Wat gebeurde er nu in werkelijkheid met de Ark van het Verbond?
Psalm 74:1
Een leerdicht van Asaf. Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos, brandt uw
toorn tegen de schapen die Gij weidt?2 Gedenk uw gemeente, die Gij van ouds
hebt verworven, die Gij verlost hebt als de stam van uw erfdeel, de berg Sion,
waarop Gij uw woning hebt gevestigd.3 Richt uw schreden naar wat voorgoed in
puin ligt;
alles heeft de vijand in het heiligdom vernield.4 Uw tegenstanders
brulden in uw vergaderplaatsen hebben er hun tekenen als tekenen opgesteld;5
het had het aanzien, alsof iemand de bijl van omhoog op het kreupelhout deed
neerkomen;6 toen sloegen zij het snijwerk daaraan altegader stuk met bijl en
houweel;7 uw heiligdom staken zij in brand, zij ontwijdden tot de grond toe de woning
van uw naam;8 zij zeiden bij zichzelf: Laten wij hen altegader verdrukken. Zij
verbrandden alle godshuizen in den lande.9 Onze tekenen zien wij niet, geen
profeet is er meer, niemand onder ons, die weet tot hoelang.10 Ja, hoelang nog
zal de tegenstander honen, o God; zal de vijand uw naam voor altijd
versmaden?11 Waarom houdt Gij uw hand, ja uw rechterhand, terug? Trek ze uit uw boezem, verdelg! (NBG
Vertaling 1951)
Jeremia 3:14
Keert weder, afkerige kinderen, luidt het woord des HEREN, want Ik ben heer
over u; Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en u brengen
te Sion, 15 en Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met
kennis en verstand. 16 Als gij u dan vermeerdert en vruchtbaar wordt in het
land in die dagen, luidt het woord des HEREN, dan zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des HEREN;
zij zal
niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken,
en zij zal niet weder gemaakt worden. 17 Te dien tijde zal men
Jeruzalem noemen de troon des HEREN, en alle volken zullen zich daarheen
verzamelen om de naam des HEREN te Jeruzalem, en zij zullen niet meer wandelen
naar de verstoktheid van hun boos hart. 18 In die dagen zal het huis van Juda
naar het huis van Israël gaan, en zij zullen tezamen uit het Noorderland komen
naar het land dat Ik aan uw vaderen ten erfdeel gegeven heb.
Zie ook 2
Koningen 25:1-17
Wanneer we
de hiervoor geciteerde Bijbelgedeelten doornemen is het duidelijk dat de Ark
van het Verbond in 586 v. Chr. door de Babyloniërs te samen met alle andere
Tempelattributen samen met de Tempel vernietigd werd. In de Tempel die zeventig
jaar later herbouwd was, was er geen ark meer ter plaatsing in het Heilige der
Heiligen. Ook in de herbouwde tempel van Herodes de Grote bevond zich geen
Ark van het Verbond meer. Volgens de profeet Jeremia zou de Ark
niet weder gemaakt worden. Het moet dan ook duidelijk zijn dat het verhaal in
het Apocrief boek 2 Makkabeeën gebracht, dat de Roomse kerk aan haar Bijbel
heeft toegevoegd, een leugen is.
Hierna het betreffende gedeelte:
2 Makkabeeën 2:1 In de boeken staat niet alleen dat
de profeet Jeremia de ballingen beval om iets van het vuur mee te nemen, zoals
reeds is gezegd, 2 maar ook dat hij hun de leer gaf en hun daarbij op het hart
drukte, de geboden van de Heer niet te vergeten en zich niet te laten misleiden
door de fraai versierde gouden en zilveren beelden die ze zouden zien. 3 Naast
andere vermaningen drong hij erop aan de leer niet uit hun hart te bannen. 4
Verder staat er in hetzelfde geschrift dat de profeet, gehoorzaam aan een
goddelijke ingeving, de verbondstent en
de ark liet halen en achter hem aan liet dragen, terwijl hij de berg beklom
die Mozes bestegen had om het erfdeel van God te aanschouwen. 5 Daar aangekomen
vond Jeremia een rotsspelonk; daarin plaatste hij de tent, de ark en het reukofferaltaar en hij sloot de toegang af. 6 Toen
enkele van zijn metgezellen er weer heen gingen om de weg te markeren, konden
ze de plaats niet meer vinden. 7 Jeremia hoorde van hun poging en maakte hun
verwijten. Hij zei: Die plaats moet onbekend blijven, totdat God zijn volk weer samenbrengt
en het zijn barmhartigheid toont. 8 Dan zal de Heer dat alles weer tevoorschijn
brengen; dan zal de glorie van de Heer in een wolk verschijnen, zoals dat
gebeurd is in de tijd van Mozes en ook in die van Salomo, toen hij bad dat de
tempel op grootse wijze geheiligd zou worden. 9 Ook werd erin
verteld wat Salomo in zijn wijsheid deed toen hij bij de voltooiing van de
tempel het inwijdingsoffer opdroeg: 10 zoals er tijdens Mozes gebed tot de
Heer vuur uit de hemel was neergedaald, zo
daalde er ook tijdens zijn gebed vuur neer en dit verteerde de brandoffers.
11 Met betrekking tot dat offer heeft Mozes verklaard: Omdat het zondeoffer
niet genuttigd is, is het door het vuur verteerd. 12 Ook Salomo heiligde acht
dagen lang het inwijdingsfeest. 13 Behalve deze dingen vermelden die boeken,
namelijk de gedenkschriften van Nehemia, ook dat Nehemia een bibliotheek had
aangelegd, waarin hij de boeken bijeenbracht die betrekking hadden op de
koningen, de geschriften van de profeten en van David, evenals de brieven van
de koningen betreffende schenkingen aan de tempel. 14 Nu heeft Judas die
boeken, die door de oorlog waarin wij gewikkeld zijn geraakt verspreid waren,
weer bijeengebracht, en ze zijn weer in ons bezit. 15 Mocht u ze nodig hebben,
dan kunt u ze laten halen. 16 Wij schrijven u, omdat we van plan zijn de
reiniging van de tempel te heiligen. Wij houden u de plicht voor, dit feest te
heiligen. 17 God, die heel zijn volk bevrijd heeft en het erfdeel, het
koningschap, het priesterschap en de tempel aan zijn volk heeft teruggegeven, 18
zoals Hij dat in de leer had beloofd, God zal zich spoedig, naar wij hopen,
over ons ontfermen en ons vanuit alle windstreken weer bijeenbrengen naar zijn
heilige plaats. Want Hij heeft ons uit grote nood verlost en de plaats
gereinigd. 19 De geschiedenis van Judas
de Makkabeeër en van zijn broers, de reiniging van de grote tempel en de
wijding van het altaar, 20 de oorlogen tegen Antiochus Epifanes en zijn zoon
Eupator 21 en de hemelse verschijningen die ten deel zijn gevallen aan degenen
die met zoveel toewijding en heldhaftigheid streden voor het jodendom. (Willibrord
Vertaling 1995)
De oorsprong van de Ark van het
Verbond vinden we in het tweede Bijbelboek Exodus:
Exodus 25:10-22 "Zij
moeten dan een ark van acaciahout
maken, twee en een halve el lang, anderhalve el breed, en anderhalve el hoog.
Gij zult die overtrekken met louter goud; van binnen en van buiten zult gij die
overtrekken en er rondom een gouden omlijsting op maken. Gij zult er vier
gouden ringen voor gieten en die bevestigen aan de vier voetstukken en wel twee
ringen aan de ene zijwand en twee ringen aan de andere zijwand. Gij zult
draagstokken van acaciahout maken en die met goud overtrekken. Gij zult de
draagstokken steken in de ringen aan de zijwanden van de ark, om daarmee de ark
te dragen. De draagstokken zullen in de ringen van de ark blijven, zij zullen
er niet uit verwijderd worden. In de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal. Ook zult gij een
verzoendeksel van louter goud maken, twee en een halve el lang en anderhalve el
breed. En gij zult twee cherubs van goud maken, van gedreven werk zult gij ze
maken, aan de beide einden van het verzoendeksel. Maak één cherub aan het ene
einde en één cherub aan het andere einde; uit één stuk met het verzoendeksel
zult gij de cherubs op zijn beide einden maken. De cherubs zullen twee vleugels
uitgespreid houden naar boven, met hun vleugels het verzoendeksel bedekkende en
hun aangezicht naar elkander gericht; naar het verzoendeksel zullen de
aangezichten der cherubs gericht zijn.
Gij zult het verzoendeksel bovenop
de ark leggen en in de ark zult gij de getuigenis leggen, die Ik u geven zal.
En Ik zal daar met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide
cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik voor de
Israëlieten gebieden zal. "
De Ark van het Verbond heeft de
Israëlieten op al haar tochten vanaf haar bouw na de Exodus
uit Egypte in 1483 voor Christus, vergezeld. In het Oude Testament zijn er
honderden verwijzingen naar gebeurtenissen betreffende de ark van het verbond.
Ten tijde van Salomo werd zij in de tempel in het Heilige der heiligen neergezet. Een vertrek van de tempel waar de hogepriester met Jom Kippoer, de grote verzoendag, binnenging voor de
verzoeningshandelingen. Hier is de ark met zekerheid tot aan haar vernietiging
gebleven. Deze vernietiging gebeurde ten tijde van Zedekia, de laatste koning
van Juda (2 Koningen 25:8-11).
Na de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel door Nebukadnezar, de
koning van Babylon, in 586 voor Christus horen wij nooit meer iets over de ark.
In de tempel van Zerubbabel na de Babylonische Ballingschap, en in de tempel van
Herodes de Grote bevond zich in het Heilige der heiligen geen ark meer, maar
wel, volgens de Joodse overlevering, een steen waarop de hogepriester op de
grote Verzoendag het vat met reukwerk zette (Leviticus 16:12-14). Het is na de vernietiging van de tweede tempel in
70 AD dat de legendes en het zoeken naar de ark een aanvang namen. De
oorspronkelijke ark echter was vernietigd en dit naar het woord van Asaf en
Jeremia.
Wel zijn er met zekerheid in de
oudheid replicas van de ark gemaakt die tot nu toe ergens op deze planeet
aarde verborgen zitten. Met zekerheid kan men stellen dat in Ethiopië, op een
geheime plaats te Axoem, zulk een replica van de ark van het verbond vereerd
wordt. Ethiopië betwist namelijk Arabië de roem van de koningin van het Zuiden.
De koningen van Ethiopië eisten afstamming voor zich op via Menelik, een zoon
van de koningin van Scheba en Salomo. Hoogstwaarschijnlijk bracht de koningin
van Scheba een replica van de ark naar haar land mee. Enkele jaren geleden
bracht de BBC een overtuigende documentaire over de verborgen ark te Axoem in
Ethiopië. Volgens de documentaire wordt de ark op een geheime plaats bewaard in
de kerk van de Heilige Maria van Sion door een monnik bekend als de 'bewaarder
van de ark'.
Daarnaast zijn er Joodse legenden
die beweren dat de ark bij de nadering van de Babyloniërs verborgen werd op de
berg Nebo in Jordanië zoals het boek 2 Makkabeeën verhaalt. Een andere legende
plaatst de ark in een schuilplaats nabij de Dode Zee. Zij is dan verborgen in
een van de vele grotten waar ook de bekende Dode Zee-rollen gevonden werden.
Een hardnekkige legende leert dat de ark verborgen werd 'in' de tempelberg en
op Gods tijd bij de herbouw van de tempel tevoorschijn zal komen. De Joodse
legenden verhalen niet over een eventuele replica maar scheppen de verwachting
dat de oorspronkelijke ark ergens verborgen zit. Deze legenden zijn echter in
strijd met de Bijbel die duidelijk door de mond van Jeremia leert dat "dan
zal men niet meer spreken over de ark van het verbond des HEREN; zij zal
niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet zoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden "
Het vinden van een replica van de
Ark van het Verbond past in het eindtijdkader van de zeventig jaarweken van de profeet Daniël.
Citaat: If ever the cliché
"forgotten empire" could be applied to an ancient state, it must be
Mitanni, which is, in fact, hardly more than a name and a handful of
archaeological and linguistic hypotheses. Yet, we can combine several types of
information, and where they confirm each other, we can probably be confident
that we are not extremely far from the historical truth. Livius.org.
Einde citaat.
Mijn
titel voor dit artikel met Mythische tussen aanhalingstekens is als een
kwinkslag naar de gevestigde Egyptologie toe bedoeld. De
benaming mythisch is immers op zijn plaats wanneer men de dateringsmethode
van de gevestigde Egyptologie onderuit haalt. Het is als een gevolg van het hanteren
van de vermeende Sothis-kalender door de orthodoxie dat de Egyptische
achttiende dynastie en de Amarna-tijd in de vijftiende eeuw voor Christus op de
tijdsbalk belandde. De koningen van Mitanni waren correspondenten van de farao s
Amonhotep III en IV. Een probleem echter is dat er buiten de Egyptische bronnen
geen verwijzingen gevonden zijn naar een mogelijk Rijk van Mitanni.
De
orthodoxie geeft toe dat er geen oorspronkelijke bronnen voor de geschiedenis
van de Mitanni gevonden werden. Het is zelfs niet mogelijk om een chronologie van
de heersers van de verschillende landen en steden in het gebied Mitanni vast te
stellen, laat staan om onbetwiste data te geven. De enkele bevindingen over
Mitanni worden verder bemoeilijkt door het gebrek aan differentiatie tussen de
taalkundige en etnische groeperingen. Men neemt aan dat er een grote
'Indo-Iraanse' invloed was op Mitanni. Deze theorie is echter niet meer
gangbaar. De Russische taalkundige Diakonoff toonde aan dat de theorie van de
orthodoxie gebaseerd is op slechts vijf Indo-Iraanse telwoorden, twee of drie
termen die betrekking hebben op paardentraining, vier Indo-Iraanse goden-namen
en een paar persoonsnamen waarvan de oorsprong niet bekend is.
De
ironie is dat de orthodoxe Egyptologie die aanleiding is dat bijvoorbeeld het Bijbelse Rijk
van Salomo tot mythe herleid werd, nu zelf verantwoordelijk is voor de creatie van een 'werkelijk' mythisch rijk. Als een gevolg van de foutieve
dateringsmethode van de Egyptoloog Eduard Meyer aan het begin van de twintigste
eeuw, belandde de historische era van koning Salomo van de Bijbel in het
IJzertijdperk. Een tijdvak waar Salomo met veel moeite gevonden wordt. De
Bijbelse berichtgeving aangaande de bouwactiviteiten van Salomo werd aldus tot
mythe herleid. De archeologische lagen in Israël werden en worden alle aan de
hand van de dateringsmethode van de Egyptologie fout gedateerd. De
laatste decennia zijn de jaartallen van de orthodoxe egyptologie wereldwijd
door verschillende onderzoekers gereviseerd en is het inmiddels overduidelijk
dat de era van Salomo met zijn bouwactiviteiten in het Laatbrons tijdperk
thuishoort en geen mythe is. Zie het artikel op dit blog van 19-02-2014, het
rijk van David en Salomo mythe?
Het
veronderstelde Rijk van Mitanni zou een land geweest zijn dat zijn westelijke
grens in het noorden aan de Eufraat had. Farao Thothmosis III alias Sesostris
van Herodotus alias de Bijbelse Sisak, kwam er al mee in contact wanneer deze
aan zijn vele veroveringstochten begon. Tijdens
de Egyptische Amarna-periode was er correspondentie door de koningen van
Mitanni met de farao s Amonhotep III en IV. Maar wie waren de koningen van
Mitanni die in de Akkadische taal met farao correspondeerden? Dat van het door
de Egyptologie gecreëerde mythische Mitanni-Rijk de archieven en koningslijsten
nog gevonden dienen te worden, vindt men niet in alle orthodoxe werken van
egyptologen vermeld. (Donald
B. Redford, Egypt, Canaan and Israel in Ancient Times, The frontiers of Egypt
page 161).
Hebt u
beste lezer(es) dit begrepen? Er is geen enkel archeologisch/historisch bewijs
voorhanden betreffende de koningen van Mitanni wiens namen ons uitsluitend
vanuit Egyptische bron bereikten.
Volgens
mijn revisie van de geschiedenis van de oudheid (zie Genesis versus
Egyptologie, hoofdstuk 23) zijn de heersers van Mitanni, wanneer getransponeerd
van de vijftiende en veertiende eeuw voor Christus naar de achtste en zevende
eeuw voor Christus, niemand anders dan de Assyriërs. Het is een orthodoxe
Egyptoloog die me aanvankelijk op deze denkpiste gezet heeft. De Egyptoloog
Alan Gardiner verwijst in zijn opus magnum (EGYPT OF THE PHARAOHS, Egypt under
foreign rule, pagina 341.) naar het merkwaardige feit dat Egyptische bronnen
nooit naar het Assyrische Rijk verwijzen. Nochtans merkt Alan Gardiner op, zou zelfs
Thebe in het zuiden van Egypte uiteindelijk door de Assyriërs
ingenomen worden.
Wanneer
we afbeeldingen van kaarten, door de orthodoxie gepresenteerd, vergelijken,
blijkt dat het gebied van Mitanni het hart-land van Assyrië besloeg. Mijn
conclusie is dat Mitanni en Assyrië een en dezelfde staat waren.
Het Egyptische
Naharin is afgeleid, is een verbastering, van het Hebreeuwse Aram-Naharaïm uit
de Bijbel, het Aram van de twee rivieren of Mesopotamië. Een
Amarna-briefschrijver was een koning van Mitanni genaamd Tushratta. Vanuit de
briefwisseling blijkt dat hij in controle was over Nineveh, de hoofdstad van
Assur. Volgens EA23 kon hij het afgodsbeeld van Ishtar van Nineveh met
vermeende genezingskrachten aan Amonhotep III aanbieden (zie Philip Clapham,
juli 1982, Hittites and Phrygians, C&AH Volume IV, Part 2). De koningen van
Mitanni/Assur waren aanvankelijk bevriend met Egypte. Een dochter van Artatama,
genaamd Mutemua was uitgehuwelijkt aan Thothmosis IV. Een dochter genaamd
Giluhipa, van Suttarna, was uitgehuwelijkt aan Amonhotep III en een dochter van
Tushratta genaamd Taduhipa zat in de harem van Amonhotep IV. Vanuit Egyptische
bronnen is bekend dat Amonhotep III Giluhipa tot vrouw nam in zijn tiende
regeringsjaar en op deze wijze kunnen jaartallen met regerende vorsten
verbonden worden. De hele collectie Amarna-brieven bevat zeven brieven van
Tushratta aan Amonhotep III, één is gericht aan de weduwe van farao Amonhotep
III en drie brieven zijn aan Amonhotep IV gericht.
In
mijn variant is Tushratta niemand anders dan Tiglath Pileser III. Vanuit de
Amarna-brieven leren we dat Tushratta alias Tiglath Pileser III een machtig en
arrogante koning was die zelfs oorlog tegen de Hethieten voerde (EA17).
Tushratta hield van oorlog en gebiedsuitbreiding en was verder een liefhebber
van Egyptisch goud (EA19). Naar Egypte toe voerde hij echter een dubbelspel op,
in die zin dat hij farao altijd van zijn loyaliteit verzekerde maar
tegelijkertijd zijn gebied ten koste van faraos vazallen vergrote. De Amarna-brieven
EA85 en EA86 maken gewag van een oprukken van Tushratta/Tiglath Pileser III
naar Goebla en Sumur. Deze steden zijn te identificeren met Jizreël en Samaria
(zie Dr. Immanuël Velikovsky, Eeuwen in Chaos, hoofdstuk VI, De el-Amarna
brieven) in Israël of het tienstammenrijk. Dit offensief dateer ik gereviseerd
in het jaar 736 v. Chr.
In de
Amarna-brieven staat verder geschreven dat Tushratta kort na het begin van het
koningschap van Achnaton in 727 v. Chr. vermoord werd. De zoon van Tushratta
genaamd Kurtiwazza zou deel hebben uitgemaakt van het complot. Volgens mijn
revisie is Kurtiwazza Salmaneser V. Heel wat speculatie betreffende de
opvolging van Tiglath Pileser en ook met zijn voorgangers kan door de
identificatie van Mitanni met Assur ingevuld worden. Tushratta kwam aan de
macht na een burgeroorlog die gevoerd werd over de troonopvolging na de dood
van Suttarna. Dit past in het verhaal betreffende het aan de macht komen
Tiglath Pileser III. Na de moord op Artashumara, de oudste zoon van Suttarna
alias Pul, werd Tushratta alias Tiglath Pileser als troonopvolger door de
moordenaar Udhi op de troon geplaatst. Heel deze geschiedenis is omgeven door
intriges. Tushratta was ten tijde van deze gebeurtenissen nog erg jong en werd
officieel als een poesjenel op de troon geplaatst. Niettemin slaagde Tushratta
erin de moordenaar de pas af te snijden. Dit werd ook door de Hethieten
geobserveerd en misbruikt voor hun eigen doeleinden, de controle over
Noord-Syrië namelijk. Van deze manipulaties is een Hethietisch geschrift
bewaard gebleven: het verdrag namelijk Suppiluliuma-Shattiwaza. Daaruit leren
we o.a. dat de Hethietische vorst Suppiluliuma een verdrag had gesloten met
Artatama II en rivaal van Tushratta. Artatama identificeer ik met
Sardanapallus, de koning van Assur, die niet voorkomt in de Assyrische
koningslijst. De intriges en het complot dat de troonsbestijging van de
usurpator Tiglath Pileser III omringde worden nu duidelijker. Ook de damnatio
memoriae in Assur als een gevolg van de Assyrische koning die regeerde toen de
profeet Jona in Nineveh predikte en deze zich tot de God van Israël voor uitredding
keerde, wordt nu opgehelderd.
Het
aantal namen van Mitannische heersers past ook volledig met het aantal
Assyrische koningen voor deze periode. Hierna volgt een reconstructie op basis
van de (fragmentarische) informatie uit Egyptische bron. Ankerpunt is Tiglath
Pileser III als Tushratta. Deze laatste was zoals eerder vermeldt de jongere
broer van Artashumara. Artashumara en Tushratta waren zonen van Suttarna II die
ik identificeer met de Bijbelse Pul. Suttarna II was een bondgenoot van de
Egyptische farao Amonhotep III, waarvan de diplomatieke betrekkingen beschreven
zijn in de Amarna-brieven. Suttarna 's dochter Giluhipa werd zoals eerder
vermeld uitgehuwelijkt aan Amonhotep III om de alliantie tussen de twee
vorstenhuizen te bezegelen. Wanneer volgens mijn reconstructie Suttarna II de
vader van Tushratta was is de conclusie dat de Bijbelse Pul nu de vader van
Tiglath Pileser III blijkt te zijn. Pul is dan de Hebreeuwse versie van het
Akkadische Suttarna en het Assyrische dialect variant Adad Nirari zoals Tiglath
Pileser zijn vader noemde. Zie mijn artikel op dit blog van 06-03-2014:
Tiglath Pileser III de zoon van Adad Nirari.
Suttarna
was waarschijnlijk een zoon van koning Artatama. Van Artatama is via de Amarna-briefwisseling,
geweten dat hij bevriend was met farao Thothmosis IV. Een dochter van Artatama,
genaamd Mutemua, was uitgehuwelijkt aan deze farao van Egypte. Wanneer we
logischer wijze de lijst van namen vanaf Tushratta verder de tijd involgen en
een identificatie met Assyrische heersers zoeken, dan blijkt Artatama de uit de
Griekse overlevering bekende koning van Assyrië Sardanapallus te zijn. Artatama
was dan weer de opvolger van Saustatar die ik identificeer met Assur Nirari V.
Van de hierna volgende namen is nog minder historische informatie beschikbaar
maar zij leiden ons wel naar Shamsi Adad IV, die volgens mijn revisie het
bewind over nam na het meganatuurcatastrofejaar van 860 v. Chr.
Hierna
een schema met in de linker-kolom de Mitanni namen en rechts hun
hoogstwaarschijnlijke alter egos in Assur:
v.
Chr.:
Kirta
Shamsi Adad IV
860/847
Suttarna I
Adad Nirari III
847/820
Baratarna
Salmaneser IV
820/811
Parsatatar
Assur Dan III
811/794
Saustatar
Assur Nirari V
794/786
Artatama
Sardanapallos
786/761
Suttarna II
Pul alias Adad Nirari VI
761/754
Artashumara
(zoon van Pul en broer van Tushratta, werd vermoord en is verder onbekend)
Toen Jezus te Bethlehem in de
vijfde maand Ab of juli/augustus van de westerse kalender (zie het artikel op dit blog van 28-01-2014)
in het jaar vijf voor Christus geboren werd,
werd hij naar de wet van Mozes, veertig dagen later in Jeruzalem door zijn
ouders in de Tempel aan God opgedragen. Dit zijn verordeningen die Maria en
Jozef naar het Bijbelboek Leviticus 12:1-4 volgden. Hierna het Bijbelgedeelte
uit het Lucas-evangelie dat deze geschiedenis brengt:
Lucas
2:21 En toen acht dagen vervuld waren,
zodat zij Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot
was ontvangen. 22 En toen de dagen
hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld
waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem de Here voor te stellen, 23
gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het
mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here, 24 en om een offer te
brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven
of twee jonge duiven.
25 En zie, er was een
man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom,
en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige
Geest was op hem. 26 En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven,
dat hij de dood niet zou zien, eer hij de
Christus des Heren gezien had. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel.
En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen
overeenkomstig de gewoonte der wet, 28 nam ook hij het in zijn armen en hij
loofde God en zeide:
29 Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw
woord, 30 want mijn ogen hebben uw heil gezien,
31 dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: 32 licht tot
openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël.33 En zijn
vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. 34 En
Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in
Israël en tot een teken, dat weersproken wordt 35 en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan
, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.
36 Ook was daar Hanna, een
profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge
leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had
geleefd, 37 en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij
diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. 38 En
zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak
over Hem tot allen, die voor Jeruzalem
verlossing verwachtten.
39 En toen zij alles
volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug
naar Galilea, naar hun stad Nazareth. (NBG
Vertaling 1951)
Wanneer
we vanaf de vijfde maand Ab veertig dagen rekenen arriveren we ongeveer aan het
begin van de zevende maand Tisjri of naar het einde toe van de zesde Hebreeuwse
maand Eloel, naar gelang het vertrekpunt van ons rekenen. Met de woorden van
Simeon in gedachten stel ik me echter voor dat de Christus met Rosj Hasjanah in
de Tempel aan God opgedragen werd. Rosj Hasjanah betekent: Hoofd van het Jaar
en is van oudsher het Joodse Nieuwjaar dat ingaat op 1 en 2 Tisjri. In de
Joodse overlevering is het een tijd van oordeel. Gedurende dertig dagen tijdens de
voorafgaande Hebreeuwse maand bereidden de Joden zich voor op deze heilige
dagen. Het was/is een tijd om in gebed na te denken over al het kwaad dat men zijn
vrienden of kennissen mogelijk had aangedaan. Het was een tijd om vergeving te
vragen en te krijgen. Iedere morgen tijdens deze periode werd op de Sjofar of
ramshoorn geblazen ter voorbereiding van Rosj Hasjanah met tien dagen later de
Grote Verzoendag of Jom Kippoer. Het is aldus niet onlogisch om het opdragen in
de Tempel van de Christus des HEREN, de Heiland, op Rosj Hasjanah te laten
plaatsvinden.
De
geboortedag van Jezus Christus viel dan veertig dagen eerder op de negentiende
dag van de maand Ab. Dit gerekend op basis van 29 dagen voor de maand Eloel en
29 dagen voor de maan Ab.
Een
volgend punt waar ik aandacht aan wil geven is dat het geciteerde
Bijbelgedeelte de christelijke traditie met het bezoek van de wijzen uit het
oosten aan de kribbe te Bethlehem, als foutief bevindt. Het is duidelijk dat na
de geboorte van Jezus te Bethlehem Hij veertig dagen later met zijn ouders te
Jeruzalem was en dat zij vandaar naar Nazareth in Galilea reisden. Het is alzo in
Nazareth in hun eigen huis dat de Magi hun opwachting deden (Matteüs 2:9-11).
Maar
nu eerst aandacht voor de twee getuigen bij de eerste komst van de Heer Jezus
te Jeruzalem. Deze getuigen waren een oude man met de naam Simeon en een oude
vrouw genaamd Hanna. Slechts twee getuigen in Jeruzalem bij de eerste komst?
Ja, dat klopt. Bij de geboorte te Bethlehem waren het eerder de herders die nacht
in het veld bij hun schapen de wacht hielden die getuige waren van de geboorte
van de Heiland en daarna hierover getuigden. Hierna het Bijbelgedeelte:
Lucas
2:8 En er waren herders in diezelfde landstreek,
die zich ophielden in het veld en des nachts de wacht hielden over hun kudde. 9
En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren
omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. 10 En de engel zeide tot hen:
Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het
volk zal ten deel vallen: 11 U is heden
de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David. 12 En
dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in
een kribbe. 13 En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht,
die God loofde, zeggende: 14 Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij
mensen des welbehagens. 15 En het geschiedde, toen de engelen van hen
heengevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander spraken: Laten wij
dan naar Betlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is
bekendgemaakt. 16 En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef, en het kind
liggende in de kribbe. 17 En toen zij
het gezien hadden, maakten zij bekend hetgeen tot hen gesproken was over dit
kind. 18 En allen, die ervan hoorden, verbaasden zich over hetgeen door de
herders tot hen gezegd werd. 19 Doch Maria bewaarde al deze woorden, die
overwegende in haar hart. 20 En de herders keerden terug, God lovende en
prijzende om alles wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk het hun gezegd was.
(NBG Vertaling 1951)
Veertig
dagen later waren Maria en Jozef met hun kind in Jeruzalem in de Tempel ter
vervulling van de Wet. Voor de priesters van dienst in de tempel die dag was
dit gewoon maar een jong koppel uit de provincie met boreling. Bovendien sprak
het koppel met een dialect, een tongval waar in Jeruzalem door velen op
neergekeken werd. Aan deze priesters ging de komst van de Messias als kind
voorbij, behalve aan de twee getuigen, twee oude mensen in Jeruzalem. Later
kwamen de Magi naar Nazareth. Tot aan het openbaar optreden van Johannes de
Doper in 26 AD zouden er geen getuigen meer zijn. De geschiedenis daaropvolgend
van het jaar 26 tot 30 AD kennen we vanuit de evangeliën.
Johannes
1: 1 In den beginne was het Woord en het Woord
was bij God en het Woord was God. 2 Dit was in den beginne bij God. 3 Alle
dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat
geworden is. 4 In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; 5
en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.
6 Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; 7 deze kwam
als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden.
8 Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. 9 Het
waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. 10 Hij
was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem
niet gekend. 11 Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Doch
allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods
te worden, hun, die in zijn naam geloven; 13 die niet uit bloed, noch uit
de wil des vlezes, noch uit de wil
eens mans, doch
uit God geboren zijn. (NBG Vertaling 1951)
De
twee getuigen van de HERE God te Jeruzalem bij het opdragen van de boreling
Jezus waren twee oude mensen; een man en vrouw, niet twee mannen, maar een man én
een vrouw. En dit volgens de Scheppingsorde:
Genesis
1: 27 En
God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.
De vrouw is in deze geschiedenis een volwaardige getuige en gelijk aan de man
als getuige. Geen onderscheid. Er waren bijvoorbeeld geen drie getuigen nodig;
één man en twee vrouwen. Nee, in de Bijbel zijn man en vrouw aan elkaar gelijk.
Van Hanna staat er bovendien in het Lucas-evangelie geschreven dat zij profeet
was, de dochter van Fanuël uit de stam Aser:
Lucas
2: 36 Ook
was daar Hanna, een profetes, een
dochter van Fanuël, uit de stam Aser.
Dat
God twee oude mensen als getuigen gebruikte en daarbij ook een vrouw is
opmerkelijk. Oude mensen zijn naar de wijsheid van de wereld meestal
afgeschreven en vrouwen gelden in de Midden-Oosten-cultuur als getuige onbetrouwbaar. Dit alles is de dwaasheid der prediking
waar Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs naar verwees:
1
Korintiërs 1:18 Want het woord des kruises is wel
voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden,
is het een kracht Gods. 19 Want er staat geschreven: Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het
verstand der verstandigen zal Ik verdoen. 20 Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze
tijd? Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt? 21 Want daar de wereld in de
wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het Gode behaagd
door de dwaasheid der prediking te
redden hen, die geloven. 22 Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, 23 doch wij prediken een gekruisigde
Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, 24 maar voor hen, die geroepen zijn,
Joden zowel als Grieken, (prediken wij) Christus, de kracht Gods en de wijsheid
Gods. 25 Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is
sterker dan de mensen. 26 Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele
wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken.27 Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de
wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is,
heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; 28 en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren,
dat, wat niets is, om aan hetgeen wèl iets is, zijn kracht te ontnemen, 29 opdat geen vlees zou roemen voor God. 30 Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is
geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing, 31 opdat het zij, gelijk geschreven
staat: Wie roemt, roeme in de Here. (NBG Vertaling 1951)
Maar nu naar de tweede of wederkomst
van Jezus Christus. Het laatste Bijbelboek Openbaring handelt over dit
onderwerp. Vooraf aan deze komst gaat een moeilijke periode van zeven jaar of
1260 dagen plus 42 maanden samen. Aan het einde van deze geprofeteerde periode
komt de Koning der koningen en de Heer der heren terug. Over dit thema schreef
ik meerdere boeken. Bij de aanvang van de zevenjarige
periode die voorafgaat aan de openbaring van Jezus Christus treden in Jeruzalem
opnieuw twee getuigen op (Openbaring 11:3) die tegen de dan herstelde
offerdienst spreken. Wanneer we dit Bijbelgedeelte opzoeken en laten
doordringen merken we ook weer iets van de dwaasheid der prediking waar God
zich van bedient. De twee getuigen zijn namelijk slechts met een zak bekleed,
een soort poncho probeer ik het mij voor te stellen. Een sterk afwijkende
kledij van hetgeen gangbaar is.
In het Bijbelboek Openbaring worden
geen namen van deze getuigen genoemd noch het geslacht van hen. Het
traditionele christendom gaat er van uit dat het mannen (waren) of (zullen)
zijn, tussen haakjes geplaatst naar gelang de hermeneutiek die men in de
verschillende christelijke kerken hanteert.
Bij diegenen die een geestelijk oog
hebben voor het toekomstig nationaal en geestelijk herstel van het Jodenvolk en
een wederkomst van Jezus christus te Jeruzalem verwachten lopen de meningen
betreffende de identiteit van de twee getuigen uiteen. Een van de getuigen
meent men met zekerheid te herkennen als de profeet Elia waarvan de profeet
Maleachi in het Oude Testament voorzegt heeft dat Elia voor de Dag des HEREN
zal terugkeren. Hierna het relevante Bijbelgedeelte:
Maleachi 4:1 Want
zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen
die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in
brand steken zegt de HERE der heerscharen welke hun wortel noch tak zal
overlaten. 2 Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar
vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal. 3 Gij zult de
goddelozen vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de
dag die Ik bereiden zal, zegt de HERE der heerscharen. 4 Gedenkt de wet van
Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël,
inzettingen en verordeningen. 5 Zie, Ik
zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. 6
Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der
kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.
(NBG Vertaling 1951)
Betreffende de andere niet bij naam
genoemde getuige denkt men gewoonlijk aan andere 0ud-Testamentische mogelijke mannelijke
kandidaten zoals Mozes en/of Henoch.
Ik meen dat nochtans een andere piste
ook mogelijk is. We moeten bedenken dat alle profetie pas duidelijk is wanneer
ze zich vervult. Het is dus uiteindelijk wachten op het optreden van de twee
getuigen te Jeruzalem. Ik ben voorzichtig van mening dat het mogelijk is dat
zowel een vrouw als een man als twee getuigen samen zullen optreden. Beide
dan in de geest en de kracht van Elia zoals het ook van Johannes de Doper bij
de eerste komst van Christus geschreven staat:
Lucas 1:17 En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te
keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen,
ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden
En men moet bedenken dat indien de
Joden de Heer Jezus Christus bij zijn eerste komst als Messias aanvaard hadden,
dat dan Johannes de Doper de profeet Elia geweest zou zijn. Lees het hierna
volgende Bijbelgedeelte dienaangaande:
Matteüs 11:2 Johannes nu hoorde in de gevangenis de
werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen: 3 Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij
een ander te verwachten? 4 En Jezus
antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en
ziet: 5 blinden worden ziende en lammen
wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en
armen ontvangen het evangelie. 6 En
zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt. 7 Terwijl
dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes: Wat zijt
gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen? 8 Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in
weelderige kleding? Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der
koningen. 9 Maar waarom zijt gij dan
gegaan? Om een profeet te zien? Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet. 10 Deze
is het, van wie geschreven staat:
Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen
bereiden zal. 11 Voorwaar, Ik zeg u,
onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan
Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan
hij. 12 Sinds de dagen van Johannes de
Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars
grijpen ernaar. 13 Want al de profeten
en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; 14 en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. 15 Wie oren heeft, die hore! (NBG Vertaling 1951)
En er zijn nog vrouwen in de Bijbel te
vinden die profeet waren. Op deze blog schreef ik op 25-02-14 een artikel over
de richter Debora die niet alleen Israël voor een periode van veertig jaar
gericht heeft maar ook als profeet en generaal in de Bijbel beschreven staat.
De perceptie bestaat dat de Bijbel vrouwonvriendelijk zou zijn, wat bij nadere
studie toch niet klopt. Het zijn alleen vele religieuze systemen die antivrouw
zijn.
Bij een profeet mogen we niet
onmiddellijk uitsluitend denken aan het voorspellen van de toekomst. Een
profeet (zowel man als vrouw) in de huidige Ekklesia is iemand die voor de vergadering
spreekt in de zin van: stichtend, vermanend en bemoedigend (1 Korintiërs 14:3).
In de apostolische Ekklesia van de eerste eeuw bestond hier geen onderscheid
tussen mannen en vrouwen wat blijkt uit de eerste brief van Paulus aan de
Korintiërs. Maar wat bedoelde Paulus dan met 1 Timoteüs 2:11-12? Een
Bijbelgedeelte waar Paulus stelt dat een vrouw niet mag onderrichten of gezag
over een man zou mogen hebben. Idem dito het Bijbelgedeelte van 1 Korintiërs
14:34-35 waar Paulus stelt dat de vrouw in de Gemeente moet zwijgen. Een
Bijbelgedeelte waar het lijkt dat Paulus zichzelf tegenspreekt. De Bijbelvorser
Dr. C. I. Scofield heeft het volgende commentaar:
We moeten echter bedenken dat bij de
aanvang van de Ekklesia met Pinksteren in anno Domini 30 er nog altijd het
aanbod van de HERE God aan Zijn oude verbondsvolk Israël was, om alsnog de
Messias aan te nemen. Dit is een draad, een uitnodiging die we in het hele Bijbelboek
Handelingen tot en met het laatste hoofdstuk 28 kunnen volgen. Het boek
Handelingen eindigt met de Joden in Rome die het evangelie volgens de apostel
Paulus definitief afwijzen. Het is vanaf dit tijdstip dat de huidige Ekklesia
van start ging met Paulus die zijn brief aan alle op dat moment bestaande
gemeentes schreef: bekend onder de Efeze-brief.
De prediking aan de Joden vanaf
Pinksteren 30 AD tot Handelingen hoofdstuk 28, in 60 AD, ging gepaard met
wonderen en tekenen. Ook tongentaal (vreemde talen en engelentaal) kwam in de
vergaderingen toen algemeen voor. Dit laatste gebeurde met heel veel
verwarring, wat de reden was dat Paulus in zijn eerste brief aan de Korintiërs
instructies geeft hoe het met tongentaal en de vertaling en uitleg ervan, er in
de vergaderingen aan toe moest gaan. En ik meen dat het dit aspect van grote
verwarring was, wat Paulus bedoelde met het voorschrift tot zwijgen van de
vrouw in de vergadering. Dus niet de vrouw als profeet moest zwijgen maar de
vrouw als eventuele tolk en uitlegger van vreemde talen.
Het fenomeen van de vreemde talen
(zowel van mens als engel) als Goddelijke boodschap naar Israël toe was in het
Oude Testament door de profeet Jesaja voorspeld.
Jesaja 28:11 Voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een
vreemde tongval zal tot dit volk spreken Hij, die tot hen gezegd heeft: 12 Dit
is de rust, geeft de vermoeide rust, en dit is de verademing maar zij wilden
niet horen.
Het is dit Bijbelgedeelte dat Paulus in
zijn eerste brief aan de Korintiërs aanhaalt waar hij in het veertiende
hoofdstuk het bijzondere van de tongentaal behandelt.
1 Korintiërs 14:22 Derhalve zijn de tongen een
teken niet voor hen, die geloven, maar voor
de ongelovigen; de profetie echter is niet voor de ongelovigen, maar voor
hen, die geloven.
Deze bijzondere prediking naar Israël
toe eindigde in het jaar 60 AD in de periode volgend op Handelingen hoofdstuk
28.
Het zal na het afsluiten van de huidige
Ekklesia zijn dat de draad met het oude Verbondsvolk Israël opnieuw opgenomen
wordt. Het laatste Bijbelboek Openbaring van het zogenaamde nieuwe testament,
handelt over het herstel van Israël zowel nationaal in het oude land der
vaderen, als geestelijk.
Maar zoals eerder geschreven gaat aan
het geestelijke herstel een moeilijke periode van misleiding vooraf. Het is de
periode van de zeventigste jaarweek van Daniël. Een periode van zeven jaar die
gelijk is aan de tijdsperiode in het boek Openbaring van 1260 dagen en 42
maanden. In de eerste periode van 1260 dagen treden er opnieuw twee getuigen
van God te Jeruzalem op. Twee getuigen, een man en een vrouw(?), die in de
geest en de kracht van Elia tegen de herstelde tempeldienst spreken.
Openbaring 11:1 En mij werd
een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel
Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. 2 Maar laat de voorhof,
die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de
heidenen gegeven; en zij zullen de
heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang.
3 En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om,
met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd
zestig dagen lang. 4 Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die
voor het aangezicht van de Here der aarde staan. 5 En indien iemand hun schade
wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en
indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. 6 Dezen
hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de
dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed
te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij
willen. 7 En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het
beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het
zal hen overwinnen en hen doden. 8 En hun lijk (zal liggen) op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd
wordt Sodom en Egypte, alwaar ook
hun Here gekruisigd werd. 9 En uit de volken en stammen en talen en natiën
zijn er, die hun lijk zien, drie en een halve dag, en zij laten niet toe, dat
hun lijken in een graf worden bijgezet. 10 En zij, die op de aarde wonen, zijn
blijde en verheugd over hen en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze
twee profeten hen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. 11 En na [die] drie
en een halve dag voer een levensgeestuit God in hen, en zij gingen op hun
voeten staan en grote vrees viel op (allen), die hen aanschouwden. 12 En zij
hoorden een luide stem uit de hemel tot hen zeggen: Klimt hierheen op! En zij
klommen naar de hemel op in de wolk, en hun vijanden aanschouwden hen. 13 En te
dien ure kwam er een grote aardbeving en een tiende deel der stad stortte in,
en zevenduizend personen werden door de aardbeving gedood, en de overigen
werden zeer bevreesd en gaven de God des hemels eer. 14 Het tweede wee is
voorbijgegaan: zie, het derde wee komt spoedig.
Gedurende een periode van 1260 dagen, de eerste helft van
de eindtijdperiode, treden de twee getuigen in Jeruzalem op. Zij spreken tegen
de herstelde offerdienst op het tempelplein te Jeruzalem. In de toekomst zal een replica van de verloren gewaande
ark van het verbond ergens gevonden worden en een bron van misleiding worden.
Tijdens de eindtijdperiode van zeven jaar zullen alle wereldreligies samen gaan
(Openbaring 17). Een grote verzoening op basis van dit Schriftwoord kan
verwacht worden tussen Jodendom en Islam en christendom. Op en rond de ark van
het verbond zullen opnieuw dierenoffers gebracht worden. Een misleider zal vuur
uit de hemel kunnen laten neerkomen op het offer (Openbaring 13:11-13) met als
resultaat een wereldwijde religieuze verwondering lees verdwazing. De misleider
wordt in het aangehaalde Schriftwoord het beest uit de aarde genoemd, een
Israëli aldus, een Levi of een Cohen en ijveraar voor het instellen van de
nieuwe offerdienst in Jeruzalem na een onderbreking van haast tweeduizend jaar.
Hij wordt geholpen door het beest uit de zee een man uit de volken, een
niet-Jood, en vermoedelijk een Assyriër, een land dat dan in het Midden-Oosten ook
hersteld zal zijn. Hij is de eerste ruiter op het witte paard van Openbaring
hoofdstuk 6, die overwinnende uittrekt. Een periode van algemene wereldvrede
met de zegen van alle verenigde godsdiensten breekt dan aan. De huidige periode
van oorlogen en geruchten van oorlogen lijkt dan afgesloten. En tegen deze
algemene religieuze vredeseuforie spreken tot afgrijzen van velen, de twee
gehate getuigen van God.
Maar het gaat in dit artikel om die mogelijke piste dat
de twee getuigen een man én een vrouw zullen zijn. Ik haalde de vrouw Hanna de
profeet te Jeruzalem aan in het jaar 5 v. Chr. bij het opdragen van Jezus in de
Tempel. Daarna vinden we in de Bijbel dat vrouwen de eerste getuigen waren van
de opstanding van de Heer Jezus Christus. Vrouwen waren ook aanwezig bij de
kruisiging van Jezus en zijn daar ook gebleven tot aan Zijn sterven (Matteüs
27:55-56 en Johannes 19:25). Van de apostelen wordt alleen de aanwezigheid van
Johannes vermeld (Johannes 19:25-27). De andere mannen zijn blijkbaar
ondergedoken. De vrouwen waren aanwezig toen Jezus' lichaam van het kruis werd
genomen en maakten dat het kapot gefolterde en totaal leeggebloede lichaam van
Jezus zo goed mogelijk verzorgd (Lucas 23:55-56) in het graf van Jozef van
Arimatea gelegd kon worden. De apostelen zijn op dat moment ook nergens te
bespeuren. Alleen Nicodemus en Jozef van Arimatea worden ter plaatse vermeld om
de begrafenis te organiseren. (Johannes 19:38-42).
Bij de opstanding uit de dood van Jezus Christus zijn het
alleen vrouwen die getuigen zijn. Het is aan de vrouwen dat Jezus persoonlijk
verschenen is. Wat heel opmerkelijk is wanneer we dit weer in het licht van de
Midden-Oosten-cultuur willen zien waar vrouwen als getuigen als niet
betrouwbaar gelden.
Mattheüs 28:1 Laat na de sabbat , tegen het aanbreken van
de eerste dag der week, ging Maria van
Magdala en de andere Maria het
graf bezien. 2 En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren
daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette
zich daarop. 3 Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als
sneeuw. 4 En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als
doden. 5 Doch de engel antwoordde en
zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus
zoekt, de gekruisigde. 6 Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij
gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar
Hij gelegen heeft. 7 En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij
gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. 8
En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en
liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten. 9 En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet.
Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem. 10 Toen zeide Jezus
tot haar: Weest niet bevreesd. Gaat heen
en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij
zien.
Het lijkt er op dat de mannelijke apostelen sinds de
gevangenneming van Jezus gevolgd door zijn kruisiging en sterven in verwarring
waren en niet aanspreekbaar, dit terwijl de vrouwen beter bij hun positieven bleven.
Nu ik met dit artikel aandacht wil geven aan de twee
getuigen te Jeruzalem tijdens de eerste helft van de eindtijdperiode van zeven
jaar met de mogelijkheid dat één van de twee getuigen een vrouw zal zijn, moet
ik ook een schijnbaar negatieve verwijzing in het Bijbelboek Openbaring naar de
vrouw behandelen. Het Bijbelgedeelte namelijk waar in Openbaring 14:1-5 over de
144.000 verzegelden uit Israël gesproken wordt en deze maagdelijk genoemd
worden en die zich niet met vrouwen hebben bevlekt. Dit laatste wordt door
vrouwen van alle tijden bij het (voor)lezen als beledigend (terecht?) ervaren. Onvoorstelbaar
ook: maagdelijke mannen die zich niet met vrouwen bevlekt hebben. Dit kan
onmogelijk letterlijk bedoelt zijn en is beeldspraak. Dat moet duidelijk zijn.
De vrouwen waar de 144.000 verzegelde mannen én vrouwen uit alle stammen
van Israël zich niet mee bevlekt hebben zijn de vrouwen van het beschreven
religieuze systeem in hoofdstuk 17 van het boek Openbaring. In dat hoofdstuk
kreeg de apostel Johannes de grote hoer te zien die op het beest zit en de
moeder van alle hoeren van Babylon en van de gruwelen der aarde genoemd wordt.
Dit is overduidelijke beeldspraak. Wanneer we Schrift met Schrift vergelijken
vrij van eigenmachtige uitlegging kan dit volgens mij de enige conclusie voor
dit Schriftgedeelte zijn.
Heb ik nu de identiteit en/of geslacht van de twee
toekomstige getuigen aangetoond? Nee, maar ik herhaal dat profetie pas
duidelijk is bij de vervulling ervan. Wel wil ik met dit artikel de aandacht op
andere mogelijke piste wijzen.
Met mijn
artikel op deze blog waar lag Telaïm van 25-01-2014 had ik al aandacht voor de
studie van Velikovsky betreffende de plaatsing van Avaris op de landkaart. Avaris
was een versterkte burcht en hoofdplaats
vanwaar uit de Hyksos dynastieën over Egypte, gedurende vier eeuwen,
heersten. Volgens de orthodoxe Egyptologie lag Avaris in het noordoosten van de
Nijldelta. De Egyptologen vermoeden dat de stad gelegen was waar nu Tell el
Daba ligt, al is de juiste ligging nog steeds onderwerp van discussie.
In 1049 v.
Chr. werd de stad door farao Ahmose, de stichter van de achttiende dynastie,
ingenomen en de Hyksos verdreven. Daarna verviel Avaris langzaam tot een ruïne.
Volgens de
Nieuwe Chronologie veroverden de Hyksos Egypte na de Israëlitische Exodus uit
Egypte. Flavius Josephus citeert Manetho als het volgt:
"There was a king of ours whose name was Timaus. Under him it came to pass, I
know not how, that God was averse to us, and there came, after a surprising
manner, men of ignoble birth out of the eastern parts, and had boldness enough
to make an expedition into our country, and with ease subdued it by force, yet
without our hazarding a battle with them. So when they had gotten those that
governed us under their power, they afterwards burnt down our cities, and
demolished the temples of the gods, and used all the inhabitants after a most
barbarous manner; nay, some they slew, and led their children and their wives
into slavery. At length they made one of themselves king, whose name was Salatis; he also lived at Memphis, and
made both the upper and lower regions pay tribute, and left garrisons in places
that were the most proper for them. He chiefly aimed to secure the eastern
parts, as fore-seeing that the Assyrians, who had then the greatest power,
would be desirous of that kingdom, and invade them; and as he found in the
Saite Nomos, [Sethroite,] a city very proper for this purpose, and which lay
upon the Bubastic channel, but with regard to a certain theologic notion was
called Avaris, this he rebuilt, and
made very strong by the walls he built about it, and by a most numerous
garrison of two hundred and forty thousand armed men whom he put into it to
keep it. Thither Salatis came in summer time, partly to gather his corn, and
pay his soldiers their wages, and partly to exercise his armed men, and thereby
to terrify foreigners.
Dr.
Immanuël Velikovsky maakte zich sterk dat het Avaris van de Hyksos te El Arisj
gelegen was, een plaats in het noorden van de Sinaï waar de beek van Egypte, de
wadi el Arisj in de Middellandse Zee uitmondt. In zijn bekend werk Eeuwen in
Chaos wijst hij naar El Arisj waar de archeologen zouden moeten graven, want
daar ligt het Avaris van de Hyksos onder het zand begraven.
Toen hij
zijn werk in de jaren vijftig van de vorige eeuw wereldkundig maakte was het
enige bewijsmateriaal dat hem op deze denkpiste zette, een schrijn van zwart
graniet met hiëroglyfen beschreven, dat in El Arisj tot op de ontdekking, door
Arabieren als een drinkbak voor hun vee gebruikt werd. Deze zwarte monoliet
werd in 1860 toevallig ontdekt en de tekst in 1890 vertaald en gepubliceerd.
Het document verhaalt dezelfde gebeurtenissen van de Exodus maar dan van de
zijde der Egyptenaren bekeken. De naam van de farao van de Exodus wordt
vermeld: zijnde Thom, en de plagen
die aan de Exodus voorafgingen beschreven. Velikovsky zag onmiddellijk het
verband van de naam van farao Thom met de naam van de stad die de Israëlieten
in slavernij volgens de Bijbel, moesten bouwen: Pi-thom, wat stad van Thom
betekende. De Egyptische naam Thom van het schrijn te El Arisj is dan dezelfde
naam als de Timaus die Manetho via
Josephus in de Griekse taal doorgaf. Daarnaast vond Velikovsky in de Bijbel,
waar de geschiedenis van Saul s strijd tegen Amalek beschreven staat,
aanwijzingen dat Avaris buiten de Nijldelta gezocht moest worden, op de grens
tussen Egypte en Kanaän, namelijk aan de beek van Egypte te El Arisj.
Verder
werd Velikovsky s aandacht getrokken naar het Edict van farao Horemheb. Dit is
een document dat in de periode van het tot stand komen van zijn studie, al
bekend was. Farao Horemheb was een overgangsfiguur tussen de 18de en de 19de
dynastie en van hem is een wettekst bekend waarin als straf voor bepaalde
misdadigers het afsnijden van de neus werd voorgeschreven, waarna zij verbannen
werden naar Tjaru, een plaats oostelijk van de Nijldelta. De afgesneden
neuzenstraf was de reden dat dit verbanningsoord later de naam Rhinocolura
kreeg. Een plaatsnaam die door Griekse schrijvers vermeld zou worden. En dit
Rhinocolura is zonder twijfel El Arisj. Tot op heden is te El Arisj nog nooit
archeologisch onderzoek verricht. Een onderzoek waar Velikovsky naar uitzag,
maar niet ingewilligd werd. De gevestigde Egyptologie van een halve eeuw
geleden heeft getracht Velikovsky monddood te maken. Dat is echter niet gelukt
getuige het internet vandaag. Wanneer men op de Google zoekmachine de naam
Immanuël Velikovsky intikt krijgt men meer dan 80.000 verwijzingen naar hem van
zowel voor- als tegenstanders.
Wat het
opgraven van Avaris betreft is het wachten op een nieuwe Heinrich Schliemann.
Dr. Schliemann was een rijke dilettant die uit puur enthousiasme zijn kapitaal
besteedde door als een waar archeoloog te werk te gaan en Troje in 1873
vanonder het zand tevoorschijn te brengen. Door zijn inzet bleef de Ilias van
Homeros niet alleen een dichterlijk werk maar werd ook geschiedschrijving.
Hierna het
commentaar van Velikovsky betreffende het mogelijk archeologisch opgraven van
Avaris:
THE GREATEST FORTRESS OF ANTIQUITY
With this imposing score of confirmations from the
field of archaeology, ever growing since 1952, for my work of reconstruction of
ancient history, the question could be asked: which test, besides a complete
radiocarbon survey of the New Kingdom in Egypt would I desire and which
discovery reflecting on chronological problems would I anticipate in the years
to come? Compelling evidence will continue to arrive from almost every
excavated place and there will be an ever-growing number of surprises. I shall
select here one site of great promise for excavation. the identification of
Avaris and el-Arish was offered by me as a crucial testfor my equation of the
Hyksos (called Amu by the Egyptians) and the Amalekites, one of the basic
contentions of Ages in Chaos:
generally, Avaris is looked for in the eastern part
of the Delta, from Pelusium to Heliopolis, passing through Tell el Her,
el-Qantara, San el-Hagar (Tanis), Tell el-Yahudieh, wrote P. Montet in Le
Drame dAvaris. The site as identified in Ages in Chaos is quite a distance
northeast from the Delta: el-Arish is at the wadi of the same name, known in
the Old Testament as Nakhal Mizraim (Stream of Egypt ), the historical
frontier between Egypt and Palestine.
Despite many efforts made to have el-Arish surveyed
and then also excavated, neither when the site was under the Egyptian
authorities nor since it was occupied by the Israelis following the six-day
war, has any survey or excavation taken place. In June 1968 John Holbrook jr.,
architect, backed by a group organized for the purpose of performing tests to
determine the validity of my thesis (Foundation for Studies of Modern Science)
proceeded to el-Arish in the military occupation zone to gain an impression as
to the site of future excavation when, in days to come, such facilities might
be extended, or permit granted. Chances are good that at such a time, however
close or far, the excavators will lift sand from the greatest fortress of
antiquity: before it fell it sheltered a huge garrison of warriors. It is also
quite possible that much treasure had been dug into the ground by the besieged
before the fortress that dominated the ancient East for several centuries
surrendered. The virgin ground of the site never excavated cannot but entice
the curiosity of field archaeologists; the prize of discovering Avaris is one
of the great rewards that still lie in store for the enterprising.
62 jaar na
het gepubliceerd worden van eeuwen in chaos is er wat de identificatie van
Avaris met El Arisj betreft, nieuw archeologisch materiaal ter beschikking
gekomen. De belangrijkste vondst is een stele met farao Kamose relaas over
zijn (nijl)veldtocht tegen Avaris. Een offensief dat deze farao in diens derde
regeringsjaar volbracht. Vanuit Thebe rukte hij langsheen de Nijl op naar het
noorden, naar Avaris. Een offensief dat diende afgebroken te worden aangezien
de Hyksos farao Apophis de Kushieten in het zuiden verleidde om Kamose in de
rug aan te vallen. Kamose die tot aan de burcht Avaris geraakt was brak daarop
de belegering af en wendde de steven terug naar het zuiden, naar Kush.
De
volgende campagne tegen Avaris zou door de opvolger van Kamose, farao Ahmose
uitgevoerd worden. Van deze veldtocht is ook nieuw archeologisch materiaal
gevonden sinds het verschijnen van eeuwen in chaos. Het zogenaamde Rhind
Mathematische Papyrus heeft op de rugzijde heel summier het militaire verloop
van Ahmose strijd tegen Avaris vermeld:
Regeringsjaar
11, tweede maand van Shomu, Heliopolis ingenomen. Eerste maand van Akhet, dag
23, de zuidelijke prins veroverde Tjaru.
Ahmose
rukte vanuit Thebe naar het noorden op. Heliopolis of On bereikte hij in juli,
en daarop ging het langs een noordoostelijke zijarm van de Nijl richting kust
naar Tjaru dat in oktober bereikt werd. Dit Tjaru kan alleen maar Tharu of het
latere Rhinocolura El Arisj zijn. De Egyptologen, na het bestuderen van deze
nieuwe vondst, plaatsen dit voor hen onbekende Tjaru in het noordoosten in de
buurt van Zile, en geven als commentaar dat door de inname van Tjaru, Ahmose
hun Avaris, gelegen te Tell el Daba, wilde afsnijden van Kanaän. Alsof Ahmose
zulk een actie niet beschreven zou hebben moest dat zijn intentie geweest zijn!
Het is logischer aan te nemen dat Ahmose gewoon uitgevoerd heeft zoals in het
papyrus beschreven werd, namelijk met zijn vloot noordwaarts naar Heliopolis,
en daarop via het kanaal van het latere Bubastis, richting kust, daarop is hij
langs de kust tot El Arisj getrokken.
De
Assyrische annalen betreffende Adad Nirari III aan de chronologische gegevens
van de Bijbel aangepast.
De
Assyriër Adad Nerari III was een tijdgenoot van de Bijbelse koningen Joahaz en
Joas in Israël en van Joas en Amazia in Juda. De Assyrische minderjarige koning
Adad Nirari III volgde onder voogdijschap van zijn moeder koningin Sammurat,
zijn vader Shamsi Adad V op. Zijn regeringsjaren zijn volgens de orthodoxe
berekening: 812/783 v. Chr. Volgens mijn revisie regeerde hij echter van 847
tot 820 v. Chr. Zie link: http://www.shopmybook.com/nl/Robert-De-Telder/DE-ASSYRIOLOGIE-HERZIEN
Van de
moeder koningin en regentes Sammurat is een stele bewaard gebleven (gevonden te
Kalat Sherkat in Assyrië) waarin het co-regentschap met de minderjarige Adad
Nirari III vermeld wordt. Een andere vermelding (Sabaa stele) geeft een
periode van vijf jaar als de duur van het co-regentschap.
De
orthodoxie identificeert koningin Sammurat met de legendarische Semiramis, de
vrouw van de Bijbelse Nimrod, de eerste machthebber op aarde na de grote vloed.
De Bijbelse gegevens betreffende Nimrod worden door hen als mythe beschouwd.
Dit is echter niet mijn uitgangspunt. Het Bijbelboek Genesis is
geschiedschrijving. De Sammurat van de 9de eeuw voor Christus is dus te
onderscheiden van de Semiramis van het derde millennium voor Christus.
De eerder
vermelde Sabaa-stele verhaalt eveneens een militaire campagne van Adad Nirari
III naar Damascus in zijn vijfde regeringsjaar. Dit jaar is volgens de revisie
nu het jaartal 843 v. Chr.:
Against Aram I marched. Mari', king of Aram, in
Damascus his royal city, I shut up. The terrifying splendour of Assur
overwhelmed him and he laid hold of my feet, he became my vassal. 2300 talents
of silver, 20 talents of gold, 3000 talents of copper, 5000 talents of iron,
coloured woollen and linen garments, an ivory bed, an ivory couch...his
property and his goods, in immeasurable quantity, in Damascus, his royal city,
in his palace, I received.
Dit
gegeven past niet met de Bijbelse gegevens betreffende Damascus/Aram als
belager van het tienstammenrijk. Het Bijbelboek 2 Koningen geeft Aram weer als
een vijand van koning Joahaz van Israël tot praktisch het einde van diens
regeringstijd van zeventien jaar, van 847 tot 830 v. Chr.. Een Assyrische
belegering van Damascus met een verzwakking van Aram tot gevolg past niet in
dit tijdsschema. Hierna het betreffende Bijbelgedeelte:
2 Koningen
13:1 In het drieëntwintigste jaar van Joas, de zoon van Achazja, de koning van
Juda, werd Joachaz, de zoon van Jehu, koning over Israël te Samaria; hij
regeerde zeventien jaar. 2 Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN en volgde
de zonden na, die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven;
daarvan week hij niet af. 3 Daarom ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël,
en Hij gaf hen in de macht van Hazaël, de koning van Aram, en in de macht van
Benhadad, de zoon van Hazaël, al die tijd.
4 Maar
Joachaz zocht de gunst van de HERE, en de HERE hoorde naar hem, want Hij had
gezien hoe zwaar de koning van Aram Israël verdrukte. 5 En de HERE gaf aan
Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing van Aram uit kwamen en de
Israëlieten in hun tenten konden wonen zoals tevoren. 6 Toch weken zij niet af
van de zonden van het huis van Jerobeam, die hij Israël had doen bedrijven;
daarmee gingen zij voort. Ook bleef te Samaria de gewijde paal staan. 7
Waarlijk, hij had aan Joachaz geen krijgsvolk overgelaten dan vijftig ruiters,
tien strijdwagens en tienduizend man voetvolk; want de koning van Aram had hen
te gronde gericht en hen gemaakt als stof bij het dorsen. 8 Het overige van de
geschiedenis van Joachaz en alles wat hij gedaan heeft en zijn dappere daden,
is dat niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël? 9
Joachaz ging bij zijn vaderen te ruste en men begroef hem in Samaria; zijn zoon
Joas werd koning in zijn plaats.
De
conclusie moet zijn dat de vermelding op de Sabaa stele betreffende de
belegering van Damascus in het vijfde
regeringsjaar van Adad Nirari III fout is. Hoogstwaarschijnlijk hebben we
met een schrijffout te maken en is het
vijftiende regeringsjaar van Adad Nirari III bedoeld. De Assyrische gegevens
onderling spreken elkaar ook tegen wat maakt dat ik van een foutieve Assyrische
kroniek kan uitgaan. De bekende eponiemlijsten geven namelijk voor het vijfde
regeringsjaar van Adad Nirari III geen campagne naar Damascus weer, maar een
veldtocht naar Arpad in Noord-Syrië. Wat vreemd is aangezien Arpad slechts een
provinciestad was en Damascus daarentegen de hoofdstad van het machtige Aram.
Hierna de Eponiemlijst van alle regeringsjaren van Adad Nirari III ter
illustratie. De jaren tussen haakjes zijn de jaartallen van de orthodoxe met
rechts mijn gereviseerde jaartallen:
[809/808] 847/846 During the eponymy of Adad-Nirari [III], the king of Assyria,
campaign against Media
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[808/807] 846/845 During the eponymy of Nergal-ilaya,
the commander in chief, campaign against Guzana.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[807/806] 845/844 During the eponymy of Bêl-dân, the
palace herald, campaign against Mannea.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[806/805] 844/843 During the eponymy of Sil-Bêli, the
chief butler, campaign against Mannea.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[805/804] 843/842 During the eponymy of Aur-taklak,
the chamberlain, campaign against Arpad.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[804/803] 842/841 During the eponymy of Ilu-issiya,
governor of Aur, campaign against Hazazu.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[803/802] 841/840 During the eponymy of Nergal-ere,
governor of Rasappa, campaign against Ba'alu.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[802/801] 840/839 During the eponymy of
Aur-balti-ekurri, governor of Arrapha, campaign against the Sealand; plague.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[801/800] 839/838 During the eponymy of Inurta-ilaya,
governor of Ahizuhina, campaign against Hubukia.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[800/799] 838/837 During the eponymy of ep-Itar,
governor of Nisibis, campaign against Media.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[800/799] 837/836 During the eponymy of ep-Itar,
governor of Nisibis, campaign against Media
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[799/798] 836/835 During the eponymy of
Marduk-imanni, governor of Amedi, campaign against Media.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[798/797] 835/834 During the eponymy of
Mutakkil-Marduk, the chief eunuch, campaign against Luia.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[797/796] 834/833 During the eponymy of
Bêl-tarsi-iluma, governor of Kalhu, campaign against Namri.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[796/795] 833/832 During the eponymy of
Aur-bêla-usur, governor of Habruri, campaign
against Manduate.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[795/794] 832/831 During the eponymy of Marduk-aduni,
governor of Raqmat, campaign against Der.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[794/793] 831/830 During the eponymy of Kinu-abua,
governor of Tuhan, campaign against Der.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[793/792] 830/829 During the eponymy of
Mannu-ki-Aur, governor of Guzana, campaign against Media.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[792/791] 829/828 During the eponymy of
Muallim-Inurta, governor of Tille, campaign against Media.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[791/790] 828/827 During the eponymy of Bêl-iqianni,
governor of ibhini, campaign against Hubukia.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[790/789] 827/826 During the eponymy of ep-ama,
governor of Isana, campaign against Itu'a.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[789/788] 826/825 During the eponymy of
Inurta-mukin-ahi, governor of Nineveh, campaign against Media.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[788/787] 825/824 During the eponymy of Adad-muammer,
governor of Kalizi, campaign against Media; foundations of the temple of Nabû
in Nineveh laid.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[787/786] 824/823 During the eponymy of Sil-Itar,
governor of Arbela, campaign against Media; Nabû entered his new temple.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[786/785] 823/822 During the eponymy of
Nabû-arra-usur, governor of Talmusu, campaign against Kisku.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[785/784] 822/821 During the eponymy of Adad-uballit,
governor of Tamnuna, campaign against Hubukia; [the god] Anu the Great went to
Der.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[784/783] 821/820 During the eponymy of
Marduk-arra-usur, governor of Arbela, campaign against Hubukia.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[783/782] 820/819 During the eponymy of Inurta-nasir,
governor of Mazamua, campaign against Itu'a.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
[782/781] 819/818 During the eponymy of Iluma-le'i,
governor of Nisibis, campaign against Itu'a.
De
conclusie moet zijn dat naar het einde toe van de regeringsperiode van Joahaz
van Israel, en los van de tegensprekelijke eponiemlijst een Assyrische invasie
in Aram heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk in het vijftiende regeringsjaar van
Adad Nirari III.
De Assyriër
Adad Nirari III werd zodoende een verlosser voor Israël:
2 Koningen
13:5 En de HERE gaf aan Israël een verlosser, zodat zij onder de overheersing
van Aram uit kwamen en de Israëlieten in hun tenten konden wonen zoals tevoren.
De Bijbel
noemt de naam noch de nationaliteit van deze verlosser die hen van de
overheersing door Aram verloste. Maar ook in het Assyrische verslag wordt
bijvoorbeeld de naam van de koning van Aram niet genoemd. Er is slechts een
verwijzing naar een Mari, koning van Aram. Mari is hier geen eigennaam maar
betekent alleen HEER. De Assyrische berichtgeving voor deze tijdsperiode is
onduidelijk en levert vraagteken op vraagteken. Met de hulp van de historische
boeken van de Bijbel en de fragmentarische Assyrische gegevens is het mogelijk
een en ander te reconstrueren. De Eponiemlijst vermeldt in het vijftiende
regeringsjaar van Adad Nirari III een campagne naar Manduate. Dit gebied
wordt algemeen als de Beka-vallei in de Libanon geïdentificeerd. Het ligt voor
de hand aangezien het van de Beka-vallei slechts een steenworp naar Damascus
is, en in dat zelfde jaar Damascus belegerd werd. Er is ook een stele van Adad
Nirari III gevonden waar deze claimt schatting van koning Joas van Israël
ontvangen te hebben. Dit gegeven past ook in mijn gereviseerd jaar 833 v. Chr.
met het eerste regeringsjaar van Joas als co-regent met zijn vader Joahaz over Israël.
Zie Genesis versus Egyptologie: http://www.shopmybook.com/nl/Robert-De-Telder/GENESIS-versus-EGYPTOLOGIE