SCHRIEK
Verleden - Heden - Toekomst


Tekstgrootte aanpassen?
Klik op + of -

BLOG ZOOM

Foto

Wapenschild van SCHRIEK

Zoeken in blog

We zijn de 10de week van 2021
 

Parochie
St.-Jan Baptist

Inhoud blog
  • Overlijdensakten BS 1895-
  • Huwelijksakten BS 1916
  • Familieberichten
  • Infogids Schriek
  • Ons Oorlogsdagboek 1914-1919 (11)
  • Huwelijksakten BS 1911-1915
  • Remember 14-18
  • Remember 40-45
  • Overlijdensakten BS 1891-1894
  • Pv-WO I Itegem
  • Overlijdens Schriek 2020-
  • Pv-WO I Tremelo-8
  • Huwelijksakten BS 1891-1898
  • Huwelijksakten BS 1899-1904
  • Huwelijksakten BS 1905-1910
  • Wijzigingen van de berichten.
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (10)
  • KOM MEE RADIO MAKEN IN SCHRIEK.
  • Geboorteakten BS 1891-1893
  • Geboorteakten BS 1894-1896
  • Geboorteakten BS 1897-1899
  • Geboorteakten BS 1900-1901
  • Geboorteakten BS 1902-1903
  • Geboorteakten BS 1904-1905
  • Geboorteakten BS 1906-1907
  • Geboorteakten BS 1908-1909
  • Geboorteakten BS 1910-1911
  • Geboorteakten BS 1912-1913
  • Geboorteakten BS 1914-1915
  • Geboorteakten BS 1916-1918
  • Geboorteakten BS 1919-1920
  • OPROEP.
  • Oproep aan de genealogen.
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (2)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (3)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (4)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (5)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (6)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (7)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (8)
  • Ons Oorlogdagboek 1914-1919 (9)
  • Kerkrestauratie 2016-2017
  • Overlijdens 2015-2019
  • Geboorteakten BS 1809-
  • Rouwprentjes Schriek A-B
  • Rouwprentjes Schriek C
  • Rouwprentjes Schriek D
  • Rouwprentjes Schriek H-I
  • Rouwprentjes Schriek J-L
  • Rouwprentjes Schriek M-O
  • Rouwprentjes Schriek P-R
  • Rouwprentjes Schriek S-T
  • Rouwprentjes Schriek U-V
  • Rouwprentjes Schriek -Van den P
  • Rouwprentjes Schriek Van H
  • Rouwprentjes Schriek Van R
  • Rouwprentjes Schriek Verl
  • Rouwprentjes Schriek Vert.-Z
  • Open brief
  • Kerkrekening 1561
  • Kerkrekening 1561-(1)
  • Kerkrekening 1561-(2)
  • Kerkrekening 1561-(3)
  • Kerkrekening 1561-(4)
  • Kerkrekening 1561-(5)
  • Kerkrekening 1561-(6)
  • Kerkrekening 1561-(7)
  • Kerkrekening 1561-(8)
  • Kerkrekening 1561-(9)
  • Kerkrekening 1561-(10)
  • Kerkrekening 1561-(11)
  • Kerkrekening 1561-(12)
  • Kerkrekening 1561-(13)
  • Kerkrekening 1561-(14)
  • Kerkrekening 1561-(15)
  • Kerkrekening 1659-1660
  • Kerkrekening 1658-1659
  • Kerkrekening 1657-1658
  • Kerkrekening 1656-1657
  • Schriek - Het onderwijs tot 1800
  • Wijzigingen in het blog
  • Altaarsteen in de St.-Jan Baptist kerk
  • Pastoorsverslagen WO I
  • Pastoorsverslagen WO I
  • Pv WO I Tremelo-1
  • Pv WO I Tremelo-2
  • Pv WO I Tremelo-3
  • Pv WO I Tremelo-4
  • Pv WO I Tremelo-5
  • Pv WO I Tremelo-6
  • Pv-WO I Tremelo-7
  • Overlijdensakten BS 1816-
  • Huwelijksakten BS 1816-
  • Geboorteakten BS 1816-1819
  • Overlijdensakten BS 1807-1809
  • Gezinnen 1604-... (B)
  • Gezinnen 1604-... (A)
  • Overlijdensakten BS 1797-1807
  • Huwelijksakten BS 1800-1808
  • Parochiegeschiedenis-1
  • Parochiegeschiedenis-2
  • Parochiegeschiedenis-3
  • Parochiegeschiedenis-4
  • Geboorteakten BS 1797-1804
  • Geboorteakten BS 1804-1808
  • Overlijdens 1930-1935
  • Overlijdens 1935-1942
  • Overlijdens 1942-1948
  • Overlijdens 1948-1956
  • Overlijdens 1956-1965
  • Overlijdens 1965-1971
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (A-D)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (E-L)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (M-S)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (T-Van O)
  • Huwelijken (man) 1604-1929 (Van P- Z)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (A-D)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (E-K)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (L-S)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (T-Van Rom)
  • Huwelijken vrouw 1604-1929 (Van Roo-Z)
  • Overlijdens 1604-1929 (A-B)
  • Overlijdens 1604-1929 (C)
  • Overlijdens 1604-1929 (D)
  • Overlijdens 1604-1929 (E-G)
  • Overlijdens 1604-1929 (H-J)
  • Overlijdens 1604-1929 (K-M)
  • Overlijdens 1604-1929 (N-Q)
  • Overlijdens 1604-1929 (R-S)
  • Overlijdens 1604-1929 (T-Van den Bra)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van den Bro-Van Dy)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van E-Van L)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van M- Van U)
  • Overlijdens 1604-1929 (Van V-Verha)
  • Overlijdens 1604-1929 (Verhe-Vers)
  • Overlijdens 1604-1929 (Vert-Wa)
  • Overlijdens 1604-1929 (We-Z)
  • Gezinnen 1604-1923 (A-B)
  • Gezinnen 1604-1923 (C-Cl)
  • Gezinnen 1604-1923 (Co-De C)
  • Gezinnen 1604-1923 (De D-De V)
  • Gezinnen 1604-1923 (De W-Du)
  • Gezinnen 1604-1923 (E - F)
  • Gezinnen 1604-1923 (G-Go)
  • Gezinnen 1604-1923 (Go-Hen)
  • Gezinnen 1604-1923 (Her-Hu)
  • Gezinnen 1604-1923 (I-Li)
  • Gezinnen 1604-1923 (Lo-N)
  • Gezinnen 1604-1923 (O-Q)
  • Gezinnen 1604-1923 (R-Ser)
  • Gezinnen 1604-1923 (Sey-T)
  • Gezinnen 1604-1923 (U - Van Cr )
  • Gezinnen 1604-1923 (Van D-Van den Bu)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van den C-Van der)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van Des-Van Hou)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van Hove-Van M)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van N - Van V)
  • Gezinnen 1604-1923 (Van W-Verha)
  • Gezinnen 1604-1923 (Verhe-Versch)
  • Gezinnen 1604-1923 (Verst-Vi)
  • Gezinnen 1604-1923 (Vo-Z)
  • Dopen 1604-1621
  • Dopen 1621-1630
  • Dopen 1631-1641
  • Dopen 1641-1651
  • Dopen 1651-1669
  • Dopen 1670-1673
  • Dopen 1673-1685
  • Doopregister 4 -afbeeldingen
  • Dopen 1685-1692
  • Dopen 1692-1697
  • Dopen 1698-1703
  • Dopen 1703-1707
  • Dopen 1707-1708
  • Dopen 1708-1710
  • Dopen 1711-1720
  • Dopen 1721-1730
  • Dopen 1730-1739
  • Dopen 1740-1749
  • Dopen 1750-1759
  • Dopen 1760-1769
  • Dopen 1770-1776
  • Dopen 1776-1780
  • Dopen 1781-1784
  • Dopen 1785-1788
  • Dopen 1788-1791
  • Dopen 1792-1794
  • Dopen 1795-1796
  • Dopen 1797-1797
  • Dopen 1798-1800
  • Dopen 1800-1803
  • Dopen 1803-1806
  • Dopen 1807-1810
  • Dopen 1810-1813
  • Dopen 1813-1817
  • Dopen 1817-1820
  • Dopen 1820-1823
  • Dopen 1823-1826
  • Dopen 1826-1827
    Foto

    PAROCHIE

    * Parochie info
    * Parochiale Leven
    * Parochiecentrum
    * Verenigingen
    * Onderwijs
    * Vormsel 2008
    * Vormsel-jaarprogramma
    * Catechesegroepen
    * Vormsel-start
    * Vormsel-kerkbezoek
    * Vormsel-datumwijziging
    * H.Doopsel
     Genealogie: zoek uw voorouders op, publiceer uw genealogie, consulteer de burgerlijke stand ...
    27-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.akte 5-de Brouckhoven

    1731.11.05
    Testament van Maria Clara de Rydwyck, wwe Jan Jacques de Brouckhoven

    In den naem ons Heeren amen.

    Op heden den vyfden november seventhienhondert eenendertigh compareerde voor my Martinus Thibaut openbaer notaris by den Souverynen Raede van zyne keyserlycke ende catholycke Majestyt geordonneert in Brabant geadmitteert binnen de stad Brussel residerende ende ter presentie van de getuygen naergenoemt vrouwe Maria Clara de Rydewyck Baronesse van Putte Douariere van wijlen M’her Jan Jacques de Brouckhoven Baron van Putte etc…. gesont van lichaeme gaende staende, haer memorie ende verstant ghebruyckende gelyck dat aen mij notaris ende getuygen volcommentlyck is gebleeken, de welcke overdenckende de broosheyt der menschelycke nature, de sekerheyt van de doodt ende onsekerheyt van de ure der selve, daeromme ende wenschende uyt dese weirelt niet te scheyden aleen gedisponeert te hebben van de goelycke goederen aen haer door den almogende op dese weirelt verleent, heeft met voorbedachten Rade ende onbedwongen van jemanden soo sy verklaerde gemaeckt haer tegen tegenwoordigh testament ende ordonantie van uytersten wille, begurende dat den selven naer haer overlyden sal worden achtervolght ende volcomen effect sorteren, t’sy als testament, codicille, donatie tusschen den levende, ofte ten saecke van doodt, oft inder maniere als t’selve beste sal connen subsisteren, niettegenstaende hier inne niet en waeren geobserveert alle solemnityten volgens den rechte gerequireert, oock niet tegenstaende eenighe costumen, placcaerten, ofte landt rechten ter contrarien waer aen sy Testatrice heeft ghederogeert, gelyck sy is derogerende by ende mist desen, ende gebruyckende de opene brieven van octroy aen haer vergunt gedepecheert in syne voorschreve Majestyts Souverynen Raede van Brabant den vyffentwintighsten augusti seventhienhondert negenthien geparapheert Grysp.Vt geteeckent Loeyens, ende gesegelt in forma, revoceert annullent doodt ende doet te niet by desen alle voorganede testamenten maeckagien ofte andere dispositien van uyttersten wille by haer Testatrice voor dat deser eenighsints gemaeckt ende naementlyck seckere acte gepasseert voor wylen den notaris Hulin ende getuygen op dese derthienden meert sesthienhondert vierenneghentigh, ten tweeden seker testament by haer gemaeckt ende gepasseert voor den notaris J.C.Verhulst den dryentwintighsten september seventhienhondert sevenentwintigh, ten derden seker codicille gepasseert voor den selven notaris Verhulst ende getuygen den sesden november daernaer, ten vierden secker besloten testament berustende by d’heer Reyntiens ofte by andere persoonen, ende ten vyffden haer testament gepasseert voor den noataris P.V. Beemen ende getuygen op den vierentwintighsten december seventhienhondert neghenentwintigh, ende generaelyck alle andere testamenten ofte dispositien testamentair, de welcke sy testatrice begeert ende verclaert by desen dat die geen effect ofte vigeur en sullen hebben, al waert oock dat in de voormelde ofte andere hare dispositien van uyttersten wille bevonden magh worden dat sy testatrice soude geseght hebben dat geene testamenten ofte dispositienvan uyttersten wille saude stadt grypen ten waer daerinne uytdruckelyck gheexpomeert saude wesen de naervolgende woorden Mon Dieu et mon Jesus ayez pitié de moy, alle welck sy revoceert doodt ende te niet doet mist desen, ten dyen effecte alhier repeterende de selve woorden Mon Dieu et mon Jesus ayez pitié de moy

    Bevelende vervolgens de Testatrice hare siele, soo haest die uyt haer lichaem sal scheyden, God Almachtigh haeren Schepper ende Verlosser, door de voorspraecken van de alderheylighsten Maeght ende moeder Maria, van haeren Enghelbewaerder, ende van allen den hemelschen geselschappe ende haer doodt lichaem ten geweyden aerde, d’welck sy begeert des avonts in stilte begraeven te worden sonder enighen pompa in de kercke van de Eerwerdighe Paters Cathuysers binnen dese stadt Brussel alwaer haeren Heere man saliger begraeven leyt, ende dat corts naer haer overlyden tot laeffenisse van haere ziele gecelebreert sullen moeten worden sesse hondert gelesene missen van requiem a seven stuyvers iedere misse door den Eerwerdighen heere Valentyn Symons weerlycken priester, ende ingevalle hy quaeme te sterven voor haer Testatrice, door alsuleken andere priesters als haeren naer te noemen executeur sal gelieven daer toe te aensoecken,

    Item om te beloonen de lanckdurighe ende getrouwe diensten van Anna de Telle haere camenier, laet ende maeckt sy Testatrice aen de selve eene lyffrente van twee hondert guldens s’jaers courant haer leven geduerende, ende bovendien allen het lynwaet gedient hebbende tot der Testatrice lyve, het ledikant, bedde, hooftpulinck, sargien, ende dry paer slaeplaekens die de selve haere cameniere is gebruyckende, ende dat ingevallen sy by haer Testatrice noch is woonende ten tyde van haer overlyden, ende boven t’gene voorschreve sal moeten genieten haere openstaende gagie,

    Item laet ende maeckt de Testatrice aen haer keuckenmeyssen, ende aen den knecht die ten tyde van haer aflyvigheyt by haer sullen woonen ieder een de somme van vyfentwintigh pattacons voor een rouwkleedt, ende daer en boven de huere die sy respective sullen goet vinden,

    Item laet ende maeckt sy Vrouwe Testatrice aen jouffrouwe Isabella Jacqueline Rydewyck haere sustere Religieuse in het Clooster van Vredenbergh tot Lier voor eene gedenckenisse een Lieve Vrouwe Beeld gemaeckt uyt den boom genaemt Jesus Eyck,

    Item laet ende maeckt de Testatrice aen den sone tegenwoordigh levende van Vrouwe Marie Magdalena de Broeckhove compagne van den Heere vander Stegen, van welcken sone sy vrouwe Testatrice Meter is, den autaer portatief in eene houte casse staende binnen haeren huyse, met allen het silverwerck ende ornamenten daertoe behoorende, voor een prelegaet ende vooren uyt,

    Ende coemende hier mede sy Vrouwe Testatrice tot de dispositie van alle haere resterende tydelycke goederen soo leenen, haeffelycke, als erffelycke patrimoniele, matrimoniele, geconquesterende, uccelsche, cheynsgoederen, jericosche, allodiale, collaterale, ende generalyck alle andere waer ofte ter wat plaetse die gelegen syn ofte bevinden sullen mogden worden, van wat nature ofte conditie die souden mogen wesen egeene uytgescheyden nochte gereserveert haer vrouwe Testatrice competerende, heeft sy die gelaeten ende gemaeckt gelyck sy die laet ende maeckt by ende mist desen aen de kinderen van haere dochtere Vrouwe Maria Magdalena Clara Nicola de Broeckhoven in houwelyck verevecht met den Heere Charles vander Stegen, ende de kinderen die de selve haere dochtere in wettelycken houwelyck alsnoch sal comen te procreeren de gemelde kinderen noemende ende instituerende haere universele erfgenaemen met volle recht van justitutie by ende mist desen,

    Item wilt ende begeert sy Testatrice dat het kint ofte kinderen van haere voornoemde dochtere, de voorseyde goederen niet en sal ofte sullen mogen vercoopen, belasten, vercautioneren, ofte veralieneren, maer dat het een kint stervende, desselfs postra sal vallen op het ander oft andere, ten waere sulcken kint van synen lyve wettighe descendent ofte descendenten naerlieten die sullen comen by representatie, belastende alvolgens de selve met den bandt van fiderommis tot den derden graet ofte val, soo in linie descendente reciproque, als collateralen,

    Item soo laet ende maeckt sy vrouwe Testatrice gelyck sy laet ende maeckt by ende mist desen aen haere voornoemde dochter Marie Magdalena Clara Nicola de Broeckhoven eene somme van thienduysent guldens courant gelt eens t’haerder libere dispositie, op cinditie ende op den last nochtans van geene de minste processen ofte moeyelyckheden te mogen intenteren ofte aendoen by haer, haeren Heere Man, ofte wie het saude mogen wesen aengaende de successie van haer vrouwe Testatrice, in welcken gevalle dit legaet sal comen te cesseren, doodt ende te niet syn al ofte het selven in dit testament niet en waere geinsereert, soo dat sy ende haeren man aen alle aentedoene rusien ende mogelyckheden sullen moeten renuncieren voor ende aleer sy de voorschreve somme van thienduysent guldens courant sal mogen profiteren,

    Item is den wille ende begeerte der voruwe Testatrice dat haer voor erfgenaemen niet het minste van de revenuen ofte innecomen van haer naer te laetene goederen en sullen mogen genieten oft daer van profiteren voor ende aleer sy sullen gecomen syn tot den ouderdom van vierentwintigh jaeren, tot welcken tyde alles de revennen ende innecomen sullen moeten worden ontfanghen door den naer te noemen momboir over de voorschreve kinderen nominerende tot dyeneynde voor momboir d’heer Guillielmus Reyntiens griffier van d’oppersaegerye van Syne Majestyt in Brabant den welcken voor syne recepte sal hebben ende profiteren vyf par cent, sonder meer, ende sal gehouden wesen synen ontfanck te doen rekeninghe bewys ende reliqua ten minsten alle twee jaeren voor eenen Heer Commissaris van den Souverynen Raede van Brabant te committeren by den Eerwerdighen Heere Cancellier van den selven Raede,

    Laetende aen den voornoemden Reyntiens in de maeckende eene particuliere somme van tweehondert guldens courant voor een honorair ofte recognitie ende ingevalle den selven momboir op de voorschreve ciriditie ende last de voorschreve recepte niet en wilde aennemen, soo en begeert sy Testatrice geenen anderen momboir als den genen door den voorschreven Heere Cancellier daer toe nut ende bequaem sal gelieven te nomineren uytgenoemen den Heere haeren schoensone, waer mede voor soo veel nodigh, sy vrouwe Testatrice is excuserende ende uyt haeren sterfhuyse is sluytende die heeren oppermomboiren ende gesworene Lothers deser stadt, ende alle andere die des halvens eenigh recht saude connen ofte willen pretenderen niet begeirende oock dat haere voornoemde dochter ofte schoensone eenigh het minste gesagh ofte directie sullen hebben in haeren sterfhuyse, maer dat het selve sal moeten gedirigeert woorden ende gegouverneert door den naer te noemen executeur Testamentair op den voet ende maniere als volght,

    Tot welcken eynde sy kiest ende nomineert voor haeren executeur testamentair mist desen Sieur Hendricus Franciscus vander Vecken notaris ende procureur van den Souverynen Raede van Brabant hem biddende dien last te willen aenvaerden, laetende ende maeckende aen den selven voor honorair eene somme van vierhondert guldens, tot voltrecken van desen haeren testamente ende uyttersten wille, authoriserende den selven excenteur om corts naer der Testatrice overlyden alle haere naertelaetene meubilaire effecten priblackelyck te doen vercoopen door de ghesworene pachters van de oproepers desen stadt Brussel, uytgenoemen twee touren feyne peerlen, met de brasseletten voor de handen,

    Item eene horlogie met dobbele casse van goudt,

    Item eene groote silvere flesse met een dobbel decksel van binnen vergult

    Item twee silvere croesen van binnen vergult,

    Item twee diamante ringen waer van den middelsteen in forme van een hert,

    Item een houte cofferken met verscheyde ladekens gaende van boven open met twee deurckens, ende allen het gene daer inne is en sal niet mogen vercocht worden, maer bewaert voor de twee kinderen van haer Testatrice dochter,

    Item alle de portraiten van de familie met een italiaens stuck schilderye representerende Ste Sebastiaen

    Item eene goude medaillie verbeldende de begraeffenisse van syne doorluchttighste Hoocheyt den Aertshertogh Albertus hoogloffelycke memorie alle welcke voorgaende stucken sy vrouwe Testatrice niet en begeert vercocht mochte veralieneert te worden soo lange haere dochters kinderen ofte hunne descendenten sullen in het leven wesen,

    Item is den wille ende begeerte der vrouwe Testatrice dat de penninghen van de te vercoopen mobilaire effecten voortscomende sullen moeten worden geemployeert tot betalinghe van alle haers Testatrice schulden soo van begraeffenisse, preuse werken, legaeten ende van alle andere schulden die naer haer overlyden bevonden sullen worden,

    Ende oft het gebeurde dat naer de betaelinghe den schulden bevonden wierden eenighe contante penninghen over te schieten, soo sal den executeur Testamentait de selve penninghen tot behoeft van haere voorschreve erfgenaemen doen aenleggen ende remplaceren, waer van het innecomen oock sal moeten ontfanghen worden door den voornoemden momboir over haere erfgenaemen M Reyntiens, dese welcken oock gehouden sal syn de jaerlycksche revenuen aen te leggen t’sy met duysent guldens t’seffens, ofte daer mede coopen erfrenten ofte erfgoederen naer syn beste goetduncken welcken revenuen sullen alsoo moeten accresseren tot dat haere erfgenaemen sullen syn gecomen tot den auderdom van vierentwintigh jaeren soo verseyt is,

    Ende en sullen haeren voornoemden schoonsone ofte haere dochtere syne compagne daer over geen gesaeck hebben,

    Item is den wille ende begeerte der vrouwe Testatrice dat den executeur testamentair sal moeten doen inventarieren alle de brieven, notulen , ende pampieren die in haer sterfhuys ofte elders sullen bevonden worden haer regarderende, alle welcke geinventarieert synde, sullen alsoo worden ter handt gestelt aen den voornoemden M. Reyntiens gestelden momboir, onder behoorlycke recepisse, laetende haere dochter, ofte haeren man ende alle degene des raeckende geheel om daer uyt tot hunnen coste te mogen lichten de copyen hun nodigh authoriserende sy vrouwe testatrice voorts gelyck sy authoriseert by ende mist desen den voorschreven momboir M;Guillielmus Reyntiens om te mogen vergunnen aen alsulcken eerelycke ende deughdelycke persoonen als hij niet ende bequaeme sal oordeelen alle offreren comende naer der vrouwe doodt te vaceren in haere voorschreve Baronnie van Putte ofte in ander heerlyckheden ofte Laethoven by haer achter te laeten haer competerende, ende om voorts te doen allen t’gene des behoort tot exneitie ende conservatie van de heerlycke rechten, t’sy int’ versetten van de wetten, stellen van kerck ende armmeesters in haere voorse Baronnie ende Heerlyckheden, sonder iemant des raeckende daer toe te moeten kennen, ende dat totten tydt de voornoemde haere erfgenaemen sullen gecomen syn tot den auderdom van vierentwintigh jaeren,

    Item wilt ende begeert de vrouwe testatrice dat de reparatien ende melioratien die aen haere casteelen, huysinghen, ende bauwen sullen moeten geschieden, sullen gedaen worden ter directie van den voornoemden d’heer Reyntiens, ende dat daertoe egeenen hout ofte boomen en sullen mogen gecapt worden ten sy hy die tot de voorschreve reparatien noodigh soude oordeelen, ende anders niet,

    Ende oft het gebeurde dat den voorschreven schoensone, ende haer dochtere ofte iemanden anders wie het oock saude mogen wesen, den voorschreven executeur ofte momboir souden willen molesteren met proceduren t’sy ter occagie van hunne aenstellinghe, t’sy in den naeme van de kinderen ofte om wat occagie het saude mogen wesen, soo authoriseert de vrouwe testatrice by ende mits desen die voornoemden executeur, ende momboir van als nu voor als dan om sonder eenigh octroy, ofte andere permissie dusdanigh proceduren te deffenderen ende vervolgen, ten koste van de kinderen, ofte van haer testatrice naer te laetene goederen, met oock authorisatie om daer toe te assumeren alsulcken advocaetenende substitueren procureurs als hy geraetsam sal vinden, ende die te vervolgen tot den diffinitiven toe, sonder te mogen recorderen, ten waere die voorschreve processen ten accorde wierden gewesen door de rechters,

    Item ingevallen voorseyden kintskinderen quaemen aftlyvigh te worden sonder achter te laeten wettigh hoir, soo laet sy vrouwe testatrice by ende mits desen eerst de Baronnie van Putte aen syne Excellentie den heere Marquis van Westerlo die sal vermogen belasten veralieneren ofte vercoopen, ende voorts alle hare resterende goederen egeen uytgesondert noch te gereserveert t’sy leenen ofte van wat nature ofte qualityt die soude mogen wesen egeene daervan geexcipieert laet ende maeckt aen den Heere J.Æ.van Cannaert de Hamale ende aen den Heere N.Dierickx schouteth tot Ruremonde, ende synen broeder mistgaeders aen den Heere N. Rodry wiens moeder was d’Absalons haer testatrice cosynen de selve in den gevalle alsvoor hoofdegelyck instituerende ende substituerende haere eenighe ende universele erfgenaemen met volle recht by ende mits desen op den last van fideicommes tot den derden graet ende valinelus, met conditie ende op den last nochtans dat de selve aleer te pouisseren van hun erfdeelsullen verobligeert wesen te fonderen in de kercke van Ste. Catharina binnen de stadt Mechelen dry daegelycksche Missen voor altyt de eerste ter eeren van de Alderheylighste dryvuldigheyt, de tweede ter eeren van onse Lieve Vrouwe van seven ween ende de derde van de Heylighe Anna, alle dry tot laeffenisse der geloovighe Zielen, eerst voor de gene van haer testatrice, van wylen haeren Heere man ende van haere naeste vrinden, te celebreren in de fontes capelle door dry weirelycke priesters, de eene ten seven uren, de tweede ten acht uren, ende de derde ten negen uren dewelcke sullen moeten gehoort worden door dry Begyntiens van het clyn Beggynhoff aldaer, welcke priesters ende Beggyntiens sullen gecosen worden door den voorschreven Heere J.Æ.van Cannaert de Halmale haeren cosyn ende by synen ghebreke door syne naeste vrinden hem ende hun biddende sy vouwe testatrice daer van de preferentie altyt te geven aen dochters de welcke souden dote : den wille hebbende om hun tot den staet van Begyntien te begeven : niet en saude connen worden geaccepteert, laetende ende maeckende sy testatrice voor iederen priester tweehondert guldens courant gelt s’jaersende voor ieder beggyntie t’sestigh gulden s’jaers courant gelt, op conditie dat de selve sorghe sullen draegen voor het palleren ende schoenmaecken der voorseyde cappelle, aen dewelcke cappelle sy vrouwe testatrice laet ende maeckt in den gevalle als voor vyftigh guldens s’jaers courant gelt voor kerssen, wyn voor de missen ende onderhout dier, de begeerte ende wille der selve testatrice synde dat de voorschreve fondatien ende betaelingen sullen moeten worden geaffecteert ende reelyck gehypothequeert op goede ende suffissante panden van haere achter te laetene goederen aleer de voorschreven gesubstitueerde erfgenaemen de selve goederen sullen mogen vercoopen, ofte veralieneren selfts aleer van de selve goederen te mogen profiteren ofte genieten eenighe de minste vruchten ofte revenuen,

    Item wilt ende begeert de vrouwe testatrice dat allen het gene sy alnoch hier naer sal comen te disponeren door geschrift by haer onderteeckene, het selve sal gehauden worden voor goet ende van weerde ende al ofte dat in dit haer testament waere geinsereert het selve van als nit voor als dat daer van deel maeckende

    Het gene voorschreve verclaerde sy vrouwe testatrice te wesen haeren dispositie van uyttersten wille, den welcken sy begeert alleen te worden achtervolghe haer reserverende nochtans het veranderen naer haere geliefte, aldus gedaen ende gepasseert binnen de stadt Brussel ontrent dry uren naer middagh ten huyse van de vrouwe testatrice op den vyfden dagh der maend novembris seventhienhondert een endertigh, ter precentien van Sr.Jan Francois Van de Laer officiael ter Griffie van den Souverynen Raede van Brabant ende Francois van Ophem als getuygen hier over geroepen ende gebeden ende aen de vrouwe testatrice ende getuygen respective door my Notaris gevraeght synde oft sy conden schryven hebben alle verclaert ende geantwoort dat jae, ende was de minute desen becledt met segel van sesse guldens

    Onderteeckent M. C. L. De Rydwyck Baronnes de Putte,
    F. van Laer 1731
    F. van ophem,
    Ende van my notaris
    Onder stont Quod attestor ende was ondt. M. Thibaut Nost

    Deze tekst komt van een originele copie gemaakt door notaris J.Emons (‘Collata concordat cum fria copia authentiqua quod attestor J.Emons Nots.’)
    (Privé verzameling)

    Vermelde personen :
    Beemen P.V. notaris
    d’Absalons
    de Broeckhove Marie Magdalena Clara Nicola
    de Brouckhoven Jan Jacques Baron van Putte
    de Rydewyck Maria Clara Baronesse van Putte
    de Telle Anna
    Dierickx N. schouteth tot Ruremonde
    Emons J. notaris
    Hulin notaris
    Loeyens
    Marquis van Westerlo
    Reyntiens Guillielmus griffier
    Rodry N.
    Rydewyck Isabella Jacqueline kloosterlinge
    Symons Valentyn priester
    Thibaut Martinus notaris
    van Cannaert de Hamale J.Æ.
    Van de Laer Jan Francois
    van Ophem Francois
    vander Stegen Charles
    vander Vecken Hendricus Franciscus notaris
    Verhulst J.C. notaris

    Vermelde plaatsen
    Brussel
    Lier Clooster van Vredenbergh
    Mechelen
    Putte
    Ruremonde
    Westerlo



    27-10-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    26-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Akte 6-de Brouchoven

    1726.05.04
    Staat van alle goederen van wijlen Magdalena Clara Nicola de Brouchhoven

    Pertinenten en Gereralen Staet van alle ende iegelycke goederen, renten, actien, ende credieten in vollen eygendom ende proprieteyt toebehoort hebbende ende achtergelaeten by wylen Vrouwe Magdalena Clara Nicola De Broeckhoven Dochter wylen M’her Jean Jacques De Broeckhoven Baron van Putte etcª ende van Vrouwe Maria Clara Louise De Ridwyck haere Ouders waeren, ende welcke Vrouwe Magdalena Clara Nicola De Broeckhoven in houwelyck is geweest met den heere Charles Louis Vander Stegen etcª die achtergelaeten hebben Philippus Norbertus Vander Stegen Baron van Putte heere van Schrieck ende Grootloo etcª eenigen sone suppliant, ende vrouwe Maria Carolina Vander Stegen eenighe Dochter in houwelyck met M’her N. de Man Baron van Attenrode ende Wever, heere van Hoelede, Beersel etcª Gedaegde ende om gedeylt ende gepartageert te worden op den voet van de testamentaire dispositie van wylen de voorschreve Vrouwe Magdalena Clara De Broeckhoven hunne moeder ende schoonmoeder respective, gepasseert de voorschreve testamentaire dispositie opden 4 Mey 1726 binnen dese stadt Brussele voor den Notaris Rousseau ende sekere getuygen aldaer genoemt alles by provisie ende sonder prejuditie van alle voordere goederen renten actien ende credieten naermaels te decouvreren ofte die aen wylen syne Vrouwe Moeder souden mogen hebben gecompeteert uyt wat hoofde bywat tittel, ofte uyt wat crachte het soude mogen wesen, als mede sonder preuiditie in alle voordere gerechtigheden des supplians inne te voorderen ende te verhaelen tot laste van de gene daer ende alsoo des behooren sal

    Primes de heerlyckheyt van Poddegem met casteel, hovingen, vyvers, schuere, stallingen, pachthove ende alle voordere appendentien ende dependentien van dien met de landen, weyden, meerschen ende voordere partye van goederen mits uytgenomen nochte gereserveert synde het voorse pachthoff met de landen, weyden cum appendentien alsnu in huere beseten by Henricus Van Hemelryck met Geertruyde Van Heuvel breeder vermelt in het contract van verhueringe ten processe overgelevert

    Item dry bunderen lants satvo justo gelegen tot Gaesbeke

    Item een stuck lants gelegen binnen de prochie van Goyck

    Item eenen eesterbosch tot Wolverthem genaemt den Waeterput groot sesse dachwandts

    Item eene weyde nu bosch gelegen binnen de prochie van Erps aende Langedonckstraete groot dry bunderen gemeyndlyck genaemt de drooge weyde

    Item eenen wintmolen gelege tot Beygem met de landen, weyden, bempden ende voordere partye van goederen daer aen gelege

    Item eene capitaele rente van sesthien duysent guldens wisselgelt staende tot laste van den heere Prince van Chimay geassecteert op diesselfs goederen

    Item eene jaerlycksche erffelycke rente van hondert vyffentwintigh guldens s’jaers tot laste van haere Majesteyts Domynen in het Quartier van Antwerpen

    Item de heerlyckheyt van Fontenes met alle de gerechtigheden appendentien ende depentendtien vandien

    Item de heerlyckheyt van Linghem met alle syne gerechtigheden ende toebehoorten appendentien ende dependentien vandien

    Item eene jaerelycksche rente van twee guldens tot laste van Van Overstraeten

    Item eene gelycke rente van twee guldens tot laste van d’heere Charles Vanden Bergen

    Item een stuck lant onder Uyttingen verhuert aen Dionisius Peterbroeck voor dertigh guldens s’jaers

    Item een ander stuck lant oock gelegen onder Uyttingen in huere by Adriaen Van den Vreucker voor vyff guldens s’jaers

    Item de Baronnie ende heerlyckheyt van Putte met alle preemunentien gerechtigheden ende toebehoorten vandien met het recht van planten ende cappe van boomen het recht der jachte visscherye ende generaelyck alle voordere gerechtigheden ende preeminentien met elle appendentien ende dependentien vandien niets uytgenomen nochte gereserveert

    Item den heerlycken chynsboeck genaemt Gortens sich betreckende onder de voorschreve Baronnie van Putte ende daer ontrent met alle voordere gerechtigheden daer van dependerende

    Item de hoeve met hoff schuere stallinge ende voordere appendentien ende dependentien vandien met de landen ende voordere goederen daer aen gelegen gemeynelyck genoemt de Swerte Poorte ende in huere by de weduwe Vander Auwera

    Item eene hoeve met alle voordere appendentien vandien ende lant daer aen annex gelegen onder de voorschreve Baronnie van Putte gemeynelyck genaemt de Boeretange respectieel verhuert aen Goeswinus Aertgeets ende Adriaen Sutens

    Item eene jaerelycksche rente van twee hondert guldens s’jaers staende tot laste deser stadt Brussele croiserende tegens den Penninck vyffentwintigh ende gehypothiqueert op de specien van sout, zeep, toeback, etcª dus

    Item eene rente van vierensestigh guldens s’jaers staende tot laste der stadt Brussele croiserende den Penninck vyffentwintigh ende gehypothiqueert op des selffe sotificatien der selve stadt dus

    Item eene rente van hondert twintigh guldens s’jaers tot laste der voorschreve stadt Brussele croiserende den Penninck vyffentwintigh ende beseth op desselffe sortificatie

    Item eene rente van twee endertigh guldens s’jaers staende tot laste der voorschreve stadt Brussele croiserende arate van den vyffentwintighsten Penninck ende beseth op desselffe sortificatien

    Item de hellicht eender rente van tachentigh guldens s’jaers staende tot laste deser stadt Brussele croiserende den Penninck vyffentwintigh beseth op de vier stuyvers op ieder aeme wyn

    Item eene rente van tachentigh guldens s’jaers staende tot laste deser stadt Brussele croiserende den Penninck vyffentwintigh ende beseth op het mout

    Item eene jaerelycksche rente van hondert twintigh guldens s’jaers staende tot laste deser stadt Brussele croiserende arate van den vyffentwintighsten Penninck beseth op desselffe stadtsmiddelen

    Item eene erffelycke rente van veertigh guldens s’jaers staende tot laste deser stadt Brussele croiserende arate den Penninck vyffentwintigh beseth op desselffe middelen

    Item eene erffelycke rente van vyff hondert guldens s’jaers beseth op den import van Vlaenderen in het Quartier van Gent

    Item de hellighte van een huys gestaen ende gelegen binnen dese stadt Brussele achter het hotel van Duc d’Ursel gemeynelyck genaemt het Hoff van Beyere verhuert aen Sieur Van Hove

    Item de hellicht van een huys met hoff vyver ende voordere appendentien ende dependentien vandien gestaen ende gelegen tot Anderleght gemeynelyck genoemt De Motte verhuert aen Arnoldus Hallemans

    Item een huys gestaen ende gelegen binnen dese stadt Brussele achter de Finisterra kercke in het pastoors straetje verhuert aen Petrus De Sweert

    Item sesse bunderen weyde alsnu lant gelegen tot Haeght in huere by Jan Wouters

    Item een huys op de hairgracht tot Mechelen

    Item een stuck lant groot onder halff dachwant gelegen tot Wespelaer

    Item dry huysen vinnen de stadt Antwerpen in de Keyserstraet

    Item de hellight van eene hoeve schuere stallingen ende voordere appendentien ende depententien vandien gelegen tot Roxem by Nieuwpoorte groot int’ geheel vyffenseventigh gemeten

    Item een pachthoff schuere stallingen hoff ende vyver met de landen ende weyden daer aen annex gelege tot Grootloo gemeynelyck genaemt de Schransse groot vyff bunderen salvo justo

    Item eene partye lants achter het pastoorshuys tot Schrieck waervan pachter is N. Geens

    Item sekeren bouw ende erve gestaen ende gelegen binnen dese stadt Brussele achter de Finisterra kercke ontrent de pastorye gemeinelyck genaemt het Stadtsmagazyn ofte de Weirde dier

    Item de heerlyckheden van Schrieck ende Grootloo met alle hunne gerechtigheden ende recht van pachte, vogelrye, visscherye, planten ende cappen van boome mede alle ende iegelycke hunne toebehoorten niets uytgenomen nochte gereserveert met het casteel pachthoff, vyver, dreef, landen, weyden, bosschen, bempten ende alle voordere partyen van goederen

    Item een pachthoff gelegen onder Schrieck met de landen daer aen annex verhuert aen Peeter Geens

    Item eene partye lants oock gelegen onder Schrieck groot seven bunderen salvo justo in huere by Joos Weyns

    Item een ander stuck lant groot twee bundere verhuert aen Jan Dox

    Item differente parceelen lants gelegen tot Schrieck voorschreve verhuert aen Gillis Geens

    Item de partye lants gemeynelyck genoemt de Verbrande Bosschen verhuert aen Jan Holemans

    Item een ander stuck lants verhuert aenden voorschreven Jan Holemans

    Item een huys met een stuck lant daer aen annex verhuert aen …. Officier ofte Dienaer der voorschreve heerlyckheyt van Schrieck

    Item een pachthoff met schuere, stallingen ende alle syne voordere appendentien ende dependentien vandien gelegen tot Schrieck voorschreven met de landen ende partyen van goederen daer aen annex verhuert aen Peeter Vanden Branden

    Item een stuck lant gemynelyck genaemt het Terwe Land gelegen onder Grootloo verhuert aen Jan Vercammer

    Item een pachthoff met schuere, stallinge ende alle syne voordere toebehoorten landen ende partyen van goederen verhuert aen Jan Meylemans

    Item eene dachwant lant onder Schrieck gelegen ontrent de Trommelstraete verhuert aen Guilliam Treuts

    Item alnoch dry dachwanden lants oock daer by gelegen verhuert aen Thomas Voet

    Item een stuck lants gelegen tot Schrieck voorschreve verhuert aen Jan Meylemans ende Rombout De Hont

    Item twee stucken lants oock aldaer gelegen ende verhuert aen Jacobus Weyns

    Item een huys met syne toebehoorten gelegen tot Schrieck verhuert aen Jacobus Stockels

    Item eenen bosch gelegen tot Schrieck voorschreve gemeynelyck genaemt den Boschbempt

    Item eenen bosch gelegen tot Schrieck voorschreve genaemt het Cruysbosch

    Item eenen bosch op d’Achterheyde tot Schrieck voorschreve

    Item tweevierdedeel in het elsboschken onder Laecken byden Donderbergh groot ontrent een dachwant

    Item tweevierde in eene jaerlycksche rente van hondert achtensestigh guldens comende van Vander Goes in acht negenste deelen

    Item twee vierde in acht negenste deelen van eene rente van vierentachentigh guldens s’jaers beseth op de Bosschen van Nieppe ende Cassel in Vlaenderen

    Item een vierde deel inde jaerelycksche rente van hondert guldens staende tot laste deser stadt Brussele altyd vallende halff veerthien juny ende veerthien decembris geenregistreert sube n° 2°

    Alles nochtans onder protestatie van geene preuiditie salvis omissis et errore mede van alle voordere gerechtigheden ende actien als in Preemio deser endevoors van het recht inde successie van wylen jonker N. Van Broeckhoven waer over proces is ventilerende voor heeren Wethouderen der stadt Antwerpen tegens Joncker Guiot gewesenen Schepenen van aldaer endevoors onder protestatie van in alles voorder geheel te blijven daer ende alsoo
    (Privé verzameling)

    Vermelde personen :
    Aertgeets Goeswinus
    De Broeckhoven Jean Jacques Baron van Putte
    De Broeckhoven Magdalena Clara Nicola
    De Hont Rombout
    de Man N. Baron van Attenrode ende Wever, heere van Hoelede, Beersel
    De Ridwyck Maria Clara Louise
    De Sweert Petrus
    Dox Jan
    Geens Gillis
    Geens N.
    Geens Peeter
    Guiot Joncker
    Hallemans Arnoldus
    Holemans Jan
    Meylemans Jan
    Meylemans Jan
    Peterbroeck Dionisius
    Prince van Chimay
    Rousseau Notaris
    Stockels Jacobus
    Sutens Adriaen
    Treuts Guilliam
    Van Broeckhoven N. jonker
    Van den Vreucker Adriaen
    Van Hemelryck Henricus
    Van Heuvel Geertruyde
    Van Hove
    Van Overstraeten
    Vanden Bergen Charles
    Vanden Branden Peeter
    Vander Auwera weduwe
    Vander Stegen Baron Philippus Norbertus van Putte heere van Schrieck ende Grootloo
    Vander Stegen Charles Louis
    Vercammer Jan
    Voet Thomas
    Weyns Jacobus
    Weyns Joos
    Wouters Jan

    Vermelde plaatsen
    Achterheyde tot Schrieck
    Anderleght De Motte
    Antwerpen
    Antwerpen Keyserstraet
    Attenrode
    Beersel
    Beygem
    Brussele
    Brussele de Finisterra kercke
    Brussele het Hoff van Beyere
    Brussele het Stadtsmagazyn ofte de Weirde dier
    Brussele hotel van Duc d’Ursel
    Chimay
    Erps aende Langedonckstraete
    Fontenes
    Gaesbeke
    Gent
    Goyck
    Grootloo de Schransse
    Haeght
    Hoelede
    Laecken byden Donderbergh
    Linghem
    Mechelen de hairgracht
    Nieppe ende Cassel in Vlaenderen
    Poddegem
    Putte
    Putte de Boeretange
    Putte de Swerte Poorte
    Putte Gortens
    Roxem by Nieuwpoorte
    Schrieck de Verbrande Bosschen
    Schrieck den Boschbempt
    Schrieck ende Grootloo
    Schrieck Grootloo het Terwe Land
    Schrieck het Cruysbosch
    Schrieck Trommelstraete
    Uyttingen
    Wespelaer
    Wever
    Wolverthem genaemt den Waeterput



    26-10-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    25-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Akte 7-VanderStegen

    1766-08-23

    Testament van Philip Norbert Van der Stegen

    In den naem ons Heere
    Amen
    By den inhoude van desen openbaeren instrumente van testament sy kennelyck een ieder dat op heden desen dry en twintighsten augusty duysent sevenhondert sesensestigh voor my Jacobus Carolus Coenders als openbaer notaris geadmitteert by den Souverynen Raede van Brabant tot Brusselle residerende, ende in de presentie van de getuyghen naergenoemt gecompareert syn in persoon Mynheer Philippus Norbertus Van der Steghen Baron van Putte, Heer van Schrieck, Grootloo, Poddeghem, Linghem, Fontaines, Beyghem, Tambergen, etcª ende vrouwe Maria Fransoise geborene Baronnesse de Gruutere, vrouwe in Ideghem, compagne des Heere comparants byde gesont van lichaem gaende ende staende hunne memorie verstant ende sinnen over alles machtigh synde ende gebruykende gelyck sulcks volcomentlyck is gebleken, de welcke niet desireerende uyt desen werelt te scheyden sonder alvoorens gedisponeert te hebben van het geene door godt onsen Heere alreede is verleent, ende alnoch te verleenen hebben daer omme uyt eygen vryen wille onbedwonghen van iemanden soo sy verclaerden gemaeckt, ende geordonneert desen hunnen muntuelen testamente, ende uytersten wille begeerende dat het selve naer hunne aflyvigheyd ende volcommen effect hebben sal soo, ende gelyck het alderbest sal connen, ende moghen subsisteren niet tegenstaende hier inne niet en waeren geobserveert de solemnityten ten desen gerequireert, waer aen sy testateuren derogeeren, ende renuntieren by desen, ende tot dien revoceerende casserende doods ende te niet doende alle voorgaende testamenteire dispositien eenigsins smaeck hebbende van uytersten wille, als oock houwelycks contract door hunne testateuren aengegaen, gemaeckt, ende gepassert voor den notaris J.B. Douroy ende getuygen op den negenthienden september duysent sevenhondert dryenvyftigh ende ten effecte naer beschreven gebruykende de opne Brieven van Octroy door hun verworven in den voorschreven Raede van Brabant den seventhienden mey duysent seven hondert vyfensestigh geparapheert Streish Voorzitter

    Onderteeckent J.V. Misson ende gesegelt in forma

    Ende voor eerst recommandeeren sy testateuren hunne onsterfelyje ziele soo haest die uyt hun lichaem scheyden sal aen godt almachtigh, Maria syne gebenedyde moeder ende soo voorts den geheelen hemelschen geselschappen ende hun doodt lichaem yer geweyden aerde dat sy willen begraven hebben in het clooster der Eerwerdige paters Chartroysen binnen dese stadt Brussele in den kelder in den welcken de ouders materneel van heere testateur begraven ligghen sonder eenighe pompe, laetende deselve begraefenisse als oock het uytvaert ter discretie van den langhs levende van hun beyde welcken langhs levenden wilt, ende begeirt oock op de selve maniere begraven te worden als den eerst stervenden ende dat in het clooster ende in den selven kelder als voorschreven staet

    Item willen ende begeiren sy testateuren dat in het voorschreve clooster der paters Chartroisen alhier jaerelycks sal moeten gedaen worden twee jaergetyden tot laeffenisse van hunne ziele te weten het eerste jaergetyde op den sterfdag van den eersten afstervende, ende het tweede op den dagh van de afleyvigheyd van den tweeden afstervende van hun beyde ende daer mede soo langhe jaerelycks te continueeren totdat het leste kindt van hun leyve voorts comende in het leven syn sal

    Item willen ende begeiren sy testateuren dat op hunne begraefplaetse sal moeten gestelt worden eenen sercksteen met de wapens daer op met de sesthien quaertieren voor een eeuwighe memorie

    Waer mede comende tot dispositie van alle hunne goederen ruerende ende onruerende, naestelycke ende erfelycke, vercreghen ende te vercreyghen, hoedanigh die souden moghen wesen, ofte op wat plaetse die geleghen zyn ofte zouden bevonden worden, hetsy cheyns goederen, leengoederen als andersins geen uytgenomen ofte gereserveert ende van de welcke sy macht hebben te moghen testeeren, hebben alle de selve gelaten ende gemaeckt soo, ende gelyck sy die laeten ende maecken by desen aen elcanderen ende d’een d’ander reciprokelyck den eersten afstervende aen den langhs levende van hun beyde, als oock alle de meubelen, juwielen personele obligatien, ende generaelyck allen het gene dat voor meubelen gereputeert wort, ende in cas den langhs levende sig begeeft tot eenen tweeden houwelycke soo en sal den langhslevende maer behouden de nackte tochte aen de goederen van de eerst stervende waer in oock begrepen sullen syn de hellicht der geconquesten gedaen staenden desen houwelycke ende alnoch te doen met de gratie godts te acquireeren, ende in cas dat ten tyde van den langhs levende van hun beyde testateuren door hun, eenighe goederen souden worden vercoght soo sal den langhslevende het import van de voorschreve vercoghte goederen van den eerst afstervende moeten gauranderen ofte wel assigneeren op andere suffisante panden welck capitael als dan dienen sal tot profyte van hunne naer te laetene kinderen voorts gecomme synde van desen houwelycke ende degene diensch van hunnen leyse sullen geprocceert worden, ofte wel dat met de selve penninghen sullen worden afgelost ende gequeten de cappitaelen door hun testateuren te samen der handt gelicht reserverende den Heere testateur, ende syne vrouwe compagne het veranderen, vermeerderen, ofte verminderen deser het sy by codecille als andersins, ende oock dat den langhs levende der testateuren sal hebben de libere dispositie tot de veranderinghe van desen uytersten wille nochtans met de restrictie hier vooren vermelt

    Item laet ende prelegateert den Heere ende Vrouwe testateurs aen hunnen oudste sone de Baronie van Putte, den heerelycken cheynsboeck van sekere Gorters, hebbende het recht te stellen meyer schepenen ende greffier resorterende onder Putte, ende elders

    Item de heerelyckheden van Schrieck ende Grootloo met het casteele rontomme bewaetert visserye ende plantagie met alle de goederen onder de voorschreve jurisdictie ligghende geene uytgenomen, nochte gereserveert, ende bovendien oock den leenboek van Gasbeet, mits conditie dat den oudsten sone van de voorschreve testateuren sal moeten uytkeren ofte betaelen eene capitaele somme van thien duysent guldens wissel gelt aen syne broeders ende susters, ende ofte het geviel dat alsulcken capitael bevonden wirdt gelicht te syn door de testateuren op de voorschreve goederen soo sal den selven hunnen oudsten sone de voorschreve cappitaele schult aen hen moghen nemen, ende daer van den intrest jaerelycks als dan moeten betaelen aen den geltschieter

    Item laten ende prelegateeren aen hunnen jongsten sone het casteel van Poddeghem geleghen onder de hooftbancke van Grimberghen rontomme bewatert met alle de landen weyden ende plantagien gelyck het selve tegenwoordigh in huere gebruykt wort by Hendrik Van Hemelryck

    Item bovendien den Heerelyken schoof, ende den heerelyken rentenboeck met den Heerelyken titel van Ideghem gelegen in Vlaenderen waer vooren den selven hunnen jongsten sone verobligeert syn sal den naem te voeren van syne moeder ende de waepens sal, oock gehouden syn te betaelen eene capitaele somme van vyf duysent guldens wisselgelt aen syne broeders ende susters daeronder niet begrepen synen voorschreven oudsten broeder, ende in cas dat het geviel datter mer schulden waren als vyf duysent guldens wisselgelt sal den voorschreven jongsten sone de voorschreve schult aen hen mogen nemen ter concurentie van vyf duysent guldens wisselgelt met macht van naerin als het voorschreven capitael te moghen aflegghen volgens goetdunken ende geliefte

    Item laten en prelegateeren hy Heere ende vrouwe testateuren aen hunnen tweeden sone het Hof ten Berghe tot Beyghem met de thiende ende den Heerelyken cheynsboeck ten Berghen die het recht heeft van te stellen Meyer, schepenen ende greffier met de landen weyden ende plantagie geene uytgenomen nochte gereserveert als nu in huere by Petrus Josephus Van Bever, ende in cas van aflyvigheyd van den selven hunnen tweeden sone sonder wettigh kindt, ofte kinderen agter te laten alsdan aen hunnen derden soon, ende dat in cas eene der voorschreven sonen quaeme te begeven tot den geestelyken staet sal het voorschreven pachthof moeten volghen op de volgende broeders die dien staet niet en sullen aenveerden, ende in gevalle maer twee van hunne sonen in het leven blyven sal het voorschreven pachthof met alle syne appendentien en dependentien dier commen aen den voorschreven oudsten sone, welcken tweeden, ofte derden van hunne sonen als dan van hun beyden den oudsten synde sal hy alle jaeren moeten geven aen alle de andere kinderen geene uytgenomen de somme van duysent guldens courant gelt om de selve onder hun egaelyck gepartageert te worden in welcke duysent guldens hunnen voorschreven sone oock sal hebben ende genieten syn paert ende deel beneffens syne broeders ende susters, ende by hunnen gebrecken aen de wettige naercommelinghen staecks geweys daer en boven sal hy alle jaeren moeten betalen vyf en twintigh guldens aen de fundatie van de Fontiscappelle in de parochie van Ste.-Catharina binnen Mechelen tot het lesen der misse

    Item alnoch vierthien guldens s’jaers tot onderhoudt van de voorschreve cappelle van wasschen, bovendien sal hy oock moeten doen de reparatie van de voorschreve cappelle in de welcke de voorouders materueel des Heere testateurs syn begraven

    Ende hier mede commende so Heere ende vrouwen testateuren tot dispositie van hunne resterende goederen soo leenen, cheyns, Uckelsche ende allodiale goederen van wat nature qualityt ofte conditie de selve souden moghen wesen, ende op wat plaetse die souden moghen geleghen syn geene uytgesondert ofte gereserveert selfs de gene die geleghen syn in Holland hebben sy testateuren alle de selve gelaeten ende gemaeckt soo, ende gelyck sy die laeten ende maecken by desen aen hunne kinderen soo dochters als sonen synde ende naerin als noch van desen houwelycke voorts te commen om de voorschreve goederen onder hun geleyckelyck ende hoofde gelyck te paerten ende te deylen sonder eenigh prerogatif van sexe ofte ouderdom op wat pretest het soude mogen wesen ende in cas van eenighe oppositie tusschen malkanderen soo danigh kint ofte kinderen sal, ofte sullen hun moeten contenteeren met de legitieme portie de selve op dien voet noemende ende instituerende hunne voorschreve kinderen hunne eenighe universele erfgenamen met volle recht van instititie, op den last ende conditie nochtans dat niemant van hunne kinderen naer de doot van den Heere ende vrouwe testateuren van de goederen aen hun hier vooren door de testateuren gelaeten hetsy by titel van prelegaet ofte institutie en sal moghen disponeren, vercoopen, belasten, ofte alieneren maer moeten vallen van d’een op d’ander ende soo voorts op de wettighe dessendenten van hunnen broeders en susters kinderen staecks geweys ten waere sy getreden waren in wettighen houwelycke met consent van de vaderlyke vrinden, ende achterlatende wettighe dessendenten, behoudelyck hier inne gereserveert hunne legitieme portie, waer van sy sullen moghen disponeeren volgens geliefte sonder hier onder te begrypen de legaeten van de Heerelyke getituleerde goederen, als mede het hof, landeryen, appendentie en dependentie genoemt het Hof ten Berghe tot Beyghem, ende bovendien dat niemant der kinderen van den voorschreven Heere testateur ende vrouwe testatrice sal moghen ionisseren van eenige revennen der voorschreve goederen aen hun hier vooren gelaeten ten sy dat sy gecommen syn te weten de sonen tot den ouderdom van achtentwintigh jaeren, ende de dochters tot den ouderdom van vyfentwintigh jaeren compleet, ende sal hunnen eersten ofte oudsten sone gecommen synde tot den ouderdom van vyfentwintigh jaeren compleet, hebben de volcommen administratie der goederen van syne minderjaerighe broeders ende susters, mits jaerelycks daer van doende behoorelycke reheninghe beweys, ende reliqua eerst, ende voor al daer aen te corten, het onderhout van syne susters ende broeders hunne nootsaekelycheyt van cleederen, leguwaet, montcosten, het leeren van alle het gene daer sy genegentheyt sullen toe hebben ofte den uyt te woonen in de scholen, ofte cloosters volgens staet ende conditie, welken exressence ofte overschietende penninghen alles afgerekent synde dienende tot het onderhoudt ende het leeren der voorschrevene kinderen sullen moeten aengeleyt worden totdat ieder van hun in het particulier tot het jongste kindt inclus sal gecommen wesen tot den completen ouderdom van vyf en achtentwintigh jaeren uytgenomen dat eenighe van de selve kinderen hun quamen te begeven tot den geestelyken staet, sal moghen trekken de dottie en alle hetgene daer toe noodigh wesen sal, ende voorts ofte eenighe der voorschreve sone eene capiteyns plaetse, ofte onder amploy wilde coopen alsdan in dien gevalle ieder op syn paert ende deel in de voorschreve goederen sal moghen lichten het import van synen coop ende niet voorder dit verclaeren sy testateuren te wesen hunnen uytersten wille behoudelyck hun verminderen, vermeerderen ende corrigeeren het leven geduerende ende voorts allen het gene sy onder signature sullen willen laten maecken ende geven van alsulcken kracht, macht ende uytwercksel wesen sal ofte hetselve hier inne waere geinsereert

    Aldus gedaen ende gepasseert binnen Brusselle ten huyse myns notaris ten daeghe, maende ende jaere voorschreven ter presentie van myn Heer Claudius De Quickelberghe ende Heer Andreas Van den Elst, als getuygen hiertoe geroepen ende gebeden, dewelcke beneffens de testateuren afgevraeght synde ofte sy conden schryven hebben alle geantwoort van jae, synde de minute deser becleet met eenen zegel van twelf guldens byde testateuren ende getuyghen beneffens my notaris onderteekent

    Quod attestor J.C. Coenders notaris

    Grimbergen in de Weesenhaeghe

    - Item het pachthof met het casteel, vyver, en boomgaert groot dry bunderen salvo justo : paelende ter eendere syde tegen de straete, ter andere syde tegen het goedt van Poddeghem

    - Item eene weyde groot negen daghwanden : ter eendere syde paelende de Meulebeeck ter andere seyde tegen de straet

    - Item eene weyde groot een half bunder paelende ter eendere syde tegens de Meulebeeck ter andere syde tegen de straet

    - Item noch eene weyde groot twee daghwanden en half salvo justo ter eendere seyde tegen de straet, ter andere tegen het goedt van den armen van Grimberghen

    - Item eene weyde groot een half daghwant : ter eendere syde de Meulebeeck ter andere syde de straet

    - Item noch eene weyde in Grimberghen gemeynte groot een daghwant salvo justo ter eendere syde paelende tegen het goedt van d’abdye van Grimberghen : ter andere seyde den dyck

    - Item een stuck landts groot seven daghwanden salvo justo ter eendere syde tegen het goedt van Jan Maes ter andere seyde Anthon Mertens

    - Item een stuck landts groot seven bunderen en half ter eendere syde tegen het goedt van Anthon Mertens ter andere syde het goedt van Poddeghem salvo justo

    - Item een stuck landts groot vier bunderen ter eendere syde tegen het goedt van Poddeghem ter andere syde tegen s’Heeren straet

    - Item een stuck landts groot vyf bunderen en half ter eendere syde tegen die Gemput ter andere seyde tegen d’errebaen

    - Item een stuck landts groot een bunder gelegen op Beyghem ter eendere syde tegen het goedt van Jan Maes ter andere seyde tegen d’errebaen

    - Item een stuck landts groot dry daghwanden en half ter eendere syde tegen het goedt van Van der Elst ter andere syde tegen het goedt van Francis Freebos

    - Item een stuck landts groot ses bunderen ter eendere seyde tegen het goedt van Francis Freebos ter andere syde tegen het goedt van de Weduwe Jan Leemans

    - Item een stuck landts groot vier bunderen ter eendere seyde tegen het goedt van Francis Freebos ter andere syde tegen het goedt van de Weduwe Francis Meyskens

    - Item een stuck landts groot twee daghwanden en half ter eendere syde tegen het goedt van St.Nicolaes tot Brussel, ter andere syde tegen het goedt van Poddeghem

    - Item een stuck landts groot twee bunderen ter eendere syde tegen het goedt van Francis Freebos ter andere syde tegen den boomgaert van Poddeghem

    in alle posten salvo justo
    (Privé verzameling)

    Vermelde personen :
    Coenders Jacobus Carolus notaris
    de Gruutere Maria Fransoise
    De Quickelberghe Claudius getuyge
    Douroy J.B. notaris
    Freebos Francis
    Leemans Jan Weduwe
    Maes Jan
    Mertens Anthon
    Meyskens Francis Weduwe
    Misson J.V.
    Streish
    Van Bever Petrus Josephus
    Van den Elst Andreas getuyge
    Van der Elst
    Van der Steghen Philippus Norbertus
    Van Hemelryck Hendrik

    Vermelde plaatsen
    Beyghem
    Beyghem Hof ten Berghe
    Brussele het clooster der Eerwerdige paters Chartroysen
    Brusselle
    Fontaines
    Gasbeet leenboek
    Grimbergen Gemput
    Grimbergen het goedt van St.Nicolaes tot Brussel
    Grimbergen Meulebeeck
    Grimbergen Weesenhaeghe
    Grimberghen
    Grimberghen d’abdye
    Ideghem
    Linghem
    Mechelen de Fontiscappelle in de parochie van Ste.-Catharina
    Poddeghem
    Poddeghem het casteel
    Putte
    Putte Gorters
    Schrieck ende Grootloo met het casteele
    Schrieck, Grootloo
    Tambergen



    25-10-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    24-10-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Akte-8 VanderStegen

    1770-10-30

    Houtverkoop te Schriek door de Baron

    Conditie van vercoghten sleun op de straete onder Schriek ende Grootloo met vercoop van het bleckhoudt etcª in date 30 october 1770.

    Conditie ende voorwaerde waer op dat men wegens den heere Baron van Putte heere van Schriek ende Grootloo sal presenteren te vercoopen een partye sleun schaer houdt ende blek eersters met den onderslagh door my ondergeschreven notaris ende dat op de naer volgende conditie

    In den eersten wort het selve vercoght in wisselgelt te weten den nieuwen ducatton tot dry guldens eenen stuyver den pattacon tot twee guldens acht stuyvers ende soo voorts alle andere specien naer advenant gerekent, soo nochtans de gene betaelende hunne coop somme op den naer te noemen valdagh sullen als dan volstaen in corant gelt

    Item alle de coopen sullen naer het geven van den geluckwens syn ende staen tot de coopers laste ende pereyckel

    De coopers sullen hunne coopen behoorelyck moeten sleunen volgens heeresreght, ende geslendt hebbende primo nieuwejaer 1771 op de pene van confisqaetie van hunne coopen

    De coopers sullen tydt genieten om hunne eersters ende onderslagh gecapt ende van den gront te hebben geammoveert uytganck van de maende mey van den toecoemende jaere 1771

    De coopers en sullen niet moegen slenen ofte cappen eenige opgaende boomen die in hunne coopen bevanden worden op de pene van thien guldens amende die sy sullen sleunen ofte cappen boven de verbeurte van het houdt ofte boom

    De coopers sullen tydt van betaelinge genieten tot Loven kermis van den toecoemenden jaere 1771 in handen van eenen door den heere vercooper daertoe te stellen in Ste Janneken tot Schriek

    De coopers sullen inhautelyck moeten betaelen van iederen gulden van hunne coop somme twee stuyvers ende voor borghtoghte van iederen coop ofte in plaetse van vierthien stuyvers twee kaeren mest te brenge aen de heyde van den voorschreven heere aen het cappelleke

    De coopers hunne coop somme op hunnen valdaegh niet en voldede ende daer over moeste vermaent worden sullen voor ieder vermaeninge moeten betaelen vierthien stuyvers

    De coopers en sullen niet minder moegen hoogen dan met vyf stuyvers seffens maer wel met meer

    De coopers sullen instantelyck moeten stellen goede ende sifficante borge ten contentemente van den heere vercooper welcke borge soo wel als den principaelen cooper sal respansaebel ende excuitaebel wesen ten welcken effeckte verstaen de selve borge soo wel als den principaelen cooper alhier gerenuntieert te hebben ende te renuntieren by ende mits desen aen alle beneficien behulsele ende exceptie van reghten die hun ten dese eenighsints te staede soude moegen comen inde naementlyck aent beneficie ordinis divisiocis et excutionis synde al vooren van het effeckt door my notaris behoorelyck onderright

    Ten effeckten van allent gene voorschreve is coopers ende hunne borge hun geloven te reguleren onder verbintenisse van hunnen persoon ende goederen present ende toecoemende constituerende onwederoepelyck mits desen N N ende alle thoonders deser ofte copye autenticq der selvere om in hunnen naem ende van hunnen twegen te gaen ende te compareren voor haere Majestydt Souvereynen Raede van Brabant haere Majestydt Hooftbancke van Befferen wethouderen van Schriek Grootloo als al omme elders om aldaer in cas van eenigh gebreck den inhoudt deser tot laste van den gebreckelycken te laeten vernieuwen inde ende centcatieren met costen en gedaeght gelovende ende verbindende etcª

    Op heden desen 30 october 1770 is de conditie publiek voor een ieder voor gelesen ende vercoght als het volght

    Den eersten coop op de straete naest de Steyne hoeve is gebleven aen den notaris voor 12=0=0

    Den eycken boom aen Govaert Neys voor 13=0=0

    Den 2 coop naest het huys van den officier is gebleven aen Jan Hoelemans voor 6=0=0

    Den 3 coop van aen het huys van Jan Van den Auwera is gebleven aen Jan Fondry voor 5=5=0

    Den 4 coop in de Putte ende Gommerreynstraedt is gebleven aen Adriaen Budts voor 0=16=0

    Den 5 coopin de straete naer Hest is gebleven aen Jan Fondry voor 5=0=0

    Den 6 coop is gebleven aen Mercelius Van der Auwera voor 2=0=0

    Den 7 coop is gebleven aen Peeter Goris voor 4=10=0

    De eersters met den onderslagh bestaende in 260 eersters 24 calveren aen Fransus Docx voor 187=0=0

    24 struncken staende op s’heere straete aen Guilliam Milis voor 10=5=0

    den sleun in de Hoeghsche straete aen den selven 2=10=0

    47 wilge porten aen 2 oorden in de Schrieksche straete van wederseyde aen Jan Reymaecker voor 6=0=0

    Den 2 coop van Peeter De Vries tot Hoelemans is gebleven aen Jan Goevaerts voor 5=15=0

    Den 3 coop volgende aen den selven voor 2=10=0

    Den 4 coop volgende aen Jan Schroyers voor 5=0=0

    Den vyfden coop aen Jan Goevaerts voor 4=0=0

    Het schaerhaudt in de dene dreve aen Jan Schroyers voor 17=10=0

    ________

    279=1=
    (Privé verzameling)

    Vermelde personen :
    Budts Adriaen
    De Vries Peeter
    Docx Fransus
    Fondry Jan
    Goevaerts Jan
    Goris Peeter
    Hoelemans Jan
    Milis Guilliam
    Neys Govaert
    Reymaecker Jan
    Schroyers Jan
    Van den Auwera Jan
    Van der Auwera Mercelius

    Vermelde plaatsen
    Loven
    Putte
    Schriek de heyde aen het cappelleke
    Schriek de Steyne hoeve
    Schriek de straete naer Hest
    Schriek ende Grootloo
    Schriek Gommerreynstraedt
    Schriek Hoeghsche straete
    Schriek Puttestraedt
    Schriek Schrieksche straete
    Schriek Ste Janneken tot Schriek



    24-10-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    30-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect -A

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

    Om de dialect woorden goed te kunnen uitspreken heb ik de schrijfwijze enigszins aangepast met enkele fonetische tekens, welke ik in onderstaande lijst tracht te verklaren, liever dan een zuivere fonetische voorstelling te geven van het woord, omdat dit voor de gewone man bijna onleesbaar zou worden. De lettergrepen worden onderling gescheiden door het ' teken. Samengestelde woorden worden niet opgenomen in de lijst tenzij ze erg specifiek zijn, dus geen aa’zer’vaal maar wel aa’zer’moal in deze lijst.

    Mocht u nog een specifieke uitdrukking of woord kennen met deze letter a dan mag je die altijd via een reactie of mail laten weten.

    å : zoals in het Franse woord: blanc
    a : zoals in het woord: pak
    aa : zoals in het woord: piano
    aai : zoals in het woord: amaai
    æ : zoals in het Engelse woord: chat
    au : zoals in het woord: oud
    èè : zoals in het Franse woord: élève
    e : zoals in het woord: de
    é : zoals in het woord: mes
    éé : zoals in het woord: kees
    ei : zoals in het Franse woord: chien
    eu : zoals in het Franse woord: fleur
    ey : zoals in het Engelse woord: stay
    i : zoals in het woord: zit
    ie : zoals in het woord: niezen
    ieu : zoals in het woord: nieuw
    o : zoals in het woord: kot
    oa : zoals in het dialect woord: stoan = staan
    oe : zoals in het woord: boer
    oei : zoals in het woord: koeien
    oo : zoals in het woord: radio
    ooi : zoals in het woord: hooi
    oy : zoals in het woord: hooi maar kort
    u : zoals in het woord: nut
    ui : zoals in het woord: lui
    uu : zoals in het woord: uur
    ye : zoals in het Engelse woord: beer

    A

    - a’bon’dans : naar 9 slagen bij het wiezen
    - a’ges’te : achterste
    - a’ges’te’ vey : omgekeerd
    - a’joa’en : ajuin
    - a’lie’jen : alleen
    - a’loa’en : aluinsteen
    - a’ne’ze’rum : andersom
    - a’poat : apart
    - a’va’sey’re : voortgaan
    - a’ve’koat : advokaat
    - a’ve’ron : omgeving
    - aa : 1) u of uw zie ook aa’ve 2) oud (voor woorden met een meervoud) ‘aa wave’ zie ook aat 3) deel van begroeting ‘aa de Zjok’ke’
    - aa’joen’ge doch’ter : ongehuwde vrouw
    - aa’land : eiland
    - aa’te : erwten
    - aa’ve : 1) oude 2) uw, uwe
    - aa’ve’joenk’man : ongehuwde man
    - aa’ver : 1)ouder 2) vergrotende trap van oud
    - aa’vers : ouders
    - aa’ze’re’weg : het spoor of de spoorweg
    - aa’zel : ijzel
    - aa’zer : ijzer
    - aa’zer’moal : grondsoort, soort steenzavel
    - aai’ge : eigen
    - aai’ke’mél’der : meikever
    - aaik : eik of eikenhout
    - aa're : 1) eieren 2) are 3) eierkolen waa stau’ke mey aa’re-gezegden :1) wa zalt zaan, aa're of joeng ? = vraag aan iemand om een keuze te maken. 2) lecht do zoe’e’veil aa’re ni on’der = verwen hem niet zo veel
    - aas : ijs
    - aat : oud (voor woorden met een klinker) ‘aat’aa’zer’
    - ach’ter’ge’rokt : achterhaald
    - ach’ter’haa’ve : niet terugbezorgen
    - ach’ter’ie’jen : 1) achter elkaar 2) weldra
    - acht’noen : namiddag ook sacht’noens
    - æ’chel : bloedzuiger
    - æ’chel’top : draaitol
    - æ’re’bol : knikker
    - æ’re’moei : armoede
    - æk’ser : ekster
    - æks’pèèr : veearts
    - æks’præs : moedwillig
    - æng : eend
    - æt’raas : stok om aan erwten te plaatsen, rijshout
    - af : veel die’je héé noch’al wa af geblet (af ge’jankt – af ge’zie’e’verd)
    - af’blaai’ke : bleken
    - af’blot’te : afschilferen van de verf
    - af’bol’le : vertrekken
    - af’daa’ve : 1) afduwen 2) ophoepelen
    - af’dok’ke : betalen
    - af’drie’e’ge : 1) afdrogen 2) verslagen bij spel of sport
    - af’fèè’re : zaken
    - af’fer : in de richting van noo Schriek af’fer
    - af’gank : 1) achterplaats in het huis 2) diaree
    - af’ge’bes’telt : er goed voorkomen
    - af’ge’trok’ke : erg vermagerd
    - af’héf’fe : handeling bij het kaartspel waarbij de laatste gever de kaarten deelt in twee.
    - af’joo’ge : afjakkeren
    - af’pit’se : heimelijk een wind laten ‘wie héé ter hie ie’e’nen af’ge’pitst?’
    - af’ros’se : afslaan, een rammeling geven
    - af’schaf’fe’le : een grachtkant beschadigen zodat de aarde naar beneden schuift
    - af’strein : ontkennen (V.D.=‘af’ge’stréé’je’)
    - af’strep’pe : een dier van zijn pels of huid ontdoen bv een haas of een paling
    - af’taa’re : al snijdend scheiden bv vlees van de beenderen
    - af’tæk’ke : bij aansluiten bv elektriciteit
    - af’to’te’re : ergens afvallen
    - af’trék’ker : 1) kurkentrekker 2) vloer- of raamwisser
    - af’troe’ve : 1) pak rammel geven 2) verslagen bij spel of sport
    - af’zæ’be’re : veelvuldig zoenen
    - al’koul : alcohol
    - al’le’baa : allebei, begroeting van twee mensen
    - al’le’bot’te : heel dikwijls
    - al’le’goo’e : allemaal
    - al’le’me’nak : kalender
    - al’le’ze’léé’ve : altijd
    - al’ler’haa’le’ge : allerheiligen
    - al’vey : alvorens
    - am’be’tant : moeilijk doende
    - am’ber’jaas : ontkoppelingspedaal
    - am’me’zoo’se : amusement
    - an’nes : anders
    - ap’pel : gezegde : vei nen ap’pel en een sik = voor een appel en een ei
    - ar’zaan : azijn
    - as : 1) als 2) begaafd iemand ‘gaa zaa nen as’
    - as’siet : koolzuurgas

    wordt vervolgd



    30-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    29-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-B

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

      B
    - ba’rél’tje : plaatsnaam te Schriek : het Bareeltje
    - ba’rie’el : bareel
    - ba’sæng : 1) waterkuip 2) goan wær’ke noa de ba’sæng : gaan werken naar de dokken
    - baa : 1) bij 3) bouw haa werkt in den baa 2) uitdrukkelijke bevestiging of ontkenning aa baa joo - aa baa nie’je
    - baa’ne : binden
    - baa’re : kinderspel
    - baa’spie’je : bijpassen met geld
    - baa’te : bijten gezegde : da es nen dey baa’ter : dat is een doordrijver
    - baa’tel : beitel
    - baal : bijl
    - baar : ijzeren ronde staaf
    - baar’sjok : bumper
    - baas : regenbui
    - bæ’be’ke : voorkeurleerling
    - bæ’des : schotten die men op een kruiwagen plaatst
    - bæ’re’bier : haarkapper
    - bæ’re’vits : blootvoets
    - bæst : barst
    - bæt : plank
    - Bal’der : Berlaar
    - bal’le : ballen gezegde : ik snap doa gie’en bal’le van = ik snap er niets van
    - bal’le’ke : veelvuldig boeren
    - ban’ne : 1) banden 2) maandverbanden gemaakt uit textiel
    - bank’ke : 1) kaartspel om het geld = gokspel 2) financiële instelling 3) zitmeubelen
    - bat’te’klank : al uw spullen = aa’ven hie’e’len bat’te’klank
    - bat’te’re : vechten
    - bat’te’rie : batterij van een auto
    - bat’te’vie : het bont maken die hem’me doo den bat’te’vie gedroa’et
    - bau’ke : boterham in kindertaal
    - bau’te’re : 1) boteren 2) bepaalde wijze van fietsen als het zadel iets te hoog staat
    - bau’ter : boter
    - be’dér’re’ve : 1) bedorven 2) rotverwend be’der’re’ve joeng
    - be’di’se’le : heimelijk afspreken
    - be’die’e’me : seffens
    - be’die’ne : berechten
    - be’gaan : begijn
    - be’géz’ze : slechte waren, materialen
    - be’hang’sel : behang
    - be’kal : bokaal
    - be’kan : bijna
    - be’kést : gedaan
    - be’lon : 1) ballon 2) bout
    - be’lon’ne’ke : gloeilamp
    - be’naat : benauwd
    - be’ney’je : beneden
    - be’rak : woonwagen van zigeuners
    - be’rak’vænt : zigeuner
    - be’schie’e’lek : duidelijk
    - be’sloa’ge : 1) met hoefijzers 2) er warmpjes inzitten die’jen es goe be’sloa’ge 3) er wanordelijk bijliggen da lee doa nog’al be’sloa’ge
    - be’ta’fe’le : bepotelen
    - be’toa’le: betalen
    - be’vey’ze : angstig mey e be’vey’ze gat
    - béé’wech : bedevaart oep béé’wech goan
    - béés : 1) bes 2) snoepje
    - béésj : beige kleur
    - bék’ke : beetje
    - bél’le’kes : bloem = fuchsia
    - bén : voorste deel van de koeienstal
    - béng’ke’rein : op een ijsbaan glijden
    - bér’ger : burger den bér’ger = de burgemeester
    - bér’re : treem van kruiwagen of kar gezegde : haa és au’ver de bér’re ge’sproen’ge = hij is te ver gegaan
    - bér’re’græcht : water rond grote hoeven
    - bér’re’pit : bornput
    - bés : zonder kousen bés in zen schoe’ne
    - bés’de’gat : zonder kousen of naakt
    - bés’tel : borstel
    - bes’tjæt : bezorgd
    - bést : borst
    - bét : 1) deel van de stal waarop de koeien staan 2) bed
    - beus : beurs gezegde : das tey’gen aa beus ge’schey’te = daar ga je naast vissen
    - beus’ze : doe maar voort géf moa beus’ze
    - bey’le’kes : prentjes
    - bey’teg : bijtend zoals in bey’teg kaat
    - bey’voat : bedevaart
    - bie’en : been
    - bie’en’haa’ver : beenhouwer
    - bie’er : mannelijk varken
    - bie’et : biet zegswijze : haa es noa den bie’et : hij was als seizoenarbeider werken in Vlaams-Brabant, meestal op de suikerbietvelden.
    - bie’est : beest, dier
    - bie’ke’noy’ke : beukenootje
    - bie’ze’ke : boordje
    - bie’ze’pjæt : paardehorzel (ook voor libellen gebruikt)
    - biek : beuk of beukenhout
    - bil’le’klet’ser : klucht
    - bil’le’man : kalf met een grote vleesproductie
    - bin’ne’dey : binnen door
    - bis : 1) autobus 2) kruik en melk’bis 3) busje e biske kou’la
    - Bis’skot : Booischot
    - bit’te’re : gebrande cichorei voor de koffie
    - bit’ter’pey : cichoreiwortel
    - bits’koem’mer : is men als men een kemel schiet, lomperik
    - Bjei’zel : Beerzel
    - bla’gey’re : opscheppen
    - blaa’kes : lobelia’s
    - blaa’sel : blauwsel voor een extra witte was
    - blaa’ve’réé’gen : blauwe regen (bloem)
    - blaaik : grasveld onder de wasdraad waarop men het linnen te bleken legde gezegde : haa zit oep maa’nen blaaik = hij moeit zich met mijn zaken
    - blaan : blaar of balein
    - blaat : blauw
    - blaf’fe’tuur : slagvenster
    - blak : blank, onder water die plék stoa blak
    - blat : tong gezegde 1) gaa hét a lank blat = gij kunt niet zwijgen = verklappen 2) die’je héé a voal blat = kwaadspreken
    - bléé’te : wenen ha blét, ha hee geblét
    - blék’ke : het omkeren van een kaart in het kaartspel blék’ke tien = ruiten tien in het kaartspel
    - bleu’ke : beginneling
    - blie’ek’schaa’ter : een mager en bleek ventje
    - blink : schoensmeer
    - blink’doe’es : 1) schoensmeerdoos om met te hinkelen 2) een opgetut meisje (omwille van de schmink)
    - bloa’ze : 1) blazen 2) pochen, stoeffen
    - bloas’koak : pocher, stoeffer
    - bloe’me’kéé : ruiker bloemen
    - bloei’je : bloeden
    - blok’ke : 1) klompen 2) studeren
    - blos’kes : blaasjes gezegde gaa mokt maa gie’en blos’kes waas = ik geloof u niet
    - blot : 1) kaal 2) blut
    - boa’e : baden die zwe’rez’ze moe’te boa’e
    - boa’e’ge : buigen
    - boa’es : buis
    - boa’ke’le : een kind verzorgen
    - boan : baan gezegde ik kan mey hém au’ver de boan = wij komen overeen
    - boat : baard
    - bod’ding : pudding
    - boe’em : 1) boom 2) bodem ik zin den boe’em
    - boe’en : boon
    - boe’et : boot
    - boe’mers’kon’ten : een onbekende en onderontwikkelde plaats van waar iemand afkomstig is
    - boe’re’gat : streek waar de tijd is blijven stilstaan
    - boe’re’haa : kleine wervelwindjes op zonnige dagen die zand en hooi omhoog zuigen.
    - boe’re’kloe’et : lomperik
    - boe’zjie : ontstekingskaars bij motoren
    - boef : eten gezegde oep de wil’den boef = willekeurig
    - boef’fer : beroepsvrijwilligers
    - boei’kaar : speelkar voor twee personen
    - boek : 1) boek 2) geitebok
    - boek’se’ring : bakharing
    - boeng’kers : een soort van grote vleestomaten
    - boo’mes : 1 oktober, bamis
    - booi’ek : buik
    - bos’se’man : sporter zonder prijs vb een visser die niets heeft gevangen is bos’se’man
    - bot’te : laarzen
    - bots : plots
    - braa’ve’raa : brouwerij
    - bræk : mier gezegde : dat és doa nen bræk’ke’nest = dat is daar een rommeltje!
    - bral’le : brullen
    - brém’bey’ze : braambessen
    - bri’két : in blokken geperste brandstof van bruinkool
    - briers : gebroeders, broers
    - brig : brug
    - brisk : bruusk
    - brit’te: brutale
    - broa’e : 1) kuit van het been 2) braden
    - broa’en : bruin
    - broek : bij een koe : het aangekoekte mest op de billen
    - broek’schaa’ter : bangerik
    - broek’zak : driehoekige koek met een stuk appel erin en gebakken van de deegrestanten.
    - brok’ke : stukjes brood mé’lek mey brok’ke
    - bron’zje’lét : armband
    - bros : 1) voetbaluitslag 0-0 2) korte haarsnit welke met zeep werd recht gezet e bros’ke

      C

    - chi’che’le : giechelen
    - chi’chel’trien : meisje dat veel giechelt
    wordt vervolgd



    29-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (1)
    28-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-D

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - D - 

    - da : dat
    - daa : 1) duw, por 2) dauw ’t héé ge’daat
    - daa’ve : duwen
    - dab’be : krabben haa dabt in zen hoar æx’pé’zes bloa’et dab’be
    - dæ’ge’re : door het slijk gaan
    - dæ’teg : dertig
    - dæk : dak gezegde das nen dæk’schaa’ter = postduif welke steeds naast de prijzen valt
    - dærm : darm
    - dæs’sel : dissel
    - dæs’tag : dinsdag
    - dals : betonnen vloerstenen
    - dam : 1) dame in het kaartspel 2) dam, dijk 3) dubbel schijfje in het damspel
    - dans : dans gezegde ne be’dér’ven dans = verwend kind
    - dau : achterlijk iemand
    - dau’re : doorn
    - décht : deugd
    - déém : uierspeen
    - dél’le’per : dorpel
    - der’rie’en : dooreen
    - dés’mey’le : dorsmolen
    - dés’se : dorsen
    - dést : dorst
    - déts : Duitser
    - dey : 1) deur 2) door
    - dey’doen : 1) door de roerzeef draaien 2) nieuwjaarsnacht vieren
    - dey’ge’niet : deugniet
    - dey’joa’ger : iemand die veel eet maar toch mager blijft
    - dey’trap’pe : onnozele praat vertellen
    - deyn : den of dennenhout
    - dib’be : dubben
    - die’eg : deeg
    - die’el : deel
    - die’pe’rik : diepte gezegde: die’je goa den die’pe’rik in die gaat er onderdoor
    - die’ve’le : opspelen, uitvaren
    - die’vel : 1) duivel 2) hardwerkende persoon 3) soda voor de afwas 4) klein rond kacheltje een die’vel’tje 5) bier
    - die’zent : duizend
    - dier : duur
    - dig’ge’le : dat ligt in duigen da léé in dig’ge’le
    - dik’kes : dikwijls
    - ding’e ; klederen gezegde : ding’en oan ding’en oa’et = wat gaat de tijd snel
    - djæm’me’le : ter plaatse trappelen
    - djæm’me’leer : onrustig persoon
    - djéts’kop : doodskop
    - djuu : vooruit !, ook gebruikt bij het paardrijden de’djuu = klein vloekje
    - doa : daar
    - doa’e’ver : doffer, mannetjes duif
    - doa’ef : duif
    - doa’em : duim; maar een klein dem’me’ke
    - doa’ze’rik : daas, steekvlieg
    - dob’bel : dubbel
    - dod’de’le: stotteren
    - doe’e’pe : dopen
    - doe’ef : doof, dof
    - doe’es : doos
    - doe’et : dood
    - doef : muf, laf weer
    - doef’fes : kapot zitten, op ik zit doef’fes
    - doem’pe’léér : sukkelaar, behoeftige
    - doemp : damp
    - doeng’ker : donker
    - doesj : stortbad
    - dok’taur : geneesheer gezegde: haa dok’taurt al’lank = hij heeft de hulp van de geneesheer al lang nodig
    - dol : vleesvlieg
    - dop’pe : stempelen
    - draa : drie
    - draa’pik’kel : stoeltje met drie poten
    - dræs’se : spatten zegswijze : haa héé den dræs = hij heeft diaree
    - drak’sel : vocht van ogen die tranen
    - dréf : grondsoort, soort drijfzand
    - drie’ech : droog
    - drie’em : droom
    - drip’pel : 1) druppel 2) borrel, klein glaasje likeur of jenever
    - droa’e 1) draaien 2) bocht in den droa’e
    - droa’e’ve : druiven
    - dwæs : dwars nen dwæ’se = iemand die altijd moeilijk doet, tegendraads

    - E -

    - éé’pis’tel : een zeer lange brief
    - éé’ve’ræks : averechts
    - éé’ze : het voeden bij vogels
    - éés : aas
    - éf’kes : eventjes
    - él’le’goet : flanel, katoen, … dat verkocht werd per el, later per meter, maar de naam bleef.
    - ér’re’gel : orgel
    - érk : gierigaard
    - és : 1) is 2) es, essenhout
    - ét’ter : 1) etter 2) moeilijk mens gaa zaa nen ét’ter
    wordt vervolgd



    28-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    27-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-F

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - F -

    - faan : fijn gezegde gaa zaa ne faa’ne = jij bent een slimme
    - faar : groot licht
    - faat : 1) feit das e faat 2) fijt haa héé het faat
    - færm : mooi - "e færm mok’ke" = een mooi meisje
    - fak’tèèr : postbode
    - fan’ton’te : gie’jen fan’ton’te = gie’jen pril’le = geen spelletjes
    - fars : gezegde : ik haa doo en fars vey se = ik had daar wat voor, zeg!
    - fas : kraakbeen (zoals in geperste kop)
    - fas’se : bakkebaarden
    - fe’joans’kes : faience stenen
    - fèè’bel : zachte kleur
    - fer’két : vork als eetgerei
    - fer’naas : fornuis
    - feu’ter : vilt
    - fey’ber’woa’re : februari
    - fi’dey’ke : koininginnehapje
    - fie’jest : feest
    - fik’fak’ke : ravotten, speels vechten
    - fiks : rechtop (staan of zitten)
    - fis : bunzing
    - flæt’se’boa’es : kinderspeeltuig dat gemaakt werd uit een vlierstok of een fietstrapper
    - flæts : flets
    - flaus’veng’ke : een opgetut manneke
    - flei’res : longontsteking
    - fleut’je : klein bierglas van 20 cl, een kermispintje
    - fli’saan : reuma
    - flie’e’me : flemen
    - flik’ke : 1)politiemannen 2) maken, doen wie héé maa da ge’flikt
    - flik’ker : in zenne flikker stoan = in zijn blootje staan
    - flip’pe : 1) peer 2) doorslaan
    - floa’e’te : fluit gezegde : gaa kint noa aa gelt floa’e’te = gij gaat dat geld niet krijgen
    - flod’der : gezegde : skie’te mey los’se flod’ders = schieten zonder scherp
    - floer : fluweel
    - flos : hevige stortbui
    - flosj : gordijnkwast
    - flots’broek : soort kniebroek
    - foe’fe’le : bedriegen, vals spelen
    - foef : 1) mislukking tés en foef 2) vagina  gezegde : ge moet nie mey foef’kes af’kau’me = geen uitvluchten!
    - foem’pe : 1) manier van knikkeren 2) porren, stompen haa zit hie te foem’pe
    - foer’re : razend in en foer’re
    - foers : vork van een fiets
    - fon’taan : fontein
    - fors’bal : biceps of armspier
    - fos : steenkoolmijn
    - fos’keu : schampstoot in het biljarten
    - frak : jas gezegde : haa héé a stik in zaa’ne frak = hij is dronken
    - frang : frank
    - frank : brutaal
    - fréé’te : 1) vreten 2) kaarten rapen bij bepaalde kaartspelen
    - frein : remmen
    - fring’ket : vork als fer’két
    - frit : specifiek behangpapier
    - froe’ze’le’wis : froe’zel’pa’pier = versieringspapier met veel franjes

    -G-

    - ga’leg : 1) galg 2) houten constructie die men op de kar plaats om hooi of schoven graan te vervoeren
    - ga’let : rond ijskoekje vey maa ie’e’ne in en ga’let
    - ga’raasj : garage
    - ga’rie’jel : gareel
    - gaa : 1) gij 2) gauw
    - gaa’ve : gouden ne gaa’ven tant
    - gaa’zen’taar : zwarte teerverfstof voor onder aan de muren in de stallen
    - gaas : gas
    - gaas’kau’le : cokes
    - gaat : 1) geit 2) goud 3) ook gebruikt om een domme vrouw te typeren
    - gæl’le : julie
    - gær’re’noat : garnaal
    - gæs : gras
    - gæs’dooy’kel : hondendrol in het gras
    - gæst : gerst
    - gal’jaar : kerel ga zaa ne gal’jaar se
    - gangk : 1) manier van gaan 2) gang in het huis
    - gar’de : veldwachter
    - gat : gat, opening meervoud : goa’te gezegde: 1) haa wént in a ver’lau’re gat = hij woont ver achterin 2) haa es in ze gat ge’bey’te = hij is slecht gezind 3) haa es nie oep se gat ge'djépt = hij is zeker niet achterlijk
    - gat’boe’re’ke : kleine boer met weinig land en beesten
    - gat’læk’ker : flemer
    - gaut : goot
    - ge’baa : gebouw
    - ge’bak’ke : gezegde : tes ge’bak’ke = ’t is in orde
    - ge’bie’re : buren
    - ge’die’est : stilhouden aa ge’die’est haa’ve
    - ge’djépt : gedoopt, wordt ook gezegd van iemand die is nat geworden door een bui
    - ge’don :fietsstuur
    - ge’hof’fe : geheven
    - ge’kæt’telt : gekarteld als de rand van vele munten
    - ge’kapt = gehakt
    - ge’laaik : gelijk, effen
    - ge’læt’teg : glad
    - ge’ley’je : geleden, afgezien
    - ge’lie’e’ve : geloven
    - ge’lit : gewricht trékt die’je vin’ger es trig int gelit
    - ge’loei’eg: gloeiend
    - ge’maan : slecht, onbetrouwbaar gemaan stof – ne ge’maa’ne kéé’rel
    - ge’mak : toilet
    - ge’mét : oppervlaktemaat gebruikt door de boeren van een klein half hectare
    - ge’rie’jet : gereed est ey’te noch ni ge’rie’jet
    - ge’wænt : teelbed
    - ge’wén’te : gewoonte
    - ge’win : teelt
    - ge’woe’en : gewoon
    - ge’zaaik : overdreven gezaag
    - géb’be’le : braken
    - géé’re : gaarne, graag
    - gééf : gaaf, schoon
    - géél : gezegde : 1) haa héé het géél = hij lijdt aan een leverkwaal 2) haa stoa doa te géél oe’e’ge = hij staat daar te giezen
    - gés : gist
    - gét : vuil water, slijk
    - gét’te : beenlappen (leger)
    - gey’ve : geven : ik geyf, gaa géft, haa héé gegeyve, haa haa gegauve
    - geyt : geut, scheut
    - gi’és’sel’dop : tol om te gie’e’se’le = aandrijven met een koord
    - gie’jen : geen
    - gie’jep : geep, soort vis
    - gie’jest : geest gezegde : haa héé doa zaa’ne gie’jest ge’loa’te = hij is daar gestorven
    - gie’ze : verlangend kijken
    - gis’ting : goesting
    - goa’pe : gapen
    - goa’re : garen
    - goan : gaan
    - goap’ban’ke : bankjes in de kerk aan de zijkant waarvoor men geen stoelgeld moest betalen
    - goar : gaar
    - goei’vraa : vroedvrouw
    - goei’ze : gonzen
    - gooi’e’koe’ep : goedkoop
    - gra’di’jaul : gladiool
    - gra’woe’el : greppel in laaggelegen bossen, zoals in de Puttebossen
    - graa’pe : grijpen
    - graa’ve’lek : gruwelijk, verschrikkelijk
    - graaf : straf das graaf
    - graas : grijs
    - graat : bruin-grijs, grauw graat pa’pier
    - græk : spul, produkt
    - grauf : 1) grof grauf broe’wet = grof brood, bruin brood grau’ven deyn = grove den 2) zwaar das grauf = dat is zwaar ; bv. werk
    - grél’leg : verschrikkelijk, grillig
    - gréng’el : grendel
    - grien : groen
    - grik’sel : werktuig om het hooi te keren, rijf
    - groa’e’ze’le’mén’te : in scherven
    - groas : gruis ne groas’wech
    - grok’taat : beroete
    - grop : handvol
    - gros’kés : grote trommel
    wordt vervolgd



    27-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    26-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-H

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - H -

    - ha’ne’kes’nest : wanorde
    - haa : 1) heide 2) hij 3) Pijpelheide die van de Haa
    - haa’bel : kleine ruzie doa was doa zoo’e wa haa’bel mey de Zjok’ke
    - haa’leg : heilig gezegde : das oe’ek gie’je’nen haa’le’ge = Hij is ook niet echt te vertrouwen
    - haa’roak : akkerhaak welke aan de ploeg werd gehaakt om de ploegsnede te egaliseren den haa’roak haa’ve
    - haa’ve : houden ik haaf én gaa hot
    - haai’ge : hijgen
    - haai’kes : heideplantjes
    - haak : had ik haak da ge’wey’te
    - haas : handvat van emmers en grote ketels
    - haat : hout gezegde: 1) das nen haa’te = hij is houterig, stijf 2) khém nen haa’te kop = ik heb een kater
    - hæns : handspel (voetbal)
    - hæs’se’ne : hersenen kop mey hæs’se’saas
    - Hæs’selt : Herselt
    - hæs’te : roosteren ne ge’hæs’ten bau’ter’ham
    - hæt : hart : hard gezegde : das nen hæt’te = die weent niet snel
    - hæt’te’ne : harten = kaartsoort ook hæt’ten hoas
    - hak : hark
    - hal : overdekte speelplaats on’der de hal spey’le
    - Hal’der : Hallaar
    - hal’le’ve’goa’re : gek, zot
    - hal’le’ver : half (uur) hal’le’ver twie’e = half twee, hal'le'ver wéé'ge = halfweg
    - hal’lef : half gezegde : 1) hal’lef’én’hal’lef = onvolledig 2) hal’lef’se’gat = onvoldoende 3) hal’lef’jost = 15 augustus 4) maa’nen hal’le’ven traa’boek = echtgenoot (e) 5) zen klak stoa oep hal’le’ver’zey’ve = zijn pet staat scheef, meestal een teken van dronkenschap 6) ik zæn moa nen hal’le’ve = zich slapjes voelen na ziekte
    - hal’lef’acht’noen : 16 uur
    - hal’lef’bak : middenvelder (voetbal)
    - hal’lef’moan : borstel om tussen de plafondbalken te kuisen
    - han’ne : handen gezegde : haa kan zen han’ne nie thoa’es haa’ve = een handtastelijk mannetje
    - han’te’klaa : kluns
    - han’ten’tas’ter : iemand met losse handjes
    - hang’er’ke : juweeltje aan een kettinkje
    - hant’hééf : handvat
    - hau’re : hoorn en koei mey hau’res; en hau’re’ke = ijskoekje
    - hau’ren’dul : gek ik wér doa hau’ren’dul van = ik wordt daar gek van
    - hau’ræt’teg : opgewonden aa’ven hont és hau’ræt’teg séch
    - hau’ze : aflopen die’jen haust wat’af zel’le = rond’hau’zer
    - haus : gezegde : tés en haus = ’t gaat niet door
    - hauw : 1)stop !, 2) hak = soort spade
    - : wat zegt u?
    - hé’ze’le : onrustig gedrag
    - hécht : oud paard
    - hèèr : 1) om het paard links te sturen 2) houding
    - hélp : kruiwagenriem
    - hém : hemd
    - hém’me : hebben ik hém gaa hét haa héé
    - hen’ne : heen hen’ne én trich
    - hés’ke : toilet, komt van huizeke , het toilet stond vroeger los van het huis.
    - hés’teg : haastig
    - hey’ning : honig
    - hey’veg : heftig
    - hie : hier
    - hier : huur
    - hie’e’ke : jeuken jékt da? hie’e’ke da ta doe !
    - hie’e’le’gans : helemaal
    - hie’e’ze : dræs’sen = mey woa’ter hie’e’ze
    - hie’el : heel
    - hie’er : heer
    - hie’néf’fe : hiernaast
    - hik’ke : gehurkt ha zit oep zen hik’ke
    - hil’le : steenkolen
    - hil’le’bis : kolenemmer
    - hin : hen gezegde : wa moe’te hém’me ? das ge'laaik ! das en hin’ne’gat !
    - his’te : hoesten
    - hit : 1) hut 2) om het paard rechts te sturen gezegde : van hit noa hèèr = van hier naar daar
    - hit’se’le : hutselen, opschudden
    - hoa’ef’kaar : huifkar
    - hoa’es : huis
    - hoa’es’haa’ve : gezin haa es mey zen hoa’es’haa’ve oep kon’zjey
    - hoa’es’haat’skool : huishoudschool
    - hoa’es’plot : persoon die bijna nooit uitgaat
    - hoa’ge’mis’ke : heggemus
    - hoa’gel : hagel
    - hoa’le : halen ik hoal gaa hélt haa héé ge’hélt
    - hoa’mer : hamer hoa’mer skéér of més = kinderspel
    - hoa’ne’kroa’we : sport met kraaiende hanen
    - hoa’ne’poe’e’te : lelijk geschrift
    - hoa’re : 1) haren 2) een zeis scherpen met een hamer
    - hoa’ver : haver
    - hoa’ze’poe’per : man die snel klaarkomt
    - hoa’ze’slo’pe’ke : korte siësta
    - hoa’zel’noy’ke : hazelnootje
    - hoach : haag gezegde : hoach’skaul haa’ve = spijbelen
    - hoach’weyf : ongehuwde moeder
    - hoaf’koe’ep’dag : verkoop van bezittingen
    - hoak : haak gezegde : da hangt mey hoa’ken en oe’e’gen oan’ie’en = is maar in elkaar geflanst
    - hoar : haar gezegde : hoar doen = vals spelen (in de omgang = coifferen)
    - hoar’kroa’e : haarspit, ijzeren pin met klein aambeeldje in een houten blok
    - hoar’zak : valsspeler
    - hoas : 1) haas khém nen hoas ge’strépt : 2) aas in het kaartspel kloa’ve’ren hoas
    - hob’bel’de’sob’bel : wanordelijk da bét és hob’bel’de’sob’bel oep’ge’mokt
    - hoe’chel : schaamhaar ze lépt mey héé’ren hoe’chel bloe’et
    - hoe’e : hooi of hooien
    - hoe’e’mes : hoogmis
    - hoe’e’ve’jær’reg : hovaardig, ijdel
    - hoe’eg : hoog
    - hoe’eg’zoal : doksaal
    - hoe’mel : hommel "en hoe’mel mey e vos’se’gat "
    - hoe’ter’de’koe’ter : hals over kop
    - hoecht : heester, struik
    - hoep : zangvogel
    - hok’ke’naut : okkernoot
    - hoks : haaks, loodrecht
    - hoks’kes : 1) nietjes doet die hoks’kes in de voa’el’bak 2) leestekens
    - hol’der’de’bol’der : hals over kop
    - hon’ne’stiel : triestig beroep
    - hos’klos : slecht, wanordelijk gemaakt das hos’klos in’ie’jen ge’smey’te
    - hot : rug, schouder haa pakt die’je zak oep zen hot

    - I -

    - i’vaur : ivoor
    - ie’je’ke’nis’se : lies
    - ie’je’mer : emmer
    - ie’ve’rans : ergens
    - ie’ver : ijver
    - iet : iets
    - im’pær’mé’a’bel : regenjas
    - in’doe’fe’le : induffelen
    - in’hém’me : inhebben, lang duren da héé no’gal wat in = dat duurt nogal
    - in’ie’en’flan'se : knoeierig samenstellen
    - in’jons : ineens, plots
    - in’key’ve : inkorven (duivenspel)
    - in’læs’te : inlijsten
    - in’ney’me : innemen gezegde : haa és goe van in’ney’me = hij leert snel
    - in’pas’sant : te gelijker tijd
    - in’pik’ke : uitrusten, van het nodige voorzien haa és goe in’ge’pikt = hij is goed uitgerust
    - in’poem’pe : aan zijn verstand brengen ik hém het er moe’te in’poem’pe
    - in’sloa’ge : 1) indraaien oan den bak’ker in’sloa’ge 2) in elkaar zakken maa’ne bis’kwi és in’ge’sloa’ge
    - in’sméé’re : 1) insmeren 2) pak rammel geven ze hém’me ten es goe in’ge’sméérd
    - in’stét’te : instorten
    - in’stop’pe : met draad en stopnaald een gat dichten ons moe héé maan kaa’se in’ge’stopt
    - in’tæts : op tijd
    - in’voa’ze : invasie, indraaien
    - in’zie’e’pe : inzepen van een baard

    wordt vervolgd



    26-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    25-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-J

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - J -

    - jak’beys : aardbei
    - jam’men’kloe’e’te : een strekenventje, stoefer gaa zaa nen æch’te jam’men’kloe’e’te
    - jan’ne’woa’re : januari
    - jau’ke’re : een bepaald kaartspel
    - jau’ker : joker ne jau’ker meych’de au’ve’ral oan’lé’ge
    - jéch’te : hoogte oep wél’le’ke jéch’te moet da stoan
    - jèèr : grond
    - jèèr’dol’le’ke : veldmuis
    - jèèr’klot : grondkluit
    - jék’sel : jeuk
    - jét’je : gezegde : die gey’ve ser’jeys van jet’je : die gaan serieus van bil
    - joa : ja gezegde : haa es moa ne joa’knik’ker = hij is maar een gemeenteraadslid
    - joa’en : ajuin
    - joa’ge : jagen
    - joag’zak’ke : hevig hijgen
    - joar’ge’taa : jaargetijde
    - joar’ling’e : één jaar oude duiven in de duivensport
    - joar’mæt : jaarmarkt
    - joe’kel : zeer groot da was ne joe’kel van nen bult
    - joeng : kinderen gezegde : joeng moe’te hém’me = er is wel altijd iets
    - joeng’e : 1) jonge das noch ne joen’ge gast 2) jongen werpen ons kat héé ge’joenkt
    - joeng’man : ongehuwde man Sooi, das nen aa’ve joeng’man
    - joeng’skes : jonge dieren : on’zen hond héé joeng’skes
    - joenk : jong haa és noch joenk gezegde : haa héé oe’ek al e joenk = hij heeft ook al een kind
    - joenk’haat : jeugd ge moet de joenk’haat loa’te doen
    - jok : bij het kaartspel ‘præs’sen’ is de boer de hoogste kaart
    - jol’lek : lelijk
    - jon’de’léék : vreselijk uitziend die was jon’de’léék ge’stélt se. Het zach er jen’de’lek oat!
    - jon’der : eender, gelijk ik hém veyl jon’der bey’le’kes
    - jong’es’zot : meisje dat gek is van jongens
    - jot’te : 1) hitte wat en jot’te 2) noemt = heet hoe jot’te gaa?
    - ju’fraa : juffrouw, onderwijzeres

    -K-

    - ka’bar’does’ke : bordeel
    - ka’bas : winkeltas, boekentas
    - ka’dau : geschenk ik kraaich géé’re ka’dau’kes
    - ka’dey : kereltje
    - ka’dul’droa’e : = zot’droa’e = als de vijsdraad het niet meer doet
    - ka’lan’die’se : cliënteel
    - ka’me’lot : brol, slechte waren was da vey ka’me’lot
    - ka’paut : 1) motorkap 2) condoom 3) zware winterjas
    - ka’rot’ten’trék’ker : plantrekker die vlucht in de ziekte
    - ka’toen : gezegde : van ka’toen gey’ve = met veel inzet iets doen
    - ka’zak’ken’droa’er : overloper, iemand die met de andere partij samenwerkt
    - kaa : kou khém kaa = ik heb het koud tés kaat : het is koud
    - kaa’re’kot : loods voor karren
    - kaa’se : kousen gezegde: ge voel’tem oep zen kaa’se oan’kau’me = hij heeft iets tekort
    - kaa’zer : keizer gezegde : we zél’le die flæs es kaa’zer moake = we gaan die fles uitdrinken
    - kaai’kes : 1) bloem duizendschoon 2) keien
    - kaar : kar gezegde : haa héé tey’ge maan kaar ge’rey’e = hij heeft mij gekrengt
    - kaar’lie’es : uitgereden karrespoor gezegde : haa héé in de kaar’lie’es ge’pist = hij heeft een oogontsteking
    - kab’be’le : schiften, stremmen
    - kab’bi’ne’kes : kleedkamers bij het voetbalveld Jean van de pin stamp’te de dey van de kab’bi’ne’kes in
    - kæ’ze’le : schiften, stremmen
    - kæmp : hennep, kemp
    - kæn : pit das nen ap’pel’sien mey veyl kæn’ne
    - kæs : biggetje
    - kæs’kes’pis’ser : misdienaar
    - kæt’se : paren bij dieren die’jen doa’e’ver héé’se zjust ge’kætst se gezegde : die zoak és af’ge’kætst = die zaak is afgesprongen, mislukt
    - kæt’te’le : gezegde ze zit’te ach’ter maan kæt’te’le = ze jagen mij op
    - kaf’fe : koffie
    - kaf’fe’bés : 1) linnen koffiebeurs 2) iemand die veel koffie drinkt
    - kak : gezegde : mey veyl kak én zwier = met veel pracht en praal
    - kak’ka’jau : cacao, chocomelk vey maa ne wær’me kak’ka’jau
    - kak’ma’dam : hoovaardige dame
    - kak’stoel : speciale hoge stoel voor kleine kinderen om hen bij aan de tafel te plaatsen
    - kal : (slit)pen, ijzeren staafje
    - kal’key’re : natekenen met ‘kalkpapier’
    - kal’lot’te’ke : kapsel als Mireille Mathieu
    - kalfs’poe’et : arondskelk (bloem)
    - kalk’pa’pier : een matig doorschijnend papier
    - kant : 1) houtwal 2) kant
    - kap’blok : gezegde : haa léé mey saa’ne kop oep de kap’blok = hij heeft niet lang meer te leven
    - kap’pe’ke : een doorschijnend plastiek hoofddeksel tegen de regen
    - kar’dan : aandrijfas
    - kar’toes : jachtgeweerpatroon haa héé zen lés’te kar’toes ver’schau’te = hij geeft het op
    - kas : 1) kas 2) kast gezegde : haa héé doa zen kas oep’ge’frét = hij heeft zich daar verveeld
    - kas’saa : kasseisteen
    - kas’se’rol : kookpot
    - kas’taar : sterke durfal doa moe’te ne kas’taar vey zaan
    - kasj’ot : cel in een legerkazerne
    - kasj’pau : sierbloempot
    - kat’te’ge’spin : gezegde : klaan ge’win és kat’te’ge’spin = kleine winst
    - kat’te’kis’se’mes : voorbereiding op de plechtige kommunie noa de kat’te’kis’se’mes goan
    - kat’te’pis : gezegde : das gie’e’ne kat’te’pis = dat is iets waardevol
    - kau’per : kopermetaal
    - kau’re’poa’ter : pater van een bedelorde welke jaarlijks bij de boeren om wat graan of aardappelen kwamen bedelen
    - kaur : koord
    - ke’min’ne : communie haa héé gis’te’re zen ke’min’ne ge’doan
    - ke’reyr : renner
    - ke’réz’ze : moed die’je héé noch veyl ke’réz’ze
    - ke’tier : kwartier (tijd) a ke’tier vey draa ie’re (vierdedeel van een beest) ze droe’ge de ke’tier’re doa bin’ne
    - kéé’ze’mie’ke : koolmees
    - kéép : schoudermantel
    - kéér’bés’tel : straatveger
    - kéés : kaas
    - kéés’kop : Nederlander
    - keis : kaars
    - kél’le’koa’mer : kelderkamer
    - ker’die’el : leisel bij de paarden
    - ker’jeys : nieuwsgierig gaa zaa noch’al ker’jeys
    - ker’mæl : karamel
    - ker’naan : konijn herre gaa noch ker’naa’ne?
    - ker’nis : kroonlijst van de dakgoot
    - kér’re’boek : kerkboek
    - kér’re’mes : kermis gezegde : tés kér’re’mes in dhél : regenen als de zon schijnt
    - kér’re’woa’ge : kruiwagen
    - kérf : korf
    - kés : kers
    - kés’se’mes : kerstmis
    - kes’tæn : kastanje
    - kés’ze’stie’en : kersepit
    - kést : korst de kés’te oe’ek oep’ey’te
    - két : kort
    - két’jes’knip’per : kaartjesknipper
    - kéts : koorts die’e klaa’ne héé veyl kéts
    - key’mels’vet : kamelenvet tegen de gesprongen handen
    - key’re : keuren
    - key’te’le : kittelen
    - key’te’re : koteren, met een kachelpook = key’ter’hoak
    - key’ting : ketting
    - keyf : duivenkorf
    - keys : 1) keuze 2) verkiezingen
    - ki’me’nau’maa’ve : zonder mouwen
    - kid’de : kudde
    - Kie’e’berg : Keerbergen
    - kie’e’re : 1) keer, keren 2) omgooien hoe’e kie’e’re = hooi keren
    - kie’ke’frét’ter : Brusselaar
    - kie’ke’pél’der : lattenwerk waarop kippen slapen
    - kie’ke’vlie’es : kippevel
    - kin’ne: kunnen
    - kin’ne’kes’kak : doopsuiker
    - kip’per : 1) doelman 2) kipwagen
    - kir’re : jonge biggen werpen die zoeg héé te’nacht ge’kirt
    - kirk’drie’eg : kurkdroog
    - kis’se : kussen gezegde : ge kint ze kis’se = ge kint er oan’hang’e = gij kunt het vergeten
    - kjép’dag : koopdag
    - kjép’man : koopman
    - kla’wie’re : ongecontroleerde bewegingen van kleine kinderen die’je klaa’ne léé doa te kla’wie’re in zaan wieg
    - klaa’gelt : kleingeld
    - klaan : klein
    - klæf’fe’re : klauteren
    - klæt’ter’mey’le : klappermolen wie kent deze nog?
    - klæts : 1) slag 2) een beetje vey maa nog a klæts’ke 3) helemaal ik zæn da klæts ver’gey’te 4) praten haa klætst noch’al wat af zel’le
    - klam’per : roofvogel
    - klap’hau’re : oude grammofoon
    - klaun : clown, wordt ook gezegd van iemand die wat stoms doet
    - kléé’reg : woedend
    - kléér : klaar
    - kley’te’re : knutselen
    - klik’ke’én’klak’ke : gezegde : ze hém’men hém mey klik’ke’én’klak’ke boa’e’te ge’smey’te = ze hebben hem onverwijld buitengegooid
    - kling’ke : 1) drinken we zél’le der es oep kling’ke 2) kantelen die kroan goa kling’ke
    - klink : 1) deurkruk 2) helemaal ik ben da klink ver’gey’te
    - klip’per : knuppel
    - klis’oe’er : deel van een baksteen
    - klis’sen’haat : zoethout
    - kloa’e’ze’néér : kluizenaar
    - klod’der’vos : een onverzorgd iemand
    - kloe’e’te : 1) knoeien 2) bedriegen lét aa nie kloa’e’te 3) teelballen gezegde : haa és gie’e’ne stamp tey’ge zen kloa’e’te weit = hij is niets waard, je kan er niets mee aanvangen
    - kloef’kaf’fer : pummel
    - knaat : 1) kauwt ik knaa gaa knaat wæl’le knaa’ve 2) niets ik kén doa gie’en knaat van
    - knæb’bers : bonensoort in duivenvoer
    - knæp : kin
    - knæt’ser : 1) drukknoop 2) insekt, kniptor
    - kney’kel : kneukel
    - kneyt : vittende vrouw
    - knie’ep : knoop
    - knoa’e’ter : zangvogel
    - knoe’sel : 1) enkel 2) stekelbes
    - knop’pe : 1) knopen 2) gezegde : tés noa de knop’pe = het is om zeep
    - koa’ep : kuip
    - koa’ke’nest’je : een zich minder ontwikkelend jong dier (of kind), een achterblijvertje
    - koa’mer : kamer gezegde : haa héé’get in zen boa’ve’koa’mer = hij heeft ze niet alle vijf
    - koat : kaart
    - koe’che’le : hoesten
    - koe’e’le : kolen wit’te, roe’e en se’voe’e koe’e’le
    - koe’e’pe : kopen ik koe’ep haa kjépt
    - koe’e’ze : 1) klagen 2) jammeren
    - koe’er ; koor
    - koe’ke’ne : ruiten in het kaartspel
    - koe’ken’bak : gezegde : tés koe’ken’bak = ’t is in orde
    - koe’we : een vlucht vogels en koe’we bos’doa’e’ve
    - koef’fe’le : veelvuldig hoesten
    - koem : kom, schaal en koem aa’re
    - koeng’kel’foe’ze : heimelijk bedisselen
    - koerp : bocht
    - koks’bie’en : kaaksbeen
    - kom’af : afkomst
    - kom’es’vey : grote borsten van een vrouw das ie’en mey ne sé’ri’ey’se kom’es’vey
    - kom’mis’se : boodschap ik moet noch en poar kom’mis’kes doen on’zen hond moet zen kom’mis’se noch doen
    - kom’pas’se : medelijden mey da veng’ke moet’te gie’en kom’pas’se hém’me
    - kon’se’teyr : klok om de duivenaankomst te registreren
    - kon’sèèr : toneel, concert
    - kon’zjéé : verlof
    - kont : achterste
    - koo : kwaad kéd’der = meer kwaad
    - koo’e’kes : restant van het uitgebakken varkensvet dat bij in de pensen werd gedraaid
    - kooi : koe
    - kor’ner : hoekschop
    - kor’sey : korset
    - kor’vey : zwaar werk
    - kot’se : braken
    - koz’ze : ko’zaan : kozijn, neef
    - kra’mik’kel : niet stevig, wankel das moa kra’mik’kel in’ie’en ge’stau’ke
    - kraa’ge : krijgen ik kraach haa krægt ik hém ge’krey’ge
    - kraat : krijt
    - krab’be’le : stuntelen wa lig’ge ze doa naa te krab’be’le vey die gaul, krab’bers zænt
    - kræ’ze’le : het gevoel in de mond van zand bij het eten die mos’sel kræ’zelt
    - kræs’se : krijsen
    - krak : ergens heel goed in zijn das ne krak int tie’e’ke’ne, moa oe’ek int pin’te dring’ke
    - kram’me : gezegde : on’ze voa és doa oe’et zen kram’me ge’schau’te : mijn vader is daar uitgevlogen
    - krap : 1) rijf 2) krap, niet ruim
    - kré’mels : kruimels
    - kre’wél’leg : hevig haa ging doa noch’al kre’wél’leg te kie’er
    - kréé’me’rie : ijssalon
    - kréé’te : plagen, pesten, druk maken
    - kréém : ijsroom ne groe’e’te kréém mey kréém’frésj = ijs met slagroom
    - kréft : 1) kreeft 2) deugniet gaa zaa nen æch’te kréft
    - krép’pa’pier : papier waaruit men rozekes maakte
    - krey’ve’le : kriebelen
    - kri’zan’téém : chrysant (bloem)
    - krik’kel : vlug geërgerd das e krik’kel man’ne’ke, en æch’te krik’kel’bés
    - krip : voederbak, voorste deel van de stal waar de dieren gevoederd werden gezegde : das nen æch’te krip’baa’ter = vitter,
    - kris’ta’le’zey : kristalsuiker kris’ta’le’zey of klok’kes’ soa’e’ker
    - kro’che : 1) persen bij een moeilijke stoelgang krocht noch es goe! 2) kreunen bij zwaar tilwerk da was doa kro’che en daa’ve
    - kro’két : zegwijze : hal’lau kro’ket = halloo zeg!
    - kro’sjét : zangwedstrijd
    - kroa’e : 1) kraai 2) kraaien
    - kroa’e’naut : kruidnagel
    - kroa’ep’pin : zeer klein huisje haa wént in ne kroa’ep’pin
    - kroa’es : kruis gezegde : a krés’ke moake = een kruisteken slaan
    - kroa’es’jas’se : kaartspel
    - krocht : oud vervallen huis haa wén’de doa in en æch’te krocht
    - krod’der : sportman die slecht presteert die’e krod’der kon ni vol’le’ge in de koers
    - kroei’e : draaien, duwen, trekken, sleuren om iets los of vrij te krijgen
    - kroes : 1) drinkbeker 2) eendekroos (klein waterplantje) de béék léé vol kroes
    - krok : onkruid in graanvelden
    - kros : 1) cross 2) roetaanslag op potten en pannen
    - kwaat : kwijt, verloren haa ést kwaat
    - kwæ’de’le : 1) ruzie ik wil hie gie’en kwæ’de’le 2) brol, slecht materiaal mey wa vey kwæ’de’le ræd’de gaa?
    - kwæt : vulling van de bloedpens
    - kwats : gezwel of zwelling na kwetsuur on’der oan zen knæp hing en hie’el kwats
    - kwats’ke : minder dan een halve zak (bv aardappelen)
    - kwatsj : onzin, zever das kwatsj, das dik’ke zie’e’ver
    - kwéék : mond hot aa kwéék es toe
    - kwei’ker : keep (vogel)
    - kwék’ke : kwartje = 25 centiemen
    - kwiet : snul gaa se kwiet
    - kwing’kwank : schommel

    wordt vervolgd



    25-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    24-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-L

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - L -

    - la’ve’lier : laurier
    - laa : 1) lei schraa’ve op en laa 2) lag haa laa noch in ze bet 3) lauw maa’ne kaf’fe és laa
    - laa’der : leider
    - laa’ter’vænt : vogelschrik
    - laaf : lichaam
    - laai’ke : 1) een lijk afleggen, opbaren 2) smal straatje haa wén’de int laai’ke oan de pas’te’raa
    - laaik : lijk
    - laaik’bid’der : begrafenisondernemer
    - laan : 1) lijn 2) vislijn
    - læf’ke : onderhemd
    - læk’ske : het likken
    - læk’stok : snoep op een stokje
    - lækt : gelijkt gaa lækt zjust oep aa voa’der
    - læs’ter : lijster
    - læst : lijst gezegde : haa stoa oep de læst = hij is kandidaat bij de verkiezingen
    - laf : 1) drukkend laf weyr 2) vals das laf van aa
    - laf’foot : lafaard
    - lak : 1) gelijk haa héé dat oe’ek zjust lak zaa 2) lakverf 3) haarlak
    - lam’mey’re : lang blijven praten die héé den hie’e’le vér’noen ge’lam’meyrt
    - lam’pe’déér : staanlamp
    - lam’pét’te : drinken haa és gis’te’ren oa’vent wey goan lam’pét’te
    - lan’gen’oa’sem : kauwgom
    - lan’téé’re : lantaren gezegde : en groe’e’te lan’téé’re moa e klaan licht’je = een grote mond maar weinig verstand
    - lank : lang ik hém dat al lank ge’zéé
    - last : langs ge ræt bést last de Haa
    - lau’re’jas : iemand waaraan men zich ergert
    - lau’te’re : heen en weer bewegen ge moet e bék’ke mey die’en tant lau’te’re
    - lau’ter’dop : onbevrucht ei dat na het broeden overblijft, ook een slecht geworden ei
    - le’waat : lawaai gaa mey aa le’waat
    - léb’be : doodbrave simpele man die héé ne léb’be van ne vænt
    - léé’per : lepel
    - lééch’loe’e’per : een band die stilaan lucht verliest
    - lék : siroop das goei’e péé’re’lék = perensiroop
    - lék’neis : druipneus
    - lél’le : lelie
    - léng’sel : op lengte gesneden behangpapier
    - lés’te’re : luisteren, gehoorzamen klaan man’ne moe’te lés’te’re
    - lést : laatst ik hém em lest noch ge’zien haa es de lés’te
    - lét : 1) laat 2) schakel van een ketting mey vaaf lét’te kon’ne wæl’le bik’ke’le
    - lét’te : gezegde : oep de doa’e’ve lét’te =de duiven opwachten na een vlucht
    - lét’ters : gezegde : die’jen héé veyl lét’ters gey’te = die heeft lang gestudeerd
    - ley : 1) scharnier 2) lende, zij das ie’en mey a faan ley’ke
    - léz’ze : horloge
    - licht : longen van geslachte dieren haa gaf de licht oan de kat’te
    - lie’e’ne : lenen ik lie’en haa lént haa héé gelént
    - lie’e’peg : paardrift bij vrouwelijke dieren die koei stoa lie’e’peg = die koe is tochtig
    - lie’e’re : leren
    - lie’e’wærk : leeuwerik
    - lie’eg : laag gezegde : das ne lie’eg’vlie’ger = iemand die veel te snel rijdt
    - lie’em : leem gezegde : khém lie’e’me bie’e’ne = ik heb zwaar benen
    - lie’ep : leep
    - lie’er : ladder gezegde : mey de lie’er oa’et’goan = stelen
    - lie’ke : lied da was a schoe’e lie’ke
    - lie’vraa’ke : 1) lieveheersbeestje da zat vol lie’vraa’kes 2) O.L.Vrouw
    - lig’ge : liggen ik lich gaa licht haa léé haa héé ge’ley’ge gezegde : ik lich baa Mart in de bau’ves’ste schoa’ef = Mart heeft het voor mij, heeft mij graag
    - lik’ke : lukken da goa lik’ke
    - lil’le’put’ter : mens met dwerggroei
    - lits : lus oan maan zip stoa gie’en lits ne’mie’e
    - loa’e : laden
    - loa’e’ze’poa’ter : iemand met veel luizen
    - loa’ke : laken
    - loa’te : 1) laten ik loat, haa lét 2) de late ploeg ik stén mey de loa’te
    - loa’ze’rus : lazarus, iemand met vreselijke huiduitslag
    - lod’ders : lompen ik haa doa ne zak lod’ders stoan
    - loe’bas : groot en struis en rustig (dier of mens) aa’ven hont és nen æch’te loe’bas
    - loe’e’kes’ge’wéér : luchtbuks zoals op het schietkraam
    - loe’e’per : loper, een kind dat pas kan lopen die hey’re klæn’ste és al ne loe’e’per
    - Loe’e’zen’hoek : Lozenhoek onder Keerbergen
    - loe’es : 1) op een geheime plaats ik zal dat es loe’es wech’stey’ke 2) zonder vrucht das en loe’e’ze hok’ke’naut
    - loe’ke’beer : gefantaseerde afschrikker voor kinderen pas oep want de loe’ke’beer komt
    - loe’ter : afgeroomde melk, diende vroeger tot voer van kleine kalveren
    - loecht : 1) lucht de loecht zach zwét van de sprie’e’we 2) niet zwaar oo das e loecht paks’ke
    - loei’e : 1) luiden het loeit vey de mis 2) lui dat és ne loei’e vænt
    - loei’e’rik : luierik
    - loei’waa’ve’soep : pakjes of dozensoep
    - loem’mer : lommer, schaduw de bjés’te gén in de loem’mer stoan
    - loen’ke : gluren, loeren
    - loet : eigenaardige karaktertrekken die van ons héé wey en loet hé
    - loik’ke : lotje vey maa draa loik’kes van de lau’te’raa
    - lot’se : zuigen
    - lots : oud zuigdoekje met honig voor kleine kinderen, later tutter

    -M-

    - ma’ka’rau’ne : pasta
    - ma’sjoef’fel : vagina
    - maa : 1) mei 2) mij haa héé’chet maa in de maa noch ge’zéé 3) mouw we zél’le doa es en maa oan’pas’se = we zullen dat eens verhelpen
    - maa’ne : 1) mijne das de maa’ne 2) menen ik maan gaa mænt het es ge’mænt
    - maa’nes : gemeend tés maa’nes dey’ze kie’e
    - maa’se : meid het maa’se van de pas’toe’er
    - maa’te’raa : mouterij haa wærkt oep de maa’te’raa
    - maa’véé’ger : iemand die fleemt
    - maan : 1) mijn da zæn maan zoa’ke 2) vismijn die kau’me van de vis’maan
    - maat : mijt baa élk bak’hoa’es ston en haat’maat
    - Mæ’che’léér : 1) Mechelaar ne Mæ’che’léér zéé : nei’je 2) hond, Mechelse scheper haa héé ne Mæ’che’léér ge’kocht
    - mæm’me : 1) grote borsten 2) zagen en zeveren die’e zat doa oan den toe’eg te mæm’me
    - mær’re’bels : knikkers mey de mær’re’bels spey’le
    - mær’re’ge : morgen
    - mær’re’mer : marmer haa héé vloer in de mær’re’mer
    - mær’re’mit : (steriliseer)ketel doe de mær’re’mit moa half’vol
    - mæs’ke : meisje das e schoe’e mæs’ke hé
    - mæt’te : waren verkopen op de markt oep de roe’mel’mæt kin’de al’les mæt’te
    - mæt’te’le : martelen
    - mæt’waaf : taterende vrouw zaa doa mey ge’traat, zoe’e mæt’waaf
    - maf’fe : slapen baa den troep hém’me kik dik’kes lig’ge maf’fe oep de wacht
    - mal’broek : grote kar op drie wielen
    - mal’lét : aktentas haa goa doa wey mey zen mal’lét on’der zen ær’me
    - mal’ley’re : ongelukken hot me tey’ge of ik doen mal’ley’re
    - mal’sjans : tegenslag die’jen héé al dik’kes mal’sjans ge’hat
    - mam’brey’re : beschilderen als marmer
    - man : mand en man pe’toa’te
    - man’ne : 1) manden 2) de kinderen van één gezin son’doas kau’me ons man’ne al’taa noar hoa’es
    - man’ne’vlich’ter : mandenmaker
    - mang’e’le : ruilen
    - mans’lie : de mannen de mans’lie zoa’te réchs in de kérk
    - mans’mæns : man das en te’loe’er vey a mans’mæns
    - mar’sæl’le’ke : onderlijfje zonder mouwen
    - mar’sjan’dies : koopwaar die’en héé al’taa goei’e mar’sjan’dies baa
    - mas : massa, tesamen ik pak die draa koe’epe in mas
    - mas’se’paan : marsepein
    - mast : conifeer ook dennenboom khém last’ach’ter al’les af’ge’zét mey mas’te
    - mat’te : 1) matten 2) niet glanzend, mat 3) vlokken in het koemelk
    - mau’ze’gaut : afvoergreppeltje voor het afwaswater de mau’ze’gaut kost se’waa’le nog’al sting’ke
    - maus : achterplaats in het huis waar de afwas gebeurde den af’was ston oep de maus’bank
    - Me’daar’de’zaai’ker : H.Medardus mær’re’ge ést Me’daar’de’zaai’ker, khoe’ep dat ni réé’gent
    - me’dél’le : medaille die’e wint krægt en gaa’ve me’dél’le
    - me’las : 1) siroop 2) residu van de siroopproductie verkocht als paardenvoer
    - me’ney’vers : legeroefeningen ten’nés’te week gém’me oep me’ney’vers
    - me’niet : minuut gezegde : ne me’niet hé = een ogenblikje
    - me’teyr : motor de me’teyr és noa de voeing’kes
    - mé’ze’le : kruimels kést de mé’ze’le es vant toa’fel
    - me’zey’re : miserie doa és noch’al wa me’zey’re in de wé’relt
    - mein : mijden ik mey hem gaa mæt hem wæl’le mein hem
    - mél’der : molenaar de mél’der wærk’te in de mél’der’raa
    - mél’taat : maaltijd oem twélf ie’re wast al’taa ne wær’me mél’taat
    - mén’dach : maandag a mén’dach komt hem
    - mént : maand deys mént gie’e’ne voet’bal
    - mér’reg : gaar de koe’e’le zæn mér’reg
    - mes’sing : hof van huis ik moest al’taa de mes’sing oep’kéé’re én oep’krab’be
    - mes’tæs : 1) snor haa héé en groe’e’te mes’tæs 2) onderwijzeres da was gie’en sim’pel mes’tæs vey baa te zit’te
    - mét’je : kameraadje hey mét’je kom’mes hie
    - mét’te : kalf ne mét’te lotst oan aa ving’e’re
    - mét’ter : mortel mét’ter stie’en én bier tlés’te jost
    - mey : mee of mede wie doe’ter mey
    - mey’ge : 1) mogen ze mey’ge naa ni kau’me spey’le 2) lusten veyl joeng mey’ge gie’en té’mat’te
    - mey’le : molen gezegde: gaa zaa ne mey’le = een wispelturig mens
    - mey’mel : 1) bladluizen die’e sloat zit vol mey’mel 2) houtworm die kas és hie’e’le’moal ver’mey’melt
    - mey’ning : loodverf, menie as ghet ni wil loa’te ver’jos’te’re moe’te der roe’e mey’ning oep’zét’te
    - mey’ter : meter
    - mey’ter’taat : mettertijd mey’ter’taat goa da ver’an’de’re
    - mi’jæt’se : maartse mi’jæt’se baa’ze
    - mi’jeit : maart in de mi’jeit kant noch kaat zaan
    - mich : mug das ne mich’ge’zif’ter ség = haarklovers
    - mie’e’ze’ke : mees
    - mie’jei’rel : merel
    - mie’re : mikken oept schiet’kroam moe’te goe mie’re
    - mie’zaai’kers : mieren mie’zaai’kers noe’me ze oe’ek bræk’ke
    - miech : moe wér’re gaa da naa nie miech = word jij dat niet moe
    - mier : muur baa den troep dey’e wæl’le de mier = na de avondklok over de muur naar binnen
    - mik : gaffelvormige tak om een katapult te maken en goei mik vey ne slin’ger
    - mil’jaar’de : vloek
    - mil’tert : midden goa es int mil’tert stoan
    - milt : homklier nen héé’ring mey ne milt of ne zoat
    - mint : munt als plant of smaak mint tit’te’frit
    - mis : mus en koe’e mis’se
    - mit’soat : mutsaard en haat’maat da was ge’stoa’pel’de mit’soat
    - mjos’ter : meester khém baa mjos’ter Fil noch ge’zey’te
    - mjot’ste : meeste haa héé de mjot’ste bey’le’kes
    - moa : maar moa ni mey maa hé
    - moa’e : 1) made in maa’ne sloat zit en moa’e 2) maaien ze gén den bémt af’moa’e
    - moa’e’bits : gangetje van een made a pey’ke mey veyl moa’e’bit’se
    - moa’e’ze : muizen zit’te gæl’le mey moa’e’ze
    - moa’e’zen’tand : siermetselwerk onder de dakgoot
    - moa’ger : mager moa’ger vlie’es : vlees zonder vet
    - moa’ke : maken ik moak gaa mokt haa héé gemokt
    - moa’le : malen ik moal gaa mélt haa héé gemoalen
    - moa’ling : bepaald onkruid trékt die’je moa’ling es oa’et de pe’toa’te
    - moa’ze : mazen van het net die moa’ze zæn te klaan
    - moat : maat gezegde : de moat pak’ke = de maat nemen
    - moe’der’hoa’es : kraamkliniek ze léé noch int moe’der’hoa’es mey héy’re klaa’ne
    - moef : slechtgezind haa lépt doa mey en moef ront
    - moei’e’noks : poedelnaakt moei’e’noks oep ne vlau, wat e zicht
    - moei’er : 1) vrouwelijk dier (bv konijn) khém de moei’er bij de reir ge’zét 2) moeder (beledigend) die zwæt’te moei’er goei’de de stie’e’ne oep on’zen dam
    - moem’bak’kes : masker on’der da moem’bak’kes hém’mek noch’al ge’zwét
    - moem’pe’le : mompelen wa moem’pel’de gaa doa
    - mok’ke : meisje das e færm mok’ke
    - mos’toat : mosterd ie’e’ne mey kees én mos’toat
    - mot : 1) nachtvlinder 2) slaag 3) gezegde : de mot zit ‘er’in = de geestdrift is weg
    - mot’te : slagen kzal aa se’biet es wa mot’te gey’ve
    - mot’tech : 1) vuil hoe mot’tech és aa broek naa 2) onwel kzæn pe’sies mot’tech

    wordt vervolgd



    24-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    23-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-N

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - N -

    - naa : 1) nu naa ést oan aa 2) nauw tstékt ni zoe’e naa
    - naa’pe : nijpen ik naap gaa næpt haa héé ge’ney’pe
    - naa’ve’leks : nauwelijks khém naa’ve’leks ge’sloa’pe
    - naap’licht : zaklantaarn doet da naap’licht es oan
    - nacht’noen : namiddag dey’zen nacht’noen héé’tem ge’weyst
    - næk : nek gezegde : das ie’e’ne mey nen dik’ke næk = hij is hoovaardig
    - naft : benzine kval zon’der naft = ik heb geen energie meer
    - nat’teg’haat : nattigheid gezegde : kvoel nat’teg’haat = iets voelen aankomen
    - nau’re : noorden in de nau’re ést jost doeng’ker
    - nau’te : noten kin’de gaa me’ziek nau’te ley’ze gezegde : haa héé veyl nau’te oep zaa’ne zang = hij heeft veel eisen
    - ne’mie’e : niet meer ik zint ne’mie’e zit’te
    - néf’fe : naast haa lépt noa’e néf’fe zen schoe’ne
    - nél’le : naald zikt maan nél’le es
    - nés’tel : veter de nés’tels van maan schoe’ne gezegde : ik hém maa’ne nés’tel doa af’ge’droa’et = ik heb daar hard gewerkt
    - ney: neer légt da ney
    - ney’ge : negen draa kie’e’re draa és ney’ge
    - ney’ke : strikje twas ne plas’te’ron of e ney’ke
    - neys: neus ik hém ne groe’e’te neys en za e wip’nui’ze’ke
    - neys’doek: hoofddoek welke de oudere vrouwen vroeger droegen ons moe droeg al’taa e neys’doek’ske
    - ni : niet ni mey maa hé
    - nich’ter : nuchter haa és noe’et ni nich’ter
    - nie’e : nee, neen nie’e ik doen da ni
    - nie’man’nie : niemand dat héé noch nie’man’nie ge’zéé
    - nie’te’léér : vitter gaa zaa ne nie’te’léér joa
    - nie’ve’joar : nieuwjaar nie’ve’joar zing’e
    - nie’ve’rans : nergens haa goa nie’ve’rans gie’e gélt kraai’ge
    - nief : nieuw haa héé e nief lief nief bés’tels kéé’re goe hé = hij heeft een nieuw lief, voor zolang als het duurt
    - nik’se : niets doen haa zit doa te nik’se
    - nip : gezegde : da was nip zel’le = dat was bijna raak
    - noa : naar van Pit noa de Haa
    - noa de voeing’kes : naar de vaantjes, kapot
    - noa’e : naaien ze lét ne rok noa’e
    - noa’gel : nagel khém maa’ne noa’gel in’gescheyrt
    - noa’gel’bloe’me : seringen khém schoe’en blaa noa’gel’bloe’me
    - noa’gel’boa’ek : navel Eé’va héé gie’e’ne noa’gel’boa’ek want zés ni ge’bau’re
    - noa’mok’sel : namaak das gie’en æch’te Rub’bes, das en noa’mok’sel
    - noa’paa’ze : nadenken ik zal der es au’ver noa’paa’ze
    - noa’ter : 1) dar ne noa’ter stékt ni 2) jongman doa hém’me noch twie’je noa’ters thoa’es
    - noa’ve’nant : naar gelang das noa’ve’nant hoe gaa da zie
    - noat : naad gezegde : haa wærkt de noat oa'et zen bés = hard werken
    - noe’e : niet graag da doe’nek naa noe’e se
    - noe’ne : zot gaa zaa ne noe’ne gaa
    - noe’ne’ke : mondharmonica ik speyl oep e noe’ne’ke
    - noeng’kel : nonkel, oom hér’re gaa ne soa’e’ker’ noeng’kel

    -O-

    - o’laa’ve : olijven meyg’de gaa o’laa’ve?
    - oa’el : uil
    - oa’et : uit
    - oa’et’ge’bloemt : uitgebloeid de roe’e’ze zæn oa’et’ge’bloemt
    - oa’et’ge’læb’bert : uitgerokken maa’ne pe’lau’ver és hie’e’le’moal oa’et’ge’læb’bert
    - oa’et’ie’en : uiteen, gescheiden die zæn al een tæt’je oa’et’ie’en
    - oa’et’klap’pe : uitpraten lém’me naa es oa’et’klap’pe
    - oa’et’kléé’re : het verdwijnen van de bewolking se’biet goat da hie’e’le’moal oa’et’kléé’re
    - oa’et’laa’pe : uitrekken pas oep want das ne pe’lau’ver die’e ge’mak’ke’léék goat oa’et’laa’pe
    - oa’et’lich’te : doorlichten haa héé zen’ne rich moe’te loa’ten oa’et’lich’te
    - oa’et’loe’ep : koortsblaasje khém hie wa oa’et’loe’ep oan maan lip
    - oa’et’moa’e’ze : er stilletjes vandoor gaan zés er stil’le’kes oa’et’ge’moast
    - oa’et’naa’pe : uitknijpen kzal die’e mey’ey’ter es oa’et’naa’pe
    - oa’et’ney’me : uitnemen ge kint da doa oa’et’ney’me gezegde : das iet dat oa’et’némt = dat is buitengewoon
    - oa’et’pæs’se : uitpersen ik gén die’en ap’pel’sien oa’et’pæs’se
    - oa’et’schaa’te : uitschelden lét aa ni oa’et’schaa’te hé
    - oa’et’schoa’e’ve : 1) uitschuiven ge moet die’en bak doa oa’et’schoa’e’ve 2) uitglijden ik zæn doa oep die’en trap oa’et’ge’schau’ve
    - oa’et’sjot’te : uittrappen door de doelman (voetbal)
    - oa’et’span’ne : tot armoede brengen, ruïneren ze hém’me die aa’vers hie’e’le’moal oa’et’ge’span’ne
    - oa’et’vlie’ge : met woorden te keer gaan die’e zaa’ne pey kon ser’jeys oa’et’vlie’ge
    - oa’et’zwie’e’te : uitzweten gezegde : da gor’re noch oa’et’zwie’e’te = dat gaat u nog bekopen
    - oa’re : aren oept stop’pel’lant oa’re roa’pe
    - oa’rech : eigenaardig kvin dat oa’rech dat hem er nie és
    - oa’sem : adem ha héé’get oep zaa’nen oa’sem
    - oan’baa’ne : aanbinden de te’mat’te oan’baa’ne
    - oan’doem’pe : de roa’e’te doem’pe oan
    - oan’ge’brant : 1) aangebrand de raas’pap és oan’ge’brant 2) vuil, gewaagd en oan’ge’bran’de mop
    - oan’ge’stau’ke : aangestoken haa héé die an’de’re joeng oe’ek oan’ge’stau’ke = hij heeft de andere kinderen ook besmet
    - oan’gey’ve : aangeven gezegde da zor’re hém ni oan’gey’ve = dat had je van hem niet verwacht
    - oan’haa’ve : liefde buiten het huwelijk ze zaa oan’haa’ve mey de Rik
    - oan’haa’ven’de : om de haverklap haa és oan’haa’ven’de ziek
    - oan’ie’en : aaneen we gén da oan’ie’en zét’te
    - oan’jèè’re : 1) aanaarden de pe’taa’te oan’jèè’re 2) ie’mant oan’jèè’re = iemand opjagen
    - oan’pap’pe : 1) een kaart aanleggen die’en hoas kin’de oan’pap’pe 2) het aanleggen met iemand tschænt da ze zaa oan’pap’pe mey de Rik
    - oan’pi’ke : aankoppelen, aansluiten die’e ke’reir kon trig oan’pi’ke
    - oan’stey’ker : 1) aansteker voor de sigaret 2) pantoffel soa’ves loe’e’pe’kik al’taa oep maan oan’stey’kers dey hoa’es
    - oan’was : abnormaal aangegroeid deel die’en haa e klaan oan’was’ke oep zaa laaf
    - oan’zaan : 1) in het spel aangetikt zijn gaa zaa’ter’oan 2) stervende zaa tem ‘er ni waat oan’zaan
    - oap : aap doa moet’te naa ne stoem’men oap vey zaan
    - oat : 1) levenslust khém gie’enen oat 2) geaardheid noa wie héé die’je den oat
    - oe’e’ge : 1) ogen ghét schoe’en oe’e’ge 2) vetdruppel soep mey oe’e’ge gezegde: haa héé en oe’ech’ske oep Marie = hij is verliefd
    - oe’ek : ook ik kén dat oe’ek
    - oe’er : 1) oor neslag rond zen oe’e’re 2) handvat pas’oep die oe’e’re zæn hie’jet
    - oe’er’naa’per : oorworm in maan pæs zit nen oe’er’naa’per
    - oe’et : ooit oe’et héé die’e da ge’zéé
    - oei’er : uier soe’me’ge koei haan ne groe’e’te oei’er
    - oem : om aa’ven taat és oem
    - oem’ge’léé : veranderd die’en héé hem hie’e’le’moal oem’ge’léé
    - oem’hoe’eg : omhoog gezegde : de wint és van oem’hoe’eg = noorderwind
    - oem’poar : oneven, onpaar a loik’ke mey oem’poar saa’fers
    - oem’sloa’ge : verzwikken haa héé zaa’ne poe’et oem’ge’sloa’ge
    - oem’vaar : omver khém hem oem’vaar ge’loe’e’pe
    - oep : op de kéés és oep - kzæn oep = ik ben uitgeput gezegde : oep de wil’den boef = op goedvallen uit oep en an’der ést béé’ter = ergens anders is het beter
    - oep’ge’poeft : opgezwollen khém te hæt gey’te, kzæn hie’e’le’moal oep’ge’poeft
    - oep’ge’schépt : opgescheept haa zit doa goe mey zaan Mie oep’ge’schépt
    - oep’ge’te’loe’ert : opgesmukt die van den braa’ver was noch’al oep’ge’te’loe’ert
    - oep’ge’tut : opgesmukt die liep er oep’ge’tut baa
    - oep’gey’te : opgegeten haa héé dat al’lie’en oep’gey’te
    - oep’lég’ge : inmaken, steriliseren ik moet die boe’e’ne van’doag noch oep’lég’ge
    - oep’lein : opleiden baa den troep zél’le ze aa wél oep’lein
    - oep’lig’ger : oplegger kgén die’en oep’lig’ger noch oan’pik’ke
    - oep’per : in de richting van die vlaug noa tGoor oep’per
    - oep’rie’re : omroeren ge moet da ie’est goet oep’rie’re
    - oep’schaa’re : opscharrelen joeng, joeng, haa héé doa ie’en oep'ge’schaart
    - oep’schie’ter : plant welke voortijdig een zaadstek aanmaakt ze moe’te die oep’schie’ters doa noch oa’et’trék’ke
    - oep’smau’re : oproken haa lét zen sig’ge’rét zoe’e moa lig’ge oep’smau’re
    - oep’sol’fe’re : aansmeren lét aa niks oep’sol’fe’re hé
    - oep’stoem’pe : verplicht doen eten ge moet hem da ne’mie’e baa oep’stoem’pe
    - oep’te’nieft : opnieuw be’gint moa oep’te’nieft, want trékt oep niks
    - oep’tur’re’lut’te : geld over de balk gooien die’en héé dal wa oep’ge’tur’re’lut in zaa léé’ve
    - oep’vil’le : opzetten van dode dieren haa héé zaa’ne poa’pe’goa’e loa’te oep’vil’le
    - oep’waa’ne : opwinden, opdraaien ge moet oe léz’ze oep’taat oep’waa’ne
    - ok’ke’ley’re : enten roe’e’ze moet’te oe’ek ok’ke’ley’re
    - ok’ke’naut : okkernoot wæl’le knik’ker’de vey ok’ke’nau’te
    - on’der’dey : onderdoor gezegde : haa goa’ter on’der’dey = hij gaat instorten
    - on’der’vaa’ne : ondervinden ge gaa da wél on’der’vaa’ne
    - on’der’waa’zer : onderwijzer haa lie’ert vey on’der’waa’zer
    - on’der’zip : ondervest zie ook zji’ley
    - on’ge’die’rech : ongedurig haa was hie’el on’ge’die’rech
    - on’ge’lie’e’ve’gen’tau’mas : iemand die niets geloofd gaa zaa nen on’ge’lie’e’ve’gen’tau’mas
    - on’ge’rist : ongerust ik was vrie’et on’ge’rist hé
    - on’nes’te’bau’ve : ondersteboven haa goei’de al’les on’nes’te’bau’ve gezegde : ik was doa hie’e’le’moal on’nes’te’bau’ve van = ik was daar heel erg van geschrokken
    - ont’haa’ve : onthouden ik kan dat al’le’moal ni ont’haa’ve
    - os’se’toen’ge : soort rode aardappel de os’se’toen’ge moeg’te ni groe’et zaan vey de mæt
    - ot’tau : auto kom’de gaa mey de vlau of mey den ot’tau?

    wordt vervolgd



    23-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    22-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-P

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - P -

    - pa’tey’ke : gebak e pa’tey’ke goat er al’taat in
    - paa’hoan – paa’hin : pauw ne paa’hoan héé ne schoe’e’ne stjeit
    - paa’ze : denken ge meygt doa niet te’veyl oep paa’ze
    - paal : pijl oan de wip goan paa’le roa’pe
    - paap : pijp vrie’ger woa’re de broeks’paa’pe brie’er en mey ne zie’em
    - paas : paus dat de paas moa in Roe’e’me blæft zél’le
    - pad’de : op handen en knieën voortbewegen die’e klaa’ne kan goe pad’de
    - pad’de’slot : hangslot
    - pad’de’ver’gif : een heel slechte smaak hebbende die flæs van den dok’toar és just pad’de’ver’gif
    - pæk : teer ze gie’te pæk tis’se die be’ton’ploa’te
    - pæl’tje : 1) sprietje e gæs pæl’tje 2) pijltje pæl’tje pik = darts
    - pæn’ne’læk’kers : lisdodde khém pæn’ne’læk’kers in maa’ne vaa’ver
    - pær’re’me’nant : watergolf (haartooi) aa vraa’ve loa’te dik’kes ne pær’re’me’nant zét’te
    - pær’re’me’tey’re : 1) veroorloven die’e kan hem da goe pær’re’me’tey’re 2) klagen én moa pær’re’me’tey’re, man man
    - pær’re’plie : 1) paraplu, regenscherm 2) scheef maa stier stoa pær’re’plie
    - pærk : perk mæs’kes hin’kel’de in e pærk
    - pæs : perzik vey maa ne ki’lau pæs’ze
    - pæst : pest haa stinkt lak de pæst
    - pæt’te : heel lastig zijn die’e klaa’ne kan pæt’te
    - paf’fe : roken zonder te inhaleren ie’est lie’er’de we paf’fe en dan smau’re
    - pak’ske : pakje gezegde : komt mey gie’e pak’ske thoa’es = zorg dat je niet zwanger wordt
    - pal’jas : 1) strozak 2) trekpop 3) persoon die men niet ernstig neemt
    - pal’tau : mantel das ne schoe’e’ne pal’tau
    - Pan’doe’ren’hoek : plaatsnaam te Schriek afgeleid van pandoeren = agenten van Leuven welke voor de uitvoering van de doodstraf door verhanging in de Galgestraat daar hun tenten opsloegen in afwachtijng van de uitvoering van het vonnis
    - pan’dul : slingerklok
    - pap’pe : 1) kaartspel 2) inlijmen van behangpapier da léng’sel goe in’pap’pe
    - pap’schaul : kleuterschool khém mey Gréét noch oep de pap’schaul ge’zey’te
    - par’taa : 1) partij 2) mannelijk geslachtsdeel haa kreych doa ne stamp oep zen par’taa
    - pas’se : 1) passen en zip pas’se 2) niet meegaan in het kaartspel ik moet pas’se, zoe’en slæch’te koa’te
    - pas’sey’re : gebeuren ge lét da toch nie pas’sey’re
    - pas’til’le’ke : pilletje, geneesmiddel hér’re gaa e pas’til’le’ke vey maan kéél
    - pas’vit : roerzeef vey de soep dey te doen héd’de ne pas’vit van doen
    - paut : poort de paut stoat au’pe
    - pe’dal : trapper ne pe’dal van maa’ne vlau
    - pe’ris : parkiet ne pe’ris kin’de goe oep’lie’e’re
    - pe’sies : precies gaa wét da pe’sies ne mie’e
    - pe’tie’ter : zeer kleine ( bv. Aardappeltjes) de pe’tie’ters woa’re vey de vær’re’kes
    - pe’toa’te : aardappelen ook pe’taa’te ver’gét gie’e zaat oep aa pe’toa’te te doen
    - pe’trol : petroleum géf moa pe’trol = geef maar gas, vlieg er maar in
    - péé’per’kau : bruine huidvlek haa héé veyl péé’per’kaus in zaa ge’zicht
    - péé’rel : parel, parelsnoer ze haa ne schoe’e’ne péé’rel oan
    - péé’wésp : wesp kbén gestau’ke dey en péé’wésp
    - péét : 1) doopmeter 2) grootmoeder péét Schriek zaa on’ze Pol’le al’taa
    - pél : schil, schaal, vlies de pél van nen ap’pel, en aar, oept mé’lek,…
    - pél’der : slaapstok voor kippen gezegde : ik kroa’ep in maa’ne pél’der = ik ga slapen
    - pen’nen’tie : strafschop (voetbal)
    - per’rey : puree haa zit in de per’rey = hij zit in de problemen
    - per’sey : dringend haa wilt per’sey noa Lier rein
    - per’tang : nochtans haa héé per’tang ge’laaik
    - pést : puist das en sér’jey’se pést
    - pey ook pey’re : vader gezegde : khém maa’ne pey’re ge’zien = ik heb afgezien
    - pey’kel’teyf : moeilijke vrouw zaa mey zoe’en pey’kel’teyf ge’traat
    - pey’kel’vis : haring in azijn wærm ge’mok’te pe’toa’te mey pey’kel’vis en joa’en, goe zaan
    - pey’kes : 1) wortelen pey’kes mey aa’te 2) oude mannen zés noat pey’kes’hoa’es = ze is naar het rusthuis
    - pey’pel : vlinder deys joar woa’re der ni veyl pey’pels
    - pey’te’re : 1) dooppeter 2) grootvader maa’ne pey’te’re és aat ge’wér’re
    - pey’ze’’wey’ver : vitter de Lau was nen æch’te pey’ze’’wey’ver
    - peys : pees die peys in maa’ne næk doe zie’er
    - pi’néé’re : penarie haa zit in de pi’néé’re
    - pi’néés : duimspijker
    - pie’jes : kaartterm
    - pie’pe’dol’le’ke : spitsmuis kat’te ey’te gie’en pie’pe’dol’le’kes
    - pie’pe’ling : verstoppertje spelen we gén pie’pe’ling spey’le
    - piet : 1) pier, aardworm ne piet mey ne kor’sey = aardworm met een ring 2) geluk
    - piet’zak : gelukzak
    - pil’le’ke : 1) pilletje 2) afkrabben, pulken ge meygt die kést doa ni af pil’le’ke
    - pil’le’per : purper aa lip’pe zin pil’le’per van de kaa
    - pil’léér’baa’ter : kerkloper met een negatieve bijklank
    - pil’licht : zaklantaren mey a pil’licht oept zol’der goan sney’ke’le
    - pin’jèèr : steekmes gebruikt om dieren te doden door de halsader door te snijden
    - pin’ne’kes’droad : prikkeldraad khém maan broek ge’scheyrt oan de pin’ne’kes’droad
    - ping’ker : richtingaanwijzer zét aa’ve ping’ker moar af
    - pir’re’wit : kleine asperges de pir’re’wit és vey de soep
    - pis’bloem : paardebloem doa stén wey veyl pis’bloem’me in aa’ve ga’zon
    - pis’doek : luier van textiel vrie’ger woa’ret pis’doek’ke én naa pam’pers
    - pis’kaas : meisje of vrouw die veelvuldig moest plassen
    - pis’saa’ne : urinoir oept jong’es’schaul haan ze groe’e’te pis’saa’ne
    - pis’to’ley : broodje, pistolet draa pis’to’leys én e sant’wisj’ke
    - pis’ton : gulp van een broek doet aa pis’ton toe
    - pis’ton’ne’kes : papieren knallertjes voor speelgoedwapens
    - Pit : Putte
    - pit’je : kleine penis gezegde : khém hem baa ze pit’je = ik heb hem te pakken
    - pit’te’léér : ceremoniekledij voor mannen met zwaluwstaart
    - pjæts’hoar : paardehaar de be’zét’ters ge’broa’e’ke pjæts’hoar
    - pjæts’sés’ze : paardehorzel niet verwarren met pjei’re’sés’ze = paardedeken
    - pjé’de’stal : houten meubeltje waarop men meestal een beeld plaatste
    - pjei’ren’oe’ech : spiegelei
    - pjei’ren’tés’ser : paardenhandelaar
    - pjeit : paard baa ons hém’me ze e boe’re pjeit moa de Lod’de héé draa pjei’re
    - plaan = plein gezegde : haa és de plaan au’ver = hij is weg, vertrokken
    - plæk : 1) plak ik plæk die’en tæm’per hie 2) veld doa ston en schoe’en plæk aa’te 3) vlek kraaich die plæk doa nie oa’et
    - plæk’ker : 1) bezetter de plæk’kers zæn bey’zeg 2) iemand die blijft hangen de Swa és nen æch’ten toe’ech’plæk’ker 3) een trage tango dau’pe’nings’dans was ne plæk’ker
    - plæk’pot : vuil mens noa de schil’der’lés zach hem er’oa’et lak ne plæk’pot
    - plas’te’ron : das aa’ve plas’te’ron hangt schie’ef
    - plat’te : pasgeboren de kat héé draa plat’te joeng gezegde : 1) ge zaa toch gie’e’ne plat’te ne’mie’e = ge zijt toch geen kind meer 2) ge ziet er moa plat’te’kes oa’et = ge ziet er erg bleekjes uit
    - plés’ter : plaaster veyl van die bél’de zæn van plés’ter
    - pléts : plaats we gén ten oep zen pléts zét’te
    - ploa’em : pluim vrie’ger schrey’ve ze mey en ploa’em
    - ploach : 1) plaag 2) zware verkoudheid kzit mey en ploach
    - ploat : 1) plaat 2) geld haa héé gie’en ploat ne’mie’e
    - ploe’e : plooi of plooien helpt da loa’ke es oep ploe’e
    - plon : zekering de plon és ge’sproen’ge
    - plot : schootkat die plot goa gie’en moa’e’ze vang’e
    - plusj : zwierkwast op paardemolen wie de plusj pakt mach ver’niet mey
    - poa’e : paaien de vis’se zæn noch oant poa’e
    - poa’te’nos’ter : rozenkrans vey nen doe’e leys’de ze draa poa’te’nos’ters
    - poa’ter : 1) pater haa zat baa de poa’ters oept school 2) donker paterbier as kint droenk’ek poa’ter baa de noen’mél’taat
    - poal : paal
    - poas’bloem : narcis
    - poat : part gezegde : vey maa poat meych’de gaa naa ver’trék’ke = wat mij betreft mag u nu vertrekken
    - poe’e’ze : weëen de poe’e’ze kau’men al rap ach’ter’ie’en
    - poe’es : 1) pauze mey de poe’es gink het licht trig oan 2) slaapje khém al en poe’es oa’et
    - poe’et’ziek’te : mond- en klauwzeer
    - poe’pe’ke : popje, meisje das e schoe’e poe’pe’ke
    - poe’pers : gezegde : haa zit mey de poe’pers = hij heeft schrik
    - poe’ze’laan : porselein en Sji’ney’se voas in poe’ze’laan
    - poef : 1) schuld khém noch poef 2) voetmeubeltje ni mey aa schoe’nen oep de poef hé
    - poef’fe ; op krediet kopen Lie’za mak’kik poef’fe
    - poei’er : poeder en vraa dey poei’er oep heyr gezicht een opgetutte vrouw = poei’er’doe’es - géft maa es e poei’er’ke vey de kop’paan = geef mij een pilletje tegen de hoofdpijn
    - poek’kel : pukkel haa héé ne poek’kel oep zaa’ne neys
    - poem’pe’loe’re’ke : kikkervisjes doa zit’te veyl poem’pe’loe’re’kes in de béék
    - poem’pe’loe’re’zat : stomdronken haa was poem’pe’loe’re’zat
    - poemp’af : doodop haa és poemp’af
    - poep’hoan : stoomtram die reed van Mechelen naar Aarschot
    - poep’zje’laa : Luikse siroop vey maa ne pan’ne’koek mey poep’zje’laa
    - pol’le : handen gaa meycht aa pol’le’kes oe’ek es voa’el moa’ke
    - pol’le’vie : hiel van damesschoen hey’re pol’le’vie zat vast in de rés’ter vey de dey
    - pon’ne’koek : peperkoek
    - por’trét’ten’trék’ker : fotograaf
    - pot’te’féér : hij die potten en ketels herstelde en van een nieuwe laag tin voorzag
    - pots : muts haa trékt zen pots au’ver zen oe’e’re
    - praa : prei ne praa of vaaf in en bis’sel
    - praas : prijs khém praas
    - praas’kamp : examen mey de praas’kamp’e wir’ter noch’al wat af’ge’key’ke
    - præs’se : 1) persen 2) kaartspel
    - præt’te : grillen, kuren die van ons goa heyr præt’te wey oa’et’wæ’re’ke
    - prey : zakgeld, loon e zon’dach ést wey prey
    - preyk : preek prey’ke van’oep de prék’stoel
    - prie’ve : proeven, smaken haa prieft da ni hé
    - pries : stopcontact kzaa doa en pries moet’te baa’zét’te
    - pril’le : prullen ge moet mey gie’en pril’le af’kau’me
    - pril’le’man : iemand die belang hecht aan prullaria
    - prim : premie oep dæn vant joar kraai’ge die ne prim
    - prit : oogdraksel véégt die’e prit es oa’et aa oe’e’ge
    - prit’se : kleinigheid da zæn gie’en prit’se hé
    - prit’ser : klungelaar doa és doa ne prit’ser bey’zeg se
    - prom’bey’re : proberen ge moet da ni prom’bey’re
    - prop’pe : gezegde : mey iet oep de prop’pe kau’me = met iets naar voren komen
    - pros’se : spelen zés wey mey de kat ont pros’se
    - prot’te : een wind laten pjei’re die kin’ne prot’te

    -R-

    - ra’dæs’kes : radijzen ra’dæs’kes mey plat’te kéés
    - raa : 1) rechte lat om beton of chape te egalizeren we gén die’e be’ton af’trék’ke mey en raa 2) rij goa es in de raa stoan 3) rauw raa vlie’es 4) rouw zés in de raa 5) ruw da voelt raa oan
    - raa’ze : 1) reizen ze raa’ze dey noa Bris’sel 2) rijzen die’jen die’ech moet noch wa raa’ze
    - raai’ger : reiger ge zie veyl blaa raai’gers de lés’ten taat
    - raaich’nél’le : rijgnaald, lange naald waarmee jutte zakken werden gedicht die men niet kon dichtbinden
    - raaik : rijk haa és raaik getraat
    - raap : rijp de kéz’ze zæn noch ni raap
    - raas : 1) rijst keyt géé’re raas’pap 2) reis zés oep raas 3) rijs,twijg ne raas’bés’tel
    - raas’af : schuif af die’e groe’e’te zit oe’ek noch oep de raas’af
    - ræ’chel : richel de zwél’le’me zoa’ten oep de ræ’chel in de koei’stal
    - ræchs : rechts ræchs af’sloa’ge = rechts afslaan
    - ræcht’dey : rechtdoor ræt es ræcht’dey
    - ræcht’oa’et : eerlijk zéch et es ræcht’oa’et
    - ræm’me’ke : rijmpje kén’de gaa da ræm’me’ke noch : loei zwie’et és rap ge’rie’et
    - ræs : pas das noch moa ræs ge’beyrt
    - ræt’tech : rap groot das e ræt’tech ding’ske
    - ram’me’næts : rammenas kan’daa’soa’e’ker oep ram’me’næt’se zét’te
    - ram’me’nant : rommelwaar mey die’e ram’me’nant kin’de noa de roem’mel’mæt
    - ram’me’sey’re : bijeen rapen al die bloks’kes baa’ie’en ram’me’sey’re
    - ram’pla’sant : vervanger den dok’taur héé vey ne ram’pla’sant ge’zércht
    - rap : 1) snel mok’tes rap da ge wég zaa 2) verharding op een wonde oan die rap meyg’de ni pil’le’ke
    - rap’al’le’gaa : snel goa es rap’al’le’gaa noa den dok’taur
    - ras : goed voor de stoelgang proa’e’me zæn ras hé
    - rats : helemaal ik zæn da rats ver’gey’te
    - rau’we : met de handen zoeken in een hoop mey de sol’de zid’de die vraa’ve noch’al rau’we in de bak’ke
    - raus : roze woa és den taat van de rau’ze ba’lét’te
    - raut : rij, reeks zét ze moa in de raut
    - re’fe’zey’re : weigeren ge kint da ni re’fe’zey’re
    - ré’gle’teyr : klok waarop de andere klokken werden geregeld (duivensport)
    - re’kom’man’dey : aangetekende brief hér’re gaa oe’ek ne re’kom’man’dey ge’hat
    - re’véér : kraag van een vest of jas
    - re’ze’ney’re : van gedachten wisselen we woa’re ont re’ze’ney’re au’ver de keys
    - réén : slank das e réén man’ne’ke
    - rein : rijden ik rei haa ræt zaa héé ge’rey’e
    - reir : mannetjes konijn ne reir én en voe’e
    - réls : spoorstaven den traan stoa oep de réls
    - rén : kinderpark zét’hem moa in zen rén, dan zæm’me wa ge’rist
    - rép : ruk we trék’ke in ie’ene rép die’e der’oa’et
    - rép’koe’e’le : raapkolen rép’koe’e’le hém’me ze in den aur’log veyl gey’te
    - rés’se : wrijven ge moet dat es goe in’rés’se mey za’lef
    - rés’ter : rooster légt die’e rés’ter es trig toe
    - résp : 1) rups doa zit’te veyl rés’pe oep de koe’e’le 2) rupsmolen in de résp hém’me der veyl lie’e’re kis’se
    - rét’sel’ke : raadsel die klapt in rét’sel’kes
    - rey’gels : 1) regels de Læm’me sloech mey ne rey’gel oep aa kney’kels 2) maandstonden die van ons héé heyr rey’gels
    - ri’jon : 1) spaak van een wiel draa ri’jons ka’pot 2) afdeling in winkel in wé’le’ke ri’jon léé da
    - rich : rug khém in maa’ne rich
    - rich’ge’broe’et : roggebrood rich’ge’broe’et wir ge’bak’ke mey nen hééf
    - rie’e’ke : roken zie da doa rie’e’ke – die stauf rékt
    - rie’e’pe’ke : metalen onderzetter voor pannen of kookpotten op tafel
    - rie’e’pel : repel, strook snæt doa vey maa es ne rie’e’pel af
    - rie’e’sem : een ganse reeks doa ston nen hie’e’le rie’e’sem oan den dop
    - rie’ep : reep, velg van fietswiel wæl’le spél’de dik’kes mey ne rie’ep
    - rie’ke : ruiken ik riek haa rikt én zaa héé ge’roa’ke
    - rier : 1) roer 2) lokvogel op het steek de rier zat oept steyk oem de vau’gels te lok’ke
    - ringk’oan’ie’en : voortdurend ringk’oan’ie’en kwam doa volk bin’ne
    - ris’se : 1) Russen 2) graszoden de ris’se groei’e tot oep den dél’le’per
    - ris’te : rusten we gén wa ris’te
    - rit’nél’le : ritnaald, larve van de kniptor doa hém’me veyl rit’nél’les oan de pey’kes ge’zey’te
    - ro’zaa’ne : rozijnen vey maa draa ro’zaa’ne koe’ke
    - ro’zæl : grenadine ne geys mey ro’zæl
    - ro’zas : rozet, ronde versiering aan het plafond
    - roa’e : raden da gor’re ni kin’ne roa’e
    - roa’e’ge : ruwe ne mæt’ser héé roa’e’ge han’ne
    - roa’e’le : ruilen vey te roa’e’le gor’re noa de roa’el’bés
    - roa’e’ter : 1) ruiter 2) droogstokken voor het hooi zét dat hoe’e es oep die roa’e’ters
    - roa’e’ve : ruien, haar verliezen ik zæn ont roa’e’ve
    - roa’en : gesneden hengst
    - roa’es : geruis vrieger hær’re noch’al wa roa’es oep de ra’di’jaus
    - roa’et : ruit die roa’et és noa de vén’kes
    - roa’pe : rapen ik roap gaa répt haa héé ge’répt
    - roa’zech : razend hey die’e was roa’zech se
    - roe’e’ze : rozen haa zit oep roe’e’ze
    - roe’e’ze’krans : rozenkrans, gebeden voor de overledene in het sterfhuis, later in de kerk
    - roe’ef = rap : verharding op een wonde stoa’ter al en roe’ef oep
    - roe’et : rood rode = roe’e - roe’et licht én roe’e koe’e’le
    - roe’fe’le : wrijven, met een houten stamper bewerken me gén die nief pe’roa’te es roe’fe’le
    - roe’lét’te : rolschaatsen dau roe’lét’te van vrie’ger zæn oe’et de mau’de
    - roe’mel : rommel ge moet aa’ve roe’mel noch oep’kés’se
    - roe’mel’pot : persoon zonder orde ge zaa nen æch’te roe’mel’pot
    - roe’per : mond in het gezegde : ast dey de roe’per goa, goa’get oe’ek dey de poe’per = als men iets had ingeslikt, zou het er wel doorgaan
    - roe’toat : Vlaamse gaai ne roe’toat noe’me ze oe’ek ne rot’zak
    - roef’fe : weigeren iets te doen hot in doe’ech haa goa roef’fe se
    - roei : roede gezegde : ge moet er de roei on’der haa’ve = ge moet ze in toom houden
    - roet : spoorweg haa wærkt oan de roet
    - rols : rolluiken trékt de rols moa oemhoe’ech
    - ron’dæl : ijzeren ringetjes gét groe’e’te én klaan ron’dæls
    - ront’bræk’ke = ront’hau’ze = ront’ros’se: rondhangen die joeng lig’ge hie ront te bræk’ke
    - ront’rein : rondslingeren ge moet dat hie nie loa’te ront’rein
    - ros : roskleurig, kwade vrouw das en koa’e ros
    - ros’kes’mey’le : paardenmolen
    - rot : rot gezegde ik hém hem oa’et’ge’schey’te veyt rot van de stie’e’wech = iemand zeer erg uitschelden

    wordt vervolgd



    22-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    21-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-S

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - S -

    - sa’le’wey’re : wuiven ze ston’nen oan den an’de’re kant vant Schel te sa’le’wey’re
    - sa’loat : sla oep maa’ne kaa’ve pla ni te veyl sa’loat hé
    - saan : sein joa, tés ne saan gey’ver oept vliech’plaan
    - saas : 1) saus nen boef’steyk mey péé’per’saas 2) gezegde : ik hém doa en saas ge’hat joa = ik heb onder mijn voeten gekregen
    - sacht’noens : ’s namiddags swoen’stoas sacht’noens ést gie’e schaul
    - sæm’me’léér : zeveraar, mompelaar
    - sænt : geld in kindertaal vey aa oe’ek ne sænt?
    - sæs’kes : 1) sijsjes (zangvogel) 2) stress ik hémt oep men sæs’kes
    - sam’me’léér : rammelaar voor kleine kindjes
    - san’te’boe’tik : bezit haa vlauch mey hie’el zaa’ne san’te’boe’tik oept stroat
    - sap’pe : beitsen, hout een kleur geven kmoet de dey’re noch sap’pe én ver’nis’se
    - sau’te : soorten vier sau’te a’pe’le hém’mek stoan
    - saut : van te mijden mensen das ie’e’ne van æch’te saut
    - scha’chel : kramslijster ge hét scha’chels, klamp’læs’ters en tit’sers
    - scha’pey’re : ontsnappen mey die lés’te hoa’gel’baas zæm’me oan iet ge’scha’peyrt
    - scha’vak : groot deel van beschadigde huid oep aa knie’je was er en ser’jey’ze scha’vak af
    - schaa : 1) schouw tpor’trét stoa oep de schaa 2) schuw die kat és æcht noch schaa
    - schaa’ver : schouder gaa hét brie’e schaa’vers
    - schaaf : schijf ver’gét aa par’keyr’schaaf ni
    - schaan : schijn da doet hem vey de schoe’e’ne schaan
    - schaat’kleyr : oker daa kérk was vrie’ger van on’der ge’værft in en schaat’kleyr
    - schacht : rekruut, nieuweling (studentenclub of leger) den doe’ep van de schach’te
    - schæt’kut : extreem hoovaardige vrouw
    - schaf’fe’le : moeilijk gaan met kleine stapjes zoals zeer oude mensen woa schaf’felt em naa wey hén’ne
    - scham : gedeelte in een veld waar de planten duidelijk minder opbrengst gaan geven mey die baas léé’ter een groe’e’te scham oem’vaar in de ma’ies
    - schamp’pa’vie : er van door ha és schamp’pa’vie
    - schap : 1) schap zét die te’loe’er moa oept schap 2) boezem das ie’en mey e groe’et schap
    - schau’tel’vod : schoteldoek zie moa da ge de schau’tel’vod ni in aa’ve næk kræcht
    - schau’ve : eten tés taat vey te schau’ve
    - schauf’zak : werkzak met het eten erin ver’gét aa’ve schauf’zak ni
    - schaul’mes’tæs : schooljuffrouw ons Rie lie’ert vey schaul’mes’tæs
    - schaur : schoorbalk, stut ge goa mey ie’en schaur ni toe’kau’me
    - schéé’re’sliep : rondtrekkende messenslijper de schéé’re’sliep rey mey en stoe’et’kaar
    - schéél : 1) scheel 2) deksel lécht da schéél moa oep die’e kas’se’rol
    - schéér : 1) schaar die schéér és zoe’e bot as en krap 2) dakbalk den oe’el zat oep de bau’ves’te schéér
    - schél : 1) schil de schél van nen ap’pel 2) plak, sneetje gém’maa es en schél hésp 3) Schelde de Flan’dri’a boe’e’te lig’ge oept schél
    - schél’les : schaliën ga hét oe’ek schél’les zey’ker, én mey schél’le’bæt?
    - schél’tje : kroonkurk ik kén en ka’fey mey die’zen’de schél’tjes tey’ge de mier
    - schélft : hooizolder boven stal of schuur oep ne schélft és er van ze léé’ve veyl ge’beyrt
    - schéns : schuin die toa’fel stoa schéns
    - schés : schors doe die schés moa van die’en dey’ne’boe’em
    - schés’se : schorsen ze gén ten vier wéé’ke schés’se gezegde en vraa die ge’schést és kræcht der rey’gels ne mie’e = een vrouw in de menopauze
    - schey’ne : scheen, schenen haa kreych doa ne stamp tey’ge zen schey’ne
    - schey’pe’ne : schepen, wethouder haa és schey’pe’ne van on’der’waas
    - schey’re : scheuren lét ze da moa ka’pot schey’re
    - scheyt : scheut gezegde : das moa ne scheyt in en flæs = dat is de moeite niet
    - schich’teg : schuchter oo das e schich’teg væng’ke
    - schie : schuur gezegde : en aa schie brant noch hæt = wordt gezegd van een oude vrouw die nog een man in huis haalt aa schie’paut stoat au’pe = uw broek staat open
    - schie’e : 1) grens, scheiding die’e poal stoat oept schie’e 2) scheiden die twie’e gén schie’e
    - schie’ef : scheef den tau’re van Pie’za stoa schie’ef
    - schie’loe’es : schuchter das e schie’loe’es man’ne’ke
    - schie’re : 1) schuren ge moet de gank noch schie’re 2) verslaan, kloppen lét aa ni schie’re hé
    - schilt : schuld tés zen aai’ge schilt
    - schip : 1) schip 2) spade die’e doe zaa’nen hof noch oem mey de schip
    - schip’pe’ne : schoppen in het kaartspel schip’pe’zot
    - schip’pes : kzæn schip’pes = ik ben er mee weg
    - schit’sel : schut, verplaatsbare wand we zét’te doa e schit’sel tis’se
    - schoa’e : schade mey die lés’te wint’haus was er veyl schoa’e
    - schoa’e’le : schuilen zés moe’te goan schoa’e’le vey de réé’gen
    - schoa’ef : 1) lade tléé in de schoa’ef 2) schuif das en schoa’ef’dey
    - schoa’pe’péls : schapevacht klaan kin’ne’kes wir’re ge’trok’ke oep ne schoa’pe’péls
    - schoa'em : schuim doa stoa ni veyl schoam oep maan pint
    - schoe’en : schoon gét schoe’en’aa’vers én en schoe’e’moe’der
    - schoe’et : schoot ze droa’e’de heyr in maa’ne schoe’et
    - schoe’fel : op de kap van een ander haa héé den hie’e’len oa’vent oep de schoe’fel ge’droeng’ke
    - schoeft : schouders bij koeien en paarden, ook bij mensen ze zit’ten oep maa’ne schoeft = ik heb pijn in de bovenrug, schouders
    - schoen’blink : schoensmeer mey de doe’es van de schoen’blink kon’ne de mæs’kes hing’ke’le
    - schof : 1) sluitstuk van een kar ghét e schof van vey en ie’en van ach’ter 2) tijd om te eten tussen het werk man’ne tés schof, taat vey de schauf’zak
    - schof’fer’daa’ne : ijsschaatsen wæl’le gin’ge schof’fer’daa’ne rein oep de bém’me’kes
    - schok : gezegde : oep schok goan = uitgaan, op reis gaan
    - schom’te : schaamte haa krépt van schom’te in de gront
    - schot : 1) schot 2) vaars die slechts éénmaal heeft gekalfd het bés’te vlie’es és van e schot
    - schraa’ve : schrijven ik schraaf gaa schræft haa héé ge’schrey’ve
    - schraan’wær’ker : schrijnwerker de schraan’wær’ker és de roa’me ont zét’te
    - schrab’be : doorstrepen, anuleren schrabt da vey maa moa
    - schrank : hooi op een rij samen rijven voor het pakken het hoe’e léé al oep schrank’ke
    - schrap : tijdelijk onvoldoende geld ik zit er vey de mo’ment moa schrap vey
    - schrey : schrede die’e fa’zant zat oep draa schrey’e van maa
    - schrie’e’ve : schreien schrie’e’ve dat die dey oept kerk’hof
    - schrik’ken’tist = schrik’schaa’ter: bangerik dérf’de gaa da ni, gaa se schrik’schaa’ter
    - schroaf : schraag we hém’me vrie’ger noch’al mey schroa’ve ge’sleyrt
    - se’biet : dadelijk se’biet goa’get réé’ge’ne
    - se’sis : soort worst Ar’deyn’se se’sis das goe jong
    - se’taan : satijn se’taa’ne loa’kes das kaat zél’le
    - se’ti’ei : bustehouder de se’ti’ei van ons moe’moe da was ne groe’e’te
    - se’voe’e : savooikool gezegde : die’e ze waaf das en loei se’voe’e = hij heeft een luie vrouw
    - se’waa’le : soms se’waa’le zaak paa’ze da zaa ni wilt
    - sèèr : serre da zæn sèèr te’mat’te
    - sér’re’wau’rech : tegenwoordig sér’re’wau’rech ést ge’voar’lek oept stroat
    - sér’zjant : 1) sergeant (leger) 2) spanvijzel zét doa moe ne sér’zjant of draa oep
    - sés’ze : deken oep maa bét lig’ge wél draa sés’zes
    - siet’kaar : zijspan nen toef’fer mey en siet’kaar
    - sik : 1) een prop pruimtabak haa stak zen sik al’taa on’der zen klak 2) karamel mey de stoet goei’e ze noch’al wa sik’ken oa’et
    - sin’te’me’dink : ingebeelde ziekte ik paas dat on’ze klaa’ne het sin’te’me’dink hey oem ni noat schaul te moe’te
    - sja’kos : handtas die van ons héé heyr sja’kos al’taa baa
    - sjaa’fe’le : kletsen, praten die waa’ve kon’ne sjaa’fe’le
    - sjaa’te’kaa : hernia van een lendewervel haa zit thoa’es meyt sjaa’te’kaa
    - sjam’pét’ter : veldwachter
    - sjans’saar : gelukzak vey de lot’tau te win’ne moe’te ne sjans’saar zaan
    - sjap’pe’mænt : uitlaat ze sjap’pe’mænt hangt los
    - sjar’lot : sjalot boe’e’ne mey sjar’lot’te’saas
    - sjau’se’taat : fanfare de sjau’se’taat van hoen’ger én dést
    - sje’loes : jaloers doa moe’te nie sje’loes vey zaan
    - sje’pap : ventiel haa ést top’pe’ke van zaan sje’pap kwaat
    - sjip’pe’ke : kuikentje en kloek mey sjip’pe’kes
    - sjoe’ke : soes, gebak draa sjoe’kes én ne kaf’fe’koek
    - sjon’der : schoner die van Bris’sel és sjon’der lak gaa
    - sjot’ter’kes : tafelvoetbalspel khém veyl oep de sjot’ter’kes ge’spélt
    - slaa’pe’raa : slijperij vrie’ger woa’re der hie noch ver’schaa di’a’mant’slaa’pe’raas
    - slaa’te : door de tijd gaan berusten da goa wél slaa’te mey de joa’re
    - slaaik : slijk ze hém’me die’e doa deyt slaaik ge’sleyrt
    - slaaik’lap : spatbord de slaaik’lap van maa vér’res’te wiel és schie’ef
    - slaaik’mos’sel : zoetwatermossel
    - slæf’fers : muiltjes haa kwam doa oep zen slæf’fers oan
    - slæk : slak de slæk’ke ey’te maa’ne se’loat af
    - slæp’stie’en : slijpsteen das ne slæp’stie’en mey woa’ter
    - slæt’se : muiltjes das tzélf’ste lak slæf’fers
    - slats : dweil ge moet die slats jost oa’et’vring’e
    - slém’me’kes : sluimerwten, peulerwten on’ze voa rey mey slém’me’kes noa de mæt
    - slér’re’pe : slurpen ge meygt zoe’e ni slér’re’pe oan toa’fel
    - slét : sleede mey de slét noa de plæ
    - slét’jes’dag :
    - sley : grote luxe wagen die’e rey mey en færm sley
    - sley’ter : sleutel haa és zen’ne sley’ter kwaat
    - sleyr : voorschoot gemaakt van een jute zak Læd’de’res Ca’tau haa hey’re sleyr al’taa oan
    - slik’ker : adamsappel zie zen’ne slik’ker es goan
    - slin’ger : katapult khém mey maa’ne slin’ger oe’et en mis ge’schau’te
    - slis’pa’pier : fijn schuurpapier
    - slis’se : fijn schuren kmoet die kas noch slis’se vey dak ze kan ver’nis’se
    - sloa’e’pe : sluipen zie die kat doa sloa’e’pe
    - sloa’e’te : sluiten de stam’me’ney hém’me ze moe’te sloa’e’te
    - sloa’em : peul de sloa’eme van de aa’te zæn vey de koei
    - sloa’es : sluis de sloa’es és toe
    - sloa’per : 1) slaper 2) rattenval waarin deze dieren zich konden schuil houden tot men de ingang dicht draaide
    - sloap’læf’ke : nachthemd in de winter doe’nek e sloap’læf’ke oan
    - slod’de’re : regelmatig iets laten vallen hey, ge zaat aa boe’e’ne ont slod’de’re
    - sloe’er : onverzorgde vrouw die aa sloe’er wént doa noch
    - sloef : pantoffel hoe’er’dhem oep zen sloef’fe af’kau’me
    - sloei’er : sluier doa es ne sloei’er ront de moan
    - sloek : slok pakt doa es ne sloek van
    - slop : gezegde : int slop zit’te = er zit geen vooruitgang meer in
    - smaa’te : gooien ze kin’nen aa oe’ek boa’e’te smaa’te
    - smaat : smout mey de kér’re’mes ey’te we smaat bol’le
    - smær’re’ges : ’s morgends smær’re’ges és hem noe’et ni oat’ge’sloa’pe
    - smau’re : roken vrie’ger ging’e ze in de ge’bie’re es smau’re (twas aai’ge’lek vey de mæs’kes da ze kwoa’me)
    - smén’doas : ’s maandags smén’doas ést mæt in Hæst
    - smey’e : smeden ne smét moet het aa’zer smey’e ast hie’et és
    - smeyt : gezegde : khém gie’e’ne smeyt hoeng’er = ik heb totaal geen honger
    - smie’re : witte sierduif oe’et e kop’pel smie’re ge’hat
    - smos’se : morsen nie te veyl mey die værf smos’se
    - snein : snijden ik snei gaa snæt haa héé ge sney’e
    - snér’re’ke : snurken man’ne die ge’droeng’ke hém’me kin’ne hæt snér’re’ke
    - sney’ke’le = snol’le : snuffelen, doorzoeken in aa pa’pie’re zit’te sney’ke’le
    - snie’e : sneeuw de joeng spey’le géé’re in de snie’e
    - snip’snie’e : motsneeuw, fijne sneeuw
    - snit’te : de neus snuiten snit’te doe de ni in de slip van aa hém
    - snoa’e’ve : snuiven snoa’eft naa moa se = het onder zijn neus wrijven
    - snot : 1) neusslijm 2) kippenziekte 3) hars oan die’en deyn hangt veyl snot
    - soa’e : breiwol ghét sér’re’wau’rech veyl sau’te soa’e
    - soa’e’ker : suiker haa lééft naa oep soa’e’ker woa’ter
    - soa’e’ze : suizen maan oe’e’re soa’e’ze
    - sol : loden werpschijf bij het teppeschieten ik giet maa’ne sol in ne pol’léé’per
    - sol’le’ke : oud muntstuk van 5 centiemen na ge’broa’e’ke ze die sol’le’kes vey ron’dæl
    - sop : 1) zeepwater 2) top die æk’ser hot int sop van den boe’em
    - spaa’ve : overgeven moe’te gaa naa wey spaa’ve
    - spaas : confituur vey aa oe’ek proa’e’me’spaas gezegde : zoe’e rot as spaas = volledig verrot
    - spaat : spijt doa moe’te gie’e spaat van hém’me
    - spæl : speld das en spæl mey e plas’ti’ke kop’pe’ke
    - spæt’te’le : spartelen die’e klaa’ne léét doa in zen wieg te spæt’te’le
    - spau’se : portie vey maa e spau’se frit
    - spéén : aambeien haa héé veyl last vant spéén
    - spérk : sporkehout, hout van de vuilboom
    - spét : sport van een ladder pas oep hé want de dæd’de spét és ge’krokt
    - spey’te : met spelden hechten of markeren die van ons moest hél’le moe der’re rok af’spey’te
    - speyl’kaar : kleine kar waarmee men ’s zondags uitreed
    - speyl’vau’gel : speels kind ik was vrie’ger nen æch’te speyl’vau’gel
    - speyt’spæl : wasspeld vrie’ger woa’ret speyt’spæl’le, naa zænt naa’pers
    - spie : deel van een gesneden taart vey maa en spie van die proa’e’me’vloa’e
    - spie’e’ke : spuwen ik spie’ek gaa spjékt haa héé ge’spjokt
    - spie’le : spoelen ge moet de mél’lek’bis noch oa’et’spie’le
    - spik’ke’loas : speculaas dau man’ne sop’pen hél’le spik’ke’loas in de kaf’fe
    - spin’hoer : spin veyl mæn’se hém’me schrik van en spin’hoer
    - spin’ne’kop : spinneweb oep de zol’der hang’et vol spin’ne’kop’pe
    - spin’se’tærf : mais kgeyf naa ge’kap’te spin’se’tærf oan de kie’kes
    - spjok’sel : speeksel het spjok’sel lépt oa’et ze bak’kes
    - splin’ster : splinter doa zit ne splin’ster in maa’nen doa’em
    - spoa’e : spitten die’e kan zaa’nen hof noch al’lie’en oem spoa’e
    - spoa’et : spuit hér’re gaa schrik van en spoa’et
    - spoei’e : spoeden, haasten kgén me moe’te spoei’e
    - spon : sponde van het bed haa zat oept bet’spon
    - sport’kaar : sportauto die’e ræt mey en vrie’e sport’kaar
    - spraa : sprei das en schoe’en bét’spraa
    - sprein : uitspreiden vrie’ger dik’kes moe’te mést sprein
    - sprey’ke : spreken ik spreyk gaa sprékt haa héé ge’sprau’ke
    - sproa’e’te : spruitjes meych’de gaa gie’en sproa’e’te
    - stæk : reep vey maa ne stæk sjo’ko’lat
    - stæks’kes : lucifers zie da die klaan joeng nie oan de stæks’kes kin’ne
    - stæs’sel : stijfsel doe wa stæs’sel oan de man’sjét’te en de kol
    - stam’me’ney : herberg oep stam’me’ney goan
    - stamp : stamp gezegde : haa és gie’e’ne stamp on’der ze gat weit = met hem is niets aan te vangen
    - stauf’vlie’es : karbonade ne frit mey stauf’vlie’es
    - stéks : steil das ne sték’sen trap
    - stét : stort tstinkt oept stét
    - stey’ker : roofvogel volgens vogelvangers
    - steyk : 1) steek baat brein meych’de gie’e’ne steyk loa’te val’le 2) plaats waar de vogelvanger zijn netten heeft opgeslagen
    - stéz’ze : plaats, verdiep ik gén en stéz’ze véts en ga goa en stéz’ze oem’hoe’ech
    - stie’en : steen haa kloacht stie’en en bie’en = hij is erg te beklagen
    - stie’pel’zat : stomdronken de Waa’re was stie’pel’zat
    - stie’re : sturen gén ze da naa oep stie’re of ni
    - stie’ve : stuiven da zand stieft
    - stil’le’kes’oan : stilaan twét stil’le’kes’oan win’ter
    - stjæts’bie’en : staartbeen haa és oep ze stjæts’bie’en ge’val’le
    - stjeit : staart haa és oep zen’ne stjeit ge’trapt = hij voelt zich geraakt
    - stoa’e’ve : stuiven het goat er stoa’e’ve
    - stoa’se : 1) statie en stoa’se van de kroa’es’wæch 2) station den traan stopt in de stoa’se van Lier
    - stoan : staan ik stén gaa stoa stor’re gaa haa héé ge’stoan
    - stoe’e’re : storen ik stoe’er toch nie
    - stoe’e’te : 1) duwen we stoe’e’te die’e mier oem’vaar 2) ’t zijn toeren da zæn stoe’e’te hé, noch zoe’e joenk én al moe’te goan
    - stoe’ep : stoop, kruik ne mél’lek’stoe’ep
    - stoe’et’kaar : handkar en stoe’et’kaar of en mæt’kaar mey twie’e wie’le
    - stoef’fer : 1) opschepper 2) wit doekje in de bovenzak van een vest
    - stoem : dom das stoem van maa, khaa’get moe’te wey’te
    - stoem’pe : duwen pro’beyrt maa’nen ot’tau es in gank te stoem’pe
    - stoemp : aardappelpuree met een groente als wortelen, spinazie, boerekool, …
    - stoemp’ke : sigarettepeuk de stoemp’kes in de voa’el’bak
    - straai’ke : strijken doa stoa noch ne groe’e’te straaik
    - strein : diskusiëren die twie’e woa’re doa tey’gen’ie’en ont strein
    - strép’per : 1) stroper 2) magere vaars die weinig melk geeft
    - strés’sel : hooi van slechte kwaliteit, nog goed om mee te strooien
    - strie’e : strooien, stro spreiden onder de dieren ge moet het pjeit noch strie’e
    - strie’e’ke’le : strelen die kat zor’re al’taa moa moe’te strie’e’ke’le
    - strie’e’pe : stropen strie’e’pe in de bos’se van de groaf
    - stringk : tronk die’en oe’el heyf in die’en aai’ke’stringk
    - stroa’e’ze : stoere kerel hey stroa’e’ze, kom es hél’le’pe
    - stroa’ek : struik haa zit doa in de stroa’e’ke
    - stroe’e : stro khém noch oep ne stroe’e’zak ge’sloa’pe
    - swænst : sedert swænst dat haa mey ne nie’ven o’tau ræd ként hem nie’mant ne’mie’e
    - sik’ke : 1) pruimtabak kauwen 2) roepnaam voor Franciscus sik’ke, kom es hie
    - sin’tan’ne’kat : een kat met drie kleuren
    - sus : 1) roepnaam voor Franciscus 2 ) gezegde : van aa’ve sus val’le : flauwvallen

    -T-

    - ta’paat : tapijt haa héé oept ta’paat ge’smost
    - taa’ning : bericht hér’re gaa oe’ek taa’ning ge’hat van de ge’mæn’te
    - taai’ger : tijger en ge’rangk’te kat és oe’ek nen taai’ger
    - taam : tijm in de mos’se’le moet oe’ek en tæk’ske taam
    - taat : tijd khém taat zat = ik heb tijd te over
    - tæk’ke : 1) takken doa moe’te en poar tæk’ke af’ge’zoagt wér’re 2) aantikken in het spel haa kon maa ni tæk’ke
    - tæl’tje : teiltje, aarden kom gezegde: die’en héé pre’sies en tæl’tje ge’brau’ke = er bedeesd bijzitten
    - tæm’per : postzegel goa es tæm’pers hoa’le noa de post
    - tæn’ter’jot : jodiumtinctuur om wonden te verzorgen tæn’ter’jot da pikt joa
    - tæp’pe : houten paaltje bij het teppeschieten (volkssport)
    - tærf : tarwe ik eyt veyl vol tær’ve broe’et
    - tæs : zak van een vest hot aa tæs’se toe want ze hém’me aa baa aa kloe’e’te
    - tæs’sen’doek : zakdoek hér’re ne prau’pe’ren tæs’sen’doek baa
    - tæs’toas : dinsdags tæs’toas gém’me win’ke’le
    - tæt’te’re : tateren khém ge’noech van aa ge’tæt’ter
    - tæt’ter : mond hot aa’ven tæt’ter moa toe
    - taf’fe’le : knoeien ie’e’ne die’e taf’felt és nen taf’fe’léér
    - tan’tist : tandarts baa nen tan’tist moe’te aa tan’ne loa’te noa’zien
    - tang : 1) tang (werktuig, venijnige vrouw) 2) tank k’hém men tang vol gedoan
    - tang’tey’re : plagen we gén ten e bék’ke tang’tey’re
    - tas : deel van de schuur waar de graanschoven werden getast of gestapeld
    - tau’re : toren ge moet ni te hoe’ech van den tau’re bloa’ze
    - taut : 1) tuit haa drinkt oan den taut van de flæs 2) smoel ge moet zoe’e’nen taut ni trék’ke
    - te’fræn’te : verschillende haa héé veyl te’fræn’te bey’le’kes
    - te’két : tekort haa héé vaaf eu’roo te’két
    - te’lau’re’goan : teloorgaan ze hém’me da loa’te te’lau’re goan
    - te’loe’er : bord vey maa noch en te’loe’er soep
    - te’mat : tomaat te’mat’te soep mey bal’le’kes
    - te’rau : bloemenaarde vey schoe’en bloe’me moe’te væs’sen te’rau pak’ke
    - te’raut : achtereenvolgens zés doa’ge te’raut héé die’e hie ge’weyst
    - tél’le’fon : telefoon hér’re aa’ven nie’ven tél’le’fon al
    - tél’le’vies : televisie ze spey’le ni veyl ne mie’e oep den tél’le’vies
    - témst : zeef git die aa’te moa dey den témst
    - ten’nés’te : volgende ten’nés’te mént gén’nek oep pén’sjoen
    - ter’maan : termijn den ter’maan és dey
    - tér’re’le’vis : schroevendraaier ne plat’te of ne kroa’es tér’re’le’vis
    - tér’ref : turf vrie’ger wén’de hie tér’ref stey’kers
    - tét’te : 1) kleine borsten ons Lis’ke be’gint al tét’te’kes te kraai’ge 2) onnozelaar doa és die’en tét’te wey se
    - tét’ter : zuigspeen die’e klaa’ne wilt noch al’taa en tét’ter’flæs
    - tey’ge : tegen zaa zaa tey’ge maa
    - tey’ge’snæ’be’re : reclameren ge moet ni tey’ge’snæ’be’re hé
    - tey’ge’stroem : tegendraads ge moet zoe’e tey’ge’stroem ni zaan, gaa zen dwæ’se
    - tey’gen’haa’ve : verhinderen ze gén me moe’te tey’gen’haa’ve
    - tey’gen’ie’en : tegen elkaar ze moe’te noch tey’gen’ie’en spey’le
    - tie’e’ke’ne : tekenen, handtekenen ge moet die’e sjék noch tie’e’ke’ne
    - tie’en : teen die’en és rap oep zen tie’e’ne ge’trapt
    - tiep : 1) tube pla’koat’værf in tiep’pe’kes 2) fietsband haa haa ne pla’ten tiep
    - tier : schietstand baa den troep moes’te we rey’gel’moa’teg noa den tier
    - tik’ken’aai’ke : ei in kindertaal
    - tip’zak : puntzak frit in nen tip’zak
    - tis’se : tussen doa kin’de ni tis’se kau’me
    - tit’se : speciale manier van knikkeren ge kint tit’se of foem’pe
    - tit’ser : soort lijster nen tit’ser kan hie’el schoe’en floa’e’te
    - tit’tel’doa’ef : tortelduif de tit’tel’doa’e’ve ey’te mey int kie’ke’kot
    - tit’ten’tol’le’ke : klein blauw mutsje haa haa al’taa zen tit’ten’tol’le’ke oep
    - tits’ke : heel weinig ge meycht doa moa en tits’ke van oep doen
    - toa’e : taaie, harde das nen toa’e kéé’rel
    - toa’e’me’le : tuimelen da pjeit be’gint al’taa de’rækt te toa’e’me’le
    - toa’en : tuin haa goa noa de toa’en’baa’schaul
    - toa’fel : tafel kén’de gaa aa toa’fels noch
    - toal : taal gezegde : doa komt gie’en toal oa’et = dat is een hele stille
    - toe’bak : tabak toe’bak vey te sik’ke és an’de’re lak vey te rol’le
    - toe’e’ve’re : toveren paast ni da kik kan toe’e’ve’re
    - toe’re : tzæn toe’re zaa de Floe’re én haa trok ze waaf deyt sley’ter’gat
    - toe’spæl : veiligheidsspeld vrieger wir de pis’vot vast’ge’mokt mey en toe’spæl
    - toef’fer : moto haa rey mey zaa’nen toef’fer noa ze wærk
    - toek : gezegde : gaa se val’se toek = gij valse vrouw
    - toem’moat : gras dat in het najaar geoogst wordt kgén noch wa toem’moat moa’e
    - toer’ney : trakteren voor de andere aanwezigen de bér’ger gaf nen toer’ney baa Polle Pæs
    - toet : taart en toet of en vloa’e
    - top’æn : einde van een teelbed (= ge’wænt)
    - tots : dennenappel dey’ne tot’se vey de stauf in brant te doen
    - traa’ve : trouwen woa’roem zor’re noch traa’ve
    - traan : trein mey den traan noat Schél
    - trak’teyr : traktor de boe’re doen hél’le wærk naa mey nen trak’teyr
    - tram’roet : tramlijn, tramweg van Schriek noa Groe’te’loe’e last de tram’roet
    - tre’wie’el ; truweel aa tre’wie’el goe af’was’se
    - trééch : traag hoe trééch rein die naa séch
    - tréék : 1) inkomen zaa die’e noch nen an’de’ren tréék hém’me 2) lang teeltbed oep de hoe’ege plæk wast lan’gen tréék
    - tréf’ter : trechter pakt den tréf’ter vey dat in de flæs te gie’te
    - trék : tocht hie zit’te in den trék
    - trék’stoal : magneet in nen di’ne’mau zit trék’stoal
    - trék’zak : accordeon haa spélt noch al’taa oep ze’nen trék’zak
    - trél’le : tralie vrieger ston’ne der trél’les vey de væn’sters
    - trés’te : troosten ge kint die doa nie mey trés’te
    - trey’zel : zeef die het kaf van het koren scheidt
    - tri’nét : trien, meid tés en mol’le’ge tri’nét
    - trich : terug haa és trich
    - troe’fel : schop mey en troe’fel én en schip den hof oem’doen
    - troem’pey’re : vergissen troem’peyrt er aa ni oan hé
    - tros’sel : tros vey maa nen tros’sel ba’naa’ne
    - trot : haa és veyl oep trot = haa és veyl oep gank = iemand die veel uithuizig is
    - trot’te’nét : autoped joeng rein mey en trot’te’nét
    - trut’te’bæl : een dom blondje das en æch’te trut’te’bæl
    - truut : onwaarheden das dik’ken truut
    - tsaa’te’kaa : spit, rugpijn haa zit meyt tsaa’te’kaa
    - tsoe’pe’ke : topje doa stoa doa en tsoe’pe’ke oep
    - tut’te’frut : kauwgom en sik of nen tut’te’frut
    - twaa’fe’léér : 1) hij die twijfelt 2) een bed tussen een één- en een tweepersoonsbed ik sliep in den twaa’fe’léér oep de kél’le’koa’mer
    - twé’de : tweede haa és moa den twé’de
    - twélf : twaalf twélf kie’e’re twélf és e gros
    - twie’e : twee twie’e das e kop’pel

    wordt vervolgd



    21-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    20-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-V

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

     - V -

    - va’peu’re’kes : opvliegers hér’re gaa oe’ek zoe’veyl last van die va’peu’re’kes
    - vaa : vouw, plooi doe was en vaa in aa blat
    - vaa’leg : veilig woa zær’re naa noch vaa’leg
    - vaa’lingk : veiling haa doe zen koer’zjét’te noa de vaa’lingk
    - vaa’ver : vijver die’en héé færm koeis oep zaa’ne vaa’ver zit’te
    - vaaf : vijf haa héé ze al’le vaaf ne’mie’e
    - vaaich : vijg da zén vaaich’ge noa Poa’se
    - vaal : vijl da moe’te mey en aa’zer’vaal doen
    - vaar : stier de vaar oa’et loa’ten
    - vaas : vijs baa die’e stén der mie’er as ie’en vaas los
    - væf’de : vijfde gaa zaat al de væf’de van’doach
    - væng’ke : ventje væng’ke, væng’ke toch, wat hér’re naa wey vey
    - vær’re’ke : varken vrie’ger hey’ve ze e vær’re’ke vey den af’val, naa haa’ve ze kie’kes
    - væs : 1) vers zæn de aa’re væs 2) pas ze héé væs ne klaa’ne 3) nieuw haa héé e væs lief
    - væs’sem : hiel khém en blaan oep maa’ne væs’sem
    - val : valdeur, valluik és de val van de zol’der toe
    - val’laa : vallei haa wén’de in de val’laa van de Daal
    - val’le : vallen gezegde : 1) van aa zél’le’ve val’le = flauwvallen 2) haa és mey ze gat in de bau’ter ge’val’le = hij heeft het getroffen
    - val’ling : verkoudheid ik loe’ep al draa wéé’ke mey en val’ling ront
    - van’aai’ges : vanzelfsprekend van’aai’ges dat haa da doe
    - van’den’oa’vent : vanavond van’den’oa’vent ést téé’re van de boe’re
    - van’on’der’moa’e’ze : stilletjes verdwijnen haa és er wey van’on’der’ge’moa’est
    - van’taat : soms ge zot’hem van’taat en sméér gey’ve
    - van’ten’heir : opnieuw naa és maa’nen tiep van’ten’heir ka’pot
    - van’ze’léé’ve : eens, ooit van’ze’léé’ve wil’lek doa noch es kau’me
    - vang’e : niet goed wijs zijn gaa vangt zey’ker !
    - vast’pak’ke : knuffelen ge moet ze moa es goe vast’pak’ke
    - vau’gel : vogel béé’ter ie’e’ne vau’gel in dhant dan tien in de loecht
    - vau’gel’jeir : volière haa héé pe’ris’se in zaa’ne vau’gel’jeir zit’te
    - vé’die’el : voordeel doa kin’de vé’die’el oat hoa’le
    - véé’le : vale kleur men’ne véé’le én men wit’pæn woa’re te loat
    - véé’re : varen hoe langk hér’re moe’te véé’re?
    - véng’kes : gezegde : noa de véng’kes zaan = naar de vaantjes zijn, stuk zijn
    - ver’aa’ve’re : verouderen gaa zaa noch al’taa ni ver’aa’vert
    - ver’au’ver : voorover haa és doa ver’au’ver af’ge’val’le
    - ver’baa : voorbij haa rey hie ver’baa mey zen tri’nét
    - ver’bab’be’reyrt : verbouwereerd haa kwam ver’bab’be’reyrt noat bort
    - ver’bas’ter’deyrt : niet van zuiver ras ge zie da, die hon’ne zæn ver’bas’ter’deyrt
    - ver’bie’e : verbieden ik ver’bie’e, gaa ver’bit, haa és ver’bau’we
    - ver’blaaf : verblijf haa héé e boa’e’te’ver’blaaf oan de zie’e
    - ver’boeft : te veel van eten ik kan maa doa ver’boeft in ey’te
    - ver’bræ’ze’le : verbrijzelen die vey’roat és hie’le’moal ver’bræ’zelt
    - ver’broa’ek : verbruik die’en o’tau ze ver’broa’ek ley lie’ech
    - ver’dés’te’re : verduisteren vey licht’bél’de te be’kaai’ke moe’te de klas ver’dés’te’re
    - ver’die’e’le : verdelen ik ver’die’el, gaa ver’dælt, wæl’le ver’die’e’le
    - ver’dis’tre’wey’re : verwoesten, vernielen die’e zaan gas’te kin’nen iet ver’dis’tre’wey’re hé
    - ver’doem’me : korte vloek ver’doem’me, ver’doem’me toch
    - ver’dwaa’ne : verdwijnen ik ver’dwaan, gaa ver’dwænt, haa és ver’dwey’ne
    - ver’froe’melt : verfrommeld goeit da ver’froe’melt pa’pier moa in de voa’el’bak
    - ver’gæ’ze’le :
    - ver’goei’e : vergoeden die’e gén ze doa moe’te vey ver’goei’e
    - ver’hans’vol’le : verhandelen
    - ver’hoart : geschaafde huid tés nie æ’rech, tés moa en bék’ke ver’hoart
    - vér’hoe’eft : voorhooft en as’krés’ke oep aa vér’hoe’eft
    - ver’in’ne’wey’re : geruïneerd dey die’en brant és haa hie’le’moal ver’in’ne’weyrt
    - ver’jos’te’re : verroesten lét die aa’ze’re poat ni ver’jos’te’re
    - ver’klie’e : omkleden in gén me noch rap ver’klie’e
    - ver’krok’kelt : verkreukt mey te goem’me was men tie’e’ken’blat ver’krok’kelt
    - ver’læb’bert : niet fris, niet vers die’e sa’loat zie’ter moa ver’læb’bert oa’et
    - ver’lap’pe : verkopen om er vanaf te zijn ik pro’beyr die aa vlaus noch te ver’lap’pe
    - ver’ley’e : verleden ver’ley’e wéék wast kaat zen’ne
    - ver’loe’e’pech : voorlopig doa goa ver’loe’e’pech niks ver’an’de’re
    - ver’mau’re : verkwisten tés nie oem’da ger veyl hét da ge ze moa moet ver’mau’re
    - ver’ney’pelt : verrimpeld die’e ze ge’zicht és hæt ver’ney’pelt
    - ver’nie’ve : vernieuwen ze gén de key’ke ver’nie’ve
    - ver’niet : gratis ik mag ver’niet mey de bis rein
    - ver’oa’et : vooruit ge moet al’taa ver’oa’et paa’ze
    - ver’oep : voorop haa rey doa al’lank ver’oep
    - vér’re’me : vormen wan’nie’er zær’re gaa ge’vér’remt
    - vér’re’noen : voormiddag haa és gis’te’re vér’re’noen ge’weyst
    - vér’res’te : voorste zaa zit ni géé’re oep de vér’res’te raa
    - ver’sæm’melt : niet vers, verrimpeld die a’pe’le zæn al ver’sæm’melt
    - ver’sas’se : verkopen, verpatsen ik hém die kas noch rap kin’ne ver’sas’se
    - ver’sjok’ke : niet correct volgen bij het kaartspel
    - ver’stékt : verstuikt khém maa’ne pols ver’stékt
    - ver’tén’ne : vertinnen, van een laagje tin voorzien pot’ten én pan’ne ver’tén’ne
    - ver’véé : angstig ooh die kat és ver’véé zég
    - ver’vie’re : vervoeren hoe gor’re die kas ver’vie’re
    - ver’waa’te : verwijten haa kreyg doa ver’waa’te noa zen’ne kop
    - ver’waaft : man met vrouwelijke trekken, homo haa zie’ter zoe’e’wa ver’waaft oa’et
    - ver’zoch’te : verzachten doa moet noch ver’zoch’ter baa de was
    - vés : kikker de hie’e’re ey’te vés’se’bil’le’kes
    - vés’schoe’et : voorschoot het maa’se van de pas’toe’er haa al’taa ne zwæt’te vés’schoe’et oan
    - vés’se’klib’ber : kikkerdril doa léé veyl vés’se’klib’ber oep de klaa’ne vaa’ver
    - vést : 1) gracht rond huis de vést és toe’ge’vrau’ze 2) nok van het dak zen doa’e’ve zit’te wey oep de vést 3) vorst de vést zit noch in de gront 4) vuist aa kaa’se moe’te mey’te ront aa vést
    - vét : 1) vet 2) voort lépt es e bék’ke vét
    - vét’te : vetmesten da zæn e kop’pel mét’te’kes vey te vét’te gezegde : das gie’e’ne vét’te = dat is niet veel soeps
    - véts : voorts ik moet naa goan véts doen
    - vey : voor naa hém’mek iet vey se
    - vey’le : veulen die mér’re héé e schoe’e vey’le
    - vey’pléts : voorste kamer, tevens de beste kamer, waar men ook belangrijke mensen in ontving als de pastoor, de dokter, de schoolmeester, enz…
    - vey’poa’e’te : 1) voorpoten 2) de eerste tekenen van iets de vey’poa’e’te van zaa’nen baa zén der al
    - vey’stey’ke : voorbijrijden kzal die bis es rap vey’stey’ke
    - veyl : veel kzén noch veyl wau’re ver’gey’te
    - vi’trin : uitstalraam van een winkel die bloes léé in de vi’trin
    - vich’te : vechten vrie’ger és er veyl ge’voech’te oept schaul
    - vie : vuur doet vie moa in brant
    - vie’e’mol : veenmol in die’e zant’gront hér’re noch’al es last van vie’e’mol’le
    - vie’ge : goed gedragen ge goat aa vie’ge baa den dok’taur hé
    - vie’klaa’ves : hals over kop haa liep vie’klaa’ves noar’hoa’es
    - vil’le : vullen ik moet maan vil’pæn noch vil’le
    - vin’ne : vinden haa goa da noe’et ni vin’ne
    - vis’woa’ter : plaatsnaam in Schriek achter het meisjesschool, vis betekent hier vies, vuil
    - vjeis : vaars en vjeis és en joen’ge koei, e vjæs’ke és noch ne mét’te
    - vjo’tien : veertien
    - vlag’ge : gezegde : haa héé’get vlag’ge = haa héé get zit’te = hij heeft prijs (negatief)
    - vlak’af : ronduit ik hém hem da vlak’af ge’zéé
    - vlam’me = vlas’se : hard op doel schieten haa vlam’de em der’in van két’baa
    - vlau : fiets ge kint gie’e’ne vlau mis’se
    - vlie’es : vlees e goe stik vlie’es kan ni slæcht zaan
    - vlie’goat : vlieger haa goa zen’ne vlie’goat oep’loa’te
    - vlim : scherp mes som’mes’te més’se’vich’ters haan a vlim baa
    - vloach : vlaag en vloach das en két’te baas
    - vloe’e : vlo gezegde : tzén zen aai’che vloe’e die baa’te = dat is zijn eigen schuld
    - vlok : te groot (kleding) vol’le’ges maa és die broek e bék’ke te vlok
    - Vloms : Vlaams in de Vlén’de’re sprey’ke ze Vloms
    - voa : va, vader on’ze voa én zaa voa’der woa’re briers
    - voa’e’loat : vuilaard da zir’re dat hie ne voa’e’loat wént
    - voa’el : 1) vuil gaa zaa voa’el ség 2) nageboorte tvoa’el és’ser gis’tre af’ge’kau’me
    - voa’el’kaar : vuilniswagen smén’doas komt de voa’el’kaar
    - voa’re : raar aankomen da ze wéch és, da goa voa’re se
    - voak : slaap krijgen van die’e zen’ne preyk zor’re voak kraai’ge
    - voas : vaas lét die voas ni val’le hé
    - voat : 1) vaart doa zit voat ach’ter 2) kanaal haa goa noa de voat vis’se
    - vod’de : 1) vodden, prullen tzæn vod’de 2) maandstonden ze zit mey de vod’de
    - vod’de’vænt : prulleman da was nen æch’te vod’de’vænt
    - voe’e : moer, vrouwtjes konijn haa haa draa voe’es én ne reir
    - voe’el : doorzichtige sluier vrie’ger haan veyl hoe’te e voe’el
    - voe’es : sponsachtig, uitgedroogde vrucht die ap’pe’le zén voe’es
    - voei’e’re : voederen ik gén de bjés’te noch voei’e’re
    - voei’e’ring : voering de voei’e’ring van aa’ve rok és los
    - voei’er : voer kmoet noch voei’er doen vey de bjés’te
    - voer’re’man : hij die met het paard rijdt tliecht oan de voer’re’man dat de vau’re ni ræcht zæn
    - vol : 1) vol 2) drachtig kpaas nie dat die koei vol és
    - vraa : 1) vrouw, echtgenote maan vraa was doa oe’ek baa 2) vrij zér’re gaa mér’re’ge noch vraa
    - vraa’lie : jonge vrouwen, meisjes woa zén ons joen’ge vraa’lie hén’ne
    - vraa’mes : vrouw (iets negatief) as ge mey da vraa’mes moet wær’re’ke, a’maai men oe’e’re
    - vraa’ven’bont : vrouwenbeweging als K.A.V. és die van æl’le oe’ek in de vraa’ven’bont
    - vrémt : vreemd gaa zaa hie vrémt zey’ker
    - vrie’e : 1) geweldige gaa hét ne vrie’e o’tau 2) wrede vrie’e joeng kraai’ge niks
    - vrie’mes : vroegmis de vrie’mes be’gost oem zey’ven ie’re
    - vriech : vroeg kzal wey vriech moe’ten oep’stoan
    - vroem : terug kom’de gaa noch vroem?
    - vroengk : vroeger was de breiwol verpakt per kluw vaaf vroeng’e soa’e
    - vwa’joe : schurk (heel negatief)
    - vwa’tuur : (kinder)wagen tés e schoe’en vwa’tuur vey hey’re klaa’ne

    -W-

    - wa = wat’te (als ge het woord alleen gebruikt) : 1) wat wa wét die’e doa van 2) een beetje ik zén wa te klaan
    - waa : 1) wij waa zæn noa Pit 2) weide de koei stén in de waa 3) willen haa waa da ni
    - waa’neg : weinig khém noch moa waa’neg ré’ak’ses ge’krey’ge
    - waa’ve’toeng’e : sanseveria (plant) ne pot waa’ve’toeng’e of vraa’ve’toeng’e
    - waa’woa’ter : wijwater in Schriek hém’me ze den tau’re ge’blist mey waa’woa’ter
    - waa’ze : wijzen ge meygt ni waa’ze, zaa ons moe al’taa
    - waaf : vrouw khém ni te kloa’ge au’ver me waaf
    - waai’goat : druiven vey aa oe’ek en tros’ke waai’goat
    - waaik : 1) wijk haa wént in de waaik 2) week (van weken) ik zét die pis’vod’de jost wa te waaik
    - waan : wijn gaa drinkt géé’re waan hé
    - waan’bey’ze : druiven hie zit’ter’oe’ek al mey waan’bey’ze in hél’len hof
    - waar : verward kzén hie’e’le’moal in de waar
    - waas : wijs, voor kinderen betekent dit braaf gaa zaa waas se
    - waat : ver és da waat van hie?
    - wæ’der : verder wént die’e noch wæ’der as gaa?
    - wæ’re’me’rék : vers gemaakte snoepstukjes op kermissen
    - wæ’rem : warm da bier és veyl te wæ’rem
    - wæl’le : wij wæl’le kau’me
    - wæng’er : woerd, mannetjes eend de wæng’ers zæn schoe’en van kleyr
    - wæt : wrat haa héé en wæt vant zwém’me
    - waf’fer : welk(e) waf’fer pak’te gaa?
    - wak : zwak het aas hot noch nie, tés noch veyl te wak
    - wak’ke’re : vlug, vinnig ventje ge ziet da, dat da ne wak’ke’re és
    - wal’le’bak’ke : op zwier gaan aa zau’ne hém’me wey ont wal’le’bak’ke ge’weyst
    - wan’te : 1) handschoenen zie da ge oe wan’te ni ver’gét 2) van wan’te wey’te = meer weten
    - wap’per : zeer grote man da was ne lan’ge wap’per, én das gie’en brig!
    - was’spey’ter : wasspeld, wasknijper da zén noch au hau’te was’spey’ters
    - wau’re : woorden haa grokt oa’et zen wau’re ni
    - waut : woord tés maa waut tey’ge zaa waut
    - wéch’ge’flotst : weggespoeld door de regen doa és veyl jeir wéch’ge’flotst mey de ré’gen
    - wéch’moe’fe’le : heimelijk wegstoppen khém maan si’ge’rét’te dik’kes moe’te wéch’moe’fe’le
    - wech’smaa’te : weggooien das sér’re’wau’rech al’le’moal vey wech’te’smaa’te
    - wéé’ser’kan’te : weerskanten last wéé’ser’kan’te héé ten al en bits
    - wéén’oe’ech : oogontsteking ge kræcht en wéén’oe’ech van in de kaar’lie’es te pis’se
    - wein : 1) grazen hie stoa schoe’e gæs, doa gén de koei goe kin’ne wein 2) wijden ze moe’te da woa’ter noch wein
    - weir’de : waarde dat héé gie’en weir’de
    - weit : waard das niks weit
    - wél : akkerrol vrie’ger dik’kes de wél moe’te trék’ke, én moa wél’le
    - wénks’braa : wenkbrauw en snor és en ge’zak’te wénks’braa
    - wér’re : worden ik wér - gaa wét ni géé’re ge’stoe’ert
    - wér’rem : worm haa zit mey wér’re’me
    - wés’te : worsten roe’e koe’e’le mey wés’te
    - wés’te’le : worstelen wés’te’le mey aa brier, da liep se’waa’le oa’et de hant
    - wét’tel : wortel die’en boe’em héé dik’ke wét’te’le
    - wey : weer, opnieuw haa doe’get wey se
    - wey’al : alweer moe’te wey’al noa de ver’goa’de’ring
    - wey’te : weten ik weyt, gaa wét - kmoet er ni van wey’te
    - wey’ve’néér : weduwnaar die’en és oe’ek al e joar of twie’e wey’ve’néér
    - weyf : weduwe haa és mey die weyf ge’traat
    - weyr : weder, luchtgesteldheid tés gie’e weyr vey nen hont dey te joa’ge
    - weyr’hoak : weerhaak vis’se zon’der weyr’hoak goa ni pak’ke
    - wie’e : wieden, onkruid verwijderen pey’kes wie’e, das vey zot te wér’re
    - wie’ek = week, gevoelig ooh, moa die van æl’le és en wie’e’ke
    - wie’er : aanzet van een tak in de stam doa zit’te veyl wie’e’re in die plank
    - wie’es : wees en wie’es héé gie’en aa’vers ne’mie’e
    - wie’ze : bepaald kaartspel baa ons wét veyl ge’wiest
    - wil’den’boef : onvoorzien oep de wil’den’boef ie’vers hén’ne rein
    - wip’schie’te : volkssport (boogschieten) ge kint wip’schie’te oep ne sténde of ne lig’gen’de wip
    - wis : wilg wis’se blok’ke és wærm in de winter
    - wis’ke : de twee in het kaartspel kloa’ve’re wies, moa twie’e wis’kes én en vaaf
    - wis’se’le : melktanden die worden vervangen on’ze klaa’ne és am’be’tant, haa és ont wis’se’le
    - wit’te’ke : jenevertje baa de fak’teyr kon der al’taa e wit’te’ke in
    - wit’te’kes : bleekjes haa ziet’er moa wit’te’kes oa’et
    - wiz’ze’wés : zenuwachtig, drukdoend kind hét zoe’e’ne wiz’ze’wés in hoa’es
    - woa : waar woa wént hem?
    - woa’e : waaien as ge dey de wint lépt zir’re der ver’woa’et oa’et
    - woa’e’te : wilde man past oep vey die’e woa’e’te
    - woa’e’ve : wuiven noch es woa’e’ve in de bis hé
    - woa’ge’waat : wagenwijd die dey ston woa’ge’waat au’pe
    - woa’ke : waken ik woak, gaa wokt, schéé’pers zæn goei woak’hon’ne
    - Woa’le : Wallonië vrie’ger wærk’te der veyl in de Woa’le in de fos
    - woa’ter’kans’ke: kleine kans haa héé noch e woa’ter’kans’ke dat hem het hélt
    - woa’ter’kie’ke : 1) waterhoen doa zæn woa’ter’kie’kes mey e roe’et én mey e wit tjup’pe’ke 2) een kind dat graag door de plassen loopt
    - woa’ter’kop : mensen met het syndroom van Down da kin’ne’ke és ge’bau’re mey ne woa’ter’kop
    - woar : waren, goederen zie da ge aa woar noch kwaat grokt
    - woe’e’ne : wonen ik woe’en gaa wént - wét’te gaa hém woe’e’ne?
    - wolf’aa’zer : gezegde : pas oep vey de wolf’aa’zers én de schiet’ge’wéé’re = pas op voor strikvragen

    wordt vervolgd



    20-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    19-09-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Schrieks dialect-Z

    Het Schrieks dialect
     door René Lambrechts © 

    - Z -

    - zaa : 1) zij 2) zei zaa zaa tey’ge maa die’je van Bris’sel és sjon’der as gaa 3) zijde e zaa sjal’le’ke 4) lende khém sték’tes in maan zaa
    - zaa’pe’le : sijpelen da woa’ter zaa’pelt dey de mier
    - zaa’wéts : zijwaarts ge moet zaa’wéts stoem’pe
    - zaai’ge : melk door een zeef met watte gieten om alle onreinheden eruit te zeven, zijgen
    - zaaik : aal, beer, drek, gier kmoet noch goan zaaik vie’re mey tzæk’vat
    - zaaik’nat : drijfnat zaaik’nat zén’nek van de voet’bal ge’kau’me
    - zaal : zeil we trék’ke doa e zaal au’ver
    - zaan : zijn ik zén, ik zæn, gaa zæt, haa és, ik zén ge’weyst
    - zaas : zeis pit’je de doe’et mey zen zaas
    - zaat : zout moet er gie’e zaat zaan
    - zæb’be’re : miezeren, lichte regen tbe’gint wey te zæb’be’re
    - zæk’vat = beervat, gierton in de zau’mer ge’brék’te zet zæk’vat vey zie’ep’sop oan de boe’e’ne te gie’te
    - zærk : zerk vey Al’ler’haa’le’ge wér’re de zær’re’ke oep’ge’kést
    - zærp : zuur die spaas és zærp
    - zak : zak gezegde : lét aa nie int zak zét’te = laat je niet beetnemen
    - zak’paan : buik en darmkrampen bij paarden e pjeit mey zak’paan kin’de oa’et’sley’re
    - zant’jan : zandverkoper baa zant’jan kon’de schoe’e wit zant koe’e’pe
    - zant’stoa’e’ver : soldaat van het voetvolk haa was baa de zant’stoa’e’vers
    - zat’te’rik : dronkaard die’e zen’ne pey’re da was ne zat’te’rik
    - zaul : zool haa lépt de zau’le van on’der zen schoe’ne, moa haa kan ze toch ni kraai’ge
    - zaun : zoon haa héé draa zau’ne én en doch’ter
    - zér’re’ge : zorgen die’en és oe’ek noch nie oa’et de zér’re’ge
    - zét’goet : zaaigoed kpaas da deys zét’goet e bék’ke taat és
    - zeuj : het zuur as ek moet krim hang’e noa men ey’te hém’mek last van de zeuj
    - zey’gel : zegel ne post zey’gel és nen tæm’per
    - zey’ker : zeker zær’re zey’ker
    - zey’me’léér : zenuwachtige persoon æl’len aat’ste és ne zey’me’léér
    - zey’tel : zetel haa zat doe’et in zaa’ne zey’tel
    - zey’ve : zeven draa én vier és zey’ve
    - zicht’koat : prentkaart veyl mæn’se ver’zoa’me’le aa zicht’koa’te
    - zie’e : zee die zén oep kon’zjey noa de zie’e
    - zie’e’pjæk’ke : zeepaardje zie’e’pjæk’kes zén ko’de’ge bjést’jes
    - zie’e’ve’réér : zeveraar ne zie’e’ve’réér of ne zoa’ge’vænt
    - zie’e’ver : 1) speeksel het zie’e’ver lépt oa’et ze bak’kes 2) niet waar das dik’ke zie’e’ver
    - zie’e’ze’ke : bedeesd en braaf ventje e braaf stil man’ne’ke, zoe’e braa zie’e’ze’ke
    - zie’el : zeel hér’re gaa oe’ek al oant klok zie’el ge’hang’e
    - zie’em : zoom de zie’em van hey’re rok was los
    - zie’em’vel : zeemlap ke’reyrs noa’en e zie’em’vel in hél’le broek
    - zie’ep : zeep schie’re mey broa’en zie’ep
    - zie’er : zeer, pijn da kan zie’er doen
    - zie’ke : zoeken ik ziek haa zikt gaa zoecht ik hém gezoecht
    - zie’te’kes’oan : stilletjes aan lét die kas moa zie’te’kes’oan kau’me
    - zie’te’mél’lek : vers koemelk meych’de gaa zie’te’mél’lek?
    - zier : zuur da mél’lek és zier
    - ziet : zoet die spaas és vél te ziet
    - ziet’zaat : bepaald snoepje met een zoetzure smaak
    - zift : zeef das ne zift vey de as’se
    - zik’ke’le’zoat : als aprilgrapje goa es oem e pont zik’ke’le’zoat = dit bestaat niet
    - zik’kel : sikkel mey en zik’kel moe’te ver’zich’teg zaan
    - zil’le : 1) fundamenten vrie’ger moes’te ze de zil’le mey de hant oa’et’groa’ve 2) zullen zil’le wæl’le es wis’se’le
    - zip : vest doe moa en zip oan tés kaat ge’noech
    - zis’ter : zuster kzén ni mey aa zis’ter getraat
    - zja’nét : homo, verwijfde das en sja’kos vey en zja’nét
    - zjak : zweep me gén der de zjak es oep’lég’ge
    - zjan’dærm : gendarme, rijkswachter die’en héé e waaf lak ne zjan’dærm
    - zjant : velg haa héé al’le’mi’ni’um zjan’te ge’stau’ke
    - zjap’pe’kes : bepaalde malse snoepjes e zaks’ke zjap’pe’kes
    - zjas : kermisorkestje mey de kér’re’mes zat er in al’le sta’me’neys ne zjas
    - zjat : tas vey heyr en zjat soep
    - zjau : 1) lompe vrouw zaa naa mey zoe’en zjau ge’traat
    - zjau’se’taat : fanfare de zjau’se’taat trékt oa’et mey de kér’re’mes
    - zje’laa : gelei spaas deyn ze oep de vloa’e én zje’laa oep den bau’ter’ham
    - zje’lap : lekgelei ap’pel en péé’re ge’lap
    - zje’ney’re : gestoord voelen ge moet aa vey maa nie zje’ney’re
    - zje’ney’ver : jenever ne goei’en aa’ven Has’selt’se zje’ney’ver
    - zje’nof’fel : 1) anjer stékt die zje’nof’fel moa in aa knops’gat 2) vagina
    - zje’ra’ri’oem : gerarium in Oe’es’ten’raaik hang’e der veyl zje’ra’ri’oems oan dhoa’e’ze
    - zje’ton’ne’ke : ritpenningen haa héé noch draa zje’ton’ne’kes vey de bots’ot’tau’kes
    - zjef’zoag : steekzaag ræcht zoa’ge mey en zjef’zoag és ni sim’pel
    - zjeir’kloe’et : hoovaardig iemand wa paast die’e zjeir’kloe’et van zen aai’ge
    - zjést : gebaar ik vin dat hem en schoe’en zjést ge’doan héé
    - zji’ley : ondervest trékt ze noch moa’res tey’gen aa zji’ley
    - zjim’me’nas : gymnastiek die lés zjim’me’nas és’ser te’veyl oan
    - zjoa’e : juichen haa rey tis’se de zjoa’en’de se’por’ters au’ver de meyt
    - zjoak zaan : 1) dood zijn 2) kapot zijn in het spel
    - zjoar : genre, soort die’e me’ziek , das maa’ne zjoar ni
    - zjol’le’zie : dierentuin ons moe és mey de klaan man’ne noa de zjol’le’zie
    - zju’be’ley : jubilee te’nés’te joar hém’me ne zju’be’ley in de fa’mil’le
    - zju’das’se : treiteren ge moet oep’haa’ve mey die’e te zju’das’se
    - zjust : juist zjust és zjust zaa on’ze’voa al’taa
    - zjuu : vleesnat de zjuu lépt oa’et maa’nen boef’steyk
    - zoa’e : zaaien vey pey’kes te zoa’e moet het stil zaan
    - zoa’e’de : zuiden de wint komt oa’et zoa’e’de
    - zoa’e’ge : zuigen oan da riet’je moe’te zoa’e’ge, ni bloa’ze
    - zoa’e’le : toestand tussen wakker en slapen ik hém doa wa zit’te zoa’e’le
    - zoa’e’pe : zuipen die’en héé baa den troep lie’e’re zoa’e’pe
    - zoa’e’ver : zuiver vol’le’ges maa és die’e ni zoa’e’ver oep de groat
    - zoa’ge’vænt : zeveraar oept loat oan den toe’eg stén der noch a’lie’en zoa’ge’væn’te
    - zoa’vel : zavel veyl ge’spélt oep ne zoa’vel’hoe’ep
    - zoach : 1) zaag 2) vrouw die veel zanikt die’en héé en zoach van e waaf
    - zoal : 1) zaal tés in de pro’che’zoal te doen 2) zadel hér’re naa ge’zien hoe dat die’e oep zaa’ne zoal zit
    - zoan : zaan, pel op de gekookte melk doa léé nen dik’ke zoan oept mélk
    - zoat : zaad die’e blæft vey zoat stoan = hij geraakt niet getrouwd
    - zocht : zacht das e zocht kis’se
    - zoe’e : zo ge moet da zoe’e doen én ni an’nes
    - zoech : zeug en zoech mey kir’res
    - zoecht : zocht, van zoeken haa héé ni hæt ge’zoecht
    - zoei’e : koken wét te zég’ge as de pe’taa’te zoei’e
    - zoem’peg : drassig die plæk léé ter zoem’peg baa
    - zoenk : een laagte in het terrein doa léé ne zoenk in da plaan
    - zoet : roet tzoet hing tot oep maan hém
    - zol’der : zolder gezegde : doa hangt aa’ve zol’der te lie’ech vey = daar ben jij te min voor
    - zwaa’me’le : zwijmelen die’e zat’te zwaa’mel’de au’ver de stie’e’wæch
    - zwaai’ge : zwijgen ik zwaaich, gaa zwæcht, haa héé ge’zwey’ge
    - zwad’de’re : schudden nie te hæt zwad’de’re mey die flæs’kes bier
    - zwæt : zwart tés zwæt mey se brier = hij komt niet meer overeen met zijn broer
    - zwak’ke : een lenige vey da te kin’ne moe’te ne zwak’ke zaan
    - zwé’rez’ze : zweer die’en haa doa en zwé’rez’ze in zaa’ne næk
    - zwéd’der : zwaarder die’e weycht zwéd’der as’ze gaa
    - zwél’lem : zwaluw zwél’le’me zir’re ne mie’e zoe’e’veyl de lés’ten taat
    - zwéng’kes : de zwaantjes = bereden politie de zwéng’kes hém’me ten tey’ge ge’hey’ve
    - zwés : zwoerd van het spek de zwés és vey de kat
    - zwey’ve : zweven ni be’gin’ne zwey’ve
    - zwie’e’te : zweten héé tem zwie’et’ voe’te
    - zwie’ep : zweep doa zén der die vrie’ger van de zwie’ep krey’ge
    - zwier : schommel zær’re gaa oe’ek al oa’et de zwier ge’val’le
    - zwik : zeer grote vrouw van gestalte wa vey en lang’e zwik was da
    - zwil’le : zwellen hot dat in’doe’ech want da goa zwil’le
    - zwing : vleugel die’en oa’el haa zen zwing ge’brau’ke
    - zwoa’e : zwaaien baa den troep zwoa’e ze af
    - zwoan : zwaan en zwoan és en koa’e bjést as ze brit
    - zwoar : zwaar da goa zwoar tey’ge val’le

    wordt vervolgd



    19-09-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    30-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Schriek-de oudste vermelding

    Snekelen int aat Schriek !*
    door René Lambrechts ©

    * Snekelen is het Schriekse dialect voor sneukelen wat zoveel betekent als opspeuren, opzoeken, snuffelen tussen. Maar ook de betekenis van snoepen is ons bekend. Laten wij dus hopen dat u kan snoepen van al datgene wat ik tot op heden heb opgezocht.

    Wanneer werd er voor het eerst gesproken over Schriek ?
      Tot op de dag van vandaag is het oudst gekende document met de naam Schriek een schenkingsakte van de graaf van Aarschot aan de abdij van Affligem bij de intrede aldaar van zijn zoon Jan. Het was Edgar De Marneffe die dit document voor het eerst beschreef in 1894, in zijn boek : ‘Cartulaire de l’abbaye d’Afflighem et des monastères qui en dépendaient  blz 68-69’.

    XXXIX.

    Godefroid, duc et marquis de Lotharingie, fait savoir qu'Arnoil, comte d'Aerschot, a fait don à l'abbaye d'Afflighem de divers biens situés à Buggenhout, à Malderen, à Steenhuffel, à Tremeloo et à Schrieck, et ratifie cette libéralité.

    1125

    In nomine Sancte et Indiuidue trinitatis Ego godefridus dei gratia dux et marchio lotharingie omnibus christi fidelibus in perpetuum. Quoniam auctore deo haffligemensem ecclesiam tam a me quam a fratre meo comite henrico fundatam scio, paci et quieti in ipsa ecclesia deo famulancium modis omnibus prouidere debeo. Unde notum esse volo tam futuris quam presentibus qualiter Arnulphus comes de Aderscoth cumduobus filijs suis Godefrido et Arnulpho in curia mea louanie venit, et ad id quod acturus erat magnam hominum meorum multitudinem liberorum et seruorum conuocauit. Prefatus igitur comes Arnulfus quicquid apud. buckenholt habebat in terris siluis aquis et pascuis cum omni decima et vtilitate qua ipse tenuerat ad opus haffligemensis ecclesie in qua Johannem filium suum jam monachum fecerat assencientibus et simul dantibus filijs michi liberaliter in manu dedit coram hominibus et baronibus meis quj presentes erant worpiuit proprio et tocius curie mee judicio nichil sibi juris in hiis que donauerat reliquit. Insuper quod apud malren et stenofle ecclesia possidet addidit. Summa autem omnium que dedit hec est . Medietas silue que buckenhot (sic) vocatur. Quicquid terra culte et inculte in ipsa villa buckenholt habuit liberaliter dedit. Medietas silue que emelo dicitur et mansum (sic) terre quj silue adiacet. Siluam que scriech appellatur ex integro dedit, quia liberum allodium suum esse cognouit. Rusticis et colonis ecclesie siue pauperes essent siue diuites jus illud quod sach appellatur in silua de buckenholt concessit Vehtinam autem de porcis hominum suorum ecclesia habebit . Hec omnia Comes Arnulphus cum legitime fecisset per me patrie Dominum et ecclesie Aduocatum confirmari postulauit Igitur ut ammonitus fueram legittimam donacionem prefate ecclesie legitime et liberaliter contuli posteris meis tam in hijs quam in omnibus tuendam ecclesiam reliquj Contra ecclesiam quicquam fieri sub districta gladij animaduersione prohibuj. Que ut rata et inconuulsa permaneant scripto mandari Sigilli mei impressione et testium astipulacione placuit roborari. Testes Arnulphus, Arnulfus de Grembergis, gerardus fratrer eius, filij Comitis Arnulfi, godefridus et Arnulfus gozwinus de heuerle et Reynerus filius ejus Sygerus de wauera Henriciis de birbays Henricus de loppoun Henricus de Asca Eustacius de tielht Arnulfus dapifer, Arnulfus de fiforh, franco Castellanus Franco de slusa, Alardus de baltersem Acta sunt hec Anno dominice jncarnationis M C XXV jndictione iij epacta xiiij, Regnante lothario Romanorum imperatore.

    Cartulaire C, fol. 143. Publié dans MIRÆUS et FOPPENS, Opera diplomatica, II p. 817, et silleurs; voyez WAUTERS, Table chronologique des diplomes imprimés, II, p, 131.
    Volgens De Marneffe is er in deze akte sprake van : de helft van het bos Buckenholt, de helft van het bos Emelo met een akker daarbij, en het ganse bos Schriech.
    De interpretaties van deze 3 oude toponiemen kan beginnen. Waar liggen ze nu ? Is dat bos in de huidige gemeente Schriek gelegen, of ligt het misschien kilometers hier vandaan ? We mogen niet vergeten dat de naam Schriek veel meer voorkomt dan wij vermoeden, zoals te Ekeren, te Essen-Kalmthout, te Poppel, te Weelde, te Meerhout, te Buggenhout, te St.-Antonius Brecht, te Wiekevorst, te… Heb je het al gezien, of moet ik even helpen ? Ligt er ook een Schriek te Buggenhout, en is Buckenholt niet de oude naam van deze gemeente ? Als we de heemkundigen van Buggenhout mogen geloven, liggen deze plaatsen in hun gemeente, want zij schrijven het volgende :

    “ Vermoedelijk gebeurden in de eerste helft van de 11e eeuw de eerste ontginningen om plaats te maken voor bewoning. De oudste geschiedkundige vermelding van het bos en van de naam "Buckenholt" dateert echter pas van 1125. Deze datum werd teruggevonden in een schenkingsakte van de Graven van Aarschot ten voordele van de abdij van Affligem. Hierin wordt bevestigd dat de helft van "Buckenholt"bos, de helft van "Emelo"bos, heel het “Schrieck”bos en alle land, water en weiden die in het bezit waren van de Graven aan de abdij gegeven werden. De andere helft van Buggenhoutbos bleef in het bezit van de Heren van Grimbergen, de Berthouts.
    De Schriekstraat begrensde aanvankelijk de Schriekbossen. Dat toponiem komt al voor in een oorkonde uit 1125, waarin de Graaf van Aarschot zijn bezittingen te Buggenhout aan de abdij van Affligem schonk. Een dergelijke vermelding wijst alleszins op het belang dat destijds aan die zone werd gehecht. In 1690 was dat bosgebied ten zuiden van de Schriekstraat reeds grotendeels ontgonnen en verkaveld in percelen die met namen als Schriek, Schriekweg, Hoogen Schriek, Schriekbosch en Donckere Schriek van elkaar werden onderscheiden.”

    De vraag die wij ons nu stellen is : “ Klopt dat, of klopt het als het hart van een dooie mus ?”

    Zo kan onze zoektocht beginnen naar de drie toponiemen hier bij ons. Ook wij beschikken over doorslaggevende elementen die aantonen dat we ze hier en niet te Buggenhout moeten zoeken, wat ze ook mogen beweren.

    a) Buckenholt : dit bos zou zich evenzeer kunnen situeren op het grondgebied van de gemeente Buken, deelgemeente van Kampenhout. Qua naam lijkt mij deze vergelijking zeker kunnen en het ligt niet zover buiten de grenzen van het Graafschap Aarschot. Ook de bevestiging in latere documenten, laat niet op zich wachten. Zo zijn er documenten uit 1202 met te naam Bueckenholt en in 1340 met als toponiem Buecken. Een kapel Ter Buecken dateert van voor 1425. Bewijzen te over dat deze oude toponiem daar in de omgeving in gebruik was. Wat hier wel ontbreekt is de link met de abdij van Affligem. Buken vinden we terug onder de bezittingen van de abdij van Corbie, terwijl het centrum van Buggenhout is opgenomen in het patrimonium van de abdij van Affligem, gelegen op enkele kilometer van deze plaats.

    b) Emelo : gekend als gehucht van het oude Werchter, dat een van de dorpen was binnen het Graafschap Aarschot. Professor Carnoy spreekt van 'TER EMELO'. Deze naam is volgens hem afkomstig van LOO dat ‘ bos ‘ betekent. TER EME zou ‘ aan de weide ‘ betekenen. Zelf opteer ik liever voor “ buitendijks water “ als men het heeft over de betekenis van loo. Emelo of later Tremelo was een onbelangrijk gehucht van Werchter. Veldonck, Kruis en Ninde waren historisch gezien belangrijkere delen welke we nog regelmatig bij onze geschiedenis zullen tegenkomen. Emelo situeerde zich waarschijnlijk in het lage gebied tussen Ninde en Veldonck en ten zuiden van Kruis. De vele waterpartijen in dit gebied passen in de context van toponiemen op -loo als Bolloo en Grootloo. Ook hier is van de link met Affligem geen spoor. Zij die beweren als zou Emelo-bos een deel van Buggenhout zijn hebben weinig of geen bewijzen in handen. Het toponiem komt in Buggenhout niet meer voor, waardoor sommigen de naam ‘Dumeloy’ gaan zien als de verbasterde vorm van ‘emelo’.

    c) Schriech : naam van ons dorp sinds de 13e eeuw. Oude toponiemen binnen onze gemeente als : Klein Schriek, Oude Schrieken en Schriekstraat gaan ver terug in de tijd.
    De meeste professoren zoals De Vries vertalen schriek als : waarschijnlijk bocht, hoek, haak, ook wel kromming of uitsprong, driehoekig stuk. Wat direct opvalt is het woord waarschijnlijk, dus een naam met een onduidelijke betekenis !
    Sommigen denken aan een oneffen terrein dat moeilijk betreedbaar is.
    Wanneer we de plaatselijke geschiedschrijvers mogen geloven, komt het van schrieken, wat we nu schrijden noemen, : dus met een grote schrede over een greppel heen springen.
    Anderen maken een zinspeling op het woord schrik = angst, welke zij situeren rond het rovershol van Uylenborg.

    Misschien is het gewoonweg de naam van de spriet, de kwartelkoning, welke men vroeger schriek noemde. Het gezegde ‘ In mei legt elke vogel zijn ei, behalve de koekoek en de spriet, leggen in de meimaand niet ‘ is ons zeker nog bekend. Dit betekent dat deze vogel in onze streken geen onbekende was, maar nu bijna volledig is verdwenen omdat zijn leefomgeving en broedgebied bijna niet meer voorkomen. Zij verkozen immers een verblijf op de drogere plekken in de omgeving van veengebieden, moerassen en poelen. Hij was niet voor niets verwant met het waterhoentje en de meerkoet, en zoals de meeste ral-achtigen hoort men hem meer dan dat men hem ziet. Zijn eigenaardige Latijnse naam heeft hij te danken aan zijn doordringende roep, die diende om zijn territorium af te bakenen, nl Crex-crex. Wanneer je nu een ‘s’ klank voor dit Latijns woord plaatst heb je ‘screx’, erg lijkend op schrieks !

    Mijns inziens heeft deze naam Noorse wortels en zouden de Noormannen dit toponiem op meerdere plaatsen hebben nagelaten. ‘Skrikja’ betekent vandaag in het Noors nog Vlaamse gaai, een vogel die omwille van zijn schreeuwende geluid ons goed is bekend. In het Oudnoors was het de omschrijving van het schreeuwen van de demonen, de trollen, die huisden in de moerassen. Wat valt nu op : het toponiem komt steeds voor in de omgeving van laaggelegen, deels onder water staande partijen, of als naam van een waterloop, de geliefde verblijfplaatsen van onze Vikingen en onze crex-crex. Ook de vorige omschrijvingen sluiten zo aan bij deze verlaten en gevaarlijke oorden, zodat we zouden kunnen stellen dat zij van dit oude stamwoord zijn afgeleid.

    Laten we nu even terugkeren naar de oorkonde en zien wat ze ons kan vertellen.
    In bijlage 1 vind je wat ik hierover vond in het tijdschrift Ter Palen 10 jaargang nr.1 november 1985

    Bij het lezen van deze teksten vielen mij al snel enkele zaken op, welke voor mij het sein waren om dieper te gaan graven en op zoek te gaan naar mogelijke verbanden en relaties welke de beweringen van de Marneffe konden steunen en de beweringen van Wauters en Verbesselt konden ontkrachten.
    Laten we beginnen met de hoofdrolspelers in deze akte.

    Wie was Arnold I van Aarschot ?

    Volgens de Herckenrode is hij de zoon van Arnold, graaf van Aarschot in het jaar 1060, en dat was de zoon van Arnold, markgraaf van Antwerpen, zoon van Ansgisus en tevens de neef van Pepijn, koning van Frankrijk. Volgens sommigen zou hij ook in 1096 met Godfried van Bouillon op kruisvaart zijn getrokken. Maar zegt A. Van der Hasselt het was niet Arnold maar Hendrik die als moedige kruisvaarder naar het Heilig Land is getogen.

    Godfried Croenen denkt dan weer in de richting van “afstammelingen van de graven van Loon”. En die zou het wel eens bij het rechte eind kunnen hebben. Gelet op de naam Arnulf of Arnold verwijst die zeker naar een naam die reeds jaren werd gebruikt bij de graven van Loon. Zo kennen we een Arnold I van Loon vermeldt als getuige in 1078 op een oorkonde van gravin Ermengardis samen met ene Godfried en ene Arnulf (waarschijnlijk de vader van Arnold van Aarschot) Gelet op hun bezittingen, en de eigendommen die we later in handen terugvinden van het huis van Grimbergen en zeker niet vergeten die van de Berthouten, lijkt het mij alsof de graven van Aarschot hun bezittingen hebben verkregen uit een verdeling binnen het oude graafschap van Loon. Zo zouden we kunnen stellen dat de graven van Loon de eerste heren waren die over onze gewesten als grote leenmannen fungeerden.

    Het graafschap Loon is waarschijnlijk ontstaan omstreeks het midden van de 10e eeuw uit delen van de verbrokkelde Karolingische graafschappen Avernas en Hocht met delen van Taxandria en een stuk Maasland. Dit komt nu ongeveer overeen met de provincie Limburg en delen van Antwerpen en Vlaams Brabant. Voor onze streken traden ze niet zozeer op als eigenaars, eerder als heren met bepaalde voordelen. Binnen het graafschap Loon werden er aan de grenzen een reeks van motte-burchten opgericht om zich zo te beschermen tegen de Noormannen ? of de naburige graafschappen zoals Luik en Brabant.

    ARNOLD I van AARSCHOT
    Vermeld tussen 1115 en 1135
    Huwt met Oda (mogelijk de dochter van Hendrik III van Leuven)
    Kinderen :
     1. Arnold II (1125-1155)
     2. Godfried (1125-1152) hij kreeg ‘ voor syne partage de heerlyke goederen tot Lyere’ zodat Bergmann hem ziet als de stamvader van het huis van Lier
     3. Reinier (1126-1169) Kanunnik en Aartsdiaken van Luik
     4. Jan (1125) Monnik te Affligem

    Godfried Croenen ziet Adeloia en Oda als kinderen van Arnold I. Gelet op de bekende data van de volgende personen en de volgorde op dit document - de schoonzonen staan voor zijn zoon-opvolger - zouden ze eerder de zusters kunnen zijn van Arnold I. Feit is dat bepaalde eigendommen in het huis Grimbergen afkomstig zijn uit het huis Aarschot, hetzij door huwelijk of erfenis en zij daarom bij bepaalde transacties ook bepaalde rechten konden laten gelden. Blijkt ook dat er nog enige onverdeeldheid bestond tussen Grimbergen en Aarschot gelet op de vermelding “vrede en rust” in deze akte.

    Adeloia van Aarschot (1125-1147) huwt met Arnold van Grimbergen (1106-†1137)
    Oda van Aarschot (1125) huwt met Gerard I van Grimbergen (1106-†1131)

    GERARD I van GRIMBERGEN
    Vermeld vanaf 1106 en † 1131
    Gehuwd met Oda van Aarschot (1125), dochter van Arnold (I) van Aarschot en Oda ??
    Kinderen :
      1. Gerard II (1149-†1188/89)
      2. Arnold II (1138-†1175/78) Kanunnik te Luik – Proost van St.-Rombouts te Mechelen.
      3. Margareta van Grimbergen

    Is Schriek zonder Grootlo het erfdeel van Oda van Aarschot bij de inbreng van het patrimonium van de heren van Grimbergen, of komt het van haar zus Adeloia ? Of van beiden misschien ?

    ARNOLD van GRIMBERGEN
    Vermeld vanaf 1106 en † 1137
    Gehuwd met Adeloia van Aarschot (1125-1147), dochter van Arnold (I) van Aarschot en Oda ??
    Dit huwelijk blijft kinderloos.

    Het huwelijk van de beide broers van Grimbergen met de beide zussen van Aarschot, heeft hoogstwaarschijnlijk de inbreng van delen uit het Aarschots of Loons patrimonium in de Grimbergse goederen tot gevolg gehad. Welke delen, in volle eigendom of in leen, is niet helemaal duidelijk, maar afgaande op wat we later ervaren, wordt Schriek (zonder Grootloo en Bolloo) en Keerbergen hun volle eigendom en Werchter niet. Het Waverwoud is vermoedelijk de inbreng van Guda van Loon, vrouw van Wouter II Berthout. Ik leid dit af uit het feit dat Schriek voor Putte in het patrimonium van de Berthouten is opgenomen. Dit valt af te leiden uit het feit dat die van Schriek hun vonnis haalden te Berlaar, de bakermat van het Berthoutimperium, en die van Putte en Grootlo te Befferen = Putte. Grootloo en Bolloo verschijnen dus ook later in het patrimonium van de Berthouten. Was dit wellicht de pasmunt voor de oplossing van de onverdeeldheid tussen Grimbergen en Aarschot ? Wat ook heel eigenaardig is, is het feit dat Schriek nergens deel uitmaakt van het graafschap Aarschot (op oude kaarten uit de XVIe eeuw). Dit sterkt het vermoeden dat beide zussen niet de dochters maar de zusters zijn van Arnold I en Schriek reeds was vererft voor het ontstaan van het Graafschap Aarschot, zoals we het kennen uit oude kaarten en documenten.

    Adeloia overleeft haar man en schenkt de tienden van Keerbergen aan de abdij van Grimbergen, tienden die eerst tot Bornem en later tot Affligem behoorden.

    Heel merkwaardig is het feit dat op een bepaald moment de altaria van Schriek, Keerbergen, Rijmenam en Schilde, als enige parochies uit de dekenij Antwerpen, behoorden tot het patrimonium van de grootste abdij van onze streken : Affligem. Zou onze godvruchtige Adeloia daar voor iets hebben tussen gezeten ? ( Zie Kerkelijk en Godsdienstig Brabant II blz.15 van Kanunnik Dr.J.Laenen ) Navraag bij de archivaris van de abdij liep uit op een teleurstelling. In de “Beneficia collationis monasterii Affligemensis” uit de 15e eeuw (dit is 200 jaar na de feiten) komt Schriek niet voor. Volgens deze bron hadden ze in de dekenij Antwerpen slechts vier beneficies, namelijk : Keerbergen, Rijmenam, Schilde en Meerbeek. Meerbeek is voor mij een verrassing, daar graaf Ansfried een deel van zijn goed, waaronder Meerbeek, schenkt aan het kapittel van de Domkerk van Utrecht. Maar ook buiten de akte van 1125 vindt men te Affligem geen vermelding meer over Schriek of Schriekbos, Emelo of Emelobos, zelfs geen spoor meer van Jan Van Aarschot. Alleen Buggenhout wordt nog vermeld met een opgerichte kapel door de Benedictijnermonniken.

    Blijft nu de vraag: Waar heeft J.Laenen deze informatie gehaald? Steunde hij zijn beweringen op deze akte, of heeft hij ergens anders iets gevonden zoals in het archief van het bisdom Kamerijk? Op deze vraag moet ik het antwoord schuldig blijven.

    ARNOLD II van AARSCHOT
    Vermeld tussen 1125 en 1155, zoon van Arnold I van Aarschot en Oda

    Volgende akte maakt ons weerom iets wijzer in de situatie tussen Aarschot en Grimbergen. Onder het oude Werchter was gelegen de hoeve van Veldonk, die tussen 1137 en 1142 door Arnold II, graaf van Aarschot, samen met zijn broers Godfried en Reinier, aartsdiaken van Luik, voor hun part en deel, en Wouter van Grimbergen (= Wouter I Berthout) en zijn schoonbroers Gerard II van Grimbergen en Arnold II van Grimbergen, proost van het St.-Romboutskapittel van Mechelen, voor hun gedeelte, verkocht werd aan de O.L.Vrouwabdij van Middelburg op het eiland Walcheren.(Oud cartularium, Abdij Park, fol. 16 e.v.) Dit betekent dat de Berthouts, zij het gedeeltelijk, rechten konden doen gelden in een gehucht van Werchter, evenals in Haacht, Tremelo en Wakkerzeel, destijds delen van het oude Werchter, dat deel uitmaakte van het Graafschap Aarschot.

    Wat zeker opvalt is het feit dat er niets wordt vermeld over Jan, monnik te Affligem. Hoogstwaarschijnlijk was hij reeds overleden. Een reden te meer om in dat verre Schriek en Emelo geen verdere initiatieven van ontginning en ontwikkeling meer te nemen. We zien hier ook de Berthouten voor het eerst optreden in onze gewesten. Heeft Wouter I Berthout, die geen vreemde was in Affligem, de eigendommen van Schriek en Emelo terug overgenomen van de abdij? Alles wijst in die richting omdat we in de akte van 1220 lezen dat de ridders van Pitsemburg het recht kregen tot het kappen van hout en het hoeden van varkens in ‘het Waverwoud’(het Schriekbos is daar een deel van en lag pal bij de gegeven harde grond), zoals het drie ridders toekomt. In de akte van 1309 bij de oprichting van de nieuwe parochie Schriek hoort er ook een deel buiten de walgracht en genoemd Berthoutmoer (= Bolloo een gehucht van Werchter tot tegen Emelo). Bolloo is waarschijnlijk een ruil voor Emeloo zodat het een aaneengesloten heerlijkheid werd, en Emeloo zo terug onder Werchter en het Graafschap Aarschot kwam.

    Dat die van Grimbergen over Veldonck nog hun goedkeuring moesten geven bewijst nog maar eens de onverdeeldheid die er nog altijd was binnen het Graafschap Aarschot, iets wat we ook zien binnen het Huis van Grimbergen.

    GODFRIED van AARSCHOT
    Vermeld tussen 1125 en 1152, zoon van Arnold I van Aarschot en Oda
    Gehuwd met gravin Emissa weduwe van Rogier de Wavrin et de Fastre de Fosseux volgens Lod. Liekens.

    Aangezien Godfried de heerlijke stad Lier krijgt en wij later Berlaar, Schriek, Keerbergen, delen van het Waverwoud … bij de Berthouten terugvinden kunnen we stellen dat onze gewesten deel hebben uitgemaakt van verdelingen en verervingen binnen het graafschap Loon en binnen het graafschap Aarschot dat ook uit Loon is afgesplitst.

    Wat wordt er geschonken en waar ligt het :
    1-Bewerkte en braakliggende gronden op het gehucht Buckenholt
    2-de helft van het bos Buckenholt
    3-de helft van het bos Emelo met hoeve en bijhorend land
    4-het ganse bos Schrieck
    5-de poelen en plassen en waterlopen binnen deze gebieden
    6-en de daaraan verbonden tienden.

    Voor de n° 1 en 2 is het duidelijk dat we te maken hebben met Buggenhout, op enkele km. van hun abdij, waar de paters van Affligem een altaria hebben opgericht en een gemeenschap hebben uitgebouwd op de verkregen gronden. De bewijzen daarvan zijn nog steeds terug te vinden in het archief van de abdij.

    Voor n° 3 zitten we duidelijk in het vroegere Tremelo en n° 4 is ongetwijfeld Schriek en dit om volgende redenen :

    1* De akte vermeldt duidelijk poelen of moeren en waterlopen. Voor Buggenhout wordt dat zoeken met een vergrootglas, maar voor Tremelo en Schriek kan je er niet naast kijken. Het Schriekbos wordt doorsneden met drie voorname beken : de Valkelaerbeek, de Munkbossenbeek en de Heistsebeek. Rond Emelo (het huidige Tremelo centrum) vindt men nu nog tal van vijvers en poelen.

    2* De akte vermeldt ook tienden, wat betekent dat er reeds een parochie aanwezig was. Voor Buggenhout is hiervan tot op heden geen bewijs gevonden. J. Verbesselt ‘vermoedt’ dat er reeds een kerk was welke was opgericht door de graven van Aarschot, geruime tijd voor de overdracht en die door de monniken van Affligem werd overgenomen. Ik denk dat de paters eerst en vooral werk hebben gemaakt van het ontginnen van de verkregen gronden. Dit lokt tal van mensen naar deze plaats, want dit betekende werkgelegenheid. Na een aangroei van enkele jaren besluiten onze monniken tot het oprichten van een nieuwe parochie met een nieuwe kerk of kapel binnen deze nederzetting. Hiervoor is de goedkeuring nodig van de bisschop van Kamerijk en dat was in de periode 1137-1167 Nikolaas I van Chièvres. Het zal dan ook deze bisschop zijn die de nieuwe parochie zal goedkeuren aangezien de patroonheilige van de parochie de H. Nikolaas is, iets wat zich in 1265 onder Nikolaas III van Fontaines (1249-1272) heeft herhaald voor de parochie Putte.

    Van Schriek weten we dat het deel uitmaakte van de zeer oude parochie Beerzel, waaruit het in 1309 wordt afgesplitst. Emelo was een gehucht binnen de oude parochie Werchter dat gelet op hun patroonheilige St.-Jan Baptist het levenslicht heeft gezien tijdens de voorbereidingen van de eerste kruistocht (voor 1100).

    3* Van Emelo en Schrieck zijn er geen sporen meer te vinden in het archief van de abdij en wat er ook opvalt is het feit dat deze plaatsen zich situeren buiten de eigendommen van de abdij te Buggenhout. Toch wel vreemd aangezien dat ze gelijktijdig zijn ontvangen en ze bijna grenzen aan die andere eigendommen.

    4* Een vergelijking tussen de akte van 1125 en het landboek uit 1690 zonder verdere bewijzen tussen beide data is wel erg opportunistisch. Voor Schrieck stapelen de documenten zich in de loop der jaren op. Zie hiervoor naar de verdere geschiedenis van Schriek.

    5* Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat onze monnik Jan van Aarschot door zijn vroegtijdig verdwijnen de afgesproken plannen heeft doen wijzigen. Jan is zeker niet in het klooster gegaan om de rest van zijn dagen te slijten als eenvoudige monnik. Kinderen van edellieden verkregen meestal de belangrijkste plaatsen binnen de geestelijke gemeenschappen waartoe ze toetraden. Was het misschien de bedoeling om de hoeve te Emelo om te vormen tot een bijhuis van de abdij met Jan aan het hoofd? Alle elementen waren aanwezig of in de korte nabijheid. Een reeds bestaande hoeve met land, met waterpartijen en een bos, gelegen langs de oude heirbaan Mechelen-Aarschot en op korte afstand van een aanlegplaats op de Dijle, nl Ninde. Zeer vruchtbare alluviale gronden met op korte afstand nog tal van onontgonnen moerassen en heidegebieden. Het Schrieckbos op korte afstand voor voldoende timmer- en brandhout. De nodige bescherming van zowel de graven van Aarschot als die van Leuven. Op een boogscheut, de kapel van Schrieck en de kerk van Werchter. Inkomsten uit de reeds bestaande en later de nieuwe tienden. Kortom een toplocatie! Helaas is het nooit zover gekomen.

    Wat is er dan gebeurd met die eigendommen?

    Wat de abdij van Affligem met Emelo en Schrieck heeft gedaan is tot op de dag van vandaag nog een groot vraagteken. Naar alle waarschijnlijkheid hebben ze het te gelde gemaakt door verkoop, ruil of … geschonken aan hun bisschop te Kamerijk, die de oude tienden van Schriek op zijn beurt doorgeeft aan de Berthouts in 1265. Hoe kwamen anders die oude tienden in handen van de bisschop van Kamerijk? Of heeft de onverdeeldheid tussen Aarschot en Grimbergen geleid tot een inbeslagname van de goederen, niet van de tienden? We mogen niet vergeten dat Wouter I Berthout in de kerkban werd geslagen als gevolg van een conflict met de St-Remigiusabdij van Reims over onrechtmatig verkregen bezittingen in het Waverwoud. Anderzijds waren de Berthouts, als vurige kruisvaarders, ook ‘thuis’ in de abdij van Affligem, en zij waren meesters in het regelen van hun belangen. Feit is dat de Berthouten reeds in 1220 eigenaar waren van het Schrieckbos, ja zelfs van heel Schriek met Grootlo er toen reeds bij. Voor Emelo heb ik tot op heden nog geen echte aanwijzingen gevonden, tenzij we zouden aannemen dat de heren van Aarschot Emelo hebben terug gekregen of de Berthouten het hebben geruild voor de Bolloo.

    Waar lag dit bos, Scriech geheten ?

    Karel Lemmens vermoedt ergens in de Bolloo. Aangezien we hier te maken hebben met een oud toponiem heb ik grote twijfels, want dan had dit bos als Bolloobos genoteerd geweest.

    We vinden een Dirk Van Bolloo viermaal vermeld tussen 1304 en 1328 als leenman van de Berthouten. Dit wijst erop dat de Bolloo als naam voor een bepaald gebied ongeveer zo oud is als de naam Schriek, waardoor we kunnen besluiten dat het bos Schriech zich niet in de Bolloo bevond. Ook qua betekenis wordt het moeilijk, daar bol staat voor rond en loo voor buitendijks water, zoals in het woord Grootloo.

    Ook de bossen die de rand vormden van het grote Waverwoud tegen Grasheide, gekend als het Venneschot, komen niet in aanmerking daar er geen enkele aanwijzing in die richting bestaat. Het Eekhovenbos, centraal gelegen in Grootlo, is meer dan waarschijnlijk pas aangelegd na de ontginningen van het gebied in de 14e eeuw en in omvang ook veel te klein.

    De Kerkebossen, destijds gelegen van de Kwade Heide tot de grens met Putte, ten noorden de huidige Hollandstraat en ten zuiden de huidige Schriekstraat als mogelijke grenzen, komen hiervoor perfect in aanmerking. Volgende argumenten staven deze stelling:

    1° De naam KERKEBOSSCHEN, waarschijnlijk wijzend op de eerste eigenaars, zijnde de kerk of abdij. (Jan Keghel hout te leene XVIII ½ buender onder bosch heye ende lant, die goeden vander AA ghelegen ter eender zyden, der kerckenbosch van Sint Jans inden Scriecke ter anderen zyden. Jaerlycs weert ..RAB RK nr 1152 anno 1473)(Item onfangen van Lambrecht vanden perre op reeckeninge vande kercken bosch lx gulden a° 1564 KAS 87b)

    2° De oude toponiemen (delen van dit bos) nl; DRAYBOOMBOSSCHEN (1) (Drayboombosschen : gelegen rechts van de huidige Bredestraat die samen met de Leo Kempenaersstraat vroeger Drayeboomstraete noemde. Deze naam wijst erop dat de weg door het bos was afgesloten door een draaiboom, en dus niet vrij toeganklijk.) OUDE SCHRIEKEN (3) (Oude Schrieken is nu nog de naam van een verbindingsweg tussen de Schriekstraat en de oude Boischotse baene, nu Hollandstraat, lopend langs of door de voormelde Schriech-bosschen van weleer.) , KLEIN SCHRIEKEN (5) (Klein-Schrieken : gelegen tussen de huidige Van der Borchtstraat en de vroegere steenbakkerij, ons nu beter bekent als ’t Barreeeltje.) , de SCHRIEKSCHE BOSSCHEN (2) (Schrieksche bosschen : gelegen in den hoek achter het Sint-Bernardus kapelletje.) en de SINT-JANSBOSSCHEN (4) (Sint-Jans bosschen : waar men heden ten dage de kerkestee met haar landerijen aantreft. Galgestraat-Schriekstraat en de oude Boischotse baene).

    3° Deze bossen kregen ook bosvaders toegewezen, wij zouden dat nu boswachters noemen, om ze te beschermen tegen eventuele diefstallen van hout. Zelfs het sprokkelhout en de torf waren destijds waardevolle goederen die verkocht werden.

    4° de naam van de straat leidend naar of beter nog langs dit bos : SCHRIEKSTRAAT Deze oude toponiem : Schrieckstraete gelegen in de heerlijkheid Schriek, is totaal onlogisch, indien we het oude Schrieck ergens anders zouden situeren. Zulke namen betekenden immers : straat, baan, weg,… leidende naar …met andere woorden : de naam Schrieckstraete was reeds in gebruik voor er sprake was van een heerlijkheid met die naam Schriek. Zo komt het dat de naam Schriekstraat ook in de grotere heerlijkheid, die later is gegroeid, is blijven bestaan.

    5° de latere eigenaars van sommige delen waren meestal heer of vooraanstaand persoon binnen de heerlijkheid Schriek, zoals de heren Van der Laen, Roussel, mevrouw Zety en later de heren VanderStegen.

    6° Van waar komt de naam van die oude kapel van Sint-Bernardus, op zijn Schrieks : ‘Bernaar’ aan de rand van dit bos gelegen ? In Schriek noemt men deze kapel echter : ‘de kapel van Sinte Benoat’. Benoat is het Schrieks voor Benoit = Benedictus en niet Bernardus. Zijn de paters van Affligem toch wel Benedictijnen, niet. Is die naam van de paters van Affligem blijven bestaan in de naam van deze kapel, waarvan we weten dat ze er reeds stond in 1562. Toponiemen en andere benamingen overleven heel dikwijls de wijzigingen welke door de eeuwen heen zijn gebeurd. De geschiedenis van onze gewesten werd vroeger niet neergeschreven maar voort verteld van generatie op generatie, met de nodige overdrijvingen er natuurlijk bij, maar de namen en gewoonten bleven meestal onaangeroerd.

    Bijlagen:
    affligem1125.pdf (62.9 KB)   



    30-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    29-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Terug in de tijd (1)

    Terug in de tijd.
    © door Lambrechts René

    Kunnen we nog verder dan 1125 in de geschiedenis doordringen ?

    Wanneer we niet meer kunnen steunen op geschreven akten wordt het natuurlijk veel moeilijker om nog met juiste conclusies naar buiten te komen. Gelukkig kunnen we nog wel beschikken over gegevens, ook al handelen ze niet expliciet over Schriek of Grootlo zelf, die ons een beeld kunnen geven van de mogelijke samenleving van weleer.

    Zo ben ik in mijn zoektocht naar de oorsprong van de Uylehoef eigenlijk tot deze best mogelijke vaststelling gekomen.

    In het vorige hoofdstuk lezen we dat binnen het graafschap Loon er aan de grenzen een reeks van motte-burchten werden opgericht om zich zo te beschermen.

    Wat is een motte ? Eerst graaft men een ronde tot ovale vestinggracht uit met een diameter tot wel 100 meter, maar meestal ongeveer 40 meter. Met de vergaarde aarde legt men een kunstmatige heuvel aan van 3 tot wel 20 meter hoog, met daar bovenop meestal een ronde versterkte toren, de eersten in hout, later uit noodzaak in steen. Hoe hoger de heuvel, hoe meer grond diende aangevoerd te worden uit de onmiddellijke omgeving. De hellingen rond de toren werden aangeplant met doornachtige struiken, zodat het heel moeilijk was om de toren te bereiken. Alleen vuur was de grote vijand van dit soort van uitkijktorens of vluchtburchten. Om een eventuele brand te voorkomen werden natte huiden tegen de constructies bevestigd. Later zal men dan overgaan tot constructies in steen om dit euvel op te lossen. Specifiek bij deze motte hoorde ook een neerhof (= een hof lager gelegen dan de motteheuvel, neer heeft hier de betekenis van omlaag ), ook al dan niet omwaterd of met een andere vorm van omheining beveiligd. Daar stonden de stallen, schuren en verblijfplaatsen van de ondergeschikten. Ik stel mij nu de vraag : “ Was Halenborch (= Noelenberg = Uylenborg of de huidige Uylehoeve ) vroeger een houten motte van de graven van Loon ?”

    Impressie van een motte

    Ziehier enkele redenen die deze stelling verdedigen.

    1° De materialen aarde en hout zijn ter plaatse aanwezig en voor de heer kosteloos. De dichtst bijgelegen steengroeven vinden we rond Wezemaal of Grimbergen.

    2° Het werk vergt geen gespecialiseerde arbeiders tenzij timmerlui die plaatselijk toch voor handen waren.

    3° De leenheren konden hun onderdanen verplichten tot het leveren van herendiensten, m.a.w. ze konden de plaatselijke bevolking enkele dagen gratis opeisen.

    4° De plaats : aan de grens van het toenmalige graafschap Loon met het graafschap Brabant, afgeschermd door de beek die wij nu Raambeek noemen. Waarom noemde men in 1309 deze waterloop “walgracht” in plaats van beek of een of andere naam die mensen gaven aan grotere waterlopen ? Omdat deze beek de natuurlijke grens is geweest, welke wellicht nog werd uitgediept, waardoor er een wal = dijk ontstond. Ook oude toponiemen als Ouden Dijk herinneren nog aan die tijd. Zo kunnen we de Raambeek zien als de eerste natuurlijke verdedigingsgordel, of was dat reeds de tweede, en was de Dijle de eerste natuurlijke grens? Waarschijnlijk was het zo, aangezien we Keerbergen, en Werchter ook terugvinden in het patrimonium van de Heren van Aarschot, dus van het graafschap Loon.

    5° De gracht rond ‘den Uyl’ is heden ten dage wel zogoed als verdwenen, in de beschrijving van het goed bij het leenverhef uit 1753 kunnen we lezen :” … zeker huys ende hof van plaisantie omwatert met twee waeteren ende brugge genaemt Huylenborch gelegen by St.Jan in den Schrieck onder de prochie van Putte,…” Men treft hier zelfs een dubbele watergracht rond het domein aan waarvan heden ten dage nog kleine restanten zichtbaar zijn.

    In de stratenatlas van 1837 zien we nog duidelijk de volledige gracht rond de Uylehoef en de helft ongeveer van de tweede gegraven gracht rond de beide plaatsen (toen was de helft van de buitenste gracht reeds gedempt).

    6° De naam Haelenborch, waarbij borch in het Middelnederlands wijst op burcht, versterkt kasteel, en niet op een boerderij of molenaarswoning die we meestal ‘schans of schrans’ noemden. In het Oudnoors betekent borg, versterkte plaats. Haelen komt dan weer van halu, en dit betekent : een vestiging op hoge zandgrond. Denk ook aan de naam Van der Borcht die op Grasheide algemeen gekend is.

    Wanneer we nu de latijnse versie : Halisca (1) even ontleden, dan vinden we ook weer twee delen, nl. Halis van halitus wat damp betekent of halos, wat wazige kring rond een hemellichaam als van de maan betekent, en dit gekoppeld aan ca, de verkorting van casa wat huis of landgoed betekent. Dus samengevat, een vesting of landgoed dat verrijst uit de nevel. Dit kan men zich best voorstellen omwille van zijn ligging omgeven door gegraven grachten. in een gebied met veengronden en andere moerassige poelen, en de oude walgracht, zijnde de Raambeek.

    (1) Uit Karel de Grotes’ regeerperiode dateert een van de oudste documenten over onze streek, nl Het Privilegie over de giften in het Waverwoud aan de H.Remigius in 812. Ook al gaat het hier om een apocriefe (= niet als echt erkende ) akte, zeker met betrekking op de datum, de namen van deze nederzettingen zijn niet verzonnen. Het gaat hier om 20 villa’s, allen gelegen in het Waverwoud, te weten : Halisca, Melimbrica, & Brunnum seu Berlara, &Letoina, & Soalnea, & Bersela, & Rahisco, & Salsitlo, & Nera, & Rimhamna, & Alon, & Urna, seu Walciteai, & Aldina, & Blarica, Netosa, & Andratina etiam, & Cruptinum, & Vrinia. Onder de benaming villa verstaan we geen riante bouwwerken zoals bij de Romeinen, het waren meer kleine nederzettingen, al dan niet beschermd door een vroonhof (= een houten versterkte woning met uitkijktoren). Duidelijke plaatsnamen die wij herkennen zijn Berlaar, Beerzel en Rijmenam, maar van Schriek, Heist, Keerbergen en Putte om er enkele te noemen, geen spoor. Toch zou het mij niet verbazen mocht er tussen de overblijvende namen een plaatsaanduiding zitten, gelegen binnen onze oude grenzen. Wat te denken van Halisca voor de plaats genoemd Halenborch, vermeldt op de grafsteen van Jan Rouselle in de St.-Pieter en Paulus kerk te Mechelen anno 1522 ? Cy gist Messire JEHAN ROUSSELLE Seigneur de Horvette & Hove diet Halenborch Maittre des Requestes au grand Conseil & Conseillier & depuis Commis par le Roy à l’Estat de Lieutenant-Gouverneur de Namur & Cheff du Conseil illec decedé en September 1522 Et Dame MAXELINDE DE CORET sa Compagne decedée le 4 d’Octobre 1536 Et Dame ANNE MARIE ROUSSELLE leur Niecce decedée le ….. (Provincie, Stad, Ende District Van Mechelen: Opgeheldert In haere kercken, …blz 293)

    Volgens Van den Wijngaert staat Halisca voor het dorp Haelen in Nederlands Limburg (het Waverwoud was zeker niet zo groot, er wordt algemeen aangenomen dat het zich uitstrekte tussen de beide Neten, de Dijle en de Rupel). Volgens mij gaat het hier om de nederzetting in de omgeving van de Uylehoeve welke we met de oudste benamingen Halenborch en Huylenborch terugvinden.

    Wat mij ook zo verwonderde is het ontbreken van een laathof of leenhof of ridderhof in dat oude Schriek. Onbegrijpelijk als men weet dat Schriek van oudsher in het patrimonium van de Berthouten is opgenomen. Men treft er alleen leengoederen en cijnsgoederen aan.

    Wel weten we dat in 1270 Wouter V Berthout een groot leen geeft aan zijn zoon Wouter VI, gedeeltelijk onder Schriek, en er zou geen leenhof zijn! Hovel, een deel van Halenborch, was een hertogelijk leenhof, maar … gelegen onder de parochie Putte. Een leengoed verdeeld over drie verschillende heerlijkheden lijkt mij zeer uitzonderlijk, tenware de oorsprong ligt bij een van deze drie, m.a.w. het oude Frankische vroonhof, later motte met neerhof, dat in oorsprong deel uit maakte van één oude heerlijkheid nl. in den Scriec onder Bersela. Let nu even op deze latijnse tekst over Jan Van Hove, oudst gekende Heer van de heerlijkheid Hove(l) : Johannis de Hove XIIII bonnaria terre apud Mechelen et i curtim dictam in de scriec. Johannis et Balduinus ejus filii tenet sed nescio et relevaverunt (B.C.F.B. latijnboek fol 55R°) En wat te denken van deze tekst : Jan Van Hove XIIII bunderen landts bi Mechelen ende ’t hof in den Scriec gheheten. Jan ende Boudewijn sijn brueders houdent nyet en weetend of sijt ontfaaen hebben ende aldus steet in d’ oude boeck. Dit goet leyt in de prochie Putte ende heet ’t Hof Van den Hove …(B. Leenhof van Brabant n° 4 folio 1r°) De vertaling is blijkbaar lichtjes gewijzigd en aangevuld met de ligging in de parochie Putte. Hoe deze gronden vanuit de heerlijkheid in den Scriec dan later over drie afzonderlijke heerlijkheden wordt verdeeld, is mijns inziens te wijten aan politieke en structurele beslissingen bij de Berthouten, na de dood van Gilles (1310) of Floris ( 1331) waarbij bepaalde delen gebruikt worden als pasmunt bij de onderlinge verdelingen of als een doordachte zet bij de ruzie tussen de Berthouten en de bisschop van Kamerijk omwille van de nieuwe tienden. Lees hierover meer in de volgende hoofdstukken, als we het hebben over de grenscorrecties met onze buurdorpen. Delen van Schriek worden gebruikt als pasmunt : een rode draad doorheen onze geschiedenis. Hoe was het ook weer : “Geschiedenis herhaalt zich”. Het zal nog enkele malen gebeuren.

    7° Bij een motte paste een neerhof. Wanneer we dit oude woord ontleden zien we het deel “neer” wat wijst op ‘lager gelegen’, en het woord “hof”, een term die men vanouds gebruikte om een omheinde of afgesloten bewoningsruimte aan te duiden. Zo kennen we heden ten dage nog altijd “ het Hof van Riemen te Heist of het Hof van Laeken te Booischot”. Op de oudste kaarten van 1702 zien we nog steeds verschillende gebouwen juist ten zuiden van “den Uyl”. Deze hoeve van weleer (nog niet zo lang geleden afgebroken) heet nu toch wel toevallig Neerhof hoeve.

    Detail van de kaart van de landerijen van den Uyl en de neerhofhoeve (abdij van Tongerlo)

    8° Men spreekt ook over de heerlijkheid of het leenhof onder den hertog “ Hovel “. In de oudste stukken ‘Hove’ wat zou betekenen : omheind stuk land of rechtbank. Hovel staat dan weer voor heuvel, en waar zou die daar anders kunnen gevonden worden als bij die oude motte. Tevens is het ook maar een deel van het eerdere grote leen Halenborch, waar Hovel oftewel Uylenborch werd uit afgesplitst. Het andere deel heet Horvette, ons beter bekend als het Gorterleen of Gorters Laathof, genoemd naar Willem de Gorter, Heer van het leen in 1415. (Pitsemburg n° 856)

    9° Wat dan te denken van de namen “Halenborg, Huylenborch, Uylenborch, Noelenberg”. Noëlen is het Schriekse dialect voor uilen, en berg werd al snel gebruikt in de plaats van heuvel. Waar nestelen uilen zich ? Zoals de meeste roofvogels maken ze hun nesten op hooggelegen plaatsen, dus kerktorens en de toren van de motteburcht. Welke geluiden maken ze ? Ze huilen als kinderen. Dus : Halenborch werd huylenborch, en die verloor haar “h”, zodat Uylenborch definitief als plaatsnaam in de omgangstaal werd gebruikt.

    10° Legenden spreken steeds over “roofridders” als men het had over de bewoners van “den Uyl” het symbool van hun nachtelijke strooptochten. De oudste legende verhaalt dat ouders hun kinderen angst inboezemden voor de omgeving van Uylenborch. Kinderen werden daar opgepakt en opgesloten in den toren en ’s nachts kon je hen horen huilen. Het is duidelijk, de omgeving van den uyl was geen voorbeeld voor opgroeiende kinderen, men kon ze dus maar beter zo ver mogelijk verwijderd houden van deze plaats. Dergelijke legenden doen mij terugdenken aan de verhalen over ‘de voddenman’ of ‘de loekebeer’ uit mijn kinderjaren. De werkelijkheid was even anders. Bij oorlogsgevaar bood deze plaats bescherming voor de plaatselijke bevolking en gedroegen deze ‘roofridders’ zich als Robin Hood of Sint-Hubertus. Dit doet mij vermoeden als was de werkelijkheid zo dat de soldaten die daar gelegerd waren preventieve uitvallen deden in het graafschap Brabant ter bescherming van de plaatselijke bevolking. Zo zagen de Schriekenaren in ‘de Uil’ het symbool van hun bescherming.

    Als erkenning vindt men dit symbool of deze naam veelvuldig terug in Schriek. Het was wijlen Theofiel Goovaerts, hoofdonderwijzer en tevens geïnteresseerd in het Schriekse verleden, die de verbanden tussen ‘Uylenborch en Schriek’ had ontdekt. Als medeorganisator van de feestelijkheden, georganiseerd voor een opknapbeurt van de parochiezaal in 1967 werd er gekozen voor de naam Uylefeesten.

    Eerste affiche van de Uylefeesten 1967. Het embleem is van de hand van Jos Van Craen.

    Later volgden een kinderkarnavalvereniging, een studentenclub, een vrije radio, een motoclub, een dansclub, een parochiale vereniging, in producten en reclame bij plaatselijke handelaars, e.a. ?

    Eerste ontwerp van de sticker is van de hand van René Lambrechts.

    Studentenclub Uilenspiegel van Schriek.


    Besluit : In de omgeving van de Uylehoef bevond zich destijds een Frankische nederzetting ‘Halenborch’. Alle nuttige elementen waren bij de hand, voldoende bossen voor de jacht, om varkens te hoeden en voor het hout (timmer- en brandhout), vruchtbare alluviale gronden om in cultuur te nemen gelegen tussen de Uylehoef en de Raambeek, stromend water van deze beek en stilstaand water van de moerputten leverden dan weer ideale visgronden. Ook het moerasgebied rond de moerputten (het laagste punt van Schriek) was een ideaal vluchtoord bij dreigend gevaar. Deze kleine nederzetting werd tijdens de regeerperiode van de Graven van Loon omgebouwd tot motte en later tot leen- en laathof. De Berthouts zagen het helemaal zitten om onze streken verder te ontwikkelen en te verdelen binnen hun familie. Ook voor Schriek met Grootlo en Bollo zagen ze prachtige mogelijkheden. De afsplitsing van de verschillende delen uit het land van Mechelen zoals Berlaar, Keerbergen, Duffel, ... was volop bezig. Ook voor Schriek werden de nodige voorbereidingen getroffen. Wouter V geeft in 1270 een landgoed onder Schriek in leen aan zijn zoon Wouter VI ter waarde van 500 ponden tournois per jaar. Dat is geen klein stukje! Vermoedelijk is dit te situeren vanaf de kerckebossen (= het Schriekbos) tot de Raambeek en de huidige Van der Borchtstraat (later terug te vinden als het Gorterleen – Huylenborch en het Venneschot). Dit leen en de tienden van Schriek was een ideale start voor een Berthout telg. De bestaande motte kon omgebouwd worden tot kasteel welke op minder dan 1 km via een rechte dreef was verbonden met de nog nieuw te bouwen kerk.

    Waarom werd deze droom geen werkelijkheid?

    Wouter VI was als oudste zoon voorbestemd om zijn vader op te volgen als Heer van Mechelen wat dan ook gebeurde in 1287. De heerlijkheid Schriek was dus voorbestemd voor een van zijn kinderen, waarbij zijn eerstgeboren kind Wouter VII hem na zijn dood zou opvolgen en Jan of Gillis later de heerlijkheid Schriek zouden ontvangen.

    Doch het noodlot sloeg toe. Wouter VI sneuvelt in de slag bij Woeringen op 05.06.1288, amper één jaartje na zijn vader. Wouter VII, nog minderjarig, volgt zijn vader op onder de voogdij van zijn oom Floris Berthout. Ook hem is geen lang leven beschoren en hij sterft reeds in 1294. Zijn broer Jan, nog minderjarig op dat ogenblik, wordt nu de nieuwe heer van Mechelen, maar ook hij sterft zeer jong en kinderloos in 1304. Het is nu de beurt aan de jongste telg Gillis Berthout, nog in 1303 heer geworden van Heyst, die nu heer wordt van de heerlijkheid Mechelen, waarvan Schriek nog altijd deel uitmaakte. Hieruit valt af te leiden dat Schriek eigenlijk bestemd was voor Jan. Ook zijn naam wijst duidelijk in deze richting: ‘Jan I Berthout, heer van Sint Jans in den Scriecke’.

    Samen met zijn moeder zal Gillis de overeenkomst van zijn grootvader met de bisschop van Kamerijk uitvoeren, nl te Schriek een kerk bouwen en de pastoor vergoeden. Maar ook voor Gillis luidden de doodsklokken vrij snel en aangezien ook hij geen nakomelingen had, is het Floris Berthout, toen heer van Berlaar, die in 1310 de heerlijkheid van Mechelen erft. Schriek blijft binnen de heerlijkheid van Mechelen, maar het mooie landgoed dat Wouter V had geschonken zal nu worden opgesplitst, een deel bij Putte, een deel bij Keerbergen en een deel blijft bij Schriek. Dit is het einde van Wouter V zijn droom voor wat betreft de heerlijkheid Schriek.


    29-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)
    28-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Berthouten

    De Berthouten van de xii tot de xiv eeuw

    WOUTER I BERTHOUT

    Eerste vermelding in 1140 als Wouter van Grimbergen
    Huwt met Margareta van Grimbergen, dochter van Gerard I van Grimbergen en Oda van Aarschot
    Kinderen : Wouter II Berthout
    (en een mogelijke bastaard : Adam)
    † vermoedelijke datum 14.06.1180
     
    Het patrimonium van de heren van Grimbergen werd te saam beheerd en bestuurd, wat dus betekende dat bij het overlijden van Gerard I en Arnold I van Grimbergen er geen opsplitsing van het patrimonium is gebeurd. Dit gold niet voor de eigen aanwinsten die hij zou verkregen hebben door bv; huwelijk, koop of …op een minder aanvaardbare wijze! Daarom zou hij ook in de kerkban worden geslagen als gevolg van een conflict met de St-Remigiusabdij van Reims over onrechtmatig verkregen bezittingen in het Waverwoud. Wij kunnen ons afvragen of dit iets te maken had met onze gewesten?. Hoogst waarschijnlijk wel! Van deze ban blijkt later niets meer terug te vinden te zijn.


    WOUTER II BERTHOUT

    Vermeld tussen 1178 en 1202, zoon van Wouter I Berthout en Margareta van Grimbergen
    Huwt met Guda van Loon (1169-1202), dochter van graaf Lodewijk I van Loon (1141-1171) en Agnes van Metz
    Kinderen : 1. Wouter III Berthout
    2. Gillis I heer van Berlaar (1195-†1241) huwt met Catharina van Belle en is de stamvader van de Berlaarse Berthouts
    3. misschien ook een Guda
    † vermoedelijk op een 05.11 1202 en begraven in de St.-Romboutskerk te Mechelen
     
    De verdeling van het ‘land van Grimbergen’ tussen de Berthouten en de van Grimbergens vond plaats in 1197 (*). Voorheen werd het patrimonium bestuurd door de van Grimbergen en de Berthouten samen. Bij deze deling erfden de Berthouts het gedeelte van de Aarschot-erfenis in het ‘land van Grimbergen’, nl.Werchter met Haacht, Berlaar, Keerbergen en Schriek. Omdat we Schriek nooit terugvonden als deel van het Graafschap Aarschot, zou dit betekenen dat Schriek in volle eigendom behoort tot de Berthouts, in tegenstelling met Werchter en Haacht die tot het graafschap Aarschot blijven behoren, maar waar de Berthouten bepaalde rechten en eigendommen blijven bezitten. Ook op juridisch vlak valt een en ander af te leiden. Zo weten we dat uit het ten hoofde gaan valt af te leiden dat Schriek vroeger in het Berthout-patrimonium is opgenomen dan Grootlo of de nieuwe dorpen in het Waverwoud zoals : Putte, O.L.V.Waver ,…In het dorp en bank van Sint-Jan in den Schriek zijn de breuken als te Berlaar en halen ze hun hoofdvonnis te Berlaar, terwijl die van Grootlo of Beerzel of Putte of… dat te Putte moeten doen. Berlaar kan ook een beetje beschouwd worden als het centrum van het Berthout-imperium ; het heeft zich duidelijk gelijk ontwikkeld met Schriek, maar vroeger dan Grootlo of Putte.
    * Godfried Croenen : de familie Berthout en de Brabantse adel blz 82


    WOUTER III BERTHOUT

    Vermeld tussen 1195 en 1220, zoon van Wouter II Berthout en Guda van Loon
    Huwt Sofie (1200-1220), waarschijnlijk de dochter van graaf Floris III van Holland
    Kinderen : 1. Wouter IV Berthout
    2. Hendrik I
    3. Gillis
    4. Dirk
    5. Arnold
    6. Maria
    † waarschijnlijk te Damiette (Egypte) tijdens de 5de Kruistocht, kort nadat hij de schenking had gedaan aan de Ridders van Pitsenburg op 27.01.1220.(*)

    Voor het eerst in de geschiedenis voert een Berthout de titel “Heer van Mechelen”. Zijn vader en grootvader noemde men : Heer van Grimbergen of Voogd van Grimbergen.
     
    Bij het overlijden van Wouter II Berthout krijgen we naar alle waarschijnlijkheid de splitsing van het Berthout-imperium tussen Wouter III , die Mechelen +… ten dele valt, en Gillis I die Berlaar + … krijgt. Waar we Schriek moeten situeren is niet duidelijk, daar geen enkel document enig uitsluitsel biedt. Pas in een oorkonde uit 1270 (**) vinden we Schriek terug in de lijst van opbrengsten van het Land van Mechelen. Dit bewijst niet dat het altijd in het Mechels imperium heeft gezeten. Er was nog heel wat onverdeeldheid tussen beide groepen zoals in het oude Werchter of het Waverwoud en heeft Schriek of delen ervan misschien gediend als pasmunt tussen beide takken van de familie, waardoor het van Berlaar is overgeheveld naar Mechelen. Wie zal het ons zeggen? In het testament van 1266 van Lodewijk I van Berlaar (***) is er wel geen spoor van Schriek te vinden, maar wel van Beerzel, waarvan Schriek nog altijd deel uitmaakte. Bestond er misschien een deel Schriek onder Beerzel en een deel Schriek buiten Beerzel met Grootlo en Bollo? Wat we later vinden is voer voor deze optie. Aan elke lezer om zelf een oordeel hierover te vellen.
    * Zie hierover : ‘Schenking van Wouter III Berthout in 1220’ op dit blog
    ** Godfried Croenen : de familie Berthout en de Brabantse adel blz 106
    *** Godfried Croenen :Oorkonden van de familie Berthout blz 375-376

    WOUTER IV BERTHOUT


    Vermeld vanaf 1219, zoon van Wouter III Berthout en Sofie
    Huwt Adeloia van Edingen, dochter van Engelbert van Edingen en Ida van Avesnes
    Kinderen : 1. Wouter V Berthout
    2. Hendrik
    3. Jacob
    4. Gillis
    5. Sofie
    6. Catharina
    † 10.04.1243 en begraven in de Minderbroederskerk van Mechelen
    Nam samen met zijn vader deel aan de 5de Kruistocht, maar was hoogstwaarschijnlijk reeds vertrokken toen zijn vader de schenking van Grootlo deed, en hij de nieuwe heer van Mechelen werd na diens dood.
    Het is tijdens zijn bestuursperiode dat de verdeling van het patrimonium effectief verder wordt doorgevoerd, waarbij Gillis II, zoon van Gillis I, Heer wordt van Berlaar, Keerbergen en … Wouter IV krijgt Mechelen, Schriek en … en zijn broer Hendrik I krijgt Duffel, Geel en …Grote delen van het Waverwoud (Putte, O.L.V.Waver en Sint-Katelijne-Waver) bleven nog onverdeeld en werden ook volop ontgonnen.

    WOUTER V BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1238, zoon van Wouter IV Berthout en Adeloia van Edingen
    Huwt tussen 1238 en 1244 met Maria van Auvergne (1238 - † 20.05.1282), dochter van graaf Willem IX van Auvergne en Aleid van Brabant. Maria was dus de kleindochter van de Brabantse hertog Hendrik I.
    Kinderen : 1. Wouter VI Berthout
    2. Willem
    3. Sofie
    4. Mathilde
    5. Floris
    † 15 of 16.06.1287 en begraven in de St-Romboutskerk te Mechelen

    Deze telg uit de Berthout dynastie zal voor Schriek de geschiedenis in gaan als de ontwerper van deze heerlijkheid in het Land van Mechelen. Ook bij de Mechelaars kreeg hij de titel : “de Grote” en Jan Van Boendale noemde hem “de Goede”.

    De Berthouten in conflict met de bisschop van Kamerijk over zowel de oude als nieuwe tienden verkregen in dit deel van het Waverwoud, proberen uit de impasse te geraken door het op een akkoord te gooien met de bisschop. Wouter V slaagt daar wonderwel in, maar Hendrik van Duffel en Gillis van Berlaar slagen daar niet in. Wouter V Berthout ontvangt van Nicolaas III van Fontaines (1249-1272) de tienden van Schriek op voorwaarde dat hij aan de kapel 12 pond Leuvens zou toewijzen bij de oprichting van een nieuwe kerk en parochie. Dit betekende de definitieve ondergang van de parochie Beerzel, dat het deel van Schriek aan zijn neus zag voorbij gaan. Ook de oprichting van de parochie Putte St. Niklaas in 1265 past volledig in de samenwerking tussen de landheren, zijnde de Berthouten en de bisschop van Kamerijk.

    Ook zal er tussen de Berthouten onderling weer geschoven worden met grondeigendommen om de nieuw ontgonnen gronden van Waver en Putte en Schriek en Grootlo te kunnen verdelen en om er nog zoveel mogelijk voordeel uit te halen.
    Misschien dateren van die tijd al sommige kleinere of grotere grenscorrecties met Keerbergen, Heist en Putte.(Zie Grenscorrecties)
    In 1270 wordt van alle bezittingen van Wouter V een inventaris gemaakt.
    Schriek en Winklem zijn goed voor 120 ponden Leuvens tegenover Noorderwijk slechts 25 ponden. Ook weten we dat Wouter V aan zijn zoon Wouter VI een leengoed had geschonken, gedeeltelijk gelegen onder Schriek, ter waarde van 500 ponden tournois.

    WOUTER VI BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1268, zoon van Wouter V Berthout en Maria van Auvergne
    Huwt met Adelisia de Guines (1270-1324) dochter van graaf Arnold III de Guines en Alice van Coucy
    Kinderen : 1. Wouter VII Berthout
    2. Jan
    3. Gillis
    † gesneuveld in de slag bij Woeringen 05.06.1288

    Adelisia de Guines
    heeft na de dood van haar man zich bijzonder ingezet voor abdijen en kerken. Zo ook voor Schriek, waar zij samen met haar zoon Gillis een nieuwe kerk liet oprichten en op 9 maart 1309 aan bisschop Filippus ootmoedig smeekte om deze kerk als parochiekerk te erkennen.

    WOUTER VII BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1289, zoon van Wouter VI Berthout en Adelisia de Guines
    Ongehuwd
    † vermoedelijk 05.06.1294

    Werd Heer van Mechelen genoemd, maar was hoogstwaarschijnlijk nog minderjarig en dus onder de voogdij van zijn oom Floris Berthout.



    JAN BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1290, zoon van Wouter VI Berthout en Adelisia de Guines
    Huwt met Blanche van Brabant, dochter van Godfried van Brabant, Heer van Aarschot en Vierzon en Johanna van Vierzon
    † vermoedelijk 25.08.1304 en begraven in de St.-Romboutskerk te Mechelen

    Werd heer van Mechelen na het overlijden van zijn broer Wouter VII in 1294. Ook Jan was nog minderjarig wat blijkt uit een akkoord gesloten tussen Floris Berthout, voogd van Jan, heer van Mechelen enerzijds en Jan Berthout, heer van Grammene en zijn zoon Jan, heer van Neckerspoel anderzijds, over wederzijdse verhoudingen tussen de Mechelaars en de inwoners van Neckerspoel in 1294. (Laenen Gesch.Mech. p.31)


    GILLIS BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1299, zoon van Wouter VI Berthout en Adelisia de Guines
    Zou gehuwd zijn met Maria, dochter van Jan van Loon en Chiny, zonder kinderen, volgens J.Th.de Raadt en Baerten, maar Godfried Croenen verwerpt deze stelling bij gebrek aan bewijzen. Wel zijn er geen erfgenamen in leven bij zijn overlijden in 1310.
    † vermoedelijk 23.10.1310

    In 1303 heer van Heist en na de dood van zijn broer Jan die kinderloos overleed in 1304, werd hij heer van Mechelen. Hij zou samen met zijn moeder de kerk bouwen te Schriek en zorgen voor de oprichting van de parochie.
    Hier is dus duidelijk dat Schriek op dat ogenblik nog steeds deel uitmaakte van het Mechelse patrimonium.

    Voor meer info over de bouw van de kerk verwijs ik naar een van de volgende hoofdstukken.

    FLORIS BERTHOUT

    Vermeld vanaf 1283, zoon van Wouter V Berthout en Maria van Auvergne
    Huwt met Mechteld van de Mark, dochter van graaf Engelbert I van de Mark en Elisabeth van Valkenburg
    Kinderen : 1. Sofie van Mechelen
    Bastaardzonen : Floris, Boudewijn, Jan, en misschien ook Walewein
    † vermoedelijk 17.10.1331 en begraven in de Minderbroederskerk te Mechelen

    Na de dood van Gillis, die geen nakomelingen heeft, wordt Floris, toen reeds heer van Berlaar, de nieuwe heer van Mechelen. Door al de aankopen en erfenissen was Floris een van de rijkste edellieden geworden van zijn tijd. Niet te verwonderen dat zijn enige dochter een fel begeerde bruid was, gezien de grote bruidschat die zij meedroeg.

    In 1315 schonk Floris aan de abdij van Grimbergen woeste gronden te Beerzel en te Grootlo.

    Dit is de opvolging van de Berthouts op voorwaarde dat Schriek steeds deel uitmaakte van het patrimonium van de Mechelse tak. Volgt er nu scenario 2 : Schriek werd opgenomen in het patrimonium van de Berlaarse tak. Wouter I en Wouter II worden nu opgevolgd door :

    GILLIS I BERTHOUT van Berlaar

    Vermeld tussen 1195 en 1241, zoon van Wouter II Berthout en Guda van Loon
    Huwt Catharina van Belle, dochter van Gerard en de weduwe van Boudewijn van Grammene
    Kinderen : 1. Gillis II
    2. Lodewijk I
    + enkele dochters
    † waarschijnlijk op 18 februari 1241

    Gillis was ook kruisvaarder bij de 5de Kruistocht, maar was reeds huiswaarts vertrokken bij de gift aan de Ridders van Pitsemburg van 1220 door zijn broer Wouter III. Deze gift gaat over eigendommen van Wouter te Grootlo (deel van Schriek) en te Rama = Gestel (deel van Berlaar). Gillis was nochtans heer van Berlaar, maar wellicht niet van Gestel en was het wellicht ook zo te Schriek? Of bezaten de Mechelse Berthouten bepaalde eigendommen binnen de verschillende heerlijkheden? Feit is dat we Hameiden (= Rama = Gestel) terug vinden bij Jan I van Berlaar, zoon van Lodewijk I.

    Gillis, stichter van het klooster van Rozendaal te Walem, was een grote weldoener voor kloosters, abdijen en andere kerkelijke instellingen. Hij treed ook zelf toe tot de Duitse Orde omstreeks 1229 en laat het bestuur over aan zijn zoon Gillis II van Berlaar.

    GILLIS II BERTHOUT van Berlaar

    Vermeld tussen 1227 en 1236, zoon van Gillis I Berthout, heer van Berlaar (1195-†1241), en Catharina van Belle
    Huwt Helvide van Barbençon, dochter van Gilles, Heer van Barbençon
    † waarschijnlijk in januari 1236

    Gillis II, aangeduid als de stichter van de St.-Bernardusabdij, zet de politiek van zijn vader als vrijgevige landheer verder. Dit leidde tot financiële problemen welke dan maar door zijn broer Lodewijk I van Berlaar dienden te worden opgelost.


    LODEWIJK I BERTHOUT van Berlaar

    Vermeld tussen 1233 en 1270, zoon van Gillis I Berthout, heer van Berlaar (1195-†1241), en Catharina van Belle
    Huwt Sofie van Gavere dochter van Raas van Gavere en Sofie van Breda
    Kinderen : 1. Jan I
    2. Lodewijk
    3. Raas
    † waarschijnlijk in januari 1271

    Door de vrijgevigheid van zijn vader en broer kwam Lodewijk in financiële problemen. Deze probeerde hij op te lossen door zelf de geldkraan voor kerkelijke instellingen dicht te draaien, vroegere giften aan te vechten en een enorme ontginningsdrang in het Waverwoud met de drie Wavers (St- Catharina, O.L.Vrouw en St.-Niklaas) op kop, te ontwikkelen wat nieuwe tienden en dus nieuwe inkomsten opleverden. Dit zou echter leiden tot een conflict met de bisschop van Kamerijk en zeer zware boetes. Wouter V Berthout lost zijn problemen met de bisschop op en verkrijgt de oude tienden van Schriek. Waren deze wellicht al door de bisschop aan Lodewijk ontnomen? Hoogstwaarschijnlijk wel en zo zag Wouter V de kans om zijn ontginningen te Grootlo, te koppelen aan de oude ontginningen te Schriek en zo een nieuwe grote heerlijkheid te creëren voor een van zijn kleinkinderen.

    Besluit:

    Om de zaken welke volgen in zijn juiste context te zien moeten we ervan uitgaan dat het oude Schriek bestond uit twee delen, nl het oude en reeds ontgonnen gebied onder de parochie van Beerzel, en het nog niet ontgonnen moerasgedeelte van Grootlo en Bollo.

    Na de verdeling van de eigendommen tussen de van Grimbergen en de Berthouten in 1197 komt Schriek in handen van de Berthouts. Als na de dood van Wouter II de verdeling van het Berthout imperium wordt aangevat zien we het oude Schriek overgeheveld worden naar de tak Berlaar, samen met Keerbergen, Rijmenam, Beerzel, een groot stuk van het Waverwoud, enz… Ondertussen blijft het grote moerasgebied (met daarin het tweede gedeelte van Schriek) en de Luikse enclave van Heist in handen van de Mechelse tak.

    Zo worden volgende zaken heel duidelijk.

    1. In het dorp en bank van Sint-Jan in den Schriek zijn de breuken als te Berlaar en halen ze hun hoofdvonnis te Berlaar, terwijl die van Grootlo dat te Putte moeten doen.

    Grootlo en de Waverwoud dorpen waren in het begin van de 13e eeuw nog een vrijwel onontgonnen gebied met schaarse bevolking, daar waar Keerbergen (dat later zijn eigen bank zal oprichten) en Beerzel met Schriek reeds veel vroeger in ontginning lijken te zijn genomen. Daarom konden die van Schriekdorp niet naar Putte, want die bank bevond zich toen vrijwel zeker te Mechelen of Bonheyden. Pas na de enorme ontwikkeling van dit gebied in de eerste helft en het midden van de 13e eeuw, verhuist de schepenbank van Befferen naar Putte en konden die van Grootlo naar Putte in plaats van het verre Berlaar voor hun hoofdvonnis te halen. Grenzen worden verlegd, landheren verdwijnen en er verschijnen nieuwe heren ten tonele maar gewoonten en tradities blijven meestal veel langer doorbestaan. Zij volgen de plotse wijzigingen niet of niet zo snel.

    2. Wouter III trok op kruistocht (de 5e) met zijn broer en zonen Maar zou sneuvelen te Damiette in 1220. Daar deed hij op zijn sterfbed een gift aan de Ridders van Pitsenburg van VI bonuaria dure terre in GRUTLO, en verkregen ze het recht tot het kappen van hout en het hoeden van varkens in ‘het Waverwoud’, zoals het drie ridders toekomt.

    Deze gift bewijst het bezit van Grootlo in het Mechels imperium, maar tevens de onverdeeldheid die er nog bestond i.v.m. het Waverwoud daar Wouter III hierin een gunst verleende aan de Duitse Ridderorde zonder goedkeuring van zijn broer Gillis, waarvan velen aannamen dat hij ook dit deel volledig onder zijn bezittingen mocht rekenen.

    3. Schriek evolueert op een dubbelspoor aan verschillende snelheden.

    a) Het oude reeds deels ontgonnen Schriek onder Beerzel,opgenomen bij de Berlaarse Berthouten, wordt een beetje vergeten. Zij leggen in de eerste helft van de 13e eeuw de nadruk op de ontwikkeling van de Waverdorpen.

    b) Grootlo met Bollo, het nieuwe Schriek, evolueert onder de vleugels van de Mechelse Berthouten duidelijk veel intenser. De bevolking groeit er gestaag aan en de Berthouten slagen er zelfs in om het gebied uit te breiden naar het zuiden en de veen- en heidegronden tot tegen Emelo en Veldonck van Werchter af te snoepen. Wij weten dat de Berthouten bepaalde rechten hadden binnen het dorp Werchter en daarom was deze aanhechting hoogstwaarschijnlijk een onderhandelde oplossing met de graven van Aarschot. Maar hoe zat het dan met de belangen van de Kerk, lees de abdij van Park? Waarom zwegen zij? Dit is alleen te verklaren door het feit dat zij rustig mochten blijven voortwerken en hoe meer zielen, hoe meer … inkomsten. Dit betekent wel dat de oude kapel van St.-Jan in den Scriecke ergens in dit nieuwe deel, dus Grootlo of Bollo moet hebben gestaan ! Anders was er een duidelijk conflict ontstaan met de pastoor van Beerzel. Hierover meer in het hoofdstuk over ‘de oude kapel’.

    4. Onder Wouter V Berthout worden de beide delen geheel of gedeeltelijk verenigd.

    Het conflict tussen de bisschop van Kamerijk met de Berthouten van Mechelen, Berlaar en Duffel, en de grote financiële problemen van Lodewijk I van Berlaar hebben tot gevolg dat de heren van Berlaar stelselmatig delen van hun bezittingen verkopen aan hun familie van Mechelen. Schriek is wellicht één van de eerste transacties tussen Berlaar en Mechelen. Hierover is tot op heden nog geen specifiek document ontdekt maar er zijn wel duidelijke aanwijzingen dat deze overdracht heeft plaats gevonden.

    • a) In 1265 ontvangt Wouter V de tienden van Schriek.
    • b) In 1270 vinden we Schriek tussen de lijst van inkomsten van Wouter V.
    • c) In 1270 schenkt Wouter V een groot leengoed deels onder Schriek aan zijn zoon.

    Er zijn nu twee mogelijke scenario’s bij deze overdracht.

    1- Het volledige oude deel van Schriek onder Beerzel wordt overgeheveld.
    2- Slechts een groot gedeelte wordt Mechelse eigendom.

    Dit laatste scenario doet mij vermoeden dat bepaalde delen van het oude Schriek eigendom bleven van Lodewijk I, nl. het deel ten zuiden van de huidige Grensstraat werd bij Keerbergen gevoegd en het deel ten noorden bij Putte, waar de pas opgerichte parochie deze injectie best kon gebruiken. Het grote leen Halenborg zie ik dan weer wel volledig in de handen van Wouter V, die dit mooie stukje schenkt aan zijn zoon. Indien deze verdeling niet is uitgevoerd bij deze overdracht, dan zal dit op een later tijdstip zijn voltrokken.

    5. Op 22 juni 1329 gaf de bisschop van Kamerijk de opdracht aan de deken van Mechelen en Antwerpen om de grenzen te bepalen tussen de kapel van Schriek en de parochie van Werchter.

    Pas 20 jaar na de oprichting van de parochie wordt de grens ervan reeds in vraag gesteld.

    De bouw van de nieuwe kerk te Schriek en de komst van een eigen pastoor ,zorgt voor problemen binnen de heerlijkheid Schriek met betrekking tot de verdeling van de kerkelijke taken. De paters van Park, die nog steeds de dienst verzorgden in de kapel van Grootlo voor de meest afgezonderde families binnen Schrieks Grootlo en Werchter, voelden zich bedreigd door de nieuwe parochie Schriek, die steeds meer en meer gezinnen van binnen het oude Grootlo wist aan te trekken. Het feit dat het gedeelte Werchter (Berthoutmoer) dat was bijgevoegd eigenlijk tot het bisdom Luik behoorde was nog een reden te meer om deze toestand aan te klagen en zoveel mogelijk munt te slaan uit het geschil met Kamerijk en de Berthouten. Het gebrek aan een echte Berthout als heer van de heerlijkheid Schriek laat zich nu duidelijk voelen. Floris was ondertussen zo groot en machtig geworden dat hij geen grote confrontatie met het bisdom Luik gaat voeren om een stukje moeras en heide. Dit waren in zijn ogen maar borrelnootjes, en men kon het machtige Luik en de abdij van Park beter tot vriend als tot vijand hebben voor het regelen van grotere en belangrijker zaken. Ik verdenk hem er dan ook nog van de naruurlijke in onnatuurlijke grenzen met Heist, ook een Luikse enclave, te hebben gewijzigd. Het resultaat van dit conflict is voor Schriek het totale verlies van de Bollo tot boven de Raambeek. De Bollotienden en de gronden verdwijnen onterecht in de rijke koffer van de abdij van Park, iets wat ze bij de vergroting van de kerk door een royale gift hebben trachten te verbloemen.



    28-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (1)
    27-06-2010
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De oude kapel

    De oude kapel.

    “Goedkeuring door de bisschop
    Op 8 juni 1309 werden door de bijzondere zaakgelastigde van de bisschop van Kamerijk te Brussel, alle schikkingen bekrachtigd, alsook de afscheiding der kosterij, zodat voortaan elke kerk, Schriek zowel als Beerzel, een zelfstandige parochie zou zijn en blijven, met eigen doopvont en begraafplaats en alles wat een parochiekerk volgens recht dient te hebben.
    Schriek bezat dus reeds rond 1260, ten tijde van Wouter Berthout en bisschop Nikolaas, een kapel toegewijd aan Sint Jan de Doper, die nadien de hemelse patroon van de nieuwe parochie is gebleven. In 1309 kregen zij een eigen pastoor, met kerkelijke diensten, met Sacramenten en godsdienstonderricht. Hoe gelukkig voelden zij zich, al heeft het ongetwijfeld nog lange jaren geduurd, vooraleer de huidige toren in witte zandsteen opgetrokken werd.
    (K. A. S., nr 13, kopie. — Analectes Hist. Eccl. Belg., 1872, blz. 38-41).”

    Dit lezen we bij Verellen in zijn parochiegeschiedenis op blz 12. Waar hij deze informatie heeft gehaald heb ik tot op de dag van vandaag nog niet kunnen verifiëren. Het aangehaalde werk - Analectes Hist. Eccl. Belg., 1872, blz. 38-41- heb ik nog niet kunnen raadplegen of inkijken, maar laat mij toe te stellen dat ik hoegenaamd niet twijfel aan de juistheid van deze tekst.

    Dat Schriek een kapel bezat welke was toegewijd aan St.-Jan Baptist en tevens een deel was van de aloude parochie Beerzel met de H.Remigius als patroon, deed bij vele historici de wenkbrauwen fronsen. Hoe was dit mogelijk : twee verschillende heiligen binnen één parochie.

    Fr.L. Van den Wijngaert ziet het in zijn boek over de Sint Remigiusabdij van Reims en het ontstaan van het Land van Mechelen zo op blz 55-56: “Als parochie nu, was Beerzel een unicum. De kerk gebouwd op een oude Germaanse bidheuvel herbergde onder haar dak eigenlijk twee verschillende parochies, ieder met zijn eigen patroon. De heilige Remigius voor wat nu tot de parochie behoort met daarbij dit deel van de vroegere gemeente Schriek, dat gelegen is ten noorden van de baan, welke de grens vormt tussen Putte en Keerbergen en Schriek omzeggens in twee sneed. Dit gebied was hoofdzakelijk bos, onder meer de leenbossen of Venne-schot groot 18 bunderen (19); de bossen van Henric van Hofstade samen groot 36 bunderen (20); de Verbrande bossen, groot 24 bunderen en de Bastaardbossen een blekbos of kreupelhout groot 7 bunders (21).
    De kapel van « Sint-Jan in den Schrieck » werd in de loop van het jaar 1309 gebouwd door Gilles Berthout. Zijn grootvader Wouter Berthout, die een grote verering koesterde voor de heilige Johannes de Doper, had, voor die op te richten parochie, twaalf pond lovens toegezegd te nemen uit de heerlijke tienden aldaar alsmede nog een klein tiendeke ter waarde van honderd schellingen Turonensis.
    Daar Schrieck, dat tot het bisdom Kamerijk behoorde, voortaan samen één parochie zou vormen met Grootlo, welk uit Werchter werd gespleten dat tot het bisdom Luik behoorde, gaf dit aanleiding tot betwisting. De kerk van Schriek werd bediend door de Norbertijnen van Park. Op 22 juni 1329 gaf Guido, bisschop van Kamerijk, opdracht aan de deken van Antwerpen en die van Mechelen om de grens te bepalen tussen de kapel van Schriek van zijn bisdom, en de parochiekerk van Werchter van het bisdom Luik om de twist tussen de heer van Mechelen en de abt van Park te beslechten (22).

    In de noot betreffende de datering van het testament van Adelize de Guines zegt Godfried Croenen dan weer op blz 391 R28 : ‘Schriek werd afgescheiden van de moederparochie Grootloo’

    In zijn boek kerkelijk en godsdienstig Brabant zou het Schriekse gebedshuis dan weer door de paterkens van Afflighem moeten worden bediend, als kanunnik Laenen het bij het rechte eind zou hebben. En hij staat niet alleen met deze visie. Zo vond ik in het boek "Synopsis actorum Ecclesiae Antverpiensis van Pierre François Xavier de Ram - 1856 dezelfde bevinding op blz 314.

    Rik Van den Broeck ziet in het Zwaantje XII dan weer de kerk van Heist als de moederkerk van Beerzel en dus als de grootmoeder van Schriek.

    Probeer daar nu maar eens wijs uit de raken. En toch vond ik voldoende elementen om op zoek te gaan naar een ‘benaderende waarheid’ steunend op nog gevonden oude toponiemen en documenten ter ondersteuning van mijn visie op heel deze zaak.

    Reeds in de vierde eeuw trokken kleine groepen Germanen (zij kwamen van over de Rijn) het noorden van het Romeinse Rijk binnen. Aangezien ten noorden van het Kolenwoud weinig Romeinse activiteit was waar te nemen, afgezien van de verdedigingsgordel langs de Rijn, was dit een ideale plaats om zich te vestigen. In 406 dringen de verenigde legers van de Franken de Romeinen reeds terug tot aan de Somme in Frankrijk, later veroveren ze steeds meer gebieden op de Romeinen.

    Deze verhalende brok geschiedenis begint bij de aankomst van de Franken in onze gewesten, in ons eigen Schriek en Grootlo. Hierop een datum plakken zou ons verleden zwaar beledigen maar op zoek gaan naar hun oudste verblijfplaatsen zou reeds een eerste lichtpuntje kunnen zijn uit deze wazige tijden. Uit alle oude documenten die ik tot op heden heb doorworsteld blijven er voor mij 3 plaatsen over nl. de omgeving van de Uylehoef (zie de uiteenzetting van Halenborch), rond de kapel van Grootlo, omwille van het driehoekige plein (een duidelijke verwijzing naar de Frankische periode) en de plaats ‘het Schalleken’ bij de Raambeek en nu onder Keerbergen (hierin zie ik een zeer oud toponiem Esgenloken vermeld in een document van WouterV Berthout uit 1243. (Hierover later meer)

    De volgende stap is de kerstening in onze streken. Algemeen wordt aangenomen dat de eerste geloofsverkondigers, zij het sporadisch, in onze gewesten arriveerden omstreeks 650. Waarschijnlijk is dit voor Schriek ergens gebeurd in de loop van de VIIIe of IXe eeuw.En wat moeten we ons daar nu bij voorstellen?

    Wat onze streken betreft zijn er dus eerst de grote families die vanuit de zandige Kempen stelselmatig zijn afgezakt naar het zuiden om zich te vestigen in de vruchtbare valleien van het Vlaamse land. Dit ruwe volk van landbouwers, herders en jagers is ongenadig in zijn drang naar bezit en macht. Zeer strenge wetten regelen hun vormen van samenleving. Zij bouwen zich houten huizen, sommigen voorzien van een uitkijktoren (het vroonhof) en ook meestal omheind met houten palen of struiken met grote doornen. Zij vereren hun eigen heidense goden als Wodan, Thor, Freya, enz…Bossen beschouwen zij als heilige plaatsen. Vreemdelingen werden steeds zeer argwanend behandeld. Naarmate ze meer en meer in contact kwamen met meer geciviliseerde mensen, gingen zij zich ook steeds minder brutaal gedragen doch hun gemeenschappen bleven zeer gesloten voor buitenstaanders. U zal nu wellicht begrijpen dat de taak van die eerste geloofsverspreiders een zeer moeilijke opdracht was. Zij dienden eerst en vooral het vertrouwen van die Frankische gemeenschap te winnen en dan konden ze zich op een veilige afstand zelf vestigen. Zij werden zeker niet opgenomen binnen die gemeenschap. Daarna kon de kerstening beginnen. De meeste zendelingen predikten met een kruis in de hand en zo ontstond er een bidplaats of altaria toegewijd aan het H. Kruis.

    -BIDPLAATSEN :ontstaan beetje bij beetje overal sinds rondtrekkende predikers het geloof in onze gewesten naar de plaatselijke nederzettingen hebben gebracht. Sommigen kapelletjes of altaria groeien uit tot doopkerken. Een dergelijke bidplaats ontstaat ook te Schriek (lees-Grootlo).

    -DOOPKERKEN :zijn bidplaatsen die uitgroeiden tot een grotere nederzetting en waar een presbyter, zeg maar pastoor, voldoende inkomsten kon bekomen om goed van te leven.
    Deze inkomsten bestonden in de eerste plaats uit een stuk goede grond om te bewerken (want deze eerste presbyters waren zelf ook boer) en voldoende inkomsten uit de tienden (= de toenmalige belasting, en offergaven ). Dus moesten er wel voldoende mensen in de buurt wonen, die ook voldoende inkomsten hadden voor hun gezin.
    Zo zien we doopkerken verschijnen te Beerzel, Heist, Aarschot, Baal, Keerbergen, Rijmenam en Werchter.
    Dat Schriek-Grootlo niet uitgegroeid is tot een doopkerk moet men zoeken in het feit dat de schaarse bewoning onvoldoende financiële garanties gaf. Niet vergeten dat de bewoners ten westen van de Drayboomstraete vanouds tot de parochie Beerzel behoorden. Welke presbyter zou zich in dat arme plaatsje bij en in het moeras komen vestigen ? Of nu deze bidplaats soms ook al eens als doopkerk is gebruikt durf ik hier niet met zekerheid verklaren; maar er zijn wel enkele aanwijzingen die wijzen op het feit dat de paters van de abdij van Park hier hun graantje kwamen meepikken ! Niet vergeten dat zij ook de lakens uitdeelden te Werchter, en alzo financieel nadeel ondervonden door het eventueel wegvallen van deze parochianen.

    1* De presbyter van Beerzel was te ver weg, en dat deel interesseerde hem blijkbaar niet, veel te moeilijk bereikbaar. Hij moest of door het moeras of rond langs Tremelo-kruis.
    2* Hoe heeft de prelaat van Park anders de Bollootienden weten te versieren?
    3* Waarom stond er destijds zo’n grote kapel als het enkel een bidplaats was? Zie het bedevaartsvaantje van omstreeks 1562 !
    4* Vergeet niet dat er regelmatig grensbetwistingen waren tussen : Schriek-Grootloo en Werchter na de oprichting in 1309 van de nieuwe parochie. De vroegere pastoor van Beerzel had alles zo zo gelaten, maar de nieuwen herder van Schriek ontfermde zich waarschijnlijk over gans Schriek en kwam zo in het vaarwater van de prelaat van Park.
    5* Waarom spreekt de prelaat van Park van “de kapel van Schriek”, als iedereen weet dat sinds 1309 Schriek een volwaardige parochiekerk had en uit de plannen zal blijken, helemaal geen kleintje !

    Is deze eerste bidplaats nog terug te vinden?

    Na lang zoek en puzzelwerk denk ik te mogen zeggen dat de plaats bij benadering met een grote waarschijnlijkheid kan aangetoond worden op de volgende plannen en aan de hand van oude toponiemen en documenten.

    Detail van de kaart uit 1742 (RAB)
    De oude toponiemen als : cruysbosch (2) – cruysbrug (1) – cruysbempt (3) – altenaer (5) en gote (4 - niet in de betekenis van afwateringskanaal, maar afgeleid van gode) liggen op een steenworp van elkaar.

    Daarbij komt dat ‘den altenaer’ een driehoekig perceel grond is, wat er op zou kunnen wijzen dat het zeer vroeg in de tijd is ontstaan. Heel eigenaardig is ook de aanduiding van dat driehoekig perceeltje (een deeltje van het grotere stuk) op de oudste kaart van Schriek uit 1742. Waarom wordt het trouwens nog aangeduid op een kaart ook al staat er op die plaats reeds vier eeuwen lang geen kapel meer? Als herinnering aan deze memorabele plaats? Het kleinste gedeelte bij de weg was ook nog eens eigendom van de gemeente, waarschijnlijk omdat er niemand gevonden werd om die plaats te verbouwen. Een beetje bijgeloof was vroeger niet uit de lucht. Wie zou het aandurven te zaaien of te planten op de heilige grond waar ooit de eerste kapel stond? Ook de tekst op de kaart “Grootloo by cruys” zegt voldoende. Van de gote weten we dat het in de oudste rekeningen van omstreeks 1560 steeds vermeld is als: ‘de kerckenbosch genaemt de gote’ . Was dit wellicht het heilige bos van de Frankische nederzetting van voor de kerstening?

    detail van de Ferrariskaart

    En wat te denken van de twee huisjes nabij die plaats (6) welke kerkelijk onder de parochie Werchter ressorteerden; wellicht een overblijfsel van de oude twist tussen de kerk van Werchter en de Berthouten.
    We weten dat Schriek reeds een kapel bezat toegewijd aan Sint-Jan Baptist omstreeks 1265, dus voor de bouw van de nieuwe kerk in 1309. Ook in 1329 waren de problemen met Werchter in verband met de kapel te Schriek lees Grootlo nog niet van de baan.

    Detail van de wegenkaart uit 1834. Hier zie je de opsplitsing van het ganse stuk in twee delen 35 en 34

    Stelt zich nu de vraag ‘Van waar is Sint Jan dan als patroonheilige gekomen?’

    Hoogstwaarschijnlijk vindt die patroonswissel plaats tijdens de prediking en aanwerving van het voetvolk voor de eerste kruistochten omstreeks 1096, waarbij de toenmalige heren van Aarschot en Grimbergen ook vertegenwoordigd waren. Deze prediking kon best gebeuren aan de reeds bestaande bidplaats. Er was toen immers hoegenaamd nog geen sprake van een permanent aanwezige presbyter of pastoor.

    Waarom volg ik deze hypothese ?

    • a) De patroonheilige van deze kapel werd Sint Jan Baptist, tevens de beschermheilige van de eerste kruistochten. De ridders en strijders aan deze tochten moesten zich tooien met een sint-janskruis. Dit symbool was vrij eenvoudig te maken en aan te brengen in de kapel. De oude toponiemen met cruys kunnen ook hiervan zijn afgeleid.
    • b) Vertrekkende vanuit Leuven naar ’s Hertogenbosch (de beide hoofdplaatsen van het graafschap Brabant), vinden we op dagafstand van elkaar steeds oude kerken met dezelfde patroonheilige terug, namelijk St.-Jan Baptist. Volg je mee op een kaart : Leuven Tildonk Werchter Schriek Wiekevorst Herentals Poederlee … tot ’s Hertogenbosch.
    • c) Naar alle waarschijnlijkheid verzamelde dit voetvolk zich in steeds groter wordende groepen terwijl het zich begaf naar de plaats van vertrek. Aangezien de legers zich oostwaarts bewogen lijkt het mij zeer logisch dat deze groepen zich verplaatsten langs de oude heirbaan van Grimbergen over Elewijt en Keerbergen langs Veldonck naar Aarschot. Hebben dergelijke groepen verzamelt te Grootloo Cruys?

    En hoe zit dat nu met ‘Sint Jan in den Scriecke’?

    Zoals we voorheen reeds hebben gezegd is Grootlo steeds een deel geweest van het oude Schriek, zoals ook Bollo. Grootlo en Bollo waren eigenlijk het echte moerasgebied met de grote poelen en Schriek moet je situeren als het geheel met de droge plaatsen binnen en buiten het moeras. Men spreekt ook altijd van ‘in den Scriecke’. Wanneer je de plaats van de eerste kapel bekijkt dan ligt die wel degelijk op een droge plek in het moerasgebied met in het westen de laagten van de huidige Tramlei, in het oosten de laagten van de Peyerlanden en in het noorden de laagten van het Rot.

    Maar op het vaantje heeft de kapel van Grootlo als patroon : ‘de Zoete Naam Jezus’.

    Het is duidelijk, de kapel van St.-Jan in den Scriecke op den altenaer had na de bouw van de nieuwe kerk in 1309 in principe zijn waarde verloren. Maar dat was buiten de tradities van de oude Grootlonaren gerekend die (ik vermoed enkele jaren later) de oude kapel hebben vervangen door een nieuwe kapel in het centrum van Grootlo. Deze vrij grote stenen constructie is wellicht het werk van een plaatselijke weldoener of een ‘berekende gift’ van de abdij van Park, die nu heel wat inkomsten hadden verworven, zelfs binnen Schriek. Afgaande op de gekende tekeningen zou ik durven opteren voor een bouwwerk uit de 14e eeuw. Misschien koesterde de abdij nog andere plannen voor Grootlo en omgeving maar heeft die om een of andere reden niet ten uitvoer kunnen brengen. Na de turfwinning bleven er alleen de zanderige heidegronden met enkele grotere waterpoelen en moerassen over in dit zuidelijke deel. Zeker niet ideaal om nog een grote bevolkingsaangroei in deze regio te realiseren. Daarbij komt dat de meeste nieuwe nederzettingen in noord en centraal Grootlo zich richten tot de kerk van Schriek en niet tot de kapel van Grootlo, welke geen echte kerk was voor doop of begrafenis.

    Wat mij ook steeds heeft verwonderd is het feit dat er geen oude misweg is gekend tussen de kerk van Schriek en de oude of nieuwe kapel te Grootlo, wat er nogmaals op wijst dat de bediening vanuit Beerzel of later vanuit Schriek weinig of onbestaande was. De moeilijke bereikbaarheid door de grote waterpoelen en moerassen zijn daar zeker niet vreemd aan. Naarmate de ontginningen in het noorden van Grootlo toenemen zien we daar wel twee lange miswegen ontstaan te weten : de Goorvoetweg vanaf de Goorschrans en de Leegen Kerkweg vanop de Hoge Heide. Dit zou kunnen wijzen op het feit dat de monniken van Park nog verschillende jaren na 1309 de diensten verzorgden te Grootlo. In 1560 is het de kapelaan van Schriek die de zorg van Grootlo voor zijn rekening nam. Ook de grote processie hield destijds halt aan de kapel. Op dat ogenblik is er geen enkele relatie met Park meer te vinden, tenzij dat ze nog steeds beschikten over de Bollotienden en de gronden van de Bollo de eigendom waren van een rijke familie. ‘k Ben bijna zeker dat ik ooit familiebanden zal vinden tussen deze familie en een abt van Park.


    27-06-2010, 00:00 geschreven door renic
    Reacties (0)

    ARCHIEF
    Genealogie

    Doopregisters
    Geboorteakten BS

    Huwelijksregisters
    Huwelijksakten BS

    Overlijdensregisters
    Overlijdensakten BS

    Gezinnen

    Wereldoorlog I

    Akten BS en PR
    Heist-op-den-Berg

    Booischot

    Akten BS en PR
    Putte & Beerzel

    Akten BS en PR
    Baal
    Tremelo
    Werchter
    Keerbergen

    Akten Bierbeek
    Korbeek-lo
    Lovenjoel
    Ophelp

    Archief per maand
  • 02-2021
  • 01-2021
  • 12-2020
  • 10-2020
  • 07-2020
  • 02-2020
  • 01-2020
  • 04-2019
  • 12-2018
  • 02-2017
  • 01-2016
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 10-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 03-2013
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 03-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 06-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 11-2008
  • 07-2008
  • 05-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Blog als favoriet !
    Mijn favorieten
  • bloggen.be
    Zoeken met Yahoo


    Foto
    Steyne Hoeve 1651

    De Heren van SCHRIEK

    Foto

    De graven van Loon

    Foto

    De graven van Aarschot

    Foto

    Familie Berthout

    Foto

    Graven van Gelre

    Foto

    Huis Van Kleve

    Foto

    Huis Van Arkel

    Foto

    Graven van WEZEMAAL

    Foto

    KAREL DE STOUTE
    MARIA van BOURGONDIË

    Foto

    VAN DER LAEN

    Foto

    VAN DER NATH

    Foto

    DE BROUCHOVEN

    Foto

    VAN DER STEGEN


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!