SCHRIEK
Verleden - Heden - Toekomst


Tekstgrootte aanpassen?
Klik op + of -

BLOG ZOOM

Foto

Wapenschild van SCHRIEK

Zoeken in blog

We zijn de 09de week van 2021
 

Parochie
St.-Jan Baptist

Inhoud blog
  • Overlijdensakten BS 1895-
  • Huwelijksakten BS 1916
  • Familieberichten
  • Infogids Schriek
  • Ons Oorlogsdagboek 1914-1919 (11)
  • Huwelijksakten BS 1911-1915
  • Remember 14-18
  • Remember 40-45
  • Overlijdensakten BS 1891-1894
  • Pv-WO I Itegem
  • Overlijdens Schriek 2020-
  • Pv-WO I Tremelo-8
  • Huwelijksakten BS 1891-1898
  • Huwelijksakten BS 1899-1904
  • Huwelijksakten BS 1905-1910
  • Wijzigingen van de berichten.
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (10)
  • KOM MEE RADIO MAKEN IN SCHRIEK.
  • Geboorteakten BS 1891-1893
  • Geboorteakten BS 1894-1896
  • Geboorteakten BS 1897-1899
  • Geboorteakten BS 1900-1901
  • Geboorteakten BS 1902-1903
  • Geboorteakten BS 1904-1905
  • Geboorteakten BS 1906-1907
  • Geboorteakten BS 1908-1909
  • Geboorteakten BS 1910-1911
  • Geboorteakten BS 1912-1913
  • Geboorteakten BS 1914-1915
  • Geboorteakten BS 1916-1918
  • Geboorteakten BS 1919-1920
  • OPROEP.
  • Oproep aan de genealogen.
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (2)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (3)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (4)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (5)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (6)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (7)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (8)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (9)
  • Kerkrestauratie 2016-2017
  • Overlijdens 2015-2019
  • Geboorteakten BS 1809-
  • Rouwprentjes Schriek A-B
  • Rouwprentjes Schriek C
  • Rouwprentjes Schriek D
  • Rouwprentjes Schriek H-I
  • Rouwprentjes Schriek J-L
  • Rouwprentjes Schriek M-O
  • Rouwprentjes Schriek P-R
  • Rouwprentjes Schriek S-T
  • Rouwprentjes Schriek U-V
  • Rouwprentjes Schriek -Van den P
  • Rouwprentjes Schriek Van H
  • Rouwprentjes Schriek Van R
  • Rouwprentjes Schriek Verl
  • Rouwprentjes Schriek Vert.-Z
  • Open brief
  • Kerkrekening 1561
  • Kerkrekening 1561-(1)
  • Kerkrekening 1561-(2)
  • Kerkrekening 1561-(3)
  • Kerkrekening 1561-(4)
  • Kerkrekening 1561-(5)
  • Kerkrekening 1561-(6)
  • Kerkrekening 1561-(7)
  • Kerkrekening 1561-(8)
  • Kerkrekening 1561-(9)
  • Kerkrekening 1561-(10)
  • Kerkrekening 1561-(11)
  • Kerkrekening 1561-(12)
  • Kerkrekening 1561-(13)
  • Kerkrekening 1561-(14)
  • Kerkrekening 1561-(15)
  • Kerkrekening 1659-1660
  • Kerkrekening 1658-1659
  • Kerkrekening 1657-1658
  • Kerkrekening 1656-1657
  • Schriek - Het onderwijs tot 1800
  • Wijzigingen in het blog
  • Altaarsteen in de St.-Jan Baptist kerk
  • Pastoorsverslagen WO I
  • Pastoorsverslagen WO I
  • Pv WO I Tremelo-1
  • Pv WO I Tremelo-2
  • Pv WO I Tremelo-3
  • Pv WO I Tremelo-4
  • Pv WO I Tremelo-5
  • Pv WO I Tremelo-6
  • Pv-WO I Tremelo-7
  • Overlijdensakten BS 1816-
  • Huwelijksakten BS 1816-
  • Geboorteakten BS 1816-1819
  • Overlijdensakten BS 1807-1809
  • Gezinnen 1604-... (B)
  • Gezinnen 1604-... (A)
  • Overlijdensakten BS 1797-1807
  • Huwelijksakten BS 1800-1808
  • Parochiegeschiedenis-1
  • Parochiegeschiedenis-2
  • Parochiegeschiedenis-3
  • Parochiegeschiedenis-4
  • Geboorteakten BS 1797-1804
  • Geboorteakten BS 1804-1808
  • Overlijdens 1930-1935
  • Overlijdens 1935-1942
  • Overlijdens 1942-1948
  • Overlijdens 1948-1956
  • Overlijdens 1956-1965
  • Overlijdens 1965-1971
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (A-D)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (E-L)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (M-S)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (T-Van O)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (Van P- Z)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (A-D)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (E-K)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (L-S)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (T-Van Rom)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (Van Roo-Z)
  • Overlijdens 1604-1929 (A-B)
  • Overlijdens 1604-1929 (C)
  • Overlijdens 1604-1929 (D)
  • Overlijdens 1604-1929 (E-G)
  • Overlijdens 1604-1929 (H-J)
  • Overlijdens 1604-1929 (K-M)
  • Overlijdens 1604-1929 (N-Q)
  • Overlijdens 1604-1929 (R-S)
  • Overlijdens 1604-1929 (T-Van den Bra)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van den Bro-Van Dy)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van E-Van L)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van M- Van U)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van V-Verha)
  • Overlijdens 1604-1929 (Verhe-Vers)
  • Overlijdens 1604-1929 (Vert-Wa)
  • Overlijdens 1604-1929 (We-Z)
  • Gezinnen 1604-1923 (A-B)
  • Gezinnen 1604-1923 (C-Cl)
  • Gezinnen 1604-1923 (Co-De C)
  • Gezinnen 1604-1923 (De D-De V)
  • Gezinnen 1604-1923 (De W-Du)
  • Gezinnen 1604-1923 (E - F)
  • Gezinnen 1604-1923 (G-Go)
  • Gezinnen 1604-1923 (Go-Hen)
  • Gezinnen 1604-1923 (Her-Hu)
  • Gezinnen 1604-1923 (I-Li)
  • Gezinnen 1604-1923 (Lo-N)
  • Gezinnen 1604-1923 (O-Q)
  • Gezinnen 1604-1923 (R-Ser)
  • Gezinnen 1604-1923 (Sey-T)
  • Gezinnen 1604-1923 (U - Van Cr )
  • Gezinnen 1604-1923 (Van D-Van den Bu)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van den C-Van der)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van Des-Van Hou)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van Hove-Van M)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van N - Van V)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van W-Verha)
  • Gezinnen 1604-1923 (Verhe-Versch)
  • Gezinnen 1604-1923 (Verst-Vi)
  • Gezinnen 1604-1923 (Vo-Z)
  • Dopen 1604-1621
  • Dopen 1621-1630
  • Dopen 1631-1641
  • Dopen 1641-1651
  • Dopen 1651-1669
  • Dopen 1670-1673
  • Dopen 1673-1685
  • Doopregister 4 -afbeeldingen
  • Dopen 1685-1692
  • Dopen 1692-1697
  • Dopen 1698-1703
  • Dopen 1703-1707
  • Dopen 1707-1708
  • Dopen 1708-1710
  • Dopen 1711-1720
  • Dopen 1721-1730
  • Dopen 1730-1739
  • Dopen 1740-1749
  • Dopen 1750-1759
  • Dopen 1760-1769
  • Dopen 1770-1776
  • Dopen 1776-1780
  • Dopen 1781-1784
  • Dopen 1785-1788
  • Dopen 1788-1791
  • Dopen 1792-1794
  • Dopen 1795-1796
  • Dopen 1797-1797
  • Dopen 1798-1800
  • Dopen 1800-1803
  • Dopen 1803-1806
  • Dopen 1807-1810
  • Dopen 1810-1813
  • Dopen 1813-1817
  • Dopen 1817-1820
  • Dopen 1820-1823
  • Dopen 1823-1826
  • Dopen 1826-1827
    Foto

    PAROCHIE

    * Parochie info
    * Parochiale Leven
    * Parochiecentrum
    * Verenigingen
    * Onderwijs
    * Vormsel 2008
    * Vormsel-jaarprogramma
    * Catechesegroepen
    * Vormsel-start
    * Vormsel-kerkbezoek
    * Vormsel-datumwijziging
    * H.Doopsel
     Genealogie: zoek uw voorouders op, publiceer uw genealogie, consulteer de burgerlijke stand ...
    29-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-B

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

      B
    - ba’rél’tje : plaatsnaam te Schriek : het Bareeltje
    - ba’rie’el : bareel
    - ba’sæng : 1) waterkuip 2) goan wær’ke noa de ba’sæng : gaan werken naar de dokken
    - baa : 1) bij 3) bouw haa werkt in den baa 2) uitdrukkelijke bevestiging of ontkenning aa baa joo - aa baa nie’je
    - baa’ne : binden
    - baa’re : kinderspel
    - baa’spie’je : bijpassen met geld
    - baa’te : bijten gezegde : da es nen dey baa’ter : dat is een doordrijver
    - baa’tel : beitel
    - baal : bijl
    - baar : ijzeren ronde staaf
    - baar’sjok : bumper
    - baas : regenbui
    - bæ’be’ke : voorkeurleerling
    - bæ’des : schotten die men op een kruiwagen plaatst
    - bæ’re’bier : haarkapper
    - bæ’re’vits : blootvoets
    - bæst : barst
    - bæt : plank
    - Bal’der : Berlaar
    - bal’le : ballen gezegde : ik snap doa gie’en bal’le van = ik snap er niets van
    - bal’le’ke : veelvuldig boeren
    - ban’ne : 1) banden 2) maandverbanden gemaakt uit textiel
    - bank’ke : 1) kaartspel om het geld = gokspel 2) financiële instelling 3) zitmeubelen
    - bat’te’klank : al uw spullen = aa’ven hie’e’len bat’te’klank
    - bat’te’re : vechten
    - bat’te’rie : batterij van een auto
    - bat’te’vie : het bont maken die hem’me doo den bat’te’vie gedroa’et
    - bau’ke : boterham in kindertaal
    - bau’te’re : 1) boteren 2) bepaalde wijze van fietsen als het zadel iets te hoog staat
    - bau’ter : boter
    - be’dér’re’ve : 1) bedorven 2) rotverwend be’der’re’ve joeng
    - be’di’se’le : heimelijk afspreken
    - be’die’e’me : seffens
    - be’die’ne : berechten
    - be’gaan : begijn
    - be’géz’ze : slechte waren, materialen
    - be’hang’sel : behang
    - be’kal : bokaal
    - be’kan : bijna
    - be’kést : gedaan
    - be’lon : 1) ballon 2) bout
    - be’lon’ne’ke : gloeilamp
    - be’naat : benauwd
    - be’ney’je : beneden
    - be’rak : woonwagen van zigeuners
    - be’rak’vænt : zigeuner
    - be’schie’e’lek : duidelijk
    - be’sloa’ge : 1) met hoefijzers 2) er warmpjes inzitten die’jen es goe be’sloa’ge 3) er wanordelijk bijliggen da lee doa nog’al be’sloa’ge
    - be’ta’fe’le : bepotelen
    - be’toa’le: betalen
    - be’vey’ze : angstig mey e be’vey’ze gat
    - béé’wech : bedevaart oep béé’wech goan
    - béés : 1) bes 2) snoepje
    - béésj : beige kleur
    - bék’ke : beetje
    - bél’le’kes : bloem = fuchsia
    - bén : voorste deel van de koeienstal
    - béng’ke’rein : op een ijsbaan glijden
    - bér’ger : burger den bér’ger = de burgemeester
    - bér’re : treem van kruiwagen of kar gezegde : haa és au’ver de bér’re ge’sproen’ge = hij is te ver gegaan
    - bér’re’græcht : water rond grote hoeven
    - bér’re’pit : bornput
    - bés : zonder kousen bés in zen schoe’ne
    - bés’de’gat : zonder kousen of naakt
    - bés’tel : borstel
    - bes’tjæt : bezorgd
    - bést : borst
    - bét : 1) deel van de stal waarop de koeien staan 2) bed
    - beus : beurs gezegde : das tey’gen aa beus ge’schey’te = daar ga je naast vissen
    - beus’ze : doe maar voort géf moa beus’ze
    - bey’le’kes : prentjes
    - bey’teg : bijtend zoals in bey’teg kaat
    - bey’voat : bedevaart
    - bie’en : been
    - bie’en’haa’ver : beenhouwer
    - bie’er : mannelijk varken
    - bie’et : biet zegswijze : haa es noa den bie’et : hij was als seizoenarbeider werken in Vlaams-Brabant, meestal op de suikerbietvelden.
    - bie’est : beest, dier
    - bie’ke’noy’ke : beukenootje
    - bie’ze’ke : boordje
    - bie’ze’pjæt : paardehorzel (ook voor libellen gebruikt)
    - biek : beuk of beukenhout
    - bil’le’klet’ser : klucht
    - bil’le’man : kalf met een grote vleesproductie
    - bin’ne’dey : binnen door
    - bis : 1) autobus 2) kruik en melk’bis 3) busje e biske kou’la
    - Bis’skot : Booischot
    - bit’te’re : gebrande cichorei voor de koffie
    - bit’ter’pey : cichoreiwortel
    - bits’koem’mer : is men als men een kemel schiet, lomperik
    - Bjei’zel : Beerzel
    - bla’gey’re : opscheppen
    - blaa’kes : lobelia’s
    - blaa’sel : blauwsel voor een extra witte was
    - blaa’ve’réé’gen : blauwe regen (bloem)
    - blaaik : grasveld onder de wasdraad waarop men het linnen te bleken legde gezegde : haa zit oep maa’nen blaaik = hij moeit zich met mijn zaken
    - blaan : blaar of balein
    - blaat : blauw
    - blaf’fe’tuur : slagvenster
    - blak : blank, onder water die plék stoa blak
    - blat : tong gezegde 1) gaa hét a lank blat = gij kunt niet zwijgen = verklappen 2) die’je héé a voal blat = kwaadspreken
    - bléé’te : wenen ha blét, ha hee geblét
    - blék’ke : het omkeren van een kaart in het kaartspel blék’ke tien = ruiten tien in het kaartspel
    - bleu’ke : beginneling
    - blie’ek’schaa’ter : een mager en bleek ventje
    - blink : schoensmeer
    - blink’doe’es : 1) schoensmeerdoos om met te hinkelen 2) een opgetut meisje (omwille van de schmink)
    - bloa’ze : 1) blazen 2) pochen, stoeffen
    - bloas’koak : pocher, stoeffer
    - bloe’me’kéé : ruiker bloemen
    - bloei’je : bloeden
    - blok’ke : 1) klompen 2) studeren
    - blos’kes : blaasjes gezegde gaa mokt maa gie’en blos’kes waas = ik geloof u niet
    - blot : 1) kaal 2) blut
    - boa’e : baden die zwe’rez’ze moe’te boa’e
    - boa’e’ge : buigen
    - boa’es : buis
    - boa’ke’le : een kind verzorgen
    - boan : baan gezegde ik kan mey hém au’ver de boan = wij komen overeen
    - boat : baard
    - bod’ding : pudding
    - boe’em : 1) boom 2) bodem ik zin den boe’em
    - boe’en : boon
    - boe’et : boot
    - boe’mers’kon’ten : een onbekende en onderontwikkelde plaats van waar iemand afkomstig is
    - boe’re’gat : streek waar de tijd is blijven stilstaan
    - boe’re’haa : kleine wervelwindjes op zonnige dagen die zand en hooi omhoog zuigen.
    - boe’re’kloe’et : lomperik
    - boe’zjie : ontstekingskaars bij motoren
    - boef : eten gezegde oep de wil’den boef = willekeurig
    - boef’fer : beroepsvrijwilligers
    - boei’kaar : speelkar voor twee personen
    - boek : 1) boek 2) geitebok
    - boek’se’ring : bakharing
    - boeng’kers : een soort van grote vleestomaten
    - boo’mes : 1 oktober, bamis
    - booi’ek : buik
    - bos’se’man : sporter zonder prijs vb een visser die niets heeft gevangen is bos’se’man
    - bot’te : laarzen
    - bots : plots
    - braa’ve’raa : brouwerij
    - bræk : mier gezegde : dat és doa nen bræk’ke’nest = dat is daar een rommeltje!
    - bral’le : brullen
    - brém’bey’ze : braambessen
    - bri’két : in blokken geperste brandstof van bruinkool
    - briers : gebroeders, broers
    - brig : brug
    - brisk : bruusk
    - brit’te: brutale
    - broa’e : 1) kuit van het been 2) braden
    - broa’en : bruin
    - broek : bij een koe : het aangekoekte mest op de billen
    - broek’schaa’ter : bangerik
    - broek’zak : driehoekige koek met een stuk appel erin en gebakken van de deegrestanten.
    - brok’ke : stukjes brood mé’lek mey brok’ke
    - bron’zje’lét : armband
    - bros : 1) voetbaluitslag 0-0 2) korte haarsnit welke met zeep werd recht gezet e bros’ke

      C

    - chi’che’le : giechelen
    - chi’chel’trien : meisje dat veel giechelt
    wordt vervolgd



    29-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (1)
    28-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-D

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - D - 

    - da : dat
    - daa : 1) duw, por 2) dauw ’t héé ge’daat
    - daa’ve : duwen
    - dab’be : krabben haa dabt in zen hoar æx’pé’zes bloa’et dab’be
    - dæ’ge’re : door het slijk gaan
    - dæ’teg : dertig
    - dæk : dak gezegde das nen dæk’schaa’ter = postduif welke steeds naast de prijzen valt
    - dærm : darm
    - dæs’sel : dissel
    - dæs’tag : dinsdag
    - dals : betonnen vloerstenen
    - dam : 1) dame in het kaartspel 2) dam, dijk 3) dubbel schijfje in het damspel
    - dans : dans gezegde ne be’dér’ven dans = verwend kind
    - dau : achterlijk iemand
    - dau’re : doorn
    - décht : deugd
    - déém : uierspeen
    - dél’le’per : dorpel
    - der’rie’en : dooreen
    - dés’mey’le : dorsmolen
    - dés’se : dorsen
    - dést : dorst
    - déts : Duitser
    - dey : 1) deur 2) door
    - dey’doen : 1) door de roerzeef draaien 2) nieuwjaarsnacht vieren
    - dey’ge’niet : deugniet
    - dey’joa’ger : iemand die veel eet maar toch mager blijft
    - dey’trap’pe : onnozele praat vertellen
    - deyn : den of dennenhout
    - dib’be : dubben
    - die’eg : deeg
    - die’el : deel
    - die’pe’rik : diepte gezegde: die’je goa den die’pe’rik in die gaat er onderdoor
    - die’ve’le : opspelen, uitvaren
    - die’vel : 1) duivel 2) hardwerkende persoon 3) soda voor de afwas 4) klein rond kacheltje een die’vel’tje 5) bier
    - die’zent : duizend
    - dier : duur
    - dig’ge’le : dat ligt in duigen da léé in dig’ge’le
    - dik’kes : dikwijls
    - ding’e ; klederen gezegde : ding’en oan ding’en oa’et = wat gaat de tijd snel
    - djæm’me’le : ter plaatse trappelen
    - djæm’me’leer : onrustig persoon
    - djéts’kop : doodskop
    - djuu : vooruit !, ook gebruikt bij het paardrijden de’djuu = klein vloekje
    - doa : daar
    - doa’e’ver : doffer, mannetjes duif
    - doa’ef : duif
    - doa’em : duim; maar een klein dem’me’ke
    - doa’ze’rik : daas, steekvlieg
    - dob’bel : dubbel
    - dod’de’le: stotteren
    - doe’e’pe : dopen
    - doe’ef : doof, dof
    - doe’es : doos
    - doe’et : dood
    - doef : muf, laf weer
    - doef’fes : kapot zitten, op ik zit doef’fes
    - doem’pe’léér : sukkelaar, behoeftige
    - doemp : damp
    - doeng’ker : donker
    - doesj : stortbad
    - dok’taur : geneesheer gezegde: haa dok’taurt al’lank = hij heeft de hulp van de geneesheer al lang nodig
    - dol : vleesvlieg
    - dop’pe : stempelen
    - draa : drie
    - draa’pik’kel : stoeltje met drie poten
    - dræs’se : spatten zegswijze : haa héé den dræs = hij heeft diaree
    - drak’sel : vocht van ogen die tranen
    - dréf : grondsoort, soort drijfzand
    - drie’ech : droog
    - drie’em : droom
    - drip’pel : 1) druppel 2) borrel, klein glaasje likeur of jenever
    - droa’e 1) draaien 2) bocht in den droa’e
    - droa’e’ve : druiven
    - dwæs : dwars nen dwæ’se = iemand die altijd moeilijk doet, tegendraads

    - E -

    - éé’pis’tel : een zeer lange brief
    - éé’ve’ræks : averechts
    - éé’ze : het voeden bij vogels
    - éés : aas
    - éf’kes : eventjes
    - él’le’goet : flanel, katoen, … dat verkocht werd per el, later per meter, maar de naam bleef.
    - ér’re’gel : orgel
    - érk : gierigaard
    - és : 1) is 2) es, essenhout
    - ét’ter : 1) etter 2) moeilijk mens gaa zaa nen ét’ter
    wordt vervolgd



    28-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    27-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-F

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - F -

    - faan : fijn gezegde gaa zaa ne faa’ne = jij bent een slimme
    - faar : groot licht
    - faat : 1) feit das e faat 2) fijt haa héé het faat
    - færm : mooi - "e færm mok’ke" = een mooi meisje
    - fak’tèèr : postbode
    - fan’ton’te : gie’jen fan’ton’te = gie’jen pril’le = geen spelletjes
    - fars : gezegde : ik haa doo en fars vey se = ik had daar wat voor, zeg!
    - fas : kraakbeen (zoals in geperste kop)
    - fas’se : bakkebaarden
    - fe’joans’kes : faience stenen
    - fèè’bel : zachte kleur
    - fer’két : vork als eetgerei
    - fer’naas : fornuis
    - feu’ter : vilt
    - fey’ber’woa’re : februari
    - fi’dey’ke : koininginnehapje
    - fie’jest : feest
    - fik’fak’ke : ravotten, speels vechten
    - fiks : rechtop (staan of zitten)
    - fis : bunzing
    - flæt’se’boa’es : kinderspeeltuig dat gemaakt werd uit een vlierstok of een fietstrapper
    - flæts : flets
    - flaus’veng’ke : een opgetut manneke
    - flei’res : longontsteking
    - fleut’je : klein bierglas van 20 cl, een kermispintje
    - fli’saan : reuma
    - flie’e’me : flemen
    - flik’ke : 1)politiemannen 2) maken, doen wie héé maa da ge’flikt
    - flik’ker : in zenne flikker stoan = in zijn blootje staan
    - flip’pe : 1) peer 2) doorslaan
    - floa’e’te : fluit gezegde : gaa kint noa aa gelt floa’e’te = gij gaat dat geld niet krijgen
    - flod’der : gezegde : skie’te mey los’se flod’ders = schieten zonder scherp
    - floer : fluweel
    - flos : hevige stortbui
    - flosj : gordijnkwast
    - flots’broek : soort kniebroek
    - foe’fe’le : bedriegen, vals spelen
    - foef : 1) mislukking tés en foef 2) vagina  gezegde : ge moet nie mey foef’kes af’kau’me = geen uitvluchten!
    - foem’pe : 1) manier van knikkeren 2) porren, stompen haa zit hie te foem’pe
    - foer’re : razend in en foer’re
    - foers : vork van een fiets
    - fon’taan : fontein
    - fors’bal : biceps of armspier
    - fos : steenkoolmijn
    - fos’keu : schampstoot in het biljarten
    - frak : jas gezegde : haa héé a stik in zaa’ne frak = hij is dronken
    - frang : frank
    - frank : brutaal
    - fréé’te : 1) vreten 2) kaarten rapen bij bepaalde kaartspelen
    - frein : remmen
    - fring’ket : vork als fer’két
    - frit : specifiek behangpapier
    - froe’ze’le’wis : froe’zel’pa’pier = versieringspapier met veel franjes

    -G-

    - ga’leg : 1) galg 2) houten constructie die men op de kar plaats om hooi of schoven graan te vervoeren
    - ga’let : rond ijskoekje vey maa ie’e’ne in en ga’let
    - ga’raasj : garage
    - ga’rie’jel : gareel
    - gaa : 1) gij 2) gauw
    - gaa’ve : gouden ne gaa’ven tant
    - gaa’zen’taar : zwarte teerverfstof voor onder aan de muren in de stallen
    - gaas : gas
    - gaas’kau’le : cokes
    - gaat : 1) geit 2) goud 3) ook gebruikt om een domme vrouw te typeren
    - gæl’le : julie
    - gær’re’noat : garnaal
    - gæs : gras
    - gæs’dooy’kel : hondendrol in het gras
    - gæst : gerst
    - gal’jaar : kerel ga zaa ne gal’jaar se
    - gangk : 1) manier van gaan 2) gang in het huis
    - gar’de : veldwachter
    - gat : gat, opening meervoud : goa’te gezegde: 1) haa wént in a ver’lau’re gat = hij woont ver achterin 2) haa es in ze gat ge’bey’te = hij is slecht gezind 3) haa es nie oep se gat ge'djépt = hij is zeker niet achterlijk
    - gat’boe’re’ke : kleine boer met weinig land en beesten
    - gat’læk’ker : flemer
    - gaut : goot
    - ge’baa : gebouw
    - ge’bak’ke : gezegde : tes ge’bak’ke = ’t is in orde
    - ge’bie’re : buren
    - ge’die’est : stilhouden aa ge’die’est haa’ve
    - ge’djépt : gedoopt, wordt ook gezegd van iemand die is nat geworden door een bui
    - ge’don :fietsstuur
    - ge’hof’fe : geheven
    - ge’kæt’telt : gekarteld als de rand van vele munten
    - ge’kapt = gehakt
    - ge’laaik : gelijk, effen
    - ge’læt’teg : glad
    - ge’ley’je : geleden, afgezien
    - ge’lie’e’ve : geloven
    - ge’lit : gewricht trékt die’je vin’ger es trig int gelit
    - ge’loei’eg: gloeiend
    - ge’maan : slecht, onbetrouwbaar gemaan stof – ne ge’maa’ne kéé’rel
    - ge’mak : toilet
    - ge’mét : oppervlaktemaat gebruikt door de boeren van een klein half hectare
    - ge’rie’jet : gereed est ey’te noch ni ge’rie’jet
    - ge’wænt : teelbed
    - ge’wén’te : gewoonte
    - ge’win : teelt
    - ge’woe’en : gewoon
    - ge’zaaik : overdreven gezaag
    - géb’be’le : braken
    - géé’re : gaarne, graag
    - gééf : gaaf, schoon
    - géél : gezegde : 1) haa héé het géél = hij lijdt aan een leverkwaal 2) haa stoa doa te géél oe’e’ge = hij staat daar te giezen
    - gés : gist
    - gét : vuil water, slijk
    - gét’te : beenlappen (leger)
    - gey’ve : geven : ik geyf, gaa géft, haa héé gegeyve, haa haa gegauve
    - geyt : geut, scheut
    - gi’és’sel’dop : tol om te gie’e’se’le = aandrijven met een koord
    - gie’jen : geen
    - gie’jep : geep, soort vis
    - gie’jest : geest gezegde : haa héé doa zaa’ne gie’jest ge’loa’te = hij is daar gestorven
    - gie’ze : verlangend kijken
    - gis’ting : goesting
    - goa’pe : gapen
    - goa’re : garen
    - goan : gaan
    - goap’ban’ke : bankjes in de kerk aan de zijkant waarvoor men geen stoelgeld moest betalen
    - goar : gaar
    - goei’vraa : vroedvrouw
    - goei’ze : gonzen
    - gooi’e’koe’ep : goedkoop
    - gra’di’jaul : gladiool
    - gra’woe’el : greppel in laaggelegen bossen, zoals in de Puttebossen
    - graa’pe : grijpen
    - graa’ve’lek : gruwelijk, verschrikkelijk
    - graaf : straf das graaf
    - graas : grijs
    - graat : bruin-grijs, grauw graat pa’pier
    - græk : spul, produkt
    - grauf : 1) grof grauf broe’wet = grof brood, bruin brood grau’ven deyn = grove den 2) zwaar das grauf = dat is zwaar ; bv. werk
    - grél’leg : verschrikkelijk, grillig
    - gréng’el : grendel
    - grien : groen
    - grik’sel : werktuig om het hooi te keren, rijf
    - groa’e’ze’le’mén’te : in scherven
    - groas : gruis ne groas’wech
    - grok’taat : beroete
    - grop : handvol
    - gros’kés : grote trommel
    wordt vervolgd



    27-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    26-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-H

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - H -

    - ha’ne’kes’nest : wanorde
    - haa : 1) heide 2) hij 3) Pijpelheide die van de Haa
    - haa’bel : kleine ruzie doa was doa zoo’e wa haa’bel mey de Zjok’ke
    - haa’leg : heilig gezegde : das oe’ek gie’je’nen haa’le’ge = Hij is ook niet echt te vertrouwen
    - haa’roak : akkerhaak welke aan de ploeg werd gehaakt om de ploegsnede te egaliseren den haa’roak haa’ve
    - haa’ve : houden ik haaf én gaa hot
    - haai’ge : hijgen
    - haai’kes : heideplantjes
    - haak : had ik haak da ge’wey’te
    - haas : handvat van emmers en grote ketels
    - haat : hout gezegde: 1) das nen haa’te = hij is houterig, stijf 2) khém nen haa’te kop = ik heb een kater
    - hæns : handspel (voetbal)
    - hæs’se’ne : hersenen kop mey hæs’se’saas
    - Hæs’selt : Herselt
    - hæs’te : roosteren ne ge’hæs’ten bau’ter’ham
    - hæt : hart : hard gezegde : das nen hæt’te = die weent niet snel
    - hæt’te’ne : harten = kaartsoort ook hæt’ten hoas
    - hak : hark
    - hal : overdekte speelplaats on’der de hal spey’le
    - Hal’der : Hallaar
    - hal’le’ve’goa’re : gek, zot
    - hal’le’ver : half (uur) hal’le’ver twie’e = half twee, hal'le'ver wéé'ge = halfweg
    - hal’lef : half gezegde : 1) hal’lef’én’hal’lef = onvolledig 2) hal’lef’se’gat = onvoldoende 3) hal’lef’jost = 15 augustus 4) maa’nen hal’le’ven traa’boek = echtgenoot (e) 5) zen klak stoa oep hal’le’ver’zey’ve = zijn pet staat scheef, meestal een teken van dronkenschap 6) ik zæn moa nen hal’le’ve = zich slapjes voelen na ziekte
    - hal’lef’acht’noen : 16 uur
    - hal’lef’bak : middenvelder (voetbal)
    - hal’lef’moan : borstel om tussen de plafondbalken te kuisen
    - han’ne : handen gezegde : haa kan zen han’ne nie thoa’es haa’ve = een handtastelijk mannetje
    - han’te’klaa : kluns
    - han’ten’tas’ter : iemand met losse handjes
    - hang’er’ke : juweeltje aan een kettinkje
    - hant’hééf : handvat
    - hau’re : hoorn en koei mey hau’res; en hau’re’ke = ijskoekje
    - hau’ren’dul : gek ik wér doa hau’ren’dul van = ik wordt daar gek van
    - hau’ræt’teg : opgewonden aa’ven hont és hau’ræt’teg séch
    - hau’ze : aflopen die’jen haust wat’af zel’le = rond’hau’zer
    - haus : gezegde : tés en haus = ’t gaat niet door
    - hauw : 1)stop !, 2) hak = soort spade
    - : wat zegt u?
    - hé’ze’le : onrustig gedrag
    - hécht : oud paard
    - hèèr : 1) om het paard links te sturen 2) houding
    - hélp : kruiwagenriem
    - hém : hemd
    - hém’me : hebben ik hém gaa hét haa héé
    - hen’ne : heen hen’ne én trich
    - hés’ke : toilet, komt van huizeke , het toilet stond vroeger los van het huis.
    - hés’teg : haastig
    - hey’ning : honig
    - hey’veg : heftig
    - hie : hier
    - hier : huur
    - hie’e’ke : jeuken jékt da? hie’e’ke da ta doe !
    - hie’e’le’gans : helemaal
    - hie’e’ze : dræs’sen = mey woa’ter hie’e’ze
    - hie’el : heel
    - hie’er : heer
    - hie’néf’fe : hiernaast
    - hik’ke : gehurkt ha zit oep zen hik’ke
    - hil’le : steenkolen
    - hil’le’bis : kolenemmer
    - hin : hen gezegde : wa moe’te hém’me ? das ge'laaik ! das en hin’ne’gat !
    - his’te : hoesten
    - hit : 1) hut 2) om het paard rechts te sturen gezegde : van hit noa hèèr = van hier naar daar
    - hit’se’le : hutselen, opschudden
    - hoa’ef’kaar : huifkar
    - hoa’es : huis
    - hoa’es’haa’ve : gezin haa es mey zen hoa’es’haa’ve oep kon’zjey
    - hoa’es’haat’skool : huishoudschool
    - hoa’es’plot : persoon die bijna nooit uitgaat
    - hoa’ge’mis’ke : heggemus
    - hoa’gel : hagel
    - hoa’le : halen ik hoal gaa hélt haa héé ge’hélt
    - hoa’mer : hamer hoa’mer skéér of més = kinderspel
    - hoa’ne’kroa’we : sport met kraaiende hanen
    - hoa’ne’poe’e’te : lelijk geschrift
    - hoa’re : 1) haren 2) een zeis scherpen met een hamer
    - hoa’ver : haver
    - hoa’ze’poe’per : man die snel klaarkomt
    - hoa’ze’slo’pe’ke : korte siësta
    - hoa’zel’noy’ke : hazelnootje
    - hoach : haag gezegde : hoach’skaul haa’ve = spijbelen
    - hoach’weyf : ongehuwde moeder
    - hoaf’koe’ep’dag : verkoop van bezittingen
    - hoak : haak gezegde : da hangt mey hoa’ken en oe’e’gen oan’ie’en = is maar in elkaar geflanst
    - hoar : haar gezegde : hoar doen = vals spelen (in de omgang = coifferen)
    - hoar’kroa’e : haarspit, ijzeren pin met klein aambeeldje in een houten blok
    - hoar’zak : valsspeler
    - hoas : 1) haas khém nen hoas ge’strépt : 2) aas in het kaartspel kloa’ve’ren hoas
    - hob’bel’de’sob’bel : wanordelijk da bét és hob’bel’de’sob’bel oep’ge’mokt
    - hoe’chel : schaamhaar ze lépt mey héé’ren hoe’chel bloe’et
    - hoe’e : hooi of hooien
    - hoe’e’mes : hoogmis
    - hoe’e’ve’jær’reg : hovaardig, ijdel
    - hoe’eg : hoog
    - hoe’eg’zoal : doksaal
    - hoe’mel : hommel "en hoe’mel mey e vos’se’gat "
    - hoe’ter’de’koe’ter : hals over kop
    - hoecht : heester, struik
    - hoep : zangvogel
    - hok’ke’naut : okkernoot
    - hoks : haaks, loodrecht
    - hoks’kes : 1) nietjes doet die hoks’kes in de voa’el’bak 2) leestekens
    - hol’der’de’bol’der : hals over kop
    - hon’ne’stiel : triestig beroep
    - hos’klos : slecht, wanordelijk gemaakt das hos’klos in’ie’jen ge’smey’te
    - hot : rug, schouder haa pakt die’je zak oep zen hot

    - I -

    - i’vaur : ivoor
    - ie’je’ke’nis’se : lies
    - ie’je’mer : emmer
    - ie’ve’rans : ergens
    - ie’ver : ijver
    - iet : iets
    - im’pær’mé’a’bel : regenjas
    - in’doe’fe’le : induffelen
    - in’hém’me : inhebben, lang duren da héé no’gal wat in = dat duurt nogal
    - in’ie’en’flan'se : knoeierig samenstellen
    - in’jons : ineens, plots
    - in’key’ve : inkorven (duivenspel)
    - in’læs’te : inlijsten
    - in’ney’me : innemen gezegde : haa és goe van in’ney’me = hij leert snel
    - in’pas’sant : te gelijker tijd
    - in’pik’ke : uitrusten, van het nodige voorzien haa és goe in’ge’pikt = hij is goed uitgerust
    - in’poem’pe : aan zijn verstand brengen ik hém het er moe’te in’poem’pe
    - in’sloa’ge : 1) indraaien oan den bak’ker in’sloa’ge 2) in elkaar zakken maa’ne bis’kwi és in’ge’sloa’ge
    - in’sméé’re : 1) insmeren 2) pak rammel geven ze hém’me ten es goe in’ge’sméérd
    - in’stét’te : instorten
    - in’stop’pe : met draad en stopnaald een gat dichten ons moe héé maan kaa’se in’ge’stopt
    - in’tæts : op tijd
    - in’voa’ze : invasie, indraaien
    - in’zie’e’pe : inzepen van een baard

    wordt vervolgd



    26-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    25-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-J

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - J -

    - jak’beys : aardbei
    - jam’men’kloe’e’te : een strekenventje, stoefer gaa zaa nen æch’te jam’men’kloe’e’te
    - jan’ne’woa’re : januari
    - jau’ke’re : een bepaald kaartspel
    - jau’ker : joker ne jau’ker meych’de au’ve’ral oan’lé’ge
    - jéch’te : hoogte oep wél’le’ke jéch’te moet da stoan
    - jèèr : grond
    - jèèr’dol’le’ke : veldmuis
    - jèèr’klot : grondkluit
    - jék’sel : jeuk
    - jét’je : gezegde : die gey’ve ser’jeys van jet’je : die gaan serieus van bil
    - joa : ja gezegde : haa es moa ne joa’knik’ker = hij is maar een gemeenteraadslid
    - joa’en : ajuin
    - joa’ge : jagen
    - joag’zak’ke : hevig hijgen
    - joar’ge’taa : jaargetijde
    - joar’ling’e : één jaar oude duiven in de duivensport
    - joar’mæt : jaarmarkt
    - joe’kel : zeer groot da was ne joe’kel van nen bult
    - joeng : kinderen gezegde : joeng moe’te hém’me = er is wel altijd iets
    - joeng’e : 1) jonge das noch ne joen’ge gast 2) jongen werpen ons kat héé ge’joenkt
    - joeng’man : ongehuwde man Sooi, das nen aa’ve joeng’man
    - joeng’skes : jonge dieren : on’zen hond héé joeng’skes
    - joenk : jong haa és noch joenk gezegde : haa héé oe’ek al e joenk = hij heeft ook al een kind
    - joenk’haat : jeugd ge moet de joenk’haat loa’te doen
    - jok : bij het kaartspel ‘præs’sen’ is de boer de hoogste kaart
    - jol’lek : lelijk
    - jon’de’léék : vreselijk uitziend die was jon’de’léék ge’stélt se. Het zach er jen’de’lek oat!
    - jon’der : eender, gelijk ik hém veyl jon’der bey’le’kes
    - jong’es’zot : meisje dat gek is van jongens
    - jot’te : 1) hitte wat en jot’te 2) noemt = heet hoe jot’te gaa?
    - ju’fraa : juffrouw, onderwijzeres

    -K-

    - ka’bar’does’ke : bordeel
    - ka’bas : winkeltas, boekentas
    - ka’dau : geschenk ik kraaich géé’re ka’dau’kes
    - ka’dey : kereltje
    - ka’dul’droa’e : = zot’droa’e = als de vijsdraad het niet meer doet
    - ka’lan’die’se : cliënteel
    - ka’me’lot : brol, slechte waren was da vey ka’me’lot
    - ka’paut : 1) motorkap 2) condoom 3) zware winterjas
    - ka’rot’ten’trék’ker : plantrekker die vlucht in de ziekte
    - ka’toen : gezegde : van ka’toen gey’ve = met veel inzet iets doen
    - ka’zak’ken’droa’er : overloper, iemand die met de andere partij samenwerkt
    - kaa : kou khém kaa = ik heb het koud tés kaat : het is koud
    - kaa’re’kot : loods voor karren
    - kaa’se : kousen gezegde: ge voel’tem oep zen kaa’se oan’kau’me = hij heeft iets tekort
    - kaa’zer : keizer gezegde : we zél’le die flæs es kaa’zer moake = we gaan die fles uitdrinken
    - kaai’kes : 1) bloem duizendschoon 2) keien
    - kaar : kar gezegde : haa héé tey’ge maan kaar ge’rey’e = hij heeft mij gekrengt
    - kaar’lie’es : uitgereden karrespoor gezegde : haa héé in de kaar’lie’es ge’pist = hij heeft een oogontsteking
    - kab’be’le : schiften, stremmen
    - kab’bi’ne’kes : kleedkamers bij het voetbalveld Jean van de pin stamp’te de dey van de kab’bi’ne’kes in
    - kæ’ze’le : schiften, stremmen
    - kæmp : hennep, kemp
    - kæn : pit das nen ap’pel’sien mey veyl kæn’ne
    - kæs : biggetje
    - kæs’kes’pis’ser : misdienaar
    - kæt’se : paren bij dieren die’jen doa’e’ver héé’se zjust ge’kætst se gezegde : die zoak és af’ge’kætst = die zaak is afgesprongen, mislukt
    - kæt’te’le : gezegde ze zit’te ach’ter maan kæt’te’le = ze jagen mij op
    - kaf’fe : koffie
    - kaf’fe’bés : 1) linnen koffiebeurs 2) iemand die veel koffie drinkt
    - kak : gezegde : mey veyl kak én zwier = met veel pracht en praal
    - kak’ka’jau : cacao, chocomelk vey maa ne wær’me kak’ka’jau
    - kak’ma’dam : hoovaardige dame
    - kak’stoel : speciale hoge stoel voor kleine kinderen om hen bij aan de tafel te plaatsen
    - kal : (slit)pen, ijzeren staafje
    - kal’key’re : natekenen met ‘kalkpapier’
    - kal’lot’te’ke : kapsel als Mireille Mathieu
    - kalfs’poe’et : arondskelk (bloem)
    - kalk’pa’pier : een matig doorschijnend papier
    - kant : 1) houtwal 2) kant
    - kap’blok : gezegde : haa léé mey saa’ne kop oep de kap’blok = hij heeft niet lang meer te leven
    - kap’pe’ke : een doorschijnend plastiek hoofddeksel tegen de regen
    - kar’dan : aandrijfas
    - kar’toes : jachtgeweerpatroon haa héé zen lés’te kar’toes ver’schau’te = hij geeft het op
    - kas : 1) kas 2) kast gezegde : haa héé doa zen kas oep’ge’frét = hij heeft zich daar verveeld
    - kas’saa : kasseisteen
    - kas’se’rol : kookpot
    - kas’taar : sterke durfal doa moe’te ne kas’taar vey zaan
    - kasj’ot : cel in een legerkazerne
    - kasj’pau : sierbloempot
    - kat’te’ge’spin : gezegde : klaan ge’win és kat’te’ge’spin = kleine winst
    - kat’te’kis’se’mes : voorbereiding op de plechtige kommunie noa de kat’te’kis’se’mes goan
    - kat’te’pis : gezegde : das gie’e’ne kat’te’pis = dat is iets waardevol
    - kau’per : kopermetaal
    - kau’re’poa’ter : pater van een bedelorde welke jaarlijks bij de boeren om wat graan of aardappelen kwamen bedelen
    - kaur : koord
    - ke’min’ne : communie haa héé gis’te’re zen ke’min’ne ge’doan
    - ke’reyr : renner
    - ke’réz’ze : moed die’je héé noch veyl ke’réz’ze
    - ke’tier : kwartier (tijd) a ke’tier vey draa ie’re (vierdedeel van een beest) ze droe’ge de ke’tier’re doa bin’ne
    - kéé’ze’mie’ke : koolmees
    - kéép : schoudermantel
    - kéér’bés’tel : straatveger
    - kéés : kaas
    - kéés’kop : Nederlander
    - keis : kaars
    - kél’le’koa’mer : kelderkamer
    - ker’die’el : leisel bij de paarden
    - ker’jeys : nieuwsgierig gaa zaa noch’al ker’jeys
    - ker’mæl : karamel
    - ker’naan : konijn herre gaa noch ker’naa’ne?
    - ker’nis : kroonlijst van de dakgoot
    - kér’re’boek : kerkboek
    - kér’re’mes : kermis gezegde : tés kér’re’mes in dhél : regenen als de zon schijnt
    - kér’re’woa’ge : kruiwagen
    - kérf : korf
    - kés : kers
    - kés’se’mes : kerstmis
    - kes’tæn : kastanje
    - kés’ze’stie’en : kersepit
    - kést : korst de kés’te oe’ek oep’ey’te
    - két : kort
    - két’jes’knip’per : kaartjesknipper
    - kéts : koorts die’e klaa’ne héé veyl kéts
    - key’mels’vet : kamelenvet tegen de gesprongen handen
    - key’re : keuren
    - key’te’le : kittelen
    - key’te’re : koteren, met een kachelpook = key’ter’hoak
    - key’ting : ketting
    - keyf : duivenkorf
    - keys : 1) keuze 2) verkiezingen
    - ki’me’nau’maa’ve : zonder mouwen
    - kid’de : kudde
    - Kie’e’berg : Keerbergen
    - kie’e’re : 1) keer, keren 2) omgooien hoe’e kie’e’re = hooi keren
    - kie’ke’frét’ter : Brusselaar
    - kie’ke’pél’der : lattenwerk waarop kippen slapen
    - kie’ke’vlie’es : kippevel
    - kin’ne: kunnen
    - kin’ne’kes’kak : doopsuiker
    - kip’per : 1) doelman 2) kipwagen
    - kir’re : jonge biggen werpen die zoeg héé te’nacht ge’kirt
    - kirk’drie’eg : kurkdroog
    - kis’se : kussen gezegde : ge kint ze kis’se = ge kint er oan’hang’e = gij kunt het vergeten
    - kjép’dag : koopdag
    - kjép’man : koopman
    - kla’wie’re : ongecontroleerde bewegingen van kleine kinderen die’je klaa’ne léé doa te kla’wie’re in zaan wieg
    - klaa’gelt : kleingeld
    - klaan : klein
    - klæf’fe’re : klauteren
    - klæt’ter’mey’le : klappermolen wie kent deze nog?
    - klæts : 1) slag 2) een beetje vey maa nog a klæts’ke 3) helemaal ik zæn da klæts ver’gey’te 4) praten haa klætst noch’al wat af zel’le
    - klam’per : roofvogel
    - klap’hau’re : oude grammofoon
    - klaun : clown, wordt ook gezegd van iemand die wat stoms doet
    - kléé’reg : woedend
    - kléér : klaar
    - kley’te’re : knutselen
    - klik’ke’én’klak’ke : gezegde : ze hém’men hém mey klik’ke’én’klak’ke boa’e’te ge’smey’te = ze hebben hem onverwijld buitengegooid
    - kling’ke : 1) drinken we zél’le der es oep kling’ke 2) kantelen die kroan goa kling’ke
    - klink : 1) deurkruk 2) helemaal ik ben da klink ver’gey’te
    - klip’per : knuppel
    - klis’oe’er : deel van een baksteen
    - klis’sen’haat : zoethout
    - kloa’e’ze’néér : kluizenaar
    - klod’der’vos : een onverzorgd iemand
    - kloe’e’te : 1) knoeien 2) bedriegen lét aa nie kloa’e’te 3) teelballen gezegde : haa és gie’e’ne stamp tey’ge zen kloa’e’te weit = hij is niets waard, je kan er niets mee aanvangen
    - kloef’kaf’fer : pummel
    - knaat : 1) kauwt ik knaa gaa knaat wæl’le knaa’ve 2) niets ik kén doa gie’en knaat van
    - knæb’bers : bonensoort in duivenvoer
    - knæp : kin
    - knæt’ser : 1) drukknoop 2) insekt, kniptor
    - kney’kel : kneukel
    - kneyt : vittende vrouw
    - knie’ep : knoop
    - knoa’e’ter : zangvogel
    - knoe’sel : 1) enkel 2) stekelbes
    - knop’pe : 1) knopen 2) gezegde : tés noa de knop’pe = het is om zeep
    - koa’ep : kuip
    - koa’ke’nest’je : een zich minder ontwikkelend jong dier (of kind), een achterblijvertje
    - koa’mer : kamer gezegde : haa héé’get in zen boa’ve’koa’mer = hij heeft ze niet alle vijf
    - koat : kaart
    - koe’che’le : hoesten
    - koe’e’le : kolen wit’te, roe’e en se’voe’e koe’e’le
    - koe’e’pe : kopen ik koe’ep haa kjépt
    - koe’e’ze : 1) klagen 2) jammeren
    - koe’er ; koor
    - koe’ke’ne : ruiten in het kaartspel
    - koe’ken’bak : gezegde : tés koe’ken’bak = ’t is in orde
    - koe’we : een vlucht vogels en koe’we bos’doa’e’ve
    - koef’fe’le : veelvuldig hoesten
    - koem : kom, schaal en koem aa’re
    - koeng’kel’foe’ze : heimelijk bedisselen
    - koerp : bocht
    - koks’bie’en : kaaksbeen
    - kom’af : afkomst
    - kom’es’vey : grote borsten van een vrouw das ie’en mey ne sé’ri’ey’se kom’es’vey
    - kom’mis’se : boodschap ik moet noch en poar kom’mis’kes doen on’zen hond moet zen kom’mis’se noch doen
    - kom’pas’se : medelijden mey da veng’ke moet’te gie’en kom’pas’se hém’me
    - kon’se’teyr : klok om de duivenaankomst te registreren
    - kon’sèèr : toneel, concert
    - kon’zjéé : verlof
    - kont : achterste
    - koo : kwaad kéd’der = meer kwaad
    - koo’e’kes : restant van het uitgebakken varkensvet dat bij in de pensen werd gedraaid
    - kooi : koe
    - kor’ner : hoekschop
    - kor’sey : korset
    - kor’vey : zwaar werk
    - kot’se : braken
    - koz’ze : ko’zaan : kozijn, neef
    - kra’mik’kel : niet stevig, wankel das moa kra’mik’kel in’ie’en ge’stau’ke
    - kraa’ge : krijgen ik kraach haa krægt ik hém ge’krey’ge
    - kraat : krijt
    - krab’be’le : stuntelen wa lig’ge ze doa naa te krab’be’le vey die gaul, krab’bers zænt
    - kræ’ze’le : het gevoel in de mond van zand bij het eten die mos’sel kræ’zelt
    - kræs’se : krijsen
    - krak : ergens heel goed in zijn das ne krak int tie’e’ke’ne, moa oe’ek int pin’te dring’ke
    - kram’me : gezegde : on’ze voa és doa oe’et zen kram’me ge’schau’te : mijn vader is daar uitgevlogen
    - krap : 1) rijf 2) krap, niet ruim
    - kré’mels : kruimels
    - kre’wél’leg : hevig haa ging doa noch’al kre’wél’leg te kie’er
    - kréé’me’rie : ijssalon
    - kréé’te : plagen, pesten, druk maken
    - kréém : ijsroom ne groe’e’te kréém mey kréém’frésj = ijs met slagroom
    - kréft : 1) kreeft 2) deugniet gaa zaa nen æch’te kréft
    - krép’pa’pier : papier waaruit men rozekes maakte
    - krey’ve’le : kriebelen
    - kri’zan’téém : chrysant (bloem)
    - krik’kel : vlug geërgerd das e krik’kel man’ne’ke, en æch’te krik’kel’bés
    - krip : voederbak, voorste deel van de stal waar de dieren gevoederd werden gezegde : das nen æch’te krip’baa’ter = vitter,
    - kris’ta’le’zey : kristalsuiker kris’ta’le’zey of klok’kes’ soa’e’ker
    - kro’che : 1) persen bij een moeilijke stoelgang krocht noch es goe! 2) kreunen bij zwaar tilwerk da was doa kro’che en daa’ve
    - kro’két : zegwijze : hal’lau kro’ket = halloo zeg!
    - kro’sjét : zangwedstrijd
    - kroa’e : 1) kraai 2) kraaien
    - kroa’e’naut : kruidnagel
    - kroa’ep’pin : zeer klein huisje haa wént in ne kroa’ep’pin
    - kroa’es : kruis gezegde : a krés’ke moake = een kruisteken slaan
    - kroa’es’jas’se : kaartspel
    - krocht : oud vervallen huis haa wén’de doa in en æch’te krocht
    - krod’der : sportman die slecht presteert die’e krod’der kon ni vol’le’ge in de koers
    - kroei’e : draaien, duwen, trekken, sleuren om iets los of vrij te krijgen
    - kroes : 1) drinkbeker 2) eendekroos (klein waterplantje) de béék léé vol kroes
    - krok : onkruid in graanvelden
    - kros : 1) cross 2) roetaanslag op potten en pannen
    - kwaat : kwijt, verloren haa ést kwaat
    - kwæ’de’le : 1) ruzie ik wil hie gie’en kwæ’de’le 2) brol, slecht materiaal mey wa vey kwæ’de’le ræd’de gaa?
    - kwæt : vulling van de bloedpens
    - kwats : gezwel of zwelling na kwetsuur on’der oan zen knæp hing en hie’el kwats
    - kwats’ke : minder dan een halve zak (bv aardappelen)
    - kwatsj : onzin, zever das kwatsj, das dik’ke zie’e’ver
    - kwéék : mond hot aa kwéék es toe
    - kwei’ker : keep (vogel)
    - kwék’ke : kwartje = 25 centiemen
    - kwiet : snul gaa se kwiet
    - kwing’kwank : schommel

    wordt vervolgd



    25-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    24-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-L

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - L -

    - la’ve’lier : laurier
    - laa : 1) lei schraa’ve op en laa 2) lag haa laa noch in ze bet 3) lauw maa’ne kaf’fe és laa
    - laa’der : leider
    - laa’ter’vænt : vogelschrik
    - laaf : lichaam
    - laai’ke : 1) een lijk afleggen, opbaren 2) smal straatje haa wén’de int laai’ke oan de pas’te’raa
    - laaik : lijk
    - laaik’bid’der : begrafenisondernemer
    - laan : 1) lijn 2) vislijn
    - læf’ke : onderhemd
    - læk’ske : het likken
    - læk’stok : snoep op een stokje
    - lækt : gelijkt gaa lækt zjust oep aa voa’der
    - læs’ter : lijster
    - læst : lijst gezegde : haa stoa oep de læst = hij is kandidaat bij de verkiezingen
    - laf : 1) drukkend laf weyr 2) vals das laf van aa
    - laf’foot : lafaard
    - lak : 1) gelijk haa héé dat oe’ek zjust lak zaa 2) lakverf 3) haarlak
    - lam’mey’re : lang blijven praten die héé den hie’e’le vér’noen ge’lam’meyrt
    - lam’pe’déér : staanlamp
    - lam’pét’te : drinken haa és gis’te’ren oa’vent wey goan lam’pét’te
    - lan’gen’oa’sem : kauwgom
    - lan’téé’re : lantaren gezegde : en groe’e’te lan’téé’re moa e klaan licht’je = een grote mond maar weinig verstand
    - lank : lang ik hém dat al lank ge’zéé
    - last : langs ge ræt bést last de Haa
    - lau’re’jas : iemand waaraan men zich ergert
    - lau’te’re : heen en weer bewegen ge moet e bék’ke mey die’en tant lau’te’re
    - lau’ter’dop : onbevrucht ei dat na het broeden overblijft, ook een slecht geworden ei
    - le’waat : lawaai gaa mey aa le’waat
    - léb’be : doodbrave simpele man die héé ne léb’be van ne vænt
    - léé’per : lepel
    - lééch’loe’e’per : een band die stilaan lucht verliest
    - lék : siroop das goei’e péé’re’lék = perensiroop
    - lék’neis : druipneus
    - lél’le : lelie
    - léng’sel : op lengte gesneden behangpapier
    - lés’te’re : luisteren, gehoorzamen klaan man’ne moe’te lés’te’re
    - lést : laatst ik hém em lest noch ge’zien haa es de lés’te
    - lét : 1) laat 2) schakel van een ketting mey vaaf lét’te kon’ne wæl’le bik’ke’le
    - lét’te : gezegde : oep de doa’e’ve lét’te =de duiven opwachten na een vlucht
    - lét’ters : gezegde : die’jen héé veyl lét’ters gey’te = die heeft lang gestudeerd
    - ley : 1) scharnier 2) lende, zij das ie’en mey a faan ley’ke
    - léz’ze : horloge
    - licht : longen van geslachte dieren haa gaf de licht oan de kat’te
    - lie’e’ne : lenen ik lie’en haa lént haa héé gelént
    - lie’e’peg : paardrift bij vrouwelijke dieren die koei stoa lie’e’peg = die koe is tochtig
    - lie’e’re : leren
    - lie’e’wærk : leeuwerik
    - lie’eg : laag gezegde : das ne lie’eg’vlie’ger = iemand die veel te snel rijdt
    - lie’em : leem gezegde : khém lie’e’me bie’e’ne = ik heb zwaar benen
    - lie’ep : leep
    - lie’er : ladder gezegde : mey de lie’er oa’et’goan = stelen
    - lie’ke : lied da was a schoe’e lie’ke
    - lie’vraa’ke : 1) lieveheersbeestje da zat vol lie’vraa’kes 2) O.L.Vrouw
    - lig’ge : liggen ik lich gaa licht haa léé haa héé ge’ley’ge gezegde : ik lich baa Mart in de bau’ves’ste schoa’ef = Mart heeft het voor mij, heeft mij graag
    - lik’ke : lukken da goa lik’ke
    - lil’le’put’ter : mens met dwerggroei
    - lits : lus oan maan zip stoa gie’en lits ne’mie’e
    - loa’e : laden
    - loa’e’ze’poa’ter : iemand met veel luizen
    - loa’ke : laken
    - loa’te : 1) laten ik loat, haa lét 2) de late ploeg ik stén mey de loa’te
    - loa’ze’rus : lazarus, iemand met vreselijke huiduitslag
    - lod’ders : lompen ik haa doa ne zak lod’ders stoan
    - loe’bas : groot en struis en rustig (dier of mens) aa’ven hont és nen æch’te loe’bas
    - loe’e’kes’ge’wéér : luchtbuks zoals op het schietkraam
    - loe’e’per : loper, een kind dat pas kan lopen die hey’re klæn’ste és al ne loe’e’per
    - Loe’e’zen’hoek : Lozenhoek onder Keerbergen
    - loe’es : 1) op een geheime plaats ik zal dat es loe’es wech’stey’ke 2) zonder vrucht das en loe’e’ze hok’ke’naut
    - loe’ke’beer : gefantaseerde afschrikker voor kinderen pas oep want de loe’ke’beer komt
    - loe’ter : afgeroomde melk, diende vroeger tot voer van kleine kalveren
    - loecht : 1) lucht de loecht zach zwét van de sprie’e’we 2) niet zwaar oo das e loecht paks’ke
    - loei’e : 1) luiden het loeit vey de mis 2) lui dat és ne loei’e vænt
    - loei’e’rik : luierik
    - loei’waa’ve’soep : pakjes of dozensoep
    - loem’mer : lommer, schaduw de bjés’te gén in de loem’mer stoan
    - loen’ke : gluren, loeren
    - loet : eigenaardige karaktertrekken die van ons héé wey en loet hé
    - loik’ke : lotje vey maa draa loik’kes van de lau’te’raa
    - lot’se : zuigen
    - lots : oud zuigdoekje met honig voor kleine kinderen, later tutter

    -M-

    - ma’ka’rau’ne : pasta
    - ma’sjoef’fel : vagina
    - maa : 1) mei 2) mij haa héé’chet maa in de maa noch ge’zéé 3) mouw we zél’le doa es en maa oan’pas’se = we zullen dat eens verhelpen
    - maa’ne : 1) mijne das de maa’ne 2) menen ik maan gaa mænt het es ge’mænt
    - maa’nes : gemeend tés maa’nes dey’ze kie’e
    - maa’se : meid het maa’se van de pas’toe’er
    - maa’te’raa : mouterij haa wærkt oep de maa’te’raa
    - maa’véé’ger : iemand die fleemt
    - maan : 1) mijn da zæn maan zoa’ke 2) vismijn die kau’me van de vis’maan
    - maat : mijt baa élk bak’hoa’es ston en haat’maat
    - Mæ’che’léér : 1) Mechelaar ne Mæ’che’léér zéé : nei’je 2) hond, Mechelse scheper haa héé ne Mæ’che’léér ge’kocht
    - mæm’me : 1) grote borsten 2) zagen en zeveren die’e zat doa oan den toe’eg te mæm’me
    - mær’re’bels : knikkers mey de mær’re’bels spey’le
    - mær’re’ge : morgen
    - mær’re’mer : marmer haa héé vloer in de mær’re’mer
    - mær’re’mit : (steriliseer)ketel doe de mær’re’mit moa half’vol
    - mæs’ke : meisje das e schoe’e mæs’ke hé
    - mæt’te : waren verkopen op de markt oep de roe’mel’mæt kin’de al’les mæt’te
    - mæt’te’le : martelen
    - mæt’waaf : taterende vrouw zaa doa mey ge’traat, zoe’e mæt’waaf
    - maf’fe : slapen baa den troep hém’me kik dik’kes lig’ge maf’fe oep de wacht
    - mal’broek : grote kar op drie wielen
    - mal’lét : aktentas haa goa doa wey mey zen mal’lét on’der zen ær’me
    - mal’ley’re : ongelukken hot me tey’ge of ik doen mal’ley’re
    - mal’sjans : tegenslag die’jen héé al dik’kes mal’sjans ge’hat
    - mam’brey’re : beschilderen als marmer
    - man : mand en man pe’toa’te
    - man’ne : 1) manden 2) de kinderen van één gezin son’doas kau’me ons man’ne al’taa noar hoa’es
    - man’ne’vlich’ter : mandenmaker
    - mang’e’le : ruilen
    - mans’lie : de mannen de mans’lie zoa’te réchs in de kérk
    - mans’mæns : man das en te’loe’er vey a mans’mæns
    - mar’sæl’le’ke : onderlijfje zonder mouwen
    - mar’sjan’dies : koopwaar die’en héé al’taa goei’e mar’sjan’dies baa
    - mas : massa, tesamen ik pak die draa koe’epe in mas
    - mas’se’paan : marsepein
    - mast : conifeer ook dennenboom khém last’ach’ter al’les af’ge’zét mey mas’te
    - mat’te : 1) matten 2) niet glanzend, mat 3) vlokken in het koemelk
    - mau’ze’gaut : afvoergreppeltje voor het afwaswater de mau’ze’gaut kost se’waa’le nog’al sting’ke
    - maus : achterplaats in het huis waar de afwas gebeurde den af’was ston oep de maus’bank
    - Me’daar’de’zaai’ker : H.Medardus mær’re’ge ést Me’daar’de’zaai’ker, khoe’ep dat ni réé’gent
    - me’dél’le : medaille die’e wint krægt en gaa’ve me’dél’le
    - me’las : 1) siroop 2) residu van de siroopproductie verkocht als paardenvoer
    - me’ney’vers : legeroefeningen ten’nés’te week gém’me oep me’ney’vers
    - me’niet : minuut gezegde : ne me’niet hé = een ogenblikje
    - me’teyr : motor de me’teyr és noa de voeing’kes
    - mé’ze’le : kruimels kést de mé’ze’le es vant toa’fel
    - me’zey’re : miserie doa és noch’al wa me’zey’re in de wé’relt
    - mein : mijden ik mey hem gaa mæt hem wæl’le mein hem
    - mél’der : molenaar de mél’der wærk’te in de mél’der’raa
    - mél’taat : maaltijd oem twélf ie’re wast al’taa ne wær’me mél’taat
    - mén’dach : maandag a mén’dach komt hem
    - mént : maand deys mént gie’e’ne voet’bal
    - mér’reg : gaar de koe’e’le zæn mér’reg
    - mes’sing : hof van huis ik moest al’taa de mes’sing oep’kéé’re én oep’krab’be
    - mes’tæs : 1) snor haa héé en groe’e’te mes’tæs 2) onderwijzeres da was gie’en sim’pel mes’tæs vey baa te zit’te
    - mét’je : kameraadje hey mét’je kom’mes hie
    - mét’te : kalf ne mét’te lotst oan aa ving’e’re
    - mét’ter : mortel mét’ter stie’en én bier tlés’te jost
    - mey : mee of mede wie doe’ter mey
    - mey’ge : 1) mogen ze mey’ge naa ni kau’me spey’le 2) lusten veyl joeng mey’ge gie’en té’mat’te
    - mey’le : molen gezegde: gaa zaa ne mey’le = een wispelturig mens
    - mey’mel : 1) bladluizen die’e sloat zit vol mey’mel 2) houtworm die kas és hie’e’le’moal ver’mey’melt
    - mey’ning : loodverf, menie as ghet ni wil loa’te ver’jos’te’re moe’te der roe’e mey’ning oep’zét’te
    - mey’ter : meter
    - mey’ter’taat : mettertijd mey’ter’taat goa da ver’an’de’re
    - mi’jæt’se : maartse mi’jæt’se baa’ze
    - mi’jeit : maart in de mi’jeit kant noch kaat zaan
    - mich : mug das ne mich’ge’zif’ter ség = haarklovers
    - mie’e’ze’ke : mees
    - mie’jei’rel : merel
    - mie’re : mikken oept schiet’kroam moe’te goe mie’re
    - mie’zaai’kers : mieren mie’zaai’kers noe’me ze oe’ek bræk’ke
    - miech : moe wér’re gaa da naa nie miech = word jij dat niet moe
    - mier : muur baa den troep dey’e wæl’le de mier = na de avondklok over de muur naar binnen
    - mik : gaffelvormige tak om een katapult te maken en goei mik vey ne slin’ger
    - mil’jaar’de : vloek
    - mil’tert : midden goa es int mil’tert stoan
    - milt : homklier nen héé’ring mey ne milt of ne zoat
    - mint : munt als plant of smaak mint tit’te’frit
    - mis : mus en koe’e mis’se
    - mit’soat : mutsaard en haat’maat da was ge’stoa’pel’de mit’soat
    - mjos’ter : meester khém baa mjos’ter Fil noch ge’zey’te
    - mjot’ste : meeste haa héé de mjot’ste bey’le’kes
    - moa : maar moa ni mey maa hé
    - moa’e : 1) made in maa’ne sloat zit en moa’e 2) maaien ze gén den bémt af’moa’e
    - moa’e’bits : gangetje van een made a pey’ke mey veyl moa’e’bit’se
    - moa’e’ze : muizen zit’te gæl’le mey moa’e’ze
    - moa’e’zen’tand : siermetselwerk onder de dakgoot
    - moa’ger : mager moa’ger vlie’es : vlees zonder vet
    - moa’ke : maken ik moak gaa mokt haa héé gemokt
    - moa’le : malen ik moal gaa mélt haa héé gemoalen
    - moa’ling : bepaald onkruid trékt die’je moa’ling es oa’et de pe’toa’te
    - moa’ze : mazen van het net die moa’ze zæn te klaan
    - moat : maat gezegde : de moat pak’ke = de maat nemen
    - moe’der’hoa’es : kraamkliniek ze léé noch int moe’der’hoa’es mey héy’re klaa’ne
    - moef : slechtgezind haa lépt doa mey en moef ront
    - moei’e’noks : poedelnaakt moei’e’noks oep ne vlau, wat e zicht
    - moei’er : 1) vrouwelijk dier (bv konijn) khém de moei’er bij de reir ge’zét 2) moeder (beledigend) die zwæt’te moei’er goei’de de stie’e’ne oep on’zen dam
    - moem’bak’kes : masker on’der da moem’bak’kes hém’mek noch’al ge’zwét
    - moem’pe’le : mompelen wa moem’pel’de gaa doa
    - mok’ke : meisje das e færm mok’ke
    - mos’toat : mosterd ie’e’ne mey kees én mos’toat
    - mot : 1) nachtvlinder 2) slaag 3) gezegde : de mot zit ‘er’in = de geestdrift is weg
    - mot’te : slagen kzal aa se’biet es wa mot’te gey’ve
    - mot’tech : 1) vuil hoe mot’tech és aa broek naa 2) onwel kzæn pe’sies mot’tech

    wordt vervolgd



    24-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    23-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-N

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - N -

    - naa : 1) nu naa ést oan aa 2) nauw tstékt ni zoe’e naa
    - naa’pe : nijpen ik naap gaa næpt haa héé ge’ney’pe
    - naa’ve’leks : nauwelijks khém naa’ve’leks ge’sloa’pe
    - naap’licht : zaklantaarn doet da naap’licht es oan
    - nacht’noen : namiddag dey’zen nacht’noen héé’tem ge’weyst
    - næk : nek gezegde : das ie’e’ne mey nen dik’ke næk = hij is hoovaardig
    - naft : benzine kval zon’der naft = ik heb geen energie meer
    - nat’teg’haat : nattigheid gezegde : kvoel nat’teg’haat = iets voelen aankomen
    - nau’re : noorden in de nau’re ést jost doeng’ker
    - nau’te : noten kin’de gaa me’ziek nau’te ley’ze gezegde : haa héé veyl nau’te oep zaa’ne zang = hij heeft veel eisen
    - ne’mie’e : niet meer ik zint ne’mie’e zit’te
    - néf’fe : naast haa lépt noa’e néf’fe zen schoe’ne
    - nél’le : naald zikt maan nél’le es
    - nés’tel : veter de nés’tels van maan schoe’ne gezegde : ik hém maa’ne nés’tel doa af’ge’droa’et = ik heb daar hard gewerkt
    - ney: neer légt da ney
    - ney’ge : negen draa kie’e’re draa és ney’ge
    - ney’ke : strikje twas ne plas’te’ron of e ney’ke
    - neys: neus ik hém ne groe’e’te neys en za e wip’nui’ze’ke
    - neys’doek: hoofddoek welke de oudere vrouwen vroeger droegen ons moe droeg al’taa e neys’doek’ske
    - ni : niet ni mey maa hé
    - nich’ter : nuchter haa és noe’et ni nich’ter
    - nie’e : nee, neen nie’e ik doen da ni
    - nie’man’nie : niemand dat héé noch nie’man’nie ge’zéé
    - nie’te’léér : vitter gaa zaa ne nie’te’léér joa
    - nie’ve’joar : nieuwjaar nie’ve’joar zing’e
    - nie’ve’rans : nergens haa goa nie’ve’rans gie’e gélt kraai’ge
    - nief : nieuw haa héé e nief lief nief bés’tels kéé’re goe hé = hij heeft een nieuw lief, voor zolang als het duurt
    - nik’se : niets doen haa zit doa te nik’se
    - nip : gezegde : da was nip zel’le = dat was bijna raak
    - noa : naar van Pit noa de Haa
    - noa de voeing’kes : naar de vaantjes, kapot
    - noa’e : naaien ze lét ne rok noa’e
    - noa’gel : nagel khém maa’ne noa’gel in’gescheyrt
    - noa’gel’bloe’me : seringen khém schoe’en blaa noa’gel’bloe’me
    - noa’gel’boa’ek : navel Eé’va héé gie’e’ne noa’gel’boa’ek want zés ni ge’bau’re
    - noa’mok’sel : namaak das gie’en æch’te Rub’bes, das en noa’mok’sel
    - noa’paa’ze : nadenken ik zal der es au’ver noa’paa’ze
    - noa’ter : 1) dar ne noa’ter stékt ni 2) jongman doa hém’me noch twie’je noa’ters thoa’es
    - noa’ve’nant : naar gelang das noa’ve’nant hoe gaa da zie
    - noat : naad gezegde : haa wærkt de noat oa'et zen bés = hard werken
    - noe’e : niet graag da doe’nek naa noe’e se
    - noe’ne : zot gaa zaa ne noe’ne gaa
    - noe’ne’ke : mondharmonica ik speyl oep e noe’ne’ke
    - noeng’kel : nonkel, oom hér’re gaa ne soa’e’ker’ noeng’kel

    -O-

    - o’laa’ve : olijven meyg’de gaa o’laa’ve?
    - oa’el : uil
    - oa’et : uit
    - oa’et’ge’bloemt : uitgebloeid de roe’e’ze zæn oa’et’ge’bloemt
    - oa’et’ge’læb’bert : uitgerokken maa’ne pe’lau’ver és hie’e’le’moal oa’et’ge’læb’bert
    - oa’et’ie’en : uiteen, gescheiden die zæn al een tæt’je oa’et’ie’en
    - oa’et’klap’pe : uitpraten lém’me naa es oa’et’klap’pe
    - oa’et’kléé’re : het verdwijnen van de bewolking se’biet goat da hie’e’le’moal oa’et’kléé’re
    - oa’et’laa’pe : uitrekken pas oep want das ne pe’lau’ver die’e ge’mak’ke’léék goat oa’et’laa’pe
    - oa’et’lich’te : doorlichten haa héé zen’ne rich moe’te loa’ten oa’et’lich’te
    - oa’et’loe’ep : koortsblaasje khém hie wa oa’et’loe’ep oan maan lip
    - oa’et’moa’e’ze : er stilletjes vandoor gaan zés er stil’le’kes oa’et’ge’moast
    - oa’et’naa’pe : uitknijpen kzal die’e mey’ey’ter es oa’et’naa’pe
    - oa’et’ney’me : uitnemen ge kint da doa oa’et’ney’me gezegde : das iet dat oa’et’némt = dat is buitengewoon
    - oa’et’pæs’se : uitpersen ik gén die’en ap’pel’sien oa’et’pæs’se
    - oa’et’schaa’te : uitschelden lét aa ni oa’et’schaa’te hé
    - oa’et’schoa’e’ve : 1) uitschuiven ge moet die’en bak doa oa’et’schoa’e’ve 2) uitglijden ik zæn doa oep die’en trap oa’et’ge’schau’ve
    - oa’et’sjot’te : uittrappen door de doelman (voetbal)
    - oa’et’span’ne : tot armoede brengen, ruïneren ze hém’me die aa’vers hie’e’le’moal oa’et’ge’span’ne
    - oa’et’vlie’ge : met woorden te keer gaan die’e zaa’ne pey kon ser’jeys oa’et’vlie’ge
    - oa’et’zwie’e’te : uitzweten gezegde : da gor’re noch oa’et’zwie’e’te = dat gaat u nog bekopen
    - oa’re : aren oept stop’pel’lant oa’re roa’pe
    - oa’rech : eigenaardig kvin dat oa’rech dat hem er nie és
    - oa’sem : adem ha héé’get oep zaa’nen oa’sem
    - oan’baa’ne : aanbinden de te’mat’te oan’baa’ne
    - oan’doem’pe : de roa’e’te doem’pe oan
    - oan’ge’brant : 1) aangebrand de raas’pap és oan’ge’brant 2) vuil, gewaagd en oan’ge’bran’de mop
    - oan’ge’stau’ke : aangestoken haa héé die an’de’re joeng oe’ek oan’ge’stau’ke = hij heeft de andere kinderen ook besmet
    - oan’gey’ve : aangeven gezegde da zor’re hém ni oan’gey’ve = dat had je van hem niet verwacht
    - oan’haa’ve : liefde buiten het huwelijk ze zaa oan’haa’ve mey de Rik
    - oan’haa’ven’de : om de haverklap haa és oan’haa’ven’de ziek
    - oan’ie’en : aaneen we gén da oan’ie’en zét’te
    - oan’jèè’re : 1) aanaarden de pe’taa’te oan’jèè’re 2) ie’mant oan’jèè’re = iemand opjagen
    - oan’pap’pe : 1) een kaart aanleggen die’en hoas kin’de oan’pap’pe 2) het aanleggen met iemand tschænt da ze zaa oan’pap’pe mey de Rik
    - oan’pi’ke : aankoppelen, aansluiten die’e ke’reir kon trig oan’pi’ke
    - oan’stey’ker : 1) aansteker voor de sigaret 2) pantoffel soa’ves loe’e’pe’kik al’taa oep maan oan’stey’kers dey hoa’es
    - oan’was : abnormaal aangegroeid deel die’en haa e klaan oan’was’ke oep zaa laaf
    - oan’zaan : 1) in het spel aangetikt zijn gaa zaa’ter’oan 2) stervende zaa tem ‘er ni waat oan’zaan
    - oap : aap doa moet’te naa ne stoem’men oap vey zaan
    - oat : 1) levenslust khém gie’enen oat 2) geaardheid noa wie héé die’je den oat
    - oe’e’ge : 1) ogen ghét schoe’en oe’e’ge 2) vetdruppel soep mey oe’e’ge gezegde: haa héé en oe’ech’ske oep Marie = hij is verliefd
    - oe’ek : ook ik kén dat oe’ek
    - oe’er : 1) oor neslag rond zen oe’e’re 2) handvat pas’oep die oe’e’re zæn hie’jet
    - oe’er’naa’per : oorworm in maan pæs zit nen oe’er’naa’per
    - oe’et : ooit oe’et héé die’e da ge’zéé
    - oei’er : uier soe’me’ge koei haan ne groe’e’te oei’er
    - oem : om aa’ven taat és oem
    - oem’ge’léé : veranderd die’en héé hem hie’e’le’moal oem’ge’léé
    - oem’hoe’eg : omhoog gezegde : de wint és van oem’hoe’eg = noorderwind
    - oem’poar : oneven, onpaar a loik’ke mey oem’poar saa’fers
    - oem’sloa’ge : verzwikken haa héé zaa’ne poe’et oem’ge’sloa’ge
    - oem’vaar : omver khém hem oem’vaar ge’loe’e’pe
    - oep : op de kéés és oep - kzæn oep = ik ben uitgeput gezegde : oep de wil’den boef = op goedvallen uit oep en an’der ést béé’ter = ergens anders is het beter
    - oep’ge’poeft : opgezwollen khém te hæt gey’te, kzæn hie’e’le’moal oep’ge’poeft
    - oep’ge’schépt : opgescheept haa zit doa goe mey zaan Mie oep’ge’schépt
    - oep’ge’te’loe’ert : opgesmukt die van den braa’ver was noch’al oep’ge’te’loe’ert
    - oep’ge’tut : opgesmukt die liep er oep’ge’tut baa
    - oep’gey’te : opgegeten haa héé dat al’lie’en oep’gey’te
    - oep’lég’ge : inmaken, steriliseren ik moet die boe’e’ne van’doag noch oep’lég’ge
    - oep’lein : opleiden baa den troep zél’le ze aa wél oep’lein
    - oep’lig’ger : oplegger kgén die’en oep’lig’ger noch oan’pik’ke
    - oep’per : in de richting van die vlaug noa tGoor oep’per
    - oep’rie’re : omroeren ge moet da ie’est goet oep’rie’re
    - oep’schaa’re : opscharrelen joeng, joeng, haa héé doa ie’en oep'ge’schaart
    - oep’schie’ter : plant welke voortijdig een zaadstek aanmaakt ze moe’te die oep’schie’ters doa noch oa’et’trék’ke
    - oep’smau’re : oproken haa lét zen sig’ge’rét zoe’e moa lig’ge oep’smau’re
    - oep’sol’fe’re : aansmeren lét aa niks oep’sol’fe’re hé
    - oep’stoem’pe : verplicht doen eten ge moet hem da ne’mie’e baa oep’stoem’pe
    - oep’te’nieft : opnieuw be’gint moa oep’te’nieft, want trékt oep niks
    - oep’tur’re’lut’te : geld over de balk gooien die’en héé dal wa oep’ge’tur’re’lut in zaa léé’ve
    - oep’vil’le : opzetten van dode dieren haa héé zaa’ne poa’pe’goa’e loa’te oep’vil’le
    - oep’waa’ne : opwinden, opdraaien ge moet oe léz’ze oep’taat oep’waa’ne
    - ok’ke’ley’re : enten roe’e’ze moet’te oe’ek ok’ke’ley’re
    - ok’ke’naut : okkernoot wæl’le knik’ker’de vey ok’ke’nau’te
    - on’der’dey : onderdoor gezegde : haa goa’ter on’der’dey = hij gaat instorten
    - on’der’vaa’ne : ondervinden ge gaa da wél on’der’vaa’ne
    - on’der’waa’zer : onderwijzer haa lie’ert vey on’der’waa’zer
    - on’der’zip : ondervest zie ook zji’ley
    - on’ge’die’rech : ongedurig haa was hie’el on’ge’die’rech
    - on’ge’lie’e’ve’gen’tau’mas : iemand die niets geloofd gaa zaa nen on’ge’lie’e’ve’gen’tau’mas
    - on’ge’rist : ongerust ik was vrie’et on’ge’rist hé
    - on’nes’te’bau’ve : ondersteboven haa goei’de al’les on’nes’te’bau’ve gezegde : ik was doa hie’e’le’moal on’nes’te’bau’ve van = ik was daar heel erg van geschrokken
    - ont’haa’ve : onthouden ik kan dat al’le’moal ni ont’haa’ve
    - os’se’toen’ge : soort rode aardappel de os’se’toen’ge moeg’te ni groe’et zaan vey de mæt
    - ot’tau : auto kom’de gaa mey de vlau of mey den ot’tau?

    wordt vervolgd



    23-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    22-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-P

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - P -

    - pa’tey’ke : gebak e pa’tey’ke goat er al’taat in
    - paa’hoan – paa’hin : pauw ne paa’hoan héé ne schoe’e’ne stjeit
    - paa’ze : denken ge meygt doa niet te’veyl oep paa’ze
    - paal : pijl oan de wip goan paa’le roa’pe
    - paap : pijp vrie’ger woa’re de broeks’paa’pe brie’er en mey ne zie’em
    - paas : paus dat de paas moa in Roe’e’me blæft zél’le
    - pad’de : op handen en knieën voortbewegen die’e klaa’ne kan goe pad’de
    - pad’de’slot : hangslot
    - pad’de’ver’gif : een heel slechte smaak hebbende die flæs van den dok’toar és just pad’de’ver’gif
    - pæk : teer ze gie’te pæk tis’se die be’ton’ploa’te
    - pæl’tje : 1) sprietje e gæs pæl’tje 2) pijltje pæl’tje pik = darts
    - pæn’ne’læk’kers : lisdodde khém pæn’ne’læk’kers in maa’ne vaa’ver
    - pær’re’me’nant : watergolf (haartooi) aa vraa’ve loa’te dik’kes ne pær’re’me’nant zét’te
    - pær’re’me’tey’re : 1) veroorloven die’e kan hem da goe pær’re’me’tey’re 2) klagen én moa pær’re’me’tey’re, man man
    - pær’re’plie : 1) paraplu, regenscherm 2) scheef maa stier stoa pær’re’plie
    - pærk : perk mæs’kes hin’kel’de in e pærk
    - pæs : perzik vey maa ne ki’lau pæs’ze
    - pæst : pest haa stinkt lak de pæst
    - pæt’te : heel lastig zijn die’e klaa’ne kan pæt’te
    - paf’fe : roken zonder te inhaleren ie’est lie’er’de we paf’fe en dan smau’re
    - pak’ske : pakje gezegde : komt mey gie’e pak’ske thoa’es = zorg dat je niet zwanger wordt
    - pal’jas : 1) strozak 2) trekpop 3) persoon die men niet ernstig neemt
    - pal’tau : mantel das ne schoe’e’ne pal’tau
    - Pan’doe’ren’hoek : plaatsnaam te Schriek afgeleid van pandoeren = agenten van Leuven welke voor de uitvoering van de doodstraf door verhanging in de Galgestraat daar hun tenten opsloegen in afwachtijng van de uitvoering van het vonnis
    - pan’dul : slingerklok
    - pap’pe : 1) kaartspel 2) inlijmen van behangpapier da léng’sel goe in’pap’pe
    - pap’schaul : kleuterschool khém mey Gréét noch oep de pap’schaul ge’zey’te
    - par’taa : 1) partij 2) mannelijk geslachtsdeel haa kreych doa ne stamp oep zen par’taa
    - pas’se : 1) passen en zip pas’se 2) niet meegaan in het kaartspel ik moet pas’se, zoe’en slæch’te koa’te
    - pas’sey’re : gebeuren ge lét da toch nie pas’sey’re
    - pas’til’le’ke : pilletje, geneesmiddel hér’re gaa e pas’til’le’ke vey maan kéél
    - pas’vit : roerzeef vey de soep dey te doen héd’de ne pas’vit van doen
    - paut : poort de paut stoat au’pe
    - pe’dal : trapper ne pe’dal van maa’ne vlau
    - pe’ris : parkiet ne pe’ris kin’de goe oep’lie’e’re
    - pe’sies : precies gaa wét da pe’sies ne mie’e
    - pe’tie’ter : zeer kleine ( bv. Aardappeltjes) de pe’tie’ters woa’re vey de vær’re’kes
    - pe’toa’te : aardappelen ook pe’taa’te ver’gét gie’e zaat oep aa pe’toa’te te doen
    - pe’trol : petroleum géf moa pe’trol = geef maar gas, vlieg er maar in
    - péé’per’kau : bruine huidvlek haa héé veyl péé’per’kaus in zaa ge’zicht
    - péé’rel : parel, parelsnoer ze haa ne schoe’e’ne péé’rel oan
    - péé’wésp : wesp kbén gestau’ke dey en péé’wésp
    - péét : 1) doopmeter 2) grootmoeder péét Schriek zaa on’ze Pol’le al’taa
    - pél : schil, schaal, vlies de pél van nen ap’pel, en aar, oept mé’lek,…
    - pél’der : slaapstok voor kippen gezegde : ik kroa’ep in maa’ne pél’der = ik ga slapen
    - pen’nen’tie : strafschop (voetbal)
    - per’rey : puree haa zit in de per’rey = hij zit in de problemen
    - per’sey : dringend haa wilt per’sey noa Lier rein
    - per’tang : nochtans haa héé per’tang ge’laaik
    - pést : puist das en sér’jey’se pést
    - pey ook pey’re : vader gezegde : khém maa’ne pey’re ge’zien = ik heb afgezien
    - pey’kel’teyf : moeilijke vrouw zaa mey zoe’en pey’kel’teyf ge’traat
    - pey’kel’vis : haring in azijn wærm ge’mok’te pe’toa’te mey pey’kel’vis en joa’en, goe zaan
    - pey’kes : 1) wortelen pey’kes mey aa’te 2) oude mannen zés noat pey’kes’hoa’es = ze is naar het rusthuis
    - pey’pel : vlinder deys joar woa’re der ni veyl pey’pels
    - pey’te’re : 1) dooppeter 2) grootvader maa’ne pey’te’re és aat ge’wér’re
    - pey’ze’’wey’ver : vitter de Lau was nen æch’te pey’ze’’wey’ver
    - peys : pees die peys in maa’ne næk doe zie’er
    - pi’néé’re : penarie haa zit in de pi’néé’re
    - pi’néés : duimspijker
    - pie’jes : kaartterm
    - pie’pe’dol’le’ke : spitsmuis kat’te ey’te gie’en pie’pe’dol’le’kes
    - pie’pe’ling : verstoppertje spelen we gén pie’pe’ling spey’le
    - piet : 1) pier, aardworm ne piet mey ne kor’sey = aardworm met een ring 2) geluk
    - piet’zak : gelukzak
    - pil’le’ke : 1) pilletje 2) afkrabben, pulken ge meygt die kést doa ni af pil’le’ke
    - pil’le’per : purper aa lip’pe zin pil’le’per van de kaa
    - pil’léér’baa’ter : kerkloper met een negatieve bijklank
    - pil’licht : zaklantaren mey a pil’licht oept zol’der goan sney’ke’le
    - pin’jèèr : steekmes gebruikt om dieren te doden door de halsader door te snijden
    - pin’ne’kes’droad : prikkeldraad khém maan broek ge’scheyrt oan de pin’ne’kes’droad
    - ping’ker : richtingaanwijzer zét aa’ve ping’ker moar af
    - pir’re’wit : kleine asperges de pir’re’wit és vey de soep
    - pis’bloem : paardebloem doa stén wey veyl pis’bloem’me in aa’ve ga’zon
    - pis’doek : luier van textiel vrie’ger woa’ret pis’doek’ke én naa pam’pers
    - pis’kaas : meisje of vrouw die veelvuldig moest plassen
    - pis’saa’ne : urinoir oept jong’es’schaul haan ze groe’e’te pis’saa’ne
    - pis’to’ley : broodje, pistolet draa pis’to’leys én e sant’wisj’ke
    - pis’ton : gulp van een broek doet aa pis’ton toe
    - pis’ton’ne’kes : papieren knallertjes voor speelgoedwapens
    - Pit : Putte
    - pit’je : kleine penis gezegde : khém hem baa ze pit’je = ik heb hem te pakken
    - pit’te’léér : ceremoniekledij voor mannen met zwaluwstaart
    - pjæts’hoar : paardehaar de be’zét’ters ge’broa’e’ke pjæts’hoar
    - pjæts’sés’ze : paardehorzel niet verwarren met pjei’re’sés’ze = paardedeken
    - pjé’de’stal : houten meubeltje waarop men meestal een beeld plaatste
    - pjei’ren’oe’ech : spiegelei
    - pjei’ren’tés’ser : paardenhandelaar
    - pjeit : paard baa ons hém’me ze e boe’re pjeit moa de Lod’de héé draa pjei’re
    - plaan = plein gezegde : haa és de plaan au’ver = hij is weg, vertrokken
    - plæk : 1) plak ik plæk die’en tæm’per hie 2) veld doa ston en schoe’en plæk aa’te 3) vlek kraaich die plæk doa nie oa’et
    - plæk’ker : 1) bezetter de plæk’kers zæn bey’zeg 2) iemand die blijft hangen de Swa és nen æch’ten toe’ech’plæk’ker 3) een trage tango dau’pe’nings’dans was ne plæk’ker
    - plæk’pot : vuil mens noa de schil’der’lés zach hem er’oa’et lak ne plæk’pot
    - plas’te’ron : das aa’ve plas’te’ron hangt schie’ef
    - plat’te : pasgeboren de kat héé draa plat’te joeng gezegde : 1) ge zaa toch gie’e’ne plat’te ne’mie’e = ge zijt toch geen kind meer 2) ge ziet er moa plat’te’kes oa’et = ge ziet er erg bleekjes uit
    - plés’ter : plaaster veyl van die bél’de zæn van plés’ter
    - pléts : plaats we gén ten oep zen pléts zét’te
    - ploa’em : pluim vrie’ger schrey’ve ze mey en ploa’em
    - ploach : 1) plaag 2) zware verkoudheid kzit mey en ploach
    - ploat : 1) plaat 2) geld haa héé gie’en ploat ne’mie’e
    - ploe’e : plooi of plooien helpt da loa’ke es oep ploe’e
    - plon : zekering de plon és ge’sproen’ge
    - plot : schootkat die plot goa gie’en moa’e’ze vang’e
    - plusj : zwierkwast op paardemolen wie de plusj pakt mach ver’niet mey
    - poa’e : paaien de vis’se zæn noch oant poa’e
    - poa’te’nos’ter : rozenkrans vey nen doe’e leys’de ze draa poa’te’nos’ters
    - poa’ter : 1) pater haa zat baa de poa’ters oept school 2) donker paterbier as kint droenk’ek poa’ter baa de noen’mél’taat
    - poal : paal
    - poas’bloem : narcis
    - poat : part gezegde : vey maa poat meych’de gaa naa ver’trék’ke = wat mij betreft mag u nu vertrekken
    - poe’e’ze : weëen de poe’e’ze kau’men al rap ach’ter’ie’en
    - poe’es : 1) pauze mey de poe’es gink het licht trig oan 2) slaapje khém al en poe’es oa’et
    - poe’et’ziek’te : mond- en klauwzeer
    - poe’pe’ke : popje, meisje das e schoe’e poe’pe’ke
    - poe’pers : gezegde : haa zit mey de poe’pers = hij heeft schrik
    - poe’ze’laan : porselein en Sji’ney’se voas in poe’ze’laan
    - poef : 1) schuld khém noch poef 2) voetmeubeltje ni mey aa schoe’nen oep de poef hé
    - poef’fe ; op krediet kopen Lie’za mak’kik poef’fe
    - poei’er : poeder en vraa dey poei’er oep heyr gezicht een opgetutte vrouw = poei’er’doe’es - géft maa es e poei’er’ke vey de kop’paan = geef mij een pilletje tegen de hoofdpijn
    - poek’kel : pukkel haa héé ne poek’kel oep zaa’ne neys
    - poem’pe’loe’re’ke : kikkervisjes doa zit’te veyl poem’pe’loe’re’kes in de béék
    - poem’pe’loe’re’zat : stomdronken haa was poem’pe’loe’re’zat
    - poemp’af : doodop haa és poemp’af
    - poep’hoan : stoomtram die reed van Mechelen naar Aarschot
    - poep’zje’laa : Luikse siroop vey maa ne pan’ne’koek mey poep’zje’laa
    - pol’le : handen gaa meycht aa pol’le’kes oe’ek es voa’el moa’ke
    - pol’le’vie : hiel van damesschoen hey’re pol’le’vie zat vast in de rés’ter vey de dey
    - pon’ne’koek : peperkoek
    - por’trét’ten’trék’ker : fotograaf
    - pot’te’féér : hij die potten en ketels herstelde en van een nieuwe laag tin voorzag
    - pots : muts haa trékt zen pots au’ver zen oe’e’re
    - praa : prei ne praa of vaaf in en bis’sel
    - praas : prijs khém praas
    - praas’kamp : examen mey de praas’kamp’e wir’ter noch’al wat af’ge’key’ke
    - præs’se : 1) persen 2) kaartspel
    - præt’te : grillen, kuren die van ons goa heyr præt’te wey oa’et’wæ’re’ke
    - prey : zakgeld, loon e zon’dach ést wey prey
    - preyk : preek prey’ke van’oep de prék’stoel
    - prie’ve : proeven, smaken haa prieft da ni hé
    - pries : stopcontact kzaa doa en pries moet’te baa’zét’te
    - pril’le : prullen ge moet mey gie’en pril’le af’kau’me
    - pril’le’man : iemand die belang hecht aan prullaria
    - prim : premie oep dæn vant joar kraai’ge die ne prim
    - prit : oogdraksel véégt die’e prit es oa’et aa oe’e’ge
    - prit’se : kleinigheid da zæn gie’en prit’se hé
    - prit’ser : klungelaar doa és doa ne prit’ser bey’zeg se
    - prom’bey’re : proberen ge moet da ni prom’bey’re
    - prop’pe : gezegde : mey iet oep de prop’pe kau’me = met iets naar voren komen
    - pros’se : spelen zés wey mey de kat ont pros’se
    - prot’te : een wind laten pjei’re die kin’ne prot’te

    -R-

    - ra’dæs’kes : radijzen ra’dæs’kes mey plat’te kéés
    - raa : 1) rechte lat om beton of chape te egalizeren we gén die’e be’ton af’trék’ke mey en raa 2) rij goa es in de raa stoan 3) rauw raa vlie’es 4) rouw zés in de raa 5) ruw da voelt raa oan
    - raa’ze : 1) reizen ze raa’ze dey noa Bris’sel 2) rijzen die’jen die’ech moet noch wa raa’ze
    - raai’ger : reiger ge zie veyl blaa raai’gers de lés’ten taat
    - raaich’nél’le : rijgnaald, lange naald waarmee jutte zakken werden gedicht die men niet kon dichtbinden
    - raaik : rijk haa és raaik getraat
    - raap : rijp de kéz’ze zæn noch ni raap
    - raas : 1) rijst keyt géé’re raas’pap 2) reis zés oep raas 3) rijs,twijg ne raas’bés’tel
    - raas’af : schuif af die’e groe’e’te zit oe’ek noch oep de raas’af
    - ræ’chel : richel de zwél’le’me zoa’ten oep de ræ’chel in de koei’stal
    - ræchs : rechts ræchs af’sloa’ge = rechts afslaan
    - ræcht’dey : rechtdoor ræt es ræcht’dey
    - ræcht’oa’et : eerlijk zéch et es ræcht’oa’et
    - ræm’me’ke : rijmpje kén’de gaa da ræm’me’ke noch : loei zwie’et és rap ge’rie’et
    - ræs : pas das noch moa ræs ge’beyrt
    - ræt’tech : rap groot das e ræt’tech ding’ske
    - ram’me’næts : rammenas kan’daa’soa’e’ker oep ram’me’næt’se zét’te
    - ram’me’nant : rommelwaar mey die’e ram’me’nant kin’de noa de roem’mel’mæt
    - ram’me’sey’re : bijeen rapen al die bloks’kes baa’ie’en ram’me’sey’re
    - ram’pla’sant : vervanger den dok’taur héé vey ne ram’pla’sant ge’zércht
    - rap : 1) snel mok’tes rap da ge wég zaa 2) verharding op een wonde oan die rap meyg’de ni pil’le’ke
    - rap’al’le’gaa : snel goa es rap’al’le’gaa noa den dok’taur
    - ras : goed voor de stoelgang proa’e’me zæn ras hé
    - rats : helemaal ik zæn da rats ver’gey’te
    - rau’we : met de handen zoeken in een hoop mey de sol’de zid’de die vraa’ve noch’al rau’we in de bak’ke
    - raus : roze woa és den taat van de rau’ze ba’lét’te
    - raut : rij, reeks zét ze moa in de raut
    - re’fe’zey’re : weigeren ge kint da ni re’fe’zey’re
    - ré’gle’teyr : klok waarop de andere klokken werden geregeld (duivensport)
    - re’kom’man’dey : aangetekende brief hér’re gaa oe’ek ne re’kom’man’dey ge’hat
    - re’véér : kraag van een vest of jas
    - re’ze’ney’re : van gedachten wisselen we woa’re ont re’ze’ney’re au’ver de keys
    - réén : slank das e réén man’ne’ke
    - rein : rijden ik rei haa ræt zaa héé ge’rey’e
    - reir : mannetjes konijn ne reir én en voe’e
    - réls : spoorstaven den traan stoa oep de réls
    - rén : kinderpark zét’hem moa in zen rén, dan zæm’me wa ge’rist
    - rép : ruk we trék’ke in ie’ene rép die’e der’oa’et
    - rép’koe’e’le : raapkolen rép’koe’e’le hém’me ze in den aur’log veyl gey’te
    - rés’se : wrijven ge moet dat es goe in’rés’se mey za’lef
    - rés’ter : rooster légt die’e rés’ter es trig toe
    - résp : 1) rups doa zit’te veyl rés’pe oep de koe’e’le 2) rupsmolen in de résp hém’me der veyl lie’e’re kis’se
    - rét’sel’ke : raadsel die klapt in rét’sel’kes
    - rey’gels : 1) regels de Læm’me sloech mey ne rey’gel oep aa kney’kels 2) maandstonden die van ons héé heyr rey’gels
    - ri’jon : 1) spaak van een wiel draa ri’jons ka’pot 2) afdeling in winkel in wé’le’ke ri’jon léé da
    - rich : rug khém in maa’ne rich
    - rich’ge’broe’et : roggebrood rich’ge’broe’et wir ge’bak’ke mey nen hééf
    - rie’e’ke : roken zie da doa rie’e’ke – die stauf rékt
    - rie’e’pe’ke : metalen onderzetter voor pannen of kookpotten op tafel
    - rie’e’pel : repel, strook snæt doa vey maa es ne rie’e’pel af
    - rie’e’sem : een ganse reeks doa ston nen hie’e’le rie’e’sem oan den dop
    - rie’ep : reep, velg van fietswiel wæl’le spél’de dik’kes mey ne rie’ep
    - rie’ke : ruiken ik riek haa rikt én zaa héé ge’roa’ke
    - rier : 1) roer 2) lokvogel op het steek de rier zat oept steyk oem de vau’gels te lok’ke
    - ringk’oan’ie’en : voortdurend ringk’oan’ie’en kwam doa volk bin’ne
    - ris’se : 1) Russen 2) graszoden de ris’se groei’e tot oep den dél’le’per
    - ris’te : rusten we gén wa ris’te
    - rit’nél’le : ritnaald, larve van de kniptor doa hém’me veyl rit’nél’les oan de pey’kes ge’zey’te
    - ro’zaa’ne : rozijnen vey maa draa ro’zaa’ne koe’ke
    - ro’zæl : grenadine ne geys mey ro’zæl
    - ro’zas : rozet, ronde versiering aan het plafond
    - roa’e : raden da gor’re ni kin’ne roa’e
    - roa’e’ge : ruwe ne mæt’ser héé roa’e’ge han’ne
    - roa’e’le : ruilen vey te roa’e’le gor’re noa de roa’el’bés
    - roa’e’ter : 1) ruiter 2) droogstokken voor het hooi zét dat hoe’e es oep die roa’e’ters
    - roa’e’ve : ruien, haar verliezen ik zæn ont roa’e’ve
    - roa’en : gesneden hengst
    - roa’es : geruis vrieger hær’re noch’al wa roa’es oep de ra’di’jaus
    - roa’et : ruit die roa’et és noa de vén’kes
    - roa’pe : rapen ik roap gaa répt haa héé ge’répt
    - roa’zech : razend hey die’e was roa’zech se
    - roe’e’ze : rozen haa zit oep roe’e’ze
    - roe’e’ze’krans : rozenkrans, gebeden voor de overledene in het sterfhuis, later in de kerk
    - roe’ef = rap : verharding op een wonde stoa’ter al en roe’ef oep
    - roe’et : rood rode = roe’e - roe’et licht én roe’e koe’e’le
    - roe’fe’le : wrijven, met een houten stamper bewerken me gén die nief pe’roa’te es roe’fe’le
    - roe’lét’te : rolschaatsen dau roe’lét’te van vrie’ger zæn oe’et de mau’de
    - roe’mel : rommel ge moet aa’ve roe’mel noch oep’kés’se
    - roe’mel’pot : persoon zonder orde ge zaa nen æch’te roe’mel’pot
    - roe’per : mond in het gezegde : ast dey de roe’per goa, goa’get oe’ek dey de poe’per = als men iets had ingeslikt, zou het er wel doorgaan
    - roe’toat : Vlaamse gaai ne roe’toat noe’me ze oe’ek ne rot’zak
    - roef’fe : weigeren iets te doen hot in doe’ech haa goa roef’fe se
    - roei : roede gezegde : ge moet er de roei on’der haa’ve = ge moet ze in toom houden
    - roet : spoorweg haa wærkt oan de roet
    - rols : rolluiken trékt de rols moa oemhoe’ech
    - ron’dæl : ijzeren ringetjes gét groe’e’te én klaan ron’dæls
    - ront’bræk’ke = ront’hau’ze = ront’ros’se: rondhangen die joeng lig’ge hie ront te bræk’ke
    - ront’rein : rondslingeren ge moet dat hie nie loa’te ront’rein
    - ros : roskleurig, kwade vrouw das en koa’e ros
    - ros’kes’mey’le : paardenmolen
    - rot : rot gezegde ik hém hem oa’et’ge’schey’te veyt rot van de stie’e’wech = iemand zeer erg uitschelden

    wordt vervolgd



    22-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    21-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-S

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - S -

    - sa’le’wey’re : wuiven ze ston’nen oan den an’de’re kant vant Schel te sa’le’wey’re
    - sa’loat : sla oep maa’ne kaa’ve pla ni te veyl sa’loat hé
    - saan : sein joa, tés ne saan gey’ver oept vliech’plaan
    - saas : 1) saus nen boef’steyk mey péé’per’saas 2) gezegde : ik hém doa en saas ge’hat joa = ik heb onder mijn voeten gekregen
    - sacht’noens : ’s namiddags swoen’stoas sacht’noens ést gie’e schaul
    - sæm’me’léér : zeveraar, mompelaar
    - sænt : geld in kindertaal vey aa oe’ek ne sænt?
    - sæs’kes : 1) sijsjes (zangvogel) 2) stress ik hémt oep men sæs’kes
    - sam’me’léér : rammelaar voor kleine kindjes
    - san’te’boe’tik : bezit haa vlauch mey hie’el zaa’ne san’te’boe’tik oept stroat
    - sap’pe : beitsen, hout een kleur geven kmoet de dey’re noch sap’pe én ver’nis’se
    - sau’te : soorten vier sau’te a’pe’le hém’mek stoan
    - saut : van te mijden mensen das ie’e’ne van æch’te saut
    - scha’chel : kramslijster ge hét scha’chels, klamp’læs’ters en tit’sers
    - scha’pey’re : ontsnappen mey die lés’te hoa’gel’baas zæm’me oan iet ge’scha’peyrt
    - scha’vak : groot deel van beschadigde huid oep aa knie’je was er en ser’jey’ze scha’vak af
    - schaa : 1) schouw tpor’trét stoa oep de schaa 2) schuw die kat és æcht noch schaa
    - schaa’ver : schouder gaa hét brie’e schaa’vers
    - schaaf : schijf ver’gét aa par’keyr’schaaf ni
    - schaan : schijn da doet hem vey de schoe’e’ne schaan
    - schaat’kleyr : oker daa kérk was vrie’ger van on’der ge’værft in en schaat’kleyr
    - schacht : rekruut, nieuweling (studentenclub of leger) den doe’ep van de schach’te
    - schæt’kut : extreem hoovaardige vrouw
    - schaf’fe’le : moeilijk gaan met kleine stapjes zoals zeer oude mensen woa schaf’felt em naa wey hén’ne
    - scham : gedeelte in een veld waar de planten duidelijk minder opbrengst gaan geven mey die baas léé’ter een groe’e’te scham oem’vaar in de ma’ies
    - schamp’pa’vie : er van door ha és schamp’pa’vie
    - schap : 1) schap zét die te’loe’er moa oept schap 2) boezem das ie’en mey e groe’et schap
    - schau’tel’vod : schoteldoek zie moa da ge de schau’tel’vod ni in aa’ve næk kræcht
    - schau’ve : eten tés taat vey te schau’ve
    - schauf’zak : werkzak met het eten erin ver’gét aa’ve schauf’zak ni
    - schaul’mes’tæs : schooljuffrouw ons Rie lie’ert vey schaul’mes’tæs
    - schaur : schoorbalk, stut ge goa mey ie’en schaur ni toe’kau’me
    - schéé’re’sliep : rondtrekkende messenslijper de schéé’re’sliep rey mey en stoe’et’kaar
    - schéél : 1) scheel 2) deksel lécht da schéél moa oep die’e kas’se’rol
    - schéér : 1) schaar die schéér és zoe’e bot as en krap 2) dakbalk den oe’el zat oep de bau’ves’te schéér
    - schél : 1) schil de schél van nen ap’pel 2) plak, sneetje gém’maa es en schél hésp 3) Schelde de Flan’dri’a boe’e’te lig’ge oept schél
    - schél’les : schaliën ga hét oe’ek schél’les zey’ker, én mey schél’le’bæt?
    - schél’tje : kroonkurk ik kén en ka’fey mey die’zen’de schél’tjes tey’ge de mier
    - schélft : hooizolder boven stal of schuur oep ne schélft és er van ze léé’ve veyl ge’beyrt
    - schéns : schuin die toa’fel stoa schéns
    - schés : schors doe die schés moa van die’en dey’ne’boe’em
    - schés’se : schorsen ze gén ten vier wéé’ke schés’se gezegde en vraa die ge’schést és kræcht der rey’gels ne mie’e = een vrouw in de menopauze
    - schey’ne : scheen, schenen haa kreych doa ne stamp tey’ge zen schey’ne
    - schey’pe’ne : schepen, wethouder haa és schey’pe’ne van on’der’waas
    - schey’re : scheuren lét ze da moa ka’pot schey’re
    - scheyt : scheut gezegde : das moa ne scheyt in en flæs = dat is de moeite niet
    - schich’teg : schuchter oo das e schich’teg væng’ke
    - schie : schuur gezegde : en aa schie brant noch hæt = wordt gezegd van een oude vrouw die nog een man in huis haalt aa schie’paut stoat au’pe = uw broek staat open
    - schie’e : 1) grens, scheiding die’e poal stoat oept schie’e 2) scheiden die twie’e gén schie’e
    - schie’ef : scheef den tau’re van Pie’za stoa schie’ef
    - schie’loe’es : schuchter das e schie’loe’es man’ne’ke
    - schie’re : 1) schuren ge moet de gank noch schie’re 2) verslaan, kloppen lét aa ni schie’re hé
    - schilt : schuld tés zen aai’ge schilt
    - schip : 1) schip 2) spade die’e doe zaa’nen hof noch oem mey de schip
    - schip’pe’ne : schoppen in het kaartspel schip’pe’zot
    - schip’pes : kzæn schip’pes = ik ben er mee weg
    - schit’sel : schut, verplaatsbare wand we zét’te doa e schit’sel tis’se
    - schoa’e : schade mey die lés’te wint’haus was er veyl schoa’e
    - schoa’e’le : schuilen zés moe’te goan schoa’e’le vey de réé’gen
    - schoa’ef : 1) lade tléé in de schoa’ef 2) schuif das en schoa’ef’dey
    - schoa’pe’péls : schapevacht klaan kin’ne’kes wir’re ge’trok’ke oep ne schoa’pe’péls
    - schoa'em : schuim doa stoa ni veyl schoam oep maan pint
    - schoe’en : schoon gét schoe’en’aa’vers én en schoe’e’moe’der
    - schoe’et : schoot ze droa’e’de heyr in maa’ne schoe’et
    - schoe’fel : op de kap van een ander haa héé den hie’e’len oa’vent oep de schoe’fel ge’droeng’ke
    - schoeft : schouders bij koeien en paarden, ook bij mensen ze zit’ten oep maa’ne schoeft = ik heb pijn in de bovenrug, schouders
    - schoen’blink : schoensmeer mey de doe’es van de schoen’blink kon’ne de mæs’kes hing’ke’le
    - schof : 1) sluitstuk van een kar ghét e schof van vey en ie’en van ach’ter 2) tijd om te eten tussen het werk man’ne tés schof, taat vey de schauf’zak
    - schof’fer’daa’ne : ijsschaatsen wæl’le gin’ge schof’fer’daa’ne rein oep de bém’me’kes
    - schok : gezegde : oep schok goan = uitgaan, op reis gaan
    - schom’te : schaamte haa krépt van schom’te in de gront
    - schot : 1) schot 2) vaars die slechts éénmaal heeft gekalfd het bés’te vlie’es és van e schot
    - schraa’ve : schrijven ik schraaf gaa schræft haa héé ge’schrey’ve
    - schraan’wær’ker : schrijnwerker de schraan’wær’ker és de roa’me ont zét’te
    - schrab’be : doorstrepen, anuleren schrabt da vey maa moa
    - schrank : hooi op een rij samen rijven voor het pakken het hoe’e léé al oep schrank’ke
    - schrap : tijdelijk onvoldoende geld ik zit er vey de mo’ment moa schrap vey
    - schrey : schrede die’e fa’zant zat oep draa schrey’e van maa
    - schrie’e’ve : schreien schrie’e’ve dat die dey oept kerk’hof
    - schrik’ken’tist = schrik’schaa’ter: bangerik dérf’de gaa da ni, gaa se schrik’schaa’ter
    - schroaf : schraag we hém’me vrie’ger noch’al mey schroa’ve ge’sleyrt
    - se’biet : dadelijk se’biet goa’get réé’ge’ne
    - se’sis : soort worst Ar’deyn’se se’sis das goe jong
    - se’taan : satijn se’taa’ne loa’kes das kaat zél’le
    - se’ti’ei : bustehouder de se’ti’ei van ons moe’moe da was ne groe’e’te
    - se’voe’e : savooikool gezegde : die’e ze waaf das en loei se’voe’e = hij heeft een luie vrouw
    - se’waa’le : soms se’waa’le zaak paa’ze da zaa ni wilt
    - sèèr : serre da zæn sèèr te’mat’te
    - sér’re’wau’rech : tegenwoordig sér’re’wau’rech ést ge’voar’lek oept stroat
    - sér’zjant : 1) sergeant (leger) 2) spanvijzel zét doa moe ne sér’zjant of draa oep
    - sés’ze : deken oep maa bét lig’ge wél draa sés’zes
    - siet’kaar : zijspan nen toef’fer mey en siet’kaar
    - sik : 1) een prop pruimtabak haa stak zen sik al’taa on’der zen klak 2) karamel mey de stoet goei’e ze noch’al wa sik’ken oa’et
    - sin’te’me’dink : ingebeelde ziekte ik paas dat on’ze klaa’ne het sin’te’me’dink hey oem ni noat schaul te moe’te
    - sja’kos : handtas die van ons héé heyr sja’kos al’taa baa
    - sjaa’fe’le : kletsen, praten die waa’ve kon’ne sjaa’fe’le
    - sjaa’te’kaa : hernia van een lendewervel haa zit thoa’es meyt sjaa’te’kaa
    - sjam’pét’ter : veldwachter
    - sjans’saar : gelukzak vey de lot’tau te win’ne moe’te ne sjans’saar zaan
    - sjap’pe’mænt : uitlaat ze sjap’pe’mænt hangt los
    - sjar’lot : sjalot boe’e’ne mey sjar’lot’te’saas
    - sjau’se’taat : fanfare de sjau’se’taat van hoen’ger én dést
    - sje’loes : jaloers doa moe’te nie sje’loes vey zaan
    - sje’pap : ventiel haa ést top’pe’ke van zaan sje’pap kwaat
    - sjip’pe’ke : kuikentje en kloek mey sjip’pe’kes
    - sjoe’ke : soes, gebak draa sjoe’kes én ne kaf’fe’koek
    - sjon’der : schoner die van Bris’sel és sjon’der lak gaa
    - sjot’ter’kes : tafelvoetbalspel khém veyl oep de sjot’ter’kes ge’spélt
    - slaa’pe’raa : slijperij vrie’ger woa’re der hie noch ver’schaa di’a’mant’slaa’pe’raas
    - slaa’te : door de tijd gaan berusten da goa wél slaa’te mey de joa’re
    - slaaik : slijk ze hém’me die’e doa deyt slaaik ge’sleyrt
    - slaaik’lap : spatbord de slaaik’lap van maa vér’res’te wiel és schie’ef
    - slaaik’mos’sel : zoetwatermossel
    - slæf’fers : muiltjes haa kwam doa oep zen slæf’fers oan
    - slæk : slak de slæk’ke ey’te maa’ne se’loat af
    - slæp’stie’en : slijpsteen das ne slæp’stie’en mey woa’ter
    - slæt’se : muiltjes das tzélf’ste lak slæf’fers
    - slats : dweil ge moet die slats jost oa’et’vring’e
    - slém’me’kes : sluimerwten, peulerwten on’ze voa rey mey slém’me’kes noa de mæt
    - slér’re’pe : slurpen ge meygt zoe’e ni slér’re’pe oan toa’fel
    - slét : sleede mey de slét noa de plæ
    - slét’jes’dag :
    - sley : grote luxe wagen die’e rey mey en færm sley
    - sley’ter : sleutel haa és zen’ne sley’ter kwaat
    - sleyr : voorschoot gemaakt van een jute zak Læd’de’res Ca’tau haa hey’re sleyr al’taa oan
    - slik’ker : adamsappel zie zen’ne slik’ker es goan
    - slin’ger : katapult khém mey maa’ne slin’ger oe’et en mis ge’schau’te
    - slis’pa’pier : fijn schuurpapier
    - slis’se : fijn schuren kmoet die kas noch slis’se vey dak ze kan ver’nis’se
    - sloa’e’pe : sluipen zie die kat doa sloa’e’pe
    - sloa’e’te : sluiten de stam’me’ney hém’me ze moe’te sloa’e’te
    - sloa’em : peul de sloa’eme van de aa’te zæn vey de koei
    - sloa’es : sluis de sloa’es és toe
    - sloa’per : 1) slaper 2) rattenval waarin deze dieren zich konden schuil houden tot men de ingang dicht draaide
    - sloap’læf’ke : nachthemd in de winter doe’nek e sloap’læf’ke oan
    - slod’de’re : regelmatig iets laten vallen hey, ge zaat aa boe’e’ne ont slod’de’re
    - sloe’er : onverzorgde vrouw die aa sloe’er wént doa noch
    - sloef : pantoffel hoe’er’dhem oep zen sloef’fe af’kau’me
    - sloei’er : sluier doa es ne sloei’er ront de moan
    - sloek : slok pakt doa es ne sloek van
    - slop : gezegde : int slop zit’te = er zit geen vooruitgang meer in
    - smaa’te : gooien ze kin’nen aa oe’ek boa’e’te smaa’te
    - smaat : smout mey de kér’re’mes ey’te we smaat bol’le
    - smær’re’ges : ’s morgends smær’re’ges és hem noe’et ni oat’ge’sloa’pe
    - smau’re : roken vrie’ger ging’e ze in de ge’bie’re es smau’re (twas aai’ge’lek vey de mæs’kes da ze kwoa’me)
    - smén’doas : ’s maandags smén’doas ést mæt in Hæst
    - smey’e : smeden ne smét moet het aa’zer smey’e ast hie’et és
    - smeyt : gezegde : khém gie’e’ne smeyt hoeng’er = ik heb totaal geen honger
    - smie’re : witte sierduif oe’et e kop’pel smie’re ge’hat
    - smos’se : morsen nie te veyl mey die værf smos’se
    - snein : snijden ik snei gaa snæt haa héé ge sney’e
    - snér’re’ke : snurken man’ne die ge’droeng’ke hém’me kin’ne hæt snér’re’ke
    - sney’ke’le = snol’le : snuffelen, doorzoeken in aa pa’pie’re zit’te sney’ke’le
    - snie’e : sneeuw de joeng spey’le géé’re in de snie’e
    - snip’snie’e : motsneeuw, fijne sneeuw
    - snit’te : de neus snuiten snit’te doe de ni in de slip van aa hém
    - snoa’e’ve : snuiven snoa’eft naa moa se = het onder zijn neus wrijven
    - snot : 1) neusslijm 2) kippenziekte 3) hars oan die’en deyn hangt veyl snot
    - soa’e : breiwol ghét sér’re’wau’rech veyl sau’te soa’e
    - soa’e’ker : suiker haa lééft naa oep soa’e’ker woa’ter
    - soa’e’ze : suizen maan oe’e’re soa’e’ze
    - sol : loden werpschijf bij het teppeschieten ik giet maa’ne sol in ne pol’léé’per
    - sol’le’ke : oud muntstuk van 5 centiemen na ge’broa’e’ke ze die sol’le’kes vey ron’dæl
    - sop : 1) zeepwater 2) top die æk’ser hot int sop van den boe’em
    - spaa’ve : overgeven moe’te gaa naa wey spaa’ve
    - spaas : confituur vey aa oe’ek proa’e’me’spaas gezegde : zoe’e rot as spaas = volledig verrot
    - spaat : spijt doa moe’te gie’e spaat van hém’me
    - spæl : speld das en spæl mey e plas’ti’ke kop’pe’ke
    - spæt’te’le : spartelen die’e klaa’ne léét doa in zen wieg te spæt’te’le
    - spau’se : portie vey maa e spau’se frit
    - spéén : aambeien haa héé veyl last vant spéén
    - spérk : sporkehout, hout van de vuilboom
    - spét : sport van een ladder pas oep hé want de dæd’de spét és ge’krokt
    - spey’te : met spelden hechten of markeren die van ons moest hél’le moe der’re rok af’spey’te
    - speyl’kaar : kleine kar waarmee men ’s zondags uitreed
    - speyl’vau’gel : speels kind ik was vrie’ger nen æch’te speyl’vau’gel
    - speyt’spæl : wasspeld vrie’ger woa’ret speyt’spæl’le, naa zænt naa’pers
    - spie : deel van een gesneden taart vey maa en spie van die proa’e’me’vloa’e
    - spie’e’ke : spuwen ik spie’ek gaa spjékt haa héé ge’spjokt
    - spie’le : spoelen ge moet de mél’lek’bis noch oa’et’spie’le
    - spik’ke’loas : speculaas dau man’ne sop’pen hél’le spik’ke’loas in de kaf’fe
    - spin’hoer : spin veyl mæn’se hém’me schrik van en spin’hoer
    - spin’ne’kop : spinneweb oep de zol’der hang’et vol spin’ne’kop’pe
    - spin’se’tærf : mais kgeyf naa ge’kap’te spin’se’tærf oan de kie’kes
    - spjok’sel : speeksel het spjok’sel lépt oa’et ze bak’kes
    - splin’ster : splinter doa zit ne splin’ster in maa’nen doa’em
    - spoa’e : spitten die’e kan zaa’nen hof noch al’lie’en oem spoa’e
    - spoa’et : spuit hér’re gaa schrik van en spoa’et
    - spoei’e : spoeden, haasten kgén me moe’te spoei’e
    - spon : sponde van het bed haa zat oept bet’spon
    - sport’kaar : sportauto die’e ræt mey en vrie’e sport’kaar
    - spraa : sprei das en schoe’en bét’spraa
    - sprein : uitspreiden vrie’ger dik’kes moe’te mést sprein
    - sprey’ke : spreken ik spreyk gaa sprékt haa héé ge’sprau’ke
    - sproa’e’te : spruitjes meych’de gaa gie’en sproa’e’te
    - stæk : reep vey maa ne stæk sjo’ko’lat
    - stæks’kes : lucifers zie da die klaan joeng nie oan de stæks’kes kin’ne
    - stæs’sel : stijfsel doe wa stæs’sel oan de man’sjét’te en de kol
    - stam’me’ney : herberg oep stam’me’ney goan
    - stamp : stamp gezegde : haa és gie’e’ne stamp on’der ze gat weit = met hem is niets aan te vangen
    - stauf’vlie’es : karbonade ne frit mey stauf’vlie’es
    - stéks : steil das ne sték’sen trap
    - stét : stort tstinkt oept stét
    - stey’ker : roofvogel volgens vogelvangers
    - steyk : 1) steek baat brein meych’de gie’e’ne steyk loa’te val’le 2) plaats waar de vogelvanger zijn netten heeft opgeslagen
    - stéz’ze : plaats, verdiep ik gén en stéz’ze véts en ga goa en stéz’ze oem’hoe’ech
    - stie’en : steen haa kloacht stie’en en bie’en = hij is erg te beklagen
    - stie’pel’zat : stomdronken de Waa’re was stie’pel’zat
    - stie’re : sturen gén ze da naa oep stie’re of ni
    - stie’ve : stuiven da zand stieft
    - stil’le’kes’oan : stilaan twét stil’le’kes’oan win’ter
    - stjæts’bie’en : staartbeen haa és oep ze stjæts’bie’en ge’val’le
    - stjeit : staart haa és oep zen’ne stjeit ge’trapt = hij voelt zich geraakt
    - stoa’e’ve : stuiven het goat er stoa’e’ve
    - stoa’se : 1) statie en stoa’se van de kroa’es’wæch 2) station den traan stopt in de stoa’se van Lier
    - stoan : staan ik stén gaa stoa stor’re gaa haa héé ge’stoan
    - stoe’e’re : storen ik stoe’er toch nie
    - stoe’e’te : 1) duwen we stoe’e’te die’e mier oem’vaar 2) ’t zijn toeren da zæn stoe’e’te hé, noch zoe’e joenk én al moe’te goan
    - stoe’ep : stoop, kruik ne mél’lek’stoe’ep
    - stoe’et’kaar : handkar en stoe’et’kaar of en mæt’kaar mey twie’e wie’le
    - stoef’fer : 1) opschepper 2) wit doekje in de bovenzak van een vest
    - stoem : dom das stoem van maa, khaa’get moe’te wey’te
    - stoem’pe : duwen pro’beyrt maa’nen ot’tau es in gank te stoem’pe
    - stoemp : aardappelpuree met een groente als wortelen, spinazie, boerekool, …
    - stoemp’ke : sigarettepeuk de stoemp’kes in de voa’el’bak
    - straai’ke : strijken doa stoa noch ne groe’e’te straaik
    - strein : diskusiëren die twie’e woa’re doa tey’gen’ie’en ont strein
    - strép’per : 1) stroper 2) magere vaars die weinig melk geeft
    - strés’sel : hooi van slechte kwaliteit, nog goed om mee te strooien
    - strie’e : strooien, stro spreiden onder de dieren ge moet het pjeit noch strie’e
    - strie’e’ke’le : strelen die kat zor’re al’taa moa moe’te strie’e’ke’le
    - strie’e’pe : stropen strie’e’pe in de bos’se van de groaf
    - stringk : tronk die’en oe’el heyf in die’en aai’ke’stringk
    - stroa’e’ze : stoere kerel hey stroa’e’ze, kom es hél’le’pe
    - stroa’ek : struik haa zit doa in de stroa’e’ke
    - stroe’e : stro khém noch oep ne stroe’e’zak ge’sloa’pe
    - swænst : sedert swænst dat haa mey ne nie’ven o’tau ræd ként hem nie’mant ne’mie’e
    - sik’ke : 1) pruimtabak kauwen 2) roepnaam voor Franciscus sik’ke, kom es hie
    - sin’tan’ne’kat : een kat met drie kleuren
    - sus : 1) roepnaam voor Franciscus 2 ) gezegde : van aa’ve sus val’le : flauwvallen

    -T-

    - ta’paat : tapijt haa héé oept ta’paat ge’smost
    - taa’ning : bericht hér’re gaa oe’ek taa’ning ge’hat van de ge’mæn’te
    - taai’ger : tijger en ge’rangk’te kat és oe’ek nen taai’ger
    - taam : tijm in de mos’se’le moet oe’ek en tæk’ske taam
    - taat : tijd khém taat zat = ik heb tijd te over
    - tæk’ke : 1) takken doa moe’te en poar tæk’ke af’ge’zoagt wér’re 2) aantikken in het spel haa kon maa ni tæk’ke
    - tæl’tje : teiltje, aarden kom gezegde: die’en héé pre’sies en tæl’tje ge’brau’ke = er bedeesd bijzitten
    - tæm’per : postzegel goa es tæm’pers hoa’le noa de post
    - tæn’ter’jot : jodiumtinctuur om wonden te verzorgen tæn’ter’jot da pikt joa
    - tæp’pe : houten paaltje bij het teppeschieten (volkssport)
    - tærf : tarwe ik eyt veyl vol tær’ve broe’et
    - tæs : zak van een vest hot aa tæs’se toe want ze hém’me aa baa aa kloe’e’te
    - tæs’sen’doek : zakdoek hér’re ne prau’pe’ren tæs’sen’doek baa
    - tæs’toas : dinsdags tæs’toas gém’me win’ke’le
    - tæt’te’re : tateren khém ge’noech van aa ge’tæt’ter
    - tæt’ter : mond hot aa’ven tæt’ter moa toe
    - taf’fe’le : knoeien ie’e’ne die’e taf’felt és nen taf’fe’léér
    - tan’tist : tandarts baa nen tan’tist moe’te aa tan’ne loa’te noa’zien
    - tang : 1) tang (werktuig, venijnige vrouw) 2) tank k’hém men tang vol gedoan
    - tang’tey’re : plagen we gén ten e bék’ke tang’tey’re
    - tas : deel van de schuur waar de graanschoven werden getast of gestapeld
    - tau’re : toren ge moet ni te hoe’ech van den tau’re bloa’ze
    - taut : 1) tuit haa drinkt oan den taut van de flæs 2) smoel ge moet zoe’e’nen taut ni trék’ke
    - te’fræn’te : verschillende haa héé veyl te’fræn’te bey’le’kes
    - te’két : tekort haa héé vaaf eu’roo te’két
    - te’lau’re’goan : teloorgaan ze hém’me da loa’te te’lau’re goan
    - te’loe’er : bord vey maa noch en te’loe’er soep
    - te’mat : tomaat te’mat’te soep mey bal’le’kes
    - te’rau : bloemenaarde vey schoe’en bloe’me moe’te væs’sen te’rau pak’ke
    - te’raut : achtereenvolgens zés doa’ge te’raut héé die’e hie ge’weyst
    - tél’le’fon : telefoon hér’re aa’ven nie’ven tél’le’fon al
    - tél’le’vies : televisie ze spey’le ni veyl ne mie’e oep den tél’le’vies
    - témst : zeef git die aa’te moa dey den témst
    - ten’nés’te : volgende ten’nés’te mént gén’nek oep pén’sjoen
    - ter’maan : termijn den ter’maan és dey
    - tér’re’le’vis : schroevendraaier ne plat’te of ne kroa’es tér’re’le’vis
    - tér’ref : turf vrie’ger wén’de hie tér’ref stey’kers
    - tét’te : 1) kleine borsten ons Lis’ke be’gint al tét’te’kes te kraai’ge 2) onnozelaar doa és die’en tét’te wey se
    - tét’ter : zuigspeen die’e klaa’ne wilt noch al’taa en tét’ter’flæs
    - tey’ge : tegen zaa zaa tey’ge maa
    - tey’ge’snæ’be’re : reclameren ge moet ni tey’ge’snæ’be’re hé
    - tey’ge’stroem : tegendraads ge moet zoe’e tey’ge’stroem ni zaan, gaa zen dwæ’se
    - tey’gen’haa’ve : verhinderen ze gén me moe’te tey’gen’haa’ve
    - tey’gen’ie’en : tegen elkaar ze moe’te noch tey’gen’ie’en spey’le
    - tie’e’ke’ne : tekenen, handtekenen ge moet die’e sjék noch tie’e’ke’ne
    - tie’en : teen die’en és rap oep zen tie’e’ne ge’trapt
    - tiep : 1) tube pla’koat’værf in tiep’pe’kes 2) fietsband haa haa ne pla’ten tiep
    - tier : schietstand baa den troep moes’te we rey’gel’moa’teg noa den tier
    - tik’ken’aai’ke : ei in kindertaal
    - tip’zak : puntzak frit in nen tip’zak
    - tis’se : tussen doa kin’de ni tis’se kau’me
    - tit’se : speciale manier van knikkeren ge kint tit’se of foem’pe
    - tit’ser : soort lijster nen tit’ser kan hie’el schoe’en floa’e’te
    - tit’tel’doa’ef : tortelduif de tit’tel’doa’e’ve ey’te mey int kie’ke’kot
    - tit’ten’tol’le’ke : klein blauw mutsje haa haa al’taa zen tit’ten’tol’le’ke oep
    - tits’ke : heel weinig ge meycht doa moa en tits’ke van oep doen
    - toa’e : taaie, harde das nen toa’e kéé’rel
    - toa’e’me’le : tuimelen da pjeit be’gint al’taa de’rækt te toa’e’me’le
    - toa’en : tuin haa goa noa de toa’en’baa’schaul
    - toa’fel : tafel kén’de gaa aa toa’fels noch
    - toal : taal gezegde : doa komt gie’en toal oa’et = dat is een hele stille
    - toe’bak : tabak toe’bak vey te sik’ke és an’de’re lak vey te rol’le
    - toe’e’ve’re : toveren paast ni da kik kan toe’e’ve’re
    - toe’re : tzæn toe’re zaa de Floe’re én haa trok ze waaf deyt sley’ter’gat
    - toe’spæl : veiligheidsspeld vrieger wir de pis’vot vast’ge’mokt mey en toe’spæl
    - toef’fer : moto haa rey mey zaa’nen toef’fer noa ze wærk
    - toek : gezegde : gaa se val’se toek = gij valse vrouw
    - toem’moat : gras dat in het najaar geoogst wordt kgén noch wa toem’moat moa’e
    - toer’ney : trakteren voor de andere aanwezigen de bér’ger gaf nen toer’ney baa Polle Pæs
    - toet : taart en toet of en vloa’e
    - top’æn : einde van een teelbed (= ge’wænt)
    - tots : dennenappel dey’ne tot’se vey de stauf in brant te doen
    - traa’ve : trouwen woa’roem zor’re noch traa’ve
    - traan : trein mey den traan noat Schél
    - trak’teyr : traktor de boe’re doen hél’le wærk naa mey nen trak’teyr
    - tram’roet : tramlijn, tramweg van Schriek noa Groe’te’loe’e last de tram’roet
    - tre’wie’el ; truweel aa tre’wie’el goe af’was’se
    - trééch : traag hoe trééch rein die naa séch
    - tréék : 1) inkomen zaa die’e noch nen an’de’ren tréék hém’me 2) lang teeltbed oep de hoe’ege plæk wast lan’gen tréék
    - tréf’ter : trechter pakt den tréf’ter vey dat in de flæs te gie’te
    - trék : tocht hie zit’te in den trék
    - trék’stoal : magneet in nen di’ne’mau zit trék’stoal
    - trék’zak : accordeon haa spélt noch al’taa oep ze’nen trék’zak
    - trél’le : tralie vrieger ston’ne der trél’les vey de væn’sters
    - trés’te : troosten ge kint die doa nie mey trés’te
    - trey’zel : zeef die het kaf van het koren scheidt
    - tri’nét : trien, meid tés en mol’le’ge tri’nét
    - trich : terug haa és trich
    - troe’fel : schop mey en troe’fel én en schip den hof oem’doen
    - troem’pey’re : vergissen troem’peyrt er aa ni oan hé
    - tros’sel : tros vey maa nen tros’sel ba’naa’ne
    - trot : haa és veyl oep trot = haa és veyl oep gank = iemand die veel uithuizig is
    - trot’te’nét : autoped joeng rein mey en trot’te’nét
    - trut’te’bæl : een dom blondje das en æch’te trut’te’bæl
    - truut : onwaarheden das dik’ken truut
    - tsaa’te’kaa : spit, rugpijn haa zit meyt tsaa’te’kaa
    - tsoe’pe’ke : topje doa stoa doa en tsoe’pe’ke oep
    - tut’te’frut : kauwgom en sik of nen tut’te’frut
    - twaa’fe’léér : 1) hij die twijfelt 2) een bed tussen een één- en een tweepersoonsbed ik sliep in den twaa’fe’léér oep de kél’le’koa’mer
    - twé’de : tweede haa és moa den twé’de
    - twélf : twaalf twélf kie’e’re twélf és e gros
    - twie’e : twee twie’e das e kop’pel

    wordt vervolgd



    21-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    20-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-V

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - V -

    - va’peu’re’kes : opvliegers hér’re gaa oe’ek zoe’veyl last van die va’peu’re’kes
    - vaa : vouw, plooi doe was en vaa in aa blat
    - vaa’leg : veilig woa zær’re naa noch vaa’leg
    - vaa’lingk : veiling haa doe zen koer’zjét’te noa de vaa’lingk
    - vaa’ver : vijver die’en héé færm koeis oep zaa’ne vaa’ver zit’te
    - vaaf : vijf haa héé ze al’le vaaf ne’mie’e
    - vaaich : vijg da zén vaaich’ge noa Poa’se
    - vaal : vijl da moe’te mey en aa’zer’vaal doen
    - vaar : stier de vaar oa’et loa’ten
    - vaas : vijs baa die’e stén der mie’er as ie’en vaas los
    - væf’de : vijfde gaa zaat al de væf’de van’doach
    - væng’ke : ventje væng’ke, væng’ke toch, wat hér’re naa wey vey
    - vær’re’ke : varken vrie’ger hey’ve ze e vær’re’ke vey den af’val, naa haa’ve ze kie’kes
    - væs : 1) vers zæn de aa’re væs 2) pas ze héé væs ne klaa’ne 3) nieuw haa héé e væs lief
    - væs’sem : hiel khém en blaan oep maa’ne væs’sem
    - val : valdeur, valluik és de val van de zol’der toe
    - val’laa : vallei haa wén’de in de val’laa van de Daal
    - val’le : vallen gezegde : 1) van aa zél’le’ve val’le = flauwvallen 2) haa és mey ze gat in de bau’ter ge’val’le = hij heeft het getroffen
    - val’ling : verkoudheid ik loe’ep al draa wéé’ke mey en val’ling ront
    - van’aai’ges : vanzelfsprekend van’aai’ges dat haa da doe
    - van’den’oa’vent : vanavond van’den’oa’vent ést téé’re van de boe’re
    - van’on’der’moa’e’ze : stilletjes verdwijnen haa és er wey van’on’der’ge’moa’est
    - van’taat : soms ge zot’hem van’taat en sméér gey’ve
    - van’ten’heir : opnieuw naa és maa’nen tiep van’ten’heir ka’pot
    - van’ze’léé’ve : eens, ooit van’ze’léé’ve wil’lek doa noch es kau’me
    - vang’e : niet goed wijs zijn gaa vangt zey’ker !
    - vast’pak’ke : knuffelen ge moet ze moa es goe vast’pak’ke
    - vau’gel : vogel béé’ter ie’e’ne vau’gel in dhant dan tien in de loecht
    - vau’gel’jeir : volière haa héé pe’ris’se in zaa’ne vau’gel’jeir zit’te
    - vé’die’el : voordeel doa kin’de vé’die’el oat hoa’le
    - véé’le : vale kleur men’ne véé’le én men wit’pæn woa’re te loat
    - véé’re : varen hoe langk hér’re moe’te véé’re?
    - véng’kes : gezegde : noa de véng’kes zaan = naar de vaantjes zijn, stuk zijn
    - ver’aa’ve’re : verouderen gaa zaa noch al’taa ni ver’aa’vert
    - ver’au’ver : voorover haa és doa ver’au’ver af’ge’val’le
    - ver’baa : voorbij haa rey hie ver’baa mey zen tri’nét
    - ver’bab’be’reyrt : verbouwereerd haa kwam ver’bab’be’reyrt noat bort
    - ver’bas’ter’deyrt : niet van zuiver ras ge zie da, die hon’ne zæn ver’bas’ter’deyrt
    - ver’bie’e : verbieden ik ver’bie’e, gaa ver’bit, haa és ver’bau’we
    - ver’blaaf : verblijf haa héé e boa’e’te’ver’blaaf oan de zie’e
    - ver’boeft : te veel van eten ik kan maa doa ver’boeft in ey’te
    - ver’bræ’ze’le : verbrijzelen die vey’roat és hie’le’moal ver’bræ’zelt
    - ver’broa’ek : verbruik die’en o’tau ze ver’broa’ek ley lie’ech
    - ver’dés’te’re : verduisteren vey licht’bél’de te be’kaai’ke moe’te de klas ver’dés’te’re
    - ver’die’e’le : verdelen ik ver’die’el, gaa ver’dælt, wæl’le ver’die’e’le
    - ver’dis’tre’wey’re : verwoesten, vernielen die’e zaan gas’te kin’nen iet ver’dis’tre’wey’re hé
    - ver’doem’me : korte vloek ver’doem’me, ver’doem’me toch
    - ver’dwaa’ne : verdwijnen ik ver’dwaan, gaa ver’dwænt, haa és ver’dwey’ne
    - ver’froe’melt : verfrommeld goeit da ver’froe’melt pa’pier moa in de voa’el’bak
    - ver’gæ’ze’le :
    - ver’goei’e : vergoeden die’e gén ze doa moe’te vey ver’goei’e
    - ver’hans’vol’le : verhandelen
    - ver’hoart : geschaafde huid tés nie æ’rech, tés moa en bék’ke ver’hoart
    - vér’hoe’eft : voorhooft en as’krés’ke oep aa vér’hoe’eft
    - ver’in’ne’wey’re : geruïneerd dey die’en brant és haa hie’le’moal ver’in’ne’weyrt
    - ver’jos’te’re : verroesten lét die aa’ze’re poat ni ver’jos’te’re
    - ver’klie’e : omkleden in gén me noch rap ver’klie’e
    - ver’krok’kelt : verkreukt mey te goem’me was men tie’e’ken’blat ver’krok’kelt
    - ver’læb’bert : niet fris, niet vers die’e sa’loat zie’ter moa ver’læb’bert oa’et
    - ver’lap’pe : verkopen om er vanaf te zijn ik pro’beyr die aa vlaus noch te ver’lap’pe
    - ver’ley’e : verleden ver’ley’e wéék wast kaat zen’ne
    - ver’loe’e’pech : voorlopig doa goa ver’loe’e’pech niks ver’an’de’re
    - ver’mau’re : verkwisten tés nie oem’da ger veyl hét da ge ze moa moet ver’mau’re
    - ver’ney’pelt : verrimpeld die’e ze ge’zicht és hæt ver’ney’pelt
    - ver’nie’ve : vernieuwen ze gén de key’ke ver’nie’ve
    - ver’niet : gratis ik mag ver’niet mey de bis rein
    - ver’oa’et : vooruit ge moet al’taa ver’oa’et paa’ze
    - ver’oep : voorop haa rey doa al’lank ver’oep
    - vér’re’me : vormen wan’nie’er zær’re gaa ge’vér’remt
    - vér’re’noen : voormiddag haa és gis’te’re vér’re’noen ge’weyst
    - vér’res’te : voorste zaa zit ni géé’re oep de vér’res’te raa
    - ver’sæm’melt : niet vers, verrimpeld die a’pe’le zæn al ver’sæm’melt
    - ver’sas’se : verkopen, verpatsen ik hém die kas noch rap kin’ne ver’sas’se
    - ver’sjok’ke : niet correct volgen bij het kaartspel
    - ver’stékt : verstuikt khém maa’ne pols ver’stékt
    - ver’tén’ne : vertinnen, van een laagje tin voorzien pot’ten én pan’ne ver’tén’ne
    - ver’véé : angstig ooh die kat és ver’véé zég
    - ver’vie’re : vervoeren hoe gor’re die kas ver’vie’re
    - ver’waa’te : verwijten haa kreyg doa ver’waa’te noa zen’ne kop
    - ver’waaft : man met vrouwelijke trekken, homo haa zie’ter zoe’e’wa ver’waaft oa’et
    - ver’zoch’te : verzachten doa moet noch ver’zoch’ter baa de was
    - vés : kikker de hie’e’re ey’te vés’se’bil’le’kes
    - vés’schoe’et : voorschoot het maa’se van de pas’toe’er haa al’taa ne zwæt’te vés’schoe’et oan
    - vés’se’klib’ber : kikkerdril doa léé veyl vés’se’klib’ber oep de klaa’ne vaa’ver
    - vést : 1) gracht rond huis de vést és toe’ge’vrau’ze 2) nok van het dak zen doa’e’ve zit’te wey oep de vést 3) vorst de vést zit noch in de gront 4) vuist aa kaa’se moe’te mey’te ront aa vést
    - vét : 1) vet 2) voort lépt es e bék’ke vét
    - vét’te : vetmesten da zæn e kop’pel mét’te’kes vey te vét’te gezegde : das gie’e’ne vét’te = dat is niet veel soeps
    - véts : voorts ik moet naa goan véts doen
    - vey : voor naa hém’mek iet vey se
    - vey’le : veulen die mér’re héé e schoe’e vey’le
    - vey’pléts : voorste kamer, tevens de beste kamer, waar men ook belangrijke mensen in ontving als de pastoor, de dokter, de schoolmeester, enz…
    - vey’poa’e’te : 1) voorpoten 2) de eerste tekenen van iets de vey’poa’e’te van zaa’nen baa zén der al
    - vey’stey’ke : voorbijrijden kzal die bis es rap vey’stey’ke
    - veyl : veel kzén noch veyl wau’re ver’gey’te
    - vi’trin : uitstalraam van een winkel die bloes léé in de vi’trin
    - vich’te : vechten vrie’ger és er veyl ge’voech’te oept schaul
    - vie : vuur doet vie moa in brant
    - vie’e’mol : veenmol in die’e zant’gront hér’re noch’al es last van vie’e’mol’le
    - vie’ge : goed gedragen ge goat aa vie’ge baa den dok’taur hé
    - vie’klaa’ves : hals over kop haa liep vie’klaa’ves noar’hoa’es
    - vil’le : vullen ik moet maan vil’pæn noch vil’le
    - vin’ne : vinden haa goa da noe’et ni vin’ne
    - vis’woa’ter : plaatsnaam in Schriek achter het meisjesschool, vis betekent hier vies, vuil
    - vjeis : vaars en vjeis és en joen’ge koei, e vjæs’ke és noch ne mét’te
    - vjo’tien : veertien
    - vlag’ge : gezegde : haa héé’get vlag’ge = haa héé get zit’te = hij heeft prijs (negatief)
    - vlak’af : ronduit ik hém hem da vlak’af ge’zéé
    - vlam’me = vlas’se : hard op doel schieten haa vlam’de em der’in van két’baa
    - vlau : fiets ge kint gie’e’ne vlau mis’se
    - vlie’es : vlees e goe stik vlie’es kan ni slæcht zaan
    - vlie’goat : vlieger haa goa zen’ne vlie’goat oep’loa’te
    - vlim : scherp mes som’mes’te més’se’vich’ters haan a vlim baa
    - vloach : vlaag en vloach das en két’te baas
    - vloe’e : vlo gezegde : tzén zen aai’che vloe’e die baa’te = dat is zijn eigen schuld
    - vlok : te groot (kleding) vol’le’ges maa és die broek e bék’ke te vlok
    - Vloms : Vlaams in de Vlén’de’re sprey’ke ze Vloms
    - voa : va, vader on’ze voa én zaa voa’der woa’re briers
    - voa’e’loat : vuilaard da zir’re dat hie ne voa’e’loat wént
    - voa’el : 1) vuil gaa zaa voa’el ség 2) nageboorte tvoa’el és’ser gis’tre af’ge’kau’me
    - voa’el’kaar : vuilniswagen smén’doas komt de voa’el’kaar
    - voa’re : raar aankomen da ze wéch és, da goa voa’re se
    - voak : slaap krijgen van die’e zen’ne preyk zor’re voak kraai’ge
    - voas : vaas lét die voas ni val’le hé
    - voat : 1) vaart doa zit voat ach’ter 2) kanaal haa goa noa de voat vis’se
    - vod’de : 1) vodden, prullen tzæn vod’de 2) maandstonden ze zit mey de vod’de
    - vod’de’vænt : prulleman da was nen æch’te vod’de’vænt
    - voe’e : moer, vrouwtjes konijn haa haa draa voe’es én ne reir
    - voe’el : doorzichtige sluier vrie’ger haan veyl hoe’te e voe’el
    - voe’es : sponsachtig, uitgedroogde vrucht die ap’pe’le zén voe’es
    - voei’e’re : voederen ik gén de bjés’te noch voei’e’re
    - voei’e’ring : voering de voei’e’ring van aa’ve rok és los
    - voei’er : voer kmoet noch voei’er doen vey de bjés’te
    - voer’re’man : hij die met het paard rijdt tliecht oan de voer’re’man dat de vau’re ni ræcht zæn
    - vol : 1) vol 2) drachtig kpaas nie dat die koei vol és
    - vraa : 1) vrouw, echtgenote maan vraa was doa oe’ek baa 2) vrij zér’re gaa mér’re’ge noch vraa
    - vraa’lie : jonge vrouwen, meisjes woa zén ons joen’ge vraa’lie hén’ne
    - vraa’mes : vrouw (iets negatief) as ge mey da vraa’mes moet wær’re’ke, a’maai men oe’e’re
    - vraa’ven’bont : vrouwenbeweging als K.A.V. és die van æl’le oe’ek in de vraa’ven’bont
    - vrémt : vreemd gaa zaa hie vrémt zey’ker
    - vrie’e : 1) geweldige gaa hét ne vrie’e o’tau 2) wrede vrie’e joeng kraai’ge niks
    - vrie’mes : vroegmis de vrie’mes be’gost oem zey’ven ie’re
    - vriech : vroeg kzal wey vriech moe’ten oep’stoan
    - vroem : terug kom’de gaa noch vroem?
    - vroengk : vroeger was de breiwol verpakt per kluw vaaf vroeng’e soa’e
    - vwa’joe : schurk (heel negatief)
    - vwa’tuur : (kinder)wagen tés e schoe’en vwa’tuur vey hey’re klaa’ne

    -W-

    - wa = wat’te (als ge het woord alleen gebruikt) : 1) wat wa wét die’e doa van 2) een beetje ik zén wa te klaan
    - waa : 1) wij waa zæn noa Pit 2) weide de koei stén in de waa 3) willen haa waa da ni
    - waa’neg : weinig khém noch moa waa’neg ré’ak’ses ge’krey’ge
    - waa’ve’toeng’e : sanseveria (plant) ne pot waa’ve’toeng’e of vraa’ve’toeng’e
    - waa’woa’ter : wijwater in Schriek hém’me ze den tau’re ge’blist mey waa’woa’ter
    - waa’ze : wijzen ge meygt ni waa’ze, zaa ons moe al’taa
    - waaf : vrouw khém ni te kloa’ge au’ver me waaf
    - waai’goat : druiven vey aa oe’ek en tros’ke waai’goat
    - waaik : 1) wijk haa wént in de waaik 2) week (van weken) ik zét die pis’vod’de jost wa te waaik
    - waan : wijn gaa drinkt géé’re waan hé
    - waan’bey’ze : druiven hie zit’ter’oe’ek al mey waan’bey’ze in hél’len hof
    - waar : verward kzén hie’e’le’moal in de waar
    - waas : wijs, voor kinderen betekent dit braaf gaa zaa waas se
    - waat : ver és da waat van hie?
    - wæ’der : verder wént die’e noch wæ’der as gaa?
    - wæ’re’me’rék : vers gemaakte snoepstukjes op kermissen
    - wæ’rem : warm da bier és veyl te wæ’rem
    - wæl’le : wij wæl’le kau’me
    - wæng’er : woerd, mannetjes eend de wæng’ers zæn schoe’en van kleyr
    - wæt : wrat haa héé en wæt vant zwém’me
    - waf’fer : welk(e) waf’fer pak’te gaa?
    - wak : zwak het aas hot noch nie, tés noch veyl te wak
    - wak’ke’re : vlug, vinnig ventje ge ziet da, dat da ne wak’ke’re és
    - wal’le’bak’ke : op zwier gaan aa zau’ne hém’me wey ont wal’le’bak’ke ge’weyst
    - wan’te : 1) handschoenen zie da ge oe wan’te ni ver’gét 2) van wan’te wey’te = meer weten
    - wap’per : zeer grote man da was ne lan’ge wap’per, én das gie’en brig!
    - was’spey’ter : wasspeld, wasknijper da zén noch au hau’te was’spey’ters
    - wau’re : woorden haa grokt oa’et zen wau’re ni
    - waut : woord tés maa waut tey’ge zaa waut
    - wéch’ge’flotst : weggespoeld door de regen doa és veyl jeir wéch’ge’flotst mey de ré’gen
    - wéch’moe’fe’le : heimelijk wegstoppen khém maan si’ge’rét’te dik’kes moe’te wéch’moe’fe’le
    - wech’smaa’te : weggooien das sér’re’wau’rech al’le’moal vey wech’te’smaa’te
    - wéé’ser’kan’te : weerskanten last wéé’ser’kan’te héé ten al en bits
    - wéén’oe’ech : oogontsteking ge kræcht en wéén’oe’ech van in de kaar’lie’es te pis’se
    - wein : 1) grazen hie stoa schoe’e gæs, doa gén de koei goe kin’ne wein 2) wijden ze moe’te da woa’ter noch wein
    - weir’de : waarde dat héé gie’en weir’de
    - weit : waard das niks weit
    - wél : akkerrol vrie’ger dik’kes de wél moe’te trék’ke, én moa wél’le
    - wénks’braa : wenkbrauw en snor és en ge’zak’te wénks’braa
    - wér’re : worden ik wér - gaa wét ni géé’re ge’stoe’ert
    - wér’rem : worm haa zit mey wér’re’me
    - wés’te : worsten roe’e koe’e’le mey wés’te
    - wés’te’le : worstelen wés’te’le mey aa brier, da liep se’waa’le oa’et de hant
    - wét’tel : wortel die’en boe’em héé dik’ke wét’te’le
    - wey : weer, opnieuw haa doe’get wey se
    - wey’al : alweer moe’te wey’al noa de ver’goa’de’ring
    - wey’te : weten ik weyt, gaa wét - kmoet er ni van wey’te
    - wey’ve’néér : weduwnaar die’en és oe’ek al e joar of twie’e wey’ve’néér
    - weyf : weduwe haa és mey die weyf ge’traat
    - weyr : weder, luchtgesteldheid tés gie’e weyr vey nen hont dey te joa’ge
    - weyr’hoak : weerhaak vis’se zon’der weyr’hoak goa ni pak’ke
    - wie’e : wieden, onkruid verwijderen pey’kes wie’e, das vey zot te wér’re
    - wie’ek = week, gevoelig ooh, moa die van æl’le és en wie’e’ke
    - wie’er : aanzet van een tak in de stam doa zit’te veyl wie’e’re in die plank
    - wie’es : wees en wie’es héé gie’en aa’vers ne’mie’e
    - wie’ze : bepaald kaartspel baa ons wét veyl ge’wiest
    - wil’den’boef : onvoorzien oep de wil’den’boef ie’vers hén’ne rein
    - wip’schie’te : volkssport (boogschieten) ge kint wip’schie’te oep ne sténde of ne lig’gen’de wip
    - wis : wilg wis’se blok’ke és wærm in de winter
    - wis’ke : de twee in het kaartspel kloa’ve’re wies, moa twie’e wis’kes én en vaaf
    - wis’se’le : melktanden die worden vervangen on’ze klaa’ne és am’be’tant, haa és ont wis’se’le
    - wit’te’ke : jenevertje baa de fak’teyr kon der al’taa e wit’te’ke in
    - wit’te’kes : bleekjes haa ziet’er moa wit’te’kes oa’et
    - wiz’ze’wés : zenuwachtig, drukdoend kind hét zoe’e’ne wiz’ze’wés in hoa’es
    - woa : waar woa wént hem?
    - woa’e : waaien as ge dey de wint lépt zir’re der ver’woa’et oa’et
    - woa’e’te : wilde man past oep vey die’e woa’e’te
    - woa’e’ve : wuiven noch es woa’e’ve in de bis hé
    - woa’ge’waat : wagenwijd die dey ston woa’ge’waat au’pe
    - woa’ke : waken ik woak, gaa wokt, schéé’pers zæn goei woak’hon’ne
    - Woa’le : Wallonië vrie’ger wærk’te der veyl in de Woa’le in de fos
    - woa’ter’kans’ke: kleine kans haa héé noch e woa’ter’kans’ke dat hem het hélt
    - woa’ter’kie’ke : 1) waterhoen doa zæn woa’ter’kie’kes mey e roe’et én mey e wit tjup’pe’ke 2) een kind dat graag door de plassen loopt
    - woa’ter’kop : mensen met het syndroom van Down da kin’ne’ke és ge’bau’re mey ne woa’ter’kop
    - woar : waren, goederen zie da ge aa woar noch kwaat grokt
    - woe’e’ne : wonen ik woe’en gaa wént - wét’te gaa hém woe’e’ne?
    - wolf’aa’zer : gezegde : pas oep vey de wolf’aa’zers én de schiet’ge’wéé’re = pas op voor strikvragen

    wordt vervolgd



    20-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    19-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-Z

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

    - Z -

    - zaa : 1) zij 2) zei zaa zaa tey’ge maa die’je van Bris’sel és sjon’der as gaa 3) zijde e zaa sjal’le’ke 4) lende khém sték’tes in maan zaa
    - zaa’pe’le : sijpelen da woa’ter zaa’pelt dey de mier
    - zaa’wéts : zijwaarts ge moet zaa’wéts stoem’pe
    - zaai’ge : melk door een zeef met watte gieten om alle onreinheden eruit te zeven, zijgen
    - zaaik : aal, beer, drek, gier kmoet noch goan zaaik vie’re mey tzæk’vat
    - zaaik’nat : drijfnat zaaik’nat zén’nek van de voet’bal ge’kau’me
    - zaal : zeil we trék’ke doa e zaal au’ver
    - zaan : zijn ik zén, ik zæn, gaa zæt, haa és, ik zén ge’weyst
    - zaas : zeis pit’je de doe’et mey zen zaas
    - zaat : zout moet er gie’e zaat zaan
    - zæb’be’re : miezeren, lichte regen tbe’gint wey te zæb’be’re
    - zæk’vat = beervat, gierton in de zau’mer ge’brék’te zet zæk’vat vey zie’ep’sop oan de boe’e’ne te gie’te
    - zærk : zerk vey Al’ler’haa’le’ge wér’re de zær’re’ke oep’ge’kést
    - zærp : zuur die spaas és zærp
    - zak : zak gezegde : lét aa nie int zak zét’te = laat je niet beetnemen
    - zak’paan : buik en darmkrampen bij paarden e pjeit mey zak’paan kin’de oa’et’sley’re
    - zant’jan : zandverkoper baa zant’jan kon’de schoe’e wit zant koe’e’pe
    - zant’stoa’e’ver : soldaat van het voetvolk haa was baa de zant’stoa’e’vers
    - zat’te’rik : dronkaard die’e zen’ne pey’re da was ne zat’te’rik
    - zaul : zool haa lépt de zau’le van on’der zen schoe’ne, moa haa kan ze toch ni kraai’ge
    - zaun : zoon haa héé draa zau’ne én en doch’ter
    - zér’re’ge : zorgen die’en és oe’ek noch nie oa’et de zér’re’ge
    - zét’goet : zaaigoed kpaas da deys zét’goet e bék’ke taat és
    - zeuj : het zuur as ek moet krim hang’e noa men ey’te hém’mek last van de zeuj
    - zey’gel : zegel ne post zey’gel és nen tæm’per
    - zey’ker : zeker zær’re zey’ker
    - zey’me’léér : zenuwachtige persoon æl’len aat’ste és ne zey’me’léér
    - zey’tel : zetel haa zat doe’et in zaa’ne zey’tel
    - zey’ve : zeven draa én vier és zey’ve
    - zicht’koat : prentkaart veyl mæn’se ver’zoa’me’le aa zicht’koa’te
    - zie’e : zee die zén oep kon’zjey noa de zie’e
    - zie’e’pjæk’ke : zeepaardje zie’e’pjæk’kes zén ko’de’ge bjést’jes
    - zie’e’ve’réér : zeveraar ne zie’e’ve’réér of ne zoa’ge’vænt
    - zie’e’ver : 1) speeksel het zie’e’ver lépt oa’et ze bak’kes 2) niet waar das dik’ke zie’e’ver
    - zie’e’ze’ke : bedeesd en braaf ventje e braaf stil man’ne’ke, zoe’e braa zie’e’ze’ke
    - zie’el : zeel hér’re gaa oe’ek al oant klok zie’el ge’hang’e
    - zie’em : zoom de zie’em van hey’re rok was los
    - zie’em’vel : zeemlap ke’reyrs noa’en e zie’em’vel in hél’le broek
    - zie’ep : zeep schie’re mey broa’en zie’ep
    - zie’er : zeer, pijn da kan zie’er doen
    - zie’ke : zoeken ik ziek haa zikt gaa zoecht ik hém gezoecht
    - zie’te’kes’oan : stilletjes aan lét die kas moa zie’te’kes’oan kau’me
    - zie’te’mél’lek : vers koemelk meych’de gaa zie’te’mél’lek?
    - zier : zuur da mél’lek és zier
    - ziet : zoet die spaas és vél te ziet
    - ziet’zaat : bepaald snoepje met een zoetzure smaak
    - zift : zeef das ne zift vey de as’se
    - zik’ke’le’zoat : als aprilgrapje goa es oem e pont zik’ke’le’zoat = dit bestaat niet
    - zik’kel : sikkel mey en zik’kel moe’te ver’zich’teg zaan
    - zil’le : 1) fundamenten vrie’ger moes’te ze de zil’le mey de hant oa’et’groa’ve 2) zullen zil’le wæl’le es wis’se’le
    - zip : vest doe moa en zip oan tés kaat ge’noech
    - zis’ter : zuster kzén ni mey aa zis’ter getraat
    - zja’nét : homo, verwijfde das en sja’kos vey en zja’nét
    - zjak : zweep me gén der de zjak es oep’lég’ge
    - zjan’dærm : gendarme, rijkswachter die’en héé e waaf lak ne zjan’dærm
    - zjant : velg haa héé al’le’mi’ni’um zjan’te ge’stau’ke
    - zjap’pe’kes : bepaalde malse snoepjes e zaks’ke zjap’pe’kes
    - zjas : kermisorkestje mey de kér’re’mes zat er in al’le sta’me’neys ne zjas
    - zjat : tas vey heyr en zjat soep
    - zjau : 1) lompe vrouw zaa naa mey zoe’en zjau ge’traat
    - zjau’se’taat : fanfare de zjau’se’taat trékt oa’et mey de kér’re’mes
    - zje’laa : gelei spaas deyn ze oep de vloa’e én zje’laa oep den bau’ter’ham
    - zje’lap : lekgelei ap’pel en péé’re ge’lap
    - zje’ney’re : gestoord voelen ge moet aa vey maa nie zje’ney’re
    - zje’ney’ver : jenever ne goei’en aa’ven Has’selt’se zje’ney’ver
    - zje’nof’fel : 1) anjer stékt die zje’nof’fel moa in aa knops’gat 2) vagina
    - zje’ra’ri’oem : gerarium in Oe’es’ten’raaik hang’e der veyl zje’ra’ri’oems oan dhoa’e’ze
    - zje’ton’ne’ke : ritpenningen haa héé noch draa zje’ton’ne’kes vey de bots’ot’tau’kes
    - zjef’zoag : steekzaag ræcht zoa’ge mey en zjef’zoag és ni sim’pel
    - zjeir’kloe’et : hoovaardig iemand wa paast die’e zjeir’kloe’et van zen aai’ge
    - zjést : gebaar ik vin dat hem en schoe’en zjést ge’doan héé
    - zji’ley : ondervest trékt ze noch moa’res tey’gen aa zji’ley
    - zjim’me’nas : gymnastiek die lés zjim’me’nas és’ser te’veyl oan
    - zjoa’e : juichen haa rey tis’se de zjoa’en’de se’por’ters au’ver de meyt
    - zjoak zaan : 1) dood zijn 2) kapot zijn in het spel
    - zjoar : genre, soort die’e me’ziek , das maa’ne zjoar ni
    - zjol’le’zie : dierentuin ons moe és mey de klaan man’ne noa de zjol’le’zie
    - zju’be’ley : jubilee te’nés’te joar hém’me ne zju’be’ley in de fa’mil’le
    - zju’das’se : treiteren ge moet oep’haa’ve mey die’e te zju’das’se
    - zjust : juist zjust és zjust zaa on’ze’voa al’taa
    - zjuu : vleesnat de zjuu lépt oa’et maa’nen boef’steyk
    - zoa’e : zaaien vey pey’kes te zoa’e moet het stil zaan
    - zoa’e’de : zuiden de wint komt oa’et zoa’e’de
    - zoa’e’ge : zuigen oan da riet’je moe’te zoa’e’ge, ni bloa’ze
    - zoa’e’le : toestand tussen wakker en slapen ik hém doa wa zit’te zoa’e’le
    - zoa’e’pe : zuipen die’en héé baa den troep lie’e’re zoa’e’pe
    - zoa’e’ver : zuiver vol’le’ges maa és die’e ni zoa’e’ver oep de groat
    - zoa’ge’vænt : zeveraar oept loat oan den toe’eg stén der noch a’lie’en zoa’ge’væn’te
    - zoa’vel : zavel veyl ge’spélt oep ne zoa’vel’hoe’ep
    - zoach : 1) zaag 2) vrouw die veel zanikt die’en héé en zoach van e waaf
    - zoal : 1) zaal tés in de pro’che’zoal te doen 2) zadel hér’re naa ge’zien hoe dat die’e oep zaa’ne zoal zit
    - zoan : zaan, pel op de gekookte melk doa léé nen dik’ke zoan oept mélk
    - zoat : zaad die’e blæft vey zoat stoan = hij geraakt niet getrouwd
    - zocht : zacht das e zocht kis’se
    - zoe’e : zo ge moet da zoe’e doen én ni an’nes
    - zoech : zeug en zoech mey kir’res
    - zoecht : zocht, van zoeken haa héé ni hæt ge’zoecht
    - zoei’e : koken wét te zég’ge as de pe’taa’te zoei’e
    - zoem’peg : drassig die plæk léé ter zoem’peg baa
    - zoenk : een laagte in het terrein doa léé ne zoenk in da plaan
    - zoet : roet tzoet hing tot oep maan hém
    - zol’der : zolder gezegde : doa hangt aa’ve zol’der te lie’ech vey = daar ben jij te min voor
    - zwaa’me’le : zwijmelen die’e zat’te zwaa’mel’de au’ver de stie’e’wæch
    - zwaai’ge : zwijgen ik zwaaich, gaa zwæcht, haa héé ge’zwey’ge
    - zwad’de’re : schudden nie te hæt zwad’de’re mey die flæs’kes bier
    - zwæt : zwart tés zwæt mey se brier = hij komt niet meer overeen met zijn broer
    - zwak’ke : een lenige vey da te kin’ne moe’te ne zwak’ke zaan
    - zwé’rez’ze : zweer die’en haa doa en zwé’rez’ze in zaa’ne næk
    - zwéd’der : zwaarder die’e weycht zwéd’der as’ze gaa
    - zwél’lem : zwaluw zwél’le’me zir’re ne mie’e zoe’e’veyl de lés’ten taat
    - zwéng’kes : de zwaantjes = bereden politie de zwéng’kes hém’me ten tey’ge ge’hey’ve
    - zwés : zwoerd van het spek de zwés és vey de kat
    - zwey’ve : zweven ni be’gin’ne zwey’ve
    - zwie’e’te : zweten héé tem zwie’et’ voe’te
    - zwie’ep : zweep doa zén der die vrie’ger van de zwie’ep krey’ge
    - zwier : schommel zær’re gaa oe’ek al oa’et de zwier ge’val’le
    - zwik : zeer grote vrouw van gestalte wa vey en lang’e zwik was da
    - zwil’le : zwellen hot dat in’doe’ech want da goa zwil’le
    - zwing : vleugel die’en oa’el haa zen zwing ge’brau’ke
    - zwoa’e : zwaaien baa den troep zwoa’e ze af
    - zwoan : zwaan en zwoan és en koa’e bjést as ze brit
    - zwoar : zwaar da goa zwoar tey’ge val’le

    wordt vervolgd



    19-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    30-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schriek-de oudste vermelding

    Snekelen int aat Schriek !*
    door René Lambrechts ©

    * Snekelen is het Schriekse dialect voor sneukelen wat zoveel betekent als opspeuren, opzoeken, snuffelen tussen. Maar ook de betekenis van snoepen is ons bekend. Laten wij dus hopen dat u kan snoepen van al datgene wat ik tot op heden heb opgezocht.

    Wanneer werd er voor het eerst gesproken over Schriek ?
      Tot op de dag van vandaag is het oudst gekende document met de naam Schriek een schenkingsakte van de graaf van Aarschot aan de abdij van Affligem bij de intrede aldaar van zijn zoon Jan. Het was Edgar De Marneffe die dit document voor het eerst beschreef in 1894, in zijn boek : ‘Cartulaire de l’abbaye d’Afflighem et des monastères qui en dépendaient  blz 68-69’.

    XXXIX.

    Godefroid, duc et marquis de Lotharingie, fait savoir qu'Arnoil, comte d'Aerschot, a fait don à l'abbaye d'Afflighem de divers biens situés à Buggenhout, à Malderen, à Steenhuffel, à Tremeloo et à Schrieck, et ratifie cette libéralité.

    1125

    In nomine Sancte et Indiuidue trinitatis Ego godefridus dei gratia dux et marchio lotharingie omnibus christi fidelibus in perpetuum. Quoniam auctore deo haffligemensem ecclesiam tam a me quam a fratre meo comite henrico fundatam scio, paci et quieti in ipsa ecclesia deo famulancium modis omnibus prouidere debeo. Unde notum esse volo tam futuris quam presentibus qualiter Arnulphus comes de Aderscoth cumduobus filijs suis Godefrido et Arnulpho in curia mea louanie venit, et ad id quod acturus erat magnam hominum meorum multitudinem liberorum et seruorum conuocauit. Prefatus igitur comes Arnulfus quicquid apud. buckenholt habebat in terris siluis aquis et pascuis cum omni decima et vtilitate qua ipse tenuerat ad opus haffligemensis ecclesie in qua Johannem filium suum jam monachum fecerat assencientibus et simul dantibus filijs michi liberaliter in manu dedit coram hominibus et baronibus meis quj presentes erant worpiuit proprio et tocius curie mee judicio nichil sibi juris in hiis que donauerat reliquit. Insuper quod apud malren et stenofle ecclesia possidet addidit. Summa autem omnium que dedit hec est . Medietas silue que buckenhot (sic) vocatur. Quicquid terra culte et inculte in ipsa villa buckenholt habuit liberaliter dedit. Medietas silue que emelo dicitur et mansum (sic) terre quj silue adiacet. Siluam que scriech appellatur ex integro dedit, quia liberum allodium suum esse cognouit. Rusticis et colonis ecclesie siue pauperes essent siue diuites jus illud quod sach appellatur in silua de buckenholt concessit Vehtinam autem de porcis hominum suorum ecclesia habebit . Hec omnia Comes Arnulphus cum legitime fecisset per me patrie Dominum et ecclesie Aduocatum confirmari postulauit Igitur ut ammonitus fueram legittimam donacionem prefate ecclesie legitime et liberaliter contuli posteris meis tam in hijs quam in omnibus tuendam ecclesiam reliquj Contra ecclesiam quicquam fieri sub districta gladij animaduersione prohibuj. Que ut rata et inconuulsa permaneant scripto mandari Sigilli mei impressione et testium astipulacione placuit roborari. Testes Arnulphus, Arnulfus de Grembergis, gerardus fratrer eius, filij Comitis Arnulfi, godefridus et Arnulfus gozwinus de heuerle et Reynerus filius ejus Sygerus de wauera Henriciis de birbays Henricus de loppoun Henricus de Asca Eustacius de tielht Arnulfus dapifer, Arnulfus de fiforh, franco Castellanus Franco de slusa, Alardus de baltersem Acta sunt hec Anno dominice jncarnationis M C XXV jndictione iij epacta xiiij, Regnante lothario Romanorum imperatore.

    Cartulaire C, fol. 143. Publié dans MIRÆUS et FOPPENS, Opera diplomatica, II p. 817, et silleurs; voyez WAUTERS, Table chronologique des diplomes imprimés, II, p, 131.
    Volgens De Marneffe is er in deze akte sprake van : de helft van het bos Buckenholt, de helft van het bos Emelo met een akker daarbij, en het ganse bos Schriech.
    De interpretaties van deze 3 oude toponiemen kan beginnen. Waar liggen ze nu ? Is dat bos in de huidige gemeente Schriek gelegen, of ligt het misschien kilometers hier vandaan ? We mogen niet vergeten dat de naam Schriek veel meer voorkomt dan wij vermoeden, zoals te Ekeren, te Essen-Kalmthout, te Poppel, te Weelde, te Meerhout, te Buggenhout, te St.-Antonius Brecht, te Wiekevorst, te… Heb je het al gezien, of moet ik even helpen ? Ligt er ook een Schriek te Buggenhout, en is Buckenholt niet de oude naam van deze gemeente ? Als we de heemkundigen van Buggenhout mogen geloven, liggen deze plaatsen in hun gemeente, want zij schrijven het volgende :

    “ Vermoedelijk gebeurden in de eerste helft van de 11e eeuw de eerste ontginningen om plaats te maken voor bewoning. De oudste geschiedkundige vermelding van het bos en van de naam "Buckenholt" dateert echter pas van 1125. Deze datum werd teruggevonden in een schenkingsakte van de Graven van Aarschot ten voordele van de abdij van Affligem. Hierin wordt bevestigd dat de helft van "Buckenholt"bos, de helft van "Emelo"bos, heel het “Schrieck”bos en alle land, water en weiden die in het bezit waren van de Graven aan de abdij gegeven werden. De andere helft van Buggenhoutbos bleef in het bezit van de Heren van Grimbergen, de Berthouts.
    De Schriekstraat begrensde aanvankelijk de Schriekbossen. Dat toponiem komt al voor in een oorkonde uit 1125, waarin de Graaf van Aarschot zijn bezittingen te Buggenhout aan de abdij van Affligem schonk. Een dergelijke vermelding wijst alleszins op het belang dat destijds aan die zone werd gehecht. In 1690 was dat bosgebied ten zuiden van de Schriekstraat reeds grotendeels ontgonnen en verkaveld in percelen die met namen als Schriek, Schriekweg, Hoogen Schriek, Schriekbosch en Donckere Schriek van elkaar werden onderscheiden.”

    De vraag die wij ons nu stellen is : “ Klopt dat, of klopt het als het hart van een dooie mus ?”

    Zo kan onze zoektocht beginnen naar de drie toponiemen hier bij ons. Ook wij beschikken over doorslaggevende elementen die aantonen dat we ze hier en niet te Buggenhout moeten zoeken, wat ze ook mogen beweren.

    a) Buckenholt : dit bos zou zich evenzeer kunnen situeren op het grondgebied van de gemeente Buken, deelgemeente van Kampenhout. Qua naam lijkt mij deze vergelijking zeker kunnen en het ligt niet zover buiten de grenzen van het Graafschap Aarschot. Ook de bevestiging in latere documenten, laat niet op zich wachten. Zo zijn er documenten uit 1202 met te naam Bueckenholt en in 1340 met als toponiem Buecken. Een kapel Ter Buecken dateert van voor 1425. Bewijzen te over dat deze oude toponiem daar in de omgeving in gebruik was. Wat hier wel ontbreekt is de link met de abdij van Affligem. Buken vinden we terug onder de bezittingen van de abdij van Corbie, terwijl het centrum van Buggenhout is opgenomen in het patrimonium van de abdij van Affligem, gelegen op enkele kilometer van deze plaats.

    b) Emelo : gekend als gehucht van het oude Werchter, dat een van de dorpen was binnen het Graafschap Aarschot. Professor Carnoy spreekt van 'TER EMELO'. Deze naam is volgens hem afkomstig van LOO dat ‘ bos ‘ betekent. TER EME zou ‘ aan de weide ‘ betekenen. Zelf opteer ik liever voor “ buitendijks water “ als men het heeft over de betekenis van loo. Emelo of later Tremelo was een onbelangrijk gehucht van Werchter. Veldonck, Kruis en Ninde waren historisch gezien belangrijkere delen welke we nog regelmatig bij onze geschiedenis zullen tegenkomen. Emelo situeerde zich waarschijnlijk in het lage gebied tussen Ninde en Veldonck en ten zuiden van Kruis. De vele waterpartijen in dit gebied passen in de context van toponiemen op -loo als Bolloo en Grootloo. Ook hier is van de link met Affligem geen spoor. Zij die beweren als zou Emelo-bos een deel van Buggenhout zijn hebben weinig of geen bewijzen in handen. Het toponiem komt in Buggenhout niet meer voor, waardoor sommigen de naam ‘Dumeloy’ gaan zien als de verbasterde vorm van ‘emelo’.

    c) Schriech : naam van ons dorp sinds de 13e eeuw. Oude toponiemen binnen onze gemeente als : Klein Schriek, Oude Schrieken en Schriekstraat gaan ver terug in de tijd.
    De meeste professoren zoals De Vries vertalen schriek als : waarschijnlijk bocht, hoek, haak, ook wel kromming of uitsprong, driehoekig stuk. Wat direct opvalt is het woord waarschijnlijk, dus een naam met een onduidelijke betekenis !
    Sommigen denken aan een oneffen terrein dat moeilijk betreedbaar is.
    Wanneer we de plaatselijke geschiedschrijvers mogen geloven, komt het van schrieken, wat we nu schrijden noemen, : dus met een grote schrede over een greppel heen springen.
    Anderen maken een zinspeling op het woord schrik = angst, welke zij situeren rond het rovershol van Uylenborg.

    Misschien is het gewoonweg de naam van de spriet, de kwartelkoning, welke men vroeger schriek noemde. Het gezegde ‘ In mei legt elke vogel zijn ei, behalve de koekoek en de spriet, leggen in de meimaand niet ‘ is ons zeker nog bekend. Dit betekent dat deze vogel in onze streken geen onbekende was, maar nu bijna volledig is verdwenen omdat zijn leefomgeving en broedgebied bijna niet meer voorkomen. Zij verkozen immers een verblijf op de drogere plekken in de omgeving van veengebieden, moerassen en poelen. Hij was niet voor niets verwant met het waterhoentje en de meerkoet, en zoals de meeste ral-achtigen hoort men hem meer dan dat men hem ziet. Zijn eigenaardige Latijnse naam heeft hij te danken aan zijn doordringende roep, die diende om zijn territorium af te bakenen, nl Crex-crex. Wanneer je nu een ‘s’ klank voor dit Latijns woord plaatst heb je ‘screx’, erg lijkend op schrieks !

    Mijns inziens heeft deze naam Noorse wortels en zouden de Noormannen dit toponiem op meerdere plaatsen hebben nagelaten. ‘Skrikja’ betekent vandaag in het Noors nog Vlaamse gaai, een vogel die omwille van zijn schreeuwende geluid ons goed is bekend. In het Oudnoors was het de omschrijving van het schreeuwen van de demonen, de trollen, die huisden in de moerassen. Wat valt nu op : het toponiem komt steeds voor in de omgeving van laaggelegen, deels onder water staande partijen, of als naam van een waterloop, de geliefde verblijfplaatsen van onze Vikingen en onze crex-crex. Ook de vorige omschrijvingen sluiten zo aan bij deze verlaten en gevaarlijke oorden, zodat we zouden kunnen stellen dat zij van dit oude stamwoord zijn afgeleid.

    Laten we nu even terugkeren naar de oorkonde en zien wat ze ons kan vertellen.
    In bijlage 1 vind je wat ik hierover vond in het tijdschrift Ter Palen 10 jaargang nr.1 november 1985

    Bij het lezen van deze teksten vielen mij al snel enkele zaken op, welke voor mij het sein waren om dieper te gaan graven en op zoek te gaan naar mogelijke verbanden en relaties welke de beweringen van de Marneffe konden steunen en de beweringen van Wauters en Verbesselt konden ontkrachten.
    Laten we beginnen met de hoofdrolspelers in deze akte.

    Wie was Arnold I van Aarschot ?

    Volgens de Herckenrode is hij de zoon van Arnold, graaf van Aarschot in het jaar 1060, en dat was de zoon van Arnold, markgraaf van Antwerpen, zoon van Ansgisus en tevens de neef van Pepijn, koning van Frankrijk. Volgens sommigen zou hij ook in 1096 met Godfried van Bouillon op kruisvaart zijn getrokken. Maar zegt A. Van der Hasselt het was niet Arnold maar Hendrik die als moedige kruisvaarder naar het Heilig Land is getogen.

    Godfried Croenen denkt dan weer in de richting van “afstammelingen van de graven van Loon”. En die zou het wel eens bij het rechte eind kunnen hebben. Gelet op de naam Arnulf of Arnold verwijst die zeker naar een naam die reeds jaren werd gebruikt bij de graven van Loon. Zo kennen we een Arnold I van Loon vermeldt als getuige in 1078 op een oorkonde van gravin Ermengardis samen met ene Godfried en ene Arnulf (waarschijnlijk de vader van Arnold van Aarschot) Gelet op hun bezittingen, en de eigendommen die we later in handen terugvinden van het huis van Grimbergen en zeker niet vergeten die van de Berthouten, lijkt het mij alsof de graven van Aarschot hun bezittingen hebben verkregen uit een verdeling binnen het oude graafschap van Loon. Zo zouden we kunnen stellen dat de graven van Loon de eerste heren waren die over onze gewesten als grote leenmannen fungeerden.

    Het graafschap Loon is waarschijnlijk ontstaan omstreeks het midden van de 10e eeuw uit delen van de verbrokkelde Karolingische graafschappen Avernas en Hocht met delen van Taxandria en een stuk Maasland. Dit komt nu ongeveer overeen met de provincie Limburg en delen van Antwerpen en Vlaams Brabant. Voor onze streken traden ze niet zozeer op als eigenaars, eerder als heren met bepaalde voordelen. Binnen het graafschap Loon werden er aan de grenzen een reeks van motte-burchten opgericht om zich zo te beschermen tegen de Noormannen ? of de naburige graafschappen zoals Luik en Brabant.

    ARNOLD I van AARSCHOT
    Vermeld tussen 1115 en 1135
    Huwt met Oda (mogelijk de dochter van Hendrik III van Leuven)
    Kinderen :
     1. Arnold II (1125-1155)
     2. Godfried (1125-1152) hij kreeg ‘ voor syne partage de heerlyke goederen tot Lyere’ zodat Bergmann hem ziet als de stamvader van het huis van Lier
     3. Reinier (1126-1169) Kanunnik en Aartsdiaken van Luik
     4. Jan (1125) Monnik te Affligem

    Godfried Croenen ziet Adeloia en Oda als kinderen van Arnold I. Gelet op de bekende data van de volgende personen en de volgorde op dit document - de schoonzonen staan voor zijn zoon-opvolger - zouden ze eerder de zusters kunnen zijn van Arnold I. Feit is dat bepaalde eigendommen in het huis Grimbergen afkomstig zijn uit het huis Aarschot, hetzij door huwelijk of erfenis en zij daarom bij bepaalde transacties ook bepaalde rechten konden laten gelden. Blijkt ook dat er nog enige onverdeeldheid bestond tussen Grimbergen en Aarschot gelet op de vermelding “vrede en rust” in deze akte.

    Adeloia van Aarschot (1125-1147) huwt met Arnold van Grimbergen (1106-†1137)
    Oda van Aarschot (1125) huwt met Gerard I van Grimbergen (1106-†1131)

    GERARD I van GRIMBERGEN
    Vermeld vanaf 1106 en † 1131
    Gehuwd met Oda van Aarschot (1125), dochter van Arnold (I) van Aarschot en Oda ??
    Kinderen :
      1. Gerard II (1149-†1188/89)
      2. Arnold II (1138-†1175/78) Kanunnik te Luik – Proost van St.-Rombouts te Mechelen.
      3. Margareta van Grimbergen

    Is Schriek zonder Grootlo het erfdeel van Oda van Aarschot bij de inbreng van het patrimonium van de heren van Grimbergen, of komt het van haar zus Adeloia ? Of van beiden misschien ?

    ARNOLD van GRIMBERGEN
    Vermeld vanaf 1106 en † 1137
    Gehuwd met Adeloia van Aarschot (1125-1147), dochter van Arnold (I) van Aarschot en Oda ??
    Dit huwelijk blijft kinderloos.

    Het huwelijk van de beide broers van Grimbergen met de beide zussen van Aarschot, heeft hoogstwaarschijnlijk de inbreng van delen uit het Aarschots of Loons patrimonium in de Grimbergse goederen tot gevolg gehad. Welke delen, in volle eigendom of in leen, is niet helemaal duidelijk, maar afgaande op wat we later ervaren, wordt Schriek (zonder Grootloo en Bolloo) en Keerbergen hun volle eigendom en Werchter niet. Het Waverwoud is vermoedelijk de inbreng van Guda van Loon, vrouw van Wouter II Berthout. Ik leid dit af uit het feit dat Schriek voor Putte in het patrimonium van de Berthouten is opgenomen. Dit valt af te leiden uit het feit dat die van Schriek hun vonnis haalden te Berlaar, de bakermat van het Berthoutimperium, en die van Putte en Grootlo te Befferen = Putte. Grootloo en Bolloo verschijnen dus ook later in het patrimonium van de Berthouten. Was dit wellicht de pasmunt voor de oplossing van de onverdeeldheid tussen Grimbergen en Aarschot ? Wat ook heel eigenaardig is, is het feit dat Schriek nergens deel uitmaakt van het graafschap Aarschot (op oude kaarten uit de XVIe eeuw). Dit sterkt het vermoeden dat beide zussen niet de dochters maar de zusters zijn van Arnold I en Schriek reeds was vererft voor het ontstaan van het Graafschap Aarschot, zoals we het kennen uit oude kaarten en documenten.

    Adeloia overleeft haar man en schenkt de tienden van Keerbergen aan de abdij van Grimbergen, tienden die eerst tot Bornem en later tot Affligem behoorden.

    Heel merkwaardig is het feit dat op een bepaald moment de altaria van Schriek, Keerbergen, Rijmenam en Schilde, als enige parochies uit de dekenij Antwerpen, behoorden tot het patrimonium van de grootste abdij van onze streken : Affligem. Zou onze godvruchtige Adeloia daar voor iets hebben tussen gezeten ? ( Zie Kerkelijk en Godsdienstig Brabant II blz.15 van Kanunnik Dr.J.Laenen ) Navraag bij de archivaris van de abdij liep uit op een teleurstelling. In de “Beneficia collationis monasterii Affligemensis” uit de 15e eeuw (dit is 200 jaar na de feiten) komt Schriek niet voor. Volgens deze bron hadden ze in de dekenij Antwerpen slechts vier beneficies, namelijk : Keerbergen, Rijmenam, Schilde en Meerbeek. Meerbeek is voor mij een verrassing, daar graaf Ansfried een deel van zijn goed, waaronder Meerbeek, schenkt aan het kapittel van de Domkerk van Utrecht. Maar ook buiten de akte van 1125 vindt men te Affligem geen vermelding meer over Schriek of Schriekbos, Emelo of Emelobos, zelfs geen spoor meer van Jan Van Aarschot. Alleen Buggenhout wordt nog vermeld met een opgerichte kapel door de Benedictijnermonniken.

    Blijft nu de vraag: Waar heeft J.Laenen deze informatie gehaald? Steunde hij zijn beweringen op deze akte, of heeft hij ergens anders iets gevonden zoals in het archief van het bisdom Kamerijk? Op deze vraag moet ik het antwoord schuldig blijven.

    ARNOLD II van AARSCHOT
    Vermeld tussen 1125 en 1155, zoon van Arnold I van Aarschot en Oda

    Volgende akte maakt ons weerom iets wijzer in de situatie tussen Aarschot en Grimbergen. Onder het oude Werchter was gelegen de hoeve van Veldonk, die tussen 1137 en 1142 door Arnold II, graaf van Aarschot, samen met zijn broers Godfried en Reinier, aartsdiaken van Luik, voor hun part en deel, en Wouter van Grimbergen (= Wouter I Berthout) en zijn schoonbroers Gerard II van Grimbergen en Arnold II van Grimbergen, proost van het St.-Romboutskapittel van Mechelen, voor hun gedeelte, verkocht werd aan de O.L.Vrouwabdij van Middelburg op het eiland Walcheren.(Oud cartularium, Abdij Park, fol. 16 e.v.) Dit betekent dat de Berthouts, zij het gedeeltelijk, rechten konden doen gelden in een gehucht van Werchter, evenals in Haacht, Tremelo en Wakkerzeel, destijds delen van het oude Werchter, dat deel uitmaakte van het Graafschap Aarschot.

    Wat zeker opvalt is het feit dat er niets wordt vermeld over Jan, monnik te Affligem. Hoogstwaarschijnlijk was hij reeds overleden. Een reden te meer om in dat verre Schriek en Emelo geen verdere initiatieven van ontginning en ontwikkeling meer te nemen. We zien hier ook de Berthouten voor het eerst optreden in onze gewesten. Heeft Wouter I Berthout, die geen vreemde was in Affligem, de eigendommen van Schriek en Emelo terug overgenomen van de abdij? Alles wijst in die richting omdat we in de akte van 1220 lezen dat de ridders van Pitsemburg het recht kregen tot het kappen van hout en het hoeden van varkens in ‘het Waverwoud’(het Schriekbos is daar een deel van en lag pal bij de gegeven harde grond), zoals het drie ridders toekomt. In de akte van 1309 bij de oprichting van de nieuwe parochie Schriek hoort er ook een deel buiten de walgracht en genoemd Berthoutmoer (= Bolloo een gehucht van Werchter tot tegen Emelo). Bolloo is waarschijnlijk een ruil voor Emeloo zodat het een aaneengesloten heerlijkheid werd, en Emeloo zo terug onder Werchter en het Graafschap Aarschot kwam.

    Dat die van Grimbergen over Veldonck nog hun goedkeuring moesten geven bewijst nog maar eens de onverdeeldheid die er nog altijd was binnen het Graafschap Aarschot, iets wat we ook zien binnen het Huis van Grimbergen.

    GODFRIED van AARSCHOT
    Vermeld tussen 1125 en 1152, zoon van Arnold I van Aarschot en Oda
    Gehuwd met gravin Emissa weduwe van Rogier de Wavrin et de Fastre de Fosseux volgens Lod. Liekens.

    Aangezien Godfried de heerlijke stad Lier krijgt en wij later Berlaar, Schriek, Keerbergen, delen van het Waverwoud … bij de Berthouten terugvinden kunnen we stellen dat onze gewesten deel hebben uitgemaakt van verdelingen en verervingen binnen het graafschap Loon en binnen het graafschap Aarschot dat ook uit Loon is afgesplitst.

    Wat wordt er geschonken en waar ligt het :
    1-Bewerkte en braakliggende gronden op het gehucht Buckenholt
    2-de helft van het bos Buckenholt
    3-de helft van het bos Emelo met hoeve en bijhorend land
    4-het ganse bos Schrieck
    5-de poelen en plassen en waterlopen binnen deze gebieden
    6-en de daaraan verbonden tienden.

    Voor de n° 1 en 2 is het duidelijk dat we te maken hebben met Buggenhout, op enkele km. van hun abdij, waar de paters van Affligem een altaria hebben opgericht en een gemeenschap hebben uitgebouwd op de verkregen gronden. De bewijzen daarvan zijn nog steeds terug te vinden in het archief van de abdij.

    Voor n° 3 zitten we duidelijk in het vroegere Tremelo en n° 4 is ongetwijfeld Schriek en dit om volgende redenen :

    1* De akte vermeldt duidelijk poelen of moeren en waterlopen. Voor Buggenhout wordt dat zoeken met een vergrootglas, maar voor Tremelo en Schriek kan je er niet naast kijken. Het Schriekbos wordt doorsneden met drie voorname beken : de Valkelaerbeek, de Munkbossenbeek en de Heistsebeek. Rond Emelo (het huidige Tremelo centrum) vindt men nu nog tal van vijvers en poelen.

    2* De akte vermeldt ook tienden, wat betekent dat er reeds een parochie aanwezig was. Voor Buggenhout is hiervan tot op heden geen bewijs gevonden. J. Verbesselt ‘vermoedt’ dat er reeds een kerk was welke was opgericht door de graven van Aarschot, geruime tijd voor de overdracht en die door de monniken van Affligem werd overgenomen. Ik denk dat de paters eerst en vooral werk hebben gemaakt van het ontginnen van de verkregen gronden. Dit lokt tal van mensen naar deze plaats, want dit betekende werkgelegenheid. Na een aangroei van enkele jaren besluiten onze monniken tot het oprichten van een nieuwe parochie met een nieuwe kerk of kapel binnen deze nederzetting. Hiervoor is de goedkeuring nodig van de bisschop van Kamerijk en dat was in de periode 1137-1167 Nikolaas I van Chièvres. Het zal dan ook deze bisschop zijn die de nieuwe parochie zal goedkeuren aangezien de patroonheilige van de parochie de H. Nikolaas is, iets wat zich in 1265 onder Nikolaas III van Fontaines (1249-1272) heeft herhaald voor de parochie Putte.

    Van Schriek weten we dat het deel uitmaakte van de zeer oude parochie Beerzel, waaruit het in 1309 wordt afgesplitst. Emelo was een gehucht binnen de oude parochie Werchter dat gelet op hun patroonheilige St.-Jan Baptist het levenslicht heeft gezien tijdens de voorbereidingen van de eerste kruistocht (voor 1100).

    3* Van Emelo en Schrieck zijn er geen sporen meer te vinden in het archief van de abdij en wat er ook opvalt is het feit dat deze plaatsen zich situeren buiten de eigendommen van de abdij te Buggenhout. Toch wel vreemd aangezien dat ze gelijktijdig zijn ontvangen en ze bijna grenzen aan die andere eigendommen.

    4* Een vergelijking tussen de akte van 1125 en het landboek uit 1690 zonder verdere bewijzen tussen beide data is wel erg opportunistisch. Voor Schrieck stapelen de documenten zich in de loop der jaren op. Zie hiervoor naar de verdere geschiedenis van Schriek.

    5* Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat onze monnik Jan van Aarschot door zijn vroegtijdig verdwijnen de afgesproken plannen heeft doen wijzigen. Jan is zeker niet in het klooster gegaan om de rest van zijn dagen te slijten als eenvoudige monnik. Kinderen van edellieden verkregen meestal de belangrijkste plaatsen binnen de geestelijke gemeenschappen waartoe ze toetraden. Was het misschien de bedoeling om de hoeve te Emelo om te vormen tot een bijhuis van de abdij met Jan aan het hoofd? Alle elementen waren aanwezig of in de korte nabijheid. Een reeds bestaande hoeve met land, met waterpartijen en een bos, gelegen langs de oude heirbaan Mechelen-Aarschot en op korte afstand van een aanlegplaats op de Dijle, nl Ninde. Zeer vruchtbare alluviale gronden met op korte afstand nog tal van onontgonnen moerassen en heidegebieden. Het Schrieckbos op korte afstand voor voldoende timmer- en brandhout. De nodige bescherming van zowel de graven van Aarschot als die van Leuven. Op een boogscheut, de kapel van Schrieck en de kerk van Werchter. Inkomsten uit de reeds bestaande en later de nieuwe tienden. Kortom een toplocatie! Helaas is het nooit zover gekomen.

    Wat is er dan gebeurd met die eigendommen?

    Wat de abdij van Affligem met Emelo en Schrieck heeft gedaan is tot op de dag van vandaag nog een groot vraagteken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben ze het te gelde gemaakt door verkoop, ruil of … geschonken aan hun bisschop te Kamerijk, die de oude tienden van Schriek op zijn beurt doorgeeft aan de Berthouts in 1265. Hoe kwamen anders die oude tienden in handen van de bisschop van Kamerijk? Of heeft de onverdeeldheid tussen Aarschot en Grimbergen geleid tot een inbeslagname van de goederen, niet van de tienden? We mogen niet vergeten dat Wouter I Berthout in de kerkban werd geslagen als gevolg van een conflict met de St-Remigiusabdij van Reims over onrechtmatig verkregen bezittingen in het Waverwoud. Anderzijds waren de Berthouts, als vurige kruisvaarders, ook ‘thuis’ in de abdij van Affligem, en zij waren meesters in het regelen van hun belangen. Feit is dat de Berthouten reeds in 1220 eigenaar waren van het Schrieckbos, ja zelfs van heel Schriek met Grootlo er toen reeds bij. Voor Emelo heb ik tot op heden nog geen echte aanwijzingen gevonden, tenzij we zouden aannemen dat de heren van Aarschot Emelo hebben terug gekregen of de Berthouten het hebben geruild voor de Bolloo.

    Waar lag dit bos, Scriech geheten ?

    Karel Lemmens vermoedt ergens in de Bolloo. Aangezien we hier te maken hebben met een oud toponiem heb ik grote twijfels, want dan had dit bos als Bolloobos genoteerd geweest.

    We vinden een Dirk Van Bolloo viermaal vermeld tussen 1304 en 1328 als leenman van de Berthouten. Dit wijst erop dat de Bolloo als naam voor een bepaald gebied ongeveer zo oud is als de naam Schriek, waardoor we kunnen besluiten dat het bos Schriech zich niet in de Bolloo bevond. Ook qua betekenis wordt het moeilijk, daar bol staat voor rond en loo voor buitendijks water, zoals in het woord Grootloo.

    Ook de bossen die de rand vormden van het grote Waverwoud tegen Grasheide, gekend als het Venneschot, komen niet in aanmerking daar er geen enkele aanwijzing in die richting bestaat. Het Eekhovenbos, centraal gelegen in Grootlo, is meer dan waarschijnlijk pas aangelegd na de ontginningen van het gebied in de 14e eeuw en in omvang ook veel te klein.

    De Kerkebossen, destijds gelegen van de Kwade Heide tot de grens met Putte, ten noorden de huidige Hollandstraat en ten zuiden de huidige Schriekstraat als mogelijke grenzen, komen hiervoor perfect in aanmerking. Volgende argumenten staven deze stelling:

    1° De naam KERKEBOSSCHEN, waarschijnlijk wijzend op de eerste eigenaars, zijnde de kerk of abdij. (Jan Keghel hout te leene XVIII ½ buender onder bosch heye ende lant, die goeden vander AA ghelegen ter eender zyden, der kerckenbosch van Sint Jans inden Scriecke ter anderen zyden. Jaerlycs weert ..RAB RK nr 1152 anno 1473)(Item onfangen van Lambrecht vanden perre op reeckeninge vande kercken bosch lx gulden a° 1564 KAS 87b)

    2° De oude toponiemen (delen van dit bos) nl; DRAYBOOMBOSSCHEN (1) (Drayboombosschen : gelegen rechts van de huidige Bredestraat die samen met de Leo Kempenaersstraat vroeger Drayeboomstraete noemde. Deze naam wijst erop dat de weg door het bos was afgesloten door een draaiboom, en dus niet vrij toeganklijk.) OUDE SCHRIEKEN (3) (Oude Schrieken is nu nog de naam van een verbindingsweg tussen de Schriekstraat en de oude Boischotse baene, nu Hollandstraat, lopend langs of door de voormelde Schriech-bosschen van weleer.) , KLEIN SCHRIEKEN (5) (Klein-Schrieken : gelegen tussen de huidige Van der Borchtstraat en de vroegere steenbakkerij, ons nu beter bekent als ’t Barreeeltje.) , de SCHRIEKSCHE BOSSCHEN (2) (Schrieksche bosschen : gelegen in den hoek achter het Sint-Bernardus kapelletje.) en de SINT-JANSBOSSCHEN (4) (Sint-Jans bosschen : waar men heden ten dage de kerkestee met haar landerijen aantreft. Galgestraat-Schriekstraat en de oude Boischotse baene).

    3° Deze bossen kregen ook bosvaders toegewezen, wij zouden dat nu boswachters noemen, om ze te beschermen tegen eventuele diefstallen van hout. Zelfs het sprokkelhout en de torf waren destijds waardevolle goederen die verkocht werden.

    4° de naam van de straat leidend naar of beter nog langs dit bos : SCHRIEKSTRAAT Deze oude toponiem : Schrieckstraete gelegen in de heerlijkheid Schriek, is totaal onlogisch, indien we het oude Schrieck ergens anders zouden situeren. Zulke namen betekenden immers : straat, baan, weg,… leidende naar …met andere woorden : de naam Schrieckstraete was reeds in gebruik voor er sprake was van een heerlijkheid met die naam Schriek. Zo komt het dat de naam Schriekstraat ook in de grotere heerlijkheid, die later is gegroeid, is blijven bestaan.

    5° de latere eigenaars van sommige delen waren meestal heer of vooraanstaand persoon binnen de heerlijkheid Schriek, zoals de heren Van der Laen, Roussel, mevrouw Zety en later de heren VanderStegen.

    6° Van waar komt de naam van die oude kapel van Sint-Bernardus, op zijn Schrieks : ‘Bernaar’ aan de rand van dit bos gelegen ? In Schriek noemt men deze kapel echter : ‘de kapel van Sinte Benoat’. Benoat is het Schrieks voor Benoit = Benedictus en niet Bernardus. Zijn de paters van Affligem toch wel Benedictijnen, niet. Is die naam van de paters van Affligem blijven bestaan in de naam van deze kapel, waarvan we weten dat ze er reeds stond in 1562. Toponiemen en andere benamingen overleven heel dikwijls de wijzigingen welke door de eeuwen heen zijn gebeurd. De geschiedenis van onze gewesten werd vroeger niet neergeschreven maar voort verteld van generatie op generatie, met de nodige overdrijvingen er natuurlijk bij, maar de namen en gewoonten bleven meestal onaangeroerd.

    Bijlagen:
    affligem1125.pdf (62.9 KB)   



    30-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    29-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Terug in de tijd (1)

    Terug in de tijd.
    © door Lambrechts René

    Kunnen we nog verder dan 1125 in de geschiedenis doordringen ?

    Wanneer we niet meer kunnen steunen op geschreven akten wordt het natuurlijk veel moeilijker om nog met juiste conclusies naar buiten te komen. Gelukkig kunnen we nog wel beschikken over gegevens, ook al handelen ze niet expliciet over Schriek of Grootlo zelf, die ons een beeld kunnen geven van de mogelijke samenleving van weleer.

    Zo ben ik in mijn zoektocht naar de oorsprong van de Uylehoef eigenlijk tot deze best mogelijke vaststelling gekomen.

    In het vorige hoofdstuk lezen we dat binnen het graafschap Loon er aan de grenzen een reeks van motte-burchten werden opgericht om zich zo te beschermen.

    Wat is een motte ? Eerst graaft men een ronde tot ovale vestinggracht uit met een diameter tot wel 100 meter, maar meestal ongeveer 40 meter. Met de vergaarde aarde legt men een kunstmatige heuvel aan van 3 tot wel 20 meter hoog, met daar bovenop meestal een ronde versterkte toren, de eersten in hout, later uit noodzaak in steen. Hoe hoger de heuvel, hoe meer grond diende aangevoerd te worden uit de onmiddellijke omgeving. De hellingen rond de toren werden aangeplant met doornachtige struiken, zodat het heel moeilijk was om de toren te bereiken. Alleen vuur was de grote vijand van dit soort van uitkijktorens of vluchtburchten. Om een eventuele brand te voorkomen werden natte huiden tegen de constructies bevestigd. Later zal men dan overgaan tot constructies in steen om dit euvel op te lossen. Specifiek bij deze motte hoorde ook een neerhof (= een hof lager gelegen dan de motteheuvel, neer heeft hier de betekenis van omlaag ), ook al dan niet omwaterd of met een andere vorm van omheining beveiligd. Daar stonden de stallen, schuren en verblijfplaatsen van de ondergeschikten. Ik stel mij nu de vraag : “ Was Halenborch (= Noelenberg = Uylenborg of de huidige Uylehoeve ) vroeger een houten motte van de graven van Loon ?”

    Impressie van een motte

    Ziehier enkele redenen die deze stelling verdedigen.

    1° De materialen aarde en hout zijn ter plaatse aanwezig en voor de heer kosteloos. De dichtst bijgelegen steengroeven vinden we rond Wezemaal of Grimbergen.

    2° Het werk vergt geen gespecialiseerde arbeiders tenzij timmerlui die plaatselijk toch voor handen waren.

    3° De leenheren konden hun onderdanen verplichten tot het leveren van herendiensten, m.a.w. ze konden de plaatselijke bevolking enkele dagen gratis opeisen.

    4° De plaats : aan de grens van het toenmalige graafschap Loon met het graafschap Brabant, afgeschermd door de beek die wij nu Raambeek noemen. Waarom noemde men in 1309 deze waterloop “walgracht” in plaats van beek of een of andere naam die mensen gaven aan grotere waterlopen ? Omdat deze beek de natuurlijke grens is geweest, welke wellicht nog werd uitgediept, waardoor er een wal = dijk ontstond. Ook oude toponiemen als Ouden Dijk herinneren nog aan die tijd. Zo kunnen we de Raambeek zien als de eerste natuurlijke verdedigingsgordel, of was dat reeds de tweede, en was de Dijle de eerste natuurlijke grens? Waarschijnlijk was het zo, aangezien we Keerbergen, en Werchter ook terugvinden in het patrimonium van de Heren van Aarschot, dus van het graafschap Loon.

    5° De gracht rond ‘den Uyl’ is heden ten dage wel zogoed als verdwenen, in de beschrijving van het goed bij het leenverhef uit 1753 kunnen we lezen :” … zeker huys ende hof van plaisantie omwatert met twee waeteren ende brugge genaemt Huylenborch gelegen by St.Jan in den Schrieck onder de prochie van Putte,…” Men treft hier zelfs een dubbele watergracht rond het domein aan waarvan heden ten dage nog kleine restanten zichtbaar zijn.

    In de stratenatlas van 1837 zien we nog duidelijk de volledige gracht rond de Uylehoef en de helft ongeveer van de tweede gegraven gracht rond de beide plaatsen (toen was de helft van de buitenste gracht reeds gedempt).

    6° De naam Haelenborch, waarbij borch in het Middelnederlands wijst op burcht, versterkt kasteel, en niet op een boerderij of molenaarswoning die we meestal ‘schans of schrans’ noemden. In het Oudnoors betekent borg, versterkte plaats. Haelen komt dan weer van halu, en dit betekent : een vestiging op hoge zandgrond. Denk ook aan de naam Van der Borcht die op Grasheide algemeen gekend is.

    Wanneer we nu de latijnse versie : Halisca (1) even ontleden, dan vinden we ook weer twee delen, nl. Halis van halitus wat damp betekent of halos, wat wazige kring rond een hemellichaam als van de maan betekent, en dit gekoppeld aan ca, de verkorting van casa wat huis of landgoed betekent. Dus samengevat, een vesting of landgoed dat verrijst uit de nevel. Dit kan men zich best voorstellen omwille van zijn ligging omgeven door gegraven grachten. in een gebied met veengronden en andere moerassige poelen, en de oude walgracht, zijnde de Raambeek.

    (1) Uit Karel de Grotes’ regeerperiode dateert een van de oudste documenten over onze streek, nl Het Privilegie over de giften in het Waverwoud aan de H.Remigius in 812. Ook al gaat het hier om een apocriefe (= niet als echt erkende ) akte, zeker met betrekking op de datum, de namen van deze nederzettingen zijn niet verzonnen. Het gaat hier om 20 villa’s, allen gelegen in het Waverwoud, te weten : Halisca, Melimbrica, & Brunnum seu Berlara, &Letoina, & Soalnea, & Bersela, & Rahisco, & Salsitlo, & Nera, & Rimhamna, & Alon, & Urna, seu Walciteai, & Aldina, & Blarica, Netosa, & Andratina etiam, & Cruptinum, & Vrinia. Onder de benaming villa verstaan we geen riante bouwwerken zoals bij de Romeinen, het waren meer kleine nederzettingen, al dan niet beschermd door een vroonhof (= een houten versterkte woning met uitkijktoren). Duidelijke plaatsnamen die wij herkennen zijn Berlaar, Beerzel en Rijmenam, maar van Schriek, Heist, Keerbergen en Putte om er enkele te noemen, geen spoor. Toch zou het mij niet verbazen mocht er tussen de overblijvende namen een plaatsaanduiding zitten, gelegen binnen onze oude grenzen. Wat te denken van Halisca voor de plaats genoemd Halenborch, vermeldt op de grafsteen van Jan Rouselle in de St.-Pieter en Paulus kerk te Mechelen anno 1522 ? Cy gist Messire JEHAN ROUSSELLE Seigneur de Horvette & Hove diet Halenborch Maittre des Requestes au grand Conseil & Conseillier & depuis Commis par le Roy à l’Estat de Lieutenant-Gouverneur de Namur & Cheff du Conseil illec decedé en September 1522 Et Dame MAXELINDE DE CORET sa Compagne decedée le 4 d’Octobre 1536 Et Dame ANNE MARIE ROUSSELLE leur Niecce decedée le ….. (Provincie, Stad, Ende District Van Mechelen: Opgeheldert In haere kercken, …blz 293)

    Volgens Van den Wijngaert staat Halisca voor het dorp Haelen in Nederlands Limburg (het Waverwoud was zeker niet zo groot, er wordt algemeen aangenomen dat het zich uitstrekte tussen de beide Neten, de Dijle en de Rupel). Volgens mij gaat het hier om de nederzetting in de omgeving van de Uylehoeve welke we met de oudste benamingen Halenborch en Huylenborch terugvinden.

    Wat mij ook zo verwonderde is het ontbreken van een laathof of leenhof of ridderhof in dat oude Schriek. Onbegrijpelijk als men weet dat Schriek van oudsher in het patrimonium van de Berthouten is opgenomen. Men treft er alleen leengoederen en cijnsgoederen aan.

    Wel weten we dat in 1270 Wouter V Berthout een groot leen geeft aan zijn zoon Wouter VI, gedeeltelijk onder Schriek, en er zou geen leenhof zijn! Hovel, een deel van Halenborch, was een hertogelijk leenhof, maar … gelegen onder de parochie Putte. Een leengoed verdeeld over drie verschillende heerlijkheden lijkt mij zeer uitzonderlijk, tenware de oorsprong ligt bij een van deze drie, m.a.w. het oude Frankische vroonhof, later motte met neerhof, dat in oorsprong deel uit maakte van één oude heerlijkheid nl. in den Scriec onder Bersela. Let nu even op deze latijnse tekst over Jan Van Hove, oudst gekende Heer van de heerlijkheid Hove(l) : Johannis de Hove XIIII bonnaria terre apud Mechelen et i curtim dictam in de scriec. Johannis et Balduinus ejus filii tenet sed nescio et relevaverunt (B.C.F.B. latijnboek fol 55R°) En wat te denken van deze tekst : Jan Van Hove XIIII bunderen landts bi Mechelen ende ’t hof in den Scriec gheheten. Jan ende Boudewijn sijn brueders houdent nyet en weetend of sijt ontfaaen hebben ende aldus steet in d’ oude boeck. Dit goet leyt in de prochie Putte ende heet ’t Hof Van den Hove …(B. Leenhof van Brabant n° 4 folio 1r°) De vertaling is blijkbaar lichtjes gewijzigd en aangevuld met de ligging in de parochie Putte. Hoe deze gronden vanuit de heerlijkheid in den Scriec dan later over drie afzonderlijke heerlijkheden wordt verdeeld, is mijns inziens te wijten aan politieke en structurele beslissingen bij de Berthouten, na de dood van Gilles (1310) of Floris ( 1331) waarbij bepaalde delen gebruikt worden als pasmunt bij de onderlinge verdelingen of als een doordachte zet bij de ruzie tussen de Berthouten en de bisschop van Kamerijk omwille van de nieuwe tienden. Lees hierover meer in de volgende hoofdstukken, als we het hebben over de grenscorrecties met onze buurdorpen. Delen van Schriek worden gebruikt als pasmunt : een rode draad doorheen onze geschiedenis. Hoe was het ook weer : “Geschiedenis herhaalt zich”. Het zal nog enkele malen gebeuren.

    7° Bij een motte paste een neerhof. Wanneer we dit oude woord ontleden zien we het deel “neer” wat wijst op ‘lager gelegen’, en het woord “hof”, een term die men vanouds gebruikte om een omheinde of afgesloten bewoningsruimte aan te duiden. Zo kennen we heden ten dage nog altijd “ het Hof van Riemen te Heist of het Hof van Laeken te Booischot”. Op de oudste kaarten van 1702 zien we nog steeds verschillende gebouwen juist ten zuiden van “den Uyl”. Deze hoeve van weleer (nog niet zo lang geleden afgebroken) heet nu toch wel toevallig Neerhof hoeve.

    Detail van de kaart van de landerijen van den Uyl en de neerhofhoeve (abdij van Tongerlo)

    8° Men spreekt ook over de heerlijkheid of het leenhof onder den hertog “ Hovel “. In de oudste stukken ‘Hove’ wat zou betekenen : omheind stuk land of rechtbank. Hovel staat dan weer voor heuvel, en waar zou die daar anders kunnen gevonden worden als bij die oude motte. Tevens is het ook maar een deel van het eerdere grote leen Halenborch, waar Hovel oftewel Uylenborch werd uit afgesplitst. Het andere deel heet Horvette, ons beter bekend als het Gorterleen of Gorters Laathof, genoemd naar Willem de Gorter, Heer van het leen in 1415. (Pitsemburg n° 856)

    9° Wat dan te denken van de namen “Halenborg, Huylenborch, Uylenborch, Noelenberg”. Noëlen is het Schriekse dialect voor uilen, en berg werd al snel gebruikt in de plaats van heuvel. Waar nestelen uilen zich ? Zoals de meeste roofvogels maken ze hun nesten op hooggelegen plaatsen, dus kerktorens en de toren van de motteburcht. Welke geluiden maken ze ? Ze huilen als kinderen. Dus : Halenborch werd huylenborch, en die verloor haar “h”, zodat Uylenborch definitief als plaatsnaam in de omgangstaal werd gebruikt.

    10° Legenden spreken steeds over “roofridders” als men het had over de bewoners van “den Uyl” het symbool van hun nachtelijke strooptochten. De oudste legende verhaalt dat ouders hun kinderen angst inboezemden voor de omgeving van Uylenborch. Kinderen werden daar opgepakt en opgesloten in den toren en ’s nachts kon je hen horen huilen. Het is duidelijk, de omgeving van den uyl was geen voorbeeld voor opgroeiende kinderen, men kon ze dus maar beter zo ver mogelijk verwijderd houden van deze plaats. Dergelijke legenden doen mij terugdenken aan de verhalen over ‘de voddenman’ of ‘de loekebeer’ uit mijn kinderjaren. De werkelijkheid was even anders. Bij oorlogsgevaar bood deze plaats bescherming voor de plaatselijke bevolking en gedroegen deze ‘roofridders’ zich als Robin Hood of Sint-Hubertus. Dit doet mij vermoeden als was de werkelijkheid zo dat de soldaten die daar gelegerd waren preventieve uitvallen deden in het graafschap Brabant ter bescherming van de plaatselijke bevolking. Zo zagen de Schriekenaren in ‘de Uil’ het symbool van hun bescherming.

    Als erkenning vindt men dit symbool of deze naam veelvuldig terug in Schriek. Het was wijlen Theofiel Goovaerts, hoofdonderwijzer en tevens geïnteresseerd in het Schriekse verleden, die de verbanden tussen ‘Uylenborch en Schriek’ had ontdekt. Als medeorganisator van de feestelijkheden, georganiseerd voor een opknapbeurt van de parochiezaal in 1967 werd er gekozen voor de naam Uylefeesten.

    Eerste affiche van de Uylefeesten 1967. Het embleem is van de hand van Jos Van Craen.

    Later volgden een kinderkarnavalvereniging, een studentenclub, een vrije radio, een motoclub, een dansclub, een parochiale vereniging, in producten en reclame bij plaatselijke handelaars, e.a. ?

    Eerste ontwerp van de sticker is van de hand van René Lambrechts.

    Studentenclub Uilenspiegel van Schriek.


    Besluit : In de omgeving van de Uylehoef bevond zich destijds een Frankische nederzetting ‘Halenborch’. Alle nuttige elementen waren bij de hand, voldoende bossen voor de jacht, om varkens te hoeden en voor het hout (timmer- en brandhout), vruchtbare alluviale gronden om in cultuur te nemen gelegen tussen de Uylehoef en de Raambeek, stromend water van deze beek en stilstaand water van de moerputten leverden dan weer ideale visgronden. Ook het moerasgebied rond de moerputten (het laagste punt van Schriek) was een ideaal vluchtoord bij dreigend gevaar. Deze kleine nederzetting werd tijdens de regeerperiode van de Graven van Loon omgebouwd tot motte en later tot leen- en laathof. De Berthouts zagen het helemaal zitten om onze streken verder te ontwikkelen en te verdelen binnen hun familie. Ook voor Schriek met Grootlo en Bollo zagen ze prachtige mogelijkheden. De afsplitsing van de verschillende delen uit het land van Mechelen zoals Berlaar, Keerbergen, Duffel, ... was volop bezig. Ook voor Schriek werden de nodige voorbereidingen getroffen. Wouter V geeft in 1270 een landgoed onder Schriek in leen aan zijn zoon Wouter VI ter waarde van 500 ponden tournois per jaar. Dat is geen klein stukje! Vermoedelijk is dit te situeren vanaf de kerckebossen (= het Schriekbos) tot de Raambeek en de huidige Van der Borchtstraat (later terug te vinden als het Gorterleen – Huylenborch en het Venneschot). Dit leen en de tienden van Schriek was een ideale start voor een Berthout telg. De bestaande motte kon omgebouwd worden tot kasteel welke op minder dan 1 km via een rechte dreef was verbonden met de nog nieuw te bouwen kerk.

    Waarom werd deze droom geen werkelijkheid?

    Wouter VI was als oudste zoon voorbestemd om zijn vader op te volgen als Heer van Mechelen wat dan ook gebeurde in 1287. De heerlijkheid Schriek was dus voorbestemd voor een van zijn kinderen, waarbij zijn eerstgeboren kind Wouter VII hem na zijn dood zou opvolgen en Jan of Gillis later de heerlijkheid Schriek zouden ontvangen.

    Doch het noodlot sloeg toe. Wouter VI sneuvelt in de slag bij Woeringen op 05.06.1288, amper één jaartje na zijn vader. Wouter VII, nog minderjarig, volgt zijn vader op onder de voogdij van zijn oom Floris Berthout. Ook hem is geen lang leven beschoren en hij sterft reeds in 1294. Zijn broer Jan, nog minderjarig op dat ogenblik, wordt nu de nieuwe heer van Mechelen, maar ook hij sterft zeer jong en kinderloos in 1304. Het is nu de beurt aan de jongste telg Gillis Berthout, nog in 1303 heer geworden van Heyst, die nu heer wordt van de heerlijkheid Mechelen, waarvan Schriek nog altijd deel uitmaakte. Hieruit valt af te leiden dat Schriek eigenlijk bestemd was voor Jan. Ook zijn naam wijst duidelijk in deze richting: ‘Jan I Berthout, heer van Sint Jans in den Scriecke’.

    Samen met zijn moeder zal Gillis de overeenkomst van zijn grootvader met de bisschop van Kamerijk uitvoeren, nl te Schriek een kerk bouwen en de pastoor vergoeden. Maar ook voor Gillis luidden de doodsklokken vrij snel en aangezien ook hij geen nakomelingen had, is het Floris Berthout, toen heer van Berlaar, die in 1310 de heerlijkheid van Mechelen erft. Schriek blijft binnen de heerlijkheid van Mechelen, maar het mooie landgoed dat Wouter V had geschonken zal nu worden opgesplitst, een deel bij Putte, een deel bij Keerbergen en een deel blijft bij Schriek. Dit is het einde van Wouter V zijn droom voor wat betreft de heerlijkheid Schriek.


    29-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    28-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Berthouten

    De Berthouten van de xii tot de xiv eeuw

    WOUTER I BERTHOUT

    Eerste vermelding in 1140 als Wouter van Grimbergen
    Huwt met Margareta van Grimbergen, dochter van Gerard I van Grimbergen en Oda van Aarschot
    Kinderen : Wouter II Berthout
    (en een mogelijke bastaard : Adam)
    † vermoedelijke datum 14.06.1180
     
    Het patrimonium van de heren van Grimbergen werd te saam beheerd en bestuurd, wat dus betekende dat bij het overlijden van Gerard I en Arnold I van Grimbergen er geen opsplitsing van het patrimonium is gebeurd. Dit gold niet voor de eigen aanwinsten die hij zou verkregen hebben door bv; huwelijk, koop of …op een minder aanvaardbare wijze! Daarom zou hij ook in de kerkban worden geslagen als gevolg van een conflict met de St-Remigiusabdij van Reims over onrechtmatig verkregen bezittingen in het Waverwoud. Wij kunnen ons afvragen of dit iets te maken had met onze gewesten?. Hoogst waarschijnlijk wel! Van deze ban blijkt later niets meer terug te vinden te zijn.


    WOUTER II BERTHOUT

    Vermeld tussen 1178 en 1202, zoon van Wouter I Berthout en Margareta van Grimbergen
    Huwt met Guda van Loon (1169-1202), dochter van graaf Lodewijk I van Loon (1141-1171) en Agnes van Metz
    Kinderen : 1. Wouter III Berthout
    2. Gillis I heer van Berlaar (1195-†1241) huwt met Catharina van Belle en is de stamvader van de Berlaarse Berthouts
    3. misschien ook een Guda
    † vermoedelijk op een 05.11 1202 en begraven in de St.-Romboutskerk te Mechelen
     
    De verdeling van het ‘land van Grimbergen’ tussen de Berthouten en de van Grimbergens vond plaats in 1197 (*). Voorheen werd het patrimonium bestuurd door de van Grimbergen en de Berthouten samen. Bij deze deling erfden de Berthouts het gedeelte van de Aarschot-erfenis in het ‘land van Grimbergen’, nl.Werchter met Haacht, Berlaar, Keerbergen en Schriek. Omdat we Schriek nooit terugvonden als deel van het Graafschap Aarschot, zou dit betekenen dat Schriek in volle eigendom behoort tot de Berthouts, in tegenstelling met Werchter en Haacht die tot het graafschap Aarschot blijven behoren, maar waar de Berthouten bepaalde rechten en eigendommen blijven bezitten. Ook op juridisch vlak valt een en ander af te leiden. Zo weten we dat uit het ten hoofde gaan valt af te leiden dat Schriek vroeger in het Berthout-patrimonium is opgenomen dan Grootlo of de nieuwe dorpen in het Waverwoud zoals : Putte, O.L.V.Waver ,…In het dorp en bank van Sint-Jan in den Schriek zijn de breuken als te Berlaar en halen ze hun hoofdvonnis te Berlaar, terwijl die van Grootlo of Beerzel of Putte of… dat te Putte moeten doen. Berlaar kan ook een beetje beschouwd worden als het centrum van het Berthout-imperium ; het heeft zich duidelijk gelijk ontwikkeld met Schriek, maar vroeger dan Grootlo of Putte.
    * Godfried Croenen : de familie Berthout en de Brabantse adel blz 82


    WOUTER III BERTHOUT

    Vermeld tussen 1195 en 1220, zoon van Wouter II Berthout en Guda van Loon
    Huwt Sofie (1200-1220), waarschijnlijk de dochter van graaf Floris III van Holland
    Kinderen : 1. Wouter IV Berthout
    2. Hendrik I
    3. Gillis
    4. Dirk
    5. Arnold
    6. Maria
    † waarschijnlijk te Damiette (Egypte) tijdens de 5de Kruistocht, kort nadat hij de schenking had gedaan aan de Ridders van Pitsenburg op 27.01.1220.(*)

    Voor het eerst in de geschiedenis voert een Berthout de titel “Heer van Mechelen”. Zijn vader en grootvader noemde men : Heer van Grimbergen of Voogd van Grimbergen.
     
    Bij het overlijden van Wouter II Berthout krijgen we naar alle waarschijnlijkheid de splitsing van het Berthout-imperium tussen Wouter III , die Mechelen +… ten dele valt, en Gillis I die Berlaar + … krijgt. Waar we Schriek moeten situeren is niet duidelijk, daar geen enkel document enig uitsluitsel biedt. Pas in een oorkonde uit 1270 (**) vinden we Schriek terug in de lijst van opbrengsten van het Land van Mechelen. Dit bewijst niet dat het altijd in het Mechels imperium heeft gezeten. Er was nog heel wat onverdeeldheid tussen beide groepen zoals in het oude Werchter of het Waverwoud en heeft Schriek of delen ervan misschien gediend als pasmunt tussen beide takken van de familie, waardoor het van Berlaar is overgeheveld naar Mechelen. Wie zal het ons zeggen? In het testament van 1266 van Lodewijk I van Berlaar (***) is er wel geen spoor van Schriek te vinden, maar wel van Beerzel, waarvan Schriek nog altijd deel uitmaakte. Bestond er misschien een deel Schriek onder Beerzel en een deel Schriek buiten Beerzel met Grootlo en Bollo? Wat we later vinden is voer voor deze optie. Aan elke lezer om zelf een oordeel hierover te vellen.
    * Zie hierover : ‘Schenking van Wouter III Berthout in 1220’ op dit blog
    ** Godfried Croenen : de familie Berthout en de Brabantse adel blz 106
    *** Godfried Croenen :Oorkonden van de familie Berthout blz 375-376

    WOUTER IV BERTHOUT


    Vermeld vanaf 1219, zoon van Wouter III Berthout en Sofie
    Huwt Adeloia van Edingen, dochter van Engelbert van Edingen en Ida van Avesnes
    Kinderen : 1. Wouter V Berthout
    2. Hendrik
    3. Jacob
    4. Gillis
    5. Sofie
    6. Catharina
    † 10.04.1243 en begraven in de Minderbroederskerk van Mechelen
    Nam samen met zijn vader deel aan de 5de Kruistocht, maar was hoogstwaarschijnlijk reeds vertrokken toen zijn vader de schenking van Grootlo deed, en hij de nieuwe heer van Mechelen werd na diens dood.
    Het is tijdens zijn bestuursperiode dat de verdeling van het patrimonium effectief verder wordt doorgevoerd, waarbij Gillis II, zoon van Gillis I, Heer wordt van Berlaar, Keerbergen en … Wouter IV krijgt Mechelen, Schriek en … en zijn broer Hendrik I krijgt Duffel, Geel en …Grote delen van het Waverwoud (Putte, O.L.V.Waver en Sint-Katelijne-Waver) bleven nog onverdeeld en werden ook volop ontgonnen.

    WOUTER V BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1238, zoon van Wouter IV Berthout en Adeloia van Edingen
    Huwt tussen 1238 en 1244 met Maria van Auvergne (1238 - † 20.05.1282), dochter van graaf Willem IX van Auvergne en Aleid van Brabant. Maria was dus de kleindochter van de Brabantse hertog Hendrik I.
    Kinderen : 1. Wouter VI Berthout
    2. Willem
    3. Sofie
    4. Mathilde
    5. Floris
    † 15 of 16.06.1287 en begraven in de St-Romboutskerk te Mechelen

    Deze telg uit de Berthout dynastie zal voor Schriek de geschiedenis in gaan als de ontwerper van deze heerlijkheid in het Land van Mechelen. Ook bij de Mechelaars kreeg hij de titel : “de Grote” en Jan Van Boendale noemde hem “de Goede”.

    De Berthouten in conflict met de bisschop van Kamerijk over zowel de oude als nieuwe tienden verkregen in dit deel van het Waverwoud, proberen uit de impasse te geraken door het op een akkoord te gooien met de bisschop. Wouter V slaagt daar wonderwel in, maar Hendrik van Duffel en Gillis van Berlaar slagen daar niet in. Wouter V Berthout ontvangt van Nicolaas III van Fontaines (1249-1272) de tienden van Schriek op voorwaarde dat hij aan de kapel 12 pond Leuvens zou toewijzen bij de oprichting van een nieuwe kerk en parochie. Dit betekende de definitieve ondergang van de parochie Beerzel, dat het deel van Schriek aan zijn neus zag voorbij gaan. Ook de oprichting van de parochie Putte St. Niklaas in 1265 past volledig in de samenwerking tussen de landheren, zijnde de Berthouten en de bisschop van Kamerijk.

    Ook zal er tussen de Berthouten onderling weer geschoven worden met grondeigendommen om de nieuw ontgonnen gronden van Waver en Putte en Schriek en Grootlo te kunnen verdelen en om er nog zoveel mogelijk voordeel uit te halen.
    Misschien dateren van die tijd al sommige kleinere of grotere grenscorrecties met Keerbergen, Heist en Putte.(Zie Grenscorrecties)
    In 1270 wordt van alle bezittingen van Wouter V een inventaris gemaakt.
    Schriek en Winklem zijn goed voor 120 ponden Leuvens tegenover Noorderwijk slechts 25 ponden. Ook weten we dat Wouter V aan zijn zoon Wouter VI een leengoed had geschonken, gedeeltelijk gelegen onder Schriek, ter waarde van 500 ponden tournois.

    WOUTER VI BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1268, zoon van Wouter V Berthout en Maria van Auvergne
    Huwt met Adelisia de Guines (1270-1324) dochter van graaf Arnold III de Guines en Alice van Coucy
    Kinderen : 1. Wouter VII Berthout
    2. Jan
    3. Gillis
    † gesneuveld in de slag bij Woeringen 05.06.1288

    Adelisia de Guines
    heeft na de dood van haar man zich bijzonder ingezet voor abdijen en kerken. Zo ook voor Schriek, waar zij samen met haar zoon Gillis een nieuwe kerk liet oprichten en op 9 maart 1309 aan bisschop Filippus ootmoedig smeekte om deze kerk als parochiekerk te erkennen.

    WOUTER VII BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1289, zoon van Wouter VI Berthout en Adelisia de Guines
    Ongehuwd
    † vermoedelijk 05.06.1294

    Werd Heer van Mechelen genoemd, maar was hoogstwaarschijnlijk nog minderjarig en dus onder de voogdij van zijn oom Floris Berthout.



    JAN BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1290, zoon van Wouter VI Berthout en Adelisia de Guines
    Huwt met Blanche van Brabant, dochter van Godfried van Brabant, Heer van Aarschot en Vierzon en Johanna van Vierzon
    † vermoedelijk 25.08.1304 en begraven in de St.-Romboutskerk te Mechelen

    Werd heer van Mechelen na het overlijden van zijn broer Wouter VII in 1294. Ook Jan was nog minderjarig wat blijkt uit een akkoord gesloten tussen Floris Berthout, voogd van Jan, heer van Mechelen enerzijds en Jan Berthout, heer van Grammene en zijn zoon Jan, heer van Neckerspoel anderzijds, over wederzijdse verhoudingen tussen de Mechelaars en de inwoners van Neckerspoel in 1294. (Laenen Gesch.Mech. p.31)


    GILLIS BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1299, zoon van Wouter VI Berthout en Adelisia de Guines
    Zou gehuwd zijn met Maria, dochter van Jan van Loon en Chiny, zonder kinderen, volgens J.Th.de Raadt en Baerten, maar Godfried Croenen verwerpt deze stelling bij gebrek aan bewijzen. Wel zijn er geen erfgenamen in leven bij zijn overlijden in 1310.
    † vermoedelijk 23.10.1310

    In 1303 heer van Heist en na de dood van zijn broer Jan die kinderloos overleed in 1304, werd hij heer van Mechelen. Hij zou samen met zijn moeder de kerk bouwen te Schriek en zorgen voor de oprichting van de parochie.
    Hier is dus duidelijk dat Schriek op dat ogenblik nog steeds deel uitmaakte van het Mechelse patrimonium.

    Voor meer info over de bouw van de kerk verwijs ik naar een van de volgende hoofdstukken.

    FLORIS BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1283, zoon van Wouter V Berthout en Maria van Auvergne
    Huwt met Mechteld van de Mark, dochter van graaf Engelbert I van de Mark en Elisabeth van Valkenburg
    Kinderen : 1. Sofie van Mechelen
    Bastaardzonen : Floris, Boudewijn, Jan, en misschien ook Walewein
    † vermoedelijk 17.10.1331 en begraven in de Minderbroederskerk te Mechelen

    Na de dood van Gillis, die geen nakomelingen heeft, wordt Floris, toen reeds heer van Berlaar, de nieuwe heer van Mechelen. Door al de aankopen en erfenissen was Floris een van de rijkste edellieden geworden van zijn tijd. Niet te verwonderen dat zijn enige dochter een fel begeerde bruid was, gezien de grote bruidschat die zij meedroeg.

    In 1315 schonk Floris aan de abdij van Grimbergen woeste gronden te Beerzel en te Grootlo.

    Dit is de opvolging van de Berthouts op voorwaarde dat Schriek steeds deel uitmaakte van het patrimonium van de Mechelse tak. Volgt er nu scenario 2 : Schriek werd opgenomen in het patrimonium van de Berlaarse tak. Wouter I en Wouter II worden nu opgevolgd door :

    GILLIS I BERTHOUT van Berlaar

    Vermeld tussen 1195 en 1241, zoon van Wouter II Berthout en Guda van Loon
    Huwt Catharina van Belle, dochter van Gerard en de weduwe van Boudewijn van Grammene
    Kinderen : 1. Gillis II
    2. Lodewijk I
    + enkele dochters
    † waarschijnlijk op 18 februari 1241

    Gillis was ook kruisvaarder bij de 5de Kruistocht, maar was reeds huiswaarts vertrokken bij de gift aan de Ridders van Pitsemburg van 1220 door zijn broer Wouter III. Deze gift gaat over eigendommen van Wouter te Grootlo (deel van Schriek) en te Rama = Gestel (deel van Berlaar). Gillis was nochtans heer van Berlaar, maar wellicht niet van Gestel en was het wellicht ook zo te Schriek? Of bezaten de Mechelse Berthouten bepaalde eigendommen binnen de verschillende heerlijkheden? Feit is dat we Hameiden (= Rama = Gestel) terug vinden bij Jan I van Berlaar, zoon van Lodewijk I.

    Gillis, stichter van het klooster van Rozendaal te Walem, was een grote weldoener voor kloosters, abdijen en andere kerkelijke instellingen. Hij treed ook zelf toe tot de Duitse Orde omstreeks 1229 en laat het bestuur over aan zijn zoon Gillis II van Berlaar.

    GILLIS II BERTHOUT van Berlaar

    Vermeld tussen 1227 en 1236, zoon van Gillis I Berthout, heer van Berlaar (1195-†1241), en Catharina van Belle
    Huwt Helvide van Barbençon, dochter van Gilles, Heer van Barbençon
    † waarschijnlijk in januari 1236

    Gillis II, aangeduid als de stichter van de St.-Bernardusabdij, zet de politiek van zijn vader als vrijgevige landheer verder. Dit leidde tot financiële problemen welke dan maar door zijn broer Lodewijk I van Berlaar dienden te worden opgelost.


    LODEWIJK I BERTHOUT van Berlaar

    Vermeld tussen 1233 en 1270, zoon van Gillis I Berthout, heer van Berlaar (1195-†1241), en Catharina van Belle
    Huwt Sofie van Gavere dochter van Raas van Gavere en Sofie van Breda
    Kinderen : 1. Jan I
    2. Lodewijk
    3. Raas
    † waarschijnlijk in januari 1271

    Door de vrijgevigheid van zijn vader en broer kwam Lodewijk in financiële problemen. Deze probeerde hij op te lossen door zelf de geldkraan voor kerkelijke instellingen dicht te draaien, vroegere giften aan te vechten en een enorme ontginningsdrang in het Waverwoud met de drie Wavers (St- Catharina, O.L.Vrouw en St.-Niklaas) op kop, te ontwikkelen wat nieuwe tienden en dus nieuwe inkomsten opleverden. Dit zou echter leiden tot een conflict met de bisschop van Kamerijk en zeer zware boetes. Wouter V Berthout lost zijn problemen met de bisschop op en verkrijgt de oude tienden van Schriek. Waren deze wellicht al door de bisschop aan Lodewijk ontnomen? Hoogstwaarschijnlijk wel en zo zag Wouter V de kans om zijn ontginningen te Grootlo, te koppelen aan de oude ontginningen te Schriek en zo een nieuwe grote heerlijkheid te creëren voor een van zijn kleinkinderen.

    Besluit:

    Om de zaken welke volgen in zijn juiste context te zien moeten we ervan uitgaan dat het oude Schriek bestond uit twee delen, nl het oude en reeds ontgonnen gebied onder de parochie van Beerzel, en het nog niet ontgonnen moerasgedeelte van Grootlo en Bollo.

    Na de verdeling van de eigendommen tussen de van Grimbergen en de Berthouten in 1197 komt Schriek in handen van de Berthouts. Als na de dood van Wouter II de verdeling van het Berthout imperium wordt aangevat zien we het oude Schriek overgeheveld worden naar de tak Berlaar, samen met Keerbergen, Rijmenam, Beerzel, een groot stuk van het Waverwoud, enz… Ondertussen blijft het grote moerasgebied (met daarin het tweede gedeelte van Schriek) en de Luikse enclave van Heist in handen van de Mechelse tak.

    Zo worden volgende zaken heel duidelijk.

    1. In het dorp en bank van Sint-Jan in den Schriek zijn de breuken als te Berlaar en halen ze hun hoofdvonnis te Berlaar, terwijl die van Grootlo dat te Putte moeten doen.

    Grootlo en de Waverwoud dorpen waren in het begin van de 13e eeuw nog een vrijwel onontgonnen gebied met schaarse bevolking, daar waar Keerbergen (dat later zijn eigen bank zal oprichten) en Beerzel met Schriek reeds veel vroeger in ontginning lijken te zijn genomen. Daarom konden die van Schriekdorp niet naar Putte, want die bank bevond zich toen vrijwel zeker te Mechelen of Bonheyden. Pas na de enorme ontwikkeling van dit gebied in de eerste helft en het midden van de 13e eeuw, verhuist de schepenbank van Befferen naar Putte en konden die van Grootlo naar Putte in plaats van het verre Berlaar voor hun hoofdvonnis te halen. Grenzen worden verlegd, landheren verdwijnen en er verschijnen nieuwe heren ten tonele maar gewoonten en tradities blijven meestal veel langer doorbestaan. Zij volgen de plotse wijzigingen niet of niet zo snel.

    2. Wouter III trok op kruistocht (de 5e) met zijn broer en zonen Maar zou sneuvelen te Damiette in 1220. Daar deed hij op zijn sterfbed een gift aan de Ridders van Pitsenburg van VI bonuaria dure terre in GRUTLO, en verkregen ze het recht tot het kappen van hout en het hoeden van varkens in ‘het Waverwoud’, zoals het drie ridders toekomt.

    Deze gift bewijst het bezit van Grootlo in het Mechels imperium, maar tevens de onverdeeldheid die er nog bestond i.v.m. het Waverwoud daar Wouter III hierin een gunst verleende aan de Duitse Ridderorde zonder goedkeuring van zijn broer Gillis, waarvan velen aannamen dat hij ook dit deel volledig onder zijn bezittingen mocht rekenen.

    3. Schriek evolueert op een dubbelspoor aan verschillende snelheden.

    a) Het oude reeds deels ontgonnen Schriek onder Beerzel,opgenomen bij de Berlaarse Berthouten, wordt een beetje vergeten. Zij leggen in de eerste helft van de 13e eeuw de nadruk op de ontwikkeling van de Waverdorpen.

    b) Grootlo met Bollo, het nieuwe Schriek, evolueert onder de vleugels van de Mechelse Berthouten duidelijk veel intenser. De bevolking groeit er gestaag aan en de Berthouten slagen er zelfs in om het gebied uit te breiden naar het zuiden en de veen- en heidegronden tot tegen Emelo en Veldonck van Werchter af te snoepen. Wij weten dat de Berthouten bepaalde rechten hadden binnen het dorp Werchter en daarom was deze aanhechting hoogstwaarschijnlijk een onderhandelde oplossing met de graven van Aarschot. Maar hoe zat het dan met de belangen van de Kerk, lees de abdij van Park? Waarom zwegen zij? Dit is alleen te verklaren door het feit dat zij rustig mochten blijven voortwerken en hoe meer zielen, hoe meer … inkomsten. Dit betekent wel dat de oude kapel van St.-Jan in den Scriecke ergens in dit nieuwe deel, dus Grootlo of Bollo moet hebben gestaan ! Anders was er een duidelijk conflict ontstaan met de pastoor van Beerzel. Hierover meer in het hoofdstuk over ‘de oude kapel’.

    4. Onder Wouter V Berthout worden de beide delen geheel of gedeeltelijk verenigd.

    Het conflict tussen de bisschop van Kamerijk met de Berthouten van Mechelen, Berlaar en Duffel, en de grote financiële problemen van Lodewijk I van Berlaar hebben tot gevolg dat de heren van Berlaar stelselmatig delen van hun bezittingen verkopen aan hun familie van Mechelen. Schriek is wellicht één van de eerste transacties tussen Berlaar en Mechelen. Hierover is tot op heden nog geen specifiek document ontdekt maar er zijn wel duidelijke aanwijzingen dat deze overdracht heeft plaats gevonden.

    • a) In 1265 ontvangt Wouter V de tienden van Schriek.
    • b) In 1270 vinden we Schriek tussen de lijst van inkomsten van Wouter V.
    • c) In 1270 schenkt Wouter V een groot leengoed deels onder Schriek aan zijn zoon.

    Er zijn nu twee mogelijke scenario’s bij deze overdracht.

    1- Het volledige oude deel van Schriek onder Beerzel wordt overgeheveld.
    2- Slechts een groot gedeelte wordt Mechelse eigendom.

    Dit laatste scenario doet mij vermoeden dat bepaalde delen van het oude Schriek eigendom bleven van Lodewijk I, nl. het deel ten zuiden van de huidige Grensstraat werd bij Keerbergen gevoegd en het deel ten noorden bij Putte, waar de pas opgerichte parochie deze injectie best kon gebruiken. Het grote leen Halenborg zie ik dan weer wel volledig in de handen van Wouter V, die dit mooie stukje schenkt aan zijn zoon. Indien deze verdeling niet is uitgevoerd bij deze overdracht, dan zal dit op een later tijdstip zijn voltrokken.

    5. Op 22 juni 1329 gaf de bisschop van Kamerijk de opdracht aan de deken van Mechelen en Antwerpen om de grenzen te bepalen tussen de kapel van Schriek en de parochie van Werchter.

    Pas 20 jaar na de oprichting van de parochie wordt de grens ervan reeds in vraag gesteld.

    De bouw van de nieuwe kerk te Schriek en de komst van een eigen pastoor ,zorgt voor problemen binnen de heerlijkheid Schriek met betrekking tot de verdeling van de kerkelijke taken. De paters van Park, die nog steeds de dienst verzorgden in de kapel van Grootlo voor de meest afgezonderde families binnen Schrieks Grootlo en Werchter, voelden zich bedreigd door de nieuwe parochie Schriek, die steeds meer en meer gezinnen van binnen het oude Grootlo wist aan te trekken. Het feit dat het gedeelte Werchter (Berthoutmoer) dat was bijgevoegd eigenlijk tot het bisdom Luik behoorde was nog een reden te meer om deze toestand aan te klagen en zoveel mogelijk munt te slaan uit het geschil met Kamerijk en de Berthouten. Het gebrek aan een echte Berthout als heer van de heerlijkheid Schriek laat zich nu duidelijk voelen. Floris was ondertussen zo groot en machtig geworden dat hij geen grote confrontatie met het bisdom Luik gaat voeren om een stukje moeras en heide. Dit waren in zijn ogen maar borrelnootjes, en men kon het machtige Luik en de abdij van Park beter tot vriend als tot vijand hebben voor het regelen van grotere en belangrijker zaken. Ik verdenk hem er dan ook nog van de naruurlijke in onnatuurlijke grenzen met Heist, ook een Luikse enclave, te hebben gewijzigd. Het resultaat van dit conflict is voor Schriek het totale verlies van de Bollo tot boven de Raambeek. De Bollotienden en de gronden verdwijnen onterecht in de rijke koffer van de abdij van Park, iets wat ze bij de vergroting van de kerk door een royale gift hebben trachten te verbloemen.



    28-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (1)
    27-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De oude kapel

    De oude kapel.

    “Goedkeuring door de bisschop
    Op 8 juni 1309 werden door de bijzondere zaakgelastigde van de bisschop van Kamerijk te Brussel, alle schikkingen bekrachtigd, alsook de afscheiding der kosterij, zodat voortaan elke kerk, Schriek zowel als Beerzel, een zelfstandige parochie zou zijn en blijven, met eigen doopvont en begraafplaats en alles wat een parochiekerk volgens recht dient te hebben.
    Schriek bezat dus reeds rond 1260, ten tijde van Wouter Berthout en bisschop Nikolaas, een kapel toegewijd aan Sint Jan de Doper, die nadien de hemelse patroon van de nieuwe parochie is gebleven. In 1309 kregen zij een eigen pastoor, met kerkelijke diensten, met Sacramenten en godsdienstonderricht. Hoe gelukkig voelden zij zich, al heeft het ongetwijfeld nog lange jaren geduurd, vooraleer de huidige toren in witte zandsteen opgetrokken werd.
    (K. A. S., nr 13, kopie. — Analectes Hist. Eccl. Belg., 1872, blz. 38-41).”

    Dit lezen we bij Verellen in zijn parochiegeschiedenis op blz 12. Waar hij deze informatie heeft gehaald heb ik tot op de dag van vandaag nog niet kunnen verifiëren. Het aangehaalde werk - Analectes Hist. Eccl. Belg., 1872, blz. 38-41- heb ik nog niet kunnen raadplegen of inkijken, maar laat mij toe te stellen dat ik hoegenaamd niet twijfel aan de juistheid van deze tekst.

    Dat Schriek een kapel bezat welke was toegewijd aan St.-Jan Baptist en tevens een deel was van de aloude parochie Beerzel met de H.Remigius als patroon, deed bij vele historici de wenkbrauwen fronsen. Hoe was dit mogelijk : twee verschillende heiligen binnen één parochie.

    Fr.L. Van den Wijngaert ziet het in zijn boek over de Sint Remigiusabdij van Reims en het ontstaan van het Land van Mechelen zo op blz 55-56: “Als parochie nu, was Beerzel een unicum. De kerk gebouwd op een oude Germaanse bidheuvel herbergde onder haar dak eigenlijk twee verschillende parochies, ieder met zijn eigen patroon. De heilige Remigius voor wat nu tot de parochie behoort met daarbij dit deel van de vroegere gemeente Schriek, dat gelegen is ten noorden van de baan, welke de grens vormt tussen Putte en Keerbergen en Schriek omzeggens in twee sneed. Dit gebied was hoofdzakelijk bos, onder meer de leenbossen of Venne-schot groot 18 bunderen (19); de bossen van Henric van Hofstade samen groot 36 bunderen (20); de Verbrande bossen, groot 24 bunderen en de Bastaardbossen een blekbos of kreupelhout groot 7 bunders (21).
    De kapel van « Sint-Jan in den Schrieck » werd in de loop van het jaar 1309 gebouwd door Gilles Berthout. Zijn grootvader Wouter Berthout, die een grote verering koesterde voor de heilige Johannes de Doper, had, voor die op te richten parochie, twaalf pond lovens toegezegd te nemen uit de heerlijke tienden aldaar alsmede nog een klein tiendeke ter waarde van honderd schellingen Turonensis.
    Daar Schrieck, dat tot het bisdom Kamerijk behoorde, voortaan samen één parochie zou vormen met Grootlo, welk uit Werchter werd gespleten dat tot het bisdom Luik behoorde, gaf dit aanleiding tot betwisting. De kerk van Schriek werd bediend door de Norbertijnen van Park. Op 22 juni 1329 gaf Guido, bisschop van Kamerijk, opdracht aan de deken van Antwerpen en die van Mechelen om de grens te bepalen tussen de kapel van Schriek van zijn bisdom, en de parochiekerk van Werchter van het bisdom Luik om de twist tussen de heer van Mechelen en de abt van Park te beslechten (22).

    In de noot betreffende de datering van het testament van Adelize de Guines zegt Godfried Croenen dan weer op blz 391 R28 : ‘Schriek werd afgescheiden van de moederparochie Grootloo’

    In zijn boek kerkelijk en godsdienstig Brabant zou het Schriekse gebedshuis dan weer door de paterkens van Afflighem moeten worden bediend, als kanunnik Laenen het bij het rechte eind zou hebben. En hij staat niet alleen met deze visie. Zo vond ik in het boek "Synopsis actorum Ecclesiae Antverpiensis van Pierre François Xavier de Ram - 1856 dezelfde bevinding op blz 314.

    Rik Van den Broeck ziet in het Zwaantje XII dan weer de kerk van Heist als de moederkerk van Beerzel en dus als de grootmoeder van Schriek.

    Probeer daar nu maar eens wijs uit de raken. En toch vond ik voldoende elementen om op zoek te gaan naar een ‘benaderende waarheid’ steunend op nog gevonden oude toponiemen en documenten ter ondersteuning van mijn visie op heel deze zaak.

    Reeds in de vierde eeuw trokken kleine groepen Germanen (zij kwamen van over de Rijn) het noorden van het Romeinse Rijk binnen. Aangezien ten noorden van het Kolenwoud weinig Romeinse activiteit was waar te nemen, afgezien van de verdedigingsgordel langs de Rijn, was dit een ideale plaats om zich te vestigen. In 406 dringen de verenigde legers van de Franken de Romeinen reeds terug tot aan de Somme in Frankrijk, later veroveren ze steeds meer gebieden op de Romeinen.

    Deze verhalende brok geschiedenis begint bij de aankomst van de Franken in onze gewesten, in ons eigen Schriek en Grootlo. Hierop een datum plakken zou ons verleden zwaar beledigen maar op zoek gaan naar hun oudste verblijfplaatsen zou reeds een eerste lichtpuntje kunnen zijn uit deze wazige tijden. Uit alle oude documenten die ik tot op heden heb doorworsteld blijven er voor mij 3 plaatsen over nl. de omgeving van de Uylehoef (zie de uiteenzetting van Halenborch), rond de kapel van Grootlo, omwille van het driehoekige plein (een duidelijke verwijzing naar de Frankische periode) en de plaats ‘het Schalleken’ bij de Raambeek en nu onder Keerbergen (hierin zie ik een zeer oud toponiem Esgenloken vermeld in een document van WouterV Berthout uit 1243. (Hierover later meer)

    De volgende stap is de kerstening in onze streken. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste geloofsverkondigers, zij het sporadisch, in onze gewesten arriveerden omstreeks 650. Waarschijnlijk is dit voor Schriek ergens gebeurd in de loop van de VIIIe of IXe eeuw.En wat moeten we ons daar nu bij voorstellen?

    Wat onze streken betreft zijn er dus eerst de grote families die vanuit de zandige Kempen stelselmatig zijn afgezakt naar het zuiden om zich te vestigen in de vruchtbare valleien van het Vlaamse land. Dit ruwe volk van landbouwers, herders en jagers is ongenadig in zijn drang naar bezit en macht. Zeer strenge wetten regelen hun vormen van samenleving. Zij bouwen zich houten huizen, sommigen voorzien van een uitkijktoren (het vroonhof) en ook meestal omheind met houten palen of struiken met grote doornen. Zij vereren hun eigen heidense goden als Wodan, Thor, Freya, enz…Bossen beschouwen zij als heilige plaatsen. Vreemdelingen werden steeds zeer argwanend behandeld. Naarmate ze meer en meer in contact kwamen met meer geciviliseerde mensen, gingen zij zich ook steeds minder brutaal gedragen doch hun gemeenschappen bleven zeer gesloten voor buitenstaanders. U zal nu wellicht begrijpen dat de taak van die eerste geloofsverspreiders een zeer moeilijke opdracht was. Zij dienden eerst en vooral het vertrouwen van die Frankische gemeenschap te winnen en dan konden ze zich op een veilige afstand zelf vestigen. Zij werden zeker niet opgenomen binnen die gemeenschap. Daarna kon de kerstening beginnen. De meeste zendelingen predikten met een kruis in de hand en zo ontstond er een bidplaats of altaria toegewijd aan het H. Kruis.

    -BIDPLAATSEN :ontstaan beetje bij beetje overal sinds rondtrekkende predikers het geloof in onze gewesten naar de plaatselijke nederzettingen hebben gebracht. Sommigen kapelletjes of altaria groeien uit tot doopkerken. Een dergelijke bidplaats ontstaat ook te Schriek (lees-Grootlo).

    -DOOPKERKEN :zijn bidplaatsen die uitgroeiden tot een grotere nederzetting en waar een presbyter, zeg maar pastoor, voldoende inkomsten kon bekomen om goed van te leven.
    Deze inkomsten bestonden in de eerste plaats uit een stuk goede grond om te bewerken (want deze eerste presbyters waren zelf ook boer) en voldoende inkomsten uit de tienden (= de toenmalige belasting, en offergaven ). Dus moesten er wel voldoende mensen in de buurt wonen, die ook voldoende inkomsten hadden voor hun gezin.
    Zo zien we doopkerken verschijnen te Beerzel, Heist, Aarschot, Baal, Keerbergen, Rijmenam en Werchter.
    Dat Schriek-Grootlo niet uitgegroeid is tot een doopkerk moet men zoeken in het feit dat de schaarse bewoning onvoldoende financiële garanties gaf. Niet vergeten dat de bewoners ten westen van de Drayboomstraete vanouds tot de parochie Beerzel behoorden. Welke presbyter zou zich in dat arme plaatsje bij en in het moeras komen vestigen ? Of nu deze bidplaats soms ook al eens als doopkerk is gebruikt durf ik hier niet met zekerheid verklaren; maar er zijn wel enkele aanwijzingen die wijzen op het feit dat de paters van de abdij van Park hier hun graantje kwamen meepikken ! Niet vergeten dat zij ook de lakens uitdeelden te Werchter, en alzo financieel nadeel ondervonden door het eventueel wegvallen van deze parochianen.

    1* De presbyter van Beerzel was te ver weg, en dat deel interesseerde hem blijkbaar niet, veel te moeilijk bereikbaar. Hij moest of door het moeras of rond langs Tremelo-kruis.
    2* Hoe heeft de prelaat van Park anders de Bollootienden weten te versieren?
    3* Waarom stond er destijds zo’n grote kapel als het enkel een bidplaats was? Zie het bedevaartsvaantje van omstreeks 1562 !
    4* Vergeet niet dat er regelmatig grensbetwistingen waren tussen : Schriek-Grootloo en Werchter na de oprichting in 1309 van de nieuwe parochie. De vroegere pastoor van Beerzel had alles zo zo gelaten, maar de nieuwen herder van Schriek ontfermde zich waarschijnlijk over gans Schriek en kwam zo in het vaarwater van de prelaat van Park.
    5* Waarom spreekt de prelaat van Park van “de kapel van Schriek”, als iedereen weet dat sinds 1309 Schriek een volwaardige parochiekerk had en uit de plannen zal blijken, helemaal geen kleintje !

    Is deze eerste bidplaats nog terug te vinden?

    Na lang zoek en puzzelwerk denk ik te mogen zeggen dat de plaats bij benadering met een grote waarschijnlijkheid kan aangetoond worden op de volgende plannen en aan de hand van oude toponiemen en documenten.

    Detail van de kaart uit 1742 (RAB)
    De oude toponiemen als : cruysbosch (2) – cruysbrug (1) – cruysbempt (3) – altenaer (5) en gote (4 - niet in de betekenis van afwateringskanaal, maar afgeleid van gode) liggen op een steenworp van elkaar.

    Daarbij komt dat ‘den altenaer’ een driehoekig perceel grond is, wat er op zou kunnen wijzen dat het zeer vroeg in de tijd is ontstaan. Heel eigenaardig is ook de aanduiding van dat driehoekig perceeltje (een deeltje van het grotere stuk) op de oudste kaart van Schriek uit 1742. Waarom wordt het trouwens nog aangeduid op een kaart ook al staat er op die plaats reeds vier eeuwen lang geen kapel meer? Als herinnering aan deze memorabele plaats? Het kleinste gedeelte bij de weg was ook nog eens eigendom van de gemeente, waarschijnlijk omdat er niemand gevonden werd om die plaats te verbouwen. Een beetje bijgeloof was vroeger niet uit de lucht. Wie zou het aandurven te zaaien of te planten op de heilige grond waar ooit de eerste kapel stond? Ook de tekst op de kaart “Grootloo by cruys” zegt voldoende. Van de gote weten we dat het in de oudste rekeningen van omstreeks 1560 steeds vermeld is als: ‘de kerckenbosch genaemt de gote’ . Was dit wellicht het heilige bos van de Frankische nederzetting van voor de kerstening?

    detail van de Ferrariskaart

    En wat te denken van de twee huisjes nabij die plaats (6) welke kerkelijk onder de parochie Werchter ressorteerden; wellicht een overblijfsel van de oude twist tussen de kerk van Werchter en de Berthouten.
    We weten dat Schriek reeds een kapel bezat toegewijd aan Sint-Jan Baptist omstreeks 1265, dus voor de bouw van de nieuwe kerk in 1309. Ook in 1329 waren de problemen met Werchter in verband met de kapel te Schriek lees Grootlo nog niet van de baan.

    Detail van de wegenkaart uit 1834. Hier zie je de opsplitsing van het ganse stuk in twee delen 35 en 34

    Stelt zich nu de vraag ‘Van waar is Sint Jan dan als patroonheilige gekomen?’

    Hoogstwaarschijnlijk vindt die patroonswissel plaats tijdens de prediking en aanwerving van het voetvolk voor de eerste kruistochten omstreeks 1096, waarbij de toenmalige heren van Aarschot en Grimbergen ook vertegenwoordigd waren. Deze prediking kon best gebeuren aan de reeds bestaande bidplaats. Er was toen immers hoegenaamd nog geen sprake van een permanent aanwezige presbyter of pastoor.

    Waarom volg ik deze hypothese ?

    • a) De patroonheilige van deze kapel werd Sint Jan Baptist, tevens de beschermheilige van de eerste kruistochten. De ridders en strijders aan deze tochten moesten zich tooien met een sint-janskruis. Dit symbool was vrij eenvoudig te maken en aan te brengen in de kapel. De oude toponiemen met cruys kunnen ook hiervan zijn afgeleid.
    • b) Vertrekkende vanuit Leuven naar ’s Hertogenbosch (de beide hoofdplaatsen van het graafschap Brabant), vinden we op dagafstand van elkaar steeds oude kerken met dezelfde patroonheilige terug, namelijk St.-Jan Baptist. Volg je mee op een kaart : Leuven Tildonk Werchter Schriek Wiekevorst Herentals Poederlee … tot ’s Hertogenbosch.
    • c) Naar alle waarschijnlijkheid verzamelde dit voetvolk zich in steeds groter wordende groepen terwijl het zich begaf naar de plaats van vertrek. Aangezien de legers zich oostwaarts bewogen lijkt het mij zeer logisch dat deze groepen zich verplaatsten langs de oude heirbaan van Grimbergen over Elewijt en Keerbergen langs Veldonck naar Aarschot. Hebben dergelijke groepen verzamelt te Grootloo Cruys?

    En hoe zit dat nu met ‘Sint Jan in den Scriecke’?

    Zoals we voorheen reeds hebben gezegd is Grootlo steeds een deel geweest van het oude Schriek, zoals ook Bollo. Grootlo en Bollo waren eigenlijk het echte moerasgebied met de grote poelen en Schriek moet je situeren als het geheel met de droge plaatsen binnen en buiten het moeras. Men spreekt ook altijd van ‘in den Scriecke’. Wanneer je de plaats van de eerste kapel bekijkt dan ligt die wel degelijk op een droge plek in het moerasgebied met in het westen de laagten van de huidige Tramlei, in het oosten de laagten van de Peyerlanden en in het noorden de laagten van het Rot.

    Maar op het vaantje heeft de kapel van Grootlo als patroon : ‘de Zoete Naam Jezus’.

    Het is duidelijk, de kapel van St.-Jan in den Scriecke op den altenaer had na de bouw van de nieuwe kerk in 1309 in principe zijn waarde verloren. Maar dat was buiten de tradities van de oude Grootlonaren gerekend die (ik vermoed enkele jaren later) de oude kapel hebben vervangen door een nieuwe kapel in het centrum van Grootlo. Deze vrij grote stenen constructie is wellicht het werk van een plaatselijke weldoener of een ‘berekende gift’ van de abdij van Park, die nu heel wat inkomsten hadden verworven, zelfs binnen Schriek. Afgaande op de gekende tekeningen zou ik durven opteren voor een bouwwerk uit de 14e eeuw. Misschien koesterde de abdij nog andere plannen voor Grootlo en omgeving maar heeft die om een of andere reden niet ten uitvoer kunnen brengen. Na de turfwinning bleven er alleen de zanderige heidegronden met enkele grotere waterpoelen en moerassen over in dit zuidelijke deel. Zeker niet ideaal om nog een grote bevolkingsaangroei in deze regio te realiseren. Daarbij komt dat de meeste nieuwe nederzettingen in noord en centraal Grootlo zich richten tot de kerk van Schriek en niet tot de kapel van Grootlo, welke geen echte kerk was voor doop of begrafenis.

    Wat mij ook steeds heeft verwonderd is het feit dat er geen oude misweg is gekend tussen de kerk van Schriek en de oude of nieuwe kapel te Grootlo, wat er nogmaals op wijst dat de bediening vanuit Beerzel of later vanuit Schriek weinig of onbestaande was. De moeilijke bereikbaarheid door de grote waterpoelen en moerassen zijn daar zeker niet vreemd aan. Naarmate de ontginningen in het noorden van Grootlo toenemen zien we daar wel twee lange miswegen ontstaan te weten : de Goorvoetweg vanaf de Goorschrans en de Leegen Kerkweg vanop de Hoge Heide. Dit zou kunnen wijzen op het feit dat de monniken van Park nog verschillende jaren na 1309 de diensten verzorgden te Grootlo. In 1560 is het de kapelaan van Schriek die de zorg van Grootlo voor zijn rekening nam. Ook de grote processie hield destijds halt aan de kapel. Op dat ogenblik is er geen enkele relatie met Park meer te vinden, tenzij dat ze nog steeds beschikten over de Bollotienden en de gronden van de Bollo de eigendom waren van een rijke familie. ‘k Ben bijna zeker dat ik ooit familiebanden zal vinden tussen deze familie en een abt van Park.


    27-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    26-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schriek in de oudheid

    Schriek in de oudheid.

    DE PREHISTORIE

    Archeologische vondsten als : een vuurstenen vuistbijl (1), pijlpunten (2), schrabbers (3) en andere voorwerpen, in de omgeving van de Valkelarenbeek, Schopbossen en Koudhalzen laten vermoeden dat er zich in onze gewesten tijdelijke vormen van bewoning hebben bestaan. We spreken hier over een periode van meer dan 3000 jaar geleden. Deze eerste bewoners waren rondtrekkende nomaden die zich uitsluitend bezig hielden met jacht, visvangst en vruchtenpluk, iets waarvoor onze streek zich duidelijk leende, met aan de ene kant de uitlopers van het grote Waverwoud, en aan de andere kant het grote veengebied met aan zijn randen de heidegronden met talloze vennen en de stromende rivieren van Dijle, Raam en Nete. Een grondiger onderzoek kan wellicht in de toekomst nog verrassend uit de hoek komen, maar dit is duidelijk een werk voor specialisten.
    (1) Geslepen bijl gevonden ter plaatse Schopbossen, nu onder Grasheide, door P. Van den Broeck
    (2) Gesteelde pijlpunt met vleugels gevonden ter plaatse Koudhalzen door Erik Ceuppens
    (3) Afslagschrabber gevonden ter plaatse Koudhalzen door Erik Ceuppens

    OUD-BELGEN

    Met een bijna aan waarheid grenzende zekerheid kunnen we stellen dat geen van de zeven Oud-Belgische volksgroepen of stammen in onze streken lang hebben verbleven. De Menapiërs vonden we terug rond Antwerpen, de Eburonen rond Tongeren en de Nerviërs in onze huidige provincie Henegouwen. De anderen vinden we in de polders aan zee en in onze Ardennen. Daar deze stammen elkanders gezelschap niet apprecieerden en onze gewesten centraal gelegen waren tussen de drie eerst genoemden, kunnen we begrijpen dat het hier een soort van niemandsland was, sporadisch bezocht door enkele verdwaalde jagers of een vogelvrij verklaarde, dit is een veroordeelde welke zijn stam als straf moest verlaten.

    ROMEINEN

    Uit de lessen van “Onze Vaderlandse Geschiedenis” herinneren we ons zeker nog de geromantiseerde strijdverhalen van de dappere Oud-Belgen tegen de supermacht uit Rome. De uiteindelijke gevolgen voor onze geschiedenis zijn niet niks. Zij gaven ons de naam : Belgen. Zij romaniseerden ons land, dat zich vroeger uitstrekte tussen Rijn en Seine, en, dus beduidend groter was dan zijn huidige grenzen. Deze Romeinse invloed bloedde echter dood aan de zuidgrens van het Kolenwoud. Deze grens – ondertussen verschoven naar de noordgrens van het Kolenwoud - werd na jarenlange politieke strijd vastgelegd, en is nu bij ons gekend als : de taalgrens tussen Vlaanderen en Wallonië. Afgezien van de versterkingen langs de Rijn en enkele sporadische vondsten in Vlaanderen, zoals te Rijmenam, kunnen we besluiten dat onze gewesten weinig Romeinen op hun grondgebied hebben zien passeren. De kans dat we op Schriekse bodem ooit Romeinse munten of restanten van een villa of heirbaan zouden aantreffen, is enorm klein.

    FRANKEN

    Zoals reeds is beschreven in het hoofdstuk over de oude kapel is de Schriekse bevolking gegroeid uit enkele Frankische nederzettingen van weleer. Zij zijn dus de eerste echte bewoners van Schriek.
    KAREL DE GROTE
    Hem kunnen we bestempelen als de eerste Heer in onze gewesten, die daadwerkelijk heeft gezorgd voor de ontwikkeling van onze streken. Hij zorgde voor een verbetering van de landbouw, het droogleggen van moerassen en de ontginning van de bossen. Hij vond hierin een bondgenoot bij de verkondigers van het christelijk geloof. Deze samenwerking wordt beloond met de veralgemeende invoering van de tienden ten voordele van de kerk, haar bedienaars en de armen. Over deze tienden zal in de loop der tijden heel wat worden geruzied, je weet wel, “ voor het geld danst de beer “. Daarom volgende toelichtingen bij deze eerste vorm van belastingen voor onze mensen.

    Wij onderscheiden in de komende eeuwen volgende soorten :

    a) Oude, volle of grote tienden : van alles wat men produceerde, maar voor onze streken was dat vooral de graanoogst, diende men 1/10 af te dragen aan de priester, abdij of een vertegenwoordiger van de kerkelijke macht. In werkelijkheid was het meestal de 11e schoof op het veld ( koren, gerst, tarwe, haver, spelt, boekweit ) welke werd betaald als bijdrage. Dit is geen 10 % van de opbrengst maar slechts 9,09 %. Waren wij, Vlamingen, toen al bedreven in het ontduiken van belastingen ? Om deze schoven te bewaren werden er tiendenschuren gebouwd, zoals er heden op de binnenkoer van de abdij van Tongerlo nog eentje is te bewonderen. Of er ook te Schriek zo een schuur heeft gestaan is tot op heden niet bekend. Wel vinden we in het kerkarchief dat de torenzolder werd verhuurd aan de koster om er zijn graanoogst te bewaren. Misschien is dit een aanwijzing voor het feit dat de Schriekse pastoors destijds hun granen bewaarden op de kerktorenzolder. We moeten toegeven, een veiligere plaats kon men zich toen niet voorstellen.

    b) Smalle of kleine tienden : 1/10 deel van minder bekende gewassen als koolzaad, vlees, kippen, kaas en eieren, enz… en ook nieuwe producten als aardappelen. Deze tienden zijn van latere datum, en werden meestal ingevoerd als de opbrengst van de grote tienden onvoldoende bleken. Heden zouden wij dat benoemen als maatregelen om de begroting in evenwicht te brengen.

    c) Nieuwe of novale tienden : 1/10 deel van de nieuw ontgonnen gronden of later van de nieuwe gewassen op deze gronden gewonnen. Tijdens de eerste jaren bedroeg de belastingdruk 1/30 of soms 1/16, om na enkele jaren op het gebruikelijke 1/10 deel te worden gebracht. Deze nieuwe tienden verdwenen stelselmatig in de zakken van de grondeigenaars, meestal de heren van de heerlijkheid, omdat zij de eigenaars waren van alle vage en onontgonnen percelen binnen hun gebied.

    d) Slapende tienden : gronden waarvoor het tiendenrecht bestond maar waarop geen gewassen – zij het tijdelijk – werden verbouwd. Dit was een manier om als grondeigenaar in het bezit te komen van bepaalde stukken grond met hun tienden. Men liet de gronden enkele jaren onbewerkt, zodat er geen tienden dienen te worden betaald, en daarna bracht men ze terug in cultuur en werden het nieuwe tienden, minder zwaar belast en meestal ten voordele van de grondeigenaar of leenheer.

    De verdeling van deze tienden gebeurde volgens een vast schema :

    1/3 voor de abdij of de presbyter, wat we nu de pastoor zouden noemen, om in hun levensonderhoud te voorzien. We zouden het zijn loon of wedde kunnen noemen voor zijn pastorale werkzaamheden.

    1/3 voor de kerk, sacristie en pastorie, als gebouw, om al de nodige zaken aan te kopen en herstellingen uit te voeren tot onderhoud, vergroting of verfraaiing.

    1/3 voor de tafel van den H.Geest , het OCMW uit het verleden, waarmee de abdij of de presbyter de armen en behoeftigen konden helpen. Dit deel moest in theorie worden beheerd door de H.Geestmeesters, meyer en schepenen, maar werd meestal overgelaten aan het “eerlijke oordeel “ van de pastoor.

    Of deze ganse verdeling steeds op deze wijze correct werd uitgevoerd ? Laten we zeggen dat ik dat ten sterkste betwijfel. Het dient ook gezegd dat sommige pastoors zich niet bezig hielden met het innen van de tienden, en zij deze tienden of een deel daarvan verkochten aan bepaalde welstellende personen, voor een vast gelegd bedrag. De pastoor was op deze wijze van dit vervelende werk verlost, maar het risico dat dit kon leiden tot diefstal van tienden door derden was nu zeer groot geworden.

    DE GRAVEN van LOON

    Na het uiteenvallen van het grote rijk van Karel de Grote belanden we in het feodale tijdperk van onze geschiedenis. Deze periode zal de geschiedenis van de volgende tien eeuwen beïnvloeden om uiteindelijk met de Franse Revolutie in 1789 of enkele jaren later volledig te verdwijnen.

    Wat dienen we te verstaan onder feodaliteit ?

    Het is de vorm van het sociale en politieke samenlevingspatroon van de middeleeuwen. Het betekende de decentralisatie van de macht. Waar vroeger de koning of keizer alle macht in zich droeg, gaat deze nu de macht over delen van zijn land gedeeltelijk overgeven aan enkele grote leenmannen (graven, hertogen,…), in ruil voor geleverde, en in de toekomst te leveren diensten, meestal waren dat zuivere militaire diensten, zoals manschappen, soms voedsel en verblijf voor bevriende legers, enz… Van de leenheer kregen deze leenmannen ook de algemene rechtsmacht, zoals het innen van belastingen, het leveren van herendiensten, rechtspraak, enz… Deze grote leenmannen pasten, zij het soms onder andere bepaalde regels, dit zelfde systeem van in leen geven toe aan de kleinere leenmannen, die dat soms op hun beurt nog maar eens overdeden aan de gewone ‘ridders of jonkers’. De graven van Loon en de Prins-bisschoppen van Luik kunnen we hier zien als de grote leenmannen van onze gewesten, later gevolgd door die van Aarschot, Grimbergen, de Berthouten, enz… tot bij de Familie Van der Stegen.

    De eerste eeuwen na het uiteenvallen van Karel de Grote zijn rijk zijn voor de historici met een waas van onduidelijkheden omgeven. Komt daarbij nog dat op het einde van de 9e eeuw de invallen van de Noormannen de situatie hier niet verduidelijkten. Integendeel, buiten enkele grote algemene lijnen valt voor onze streken weinig informatie te rapen. Na de opsplitsing in 843 behoorden onze gewesten onder Lotharius (van waar de naam Lotharingen). In 925 veroverde Hendrik I de Vogelaar Lotharingen, zodat we op dat moment deel uitmaakten van het Grote Duitse Rijk ( ook Ottoonse Rijk genoemd ). Het is tijdens deze nevelige jaren die daar op volgden, dat het Prinsbisdom Luik en het graafschap Loon de rechten verwierven in onze contreien. In 974 werd dan het markgraafschap Antwerpen opgericht, en onze gewesten ressorteerden onder dit nieuwe graafschap.

    Uit al deze vage informatie springt ons een zaak duidelijk in het oog : het oude Schriek was – en zal het helaas ook blijven – een grensgeval, bij al deze verdelingen en opsplitsingen. En zegt het spreekwoord niet : ‘men moet zijn grenzen verleggen’, iets wat voor Schriek echt letterlijk zal genomen worden, en wat meestal niet in ons voordeel zal uitdraaien.

    Even opsommen :

    -Schriek bevond zich in het grensgebied van de Noormannen. We mogen niet vergeten dat deze veroveraars via de Dijle richting Leuven voeren. Zij zouden ongeveer zeven jaar in onze streken hebben verbleven, alvorens in 891 nabij Leuven definitief te worden verslagen., om dan één jaar later volledig te zijn verdwenen uit onze gewesten.

    -Schriek bevond zich op de zuidgrens van het Waverwoud. In alle oude documenten spreekt men steeds over deze groene long, gelegen tussen de beide Neten en de Dijle.

    -Schriek lag op de grens van het oude Graafschap Loon, later het Graafschap Aarschot, ook op de grens van de bisdommen Kamerijk en Luik, nog later op de grens van de heerlijkheden van Grimbergen of de Berthouten, het Land van Mechelen, het land van Kleef, het Land van Arkel, nog later op de grens van de bisdommen Mechelen en Antwerpen, of op de grens van het Franse département “ Des deux Néthes “ of onze huidige provinciegrens Antwerpen.

    Wie nu denkt dat deze grenspositie ons voorspoed heeft gebracht, komt bedrogen uit. Dure processen en lepe zetten van de tegenpartijen zullen Schriek herleiden tot de 1109 ha van vandaag, of moeten we sinds de fusie met Groot-Heist op 1 januari 1977 besluiten dat Schriek volledig is opgepeuzeld door zijn naaste buren ? Niet te verwonderen dat velen met ons meevoelden en toen de Bolloo bijna volledig van Schriek werd ontnomen spraken de mensen van “Arm Schriek”, uit medelijden. Anderen gaven de schuld aan zijn bestuurders en spraken van “ Lomp Schriek”. Zij zouden het anders aangepakt hebben, of hoe de woorden van politiekers door de eeuwen heen nog steeds niet zijn veranderd !


    26-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (1)
    25-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schriek na de Berthouten.

    Schriek na de Berthouten.
    door René Lambrechts ©

    Na de dood van Floris Berthout in 1331 wordt Margaretha van Gelre (de oudste kleindochter van Floris) de eerste vrouw van het Land van Mechelen omdat zijn enige dochter in 1329 was overleden. In welke mate Reinout II van Gelre als echtgenoot van Sophia, enige rechten kon doen gelden in de nalatenschap van zijn echtgenote is nog onduidelijk. Zo bevestigde Margriet, oudste dochter van myns heren Reynolds bi der ghenade Gods hertoghe van Gelre ende van Zutphen in 1339 door een zelfde verklaring nopens bepaalde rechten over Berentrode ; rechten verkregen van Floris Berthout en zijn dochter Sophie in 1326.(Handschrift van Huldenberg p.91 en 97 in Mechels Stadsarchief)

    Reinout II de Zwarte van Gelre zoon van Reinoud I van Gelre (‘de Strijdbare’) en Margaretha van Vlaanderen
    ° Ong.1295
    Huwt te Roermond op 11 januari 1311 met Sophia Berthout (° … - † 06.05.1329): dochter van Floris Berthout en Mathilda van Mechelen (Reinoud is 15-16 jaar oud, Sophia waarschijnlijk jonger)
    Sinds 1318 regent van Gelre
    Sinds 1326 graaf van Gelre en Zutphen
    Sinds 1339 hertog van Gelre
    Kinderen:
    1. MARGARETHA van GELRE
       ° Ong.1320
       Huwelijksvoorwaarden vastgelegd op 4 juli 1342 met Gerard V van Gullik, de oudste zoon van graaf Willem van Gullik, maar vermoedelijk nooit gehuwd. Zij erft het Land van Mechelen van haar moeder.
       † 04.10.1344
    In het RA te Arnhem bevindt zich de ‘Recepta Heinrici de Roobroke 1331-1332’
    Dit zijn de rekeningen van de inkomsten en uitgaven van Hendrik van Robroek, drossaard en rentmeester van de graaf van Gelre en van zijn oudste dochter Margareta voor het land van Mechelen.

    Hierin vinden we de inkomsten, ook uit tienden, te Grote Loe, in den Scriec en op Bolloe, maar tevens bij de uitgaven de betaling van de pastoor van Schriek : ‘den prochiaen van den Scriecke 12 lb lov.’

    2. Mechtild van Gelre
       ° Ong.1325

    3. Elisabeth (of Isabella) van Gelre, abdis van het klooster van ‘s Gravendaal
       ° ?
       † 10.12.1376 in het klooster ‘s Gravendaal bij Goch

    4. Maria van Gelre
       ° Ong.1327
       Huwt op 25.12.1362 met Willem II/VI van Gulik(† 1393)
       Kinderen :
         1.Johanna van Gullik
         ° ong.1362 - † 19.07.1415
         2.Willem I van Gelre en Gullik
         ° 13.03.1363 - † 16.02.1402
         3.Reinoud IV van Gelre en Gullik
         ° Ong.1365 - † 25.06.1423
         † in november 1397

    Huwt voor de tweede maal te Nijmegen op 20.10.1331 met Eleonora (Plantagenet) van Engeland (° Woodstock 08.06.1318 - † Deventer 22.04.1355) dochter van Eduard II Plantagenet, koning van Engeland en van Isabella (‘de Schone’ van Capet) van Frankrijk
    Kinderen:
    1. Reinoud III ‘de Dikke’ van Gelre
      ° 13.05.1333
      Huwt in 1347 met Maria Van Brabant
      † 04.12.1371
    2. Eduard van Gelre
      ° 12.03.1336
      Huwt met Catharina Van Beieren-Holland
      † Baesweiler 24.08.1371

    † te Arnhem op 12.10.1343 

    Na de dood van Reinout II is het zijn zoon Reinout III die hem opvolgt als Hertog van Gelre en Zutphen.

    MECHTILD van GELRE

    soms genoemd Mathilde of Machteld
    Sinds 1344 Vrouwe van het Land van Mechelen
    Sinds 1348 gravin van Kleef
    Sinds 1371 hertogin van Gelre, Zutphen en Blois
    Op 24.03.1379 staat ze haar troon af in Gelre, maar behoudt haar titels
    ° Ong.1325 dochter van Reinout II van Gelre en Sophia Berthout
    Huwt op 01.11.1336 met Godfried van Loon-Heinsberg (° 1321- † kort voor16.10.1342, zoon van Dirk II van Heinsberg en Kunigunde van der Mark) Hij was heer van Millen en Maeseyck.

    Huwt voor 22.02.1348 met Johan van Kleef (° 1292 of 1293- †19.11.1368, zoon van Dirk VIII van Kleef en Margaretha van Kyburg)
    Sindsdien noemt men het Land van Mechelen ook het ‘Land van Kleef ’.

    Huwt op 14.02.1372 te Arnhem met Jan van Chatillon, graaf van Blois († 1387)
    † te Huissen op 21.09.1384

    Deze vrouw heeft wel echt geschiedenis gemaakt tijdens haar leven, zowel in Vlaanderen als in Nederland. Na de dood van haar zuster Margaretha in 1344 werd zij de nieuwe Vrouwe van het Land van Mechelen.

    Na de dood van Reinout II in 1343 volgt Reinout III, zijn oudste zoon uit zijn tweede huwelijk, hem op als hertog van Gelre. Maar ook zijn jongere broer Eduard wil de macht in Gelre.Dit leidt tot de gevangenneming van Reinout III en een machtsovername van Eduard als nieuwe hertog van Gelre in 1361. Sinds 1366 hebben tal van schermutselingen plaats tussen de twee rivaliserende groepen van adel met langs de ene zijde de Heeckerens die Reinout steunen, en langs de andere kant de Bronckhorsten die het opnemen voor Eduard, zonder dat een van de partijen de overwinning kan behalen. Wanneer echter het Brabantse leger door de troepen van Eduard worden verslagen te Baesweiler in 1371 wordt Eduard vermoord door een van zijn soldaten, zij het wel één van de clan van de Heeckerens. Zijn broer Reinout wordt terug uit de gevangenis gehaald, wordt de nieuwe hertog, maar overlijdt enkele maanden later op 04.12.1371.De strijd voor de opvolging kon terug losbreken…deze maal met andere speelsters, nl. Mechtild, met de steun van de Heeckerens, tegen haar jongste zuster Maria, gehuwd met Willem VI van Gulik en met de steun van de Bronckhorsten. Willem I van Gulik wist dank zij zijn inspanningen als Regent van Gelre de steun te krijgen van Karel IV en Albrecht van Beieren, graaf van Henegouwen en Holland-Zeeland, (huwt op18.09.1379 met Catharina van Beieren, Albrechts dochter), wat Mechtild deed besluiten om haar aanspraken op de troon te laten varen, maar met behoud van haar titels. Alzo werd Willem I van Gulik de nieuwe hertog van Gelre en verloor Brabant een stuk van zijn grondgebied.

    Ook in Vlaanderen laat ze van zich spreken. Zo verkoopt zij al haar recht en deel dat zij had in de dorpen Boechout,Edegem,Hove, Mortsel,Millegem onder Ranst en Vremde aan Ridder Jan van Ranst in 1381. Nog datzelfde jaar verkoopt ze het Land van Mechelen aan Antoon van Bourgondië, hertog van Brabant,( Handschrift van Huldenberg p.94 in Mechels Stadsarchief) om het nog slechts in leen te houden van hem.

    Na haar dood zouden de rechten normaal overgaan naar haar kinderen of kleinkinderen maar daarvan vonden we tot op heden geen spoor. Onze volgende heer van Schriek is Jan Van Arkel, echtgenoot van Johanna van Gulik, die de dochter is van Maria, Mechtild jongste zuster. Of Maria bij de dood van haar zus geërfd heeft of alle rechten rechtstreeks naar haar dochter Johanna zijn gegaan is ons ook tot op heden nog niet duidelijk.

    JAN van ARKEL

    ° Gorichem 11.09.1362 zoon van Otto van Arkel en Elisabeth van Bar Pierremont
    Heer van Arkel en Hagenstein
    Huwt op 18.10.1376 met Johanna van Gulik (° ong.1362 - † ong.1420), dochter van Willem VI van Gulik en Maria van Gelre. Beiden waren dus ongeveer 14 jaar toen ze trouwden
    Kinderen :
     1. Maria van Arkel
      ° Ong.1385 - † 18.07.1415
      huwt op 23.06.1409 met Jan van Egmond (Jan met de Bellen) (° ong. 1385 - † 04.01.1451, begraven te Egmond) zoon van Arend van Egmond en Jolanda van Leiningen Saarbrucken.
      Uit dit huwelijk : 2 zonen, nl. Arnold (°1410) en Willem (° 26.01.1412)

     2. Willem van Arkel
      † gesneuveld in 1417.

    † te Leerdam 25.08.1425
    Sinds het land van Mechelen onder het bestuur van Jan van Arkel valt spreken we ook over het ‘Kwartier van Arkel’. Dit is op korte tijd de derde naam voor hetzelfde gebied. Uit deze regeerperiode zijn ons echter zeer weinig details bekend voor Schriek en omgeving buiten de eerste notities in het oude cijnsboek.

    WILLEM van EGMOND

    ° 26.01.1412 zoon van Jan van Egmond en Maria van Arkel

    Na de dood van zijn grootvader in 1425 wordt hij, als wettige erfgenaam, de nieuwe heer van Schriek en Grootlo. (Volgens P.Carton IV bij J.TH de Raadt lezen we op p.8 ‘Joncheer Willem zoene tot Egmonde, broeder tot Ghelre ende heere vanden lande van Mechelen’ gebruikte voor het schepenzegel van Schriek, het wapen van de Berthouts. Maar op een document van 15 januari 1438 vinden we het wapen van de van Wezemaals terug, wat er op wijst dat Jan reeds zijn rechten had opgeëist.)

    Jan van Arkel zou de rechten van zijn ‘land van Mechelen’ overgelaten hebben aan zijn kozijn, Jan van Wezemaal, wat betwist werd door Willem van Egmond. Op 6 november 1459 gaf hertog Filips de Goede een mandement aan de Markgraaf van Antwerpen, De Schout van Lier en de leenvinder van Brabant, om het Land van Mechelen toe te wijzen aan Jan II van Wezemaal, die de leenmannen blijkt omgekocht te hebben. Zo wordt Jan van Wezemaal officieel de nieuwe heer van de heerlijkheid Schriek en Grootlo.(VdW.p.62)

    † te Grave op 19.01.1483

    JAN II van WEZEMAAL

    ° Ong.1417 (bastaard)zoon van Jan I van Wezemaal en Johanna van Baufremont.

    Jan I was voorheen kanunnik in Utrecht, maar omdat zijn oudere broer Willem II kinderloos was gestorven, werd op hem beroep gedaan om voor het nageslacht te zorgen. Daarom huwde Jan I in 1383 met Ida van Berchem, weduwe van Jan van Lier, ridder en heer van Noorderwijk. Doch dit huwelijk liep op de klippen. Via valse geruchten als zou ridder Jan van Lier helemaal niet gesneuveld zijn, maar nog ergens in leven, bekwam hij de nietigverklaring van zijn huwelijk en de mogelijkheid tot hertrouwen. Dat deed hij niet, hij ging samenwonen met Johanna van Baufremont, en er werd een zoon geboren …Jan II van Wezemaal. Met de hulp van de Brabantse adel en de kerkelijke heren in Avignon en Rome werd Jan II de wettige erfgenaam in het huis van Wezemaal. Dit werd ten stelligste betwist door Richard II de Merode, zoon van Richard I en Margaretha van Wezemaal, zus van Jan I van Wezemaal. Door gebrek aan steun die alleen kwam van de Utrechtse kapittels, enige eigenaars van Westerlo, deelde Jan II toch overal de lakens uit met de steun van zijn vrienden. Wanneer hij in 1462 zijn testament maakt waarin hij al zijn goederen schenkt aan Karel de Stoute,in ruil voor militaire bescherming (ook goederen welke hij eigenlijk niet bezat zoals Olen en Westerlo, zullen nog veel stof doen opwaaien in die streken). In 1464 overleed Jan II, voor Schriek en Grootlo geen probleem : wij maken nu deel uit van het grote rijk van Karel de Stoute. K.Lemmens beweert dat de schenking werd gedaan aan Filips de Goede, de vader van Karel de Stoute. Dit klinkt heel onwaarschijnlijk omdat : in 1462 Filips een eerste maal getroffen werd door een beroerte ; op 12 januari 1464 Filips zich verzoent met zijn zoon en in een helder moment heeft ingezien dat zijn vertrouwelingen : de Croys, samenwerken met de Franse koning, en daarom besluit op 27 april 1465 af te treden ten voordele van zijn zoon. Filips zou dan in Brugge op 15 juni 1467 na een van zijn beroertes op 71-jarige leeftijd overlijden.

    † in 1464

    KAREL DE STOUTE

    ° te Dijon op 11.11.1433 zoon van Filips de Goede en Isabella van Portugal (Karel was de enige nog levende zoon, daar zijn beide oudere broers : Antonius en Joost, vrij jong stierven)

    Graaf van Charolais en ridder van het Gulden Vlies vanaf zijn geboorte en erfgenaam van Bourgondië.Werd voornamelijk in Vlaanderen opgevoed en leerde er Nederlands, Frans en Latijn en kreeg er ook zijn militaire opleiding.

    Huwt te Dijon op 19 mei 1440 met Catharina van Frankrijk, twaalf jaar en dochter van de Franse koning Karel VII en Maria van Anjou. Catharina sterft echter op 18 jarige leeftijd alvorens het huwelijk echt werd voltrokken.

    Huwt op 30.10.1454 met Isabella van Bourbon ( + 25-26.09.1465), dochter van Karel van Bourbon en nicht van de Franse koning. Op 22.03.1454 had zijn vader hem benoemd tot gouverneur van de Nederlanden.

    Op 27 april 1465 treedt de zieke Filips de Goede af ten voordele van zijn zoon Karel. Filips zou sterven te Brugge op 15.06.1467. Karel de Stoute wordt nu hertog van Bourgondië, Brabant, Limburg, Luxemburg en graaf van Vlaanderen, Henegouwen, Holland-Zeeland, Artesië, Namen en Franche-Comté.

    Huwt in Damme op 2 juli 1468 met Margaretha van York (+ 26.11.1504), zuster van de Engelse koning Edward IV.

    Door de vele oorlogen die hij voerde, mochten zijn gewesten steeds weer met financiële middelen over de brug komen. Het is bij een van deze veldslagen dat hij het leven laat.

    † sneuvelt aan de muren van Nancy op 05.01.1477.

    Na de dood van Jan II van Wezemaal wordt Karel de Stoute de nieuwe heer van het land van Mechelen. Hij voert terug drossaards en meiers in om zijn belastingen in onze gewesten te innen en zijn rijk te besturen. Jan II had echter aan zijn bedienden deze sommen beloofd, maar daar zette Karel de Stoute in 1468 een punt achter.
    “Van de meyerien van Grootloo ende van St Janne inden Scrieck …” (RK 11897 p, 28v anno 1468) Grootlo en Schriek worden gezien als twee verschillende delen, maar slechts met één meier, nl Wouter Nys van 24.06.1468 tot 24.06.1471 en Wouter De Hont van 24.06.1471 tot en met 1504.

    Maria van BOURGONDIË

    ° 13 februari 1457 te Brussel dochter van Karel de Stoute & Isabella van Bourbon

    Na het plotse overlijden van haar vader in januari 1477 kwam zij plots totaal onvoorbereid aan het hoofd te staan van een vrij groot imperium en zij was amper twintig. Daarom waarschijnlijk haar snel volgend huwelijk.

    Huwt te Gent op 19.08.1477 met Maximiliaan van Oostenrijk (° 22.03.1459 † 12.01.1519), zoon van de Duitse keizer Frederik III & Eleonora van Portugal.

    † Verongelukt in de bossen bij Torhout op 27.03.1482 tijdens een jachtpartij te paard.

    Maximiliaan regeert als regent voor zijn zoon Filips de Schone welke op 09.09.1494 als soeverein van de Nederlanden wordt ingehuldigd.

    FILIPS DE SCHONE

    ° 22.06.1478 te Brugge, zoon van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië

    Op 09.09.1494 ingehuldigd als soeverein der Nederlanden.

    Huwt te Lier op 21.10.1496 met Johanna van Castilië, dochter van de Spaanse koning Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Huwelijksovereenkomst gesloten te Antwerpen op 20 januari 1495 en de huwelijkscontracten getekend te Mechelen op 5 november van hetzelfde jaar.

    Op 10.01.1506 benoemt Filips de Schone Willem van Croy, heer van Chièvres en markies van Aarschot, tot regent van de Nederlanden, bij diens vertrek naar Spanje om er de erfeniszaken van zijn vrouw te gaan regelen. Tijdens deze reis zal hij op geheimzinnige wijze het leven verliezen.

    † te Burgos in Spanje op 25.09.1506 en wordt opgevolgd door zijn zesjarige zoon Karel.

    MARGARETHA VAN OOSTENRIJK

    ° 10.01.1480 te Brussel, dochter van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië

    Maximiliaan, voogd van Karel, zijn kleinzoon, aangeduid als plaatsvervangend landvoogd, benoemt zijn dochter Margaretha tot regentes der Nederlanden tot Karels’meerderjarigheid op 10.11.1506. Zij zal zich te Mechelen vestigen.

    huwt (1) op 03.04.1497 in Burgos met Juan van Aragon-Castilië (° 1478-† 1497)
    huwt (2) op 02.12.1501 in Romainmôtier (bij Lausanne) met Philibert II van Savoye (° 1480-† 1504).
    † 01.12.1530 te Mechelen en begraven in het klooster van Brou

    Het paleis van Margaretha van Oostenrijk te Mechelen, het huidige gerechtsgebouw.

    KAREL V

    ° 24 februari 1500 te Gent zoon van Filips de Schone en Johanna van Castilië
    Op 5 januari 1515 wordt Karel van Luxemburg onze nieuwe vorst. Niettegenstaande hij nog geen 15 jaar oud was, werd hij toch meerderjarig verklaard, dit door toedoen van Willem van Croy, kamerheer van Karel sinds 1509.
    Bij de dood van Margaretha van Oostenrijk volgt Maria van Hongarije, de zuster van Karel V, haar tante op als landvoogdes der Nederlanden.
    Op 25.10.1555 treedt Keizer Karel af ten voordele van zijn zoon Filips II.
    † 21.09.1558 in het klooster van Yuste.

    FILIPS II

    ° 1527 te Valladolid, zoon van Karel V en Johanna van Castalië
    Op 25.10.1555 wordt hij de nieuwe vorst der Nederlanden.
    Twee dagen na zijn aanstelling benoemt hij Emanuel Philibert van Savoye tot gouverneur-generaal van de Nederlanden.
    Op 25.08.1559 verlaat Filips II de Nederlanden, wij zullen hem niet meer zien !

    Juist voor hij onze gewesten heeft verlaten benoemt hij Margaretha, hertogin van Parma, (= Johanna van der Gheenst (°1552), onwettige dochter van Karel V bij zijn hofdame) tot nieuwe landvoogdes der Nederlanden. Zij zal worden bijgestaan door Antoine Perronet de Granvelle, bisschop van Atrecht. Onder hun bestuur worden vele heerlijkheden van het vroegere land van Mechelen verpand of verkocht. Zo gebeurde het ook met Schriek en Grootlo. Voor 10700 gulden wist Nicolaus van der Laen op 15 april 1562 deze heerlijkheid te verwerven. Het leenverhef voor het feodale hof van Mechelen en van Brabant gebeurde op 19 december van hetzelfde jaar.

    † 13.09.1598 te El Escorial



    25-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    24-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bouw der kerk

    Bouw van de kerk

    door René Lambrechts

    Deze begint in 1265 met het akkoord tussen Wouter V Berthout en de bisschop van Kamerijk.

    Wouter V krijgt er de novaaltienden van Schriek op voorwaarde dat hij er als heer een kerk zou bouwen en de pastoor vergoeden maar het benoemingsrecht ervan aan de bisschop zou laten. Mochten de offergiften en kleine tienden onvoldoende zijn voor inrichting en onderhoud, dan diende de heer het tekort bij te passen.

    De uitvoering van dit contract wordt door zijn schoondochter Adelisia de Guines en zijn kleinzoon Gillis Berthout verwezenlijkt.

    De eerste kerk werd hoogstwaarschijnlijk gebouwd in de jaren 1306-1309. Ze werd opgetrokken in witte zandsteen (vermoedelijk uit de omgeving van Grimbergen en aangevoerd met de boot tot Keerbergen (de Hansbrug) of Ninde en rode baksteen, in een Romaanse bouwstijl met een latijns kruis als grondplan en vijf altaren, wat heel uitzonderlijk is in onze streken. Onder aan de voet van de toren is een sierlaag aangebracht in Diestse ijzerzandsteen waaruit eveneens een “vostersteen’(1) werd vervaardigd en meer dan waarschijnlijk afkomstig van de groeven van Wezemaal. Of er aan de rest van de kerk destijds witte zandstenen of bruine ijzerzandstenen werden gebruikt is op het bedevaartvaantje niet meer vast te stellen en de constructie van het eerste kerkschip is volledig verdwenen bij de verschillende vergrotingen. De restanten van de Romaanse bouwstijl zijn terug te vinden in de ingangsdeur en de gebogen vensters van de toenmalige kruisbeuken en boven de kerkdeur zoals ze zijn afgebeeld op het bedevaartsvaantje dat dateert van omstreeks 1562. Trouwens men kan langs de binnenkant van de toren duidelijk de verandering van het venster boven de ingangsdeur waarnemen (zie foto). Van deze kerk rest ons nu noch slechts een aangepaste toren en een recent ontdekte grondvest van de oude kruisbeuk. Mocht er worden vastgesteld dat deze fondementen van latere datum zijn, dan zou dit betekenen dat er nog een bouwfase is geweest tussen de oprichting van 1309 en de tekening op het vaantje van 1562. Voor de andere grondvesten zal het wachten zijn tot op de dag dat men ook in onze kerk vloerverwarming zal aanleggen.


    Duidelijke aanpassing op de plaats waar de vroegere rondboog begint.


    Op de voorgrond de vostersteen. Let ook op de onderste lagen ijzerzandsteen en de wijze waarop de vergroting van 1795 tegen de toren is aangebouwd.


    Van de grondvesten van deze kerk zijn alleen die van de toren en een stukje kruisbeuk behouden, tenzij deze nog onder de vloeren van de kerk zouden zijn terug te vinden.

    Hadden de Berthouten grootse plannen met Schriek toen ze hier voor die tijd een toch vrij grote kerk lieten neerpoten ? Schriek, wel in volle ontwikkeling, telde wellicht geen 250 inwoners. En dan een kerk met vijf altaren bouwen, en ook nog een kapel bezitten die gebruikt werd, nl te Grootlo ! We zullen het helaas nooit weten, ze hebben deze geheimen vroegtijdig meegenomen in hun graf. En van de volgende heren onzer heerlijkheid moeten we echt niet te veel verwachten.

    Nadat de bouw van de kerk was voltooid richtten Adelisia de Guines en Gillis Berthout op 9 maart 1309 een schrijven aan de bisschop van Kamerijk met het verzoek de kerk van Schriek te erkennen en in te richten als parochiekerk.

    Bisschop Philippus de Marigny gelastte Heer Henricus, deken van H.Rumoldus te Mechelen en broeder Joannes de Marle (2), monnik der abdij van den H.Bernardus om te toestand ter plaatse te onderzoeken en hem hiervan op de hoogte te brengen. Dit verslag werd op 4 april 1309 overgemaakt aan de bisschop. Deze bracht zijn vertegenwoordiger te Brussel, de Heer Joannes de Monasterio, op de hoogte van zijn beslissing een gunstig gevolg te geven aan de vraag van de heren van deze heerlijkheid. In een brief van 8 juni 1309 werd de parochie Schriek officieel erkend met eigen doopvont en begraafplaats en alles wat een zelfstandige parochie toekomt.

    Deze brieven zijn te vinden in de bijlage onderaan.

    Was het nu nog wachten op de eerste presbyter of pastoor welke zou worden aangeduid door de bisschop of zijn vertegenwoordiger.

    Wanneer we nu aandachtig kijken naar de tekening op het bedevaartvaantje dan zien we duidelijk dat er zowel links als rechts een zijbeuk werd aangebouwd aan de eerste kerk. De constructie laat duidelijk zien dat dit geen bouwsel is van 1309, geen rondboogvensters of geen uitstaande steunberen. Wanneer deze zijbeuken zijn toegevoegd heb ik tot op heden niet kunnen achterhalen. De kans dat dit ooit gebeurd is zeer klein gezien het beperkte aantal documenten uit deze periode van onze geschiedenis. Toch geeft deze prent ons de mogelijkheid om te weten dat dit voor 1562 is gebeurd en kunnen we tevens een volgend grondplan van onze kerk samen stellen.


    De grondvesten van de mogelijke doopkapel rechts zijn niet opgenomen in dit plan.

    De volgende onverwachte fase in het bouwproces van de kerk is een zeer grote herstelling van de torenspits na een zware brand in 1654 na een blikseminslag. Deze gebeurtenis moet een grote indruk hebben nagelaten wat leidde tot een nieuwe legende want zie wat ik hierover vond in : UIT HET DAGBOEK van een OUD-HOLLANDER. Volume 33,Deel 4 - Pagina 394 (1869)

    “Een keurige anecdote, die beter den verhaler en de zijnen kenteekent dan hem van wien zij verhaald wordt. Zoo vast waren die brave katholieken overtuigd van de waarheid hunner kerkleer, dat zij een afwijkende belijdenis niet uit een andere denkwijs, maar alleen uit bijoorzaken wisten te verklaren. Alleraardigst zijn de tallooze gesprekken, door Doubleth over godsdienstige en kerkelijke 'onderwerpen met menschen van allerlei stand en ontwikkeling te Mechelen gevoerd. Bovenal die met de vier dames de la Forge, zijn naaste buren, geestelijke dochters, die een kinderschool hielden. Zij, en inzonderheid de oudste, Elisabeth, kwamen druk bij hem aan huis, vooral 's winters 's avonds: zij brachten dan haar naai- of borduurwerk mee, onderhielden zich met de jonge dames, terwijl de oude Heer aan zijn werk zat, en bleven vervolgens met hem en haar gezellig avondmalen, waarbij het aan gesprekken, veelal van stichtelijken aard , niet ontbrak. De toon dier samenspraken , uitvoerig in het journaal geboekt, is zeer eigenaardig : blijkbaar houden de rechtzinnigen en de ketters veel van elkaar, maar zij durven elkander toch niet vertrouwen en zijn voortdurend op hun hoede. De Jesuitessen, zoo heeten de geestelijke zusters doorgaans in het dagboek, gelooven dat, hoe braaf Doubleth en zijn dochters mogen schijnen, er toch ergens een adder onder het gras schuilt. Doubleth verdenkt van zijn kant de Jesuitessen van hetgeen zij bij hem zien en hooren te verklappen aan haar geestelijke overheid. Wat de Raadsheer boven de zusters vooruit heeft is een ruimer opvatting van godsdienst; hij eert het goede ook in het katholicisme; zij daarentegen verwonderen zich zoo dikwerf zij een gedachte of een gevoelen, dat zij moeten goedkeuren, bij hem aantreffen. Na zekere ontboezeming van Doubleth over de waarde en de vereischten van een gebed, dat Gode welgevallig kau zijn, sprak zuster Elisabeth onverholen haar verwondering uit, "en zeide nooit voor de kenuisse met de familie geloofd of gedacht te hebben, dat die van de gereformeerde relige in zoodanige manier godsdienstigheden voorstonden en pleegden". De oude man sprak gaarne met haar over denaard van zijn geloof, en schijnt het als een soort van plicht te hebben aangezien de vooroordeelen te bestrijden, die het protestantisme in België ook bij de liefderijkste menschen verdacht maakten. Hij was daartoe bijzonder geschikt, omdat hij het kwaad der katholieke kerk niet zoozeer in haar leer of gebruiken, als wel in de overdrijving er van en in het ingeslopen misbruik zocht. Het kruisslaan, het wijwater, de kerkbeelden enz. rekende hij onder dé onverschillige zaken; hij was er maar tegen ingenomen om het misbruik dat er van gemaakt, en het bijgeloof dat er door opgewekt werd. Hij bemerkte dit in zijn buurmeisjes zelf, die hem op een goeden avond over zijn gedachte aangaande het wijwater ondervroegen en niet begrijpen konden, dat iemand twijfelde aan de waarheid van wat hun verzekerd was: "dat de kerk van Schriek in de verleden week door den bliksem in brand geraakt, na drie dagen brandens eindelijk was gebluscht geworden door wijwater, hetwelk de pastoor met tonnen vol gewijd had". De rede, bij deze gelegenheid, door Doubleth een paar uren lang gehouden, is waarlijk een uitmuntende proeve van waardeering van hetgeen de katholieke ceremoniën goeds en kwaads bevatten. Op den langen duur worden die gerekte discoursen wel wat vervelend, maar zij bezitten toch voor mij een groote charme. want zij teekenen tot in de fijnste trekken de eigenaardigheid der kerkelijke begrippen van dien tijd, en (zooveel is er in dit opzicht onveranderd gebleven) ook nog de begrippen van den onzen.”


    De herstellingen aan de kerk en de toren zullen jaren duren en geven de toren het uitzicht zoals we hem heden ten dage nog steeds kunnen bewonderen. Op de foto met de tekening van het vaantje en de kerk naast elkaar zijn deze aanpassingen duidelijk waar te nemen.

    Voor de volgende grote restauratie en vergroting zitten we reeds op het einde van de 18e eeuw. Pastoor Raeymaeckers vraagt aan de bisschop de toelating tot restauratie aan. Lees hierover het document KAS 263 hier op dit blog. Het was de bedoeling om de zijbeuken tot vooraan de toren door te trekken, en alles onder een zadeldak te brengen. Nu waren de zijbeuken ook veel lager dan het schip (zie bedevaartvaantje). Dit plan heb ik tot op heden nog niet teruggevonden niettegenstaande we uit de brieven weten dat het bestond en gemaakt werd door Meester Joannes Gys van Bonheiden. Dat pastoor Raeymaeckers dit plan niet zou hebben bewaard in het archief kan ik moeilijk geloven, hij die alles zo nauwkeurig dag na dag noteerde.(zie KAS 265 op dit blog) En toch is er geen spoor meer van terug te vinden. Ik heb zo een vermoeden dat het is gebruikt bij de volgende vergroting in 1844 door architect Ferdinand Berckmans en zo is verdwenen uit het kerkarchief.


    De gele muren heeft men behouden, hoogstens wat bijgewerkt.

    Ik vermoed ook dat de restauratie niet volledig is uitgevoerd, gezien de eigenaardige vorm die de kerk toen kreeg (zie grondplan 3). Was de echte oorzaak daarvan de moeilijke situatie van die tijd (de Franse Revolutie) of waren de centen op of of of …? De vondst van dit plan zou veel duidelijk kunnen maken.

    Zo is het niet duidelijk of het gedeelte in het rode kader ook is uitgevoerd. Volgens het grondplan van de kerk in het stratenatlas van 1837 is dit wel gebeurd maar daardoor ontstaat er een asymmetrische constructie voor het dak. Dus blijf ik ervan overtuigd dat de restauratie niet volledig is kunnen uitgevoerd worden.


    Dorpsplan uit het stratenatlas van 1837. Let op de vorm van de kerk!

    Hoe kon men deze restauratie uitvoeren terwijl de kerkelijke diensten gewoon konden verder gaan?

    Zeer eenvoudig en tegelijk ook heel praktisch. De werken zijn zeker gestart aan de voorzijde van de toren, het nieuwe gedeelte dat er is bijgekomen. Daar diende men eerst nieuwe fondamenten aan te brengen. Daarna heeft men het dak behouden van het schip en alleen de zijbeuk verwijderd, zowel muur als dak om daarna de nieuwe zijmuren te metsen en het schipdak aan te werken aan de zijbeuk. Zo konden er steeds nog heel wat mensen in de kerk voor de wekelijkse zondagsvieringen, zij het dat er wel enkelen bij wijlen onder de blote hemel stonden, wat ’s zomers zelfs een echte verademing moet zijn geweest tegenover de muffige rotte lucht van weleer.

    Na deze restauratie werden nogal wat verbeteringswerken aan het koor en sacristie uitgevoerd, werken welke enkele jaren later grotendeels onder de sloophamer zullen belanden. Wel worden de materialen zoveel als mogelijk gerecupereerd.
    Dan volgde de laatste vergroting van onze kerk in 1844. Tegenover de aanpassing van 1795 was dit een merkelijke uitbreiding van het aantal plaatsen in de kerk. Er werd een volledige kruisbeuk toegevoegd samen met een nieuw hoogkoor en twee sacristieën.
    Op het volgende kaartje kan je de verschillende vergrotingen van de kerk bekijken. Ook het originele plan laat ons toe om de werken welke moesten worden uitgevoerd aan te tonen.


    De allereerste kerk in het geel, uitgebreid met lage zijbeuken in het groen; vervolgens de restauratie van 1795 in het oranje en de vergroting in 1844 in het lila.


    Origineel plan : zwart blijft behouden, het gele moet verdwijnen en het rode gedeelte wordt vernieuwd. Let op de foute voorstelling van de torentrap (niet vooraan maar bijna achteraan moet hij staan)

    Toch roepen de plannen nog heel wat vragen op als we de verbanden tussen de reeds uitgevoerde werken, de vooropgestelde vergrotingen en het huidige resultaat met elkaar vergelijken.

    Een voorbeeld: de drie laatste pilaren zouden in de kerk niet meer van plaats hoeven te veranderen, alleen de openingen van de vensters dienden te worden bijwerkt.zodat de pilaren juist tussen de vensters kwamen te staan. Van deze vensteraanpassingen is aan de buitenmuur totaal niets te zien, wel de aanzet van de vergroting na het vierde raam is duidelijk waarneembaar. Toch wel vreemd dat deze aanzet langs de noordzijde dezelfde is als langs de zuidzijde welke volgens het grondplan van 1837 duidelijk korter was. Maar er doet zich nu nog een andere eigenaardigheid voor. De plafondtekening van de middenbeuk klopt niet meer. Er zijn geen vijf maar zes panelen waarvan het laatste tegen de kruisbeuk slechts de helft is van de andere, dus eigenlijk vijf en een half paneel. Ook de hoge siersteunen staan niet meer loodrecht boven elke pilaar, maar verlopen naar links toe samen met de panelen. Dus het volgende plan is zeker niet uitgevoerd zoals het erop staat.


    Origineel plan : let op de vijf panelen van de middenbeuk met lijst en siersteunen loodrecht boven de pilaar.


    Origineel plan : de kruisbeuken met centraal het hoogkoor en twee mogelijke hoogten van de nissen van het zijaltaar. De uitvoering is mogelijk nog iets hoger.

    En wat dan te denken van de gotische vormgeving in de toren waarin het jaartal 1795 is aangebracht. Was het misschien de bedoeling om de ganse kerk een gotisch uitzicht te geven maar zijn deze plannen nooit uitgevoerd in het kerkschip?

    Als ik al deze zaken even op een rijtje zet kom ik tot het volgende besluit.
    Na de brand van 1654 is niet alleen de toren maar hoogstwaarschijnlijk ook het dak van het schip gerestaureerd geworden. Tijdens deze aanpassingswerken kreeg de toren zijn gotische stijl omdat de houten zolderingen in de toren dienden te worden vervangen door een stenen gewelf op de horlogekamer. Het dokzaal bestond nog niet en de houten torenzolder welke men vroeger verhuurde komt niet meer in de rekeningen voor.

    Bij de restauratie op het einde van de 18e eeuw heeft men het dak en plafond van de middenbeuk behouden en aangewerkt aan de nieuwe buitenmuren en pilaren. Iets wat men in 1844 nog eens overdeed voor de verlenging van het schip, de kruisbeuken en het hoogkoor. Daardoor is het plafond van de middenbeuk geen vijf maar vijf en een half panelen groot. Indien men hier volgens plan had willen werken, diende men ook de scheren van het dak iets te verplaatsen. Een enorm werk voor een miniem resultaat. Ik durf zelfs zeggen dat duizenden Schriekenaren welke honderden malen door de kerk liepen, dit nog nooit hebben waargenomen.

    Een volgende fout op het plan is het ontbreken van de vloer van het dokzaal welke men in 1807 heeft gebouwd voor de komst van het orgel in januari 1808. In 1855 wordt het dokzaal ongeveer 1 meter verhoogd maar niet in het portaal, zodat men boven twee verschillende niveaus bekomt, iets wat beneden niet echt opvalt omwille van de deuren die de kerk en het portaal van elkaar scheiden.
    Iets wat zeker ook onze aandacht trekt zijn de aanpassingswerken in het hoogkoor. Het lijkt alsof men boven de oude ramen een verstevigend bouwsel heeft aangebracht waarop men het verdere hoogkoor heeft opgebouwd. Niets van! Deze versteviging is gewoon aangebracht boven de toen gemaakte vensters in 1844 welke werden vervangen door de glasramen van Leopold Pluys uit Mechelen in 1876. Deze ramen blijken veel ouder te zijn zodat ze waarschijnlijk niet pasten in de openingen van 1844. De donkere stenen dateren dus van 1876 en zijn dus van jongere datum.


    Foto van het hoogkoor. Let op de verschillende steenkleur !

    Besluit:

    Van de oorspronkelijke Romaanse kerk uit 1309 rest ons heden nog een gerestaureerde en bijgewerkte toren. Alleen de kerkdeur, het kleine venster van de uurwerkkamer en de waterlijsten zijn nog origineel. Een eerste vergroting door de aanbouw van twee lage zijbeuken met een eventuele doopkapel vooraan rechts van de toren moeten we situeren voor 1550. Hiervan hebben we als enig bewijs de voorstelling van onze kerk op het bedevaartvaantje. Na de plunderingen van 1633-1636 en de grote brand van de toren en een deel van het dak van het schip in 1654, vergden de verschillende herstellingen vele jaren van intensieve restauratie. Het venster boven de deur en de galmgaten krijgen hun huidige vorm met typisch gotische spitsbogen. Ook voor het plaatsen van de zoldering van de horlogekamer, alwaar het mechanisme van het torenuurwerk staat wordt er binnen de toren gebruik gemaakt van de gotische bouwstijl. Herstellingswerken aan de steunberen van de toren werden dan weer uitgevoerd in typische renaissance stijl met speklagen. De volgende vergroting naar de plannen van Joannes Gys van Bonheiden rond 1794-1795 trekt de zijbeuken tot vooraan de toren door en brengt alles onder een dak. Hier vinden we een duidelijk voorbeeld van de Brabantse barok, de vorm van de vensters, de hoekpaal in zandsteen met er bovenop een siervaas en de plint van zandsteen onderaan. Dat het vroeger gerestaureerde dak van de middenbeuk is aangewerkt aan de nieuwe zijbeuken kan worden waargenomen in de zachte knik tussen beide dakgedeelten. De bouw van het dokzaal in twee fasen (1807 en 1855) zorgde voor de nodige scheiding tussen de gotisch uitziende toren en de barokke kerk. De laatste vergroting (1844) in typisch neoclassicistische stijl voor de kruisbeuk en het hoogkoor, smeedt al deze stijlen tot een zeer harmonisch geheel. Dit is duidelijk een gebouw met geschiedenis, waarvan bijna alle sporen nog zijn terug te vinden.

    (1) Vostersteen of gerechtsteen : laten we het de tegenhanger van de preekstoel noemen. Binnen in de kerk had de pastoor het grootste en laatste woord, buiten de kerk was het de heer van de heerlijkheid die de lakens uitdeelde. Via zijn klerken, notarissen of andere gezanten bracht hij zijn bevolking op de hoogte van allerlei mededelingen, vonnissen en dergelijke. Om beter gehoord te worden, ging de bode op deze steen staan, of in de zijbeuk buiten de kerk
    (2) Werd de 12e abt van de S. Bernardusabdij in 1311 ('XII. Joannes de Malre, S. Т. B., electus abbas Loci S. Bernardi an. 1311, ac Villariensis 1315, obiit in abbatia Claraevallensi an. 1317, vcal. aprilis.'  uit Synopsis actorum Ecclesiae Antverpiensis Pierre François Xavier de Ram - 1856)

    Bijlagen:
    Stichtingsbrieven van 1309.doc (45 KB)   



    24-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    23-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het bedevaartvaantje

    BEDEVAARTVAANTJE van Sint Jan Baptista tot Schrieck.
    Door René Lambrechts ©

    Zo lezen we bij Jan De Belser in zijn BIJDRAGEN TOT DE KENNIS DER GESCHIEDENIS VAN DE GEMEENTE SCHRIEK 1943 op blz 19-21 en 72.
    (Ik geef de volledige tekst met kleine schrijffouten om alles in zijn juiste context te plaatsen)

    BEGANKENIS EN PROCESSIE. – Vroeger eeuwen heeft hier een groote begankenis, veelal bij nacht, plaats gehad zoo door ruiters als door voetgangers. Zij volgden eenen weg, die tamelijk lang is (1) en “ St.JANSWEG “ genoemd wordt. Deze werd ook vroeger tijd door de plechtige processie van St. Jan, op den eersten Zondag na den 23 Juni gevolgd (2) en over weinige jaren ( eerste jaren na den wereldoorlog) bij het overlijden van een dorpeling, nog gedaan door 7 jonge dochters, die biddend achter elkander gingen (3).

    (1) Vertrekkend van de kerk, langs Tuindijk, Puttestraat, Langstraat, Korte Meerweg, Payerstraat, Zandstraat, Grooteloo, Gommerijnstraat, Langstr., Lauwerijkestraat, Boschstraat, Kapel Heidestraat, Hoogstraat, Dorp, (Voetweg naar Pandoerenhoek, Haechtschebaan, Schrickstraat, St.Bernardus Kapel, terugkeerend naar de kerk. (E.H.Vermeerbergen zal dit onderzoeken.)

    (2) “ Een volksoverlevering, die op vasten grond schijnt te rusten, zegt dat de rijkelijke uitgedoschte processie op haren weg nabij de Bolloo, aangerand is geweest door een bende baanstroopers, maar ontzet is geworden door toegesnelde hulp uit Werchter, en dat de processie sinds dien een veel korteren weg – den tegenwoordigen processieweg (Kerk, Lovensche baan (Molensch(r)ans), Kapelheidestraat, Hoogstr., Kerk)- volgt” Aldus meegedeeld door de E.H.Ruts, onderpastoor te SCHRICK, ter congregatie voor jongelingen, die destijds (1875) vergaderden in een vertrek der woning van hr Petr. Van den Broeck. Op de Beeck, Hoogstraat, WB nr 679 b v ’t Kad.( Zie nr 158 van Inventaris. 158 24 oct 1713 Reglement van ’t Vicariaat van Mechelen over den processieweg op Sint Jansdag. (Is dit reglem. misschien ’t gevolg van dien aanval op de processie?)

    De driehoekige vaantjes – vorm als Scherpenheuvel – souveniers – waarop de kerk van SCHRICK, de kapel van GROOTLOO (rechts) en de St.Bernarduskapel (links) met eenige woningen en de uitgaande processie ruw afgebeeld zijn, zouden naar meening van eenigen uit dien tijd dagteekenen. (In 1896 herdrukt bij de inhuldiging van de heer Burgemeester Goossens. Platen bewaard op de pastorij.)

    In zijn werk “ LES DRAPELETS DE PELERINAGES EN BELGIQUE ET DANS LES PAYS VOISINS (ANVERS.J.E.Buschmann, imprim.-édit.Rempart de la porte du Rhin, 15, 1922) zegt Em.H.Van Heurck (bl. 409-410); het vaantje beschrijvend:

    « De gauche à droite au premier plan une rue bordée porte une clôture interrompue au milieu par une barrière et deux tourniquets et rejoignant de droite à gauche de vieilles maisons. La barrière vis-à-vis de l’entrée de l’église est ouverte pour le passage de la procession de St Jean Baptiste. Le cortège religieux se compose d’un porteur d’oriflamme, de la statue de St Jean-Baptiste, l’agneau sous le bras, portée par quatre hommes et suivie par quelques notables et trois jeunes filles tenant des devises. Un homme portant un agneau ferme la marche. Les fidèles, parmi lesquels un cavalier, se rangent au passage de la procession. En perspective, vue du côté de l’occident, l’église paroissiale de SCHRICK, qui est un bâtiment assez considérable à en juger par son imposante tour. En regard du collatéral du côté du midi, une assez grande maison, entourée d’un jardin, qui se prolonge jusqu’aux murs du temple. C’est peut être le presbytère. A gauche du drapelet, derrière le chœur, avenue ou chaussée plantée d’arbres. Entre l’église et le presbytère une terre ou s’élève une statue de Jésus enfant entourée de pélérins en oraison, et, enfin au troisième plan, entre les mêmes constructions, une chapelle à campanule du hameau de GROOTLOO, dédiée au Saint Nom de Jésus, «Den Soeten Naem Jesus tot GROOTLOO.» Au bas sous l’encadrement, l’invocation « SINTE JAN BAPTISTA, TOT SCHRIECK, BIDT VOOR ONS.»

    (zinco-gravure d’apres une grave en taille-douce du X 21ème siècle, à encadrement non signé, sans adresse d’éditeur. H.225.B.290. (Coll.VH)

    Le village de SCHRICK est situé dans le sud de la province d’Anvers à 7,5 kilom.S de HEYST-op-den-BERG et à 17 kilom.E. de Malines.»

    Over de vereering van St.Jan Baptist :

    “Une affiche de notre collection, imprimée à Malines en 1792, chez F.J.Van der Elst, mentionné que le 24 juin on célèbre solennellement dans l’église paroissiale de SCHRICK et de GROOTLOO la fête de St.Jean Baptiste, patron spécial contre le mal caduc, les maladies épidémiques, les épizooties et que cette solennité a été enrichie d’une indulgence plénière par le pâpe Pie VI. Une grande messe avec sermon a lieu à 9 heures et est suivie d’une procession solennelle avec le Saint-Sacrement. Une autre indulgence, annonce aussi la même affiche, est à gagner le lundi après le deuxième dimanche de septembre.

    Mais M. l’abbé Heymans, ancien vicaire de cette paroisse et qui s’est interessé à son histoire, a bien voulu nous renseigner sur l’importance de cette dévotion et nous a appris, qu’il n’y a jamais eu de pélérinage, au vrai sens du mot, en l’honneur de St.Jean Baptiste, ni à SCHRICK, ni à GROOTLOO. Aucun document d’archive, aucune traduction ne permet de supposer qu’il y ait jamais eu un pélérinage ou quelque chose de semblable en l’honneur du Saint. S’il y en avait été autrement, il en serait resté des traces. Le saint n’a pas d’autel et le sanctuaire possède de ses reliques.»

    Toutefois, les renseignements de M. le vicaire L.Heymans ne concordent pas entièrement avec ceux de M. l’abbé Fr.Vermeerbergen, curé de GROOTLOO. Celui-ci assure qu’à l’époque de la fête de Saint Jean Baptiste, les paysans faisaient à cheval le chemin de Saint Jean, de SINT-JANSWEG, le drapelot attaché à l’œillère de leur monture. Ils faisaient ce «tour» pour que leur bétail fût préservé de maladies. On faisait aussi ce chemin à pied, même jusque dans ces dernières années, au décès d’un paroissien. Alors sept jeunes filles, allant à la file, faisaient le chemin de Saint Jean en récitant le chapelet pour le défunt. Cette coutume a entièrement disparu depuis la guerre (1914-’18). Ce «tour» était long d’une heure et demie.

    Il y a quelques années on a découvert le cuivre gravé dans le sacristie. On en a fait faire un cliché qui a servi lors l’inauguration du nouveau curé de la paroisse, M. l’abbé Truyts et en 1895 du bourgemestre M.Goossens.»

    N.B. Van die beide verklaringen, in hun geheel genomen, houdt die van de E.H.Fr.Vermeerbergen alleen steek. Deze is van 1897 tot bij zijn benoeming tot pastoor van de parochie GROOTLOO in 1906, onderpastoor geweest van de parochie SCHRICK (St.Jan Bapt.), en HEEFT IN 1898 MEDE GEARBEID AAN ’t OPMAKEN VAN DEN INVENTARIS DER PAROCHIEARCHIEVEN VAN SCHRICK. (Schrijver dezes heeft binst de octaaf van St.Jan Baptist in 1873 of ’74 dezen nachtelijken beeweg met zijn vader meegemaakt.)

    (3) In onze kinderjaren (1870 – 1876) zijn wij daarvan menigmaal getuige geweest, en hoorden wij het noemen : “DEN WEG OMGAAN”.

    Blz 72

    De E.H. Pastoor Mertens (zie IX) verdedigde niet slechts de rechten en het eigendom der kerk, maar beijverde zich ook voor de verbetering van al wat aan zijn zorg was toevertrouwd :

    Verbeeld U, in de dorpskom, bij de kerk waar de meeste passage is van heel het dorp, tusschen het kerkhof eenerzijds, en de dorpsplaats met het pastorijstraatje anderzijds, - een gracht van vier, vijf roeden, -die, gezien deze grootte, bij zomer als bij winter voorzien is van water, water wellicht besmet door ondergrondsche insijpeling uit het kerkhof, zeker ongeschikt tot gebruik door stof en onreinheden van de straat weggevaagd door wind en regen, - een modderpoel uit welken verpestende uitwasemingen opstijgen! -" Die afzichtelijke en gevaarlijke modderplas moet weg; - meent de E.H. Pastoor, - en er moet daar tegen de dorpsplaats een sierlijke, stevige woning komen met een bevallig, afgesloten hofje!

    De hand werd aan 't werk geslaan: Een verzoekschrift aan de bevoegde overheid gezonden (Bl.14), genoot, - na verslag over 't onderzoek terplaatse door den E.H. Landdeken, een gunstig onthaal bij Z.E. den Aartsbisschop: Verkooping toegelaten (Bl.15),- heeft plaats (Bl.16)

    De E.H. Pastoor Mertens, kooper, heeft dan, naar de voorge­schreven conditiën een woning opgericht of laten oprichten, en wel,-zonder eenigen twijfel - , de woning die afgebeeld is rechts af op ‘t voorplan van de print (driehoekig vaantje) “Sint-Jan-Baptista tot Schriek” door Em. Van Heurck bescreven (Bl.20). Plaats.tijd en vorm pleiten daarvoor:

    a) “De cooper soude op de voors erfve niet een slecht huys moghen setten,maar een huys van fraye forme tegen de dorpsplaats"—en, de print vertoont op die aangeduide plaats een sierlijke woning.-

    b) Het erf begin 1662 verkocht zijnde, werd de woning na dien datum gebouwd, - en de print is ge(zink)drukt naar een kopersnede van de XVII eeuw (dus binnen de veertig jaren na de oprichting).

    c) Zoowel als de print de ligplaats der kapel van Grootloo en van 't “Lazarushofken" ten opzichte der kerk, behoorlijk juist opgeeft, -den vorm en de ingangsdeur der kerk, vorm en plaats van de vensters, conterforts, galmgaten en spits van den toren nagenoeg heel juist weergeeft, zal dit zonder twijfel, ook wel het geval zijn met de afbeelding der woning, welke laatste nog geen veerig jaar oud was.

    Die woning heeft echter geheel haar oorspronkelijk uitzicht niet altoos behouden. Even als er heden nog voortdurend, uit gemak-of modezucht, verandering aan oude woningen wordt toegebracht, zoo werden rondboogvenster - en deuropeningen door rechthoekige, de kruisvormige venterramen van de woonvertrekken door de meest heden-daagsche vervangen; de buitendeur van stal- of bergplaats (rechter-hoek van !t afgebeeld gebouw) bevond zich op die plaats nog in 1880, misschien wel tot bij de afbraak van de oude woning. In 1838 wer op het bij de woning behoorend erf een brouwerij opgericht. En na 1900 werd een nieuwe, moderne brouwerij met monumentalen voorgevel op de plaats der voormalige gebouwen opgetrokken.

    Hoe en wanneer, na 1661, de vervreemding van dit hoekje kerkhof plaats greep, konden wij niet achterhalen.

    Zo lezen we bij Verellen op blz 43:

    Op de voorgrond, van links naar rechts, een straat, met van weerskanten een huis en een afsluiting. Door het openstaande veken tussen de twee draaibomen, komt uit de kerk van Schriek de processie, waarin het beeld van Sint-Jan op een berrie wordt gedragen. Rechts van de stoet, staan de wildemans, de knots op de schouder geheven of erop steunend, gereed om de processie in orde te houden.
    In de diepte, tussen de kerk en het pastorijhuis, een beeld van het Kind Jezus op een verhevenheid met vereerders omringd, en daarachter, de kapel van de Zoete Naam Jezus te Grootlo.
    Sint Jan Baptista, tot Schriek, bid voor ons.
    De afbeelding werd gedrukt op de oorspronkelijke grootte van het vaantje, 29 cm breed en 33.3 cm hoog, (Vergelijk: : Van Heurck, Les drapelets de pélerinages... Antwerpen, 1922, blz. 409).

    Bij Renaat Van der Linden in Bedevaartvaantjes 1986 blz 134-135 lezen we het volgende:

    L.n.r. Langsheen de hoogte een weg met bomen en de kerk. De processie verlaat de kerk. Op een baar St.-Jan als volledige gestalte. De voorzijde toont in de rechte hoek een heer en dame, een ruiter, een afsluiting van het dorpsplein met een hekken en een kruisrad, een langwerpige woning. In het middenvlak leden van een schuttersgilde, een hond, een huis bij het dorpsplein. Verder op de achtergrond een kapel met de tekst in een boogvorm: Den Soeten naem Jesus tot Grotenloo. Onder de basis: Sinte Jan Baptiste tot Schrieck. Bidt – voor ons.
    h. 224 b. 290 V.H. 410 V.S. 63* : eerst kopergravure 17e eeuw, dan zinkografie voor de inhaling van de burgemeester en van de pastoor in 1895 (E. Van Heurck) Daarna steendruk.

    V.H. 410 verwijst naar Les drapelets de pélerinages... Antwerpen, 1922, blz. 410
    V.S. 63 verwijst naar Patricia Vansummeren Tentoonstelling bedevaartvaantjes uit de provincies Antwerpen en Limburg. Prof. Dr. J. Van Haver. Volksbedevaarten als Cultuurverschijnsel. Antwerpen, 1983, 95, buitentekstplaten.

    Hoe oud is dit vaantje?

    Vooraleer ik mijn beschrijving van dit vaantje ga geven, ga ik proberen, aan de hand van de tot op heden gekende gegevens en feiten, de ouderdom van de tekening te achterhalen want een exact bepaalde datum als schriftelijk bewijs is tot op heden nog niet gevonden.

    Het oudste geschreven bewijs vinden we in de kerkrekening van 1612 waarin de aankopen van vaantjes tegen de Sint-Jansprocessie staan genoteerd. Dus ligt de oorsprong voor 1612. We vinden ook wel aankopen van “beeldekens” in de jaren voordien, maar zijn dat wel vaantjes?

    Kan de tekening zelf ons iets vertellen?
    Heel veel !!!

    Gelukkig bezit het kerkarchief van Schriek een rekeningboekje dat teruggaat tot 1560 (KAS 86b) en daarin vinden we enkele interessante gegevens met betrekking tot het vaantje.
    Zo lezen we op bl 7/2
    “noch gegeven van het uere werck te mechelen te haelen dat daer te maeken was vi st
    noch gegeven acht rynse gulden den urewerck. van een groet rat te maken met noch ander werck voor de volle betalinge
    noch gegeven van dat het urewerck weder onstucken was van werck ghelde achtyen st
    noch gegeven van dat den urewerker jaerlyckx hebben moet ende van eenen slotel riem xviii st ende noch gegeven int ghelaeghe iii 1/2 st” (dit in de rekening van 1560 met nog verschillende onderhoudskosten in de volgende jaren.)

    Op de kerktoren van het vaantje is er geen uurwerk te bespeuren en bij deze zeer exacte weergave van alle details van de kerk en de rest zou het mij ten zeerste verwonderen dat de graveerder dit detail zou vergeten zijn, wat dus zou betekenen dat de tekening is gemaakt voor of begin 1560.

    Rijst nu de vraag: Wie gaat dat betalen, wie heeft dat besteld, wie heeft zoveel geld?

    De enige belangrijke personen die daarvoor in aanmerking komen zijn Nicolaas Van der Laen en Andries Rouselle.

    Bij Nicolaas Van der Laen zijn er heel veel verbanden te leggen met uitzondering van een exacte datum.

    • 1) De familie Van der Laen woonde in Mechelen, een plaats waar dergelijke kunstenaars zeker aanwezig waren. Zij waren er burgemeester en schepen, zelfs van horlogien! Hadden zij misschien ook iets te maken met het torenuurwerk?
    • 2) De familie Van der Laen waren kunstminnaars, schenkers van kunstwerken aan kerken.
    • 3) De Van der Laens werden de officiële heren van de Heerlijkheid Schriek en Grootlo in 1562, het jaar waarin er tevens een Sint-Jansbruiloft plaats vond, de enige tot nu toe teruggevonden.
    • 4) De familie Van der Laen werden de eigenaars van de steyne hoeve, de grootste en oudste hoeve van Schriek, alleen ontbreekt ons tot op heden een exacte datum. Ik vermoed dat dit omstreeks 1555 is gebeurd. Zo hebben zij Schriek leren kennen wat dan later heeft geleid tot het betalen van de pachtsom voor deze heerlijkheid. Tevens worden zij nog steeds beschouwd als de bouwers van de nieuwe steyne hoeve die is waar te nemen op de oude kaart uit 1651.
    • 5) Nicolaas zoon heette Jan zoals de patroonheilige van de Schriekse kerk. Hij volgt ook in 1565 zijn vader op als Heer van Schriek.

    We weten nu wel dat er een tijdsverschil is tussen de tekening van de graveur, het maken van de koperen etsplaat en het drukken van de vaantjes, en dat de verpanding van de heerlijkheden reeds begonnen was is 1558. Dus blijft het gissen naar de exacte datering. Met een aan de waarheid grenzende zekerheid kunnen we opteren voor een datum rond 1560.

    Bij Andries Rouselle liggen de zaken even anders.

    • 1) Hij was eigenaar geworden van de heerlijkheid Hovel ons beter gekend als de Uylehoef door aankoop van Hendric De Clerc op 05.10.1554, een datum die perfect zou passen in onze redenering.
    • 2) Wij weten uit geschriften dat de inwoners van de Uylehoef en omgeving, niettegenstaande zij officieel tot de parochie Putte behoorden, zich oriënteerden op de kerk van Schriek, minder dan 1 km verwijderd.
    • 3) Andries bezat de cijns op de kerkebossen van Schriek waarvan we bijna een jaarlijkse notering terugvinden in het oudste rekeningboek KAS 86b.
    • 4) Maar voor hun belangrijkste prestaties vinden we de Rouselles echter vermeld in Heist. Deze Andries was er hoofdman van de schuttergilde, zijn kleinzoon Andries werd er schout. Het is de andere kleinzoon Marcus die heer wordt van Uylenborg ( 19.04.1603) en nog een belangrijke rol zal spelen in de geschiedenis van de parochie Schriek.

    Welke zaken pleiten duidelijk in het voordeel van Van der Laen ?

    Hun houding tegenover de Kerk; de vermelding van Jaques Van der Laen heer van den dorpe in het zondagsgebed van 1604 waarin er geen Rouselle valt te bespeuren; hun grotere kapitaalkracht, hun belangrijke posities in het stadsbestuur van Mechelen, eigenaars van de Steyne hoeve en het feit dat de jonkheer te paard van links komt, dus van de Steyne hoef, en niet van rechts, van de Uylehoef. 

    Beschrijving van het vaantje.

    1° De kerk

    In de vorm van een Latijns kruis met lage zijbeuken voorzien van twee rechthoekige vensters (deze zijbeuken zijn mijns inziens van een latere datum dan de rest van het gebouw, omdat er zich in de zijmuur van het schip geen kleine vensters bevinden boven het zijdak met als gevolg dat het in die kerk destijds vrij donker moet zijn geweest). De kruisbeuk heeft een grote rondboogvenster. De toren bezit een rondboogdeur en venster met daarboven het kleine venstertje en de galmgaten met de spits. Links van de toren onderscheidt men de wenteltrap naar boven en rechts een kleine ruimte, waarschijnlijk de plaats van de doopvond. Rechts naast de deur ligt meer dan waarschijnlijk de gerechtsteen of vostersteen, duidelijk hoger dan de steen die ons nu nog rest. Het is waarschijnlijk alleen de bovenste steen met bepaalde figuren die men heeft behouden.

    Bemerk dat de galmgaten en spits vandaag de dag er iets anders uitzien, omdat de kerktoren ernstig is beschadigd door een brand in 1654 na een blikseminslag en de jaren nadien terug is opgemaakt. Het schip is duidelijk korter dan nu het geval is, maar de nok van het dak is vrijwel nog steeds op dezelfde hoogte.

    Ook de venster boven de deur is heden spitsvormig en niet meer rondbogig; een gevolg van de werken in 1795, evenals de vergroting van het schip. Ook de restauratiewerken van de linkersteunbeer zijn van latere datum.

    2° De Kapel van Grootlo
    Hier is alle gelijkenis met de oude postkaarten of de huidige situatie onmogelijk zowel wat betreft de vorm als de grootte. Deze kapel is duidelijk verbouwd en vergroot geweest zonder behoud van bepaalde zichtbare delen. Naast het vaantje en een schets - naar een prent uit de XVIIe eeuw (Rijksarchief te Brussel) - zijn er weinig documenten met beschrijvingen van de verbouwingen aan de oude kapel terug te vinden, welke ons toelaten om een schets of beeld van de kapel te maken. Over de bouwgeschiedenis later meer in de rubriek Grootlo.

    Beide tekeningen geven ons echter enige aanwijzingen over de grootte van de kapel (ca.8 x 5m.) met een portaal ervoor en een kleine torenspits.

    Heel interessant is de afbeelding onder de kapel. Op een aarden heuveltje een beeld van het Kindje Jezus met in de ene hand een kruis en in de andere een wereldbol. Beneden aan de voet van het heuveltje knielende en biddende pelgrims. Uit geschriften weten we wel dat de processie halt hield aan de kapel van Grootlo en dat er gepreekt werd, maar hier is duidelijk getekend dat er ook een verering van het Kindje Jezus plaatsvond, waarschijnlijk tijdens de processie, maar zeker ook op de feestdag van de H.Naam Jezus op 2 januari in de kapel zelf, zoals we later meermaals konden lezen. Voor de processie was de kapel veel te klein maar op een boogscheut was er vrije ruimte zat op de Donken of op Bollo-heide, tevens plaatsen om zo’n duinheuvel aan te leggen die jaarlijks kon worden gebruikt.

    3° Huis links

    Vooraleer ik hier dieper op inga wil ik één zaak eerst verduidelijken. Ik denk nooit dat het dorpszicht een fotografisch (dus echte) voorstelling is van de situatie omstreeks 1560, maar eerder een collage (= verzameling) van belangrijke elementen en gebouwen en dit om volgende redenen:

    1° Op het vaantje is er geen spoor te vinden van het kerkhof rond de kerk en nog minder van de fruitbomen op het kerkhof. Nochtans lezen we in de rekening van 1560 en ook later : “noch ontfanghen vanden prochiaen vanden fruyte opt kerckhof xiiii st”

    2° Het stuk huis links is duidelijk een stenen woning met rondboogpoort (= Romaanse bouwstijl) dus daterend uit de periode van de kerk of daarvoor. Op die plaats echter stond tot de zestiger jaren het St.-Janshuis welke in vroegere tijden het huis was van de kapelaan-koster-schoolmeester en tevens voorzien was van een of twee klaslokalen van de toenmalige parochieschool. In de oude rekeningen vinden we uitgaven voor dekstro en voor leem voor de school, dus geen stenen, maar een lemen constructie met strodak.

    “Item noch gegeven voir vier voeder leems te halen x st
    Item noch gegeven van vier busselen walm toter scholen v st
    Item noch gegeven voer iii slooten totter schole ende gehenc(...) ken ende i paddeken xiiii st
    Item noch ghegeven kerst hoelmans vander scholen te placken ende de vloer te leggen iii 1/2 rijnse gulden
    Item noch ghegeven Jannen hoelmans alias bijlkken van tremeren aen de schoel iii gulden min iii st
    Item noch ghegeven Jan Schafs van een voer leems te halen totter schoolen iiii st (bl 26/2)”

    3° St.-Bernardus kapel, welke ook links boven de met bomen omzoomde weg (= Draeyboomstraete of de huidige dorpsstraat) is te zien op het vaantje stond aan de rand van de kerkebossen, die niet zijn getekend. 4° Achter de kerk stonden vroeger (maar ook nu nog) de Puttebossen, de resten van wat ooit het onontgonnen moeras van Grootlo was. Helaas ook niets van te bespeuren. 5° Van de gegraven gracht rondom de kerk waren nog grote delen aanwezig in 1560. Zij zouden pas veel later gedempt worden. Ook hiervan geen enkel spoor op het vaantje.

    Besluit : Deze afbeelding is meer dan waarschijnlijk het poorthuis van de Steyne hoeve, 200 m verder naar Heist toe. Let op de gelijkenis met de tekening van de steyne hoeve uit 1651

    4° De pastorij

    Huis met bijgebouwen volgens een h-grondplanvorm, met een portaaltje achteraan langs waar de pastoor naar de kerk kon via zijn tuin. Pastoors uit die tijd waren tevens boeren, die knechten en meiden in dienst hadden. Daarom was deze pastorie zo’n riante woning met schuren (wellicht ook de tiendenschuur) en stallen. Ook de ligging ten opzichte van de kerk is correct en waarschijnlijk binnen de oude uitgegraven grachten rond de kerk. De ingang, hier niet te zien, bevond zich uiterst rechts, langs het leiken dat we later Lege kerkweg zouden noemen. Het was deze pastorij die tweehonderd jaar later volledig verouderd en vervallen zal vervangen worden door een prachtig bouwwerk in 1776 door toedoen van pastoor Snoeckx. Heden is dit bouwwerk nog te bewonderen in al zijn glorie te Bokrijk.

    5° Het huis rechts vooraan

    Stond er rechts vooraan naast de kerk rond 1560 wel een huis? Ik denk van niet en wel om volgende redenen:

    1° De Berthouten hebben duidelijk omstreeks 1300 het rechthoekige stuk harde grond voorbehouden voor het oprichten van de nieuwe kerk met kerkhof en al dan niet met pastorij. Dit betekent dat het ganse perceel eigendom was van de kerk. Uit de oude geschriften van 1560 en wat later weten we dat er een pastorij stond en een huis voor de koster dat tevens dienst deed als school. Over een derde gebouw is totaal niets terug te vinden, geen huurgeld of reparatiekosten.

    2° Het oudste plan van het dorp uit 1742 maakt reeds veel duidelijk. We zien hier duidelijk de kerk (1) met de pastorij (2) en de school (3) met het kerkhof met fruitbomen (5) en de tuin van de pastoor (6). Let ook op de schandpaal voor de kerk op het kerkplein. Vooraan rechts van de kerk staat er in 1742 wel een huis (4) maar in de andere richting. Ook weten we dat pastoor Mertens (1655-1703) de laatste grachten rond de kerk heeft laten dempen en er een huis heeft op laten bouwen. Dit zou dus die nummer 4 kunnen zijn, maar deze is pas na 1650 opgericht. Doordat het huis eigendom was van de pastoor zelf, zijn er ook geen verdere huurgelden of reparatiekosten terug te vinden in de kerkrekeningen. Zo zal ook deze eigendom zijn overgegaan naar andere privé personen, en was het niet langer eigendom van de kerk. We zien later in die rechterhoek ook de brouwerij Vermylen verschijnen, het enige gebouw op het kerkplein in handen van een gewone burger. Het gemeentehuis met de school verschijnt links naast het kostershuis na de Franse Revolutie, omdat alle bezittingen van kerken en kloosters waren aangeslagen door de gemeentelijke overheid en zij zodoende over de gronden rond de kerk konden beschikken om gebouwen op te richten.

    Welk huis staat er dan wel op het vaantje?

    Wellicht is het één van de prachtige stenen huizen uit het dorp of zelfs een afbeelding van de oude steyne hoeve (van voor de verbouwingen zoals op de afbeelding uit 1651) of de uylehoeve van weleer. Dit zal waarschijnlijk nog lang of voor altijd een open vraag blijven.

    6° Personen en processie

    Op de straat: een ruiter gevolgd door een voornaam koppel. Dit zijn mijns inziens, gezien de tijd en de opdrachtgevers, Jonkheer Jan Van der Laen gevolgd door de pachter en zijn vrouw van de steyne hoeve.
    Uit de kerk komt de processie, met vooraan een vaandeldrager, gevolgd door de dragers van het beeld van Sint Jan Baptist, die op hun beurt gevolgd worden door een schare bedevaarders welke de kerk verlaten. Het beeld van Sint Jan is een wandelende figuur met wandelstaf, gekleed in een mantel van kamelenhaar en dragend een lammetje op de arm.
    Uit de rekening van 1561 lezen we: “noch gegeven vanden cruycen ende tortysen te draeghen op sinte jans dach midsomers met eenen speelman die voor sint jan speelde tsamen x st”
    In 1567 klonk het zo: “noch ghegeuen s jansmisse van die kerssen ende vanen te dragen/ x 1/2 s noch den speelman die voer s jan speelden 1 1/2 st”
    In 1575 noteerde men : “noch gegeven op sint jans dach vant tghene dat sy verdroencken hebben die ons lyef vrouwe ende sint jan inde processie oemme gedragen hebben”
    Links van de processie de ‘hondenslager’ die al te ijverige honden op afstand moest houden. Later werden daarvoor de ‘heinen’ ingehuurd, welke voorzien waren van vermommingen, en die de processie in goede banen moesten leiden. Het koppel zijn bedevaarders die eerst de processie aanschouwen om nadien er bij aan te sluiten. Rechts zien we enkele leden van de schuttersgilde St.-Sebastiaan en nog drie honden, wat duidelijk wijst op het probleem dat er toen bestond.
    De afsluiting van het kerkhof met een ‘muurtje’ lijkt mij enkel gebruikt om de collage tot een geheel te verwerken. De ingang met het veken en de twee draaibomen daarentegen weerspiegelen meer dan waarschijnlijk de realiteit. De straat noemde destijds immers ‘Draeyboomstraete’.

    Over de mogelijke processieweg volgt later een aanvullend bericht.



    23-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    22-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Van der Laen

    Van der Laen

    Toen Nicolaus Van der Laen in 1562 de Heerlijkheid Schriek verwierf door aankoop was het reeds duidelijk dat hij dit zou voorbehouden voor zijn zoon Jan. De toekomst van zijn oudste zoon zag hij eerder in Hagelstein bij Mechelen en te Berendyck. Eindelijk werd de draad, welke de Berthouten 250 geleden hadden gevolgd, terug opgenomen. En Jan Van der Laen gaat dit helemaal proberen waar te maken. 

    NICOLAUS VAN DER LAEN


    ° ??  zoon van Nicolaus (Albert) van der Laen, heer van Berendyck, en Catharina (Walrava) van Assendelft († Haarlem 28.08.1534)

    Huwt op 31.08.1532 met Agathe de Huyter († 12.05.1547 en begraven in de St.-Janskerk te Mechelen), dochter van ridder Jan de Huyter (°1471 - † 27.05.1541) en Petronella van Diepenhorst († 01.12.1537)
    Kinderen :
     1. Nicolaus
     2. Maria
     3. Johanna
     4. Jan, ridder, heer van Schriek en Grootlo
     5. Petronella
     6. Anna
    Nicolaus koopt de Heerlijkheid Schriek op 15 april 1562 voor 10700 gulden. Het leenverhef voor het feodale hof van Mechelen en van Brabant gebeurde op 19 december 1562.   
    † 28.05.1565 en ligt begraven in de St.-Janskerk te Mechelen

    Wie was Nicolaus Van der Laen?
    Nikolaus was voor zijn huwelijk de kamermeester van de koningin van Frankrijk Eleonora van Oostenrijk. Zij was de oudste dochter van Filips de Schone en Johanna van Castilië en dus de zuster van Karel V. Zij werd geboren te Brussel in 1498 en huwde een tweede keer met Frans I van Frankrijk.
    Nicolaus zou het kasteel Hagelstein met zijn domein van 45 bunders afkopen van ridder Philip De Clerck - de Bouvekercke en nadien de heerlijkheid Schriek en Grootlo van Filips II. Zo voerde hij als titels : Heer van Hagelstein, Schriek en Grootlo.

    Gedurende ruim twintig jaar was hij rentmeester van het land van Mechelen en kende hij als dusdanig onze streken door en door. Het is in deze periode dat hij ook eigenaar is geworden van de steyne hoeve, welke hij hoogstwaarschijnlijk heeft vernieuwd in de stijl zoals ze is afgebeeld op de oudste détailkaart van 1651. Ook ben ik er van overtuigd dat hij de hand had in het ontstaan van het bedevaartsvaantje van onze parochie.
    Zijn huwelijk met een Nederlandse dame van adel hoeft ons niet te verwonderen, daar zijn voorouders zich rondom Haarlem situeren.

    Volgens de Vegiano, heer van Hovel (Uylehoef) ziet de stamboom er zo uit.
    I. Baudouin van der Laen, écoutête de Lierre, épousa Barbe VAN DER LIST, et en eut :
    II. Henri van der Laen, aussi écoutête de Lierre, mari d'Ementia DE HILLEGOM, fille de Bonaventure et de Lucrèce VAN LAETHEM. De cette alliance vint :
    III. Nicolas van der Laen, chevalier, et en 1599 seigneur de Berendyck, épousa Catherine VAN ASSENDELFT, fille d'Albert, seigneur de Veenhuysen, et d'Anne PERSYN, sa seconde femme, par laquelle il fut père de :
    IV. Nicolas van der Laen, seigneur de Haegelstein, Schrieck et Grootloo, trésorier-général d'Eléonore d'Autriche, reine de France, lequel testa le 5 janv. 1564 et mourut peu après la même année. Il avait épousé Agathe DE HUYTER, fille de Jean, chevalier, écoutête de Delft, et de Pétronille VAN DIEPENHORST
    Uit Nobiliaire des Pays-Bas et du comté de Bourgogne III 1868 blz 1153- 1156
    nota:
    1) Dat Nicolaus vader in 1599 heer wordt van Berendyck is onmogelijk, ik vermoed dat dit 1499 moet zijn.

    JAN VAN DER LAEN

    ° 1546 Zoon van Nicolaus van der Laen en Agathe de Huyter
    Ontvangt reeds op 5 januari 1564 de heerlijkheid Schriek van zijn vader, maar het leenverhef gebeurt pas op 18 juni 1565 door Jan van Huyter, zijn kozijn, omdat hij nog minderjarig was.
    Huwt met Anna Cymon († 13.03.1614 begraven in St.-Rombouts te Mechelen), dochter van Domingo Cymon en Clara d’Almaras)
    Kinderen : 1. Alexander, oudste zoon, werd pastoor te Mechelen St.Jan en later aartspriester van St. Rombouts.

    2. Jacques ° 1582 sneuvelt te Oostende op 17 december 1601 als soldaat in het Spaanse leger. Hij rust in het graf van zijn ouders in de kathedraal te Mechelen. Jacques wordt tevens vermeld op de oudste lijsten van het zondagsgebed van de parochie St.-Jan Baptist te Schriek.

    3. Theodore, ° 2 december 1585 te Hoei, huwt te Mechelen op 4 augustus 1616 met Catharina van Liaukama. Theodore, die de naam heer van Schriek en Grootlo draagt tot bij zijn dood op 13 september 1644, maar het nooit is geweest, moet enorm fier geweest zijn op deze titel.

    Op 1 augustus 1578 verslaat het leger van de Staten-Generaal het leger van Don Juan van Oostenrijk te Rijmenam.

    "Dit fyn de Naemen van de Gilde van den Edelen Handtboge, die den 24. October 1595 ontzet hebben de Stad Lier, onder het gebiedt van Heer Jan Van der Laen, Over-Hooftman, Ridder, Heere van Schrieck ende Grootloo, etc. Heer Nicolaes Van der Laen, oock Ridder, Heer van Hagelfteyn, Gebroeders, Carolus Van Bouvekercke, Ladisl. Van Gottignies, Joannes ende Hendrick Van Wachtendonck, Heer Jan Van Lathem, Schouteth, Jacob Van Cranendonck, Den Baron Van Baffignies, Geeraert De Horne..".
    Source Bulletin du Cercle archéologique, littéraire et artistique de Malines (Volume 16-18), p 268.

    "Dese Kercke opgebouwt zynde,is gewydt geweeft ten jaere 1610 den 17 October, ende naermaels verciert met verscheyde Schilderyen, onder de welcke uytschynende is die in den hoogen Autaer inde Choor, geschildert door den vermaerden ANTONIUS VAN DYCK , verbeldende CHRISTUS gehecht aen het Cruys tusschen de twee Moordenaers, met MARIA ende JOANNES staende ontrent het selve : met dit schoon present heeft dese Kercke vereert JOANNES VAN DER LAEN , Heere van Schrieck, en Grootloo, den welcken, al was hy van Ridderlycke weerdigheyt , en naer geweest te hebben van deze Stadt Mechelen over de achthien mael Borgemeester , en naer omtrent de 40 jaeren bedient te hebben het ampt van geestlycken. Vader deser Convente , heeft gewilt volgens syn Testament naer zyn doodt begraeven te worden in het habyt der MinderBroeders”

    Ita Archiv. Conv. FF Minorum Mechl Cap.3 Parag. 2 Source Provincie, stad, ende district van Mechelen opgeheldert in haere kercken ., p 3, Joseph Ferdinand Cuypers d'Alsingen.

    In december 1612 wordt het pand gelicht en de som van 10700 gulden terug gegeven. Schriek en Grootlo zijn terug een deel van de kroon van Spanje.

    † op 10 juli 1633 en wordt begraven in St.-Rombouts te Mechelen 

    vervolgd



    22-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (1)

    ARCHIEF
    Genealogie

    Doopregisters
    Geboorteakten BS

    Huwelijksregisters
    Huwelijksakten BS

    Overlijdensregisters
    Overlijdensakten BS

    Gezinnen

    Wereldoorlog I

    Akten BS en PR
    Heist-op-den-Berg

    Booischot

    Akten BS en PR
    Putte & Beerzel

    Akten BS en PR
    Baal
    Tremelo
    Werchter
    Keerbergen

    Akten Bierbeek
    Korbeek-lo
    Lovenjoel
    Ophelp

    Archief per maand
  • 02-2021
  • 01-2021
  • 12-2020
  • 10-2020
  • 07-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 04-2019
  • 12-2018
  • 02-2017
  • 01-2016
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 10-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 03-2013
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 03-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 06-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 11-2008
  • 07-2008
  • 05-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !
    Mijn favorieten
  • bloggen.be
    Zoeken met Yahoo


    Foto
    Steyne Hoeve 1651

    De Heren van SCHRIEK

    Foto

    De graven van Loon

    Foto

    De graven van Aarschot

    Foto

    Familie Berthout

    Foto

    Graven van Gelre

    Foto

    Huis Van Kleve

    Foto

    Huis Van Arkel

    Foto

    Graven van WEZEMAAL

    Foto

    KAREL DE STOUTE
    MARIA van BOURGONDIË

    Foto

    VAN DER LAEN

    Foto

    VAN DER NATH

    Foto

    DE BROUCHOVEN

    Foto

    VAN DER STEGEN


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!