en begraafplaats en alles wat een parochiekerk volgens recht dient te hebben.

    Schriek bezat dus reeds rond 1260, ten tijde van Wouter Berthout en bisschop Nikolaas, een kapel toegewijd aan Sint Jan de Doper, die nadien de hemelse patroon van de nieuwe parochie is gebleven. In 1309 kregen zij een eigen pastoor, met kerkelijke diensten, met Sacramenten en godsdienstonderricht. Hoe gelukkig voelden zij zich, al heeft het ongetwijfeld nog lange jaren geduurd, vooraleer de huidige toren in witte zandsteen opgetrokken werd. (K. A. S., nr 13, kopie. — Analectes Hist. Eccl. Belg., 1872, blz. 38-41).

    Hoofdstuk III.
     DE STILLE PAROCHIE, 1313-1552

    De inlichtingen van die tijd zijn uiterst schaars, gelijk overal. Er werd weinig te schrift gesteld, en dit weinige ging dikwijls verloren. In Schriek zelf is er, voor 1560, geen archief voorhanden. Maar elders was er wel wat te vinden : over pastoors, haardtellingen, schepenbrieven, uitwijkelingen en vooral familienamen.

    Heer Jan pastoor van Schriek, 1313.

    De oudst-bekende, en zonder twijfel de eerste pastoor van Schriek, is ook de oudst-bekende weldoener van de H. Geesttafel of armen van Heist, zoals blijkt uit de oudst-bewaarde schepenbrief aldaar, gegeven op 10 augustus 1313 :

    Wij schepenen van Heist, doen te weten dat voor ons kwam heer Jan, te voren de edele prochiaen van Schriek, en bekende dat hij schuldig is aan de H. Geest te Heist, tien schellingen, elk jaar erfelijk te betalen, welke tien schellingen Jan, de vader van de voornoemde heer Jan, gaf aan de H. Geest voor zijne ziel in aalmoes. En deze tien schellingen elk jaar heeft deze voornoemde heer Jan, prochiaan van Schriek, bekend aan de H. Geest op zijn erf, dat men heet 't Roet... (Lieckens, Ressort van Mechelen, I, 1921, blz. 218).

    Heer Mathias Zeghers pastoor, 1416.

    Op de studentenlijst der Universiteit te Leuven staat in het jaar 1426 aangetekend : heer Mathias Zeghers, pastoor der kerk van Sint Jan Baptist in Schriek. Daarna is er geen pastoor van Schriek met name bekend, dan in 1559 heer Gregorius Reynkens. En deze zou dus, de pastoors gemiddeld gerekend op vier per honderd jaar, reeds de elfde pastoor van Schriek kunnen zijn. (Reusens, Matricule Univ. Louvain, 1903, blz. 184, 273).

    "Haardtellingen van 1437 tot 1326.

    Al bedoelden de haardtellingen geenszins de bevolking te tellen, toch is er allerhande uit te leren.
    De gegevens luiden als volgt :
    1457 : Schriek, bewoonde huizen 27, armen 6.
              Grootlo                   70             20.
              Beerzel                   46              16.
    1464 : Schriek, totaal huizen 23.
              Grootio                  66.
              Beerzel                   44.
    1472 : Schriek, totaal huizen 23.
              Grootlo                  86.
              Beerzel                   31.
    1480 : Schriek, gegoede huizen 7, armen 4, ledig 1.
              Grootlo             41         15           13.
              Beerzel             18           7              3.
    1496 : Schriek, bewoonde huizen 8, belaste 6.
              Grootlo            24           18.
              Beerzel             43           33.
    1526 : Schriek, bewoonde huizen 18, ledig 0.
              Grootlo            58             2.
              Beerzel            37              1.
    Het is licht te begrijpen dat de opvallende schommelingen wijzen op wisselende perioden van welvaart en tegenspoed, waarbij vooral de oorlogen, ziekten en andere rampen een beslissende rol speelden.
    Het aantal vernoemde huizen was dus :
    Schriek en Grootlo. 97, 89, 109, 85, 39, 78;
    Beerzel                   46, 44, 31, 28, 43, 58;
    zodat de parochie Schriek het regelmatig wint.

    En volgens de officiële gemeentetelling van 1900 :
    Schriek en Grootlo, 433 huizen, en 2231 inwoners;
    Beerzel                420            1942

    Zulke dorpen waren, naar onze opvatting althans, weinig bevolkt, maar hadden toch een eigen kerk en eigen pastoor. (Cuvelier, Denombrements, 1912, biz. 466, 319).

    Schepenbrieven van Grootlo en van Schriek.

    De eerste, van 30 november 1441, vermeldt de schepenen van Grootlo, de rechter van de heer van Gelderen en van Mechelen, de bank van Grootlo, met het gemeenschappelijke schepenzegel.De tweede, van 18 juli 1499, noemt de schepenen van Sint-Jans in den Schriek, de meier der hertogin van Brabant als vrouwe van het land van Mechelen, met eveneens het gemeenschappelijk zegel. (R. A. A., fonds Schriek, 41, 42).
    In de poortersboeken te Mechelen staan, tussen 1419 en 1552, dertien uitwijkelingen van Schriek opgetekend. (De namen werden ons vriendelijk medegedeeld door J. Verbeeme, archivaris).
    En in de Cijnsboeken van Schriek en Grootlo, 1447 tot 1555, lopen honderden persoonsnamen vooruit op de parochieregisters, die slechts in 1604 beginnen. (A.R.A., Rekenkamer, nrs 45581, 45607, 45612, enz.).

    Heren van Schriek en Grootlo.

    Uit het kerkarchief vernemen we het volgende, dat in grote lijnen volledig is. Van het begin af, onder de Heren van Mechelen, Wouter Berthout 1221, Gillis Berthout 1309. Daarna het land van Mechelen, door een huwelijksverbond met het huis van Gelderen, ook genoemd het land van KIeef en het land van Arkel. Ridder Jan vander Laen, heer van het dorp, 1566. De koning van Spanje, tijdelijke heer, 1615, 1632. Anton Ferdinand van Broeckhoven, baron van Putte, 1671. Jan Baptist van Broeckhoven, 1693. Helena van Broeckhoven dochter van Ferdinand, en Jan Pieter Christyn, 1710. Jan Anton van Broeckhoven, 1717. Charles Louis vander Stegen, 1734. Philippe Norbert vander Stegen, 1778... De laatste afstammelinge, Julie Marie Joséphine vander Stegen, overleed in 1898.

    Hoofdstuk IV
    DE PAROCHIE VOLWASSEN, 1560-1576

    Zoals met jonge mensen, die enkel een geboorteakte hebben en voor 1600 niet eens, gaat het met vele buitenparochies. Voor Schriek valt het beter uit. Het bezit niet alleen de stichtingsakte van 1309, maar ook de kerkrekeningen sedert 1560, die met de dekanale visitaties sedert 1562 van een volgroeide parochie getuigen. (K.A.S., 86/b, kerkrekeningen.- A.A.M., dekanale visit., telkens op aangeduid jaar).
    Om een bevattelijker overzicht te bekomen, worden achtereenvolgens behandeld : de kerkelijke personen, het kerkelijk gebouw en kerkelijk leven, de kerkelijke goederen.
    Vroeger behoorde de parochie Schriek tot het bisdom Kamerijk en het aartsdiakonaat Antwerpen. Bij de oprichting der nieuwe bisdommen rond 1560, kwam zij onder het aartsbisdom en de dekenij Mechelen. De begever ervan was tot 1618 de persoon van Heist, daarna de aartspriester van Antwerpen.

    Gregorius Reynkens pastoor,
    1559 tot na 1576.

    Hij zelf ondertekent Gregorius Reynkens, met de voornaam Gregorius, niet Georgius of Joris, en slechts eenmaal Gheerts, wat uit te leggen is door het feit dat de familienaam toen nog niet vaststond. De kerkrekeningen schrijven « heer Goris Reynkens de prochiaen ». In de visitaties getuigt de deken, zowel van Reynkens als van Gheerts, dus van dezelfde, dat hij pastoor geworden is te Schriek in 1559, en alsdan 40 jaar priester, dus boven de 60 jaar oud was; hij bracht het voorzeker tot meer dan 80 jaar. De deken getuigt nog van hem : hij vervult loffelijk zijn ambt en de gemeenschap heeft geenszins over hem te klagen, hij preekt zeer dikwijls.

    Kapelanen.

    De oudst-vermelde kapelaan voor 1560 is heer Huybrecht, die rond 1568 te Mechelen overleed en aan de kerk 16 gulden vermaakte per testament.
    In 1560-61 wordt aangenomen als kapelaan heer Fransen, die nog om zijn wijding in Vlaanderen moest gaan, en vermoedelijk niet terugkeerde.
    Zo is het heer Mattijs, van Heist, die een tweede maal de vroegmis doet tot 1565.

    En dan wordt kapelaan, voor lange tijd, heer Wouter Reynkens. Ze waren hem in de Kempen, te Olmen, gaan opzoeken, en onthaalden hem met zijn vader te Schriek in het huis van de drossaard. Pastoor en onderpastoor schijnen naaste verwanten te zijn. In 1569 geraakten ze hun kapelaan kwijt, maar niet voorgoed. De kerkmeesters en schepenen zoeken een nieuwe, verwachten te vergeefs die van Sinte-Katelijne-Waver, spreken intussen heer Peter van Heist aan voor de vroegmis op zon- en heiligdagen, en zijn zeer gelukkig te Olmen heer Wouter opnieuw te huren van 1570 af, telkens voor een jaar. Hij is kapelaan en vroegmisheer, koster en schoolmeester, en mislezer in de kapel van Grootlo drie dagen per week, gebleven tot na 1576.

    Koster en schoolmeester.

    Voordat de kapelaan, als koster, ook de school hield, deed van 1560 tot 1563, Jan Gas de dienst van koster, en in 1569 nam hij weer de kosterij aan tot 1570.

    De school wordt, op rekening van de kerk, in 1564 voorzien : zes voeren of vrachten leem, en vier busselen walm om te dekken. Nog eens in 1569 : honderd en vijftig busselen walmstro tot de school en tot de stal van de school.

    Kerkmeesters.

    Ze zijn ieder jaar getweeën, samen met de twee H. Geest- of armmeesters, waarvan er een de rekening doet op Lichtmis, voor de pastoor, drossaard en schepenen.

    Het kerkgebouw.

    Op de toren waren er in die tijd vier klokken, een grote en een kleine, naast een grote schel en een kleine, zodat men kon beieren. De grote klok liet men hergieten te Mechelen, in 1569, door meester Peter vanden Gheyn, en met horts en paarden weg en weer voeren. Op de dag dat de klok kersten werd gedaan of gedoopt, bedroeg de offer zeven gulden. Het hergieten kostte over de honderd gulden, met allerhande onkosten meer dan de inkomsten van een jaar. De timmerman Jan Hoolmans, bijgenoemd Bijls of Bijlken, had ze mede helpen hangen.

    Het torenuurwerk, met grote en kleine steen voor de gang, met hamer en hefboom voor de klokslag, vergde veel nazicht en herhaalde herstelling, en meer dan eens het vervoer.

    Voor de daken van de kerk moest regelmatig de schaliedekker komen, soms 46 dagen, aan negen stuivers per dag als stielman, en duizenden schaliën; terloops ook de ticheldekker, om de afhang boven Sint-Janszijkoor te voorzien. Ook de glazenmaker had voortdurend de vensterruiten te stoppen en te vernieuwen.

    Het kerkhof was omgeven van een muur, een veken bij de ingang, en met bomen beplant; het fruit werd verkocht en de kerkhofweide verhuurd. Het moet er nat geweest zijn, er wordt gegraven om een brug op paalwerk te leggen en de vaarweg door de plas te maken.

    Hoe is bet binnen in de kerk ? Er zijn vijf altaren, waarvan drie gewijd.

    Vooreerst het hoogaltaar, waarop een tafel of retabel. Daarnevens, het H. Sakramentshuizeken of tabernakel afzonderlijk, met een rood kleed bedekt, en ervoor een godslamp met smoutlicht of wassen kaars. Het hoogkoor is afgesloten met een koordeur.

    Vervolgens het zijaltaar en -koor van Onze-Lieve-Vrouw. Op haar feestdagen wordt er geofferd in natuur, en op de Paasdag, in geld voor Onze Lieve Vrouw van Kamerijk, het oude bisdom. Helemaal langs de andere kant, het altaar van Sint-Jan Baptist, van ouds de kerkpatroon, waarop bijzonder veel geofferd werd, zoals in.de offerblok.

    Ten slotte, de kleine altaren, dit van het H. Kruis, vooral vereerd op Goede Vrijdag, en dit van Sint-Sebastiaan, waarbij in het jaar 1573, op zijn feestdag, de offer van de gildebroers voor het waslicht vermeld wordt. De gilde van St.-Sebastiaan bestond dus reeds voor 1573.

    In de sakristij waren er voldoende ornamenten of kerkgewaden : vier kazuifels en evenveel alben; ook gewijde vaten : twee kelken, de een van zilver verguld en de ander van koper verguld, alsook een kleine ciborie. Zo schrijft de deken.

    In 1567 kocht de pastoor een doopregister, om de kinderen op te schrijven die kersten gedaan zijn. Jaarlijks haalde hij het « chrisdom » of H. Olie voor de zieken. In de kerkrekeningen staan de overlijdens en uitvaarten, onder de naam van « pelle » of baarkleed aangetekend. Er werd gedoopt, getrouwd, .berecht en begraven, telkens een mensenleven en het een geslacht na het andere.

    Kerkelijk leven.

    Zoals de kerkmeesters in hun rekening, beginnen we met Lichtmis, en volgen verder het kerkelijk jaar.

    Tegen de heiligdagen haalt men een pond roetkaarsen. Op de hoogdagen branden vele waskaarsen, op het altaar, voor het H. Sakrament, en op de kroon of hangende luster, terwijl ook de beste altaarkleden of antependia zijn voorgezet, en feestelijk wordt geluid en gebeierd op H. Sakramentsdag, op beide Sint-Jans-feesten, en in de Kerstnacht.

    Op Lichtmis worden waskaarsen gewijd en aan de parochianen bezorgd. Het is Jan Wouters, alias Filips van Heist, die voor het waslicht van de Gulden Mis zorg draagt; en de huisvrouw van Michiel Hoolmans, die jaarlijks een tiental kaarsen voor « Onze-Lieve-Vrouw in de Zonne» doet branden. In 1573 krijgt Onze Lieve Vrouw, bij omhaling, een nieuwe mantel.

    Op Palmzondag, na de middag, preekt een Lieve-Vrouwbroeder van Mechelen of een Dominikaan van Leuven de Passie. Van ouds waren het de Karmelieten, Predikheren, Minderbroeders en Augustijnen, die op bepaalde dagen in Schriek hun statie hielden, om te preken en omhalingen te doen.

    Op Witte Donderdag komt de kaarsmaker de Paaskaars ter plaatse stofferen met bloemen. De hoogdagen golden als bijzondere kommuniedagen; waarna de kommunicerenden, alleen boven de 12 jaar, een ablutie of ontnuchtering ontvingen van wijn en peperkoek. Zo op de Paasdag, aan elk van beide, wijn en peperkoek, voor 15 à 20 stuivers, een stuiver gerekend voor een peperkoek. Uit de hoeveelheid klein misbrood of hosties, namelijk achtereenvolgens van 350 tot 400, is gemakkelijk het aantal kommunicerenden rond Pasen af te leiden. Het stemt overeen met het aantal kommunikanten of volwassenen die hun Pasen hielden, 250 tot 300 volgens de dekanale visitaties, zodat de bevolking van 1560 tot 1573 merkelijk aangroeide.

    Op de andere hoogtijden haalde men zowat 100 à 150 klein misbrood of het vierde deel van Pasen.

    Op H. Sakramentsdag trok te Schriek, gelijk elders, de plechtige processie rond met het Hoogwaardig. En de zondag daarna, werden uit Schriek de kruisen en toortsen te Heist in de processie gedragen, als een erkenning van hun alleroudste moederkerk

    .In de maand december vond waarschijnlijk ieder jaar de zogenaamde « gratie » plaats, een soort van aanbidding of missie, waarvoor de pastoor in de winter bij roetkaarsen zat biecht te horen, en men 50 klein misbrood haalde.

    Onder de heiligen komt Sint-Huibrecht, rond 1574 aan de eer. Het is Michiel Vercalsteren, maalder, die het Sint-Huibrechtsmeel verzamelt om kaarslicht te branden.

    Verering van Sint-Jan Baptist.

    Sint-Jan de Doper is nu nog de kerkpatroon van 25 parochies in het bisdom Mechelen, waaronder Werchter en Tildonk, en 6 in de Antwerpse Kempen.

    Te Schriek wordt hij bijzonder vereerd, vooreerst op beide feestdagen van zijn Geboorte en zijn Onthoofding, en dan geheel het jaar door.

    Er werd tot zijn eer veel geofferd. In natuur, vooral boter, en dan publiek verkocht, het pond twee stuivers; kiekens, eieren, anderhalve stuiver het dozijn; kazen, soms ten getale van 54, een à twee stuivers het stuk; verder koren en brood, boekwei, appelen, rapen, een hesp, een roof wol. Ook in geld, op Sint-Jans-Geboorte, de 24 juni, van 4 tot 10 gulden; op Sint-Jans-Onthoofding, de 29 augustus, van l tot 4 gulden; voorts de dagelijkse offer.

    Meer dan eens maakt iemand aan de kerk ter eer van Sint-Jan, een pandrok of bouwen, van drie tot zes gulden voortverkocht. In 1573 begint men ex-voto's van was, een paard, een koe, een varken, te offeren.

    De bijzonderste plechtigheid was de omgang of processie van Sint Jan. Dan luidden en beierden al de klokken op de toren. In 1563 kocht men nieuwe vanen en kruisen. Zes kruisen en vijftien toortsen of dikke kaarsen werden meegedragen; daartussen de santen :Sint Jan, gekleed in een rok van rood laken, met trijp afgeboord en met blauw lijnwaad gevoerd; Onze Lieve Vrouw, met rok en mantel. Zo ging de processie langs Grootlo om, waar men preekte aan de kapel.

    In 1562, alleen dit jaar, spreekt men te Schriek van een Sint-Jansbruiloft; van een Lieve-Vrouwenbruiloft te Herentals rond 1559, in de schoot van de oude gilde of broederschap van Onze Lieve Vrouw.
    Te Schriek voor de Sint-Jansbruiloft kocht men :
    drie vierendeel van een koe, vijf en een halve ton bier, elke ton 25 stuivers, vier halster tarwe, een veertel rogge, een veertel erwten, siroop tot de erwten en nagelen tot de hutsepot, een half vat zout, een pond peper, een pot mostaard, een ons saffraan. Het overschot werd verkocht. De uitgaven, met vijf hopen hout en vier mutsaards, koken en schotelwassen, bedroegen veertig gulden. Het was een extra feest op de kerkwijding of kermis van Sint-Jans-Geboorte.

    Op Sint-Jans-Onthoofding, de tweede kermis, was er ook processie, maar minder toeloop van volk, blijkbaar het vierde paart.

    De kapel van Grootlo.

    De kapel wordt reeds tweemaal vermeld in het Cijnsboek van 1450. Grootlo, onder de parochie van Schriek, deed mee aan de feesten van Sint-Jan, zo op Sint-Jans-Geboorte, wanneer de processie langs Grootlo omging en men daar preekte. De kapel was toegewijd, van ouds, aan de Zoete Naam Jezus, met op die feestdag bijzondere offer, waarvan een derde toekwam aan de parochiekerk. In 1570 werd Niklaas Apostools in de kapel begraven. Rond 1573 komt de kapelaan van Schriek er driemaal per week de Mis lezen, dank zij een schenking van Juffrouw Margriet Cuypers.

    Kerkgoederen. en plaatsnamen.

    Goederen van de kerk en van de H. Geest zijn reeds, in 't algemeen, vermeld in de cijnsboeken van 1447 tot 1555.

    In de kerkrekeningen, van 1560 af, komen nadere benamingen voor. Als kerkgoederen, onder andere :Heinken Woyts land (van persoonsnaam Henric Woyts 1447); de Gote aan de Perstraat en de Perbrug (Wouter vanden Perre 1447). Als kerk- en H. Geest-goederen : de Tuinlanden (Godevart vanden Tuyne 1447); de Ruyschenbeemd (Aert Ruysche 1447); Hennen Bruurs hofstede (persoon overleden voor 1567). Verder nog : een euzel aan de Bollodijk (Bollo, plaats-en personennaam 1447); een stuk land genoemd de Beers; een bos in de Hongerijestraat; kerk- en H. Geest-bossen in de Haagstraat.

    Oude plaatsnamen, van 1447 zijn ook : de Donk, de Oostheide, der Monken of Monniken moer van Grimbergen, een bunder land dat heet den Hovel, een land nevens het gerecht, de onderbank (later misvormd tot de donderbank). En misschien staat Geert van Hasenberge in verband met de plaatsnaam Hazenbergen.

    De dorpsnamen, Schriek en omliggende, hoe oud zijn ze, en wat betekenen ze ?

    Grootlo. — Grutlo, in de oudste Latijnse akte van l221. — Grootloe, 1425. — Wij schepenen van Groetloe, 1441. — Grooteloo, 1496. — Grootloo, Grooteloe, 1360-1376. — Grootlo betekent : groot bos.

    Raam. — Rama (Latijn), 1221. — Tienden voorbij de kapel van Grootlo tot aan « den Raem » en palen van Keerbergen, 1746-70. — Tienden van aan de kapel nevens « den Raem » en de palen van Keerbergen naar de oude dijk, 1771-89. — Heden nog de Raambeek. Raam betekent : grens, als lijst.

    Schriek. — Locus, capella de Schriecke (Latijn), 1309. — Prochiaen « vanden Scriecke », 1313. — In Scryecke (Latijn), 1426. — Sint Jans inden Scriec, Schrieck, Schriecke, 1419-1499. — Wij schepenen van Sint Jans inden Schrieck, 1499. — Kerk van Sint Jans inden Schrieck, 1361-76. — Schriek, van schrikken en schrik, betekent : springen, sprong, dus een oneffen bodem die op en neer gaat.

    Heist-op-de-Berg. - Villa Heiste (Latijn), 1008. — Altare de Heyste, 1147. — Heyste, 1313. — Heyste, soms Heist, 1360-76. — Heist, zoals hees, heest, betekent ; kreupelhout.

    Beerzel. — Baersele, 1164. — Beersele, 1298. - Berzela, en Bersele, 1309. — Lodewyc van Barsele of Bersele, 1369-89. - Beersele, 1496. — Beerzel, van baar, bar, ber, dat is naakt of bloot, betekent : eenzame en woeste woonplaats.

    Putte. - Sancti Nicolai de Puteo (Latijn), 1286. -Sinter Claus vanden Putte, 1332. — Putte, 1361-76. — Putte, van put, betekent : diepte, laagte. (Carnoy, Dictionnaire etymologique. - Mansion, VIaamsche Plaatsnamen. ,— Helsen, Plaatsnamen der Antw. Kempen).

    Uit dit hoofdstuk over de volgroeide parochie is gebleken, hoe Schriek leefde in de l6e eeuw, van 1560 tot 1576. Leefde het ook met de tijd mee ?

    In 1566 lichten de kerkmeesters, uit voorzorg, de offerblokken, « toen dat regiment en de beroerte der ketterijen was », hetgeen wijst op de beeldenstorm.

    In 1671-73 betalen zij drie gulden en tien stuivers aan de meier terug, « van de kelk te lossen uit des prinsen volks handen ». Die prins zal wel Willem van Oranje, de Zwijger, met zijn soldaten geweest zijn.

    En op 't einde van 1573 worden twintig stuivers uitgegeven « van de kerkrekening te schrijven en te herschrijven met de torbele tijd ». De troebelen waren inderdaad begonnen, en het zou steeds erger worden.

    De Nederlandse Beroerten zijn een storm geweest, die op staatkundig gebied, de eenheid der Nederlanden tussen zuid en noord voorgoed heeft verbroken, maar op godsdienstig gebied, bij ons in 't zuiden slechts tijdelijke achteruitgang heeft aangericht, die daarna door een sterke katholieke heropleving vergoed is geworden

    DEEL II
    VERVAL EN VERDERE GROEI
    (1596-1806)

    In 1578 werden de Spanjaards onder don Juan verslagen, te Rijmenam, door de Staatse Kalvinisten. De strijd zou hoog oplaaien en lang duren. Bijna twintig jaar liet de parochie Schriek niets meer van zich horen. Betere tijden daagden eindelijk op onder de aartshertogen Albrecht en Isabella, in 1598.

    Hoofdstuk V
    DE HERSTELLENDE PAROCHIE, 1396-1613

    Het is niet moeilijk, na die grote beroerte, van jaar tot jaar, de ontwikkeling van de onzekere toestand, nu eens vrede, dan weer oorlog, met alle gevolgen daarvan, goede en kwade, op voet te volgen. (A. A. M., Dek. Visit.).

    Pastoors, kosters, kerk.

    Het eerste teken van leven komt uit de kerkvisitaties. Het klinkt er sober en ernstig, als een noodkroniek; maar langzaam herneemt het herstel en stijgt de hoop op herleven.

    1596. De parochie Schriek, zo schrijft de deken, is niet toegankelijk, om de gevaren vanwege de ketters. En de volgende jaren tot 1606 toe : « Niet bezocht; de pastoor ontmoet in Werchter; in Haacht; de kerkmeesters gesproken in Keerbergen; zelfs geen kerkmeester gezien ».

    Heer Henricus Holaerts, pastoor in Keerbergen, rechtschapen en gewetensvol, doet beurtelings om de andere zondag, ook dienst in Schriek als deservitor.

    1598. Er zijn nog 30 volwassenen thuis om hun Pasen te houden, tegen 250 in 1573. De kerk is goed hersteld. De kerkgewaden zijn zeldzaam : slechts een kazuifel, een kelk in koper verguld, een zogezegde zilveren monstrantie.

    1599. Reeds 100 kommunikanten. De kerk staat vol huisraad. Geen pastorij.

    Marten Verschueren, koster, onderricht ook loffelijk en met vrucht de jeugd.

    1600. Rond het kerkhof, verschansingen en hutten met twee huisgezinnen; in de kerk, huisraad en gerei allerhande.

    1601. Kelk en monstrantie werden naar Mechelen in bewaring overgebracht Vier altaren ontwijd, een draagaltaar ongeschonden, een enkele klok tegen vier voor het jaar 1576.

    l602. Heer Henricus Holaerts, die lange tijd deservitor was, heeft zijn dienst opgezegd, uit vrees een tweede maal ontvoerd te worden.

    1603. In de Paasdagen is heer Petrus Laenen, vroeger kapelaan te Berlaar, in Schriek komen biecht horen, zonder jurisdictie, in de uiterste nood.

    1604. Heer Henricus Bellens, deservitor, van Leuven, hoort hier de biecht zowel als in Putte.

    Hij schrijft in het eerste, nu nog bewaarde doopregister, de 43 leden op van het zondagsgebed, beginnende op Sinksendag van net jaar 1604. (R.A.A.. parochieregisters van Schriek).

    1603. De kerkvensters zijn van glasramen voorzien. Een gezin, dat tot nu toe in de kerk sliep, heeft elders een onderkomen gevonden.

    Heer Martinus Rijthoven, deservitor.

    1606. Geen pastorij. Doch de kerk heeft een school gebouwd, waarin de pastoor woont tijdens zijn residentie, alhoewel hij 's nachts naar de sakristij trekt.

    1607. Het kerkbof is met wallen en schansen ingesloten; kerk en kerkhof zijn ontwijd, daar er tijdens de troebelen enige van de plunderaars gedood en begraven werden. Het kerkschip is zwart beklad door de rook: van die er eertijds woonden.
    Heer Godefridus Peetermans, deservitor.
    Willem. Holaerts, koster, een jongen van 14 jaar.

    1609. Met het Twaalfjarig Bestand is een tijdelijke vrede ingetreden. Sedertdien kan de deken weer het kerkbezoek komen doen. De kerk heeft nog grote herstelling nodig.

    1610. De kerk is opnieuw gewijd, met hoogaltaar en kerkhof. Op verschillende plaatsen regent het nog door de kerk.

    Kerkrekening van 1610 en Sint-Jan.

    De kerkrekeningen, van Lichtmis 1610 te beginnen, zijn meestal bewaard gebleven. Waar vroeger alleen gesproken werd van ontvangsten en uitgaven, worden ze nu beide op bun beurt in verschillende hoofdingen onderverdeeld. (K.A.S. nr 501, kerkrek.).
    Als buitengewone ontvangst geldt de offer uit de, schaal, offerblokken, bussen, en allerhande giften, zoals boter, eieren, kaas en hoenderen, ten profijte van de kerk in 't openbaar verkocht, 148 gulden.
    Onder de uitgaven, op te merken, voor de eerste maal : betaald aan 20 dozijnen beeldekens om op Sint-Jansdag uit te delen, 4 gl. 3 stuivers.

    1611. Een nieuwe biechtstoel met tralies gemaakt. Een tabbaard of rok gekocht voor bet Sint-Jansbeeld. Aan meester Peter Ceulemans, schilder te Mechelen, een Sint-Janstafereel aanbesteed.
    Voor de vijf wilde lieden, die te Sint-Jansmis de processie in orde houden, gekocht vijf mommenaanzichten.

    1612. Ontvangen met de schaal, en giften in ’t openbaar verkocht, 97 gl. Op Sint-Jansdag ontvangen van de gehele offer, 113 gl.
    Gekocht tegen Sint-Jansdag vaantjes en evangelieboekjes, 3 gl.; en ander beeldekens, 17 st.
    De kerk is nu goed gedekt, zowel als het koor en de toren.
    De bisschop komt in Schriek bet H. Vormsel toedienen.

    Kapel van Grootlo.

    In 1609 ligt zij erg verlaten, omringd van schansen, beroofd van vensterglazen, het altaar ontwijd, met alleen een beeld van 0. L. Vrouw. In 1610 is zij behoorlijk hersteld, en het altaar gewijd. Kapelmeester is Jan Hoolmans.

    Hoofdstuk VI
    PET. ADRIAENSENS PASTOOR, 1613-1655

    Men was de nieuwe pastoor gaan opspeuren in de Kempen, te Retie; hij begon als deservitor de 7 oktober 1613, en werd feestelijk ingehaald.

    Het herstel ging voort, er was nog veel te doen. Al dadelijk kreeg de pastoor, vanwege de heer Jan vander Laen ridder, twee eiken bomen tot opbouw van zijn kamer, namelijk de school, die vervolgens tot pastorij zou dienen. Op Palmzondag werden aan de schoolkinderen noten en appelen, koeken en krakelingen uitgedeeld. Na de middag preekte voortaan de pastoor zelf, tot het einde van zijn leven, de Passie. En te Grootlo deed hij de Mis elke vrijdag. Willem Hollaerts was nog altijd koster. (K.A.S. 501).

    De Tafel van de H. Geest schonk, in 1616, een hulpgeld van 60 gl. voor de reparatie van de kerk. Even vermeld : Hendrik Keinis, koster en schoolmeester.

    Sedert Bamis 1617, meester Jan Serneels koster.

    Een preekstoel gemaakt in 1618. Om kerk en pastoor te onderhouden, besluiten de schepenen en dorpsmeesters eenparig, een belasting van 10 st. per ame te heffen op alle bieren die bij de tap gesleten worden, dit jaar samen 143 gl. waarvan 8 gl. voor de kerk.

    Van noten en fruit op 't kerkhof niets ontvangen in 1619, vermits die van 't krijgsvolk ze hebben vernield.

    Van het houtgeld, dat de kerk heft en heeft. op elk honderd blekstukken 10 st., ontvangen samen 14 gl. in 1620. Gegeven 4 gl. tot de kerkekom of -kist, om de papieren en manualen van kerk en H. Geest, alsook de registers van het dorp in te bewaren.

    Een nieuw altaarkleed of antependium, als gift van de heer Rosseel, 1622. Er worden heilighertekens, beeldekens en ander prijzen uitgedeeld aan de jonkheid die de Katechismus bijwoont, 1623. (K.A.S. 502).

    Als de klok, in 1628, is kersten gedaan, van de offer ontvangen 127 gl. Betaald aan Peter de Clerck, klokgieter te Mechelen, 400 gl. Waarover proces tot 1641, en dan nog 300 gl. betaald.

    Een nieuwe rok gekocht voor 0. L. Vrouw, 1629. Twaalf manspersonen hielpen de stal aan het pastoorshuis rechten.

    Van Kerstmis 1629 tot 1636 is heer Michiel Bogaerts kapelaan en koster.

    De klokgieter Peter vanden Gheyn komt, in 1633, de klok hergieten te Schriek; hem betaald 100 gl.; gedurende de nacht werd de klok gesmolten.

    De school getimmerd op het kerkhof, in 1635, waartoe 103 busselen schutstro. Reparatie aan de horloge, in 1637 door Melchior Coomans, en in 1640 door Cornelis van Bouchout.

    Sedert Lichtmis 1638 is Lodewijk Elen koster.

    Er komt in 1646 een nieuw tafereel boven het hoogaltaar, waarvoor Frans van Roey het schrijnwerk levert, 600 gl., en Thomas Lorent de beelden snijdt, minstens 150 gl.; samen met een Sint-Jan boven het tafereel; ook een nieuwe schilderij, 150 gl. Eveneens in de kapel van Grootlo, een nieuwe altaartafel en een schilderij van de H. Naam Jezus.

    De pastorij, geheel in stro en zeer oud, moet hersteld worden, op last van de kerk, 1651. Het altaar van Sinte-Anna, waarop van ouds een Mis gesticht werd, voldoet niet meer om Mis te lezen.

    Maximilien l'abbé schildert het beeld van Sint-Jan en andere beelden, 1652. Quirijn van Eynde timmert een gestoelte voor de kerkmeesters. Ge ziet hoe er aanhoudend voor de kerk gezorgd werd.

    In 1654 sloeg de bliksem op de toren : dat zou nog meer herstelling vergen.

    Pastoor Adriaensens stierf de 11 januari 1633, 70 jaar oud. Hij was een goed mens en een ijverig priester.

    Verering van Sint-Jan, 1613-1655.

    Men gaat voort, en wel in stijgende lijn, met het vieren van Sin-Jans-Geboortedag, de processie, de offer, de vaantjes en evangelieboekjes.

    Verlenen verder hun medewerking : de wildemans die hun devoir in de processie doen, de jongmans die het Sint-Jansbeeld dragen, de zangers van het koor die de processie vereren met spel en zang. Later nog, de schutters, een of twee speellieden, de dochters die op Sint-Jansavond de kerk schuren en versieren.

    In 1616 vraagt de deken, te ordineren dat de processieweg gemakkelijker en korter zou zijn op het feest van Sint-Jan. Het staat niet vast of er gevolg is aan gegeven.

    De offer op Sint-Jans-Geboorte klimt steeds hoger in de jaren 1618 tot 1654, als volgt : 106 gl., 112, 126, 151, 148, 188, 202, 209, 218 gl., waardoor deze offer, in de vier laatste jaren, de helft der algemene jaarlijkse begroting van de kerk verre overtreft.

    Oorlog en pest, 1621-1652.

    In die tijd groeit de bevolking langzaam aan : 247 kommunikanten in 1615, 260 in 1616, 272 in 1622, 300 in 1633. Maar zij is tot 228 gedaald in 1642, om tot 270 te geraken in 1652. De oorzaak was niet ver te zoeken.

    Het Twaalfjarig Bestand eindigde in 1621. In 1622 staat de kerk weer vol huisraad, ook in 1625 en 1635 : de soldaten komen, de mensen vluchten, naar kerk en kerkhof, of verder.

    In 1636 begint de schrikkelijkste tijd der zogenaamde « retorsie » of wedervergelding, vanwege de Hollandse Kalvinisten uit Bergen-op-Zoom tegen de open Kempische dorpen, door afpersing en plundering, door contributies en exekuties, door wegvoering en rantsoenering, vooral van priesters. Ja, ook de pastoor van Schriek ! Maar zijn volk sprong hem bij. De kerkmeester heeft zestig gulden betaald voor rantsoen van de heer pastoor, als deze gevangen was van het Statenvolk in de tijd der retorsiën, opdat zij hem niet zouden meevoeren naar Bergen, en dit uit konsideratie voor de goede en getrouwe dienst van de pastoor, in deze uiterste nood. Toen is er ook een portie ruiters van Roost, onder Haacht, gekomen naar de processie te Schriek, om de pastoor te verdedigen tegen de vijand. Ditzelfde jaar heerste in Schriek de pest.

    Later, nog veel soldaten in 1642. En in 1646, de kerk van Schriek, de kapel van Grootlo, vol meubelen. In de maand maart worden Petrus Carlier, alias Peter de mandenmaker, onnozel in de slag der Lorreinse soldaten bij Mechelen, en Jan Pelgrims ook door de soldaten doodgeschoten.

    Door het verdrag van 1648 te Munster eindigde de tachtigjarige oorlog, maar toen begon een onophoudelijke reeks van plaatselijke vijandelijkheden. In 1652 lag wederom een garnizoen in Schriek.

    Officieel worden de gebeurtenissen van 1636, zowel oorlog als pest, door schepenbrieven van Keerbergen bevestigd. «Wij schepenen doen te weten voor de gerechte waarheid, ter instantie van schepenen en bedezetters der heerlijkheid van Sint-Jans-in-'t-Schriek en Grootlo, dat dit dorp, een van de zeventien makende samen het land van Mechelen of van Arkel, klein in zijn omvang, in 1634, -35 en -36, geleden heeft grote overlast van soldaten, als gelegen op de baan tussen Aarschot en Lier, en grote schade tijdens de belegering van Leuven, toen door de Fransen zijn geheel geplunderd en uitgeroofd hun kerk en kapel, zodat de gemeente gans verstrooid is, veel huizen afgebroken en verbrand, na welke belegering de bevolking is bezocht door de besmettelijke ziekte, de tijd van twee jaren... Aldus gegeven, 9 juni 1638 ». (De Raadt, Eenige on onuitgegeven stukken... Bijdragen Hist. Gen. Utrecht, 13, blz. 157).

    En nu de pest. Met de woorden « gestorven van de pest», in het parochieregister van 10 augustus tot 26 October 1636, tekent de pastoor 64 overlijdens uit 29 gezinnen met name afzonderlijk aan : uit 1 gezin zeven sterfgevallen, uit 1 gezin zes, uit 2 gezinnen vijf, uit 2 gezinnen vier, uit 3 gezinnen drie, uit 4 gezinnen twee, uit 17 gezinnen een.

    De kerkrekening te Schriek is onvolledig; toch staat er genoeg in. In dit jaar doet de pastoor acht Missen tegen de pest, en nog eens acht; wie weet hoeveel meer er niet opgetekend werden ! Men schuurt de kerk, waarin er twee van de pest gestorven zijn. Men legt een brug achter aan 't kerkhof, om er de doden over te dragen die van de besmettelijke ziekte waren gestorven.

    Ook de H. Geesttafel, buiten de gewone armenzorg, heeft in die uiterste nood moedig geholpen. Enkele voorbeelden. Aan Willem en zijn huisvrouw, beide ziek liggend, voor hen en hun kinderen om te kopen wat zij van doen hebben. Aan Katelijn, om te kopen kaas, boter en anderszins, achtmaal. Aan Gijsbrecht, zittende in de zaligheid. Aan Hendrik zittende in de ziekte. Een doodkist voor Adriaan, gestorven van de zaligheid; melk en boter voor de kinderen van wijlen Adriaan. Aan Gillis zittende in de ziekte, voor gehaalde waren en anderszins, zesmaal. Om twee doodkisten en twee graven te maken, voor de huisvrouw van Gillis en zijn zoon, gestorven van de zaligheid... (R.A.A. Schriek, nr 1-5). Van pest en oorlog, verlos ons, Heer !
    wordt vervolgd



    29-12-2013, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    27-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Parochiegeschiedenis-2

    PAROCHIEGESCHIEDENIS VAN SINT-JAN BAPTIST TE SCHRIEK EN DE H. NAAM JEZUS TE GROOTLO

    DOOR
    J. R. VERELLEN, pr.

    U I T G AV E
    van de Pastorij Schriek
    © Copyright 1956

    Deel II

    Hoofdstuk VII
    HEILIG-GEESTTAFEL OF ARMENZORG, 1360

    De zorg voor de armen is zo oud als de kerk en behoorde van eerst af aan de kerk.

    Bijna in alle haardtellingen sedert 1437 worden de huizen van de H. Geest of van armen afzonderlijk aangegeven, en in 1496 is een H. Geestmeester van Schriek bij name vermeld. De twee H. Geest- of armmeesters deden, zeker van voor 1560, samen met de kerkmeesters, op Lichtmis hun rekening in de aanwezigheid van pastoor en schepenen.

    De ontvangsten bedroegen in 1611 : 107 Rijnsgulden, en 13 veertelen koren met een moken. De rekening van 1619 is de oudste die volledig bewaard bleef. (R.A.A. Schriek. H. Geestrek. 1-5).

    De uitgaven aan de armen gebeurden in geld of in rogge. Ziehier enige voorbeelden.

    In geld : voor een lijnwaden broek en wambuis, een paar schoenen, twee hemden, een paar holleblokken, een wollen hemdeken voor een kind, een linnen kiel, enige klederen voor de H. Geestkinderen, voor twee schoolboeken, want het onderwijs was kosteloos voor de kinderen der armen. Voor het houden van een kind, een jaar mondkosten voor een jongen. Een pond boter en wittebrood voor man en vrouw ziek liggende, aan klein vrouwken als Franske ziek was voor wittebrood, dertig pond brood, zes potten botermelk, aan de blinde vrouw van Blasius, om de ogen te meesteren van Maaike, aan de barbier van Keerbergen voor het kureren van Anna, aan meester Gommaar te Beerzel voor het genezen van Gillis, aan Anneken te Oosterwijk voor het dienen van Jan in zijn ziekte. Voor de kerkerechten van de uitvaart, drie doodkisten vanwege de H. Geest, voor een vaatje bier bij de begrafenis van het kind van Klaas.
    In koren : aan twee oude lieden die kreupel zijn en de kost niet kunnen winnen, aan Anna tot onderhoud van haar en haar kinderen, aan Jan tot onderhoud van vrouw en kinderen, en zo voorts; niet alleen een of meer mokens koren, ook wel een ton bier, en dit alles in verschillende keren, en herhaald zo dikwijls als 't nodig of nuttig was.

    De Lazarij, 1574-1689.

    Een bijzondere zorg werd vanwege de H. Geest besteed aan de lazarij, de melaatsheid en het melaatsenhuis. Daar zijn veel schriftelijke bewijzen van, wat Schriek betreft.

    In 1574 werd de uitvaart van Marie N. lazarus gedaan in de kerk. In de kerkvisitatie van 1575 klaagt de deken erover, dat een leproos, die in Kontich geboren is en een leproze vrouw getrouwd heeft, op Sint-Jans-dag in de herberg onder het volk zit te drinken, en jaarlijks een prebende of onderhoudsgeld van 18 gulden opeist.

    Vooral in de H. Geestrekeningen wordt dikwijls van lazarij en lazarus gesproken. In 1620, leem gestoken en gehaald tot de lazarij. In 1631, de lazarij verhuurd voor drie gulden; een grauwe mantel gekocht voor Jakob N. lazarus; aan Jakob voor 32 busselen stro om de lazarij te dekken. In 1637, betaald van de steen uit te breken aan de lazarij. In 1652, Jan van den Broeck, vanwege de lazarij een rente van twee mokens koren. In 1653, doen wegvoeren Anna N. om te laten visiteren of zij lazarus was.

    In 1662. ontvangen van de heer pastoor, om Jakob mede te kleden, die lazarus geworden was, 9 gulden; gegeven aan Jakob lazarus, 17 gl. In 1664, betaald aan de mantel van de lazarus, 10 gl. Betaald, als de vrouw van Peter N. naar Leuven werd gevoerd om gevisiteerd te worden. In 1667, gekocht een paar schoenen voor Jaak de lazarus, 2 en half gulden. In 1668, voor de lazarus nog een paar schoenen. In 1669, gegeven aan de lazarus twee mokens koren. In 1673, gegeven aan de vrouw van de lazarus drie mokens koren; op 28 december 1673, een doodkist voor de lazarus; daarna, aan de weduwe van de lazarus gegeven vier mokens koren. In 1682, betaald voor het houden van Gillis, de zoon van de lazarus, 5 gl. Ten slotte, van 1689 af, wordt de lazarushof aan l gl. 10 st. per jaar verhuurd.

    H. Geestgoederen, 1620-1686.

    Worden als dusdanig opgegeven in de H. Geestrekeningen : de Drie-H. Geesten, Schriek, Putte, Beerzel, later de Vier H. Geesten, met Waver erbij; het H. Geest-Streepken aan de Bollodijk; het H. Geest-Beers; het Raapland; het Brouwersland, in de Hongerijstraat, waarop in 1686 voor de H. Geest een huis gebouwd werd van vijf gebinten, aan een zijde allemaal afhang, en aan een zijde gevel, voor de som van 32 gulden, dat dan verhuurd werd voor 31 gl.

    Het bedevaartvaantje van Sint-Jan.

    Op de voorgrond, van links naar rechts, een straat, met van weerskanten een huis en een afsluiting. Door het openstaande veken tussen de twee draaibomen, komt uit de kerk van Schriek de processie, waarin het beeld van Sint-Jan op een berrie wordt gedragen. Rechts van de stoet, staan de wildemans, de knots op de schouder geheven of erop steunend, gereed om de processie in orde te houden.
    In de diepte, tussen de kerk en het pastorijhuis, een beeld van het Kind Jezus op een verhevenheid met vereerders omringd, en daarachter, de kapel van de Zoete Naam Jezus te Grootlo.
    Sint Jan Baptista, tot Schriek, bid voor ons.

    De afbeelding werd gedrukt op de oorspronkelijke grootte van het vaantje, 29 cm breed en 33.3 cm hoog, (Vergelijk: : Van Heurck, Les drapelets de pélerinages... Antwerpen, 1922, blz. 409).

    Hoofdstuk VIII
    JUD. MERTENS PASTOOR, 1655-1703

    Na de dood van pastoor Adriaensens, werd Judocus Mertens, door de aartspriester van Antwerpen als persoon van Heist en patroon van Schriek, voorgesteld aan de aartsdiaken van Mechelen, de 12 juni 1655; bekwaam bevonden « per concursum » en benoemd de 16 juni; en door de pastoor van Keerbergen als deken, aangesteld te Mechelen, de 18 juni. Geboortig van Puurs, had hij gestudeerd aan het Seminarie van Antwerpen, was toen rond de 54 jaar oud, en deed tegen Bamis zijn intrede te Schriek.

    Intussen was de heer P. Brootcorens deservitor.
    Van het begin af ging de pastoor voort, toren en kerk na de brand te herstellen; de onkosten beliepen meer dan 1000 gulden.

    De verering van Sint-Jan werd bijgehouden. In 1655 kocht men 432 vaantjes van Sint-Jan, en 550 in 1656. Van dit jaar af kwamen de ruiters van Betekom de processie vereren. De offer van Sint-Jans-Geboorte bracht 176 gulden op. De pastoor nam dadelijk het prediken der Passie op Palmzondag over. Hij stelde in 1658 een hondslager of kerkmeier, anders gezegd een suisse aan, om de orde in de kerk te handhaven; een vreemde priester kwam drie Missen celebreren in de Kerstnacht. Men kocht een nieuwe monstrantie. Het nieuwe kwam erbij, het oude bleef of moest verder hersteld worden. (K.A.S.503).

    De pastorale tienden, 1575-1708.

    De verplichting tot kerkelijke tienden, waarvan een deel voor de parochiepriester, een deel voor de kerk, en een deel voor de armen, werd veralgemeend onder Karel de Grote en zijn opvolger, rond 800. Maar in latere eeuwen geraakten ze meestal in ander handen, zelfs van leken.

    In 1309, bij de stichting der parochie, was de tiende van Schriek in het bezit van Gillis Berthout, wiens grootvader ze ontvangen had van Nikolaas bisschop van Kamerijk. In 1575 werden de tienden verzameld door leken in 8 paarten; de pastoor zelf bezat geen enkel tiende, maar ontving alles bijeen 28 gulden van de genoemde tiendeheffers. Zes van die familienamen komen reeds voor in het cijnsboek van 1450, een als volgt : « Roelant de Wintere, van de tiende, 8 deniers ». De zevende was Hendrik Roelants. Zijn erfgenamen verkochten, op 20 augustus 1605, voor 278 gulden, aan Gommaar van Yetegem, het zesde deel der gehele tienden van Schriek, belast op vier gouden peters van negentien stuivers voor de kerk, en zeven stuivers voor de H. Geest. (K.A.S., 87, 451).

    Op 30 oktober 1607 kocht de kerk een erfelijke rente van drie veertelen koren en drie gulden jaarlijks, als het zesde deel der tienden, dat aan Hendrik Roelants en Gommar van Yetegem toebehoord had.

    In 1613 heeft de kerk twee zesdedelen, en de H. Geest een zesdedeel. Juffrouw Wagewijns bezit ook een zesdedeel, waarvan zij aan de kerk 17 gl. geeft. De pastoor krijgt 29 gl. en 10 stuivers. Tot de pastorijtienden behoren ook de lammertienden en de houttienden. De prelaat van Park haalt de tiende op van de Bollodijk, die hij beschouwt als een toemaat der tiende van Keerbergen, zonder iets af te staan.

    De 24 november 1625 wordt een akkoord gesloten tussen pastoor Adriaensens ter ene zijde, en schepenen, dorpsmeesters, kerk- en H. Geestmeesters ter andere zijde, als volgt : de pastoor zal hebben al de tienden zo nieuwe als oude, de nieuwe op de 32e en de andere op de 16e schoof; daarenboven voor de kerkrevenuen, een rente van 5 gl. en een rente van 5 gl. en 1 st.; hij zal ook mogen gebruiken het land dat de kerkmeesters onlangs gekocht hebben, met een bemdeken van omtrent een half bunder in de Pachtheide; en dit alles gedurende de tijd van zijn residentie. (K.A.S., 91/b).

    Vroeger werd hij aangenomen, boven zijn huishuur, voor de som van 300 gl. die de kerkmeesters hem jaarlijks uitbetaalden.

    Maar in 1653, de 14 juli, verkondigt Ferdinand Antoon van Broekhoven, schout te Lier, dat hij, als bijzonderste gegoede, in de naam van meier, schepenen, dorpsmeesters, regeerders, gegoeden en ingezetenen der heerlijkheid van Schriek en Grootlo, publiek zal verkopen de oude tienden op de 16e en de novale op de 32e schoof, als aan het dorp kompeterende, alsook de Bollotiende van de prelaat van Park, om daarmede hun dorpslasten te betalen. De pastoor wordt in dit stuk niet eens vernoemd. (K. A. S., 93).

    Deze aanslag, in 1653 onder de oude pastoor, gepleegd op het recht der tienden, kon de nieuwe pastoor in 1655 niet dulden. De kwestie kwam voor de Soevereine Raad van Brabant, het Vikariaat van Mechelen steunde de pastoor door brief van 30 juni 1657.(K. A. S., 99).

    Het zou lang duren... Op 3 juli 1658 werd een voorlopig akkoord getroffen, tussen de pastoor enerzijds, schepenen en dorpsmeesters en oude eedslieden anderzijds : de tiende zal alle jaren door de gemeente verpacht worden in vijf partijen of anderszins, en daarna zal de pastoor de uitslag der verhuring ontvangen, om de penningen daarvan in 't geheel te innen; verder mag hij het land van de gemeente en al het overige blijven genieten gelijk zijn voorzaat. (A.A.M., Visit. 1666).

    Van het jaar 1658 af, noteert de pastoor stipt in zijn register de verpachting der pastorijtienden, in 3 delen : de Schriektiende of Schriekstraat, de Hongerij of kerktiende, de Donken, de Lauwerijken, en de Langestraat of Koortiende. De tienden werden in 't openbaar verpacht voor geld, of door anderen ingehaald voor stro en kaf, of door de pastoor zelf die kar en paard en knecht had. (K.A.S., 97/bis).

    Veel later komt de kwestie weer voor de Raad van Brabant, met toestemming van het Vikariaat; en in 1674 valt het definitief vonnis tegen de schepenen en regeerders der gemeente. (K.A.S., 115-119).

    En pastoor Mertens kan rustig voortgaan de opbrengst der pastorele graantienden aan te tekenen tot het einde toe, in 1703, alsook de lammer-, vlas- en bostienden. (K.A.S., 109, 124, 133).

    Evenals de tienden, dient ook het houtgeld tot onderhoud van de goddelijke dienst, pastoor en koster, alsmede tot reparatie van de kerk. Het wordt reeds vermeld in 1620, en de impost op de bieren 1618, tot hetzelfde doel. Zij worden de 15 mei 1675 vernieuwd door koning Karel II, op verzoek van de pastoor, kerkmeesters en ingezetenen van Schriek en Grootlo, die er sedert meer dan 70 jaar in bezit van zijn, namelijk 12 stuivers op elke ton bier die gesleten wordt, en op elk honderd hout dat gekapt of verkocht wordt één hout, hetgeen men gewoonlijk honderdgeld noemt. (K.A.S. 121).

    Koster en schoolmeester, 1637-1701.

    In 1617 had de deken er meermaals op aangedrongen, dat de koster zijn eed zou doen en als schoolmeester de geloofsbelijdenis afleggen, wat wel bewijst dat beide ambten onder geestelijk toezicht stonden.

    De 6 augustus 1637 werd Lodewijk Elen tot koster en schoolmeester benoemd, op de kondities door de schepenen goedgekeurd. Hij deed voorts altijd goed zijn dienst, en was in 1655 omtrent 70 jaar oud. De 4 november schrijft de nieuwe pastoor op de aannemingsbrief van 1637 : «Alzo de regeerders mij aanzochten de koster om zijn ouderdom af te zetten, heb ik hem gehouden tot op zijn sterfdag. (K.A.S. 97).

    In 1659 wordt door de pastoor Peter Mangelschots tot koster aangesteld, en gepresenteerd aan de schepenen en kerkmeesters, die de keus bijtreden. Hij was tevens een bekwaam openbaar notaris, waarvan veel akten zijn overgebleven. Zijn ambt van koster en schoolmeester wordt op Sinksen 1662 voor twaalf jaar verlengd, onder volgende voorwaarden door pastoor en schepenen in 't lange bepaald en met een wedde die in 1637 reeds bestond :

    1. Meester Mangelschots zal de kosterij bedienen gelijk dat behoort; ‘s morgens, op de noen en ‘s avonds de beeklok luiden, ook wanneer het tempeest is van donder en bliksem, en tot alle Missen, gelijk net geplogen is.

    2. Ook zal hij gehouden zijn, op zon- en heiligdagen de Missen te zingen naar gewoonte, en alle ander Missen te dienen of een bekwame dienaar te stellen.

    3. Nog verplicht, de kerk net en schoon te houden, ten minste alle acht dagen eens uit te keren, de altaren te paleren, enz.

    4. Altijd in het visiteren of kommuniceren van zieken medegaan.

    5. De school zal hij moeten houden het geheel jaar, en niet alleen leren vlot te lezen en te schrijven, maar ook goede manieren, en van buiten de paternoster, weesgegroet, credo, tien geboden, zeven H. Sakramenten, vijf geboden der H. Kerk, enz.

    6. Hiervoor zal hij hebben jaarlijks, eerst voor de kosterij zijn gewoon kosterskoren, van een ploeg een moken, van een paard of half ploeg een half moken, en van elk ander handwerker een brood van 10 pond of 3 stuivers.

    7. Nog zal hij hebben jaarlijks uit net inkomen van de kerk 48 gl., maar zal moeten ophalen het honderdgeld.

    8. Zal nog genieten uit de H. Geesttafel, voor het stellen van de horloge, jaarlijks 12 gulden; voor het leren van de arme kinderen, twee veertelen koren; en van de andere kinderen voor schoolgeld, 2 gulden.

    9. Hij mag het huis bewonen, gelijk tot nu toe.

    10. Hij zal vrij wezen van tocht, wacht, impost, en mag zonder lasten een bunder land gebruiken; de school moet gemaakt en hersteld worden om goed te kunnen leren, en de schepenen staan borg voor Let koren of broodgraan. (K. A. S., 104).

    Op te merken, dat bier niet vermeld wordt, hetgeen de koster van ouds ontving over jaargetijden, gezongen Missen, uitvaarten en andere kerkelijke diensten; en dat de school en het kostershuis onderhouden werden door de kerk, aldus, in 1639 van reparatie aan de school 30 gl., en in 1698 van tien banken 7 gl.

    Toen Peter Mangelschots op ‘t einde van zijn leven ziekelijk werd, rond 1698, heeft de pastoor hem een helper plaatsvervanger gegeven, Peter Van Hove, een weesjongen, van eerlijke ingezeten ouders, zeer bekwaam in muziek en orgelspel. Maar dan poogde de dorpsheer achtereenvolgens aan vier andere kandidaten hetzelfde ambt te bezorgen, waar telkens geld bij te pas kwam. In 1701 trekken de drie eerste kandidaten bun woord in, en komen twee ingezetenen en een schepene voor notaris hun handtekening herroepen, als beschonken of gedwongen geweest te zijn. (K.A.S., 105. 144).

    Peter Mangelschots is gestorven de 8 januari 1701, en de 13 januari Peter Van Hove tot koster en schoolmeester definitief aangesteld. De 29 januari schreef de deken, dat geen enkele kandidaat, in strijd met de kerkelijke en burgerlijke wetten, koster en schoolmeester mocht worden, alvorens door de deken toegelaten te zijn. (K. A. S., 138-141).

    Hoofdstuk IX
    STAAT VAN DE PAROCHIE, 1660-1703

    In 1666 werd er door de pastoor een lang overzicht van de toestand der parochie, onder andere, kerk, pastorij, tienden, goederen van de kerk en van de H. Geest, enz., aan de bisschop toegezonden. Anderzijds ontbreken de kerkrekeningen van 1666 tot 1682 geheel, en zijn er tussen 1666 en 1708 slechts negen kerkvisitaties. Het bijzonderste wordt hierna in t kort samengevat.

    Kerk en pastorij.

    In 1664 wordt de kerk geheel gelambrizeerd, en een nieuw kruiskoor gemaakt.

    In 1673, de kerk geplunderd door Hollandse soldaten, en de Paasviering gestoord door Fransen. Certificaties der schepenen van Keerbergen, Rijmenam en Putte vermelden eensluidend : de inwoners van Schriek en Grootlo, beroofd van al hun granen, meubelen en andere middelen, geplunderd de kerk, kapel, molen en huizen door het volk van oorlog. (R.A.A., 37, 38).
    Nieuwe zitplaatsen in het koor voor de zangers, 1681, een nieuw tabernakel in ‘t midden van het hoogaltaar. Een nieuwe preekstoel, door Frans Van Roey schrijnwerker, met vijf beelden, 1682. (A.A.M., Visit.).

    Het opmaken van de toren begonnen in 1687, met veel arduin uit Kampenhout gehaald; en net volgende jaar de voorgevel hersteld; alsook twee nieuwe biechtstoelen, door meester Geraard Van Roey.

    In 1690, vanwege de dorpsheer een zerk gehaald te Mechelen met twee stenen trappen, om in de kerk te leggen.

    Twee zonnewijzers op de kerk gemaakt, 1693, en net volgend jaar de glazen gerepareerd die door de hagel geruïneerd waren op het hoogkoor.

    Jubilee, in 1693, door drie paters Karmelieten gedurende vier dagen; en het jaar daarna, maken van het doksaal en de tuin, door Jan Van Roey.

    De kerk in 1701 beroofd door dieven, die de glazen hadden uitgebroken, een nieuwe kelk gekocht; het jaar daarop een nieuwe sacristij gebouwd.

    De kinderen van de Katechismus worden van 1695 af bijzonder bedacht : prijzen, boekjes, paternosters, en perkamenten beeldekens; ook vijgen en rozijnen te Half-Vasten en als ze te biechten komen voor Pasen.

    Aan de pastorij bouwde de pastoor in 1670 een nieuwe kamer bij; en later ook schuur en stal, die hij op eigen kosten moest herstellen.

    Verering van Sint-Jan.

    Van het begin af werd de verering aangewakkerd :een volle aflaat op Sint-Jans-Geboorte in de kerk van Schriek, door de Paus verleend de 23 September 1638;een aflaat van veertig dagen op Sint-Jans-Geboorte en Onthoofding, de 11 juni 1663. (K.A.S., 4).

    De pastoor getuigt in 1666 dat er grote devotie is tot Sint-Jan, en grote toeloop van pelgrims. Rond de 24 juni ontvangt de kerk van de offer gemiddeld 170 gulden, hierin begrepen de verkochte vaantjes; en uit die offer worden alle onkosten betaald voor degenen die in de Mis en in de processie helpen. Zo worden rond 1682 bijzonder vermeld : voor het trakteren van het koor, 30 gl.; aan de Heynen, dat zij de processie in orde houden, l gl. 10 st.; een half ton bier voor de jonkheid die de processie vereert, 4 gl. 10 st.; aan poeder voor de jonkheid, 4 gl. 10 st.

    In 1693 bedraagt de offer op Sint-Jans-Geboorte nog 104 gl. In 1694, slechts 33 gl. mits de logering van de Engelse dragonders. Maar in 1693 weer 127 gl. en in 1697 zelfs 170 gl. Men spreekt van grote en kleine Sint-Jansdag.

    In 1698 vereert de jonkheid van Betekom de processie, te paard met volle montuur; in 1699, de jonkheid en schutters te voet beschonken met een ton bier, de kleine jonkheid met een vierendeel, en ineens duizend vaantjes gekocht; in 1706, aan de weduwe Bouttade 9 gl. 13 st. betaald, voor 500 vaantjes en voor 't verhelpen van de plaat.

    Kapel van Grootlo.

    De kapelmeester was in 1655 niet min dan 40 jaar ten achter om zijn rekening te doen. En voor en na, is er slechts een enkele bewaard... spijtig vooral voor ons I

    De 7 juni 1662 verhuurt men aan Hendrik Meeus de plaats, waar diens huis en brouwerij staat op het Kapelhof te Grootlo, met nog twee of drie roeden, voor l gl. 10 st. tot behoef van de kapel. (K.A.S., 14).

    In 1673 is de kapel te klein om de naburige bevolking te bevatten, en wordt ze vergroot, op kosten van de pastoor, die van de bisschop daar op zon- en heiligdagen mag bineren. In 1688 bineert hij er nog, onder grote toeloop van volk, en zelfs in 1702.

    Het kapelleken, van. Sint-Bernardus bestond minstens al in 1684, en wordt dan vermeld als volgt : Adriaan vanden Broeck heeft er bij testament 10 gl. aan gemaakt; uit de offerblok ervan gelicht, 2, 6, en 6 gl.; en zo in t vervolg alle jaren.

    Jaargetijden en testamenten.

    Stichtingen zijn er in de parochiekerk altijd gedaan, van 1560 af, zover de documenten reiken. Ziehier meer bepaald enkele voorbeelden sinds 1650.

    1. Jonker Marcus Roussel stichtte een Mis met inschrijving op het Zondagsgebed, verpand op een bosken onder Putte. Hij overleed de 31 oktober 1650, volgens grafsteen met wapen en kenspreuk : Mel post Fel. Zijn familie werd meermaals genoemd onder de weldoeners der kerk, en bepaald in schepenbrieven, meester Andries Roussel in 1559, en Andries Roussel schout van Heist in 1653. Op de zilveren breuk der Sint-Sebastiaansgilde staan de namen met het jaartal : M. Roussel, And. Roussel, 1644.

    2. Jan de Winter voerde in 1657 het testament uit van zijn oom Dionijs de Winter, die kerkmeester was in 1632, en in 1641, 1644 en 1650, schikkingen trof om een gezongen Mis te stichten, tot behoef van de H. Geest, verpand op de helft van het Raapland.

    3. Dimpna Wouters, voor de notaris, meester Peter Mangelschots, een jaargetijde in 1664, op huis en hof geheten het Kwade land, noord aan de Kapelheide. De tekst van zulk testament is te treffend om niet aan te halen :

    « In de naam Ons Heren. Amen... Overdenkende dat er niets zekerder is dan de dood, en niets onzekerder dan het uur der dood, beveelt zij hare ziel aan God almachtig, aan Maria zijn gebenedijde Moeder en heel het hemels heir. Zij vermaakt tot sieraad van Onze Lieve Vrouw in de kerk, haar zwarte rok, zwart lijfken en twee van naar beste voorschoten. En laat aan de Zoete Naam Jezus te Grootlo, drie gulden voor een jaargetijde... » — In 1666 voegt zij erbij : «Twee gulden aan de H. Geest, en aan de kerk twee gulden, en aan Onze Lieve Vrouw twee gulden, eens. Zij legateert drie kaarsen elk van een pond, te weten, aan Sint-Jan, aan Onze-Lieve-Vrouw, en aan de Zoete Naam Jezus. En begeert dat er hier gecelebreerd zal worden een betamelijke uitvaart met twaalf Missen voor de lafenis van naar ziel. » (K.A.S., 64).

    4. Jan vanden Broeck, in 1672, voor notaris Brumeels te Herentals, sticht een jaargetijde, verpand op de windmolen en de Schrans : « Overdenkende de broosheid der menselijke natuur... beveelt zijn lichaam ter gewijde aarde, en begeert begraven te worden in de kerk van Schriek; en zullen zijn twee broeders gehouden wezen, te doen celebreren honderd zielmissen, met nog honderd gulden eens te geven aan de kerk voor een jaargetijde, en samen te doen bakken zes veertelen koren voor de armen in twee jaren ». (K.A.S.. 63).

    Volk en bedrijf.

    Er waren te Schriek en Grootlo, in 1655, 270 Kommunikanten, 350 in 1666, 400 in 1681, om in 1695 tot 1711 te dalen op 380.

    Volgens schatting van de pastoor in 1666, alle jaren 6 à 7 uitvaarten van volwassenen, 3 à 6 kinderlijken, 4 à 5 huwelijken.

    Van 1614 tot 1650, de dopen gemiddeld 17 per jaar; van 1655 tot 1685, 19 dopen-; van 1685 tot 1705, dopen 20, huwelijken 5, overlijdens 5. Uitzonderlijk hoog zijn de overlijdens : 30 in 1693, 28 in 1694, 20 in 1705, en 25 in 1710.

    Het Kohier voor Schriek en Grootlo geeft in 1684 samen 518 bunder 3 dagwand en 30 roeden. In 1686, de zaailanden, weiden, euzels en uitgerooide bossen, 309 bunderen en 100 roeden; de bossen, 244 bunderen, samen 555 bunderen en 100 roeden. (K.A.S., 123).

    In 1684 zijn er een smid, een schoenmaker, een timmerman, twee kleermakers. Twee brouwerijen, de een genaamd de Ploeg, gestaan aan de kerk, en de andere de Wildeman, gestaan onder Grootlo aan de kapel; bovendien nog vier tappers. Ook een windmolen van Gillis Vanden Broeck. (R.A.A., 37-38).

    Dominicus Provinciael heeft in huur een huis, genaamd Sint-Jan, toebehorende aan de pastoor. Daarvoor werd van het kerkhof een stuk van 4 roeden genomen om een gracht te vullen, en eens geëffend op kosten van de kerk het erf, gelijk het gelegen was west de plaats van 't dorp en zuid de pastorijstraat, verkocht op konditie er een huis van fraaie vorm te bouwen met een stenen muur tot aan het dak naar het westen tegen de straat van het dorp. De pastoor kocht het in de 4 januari 1662. (K.A.S., 14).

    De oude pastoor, bijna 80 jaar oud in 1703, die nog preekte, bineerde en kranig bestuurde, heeft dan naar de gewoonte van de tijd, zijn pastorij geruild met heer Gerardus Bogaerts onderpastoor te Haacht. Van februari 1704 af, betitelt deze zich officieel als « pastoor in Schriek », al wordt bij in de kerkrekeningen « kapelaan » of helper genoemd.

    In 1707, de 20 januari, maakte Jud. Mertens, « oud-pastoor van Schriek en Grootlo » zijn testament. Zijn lichaam zal begraven worden op het hoogkoor in de gang van de sakristij naar het hoogaltaar. Na zijn dood moeten honderd zielmissen gedaan worden. Hij schonk een legaat aan de kerk en aan de H. Geest, en aan de gilde van Sint-Sebastiaan een ton bier.

    Hij overleed de 29 September 1708. Na zijn dood stonden zijn erfgenamen een stuk land af, omtrent de kerk, tegen de hof van de pastorij en het Roeksleiken, met last voor pastoor Bogaerts van een jaargetijde.

    Op zijn grafsteen staat gebeiteld : Memorie van de E. H. Judocus Mertens, 33 jaar pastoor dezer gemeente, waarachtige vader der armen, trooster der zieken, onderwijzer der ongeleerden, weldoener van kerk en armen, die onvermoeid in het woord Gods te verkondigen, 30 jaren en keren gepredikt heeft de passie, stierf oud zijnde 86 jaar, anno 1708 op de dag van Sint-Michiel. Dat ruste in peis zijn ziel !

    Hoofdstuk X
    DRIE PASTOORS BINNEN 23 JAAR, 1704-1731

    De twee voorgaande pastoors samen hadden het bijna honderd jaar volgehouden. Na 1700 komen er drie, die gezamenlijk amper 33 jaar halen. Geen mens bepaalt de lengte van zijn dagen. (K.A.S., 504).

    Ger. Bogaerts pastoor, 1704-1721.

    Hij was geboortig van Dessel, en verkreeg telkens van de deken de vermelding van stipte plichtsbetrachting. Zijn onderpastoor was Jan-Bapt. Wils, die tot in 1720 bij hem bleef.

    De 24 oktober 1713 wordt Ferdinand van Hove, tot koster en schoolmeester aangesteld, door de pastoor en de heer van Schriek en Grootlo, mitsgaders de schepenen, de kerk- en H. Geestmeesters. De voorwaarden zijn dezelfde als in 1662, behalve hier en daar een nadere bepaling. Aldus : 5. Hij zal de school houden het geheel jaar of zo lang als tien of twaalf kinderen ter school komen; zal ook enige kinderen, die de beste stemmekens hebben, in de kerk leren zingen; 6. Hij zal zoveel half mokens koren hebhen, als er werkende paarden jong of oud zijn; 8. Voor het stellen van de horloge, twaalf gulden, waarvan het dorp en de H. Geest betalen elk de helft; 10. De school zal onderhouden worden half van het dorp en half van de kerk. (K.A.S., 159).

    Devotie tot Sint-Antonius.

    De 3 oktober 1708 stemde de aartsbisschop van Mechelen toe in een rekwest van pastoor Bogaerts :
    Vermits de edele mevrouw Marie Françoise van Grotendael, weduwe van Hieronymus Zeti, een bijzondere devotie heeft tot Sint-Antonius, tot wiens eer zij in de parochiekerk een altaar wil oprichten, zo verzoekt de pastoor om een aflaat van 40 dagen op de dag der instelling van het altaar, alsook op al de dinsdagen van het jaar, wanneer aan dit altaar wordt Mis gelezen. (K.A.S., 110).

    Ook door de paus worden in augustus 1710 verschillende aflaten verleend aan de Broederschap van Sint-Antonius, hoofdzakelijk op de tweede zondag van September, en bijkomstig op 0. L. V. Onbevlekte Ontvangenis, Lichtmis, Boodschap en Hemelvaart. (K.A.S., 8).

    Het hoofdaltaar, zo luidt het in 1715, is toegewijd aan Sint-Jan, en de zijaltaren aan Onze Lieve Vrouw en aan St. Antonius, dit laatste hersteld op kosten van mevrouw Zeti. Een relikwie van St. Antonius kreeg men in 1718.

    Dezelfde mevrouw Zeti had, in 1713, vijf bunderen bos, genaamd de Koudhalzen aan de Puttestraat onder Grootlo, gekocht, zijnde een erfelijke rente van 1200 gulden kapitaal ten laste der schepenen sedert 1667; de persoonsnaam Kouthals staat in het Cijnsboek van 1539. De 18 januari 1714 schenkt zij dat uitgerooid bos aan de onderpastorij, met last daar een huis te bouwen, en daaraan een kamer die de onderpastoor mag gebruiken of verhuren. Daarvoor zal de onderpastoor alle dinsdagen een Mis moeten doen ter eer van St. Antonius tot haar zielelafenis; maar sterft er een lid van de broederschap, dan geschiedt daarvoor de eerstvolgende zondagmis. De onderpastoor zal ook de Minderbroeders van Mechelen moeten bijroepen en ontvangen op de tweede zondag van September. Dit alles werd door het Vikariaat en door de schepenen goedgekeurd. (K.A.S., 46).

    Wat de Sint-Jansprocessie betreft, de 22 juni l713, kwam vanwege het Vikariaat van Mechelen, het bevel de processie te houden, uit de kerk tot de kruisweg van Grootlo, en dan door de Langstraat achter de molen naar de kerk, met verbod te schenken of te drinken tijdens de processie. (K.A.S., 138).

    In 1714 werd de kleine klok hergoten voor 341 gulden, en het beeld van Sint-Bernardus in ‘t kapelleken verguld.

    In 1717 maakt de gemeente, die in 1662 van Katarina De Cleyn 21.000 gulden had geleend, en ze niet kon betalen, een overeenkomst met de erfgenamen, de familie Ullens, mits terugbetaling van slechts 7.000 gl., en mits een wekelijkse Mis en een jaargetijde te laten celebreren. (K.A.S., 57).

    In 1721 sticht Barbara Verthennen drie Missen voor de Zoete Naam Jezus en drie voor St. Antonius. (K.A.S., 47).

    Voor zijn dood stichtte de pastoor, bij testament van 3 april 1720, een jaargetijde bezet op een stuk land van rond de 36 roeden; alsook een studiebeurs, ten voordele der bloedverwanten of inwoners van Dessel, voor twee jaar wijsbegeerte te Leuven en vijf jaar seminarie te Mechelen, op huis en landen onder Grootlo aan de Puttestraat, een heide genaamd de Sprinkstokken, aan Rijmkensbos.

    Hij overleed de 8 december 1721, en werd begraven in de kerk. « Bidt voor de ziel », zo vermaant de zerksteen.

    Ant. Franc. Blockx pastoor, 1722-1726.

    Ook geboortig van Dessel, meester in de Kunsten en Baccalaureus in de godgeleerdheid, onderpastoor van het gasthuis te Leuven, toen hij door de Fakulteit benoemd werd tot pastoor te Schriek, en aangesteld op 12 juni 1722. Hendr. Huypens, onderpastoor.

    De parochie ging haar gewone gang. Hij deed een zerksteen plaatsen op het graf van pastoor Bogaerts zaliger. In 1726 liet bij nog 3000 vaantjes drukken voor Sint-Jan.

    Vier jaar is bij pastoor geweest : het was slechts een komen en gaan. Hij overleed de 3 september 1726, 54 jaar oud, en liet aan de kerk 100 gulden voor een jaargetijde. Wat moeten de parochianen bij 't aflezen van bet zondagsgebed gedacht hebben, als ze aan 't hoofd van de 218 leden, - zoveel waren er nooit geweest, - de namen hoorden van drie pastoors die zij nog levend gekend hadden.

    Al sterft de pastoor, toch staat de parochie niet stil. Hendr. Huypens werd deservitor, en Joan. Bapt. Van Orshagen onderpastoor.

    Georg. Franc. Wendelen pastoor, 1727-1731

    Geboortig van Beringen in de Limburgse Kempen, werd hij door de aartspriester van Antwerpen voorgesteld de 13 juni 1727, en de volgende dag aangenomen.

    Zijn onderpastoors waren : in 1727 Joan. Bapt. Prevost, en sedert 1728 Petr. Vranckx.

    In 1560 reeds is er spraak van een vroegmisheer; in 1574, van een kapelaan te Schriek, die driemaal per week Mis leest in de kapel van Grootlo voor een gift van 30 Rijnsgulden, en als koster tien veertelen koren heeft; rond 1666, van een onderpastoor, met 30 gulden van de pastoor, 100 gl. van de kerk, 25 gl. van de kapel. Maar dit alles is blijkbaar onvolledig.

    Uitdrukkelijker is het akkoord van 24 mei 1729, tussen pastoor en schepenen enerzijds, en de onderpastoor anderzijds. De onderpastoor moet de vroegmis doen in Schriek op alle zon- en heiligdagen, behalve 17 heiligdagen in Grootlo. Daarvoor zal hij hebben :

    van de gemeente 70 gulden, van de kerk 15, de offer van Grootlo geheel mits de kapel te onderhouden, de offer van St. Antonius half en de ander helft voor de kerk, boven de fondatie van zijn huis en landen, die rendeert jaarlijks 82 gl. mits behoorlijke reparatie,- niet inbegrepen zijn verdiensten in de kerk. (K.A.S., 162).

    Voor de feestdag van Sint-Jans-Geboorte liet men, in 1727, 400 aflaatbrieven drukken bij Vander EIst te Mechelen. Dergelijke exemplaren van 1792 zijn bewaard : Sint-Jan-Baptist wordt er de bijzondere patroon genoemd tegen alle vallende ziekten en besmetheden, alsook tegen alle kwalen van het vee. Op 24 juni, hoogmis te 9 uur, met sermoen, daarna processie; 's namiddags lof.

    De 15 juni 1731 ruilde pastoor Wendelen zijn plaats met zijn opvolger, en trok naar Bonheiden.

    Hoofdstuk XI
    KAR. LARDENOY PASTOOR, 1731-1770

    Hij was vroeger kapelaan van het H. Kruisbeneficie in Sint-Pieterskerk te Mechelen, pastoor van Zemst, en werd als pastoor van Schriek aangesteld de 20 juli 1731.

    Onderpastoors waren achtereenvolgens :
    Nikl. Marchant van Brussel, 1731;
    Anton. Pantecras ook van Brussel, 1732-;
    Petr. Vloeberghs van Putte, 1744-;
    Am. Br. Helsen van Zoerle, 1756-;
    Petr. Fr. Broeckx van Sint-Pieters-Rode, 1766-;
    Jan Bapt. Luytens, 1770-;

    In 1744 kwam er een nieuw akkoord over de onderpastorij. In hoofdzaak zoals in 1729, behalve slechts 30 gl. van de gemeente, maar 120 van de pastoor en 5 van de H. Geest.

    Vooreerst aangaande de verering van Sint-Jan. Men ontvangt, in 1733, een relikwie van zijn schedel. Die relikwie wordt voortaan, met zijn beeld, omgedragen op de grote en de kleine Sint-Jansdag. De kerk is dan telkens met meien versierd. De offer uit de schaal op 24 juni bedraagt nog rond de 40 gulden.

    In hetzelfde jaar levert meester Karel Lodewijckx van Mechelen, een zilveren monstrantie met stralen, wegende het zilver 82 onsen, voor de prijs van 375 gl., waarvan het dorp er 300 betaalde van oude schuld, en de kerk 75. Daarbij een nieuwe hemel geschilderd, en een nieuwe troon gemaakt voor het Hoogwaardig. (K.A.S., 505).

    Wederom bij K. Lodewijckx gekocht, in 1739, een zilveren Kommuniekop of ciborie, voor 145 gl. En tevens elf ellen kant tot een nieuwe albe en tot een rood kleed op de Kommuniebank. Zo wordt het H. Sakrament in hoge eer gehouden. Het zangkoor werd jaarlijks getrakteerd op Sint-Ceciliadag.

    Het volgend jaar liet men de Lieve Heer, Onze Lieve Vrouw en het beeld van Sint-Jan repareren en schilderen. Er kwam ook een nieuw Krucifix aan het hoogaltaar. Het moet er fris uitgezien hebben in de kerk.

    Rond die tijd, nog bij K. Lodewijckx, gekocht een zilveren kroon voor het O. L. Vrouwebeeld, in ruil voor het goud en zilver dat vroeger geofferd was. Daardoor aangewakkerd heeft de kerkmeester, zo getuigt hij zelf, een zilveren kroon voor het Kind Jezus, op eigen kost doen maken.

    Nog in 1741 vereert de jonkheid van Betekom de processie; en de « heynen van Schriek en Grootlo » ontvangen 1 gl. 13 st. Maar de deken schrijft op de rand der rekening : « Het weze in 't toekomende achtergelaten, uit naam en order van de aartsbisschop ». Dit jaar ook de grote klok, die gebarsten was, hergoten door Augustijn Dumaine.

    In een buitengewone rekening van 1746 worden vermeld : de beeldsnijder en de schrijnwerker voor de kas van Sint-Jan; het maken van negen grote banken in de kerk; en vooral duizend plaveistenen met het slijpen en bevloeren.

    De pastoor vereerde aan de kerk, in 1749 een zilveren kelk, wegende 25 onsen en 8 engelsen, ter waarde van 134 gulden. (K.A.S., 199).

    Een dekreet van de bisschop verbood, in 1750, de paarden en teaterklederen in de processie. (K.A.S., 203).

    In 1751 wordt door de bisschop het verbod van slafelijke werken afgeschaft op 18 heiligdagen, waaronder de derde Paasdag en de derde Sinksendag, maar het Mishoren blijft verplichtend. Daarentegen blijven de slafelijke werken verboden, en het Mishoren verplichtend, op 13 heiligdagen, waaronder 2e Kerstdag, 2e Paasdag, 2e Sinksendag en Sint-Jan-Baptist, buiten de 4 hoogdagen en 52 zondagen. (K.A.S., 206).

    Voor een nieuw altaar van Onze Lieve Vrouw betaalde men, in 1754, aan Henri Blondeau 607 gl.; aan J. Casier voor een nieuw kleed van O. L. Vrouw en een nieuw antependium, 91 gl.

    Aan Jan Valckx, in 1757, voor het marbreren van O. L. Vrouwaltaar, 135 gl.; en aan M. Massaert, goudslager te Mechelen, 40 gl. voor het vergulden.

    Nog aan J. Valckx, in 1761, voor het schilderen van het hoogaltaar, 94 gl., daarin begrepen het vergulden van de schilderij; daartoe had de pastoor 84 gl. gegeven.

    Aan de weduwe Henri Blondeau, in 1762, voor een nieuwe biechtstoel, de patersbiechtstoel, 145 gl.; en in 1763, een nieuw baldakijn, 34 gl.

    Pastoor Lardenoy heeft de pastorij, op eigen kost, van binnen gans hersteld, en in 1746 de buitenmuren en gevel, van leem en vervallen, vervangen door steen; daartoe werden rond de 30.000 kareelstenen en 166 busselen walmstro verbruikt. De onkosten beliepen meer dan 550 gulden. (K.A.S., 195).

    Regelmatig hielpen in de parochie de Minderbroeders van Mechelen, de Kapucienen en de Dominikanen van Lier.

    Tot koster en schoolmeester werd, in 1740, Jakobus Weyns aangesteld. Zijn voorganger sedert l713 Ferdinand Van Hove, was overleden de 4 oktober.

    Onder de talrijke stichtingen, het jaargetijde van Gommar Tuytgans, zijn huisvrouw Maria Gijsemans, hun kinderen Kornelis en Jenneken, bezet op huis en land genoemd het Kromveld aan de Haagstraat; daarbij alle donderdagen een Mis voor het Venerabel; zij schonken al hun goederen aan de kerk. (K.A.S., 74-76).

    Pastorale tienden, 1720-1791.

    De erfgenamen Wagewijns verkochten in 1720 hun derdedeel aan de pastoor van Bonheiden, die het in 1721 voortverkocht aan kanunnik Engelgraeve te Antwerpen.

    De pastorale tienden zijn, in 1658, nog over vijf wijken verdeeld, Schriekstraat, Hongerije, Donken, Lauwerijken en Langstraat. In 1749 omvatten zij, « gelijk ze van ouds door de pastoor en zijn voorzaten genoten, en nu ten huize van Joos Weyns in Sint-Jan verhuurd worden », de veertien volgende wijken :

    l. Van aan het kapelleken van Sint-Bernard tot aan de Kruisstraat, naar de galg, langs de palen van Heist tot de Schriekse Draaiboom en naar het kapelleken.

    (K.A.S., 193, 221).

    2. Van aan de Schriekse galg, langs de straat in, tot aan de palen van Putte, en langs de steenoven en de Mechelse baan tot aan de galg.

    3. Van aan het kapelleken, langs de straat in, langs de palen van Putte, de straat in, tot aan de Schriekse galg, naar het kapelleken.

    4. Van aan de Borze, langs de Tuinendijk tot aan de Puttestraat, tot aan de Remmelerestraat, tot aan Sint-Bernards kapelleken, door het dorp tot aan de Borze (de singel of ring van het dorp).

    3. Van aan het kapelleken door de Remmelerestraat, tot aan de Gommerijnstraat, en op de palen van Heist, langs de Schriekse Draaiboom tot aan het kapelleken (genaamd de Kwadeheide).

    6. Van aan de Tuinendijk tot aan Grootlo-kruis, langs de Gommerijnstraat tot de Remmelerestraat, langs daar in de Puttestraat, tot aan de Tuinendijk.

    7. Van Grootlo-kruis tot in de Wuytkensstraat, tot op de palen van Heist, wederom door de Gommerijnstraat tot Grootlo-kruis.

    8. Van de Wuytkensstraat door de Langstraat, tot de palen van Heist, en zo rond langs het Goor, weder tot de Wuytkensstraat tot aan de Langstraat.

    9. Van Grootlo-kruis tot de Perstraat, langs de Slootstraat tot de palen van Baal, en weder door de Langstraat tot Grootlo-kruis (genaamd de Rijpel).

    10. Van de Perstraat tot voorbij de Kapel, langs de Bollo tot de palen van Baal, langs de Slootstraat en de Perstraat (genaamd de Donken).

    11. Van aan de Borze langs de molen naar de oude dijk, langs de palen van Keerbergen, langs de Hoogstraat naar de Borze.

    13. Van de oude dijk langs de Lauwerijkstraat naar Grootlo-kruis, de straat in tot voorbij de Kapel, tot aan de Raam, alles tot aan de palen van Keerbergen.

    13. Van aan de molen naar de Tuinendijk, naar het Horenkruis, en zo naar de molen.

    14. Van het Horenkruis, en langs de Lauwerijkenstraat tot aan het Horenkruis. (K.A.S., 166).

    De Gommerijnstraat is de oude Hongerijestraat, de naam is veranderd tussen 1700 en 1733, toen woonde er Gommer of Gommerijn De Bie. Hij staat ook in het Zetboek van 1734, waarin nog voorkomen : de Leibeek, de Krekelstraat, de Viswaters, de Nieuwstraat, de Krankenputten, de dreef van de heer van Schriek, het Heinen- of Hendrikstraatken

    Van 1749 tot 1789 toe worden de tienden in 9 tot 17 onregelmatige partijen verpacht, waarbij nog de volgende plaatsnamen voorkomen : de Pachtheileie, de Hazenbergen, de Goorhanebossen, de Tommel- of later Trommelstraat.

    Pastoor Lardenoy maakte zijn testament, « gezond van lichaam, gaande en staande », de 2 oktober 1770. Hij verkoos begraven te worden « op het achterste kerkhof omtrent de zeven stappen voorbij het Kruis achter het hoogaltaar naar het noorden toe », alhoewel hij betaalde voor een kerklijk. Hij stelde de H. Geest of armen aan, tot enige en algemene erfgenaam van zijn bezit, door hem zelf geschat op 2000 gulden, met last van een jaargetijde, en onder voorwaarde dat de arme kinderen, op de dag van hun eerste Kommunie, behoorlijk door de H. Geesttafel zouden gekleed worden. (K.A.S., 39, 460).

    Hij overleed de 8 december 1770, 40 jaar pastoor en 74 jaar oud. Zijn grafschrift, in het Latijn, grotendeels uitgewist, vermeldt de armen, waarvan hij een groot weldoener is geweest. Zijn werken volgen hem.

    Hoofdstuk XII
    ADR. SNOECKX PASTOOR, 1771-1791

    Geboortig van Mol, magister in de Kunsten, baccalaureus in de godgeleerdheid, regent van de pedagogie de Burcht van 1769 tot 20 juni 1771, en dan door de Fakulteit van Leuven benoemd tot pastoor van Schriek, ingeleid de 25 juni 177l.

    Onderpastoors ; J. B. Luytens, van Putte, tot 1777; Petr. Segers van Rotselaar, 1777-; Jan Fr. Wauters, 1780-; Lud. Ant. Arnauts van Neerlinter, 1785-; J. B. Luyten van Aarscbot, 1790; Petr. Dellemans, 1791.

    In 1772 werd de grote klok, die gebarsten was, hergoten door Andreas Vanden Gheyn, van Leuven. Het volgende jaar, de kleine klok, voor 300 gl.; tot last van de kerk yiel alleen het wegvoeren naar Leuven en het terughalen; de oude woog 793 pond, de nieuwe 761.

    Rond 1777 maakte P. Valckx, beeldsnijder te Mechelen, voor de kerk twee nieuwe beelden, die Onze Lieve Vrouw met het Kind Jezus en de H. Elizabet met Sint-Jan-Baptist voorstelden, en bij de ingang van het koor geplaatst werden. (K.A.S., 306).

    In 1778 is net gebruik van trommel en vedel, overal in de processies met het H. Sakrament, zelfs als de gilden meegingen, door de bisschop verboden.

    Andreas De Swert, schrijnwerker te Meerhout, leverde in 1779, een nieuw altaar voor Sint-Antonius, gelijkvormig aan dit van Onze Lieve Vrouw, voor de som van 530 gl. Joos Vinckx was toen « proost en deken der Konfrerie van Sint-Antonius van Padua ».(K.A.S., 336).

    J. A. Avondtroot leverde nog een zilveren kelk in 1788.

    Opbouw van de nieuwe pastorij, 1776.

    In het begin van 1775 vroeg pastoor Snoeckx aan de bisschop, de oude en gans vervallen pastorij, die zeer vochtig en ongezond was, te mogen vervangen door een nieuwe, en daarvoor het nodige geld te lichten, dat door hem en zijn opvolgers gedeeltelijk zou afgelegd worden in interest en kapitaal. Het werd hem toegestaan, ook door de Souvereine Raad van Brabant op gunstig advies der schepenen van Schriek (K.A.S., 18).

    Hij ontleent dan, de 29 juli 1776, van Eerw. Heer Vinc. Snoeckx, regent van het Castrum te Leuven, de som van 4400 gulden wisselgeld, of 5133 gulden 6 stuivers l oord courant.

    Het plan der nieuwe pastorij is bewaard gebleven : een middengang, en aan ‘t einde de trap, met twee vensters aan weerskanten, zo voor- als achtergevel, en een verdiep. Men bouwde er twee jaren aan.

    De rekening werd, op 21 oktober 1776, aan de landdeken voorgelegd. In de uitgaven valt vooral aan te stippen : betaald aan de schrijnwerker Motties te Aarschot, 523 gulden; aan de timmerman Convent te Leuven, 517 gl. (het is een van beiden die beneden aan de trap de twee snoeken heeft gesneden als het wapen van pastoor Snoeckx); aan de steenkapper Vrebosch te Kampenhout, van witte steen, 65 gl.; aan Sr Langheneus te Mechelen, blauwe steen, 78 gl.; aan Sr Steps te Lier, voor de waaiers, 34 gl.

    De gehele uitgave bedroeg 5854 gl. 17 st. 1 oord, of 721 gl. meer dan de ontleende som. (K.A.S., 3l).

    Korts daarna bouwde hij nog de bijgebouwen, namelijk de schuur aan de ene zijde en de houtschobbe, bak- en washuis aan de andere zijde, alsook de voormuur en de poort, waartoe de penningen uit de verkochte moer, schadden en rus van de kerkebeemd gebruikt werden. (K.A.S., 27, 231/bis).

    Pastoor Raeymaeckers, die met de erfgenamen van pastoor Snoeckx, de nog overblijvende schulden moest vereffenen, vermeldt in 1793 de muurschilderingen in de pastorij door zijn voorganger aangebracht. (K.A.S., 28).

    Grootlo.

    L. A. Arnauts, onderpastoor van Schriek en proost van de kapel, verhuurde op 28 September 1789, een driekantig hoeksken erf, omtrent 3 roeden, genaamd de Altenaar, onder Grootlo tegen de Hongerijstraat, voor 99 jaar, aan 2 gl. 2 st. per jaar; de huurder moest er een huis op zetten van ten minste drie gebinten. (K.A.S-, 251).

    Bevolking, 1700-1790.

    Van 400 kommunikanten in 1688, en 380 rond 1700, klom daarna regelmatig het aantal : 550 in 1745, 650 in 1762, 750 in 1769, 830 in 1778.

    In 1762 worden, buiten 650 kommunikanten of volwassenen, ook 400 kinderen opgegeven.

    In 1784, nog meer bepaald : op 1240 zielen, 855 volwassenen, waarvan 425 mannen en 430 vrouwen, en 385 kinderen onder de 12 jaar, waarvan 190 jongens en 195 meisjes (volgens de pastoor).

    Vergelijk daarmee. Volgens de volkstelling : 402 in 1693, 445 in 1709, 950 in 1755. En volgens het geboortecijfer berekend : 700 in 1709, 900 in l755, 1100 in 1784. (Cosemans, Bevolking van Brabant, 1939, blz. 134).

    Gemiddeld aantal dopen, huwelijken, overlijdens :

    1731-40 : 33 - 8 - 15
    1741-50 : 37 - 7 - 25
    1751-60 : 39 - 5 - 13
    1761-70 : 35 - 6 - 12
    1771-80 : 44 - 9 - 25
    1781-90 : 43 - 9 - 29

    In 1741. de sterfgevallen uitzonderlijk hoog, namelijk 86, met 80 van rode loop, waaronder 50 kinderen in 7 weken van oktober tot november. Er werd toen veel aan schamele armen uitgedeeld.

    In 1783, 52 sterfgevallen, 22 van rode loop in september tot november.
    In 1793, 65 sterfgevallen, waaronder meer dan 40 van rode loop.
    De begrafenissen gebeurden meest op het kerkhof. In de kerk werden, van 1731 tot 1781, begraven : enige pastoors, de dorpsheer Ch. vander Stegen, twee mannen, zes vrouwen, vier kinderen.

    Keizer Jozef II, sedert 1780, begon zich volop met kerkelijke zaken te bemoeien. In 1786 werden alle verjaringen van kerkwijdingen of kermissen op een enkele dag vastgesteld; de plakkaten moesten onder de Mis voorgelezen worden; men mocht niet meer in de kerk begraven. De staat van bezit en lasten werd gevraagd van elke pastorij, onderpastorij, kerk, kosterij, en H. Geesttafel. Het was de beruchte « deklaratie van 1787 ». (K.A.S., 240, 250, 255).

    Pastoor Snoeckx liet bij testament 500 gulden aan de armen van Schriek, en stichtte jaargetijden voor zichzelf, voor zijn vader en moeder. Hij was de eerste pastoor van Schriek, die niet meer mocht begraven worden in de kerk. Tot de 26 april, tien dagen voor zijn dood, had hij het overlijden van zijn parochianen ondertekend. Zijn grafschrift luidt : « Hier ligt begraven de Eerw. Heer Adrianus Snoeckx, gewezen pastoor dezer parochie ten tijde van 20 jaar, sterft de 8 mei 1791, oud 53 jaar. Bidt voor de ziel ».

    J. B. Gerrebosch was deservitor tot de komst van de nieuwe pastoor.
    vervolgd



    27-12-2013, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    25-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Parochiegeschiedenis-3

    PAROCHIEGESCHIEDENIS VAN SINT-JAN BAPTIST TE SCHRIEK EN DE H. NAAM JEZUS TE GROOTLO

    DOOR
    J. R. VERELLEN, pr.

    U I T G AV E
    van de Pastorij Schriek
    © Copyright 1956

    Deel III

    Hoofdstuk XIII
    JOAN. FRANC. RAEYMAECKERS PASTOOR,
    1791-1806

    Geboortig van Dessel, magister in de Kunsten en baccalaureus in de Godgeleerdheid, subregent in de pedagogie van het Castrum te Leuven, onder het bestuur van Vinc. Seb. Snoeckx de broeder van de vorige pastoor te Schriek. In 1788, toen Jozef II het Seminarie-generaal oprichtte, werd hij, zoals velen, uit zijn ambt en huis ontzet, voor 18 maanden. Daarna de 14 mei 1791 door de Universiteit benoemd tot pastoor van Schriek, en aangesteld de 13 juni, 33 jaar oud.

    Zijn onderpastoor was heel de tijd Pet. Van Elst. Hij is, naar zijn eigen aantekening, de derde inboorling van Dessel, die pastoor wordt te Schriek in de l8e eeuw. Ook aan de Latijnse school dankt hij het, dat er in 1793 niet minder dan tien geestelijken van Dessel elders priesterapostolaat verrichtten.

    Het eerste dat hij op zijn parochie moest beleven was de rode loop, die van 5 September tot 16 december 1791, 40 à 45 mensenlevens wegrukte, zoals hij zelf optekent, in ‘t geheel 65 sterfgevallen, tegen 23 en 13 voor en na; maar in 1794 waren 't er wederom 65.

    Restauratie van de kerk, 1794-1796.

    Moedig zette hij zich aan zijn grootste onderneming. Nog voor de 31 augustus schreef hij aan de aartsbisschop van Mechelen :

    « Veel inwoners van de omliggende parochies komen zondag en heiligdag naar de kerk van Schriek, omdat deze dichterbij ligt dan hun eigen parochiekerk; zo moeten te Schriek onder de Mis in de zomer een groot deel buiten blijven, en kunnen in de winter binnen nauwelijks plaats vinden om te knielen. Onze kerk is ten andere in slechte staat, met kleine en weinige vensters in de lage en smalle zijbeuken. Het beste middel zou zijn, de zijbeuken te verbreden en te verhogen onder een enkel dak, van de koorkens tot de toren toe ».

    Intussen vielen de Fransen ons land binnen en verjoegen de Oostenrijkers de 6 november 1792. Doch de 19 maart 1793 werden de Fransen teruggedreven. De 29 mei daarop stemde de bisschop toe in de restauratie der kerk. De 11 juni was men al bezig met de aankoop van materiaal. Maar de 26 juni 1794 vielen de Fransen opnieuw ons land binnen, en ditmaal voorgoed.

    De afbraak der kerk werd begonnen de 31 maart 1794, en de bouw voleindigd de 23 juni 1796. Geheel die tijd tekende pastoor Raeymaeckers breedvoerig en nauwgezet alles op : de giften, de gelichte penningen, de uitgaven. (K.A.S., 265).

    De weldoeners worden ieder « vriendelijk bedankt ». Zo de prelaat van Park, bezitter van de Bollotiende, die gratis uit zijn bos te Scherpenheuvel voldoende dennebomen laat halen, voor 6.000 voet duimdik berd tot het schaliëndak. De parochianen doen, gratis en om de liefde Gods, vele en verre karrevrachten tot Mechelen en Leuven toe, geholpen door die van Putte, Heist en Keerbergen. De heer van Wuustwezel belooft een volle jaar opbrengst van zijn derdedeel der oude tienden, als opvolger van Kan. Engelgrave. Enzovoort, met een bijzonder hartelijke dank aan Jan Vanden Brande, Gilis Nijs en Adriaan Bogaerts, die als opzichters aanhoudend voor alles hadden gezorgd drie jaren lang.

    De ontvangsten komen voort van de kerk, van terugbetaalde schulden, en van leningen waarvoor interest zal betaald worden.

    De uitgaven beslaan 59 grote bladzijden. Materialen, als eikebomen, kareelsteen, kalk, lood en tin, witte steen, ijzerwerk en schalien. Daglonen aan werklieden : metsers en metserdienders, - Jan Gijs, meestermetser, wordt vermeld als « ingenieur van de nieuwe bouw », berdzagers, timmerlieden, steenkappers, loodgieters, smeden, schaliedekkers en glazenmakers.

    De 13 juni 1794, nadat de laatste balk is gelegd, wordt het « balkbier » geschonken, aan elk van de 16 man een pot Diesters bier. De 2 oktober moeten de schaliedekkers ophouden met werken, bij gebrek aan schaliën, om wille van de oorlog. De 9 oktober, de kerk aan de noordzijde geheel, en aan de zuidzijde ten dele gedekt, en geen schaliën; daarom tegen de aanstaande winter genoodzaakt met stro te stoppen. Maar in de zomer van 1795, weer volop aan het werk : soms met tien karren tegelijk naar Kampenhout om dekstenen en kapitelen voor pilaren en pilasters aan te halen.

    Met het afbreken van het oud en versleten plafond werd de 16 juli 1795 begonnen. De 11 september, drinkgeld aan plafonneurs en dienders, toen het schip voltrokken was.

    De onkosten van het nieuw plafond beliepen rond de 1155 gulden. Voor de kroonlijst, die zeer fraai gemaakt was en zeer sterk, werden vijf oude balken gebruikt die te voren dwars door de kerk lagen.

    Eindelijk een nieuwe vloer begonnen de 14 maart 1796. Op het koor, met nieuwe Naamse geslepen steen, ten dele blauw ten dele grijs, gelijk ook de middenbeuk en een deel der zijkoren; de rest, met de oude steen die vroeger in de kerk lag. Ook een geheel nieuwe, zwart gepolijste marmeren trap aan het koor, en dorpel aan de Kommuniebank. Onkosten ongeveer 810 gulden.

    De gehele uitgaven voor de restauratie der kerk, gesloten op 25 juli 1796, bedroegen 6964 gulden, 11 stuivers, 2 oorden.

    Uit de gedenkschriften van de pastoor.

    Hij heeft zeer veel opgeschreven, meer dan wie ook. Van bijzonder belang zijn de uitgebreide « Gedenkschriften » uit de jaren 1794 tot 1805, in sierlijk Latijn, over alles wat er in Schriek, dichtbij en verre, in het bisdom, in het land, in Frankrijk, in Europa, op godsdienstig, staatkundig en militair gebied toen is voorgevallen; uiterst belangrijk ook voor zijn beoordeling van personen en feiten, als de Boerenkrijg. Wat hier volgt is slechts een handgreep uit een rijke schatkist. (Memoria pastoratus de Schriek et Grootlo, 222 blz. groot formaat, vroeger K.A.S., 314, thans A.A.M.).

    Oorlogstijd 1794-1795.

    Bij de tweede inval der Fransen, in juli 1794, te Schriek... De Fransen lagen op de oever van het kanaal Leuven-Mechelen, te Boortmeerbeek en in de omstreken. Zij lieten hun voorwacht oprukken naar Rijmenam, Keerbergen en Bonheiden, de aftrekkende vijand achterna. Zij plunderden en roofden en gingen er te werk als wilden en heidenen.

    Ik besloot, zo schrijft de pastoor, ondanks het gevaar thuis te blijven, en het viel mee.

    Uit Keerbergen kwamen bijna iedere dag enige Franse soldaten aan de pastorij bellen om wijn, op zekere dag zogezegd voor hun generaal; en toen ik later toevallig vernam, dat zij de wijn werkelijk aan hun overste hadden afgegeven, schreef ik hem, hij schreef mij terug, en stuurde me twee soldaten om mijn huis en geheel Schriek te bewaken. Zij deden het.

    Toen begon heel het leger der Fransen voorbij te trekken. Op mijn verzoek, zond onze burgemeester de kwartiermeesters naar mij voort. Het waren twee jonge vleugeladjudanten, ik gaf hun te eten en te drinken, zij bleven bij mij heel de tijd dat het leger voorbij marcheerde. Niemand van ons had iets te lijden.

    't Was gelukt, een tweede maal.

    Ten slotte, als die twee moesten vertrekken, vroeg ik hun een laatste goede raad. Zij antwoordden : « Ten eerste, thuis blijven, niet vluchten; ten tweede, oppassen voor de achterblijvers, desnoods de inwoners bijeenroepen en de plunderaars gewapenderhand onschadelijk maken ». Zij lieten me nog een schildwacht achterna. Op drie dagen trokken 36.000 soldaten voorbij. Er overkwam mij of iemand geen kwaad. Een derde maal, God zij dank !

    Maar korts nadien werd de pastorij als belegerd door een menigte van arme mensen, vooral in de jaren 1794 en 1795, uit Limburg, Luik en Luxemburg. Wat kan een mens doen dan geven totdat de schapraai ledig is. Voor de oogst van 1795 kostte een veertel koren 2O tot 25 Brabantse gulden, viermaal zoveel als gewoonlijk. Om onze armen bedeeld te krijgen, hebben wij, met de armmeesters, tot driemaal toe, opnieuw koren bij gekocht, eerst aan 6 gulden, nog eens aan 8, en eindelijk aan 15 gulden de veertel vóór de oogst. Van onze armen, het is zeker, heeft niemand honger geleden, zij waren tevreden.

    De 21 augustus 1794 was overleden Elizabet Van Roey, die 600 gulden aan de armen overliet, genoeg om, met de vrijgevigheid der andere parochianen, in alle nood te voorzien. Zalig de barmhartigen !

    Kerkvervolging 1796-1799.

    Reeds was er een gedwongen lening van 1025 gulden opgelegd aan de pastorij, het goud en zilver van de kerk opgeëist, zodat er nog slechts een tinnen kelk en ciborie in de Mis gebruikt werd. Weldra wordt de eed aan de priesters voorgeschreven, de sluiting der kerken bevolen, de openbare eredienst verboden : geen Mis, geen doopsel, geen huwelijk, geen berechting, geen Sakramenten dan in 't geheim. Het zal een ongenadige godsdienstoorlog, tegen de priesters en tegen de gelovigen zijn.

    In de maand december 1797, zo schrijft de pastoor, word ik uit de pastorij gezet, met militair geweld, door een commissaire en acht soldaten, nadat ze de deur hebben moeten openbreken.

    De jacht op de priesters wordt ingezet. Onderduiken, anders gevangen, verbannen naar overzee, op het eiland Rhé of Oléron : daar zucht er al een, van onze parochie geboortig, Pater Vanden Eynde, bekwaam predikant in Sinte-Goelen te Brussel, van de orde der Kapucienen.

    De Boerenkrijg is begonnen in oktober 1798. Zij kwamen hier aan uit de Kempen, sloegen de trommel der gilde, luidden de klokken, en kapten de boom der Franse vrijheid af. Zij trokken naar Mechelen en namen het in; maar werden door het Frans garnizoen overweldigd, en ten getale van 42 in 't midden van de nacht tegen Sint-Romboutskerkhof doodgeschoten. Daaronder geen een van onze parochie. Wel te Duffel, de zoon van Merten Rijmenants; Frans Van Tichelen is, naar men vermoedt, gesneuveld bij Hasselt; Jan Ceulemans is nog niet terug, men denkt dat hij nog leeft, maar weet niet waar.

    Mij ook heeft men dikwijls gezocht. Eerst, de 22 december 1798, een commissaire met 40 soldaten, in het huis van de weduwe Verlinden, tegenover de grote poort van de pastorij, toen mijn zuster ziek was.

    Dan de 7 februari 1799, rond middernacht, in 't koudste van de strenge winter. Ze aten en dronken tot ‘s morgens, en wierpen het kruisbeeld van mijn kamer in het vuur.

    De derde maal, toen ik bij uitzondering vernachtte op de pastorij, met een dove waker als gezel. Zij kwamen, 100 soldaten, rond half elf in de nacht. Toen ze mij niet vonden, trokken ze recht naar de kapel van Grootlo, en sloegen er het beeld van Onze Lieve Vrouw het hoofd af.

    Ik getuig, aldus de pastoor, dat ik van december 1798 tot midden augustus 1799, geen tienmaal 's nachts in mijn huis heb gerust, maar in stallen en schuren, tussen en boven de beesten, op zolders en schelften, in gevaren allerhande van vijanden en valse broeders. En zo is het ook met mijn onderpastoor gegaan.

    Onze klokken, twee te Schriek en een te Grootlo, zijn op 17 februari 1799 met smishamers stukgeslagen door een troep van 100 soldaten. Een van de grote stukken heeft lang gediend, om er het torenuur op te slaan. Later is alles naar Duffel gevoerd.

    Het kruis van de toren wilde niemand naar beneden halen; het staat er vandaag nog, de 12 augustus 1799.

    Het kapelleken van Sint Bernardus wordt altijd veel vereerd en door koortslijders bezocht. Daar kwamen toevallig twee gendarmen voorbij. Zij hebben de tralies uitgebroken, het hoofd van Sint-Bernardusbeeld afgehouwen, en in een gracht vol water geworpen. Maar hoe de beruchte « zwarte gendarm » ook poogde met zijn paard het kapelleken omver te rammen, het is hem niet gelukt.

    De 8 september 1799 wordt de begankenis van Sint-Antonius gevierd, maar zonder Mis. Er is zeer veel, vooral jong volk. Maar de kermis is met de oorlog een echte verwildering geworden. Niet beter is het gesteld met het feest van Sint-Jan.

    Ook in 1800 kan de Mis van de Zoete Naam in de kapel van Grootlo niet gezongen worden, al is de toeloop aanzienlijk.

    De 23 januari 1799 is overleden Jacobus Wijns, onze getrouwe koster sinds 1740. Hij bereikte de gezegende ouderdom van 97 jaren; deed de dienst van koster meer dan 70 jaar, 12 in de O.L.Vrouwkapel van Kortenbos en meer dan 58 in Schriek. Hij die voor honderden, wellicht voor duizenden, met de pastoor de lijkdienst had helpen zingen, mocht nu geen priester hebben om zijn lichaam ter aarde te bestellen, daar alle godsdienst door de Fransen verboden was.

    En heel die besloten tijd, heeft pastoor Raeymaeckers, toen de oude parochieregisters gingen opgeëist worden, deze letterlijk overgeschreven, de dopen van 1661 af, en ze daarna bijgehouden, ook wanneer er enkel een vroedvrouw of buurvrouw als doopmeter, en een paar vrouwen als huwelijksgetuigen, altijd dezelfde, aanwezig waren.

    Zo staat het voor altijd opgetekend.
    Het waren gevaarlijke tijden !

    De godsdienst weer vrij 1800-1806.

    Onze parochiekerk van Schriek wordt heropend de 5 februari 1800, en op die dag door vele mensen bezocht om de Rozenkrans te bidden.

    De 10 februari, na twee jaar dat er niets te doen was, komt een godvruchtige vrouw van meer dan 40 jaar, een Derde-Ordelinge, in 't openbaar de Katechismus uitleggen in de kerk, wat zij tot dan toe in een schuur voor de kinderen gedaan heeft : het was Anna Elizabet Van Calsteren.

    De 16 juli bidden de parochianen in de kerk te tien uur wederom de Rozenkrans, want het Mis lezen blijft nog verboden aan de onbeëdigde priesters.

    En dan, op de zondag voor Kerstmis, wordt voor de eerste maal sedert drie jaren, in de sacristie de Mis gedaan, tot grote blijdschap van de parochianen.

    In maart 1801 mag ik terugkeren in mijn huis, mijn pastorij, waaruit ik sedert drie jaar en enige maanden verjaagd was.

    Op het feest van Sint-Jan en van Sint-Antonius ben ik bij alle herbergiers rondgegaan, om het spel te eindigen met zonsondergang : wat zij gedaan hebben en aldus veel kwaad belet.

    De 11 november 1801 wordt door de maire, de notabelen, de heer Vander Stegen, en door mij, pastoor, tot koster en schoolmeester van Schriek gekozen Guibertus De Meutter, sedert 14 jaar schoolmeester in Heist.

    Ten slotte is, op 2 mei 1802 in onze parochie, het Konkordaat tussen het Frans bestuur en de H. Stoel in 't openbaar door onze maire afgekondigd. In onze kerk hebben we voor 't eerst de plechtige Mis gecelebreerd aan het hoogaltaar de 7 mei 1802. Zo werden al de kerkelijke diensten in Schriek hernomen, nadat ze gedurende 4 jaren, 6 maanden, 11 dagen door de Franse wetten onderbroken waren, van 26 oktober 1797 tot 7 mei 1802.

    Als een teken van verrijzenis wordt, de 30 oktober 1803, onze gebroken klok, op kosten der kerkfabriek, te Heist door meester Roelants hergoten, tot een gewicht van omstreeks duizend pond, waartoe de kapel van Grootlo 65 pond klokspijs geleverd had. De nieuwe klok werd op 14 november in onze kerk gewijd.

    Het herstel was begonnen, het zou nog tientallen van jaren duren.

    Napoleon was de nieuwe keizer geworden. Om hem onder de wapens te dienen heel Europa door, werden onze jongens voortaan jaarlijks door de loting aangeduid, gekeurd en desnoods gevangen. Onze pastoor heeft ze zorgvuldig opgetekend, en medelijdend gevolgd tot zijn einde toe.

    Testament van pastoor Raeymaeckers.

    « Door de Voorzienigheid des Heren geslagen met een langdurige ziekte...
    « Mijn rustplaats verkies ik op het kerkhof van Schriek, achter het hoogaltaar, omtrent het graf van mijn geliefde zuster.

    « Daar zal gesteld worden een kruis met dit opschrift : Hier rusten, in hoop der verrijzenis, Joan. Franc. Raeymaeckers, Rooms priester, pastoor van Schriek ten tijde van (15) jaren, sterft de (1 mei 1806), en Maria Elizabet Raeymaeckers, zijne zuster, die sterft de 2O mei 1799. Zij verzoeken UE. gebeden voor de zaligheid hunner ziel ».

    « Na mijn uitvaart moet er, zes weken lang, gezongen worden een H. Mis, met uitdeling van zes mokens koren in gebakken brood voor de armen der parochie.

    « Ik wil en ik begeer, dat er een jaargetijde gezongen wordt tot lafenis van mijn ziel en die van mijn zuster, te betalen uit het jaarlijks inkomen van mijn achtste deel in de molen van Schriek.

    « En nog driehonderd gelezen Missen, voor mijn menselijke vergetelheid of zwakheid, te lezen door die priesters bijzonder, die mij hulp en bijstand hebben verleend terwijl ik ziek was, alsook door de heer onderpastoor... »

    Het testament is van de 6 maart 1806. Hij overleed de 1 mei.

    Pastoor Raeymaeckers was een edel priester, begaafd in de goddelijke wetenschap, ondernemend als kerkbouwer, manmoedig in het oorlogsgevaar, geduldig in de vervolging, behulpzaam voor lijdenden en armen, ijverig in zijn parochieapostolaat, gevoelig van harte in wel en wee, voorzien van rijke talenten die hij kwistig heeft gebruikt en laten vrucht dragen. Hij was slechts 48 jaar oud; er zijn wel meer priesters geweest, die vroegtijdig bezweken, niet alleen door vreemd geweld, maar door eigen arbeid en zielezorg.
    wordt vervolgd



    25-12-2013, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    20-12-2013
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Parochiegeschiedenis-4

    PAROCHIEGESCHIEDENIS VAN SINT-JAN BAPTIST TE SCHRIEK EN DE H. NAAM JEZUS TE GROOTLO

    DOOR
    J. R. VERELLEN, pr.

    U I T G AV E
    van de Pastorij Schriek
    © Copyright 1956

    Deel IV

    DEEL III

    ONTWIKKELING EN BLOEI (1806-1956)

    De Franse overheersing, uit de Franse Revolutie geboren, bracht in ons land een grondige omwenteling teweeg, nadien ten dele gemilderd door het Konkordaat van 1802, en door de Belgische grondwettelijke vrijheden van 1830. De armenzorg, met gods- en gasthuizen, ging uiteindelijk naar de Kommissie van openbare onderstand over. Het bijzonder kenteken van deze nieuwe tijd is de aangroei der bevolking, die aanleiding geeft tot de vergroting van de kerk in 1844, en tot de stichting der nieuwe parochie van Grootlo in 1906. Er zijn 1195 kommunikanten en 1535 zielen in 1830, 1566 zielen in 1840, 1852 in 1850, 1820 in 1860, 1864 in 1870, 1889 in 1880, 2014 in 1890, 2272 in 1900.

    Hoofdstuk XIV

    NAAR DE VERGROTING VAN DE KERK, 1844

    Petr. Van Elst pastoor, 1806-1834.

    Geboren in 1765, van 1791 af onderpastoor bij zijn voorganger. Sedert 1803 maakt Schriek deel uit van de dekenij Lier.

    Onderpastoors : Petr. Van Egeren, 1811-; K. Boomans, 1814-; K. Gelens, 1824-; Petr. Opde Beeck, 1827-.

    Wat men nog nooit gehoord had, men kreeg eindelijk een orgel. In 1793 schreef de pastoor : « Een orgel hebben we nog niet, maar we verlangen ernaar ». In 1801,-bij de aanneming van Guibertus De Meutter als koster, werd als toekomstige voorwaarde bijgevoegd : dat ingeval bij tijde er een orgel komt, de koster zal gehouden zijn het te spelen in alle goddelijke diensten, of daartoe te zijnen koste een bekwame plaatsvervanger te stellen. In 1807 dan kocht de orgelmaker Loret een orgel, dat vroeger toebehoorde aan de Lieve-Vrouwenbroeders te Aalst : in het secreet staat nog het jaartal 1761, en leverde het te Schriek. Petr. Boel, schrijnwerker te Mechelen maakte een nieuwe orgelkast, en een balustrade aan het doksaal. (K.A.S., 508).

    De kerk wordt gewit en geschilderd, 1809. Blikken lampen met « peterolie » verlicht, 1815. Veel werken die in 1795 waren weggelaten, uitgevoerd aan de sacristij. Zes paar koperen kandelaars voor het hoogaltaar, ook een marmeren tombe, 1817.

    Nieuwe kosters : Norbertus Stroobants, 1817; en Jozef Verlinden, 1818.

    Een nieuwe Kommuniebank wordt besteld te Leuven, 1819. De troon van O. L. Vrouw en de relikwiekast van Sint-Jan geschilderd en verguld.

    Regelmatig wordt er gewerkt aan het kapelleken van St. Bernardus, en in 1820 zijn relikwie bekomen.

    Een nieuwe kerkdeur, en houten banken tegen de muur in de kerk, 1822. Nieuw ook, een koperen wierookvat, een koperen kruis met beeld, en een baarkleed uit Mols laken, 1823.

    De koster sterft, Guill. Schools volgt hem op, 1824.

    In 1825 levert F. Van Meerbeeck, steenkapper te Mechelen, een doopvont, en Sr De Bries, ook van Mechelen, een koperen deksel. Bovendien twee kelken verguld.

    Een nieuwe koperen godslamp, drie lantarens, 1829. Een koperen lavabo met schelp, 1831. P. J. Tambuyser snijdt, voor de kast van Schriek, twee namen met stralen, twaalf rozetten, vier kapitelen, 1832. Nieuw het tabernakel op het hoogaltaar, het gestoelte op het koor, de lambrizering in de kerk.

    Einde 1833 wordt G. Schools als koster vervangen door Jozef De Meutter.

    Een inventaris van die jaren geeft op als zilverwerk : een monstrantie, ciborie, twee kelken, twee zilveren kronen voor het beeld van O. L. Vrouw geofferd in 1792; relikwieën van St Jan, St Antonius, St Bernardus, en een relikwieschrijn van de heiligen Barbara, Lucia, Hubertus en Kornelius bezorgd in 1797 door Petrus Wijns uitgedreven kloosterling geboortig van Schriek. (K.A.S., 326).

    Als gewaad beschikte men over 5 witte kazuifels, 5 rode, 4 zwarte, 2 groene, 2 violet, twee kleden en drie mantels voor O. L. Vrouw.

    Naast het hoogaltaar stond het beeld van Sint-Jan en van Sint-Antonius. Aan de een zijde, het altaar van O. L. Vrouw met haar beeld, en daarnaast St Bernardus. Aan de ander zijde, het altaar van St Antonius, en daarnaast het beeld van St Sebastiaan. Bij het uitgaan van het koor, de H. Elizabet en O. L. Vrouw. Als meubelen waren er een predikstoel en twee biechtstoelen, onder de Fransen gered, misschien niet verkocht ofwel teruggekocht voor de kerk, zoals een inwoner van Schriek deed voor de predikstoel van Keerbergen.

    Kapel van Grootlo.

    In 1821 verkocht de gemeente de bomen in de hof der kapel, evenals de aangeslagen goederen. In 1833 hielden de plechtige diensten op, en sedertdien ging de onderpastoor van Schriek er vrijdags de Mis doen. Alsdan werd ook de kapel hersteld, gedekt, gewit, geverfd en met vier beelden voorzien. (K.A.S., 333).

    De kapel van Grootlo heeft vele tribulaties gekend.

    Petr. Op de Beeck pastoor, 1834-36.

    Wat hij als onderpastoor reeds gedaan had, en namelijk bij opdracht het beredderen en betalen der herstellingen in de kerk, werd door hem, na het ontslag van zijn voorganger, geregeld voortgezet.

    Onderpastoor : Kar. Kerselaers, 1835-.

    Een zeer belangrijke gebeurtenis was, in 1836, de grote Missie in de parochie en de oprichting van de Kruisweg in de kerk, waarvan een omstandig verslag bewaard bleef. (K.A.S., 337).

    We kunnen er de Missie dag aan dag meeleven.

    Weken op voorhand werd ertoe aangewakkerd en ervoor gebeden. Van zaterdag af stonden er 17 biechtstoelen gereed. De zondag, 5 juni, was de kerk binnen en buiten versierd met groen, met passende voorstellingen en spreuken. Recht over de preekstoel was een Kalvarieberg van vijf voet nagebootst. Te vier uur werd het Kruis, met de werktuigen der Passie, plechtig van buiten in de kerk gebracht, door zingende priesters en biddende gelovigen, en op de Kalvarieberg geplant, waarna het lof en sermoon. De leider en bijzonderste predikant der Missie was niemand minder dan de « heilige pastoor » van Tildonk, Eerw. Heer J. Lambertz, geholpen door meer dan twintig priesters uit de dekenij.

    Van woensdag namiddag tot zaterdag avond werd biecht gehoord, donderdag morgen tot zondag de Kommunie uitgereikt.

    De vrijdag, 10 juni, had de plechtige oprichting der 14 staties van de Kruisweg plaats, in de kerk van Schriek voor de eerste maal, gelijk rond die tijd ook elders.

    De zaterdag, grote processie met het beeld van O. L. Vrouw, toewijding en sermoon.

    En zondag, als besluit, plechtige Hoogmis, Lof met sermoon over de volharding, en vernieuwing der beloften van het doopsel.

    Het moet een grootse Missie geweest zijn, met overweldigende bijval. Omtrent de negentienhonderd Kommunies werden uitgereikt. (Volledig verslag in Parochieblad Schriek, 1956, en in Sacerdos).

    Lud. Pauwels pastoor, 1836-1865.

    Geboren in 1794. Hij liet de kerk vergroten in 1844.

    Kar. Kerselaers, onderpastoor sedert 1835, overleed de 15 februari 1839. Vóór zijn overlijden had hij de wil uitgedrukt, aan het armbestuur van Schriek 2000 F te schenken, met last van zes plechtige Missen en zoveel Loven in de oktaaf van Allerzielen, hetgeen door zijn broeder werd uitgevoerd. (K.A.S., 60).

    Andere onderpastoors : Joan. Fr. Van Gorp, 1839-; Hier. Petr. Norb. Franck, 1863-.

    Vergroting van de kerk,1844

    Van 1840 af, denkt men er aan, de kerk te vergroten. Er worden daartoe houtkoopdagen gehouden, erfpachten gekweten, kapitalen ingetrokken. De heer Vander Stegen schenkt 1000 F, mits een familiebegraafplaats op het kerkhof.

    Volgens het bestek der werken, opgemaakt door de provinciale bouwmeester E. Berckmans, bestond de vergroting der kerk van 1844 hoofdzakelijk in het aanbouwen van een kruisbeuk en hoogkoor. De bevloering, bepleistering en de twee laatste lagen der plafonnering bleven voorlopig buiten kwestie.

    Op 13 mei werd de aanbesteding toegewezen aan P. J. Gramme, van Mechelen, voor 5600 F. Op te merken, dat alle materialen voor de aannemer moesten geleverd en ter plaatse gevoerd worden, op kosten van de kerkfabriek. Aldus steen, kalk, ijzer, schaliën, eikebomen, hout, zink, lood, enz. De ijzeren balusters en het Noors hout kwamen per schip van Antwerpen naar Mechelen.

    De plafonnering werd, op 4 juli 1845, afzonderlijk aangenomen door J. Servais, van Antwerpen, voor 1400 F. Volgens artikel 4, moest hij in de nis van het hoogaltaar aanbrengen een oog met stralen, rond hetwelk een krans van wolken met stralen doorschoten, en daarin zes engelkoppen; in de nissen der zijkoren, ook een oog in een driehoek, symbool van de H. Drievuldigheid. De nieuwe bevloering, uitgevoerd door P. J. Jacobs, kostte 2460 F.

    Om de onkosten der vergroting te dekken, kreeg de kerk een buitengewone onderstand toegekend vanwege de staat, de provincie en de gemeente. Daarenboven haalde de pastoor, voor 3368 F, vrijwillige giften rond.

    In verband met deze giften, verklaarden, op 17 juli 1844, de leden der oude gilde van Sint-Sebastiaan, de eigendom af te staan der gildebreuk met al de daaraan toebehorende zilveren voorwerpen, en die gratis te geven aan de kerk van Schriek, om daarmee te doen en te handelen als haar eigendom, zodat deze voorwerpen, breuk, zilver, enz. door de kerkfabriek volgens haar goeddunken mogen verhandeld, verkocht of bewaard worden, even alsof zij nooit aan de te niet gedane gilde behoord hadden, renuntiërende zij, gildeleden, voorts aan alle wetten en rechten, welke aan deze afstand tegenstrijdig zouden kunnen wezen. (K.A.S., 351).

    De gilde zelf van St. Sebastiaan bestond reeds vóór het jaar 1575. De zilveren breuk draagt nog twee opschriften van 1644, rechts het Latijnse : « Post Fel Mel, M. Roussel », en links het Franse : « Après Tristesse Liesse, And. Roussel ». De spreuk betekent zoveel als : Na zuur komt zoet, na droefheid vreugde. Die schone herinnering wordt op de pastorij met zorg bewaard.

    Van de kapel van Grootlo werd de bouwvallige toren in 1839 afgebroken, door bevel van het gouvernement en order van de burgemeester, en het dak gerepareerd.

    Na de vergroting der kerk volgde ook de nieuwe bemeubeling. De altaren werden hersteld, vernieuwd en geschilderd. Kerkstoelen bijgekocht, vermits er meer plaats was, zodat het ontvangen stoelgeld na één jaar tweemaal, en na vijf jaar vijfmaal meer bedroeg; het zou van 136 F in 1844, verhogen tot 750 F in 1865, mede door de stijging der bevolking. (K.A.S., 510).

    Er kwamen nieuwe beelden : Onze Lieve Vrouw in plaaster, en twee Serafijnen in hout, van P. C. De Sylvestre; en nog vier beelden voor de altaren, ook van De Preter.

    Aan dezelfde werd in 1848 een nieuwe predikstoel aanbesteed voor 4000 F, en de oude predikstoel, aan de kerk van Buken afgestaan.

    Dan volgden twee biechtstoelen, de beelden door dezelfde; het schrijnwerk van predikstoel en van biechtstoelen door Francis Vanden Eynde.

    Het doksaal verhoogd, orgel en orgelkast vergroot, 1855. Op de sakristij een platform in lood, 1857. Dan muren rond het kerkhof, en een ijzeren hek met dubbele poort, door Aug. Van Aerschot, van Herentals. Het houten beschot in de sakristij, 1862. Vier verzilverde processielantarens, processiekruis, lessenaar, en een nieuwe troon voor O. L. Vrouw, dit alles 1864, door Goeyers, van Mechelen.

    Bij testament van l juli 1847, had Katarina Rijmenants, echtgenote Fr. Goossens, aan het armbestuur van Schriek een som van 4000 F gemaakt, met last van zes gezongen Missen onder het oktaaf van het Allerheiligste Sakrament. (K.A.S., 61).

    De 5 november 1864 was te Schriek het genootschap van de H. Vincentius à Paulo gesticht, een kleine maar werkzame groep edelmoedige mensen van kristelijke liefdadigheid tot steun van de schamele armen. De laatste zitting had plaats op 14 februari 1915. (K.A.S., 554. 557. 558).

    Hoofdstuk XV

    NAAR DE STICHTING DER

    PAROCHIE GROOTLO, 1906

    Kar. Vermijlen pastoor, 1865-1878.

    Geboren te Booischot in 1819, benoemd de 22 september 1865.

    In 1875 kwam Schriek onder de nieuwe dekenij van Heist-op-de-Berg.

    J. A. Van Ourshaegen deed de dienst van onderpastoor, 1865-; Andr. Lud, Ruts, onderpastoor, 1868-.

    Eerst moesten de twee klokken, waarvan de grote gebarsten was en de kleine een valse toon gaf, vervangen worden door drie nieuwe. De oude werden uit de toren gehaald de 18 september 1866, en wogen samen 1301 kilogram. De nieuwe waren door mr Severinus Van Aerschot te Leuven gegoten, in fa-sol-la oud orgeltoon en gewijd de 22 oktober 1866 : de eerste Sint- Jan, 1391 kilo, de tweede Onze Lieve Vrouw, 926, de derde Sint-Antonius, 616. Men had 8598 F moeten opleggen.

    G. Goeyers van Mechelen leverde, in 1868, een zilveren ciborie. De kerk betaalde 200 F aan de gemeente voor het opbouwen der kapel tegen de steenweg naar Putte. Van dezelfde Goeyers, nog vier verzilverde kandelaars, 1869.

    In augustus 1869 werd Hendrik De Meutter, zoon van Jozef, na het overlijden van zijn vader, tot koster benoemd. (K.A.S., 578, Verslagb. kerkfabriek).

    Jozef Geefs, beeldhouwer te Antwerpen, leverde hetzelfde jaar, twee beelden : het H. Hart van Jezus, en het H. Hart van Maria.

    Lodewijk Mortelmans, ook van Antwerpen, maakte, in 1871, een nieuwe Kommuniebank; in 1873, een beeld van Onze Lieve Vrouw, en twee houten beelden, namelijk O. L. Vrouw en de H. Joseph.

    Ongeveer zestig inwoners van Grootlo, waaronder enige parochianen van Schriek, hebben begin 1872, een verzoekschrift gezonden naar de bisschop, voor de oprichting van een eigen parochie. Heist-Goor kwam tot stand in 1873.

    Pastoor Kar. Vermijlen maakte, bij testament van 23 september 1873, aan de armen van Schriek, een land onder Heist, op last van een jaargetijde met uitdeling van brood 113 kilo verbakken meel; bij testament van 15 maart 1876, aan de kerk, twee stukjes bouwgrond en een stuk bouwland in het dorp, gekocht in 1875 door Joan. Andr. Van Ourshaegen, priester alhier.
    Hij nam ontslag in 1878, en overleed de 12 december 1879.

    Ev. Lud. Truyts pastoor, 1878-1908.

    Geboren te Heist de 13 september 1833, tot pastoor benoemd te Schriek op 20 december 1878.

    Onderpastoors : Hendr. Van Pelt, 1879-; Ern. Delaet, 1897-; Frans Vermeerbergen, 12 november 1897-; Leop. Heymans, 1907-.

    De 22 november 1879 werd door de Bestendige Deputatie bevestigd, dat de gemeente wettelijk verplicht is aan de pastoor een woonstvergoeding te verlenen, vermits de kerk eigenares is van de pastorij, als gebouwd op haar kosten, — hetgeen ten andere uit heel deze geschiedenis blijkt. (K.A.S., 43).

    Drie Zusters van Vorselaar hadden, in 1878, zich hier gevestigd, en woonden in het schoolhuis van de gemeente, daar twee van hen als gemeenteonderwijzeressen waren benoemd.
    Toen de ongelukswet van 1879 de schoolstrijd ontketende tegen het katoliek onderwijs, namen de Zusters hun ontslag van de gemeente, twee kwamen erbij, en met vijf gaven zij les voor jongens-, meisjes- en bewaarscholen. Voorlopig in een gehuurd lokaal en vrijwillig afgestane achterplaats, weldra in een nieuw opgetrokken gebouw. Het katoliek schoolkomiteit, de pastoor en de liefdadige helpers moesten voor alles zorgen : banken, borden, kachels en kolen, boeken en leermateriaal; ook voor het geld om alles te betalen. Pastoor Truyts heeft heel wat rondgehaald, en de weldoeners ontbraken nooit, zelfs niet voor het bouwen van nieuwe klassen. (K.A.S., 550, 551).
    Sedert het einde van de schoolstrijd in 1884, geven de Zusters nog enkel les in hun aangenomen meisjesschool. Tot 1897 woonden zij kosteloos in een huis, door weldoeners ter beschikking gesteld, en kregen toen een eigen nieuwgebouwd klooster.

    Wat nu de kerk betreft, in 1882 had gravin Julia Vander Stegen de 14 staties van de Kruisweg geschonken, op doek geschilderd door Jos. Van Aerschot, en door Fr. Vanden Eynde in eiken lijsten gevat. Zij overleed te Leuven de 13 maart 1898.
    Volgens een inventaris van 1883, stonden toen in de kerk, o. a. de grote beelden van O. L. Vrouw en van Sinte Elizabet, naast het hoogaltaar; de kleine beelden, Sint-Jan boven het hoogaltaar; elders St Antonius, St Bernardus, en St Sebastiaan, die doorgaan als de oudste. (K.A.S., 546).
    De houten trappen aan het altaar werden vervangen door witmarmeren platen, 1892; twee nieuwe glasramen, 1898, en grote herstellingen aan de andere door Grossé-De Herdt van Brugge, 1899.

    Pastoor Truyts heeft zich verdienstelijk gemaakt door de « Beschrijving der parochie Schriek », als antwoord op de vragenlijst, aan alle pastoors voorgeschreven door Kardinaal Goossens in 1898. (K.A.S., 450).

    In Schriek bestonden toen, onder andere :

    1.De Broederschap van Sint-Antonius, sedert 1710. Het prachtig versierd naamregister en het gedrukt boekje zijn bewaard. Sedert 1890, bij een Missie door de Minderbroeders, lieten 400 nieuwe leden zich inschrijven. (K.A.S., 485, 486).

    2.Het Allerheiligste Sakrament, sedert 1731; vernieuwd in 1792, en de Gedurige Aanbidding gesteld op l december ; in 1855, gesteld in juli.

    3.Geestelijk verbond tot uitroeien der godslasteringen, 1835.

    4 en 5- Apostolaat des Gebeds, en Kongregatie van O. L. Vrouw, 1869.

    6.Gelovige zielen, 1877.

    7.H. Kindsheid, 1879.

    8.Derde-Orde, 1890; de beelden van de H. Elizabet van Hongarije en van St. Franciscus zijn een gift der Derde-Orde in 1892.

    9 en l0. Eerste Vrijdag van het H. Hart, en H. Familie voor de Moeders, 1895.

    11.Wekelijkse Kruisweg, 813 leden in 1899.

    12.Het zondagsgebed, bestond reeds in 1604.

    13.Sint-Vincentius à Paulo, 1864.

    14.De Boerengilde, te Schriek gesticht de 9 mei 1890, als tweede van geheel België, na Heist-Goor.

    In 1901 besloot de kerkraad tot de herstelling van het houten kruisbeeld, 2 m 30 cm hoog, dat sedert jaren op het kerkhof tegen de muur had gehangen, en volgens bouwmeester Careels te veel kunstwaarde bezat om buiten te blijven. Het maken van een nieuw kruishout, de restauratie en schildering van het beeld werden toevertrouwd aan Jan Gerrits, beeldhouwer te Antwerpen.

    In 1903, een gebarsten klok, de tweede, toegewijd aan O. L. Vrouw, hergoten door Michiels te Doornik.
    In 1904, overleden de koster Hendrik De Meutter; Firmin Parmentier benoemd.
    In 1907 nam F. Parmentier zijn ontslag; nieuwe koster Karel Op de Beeck.

    Pastoor Truyts, 75 jaar oud, nam eervol ontslag in 1908, en overleed te Schriek op 9 januari 1910.

    Hoofdstuk XVI

    DE LAATSTE VIJFTIG JAREN, 1905-1956

    De nieuwe parochie van Grasheide, 1905-

    Grasheide, onder de gemeente Putte, werd als parochie erkend bij koninklijk besluit van 1 september 1905, en toegewijd aan de H. Gerardus Majella.

    Op de 2437 inwoners van Schriek werden er 202 aan Grasheide afgestaan, en op die voet is de verdeling met de moederkerk van Sint-Jan-Baptist door het hoger bestuur goedgekeurd. (K.A.S., 563).

    Nog in 1827 is de naam « Gasheide ». Een « Jan Gas » is koster geweest te Schriek van 1560 af. In de cijnsboeken van Schriek en Grootlo wordt de persoonsnaam Jan Gas of Gast aangetroffen in 1539 en dan ook te Putte en Beerzel; en zelfs in 1447. In Putte zijn er drie stichtingen van Jan Gas, waarvan de oudste eveneens opklimt tot 1448. (Dr. Nauwelaerts, in 't Zwaantje, III, 1953, blz. 27).

    De nieuwe parochie van Grootlo, 1906.

    Dat Grootlo een nieuwe parochie werd, is ten slotte te danken aan de bisschoppen en aan bijzondere weldoeners.

    Reeds ten tijde van Kardinaal Sterckx was de kapel zodanig vervallen, dat men ze meende af te breken, maar de bisschop verzette er zich tegen, als zijnde de enige in zijn bisdom toegewijd aan de H. Naam Jezus. In 1891 werd de kapel hersteld door de milddadigheid der familie Eng. Goossens, en sedertdien kwam de onderpastoor van Schriek er elke dinsdag de Mis lezen. In 1894 is door dezelfde familie de kapel vergroot langs de noordzijde, en een portaaltje met toren bijgebouwd; een professor van Aarschot deed er alle zondagen en heiligdagen voortaan de dienst.

    In september 1905 stelde Kardinaal Goossens in eigen persoon ter plaatse een onderzoek in; en de oprichting der nieuwe parochie van Grootlo werd bij koninklijk besluit van 16 mei 1906 goedgekeurd. Natuurlijk was de parochie toegewijd aan de H. Naam Jezus. Tot de parochie behoorde een klein deel van Tremelo en Keerbergen, en een groot deel van Schriek. Van de 3293 toenmalige inwoners van Schriek werden er 424 aan Grootlo afgestaan. De afscheiding tussen Schriek en Grootlo geschiedde op het midden van de Lauwerijkstraat, de Langestraat en de Trommelstraat. De eerste pastoor, Frans Vermeerbergen, geboren te Vorselaar in 1873, sedert 1897 onderpastoor in Schriek, werd op 26 september 1906 benoemd en op 3 oktober aangesteld. De eerste koster, Al. De Meutter.

    De parochiale werken ontstonden het een na het andere. De Kongregatie van O. L. Vrouw, 1906; de Gedurige Aanbidding, jaarlijks op 5 juni; de Derde-Orde van St Franciskus, 1907; de broederschap van de Zoete Naam Jezus, 1908; de mannenbond van het H. Hart, 1909, met vlaggewijding, « de schoonste godsdienstige plechtigheid die ooit in de parochie plaats had », zo schrijft de pastoor. (Handschrift Fr. Vermeerbergen, parochieblad Grootlo, J. Van Dyck).

    Het nieuwe kerkhof werd de 12 juni 1910 gewijd. Na de vrede van 1918, begon het voornaamste werk. De grote weldoeners waren : Mevr. Eng. Goossens-Op de Beeck, overleden 2 juli 1909; de heer Engelbert Goossens, overleden 11 juli 1920; zijn zuster Jozefine, overleden 31 december 1925.

    De pastoor bouwde een vrije meisjesschool, bediend door de Zusters van Vorselaar; verder een klas voor jongens, en de overige scholen tussen 1927 en 1930.

    Aan de nieuwe kerk begon men, na veel moeilijkheden, te bouwen in 1936 : provinciale bouwmeester J. Careels, aannemer J. Ysermans van Mol. De kerk werd gewijd op 15 juni 1937 door Kardinaal van Roey, dorpsgenoot van de pastoor.

    De kerk is 30 m lang, en 20 m breed; de toren 34 m hoog. Het hoofdaltaar, toegewijd aan de H. Naam Jezus, en de zijaltaren van O. L. Vrouw en van de H. Jozef, komen van het huis Gerrits te Antwerpen.

    Twee biechtstoelen werden geleverd door Lud. Maes van Sint-Lenaarts. Twee klokken, geschonken door Eerw. Heer Alex. Vermijlen, gegoten door de klok-gieter Sergeys te Leuven, en gewijd de 8 augustus 1937. De grote klok, 990 kgr. is die van de H. Naam Jezus; de kleine, 738 kgr., die van de H. Aldegondis : deze heilige wordt er, van voor de stichting der parochie, bijzonder vereerd.

    De eerste pastoor, stichter, kerkebouwer en inrichter der nieuwe parochie van Grootlo, nam eervol ontslag op 30 september 1939. Hij overleed, vol van verdiensten, de 3 november 1951.

    De tweede pastoor was Lud. Vermeerbergen, broeder van de eerste, geboren te Vorselaar in 1884, en benoemd de 20 september 1939.

    Hij moest de twee klokken van 1937 tijdens de oorlog geroofd, vervangen door nieuwe, van het huis Michiels, een grote van 1077 kgr. en een kleine van 622 kgr., op 15 oktober 1947 gewijd. Hij bouwde een vrije jongensschool met drie klassen, in 1951. Hij plaatste in de kerk ook een Kommuniebank van L. Maes, en een witstenen predikstoel. Hij had in 1940 gezorgd voor een orgel door H. Van de Loo te Leuven.

    Nam ontslag de 30 augustus 1952.

    De derde pastoor, Marc. Van den Bergh, tot 28 augustus 1953

    De vierde pastoor, Jos. Van Dyck, geboren te Turnhout, 8 januari 1904, priester gewijd 23 mei 1931, en op 20 september 1953 te Grootlo ingehaald.

    God geve hem een vruchtbaar apostolaat en lange jaren I

    Grootlo telde ongeveer 750 zielen in 1906, 1031 in 1930, 1145 in 1940. In 1955 waren er 1489 inwoners, waaronder 541 van Keerbergen en 223 van Tremelo; in 1955 ook, 37 dopen, 24 plechtige Kommunie, 17 huwelijken, 7 overlijdens.

    Parochiële werken : l. Bond van het H. Hart voor de mannen; 2. Bond van 't H. Hart voor de vrouwen; 3. Kristelijke werkliedenbond; 4. Kristelijke Arbeidersjeugd = Kajotters; 5. Boerengilde; 6. Boerinnengilde; 7. B.J.B. meisjes = Boerinnenjeugd.

    Moge de nieuwe parochie verder groeien en bloeien.

    De oude parochie van Schriek, 1908-1956.

    Eerw. Heer Hub. Van Hoof, pastoor 1908-1931.
    Geboren te Mechelen in 1859, ingehuldigd als pastoor te Schriek op 17 september 1908.

    In 1910, op de tweede zondag van september, werd het 200-jarig bestaan gevierd der broederschap van Sint-Antonius, en een vaandel geschonken door de parochianen. Vlaggewijding van de Bond van het H. Hart in 1912.

    In 1914, bij de school van de Zusters, een grote zaal gebouwd voor de kristelijke sociale werken der parochie, en afgewerkt in 1915 en 1916.

    Na de oorlog, in 1920, een gedenksteen van de gesneuvelden en burgerlijke slachtoffers geplaatst in de kerk. De 24 oktober van hetzelfde jaar, het beeld van het H. Hart geïntronizeerd op het plein vóór de kerk, met toewijding van de parochie.

    Pastoor Van Hoof overleed de 22 december 1931.

    Onderpastoors : J. Beyens, 1918-; Alb. Roosen, 1919-; Aug. Van Bremt, 1922-,

    Eerw. Heer Petr. Joan. De Wachter, pastoor, 1951.
    Geboren te Malderen, tot pastoor benoemd te Schriek op 14 februari 1932, nam ontslag in 1951.
    In 1937 werd het nieuw kerkhof buiten de kom van het dorp in gebruik genomen.
    Onderpastoors : Joan. Verbruggen, 1933-; Fr. Van Santvoort, 1937-; Em. Van Riet, 1944-; Petr. Dries, 1946-; Herm. Beuger, 1948-.

    Koster : Fel. Van Rompuy, 12 januari 1950.

    Eerw. Heer Joz. Van Cuyck, pastoor 1951.
    Geboren te Winksele de 2 maart 1908, priester gewijd de 10 juni 1933, tot pastoor benoemd te Schriek de 2 juni 1951, ingehaald de 17 juni.
    God verlene hem een vruchtbaar apostolaat en lange jaren.

    De parochie Schriek telde, na de stichting van Grasheide en Grootlo, nog ongeveer 1900 inwoners in 1907. In 1955 waren er 2.270 inwoners, 52 dopen, 45 plechtige Kommunies, 23 huwelijken, 24 overlijdens.

    Parochiële werken : 1. Bond van het H. Hart voor de mannen; 2. Bond van het H. Hart voor de vrouwen; 3. Kristelijke werkliedenbond; 4. Kristelijke Arbeidersvrouwen; 5. Kajotters = Kristelijke arbeidersjeugd; 6. Boerengilde; 7. Boerinnengilde; 8. Boerenjeugd; 9. Boerinnenjeugd; 10. Chiro-jongens.

    Moge de oude parochie altijd groeien en bloeien.

    BESLUIT

    Wanneer de bisschop een priester tot pastoor van parochie benoemt, verleent hij hem een brief in dezer voege

    “ Op Uw ongerept leven, beproefde wetenschap en rijpe ervaring vertrouwend, dragen Wij U, als voldoende bekwaam en geschikt, de zielzorg op van deze kerk. en voorzien U van al haar rechten en toebehoorten, op persoonlijke last er vast te verblijven.

    Daarom gelasten wij de Z. E. H. Deken, dat hij U in het bezit van de voornoemde parochie stelle en inleide. met de vereiste plechtigheid; en dat hij de parochianen aanspore, U voor hun ware herder en geestelijke vader te erkennen, U eer en gehoorzaamheid te bewijzen.

    Wat U betreft, eens het bestuur der parochie aangevangen. Hoed de U toevertrouwde kudde zodanig door woord, voorbeeld, gebeden en H. Sakramenten, dat Gij op de dag van 't oordeel aan de Heer God rekenschap moogt geven, en het loon der eeuwige zaligheid verwerft ».

    En dit boek is op de eerste plaats bedoeld als een nieuw moderne proeve van parochieapostolaat, dat alle parochianen, in hun huis, voortdurend, bereiken kan en blijft bereiken. God geve het !



    20-12-2013, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)

    ARCHIEF
    Genealogie

    Doopregisters
    Geboorteakten BS

    Huwelijksregisters
    Huwelijksakten BS

    Overlijdensregisters
    Overlijdensakten BS

    Gezinnen

    Wereldoorlog I

    Akten BS en PR
    Heist-op-den-Berg

    Booischot

    Akten BS en PR
    Putte & Beerzel

    Akten BS en PR
    Baal
    Tremelo
    Werchter
    Keerbergen

    Akten Bierbeek
    Korbeek-lo
    Lovenjoel
    Ophelp

    Archief per maand
  • 02-2021
  • 01-2021
  • 12-2020
  • 10-2020
  • 07-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 04-2019
  • 12-2018
  • 02-2017
  • 01-2016
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 10-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 03-2013
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 03-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 06-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 11-2008
  • 07-2008
  • 05-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !
    Mijn favorieten
  • bloggen.be
    Zoeken met Yahoo


    Foto
    Steyne Hoeve 1651

    De Heren van SCHRIEK

    Foto

    De graven van Loon

    Foto

    De graven van Aarschot

    Foto

    Familie Berthout

    Foto

    Graven van Gelre

    Foto

    Huis Van Kleve

    Foto

    Huis Van Arkel

    Foto

    Graven van WEZEMAAL

    Foto

    KAREL DE STOUTE
    MARIA van BOURGONDIË

    Foto

    VAN DER LAEN

    Foto

    VAN DER NATH

    Foto

    DE BROUCHOVEN

    Foto

    VAN DER STEGEN


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!