De Moabietische steen van koning Mesa een buiten-Bijbelse getuige.
2
Koningen 3:1 Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël
te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, den koning van Juda, en hij
regeerde twaalf jaren. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch
niet gelijk zijn vader en gelijk zijn moeder; want hij deed dat opgerichte
beeld van Baäl weg, hetwelk zijn vader gemaakt had. 3 Evenwel hing hij de
zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij
week daarvan niet af. 4 Mesa nu, de koning der Moabieten, was een
veehandelaar, en bracht op aan den koning van Israël honderd duizend lammeren,
en honderd duizend rammen met de wol. 5 Maar het geschiedde, als Achab
gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israël afviel. 6
Zo toog de koning Joram ter zelfder tijd uit Samaria, en monsterde gans Israël.
(Statenvertaling)
Van de
hierboven in de Bijbel vermelde koning Mesa
van Moab, is een stele bewaard gebleven, waarin deze Moabietische koning naar Omri en zijn geslacht van het
tienstammenrijk verwijst.
Het is
een zogenaamde buiten-Bijbelse verwijzing naar een koning van Israël en voor
sommigen aldus van grote waarde. Chronologisch gezien echter leverde de
berichtgeving op de steen aanvankelijk heel wat problemen op.
De
stele werd anno 1868 door de Duitse zendeling F.A. Klein, in Trans-Jordanië gevonden
en bevind zich tegenwoordig in het Louvre. De steen is beschadigd en dit als
gevolg van het feit dat lokale Arabieren na het bekendmaken van de vondst in
1868, de steen hebben laten springen door verhitting. De gedachte moet geweest
zijn dat aangezien Europeanen er belang aan hechtten, er misschien een schat in
verborgen was. Dank zij een eerder gemaakte gipsafdruk door F.A. Klein, konden
later de stukken op de juiste plaats weer samengevoegd worden. Hierna volgt een
gedeeltelijke vertaling (enkele letters zijn onleesbaar en de zin van enige
woorden niet zeker):
Ik ben
Mesa, zoon van Kamos-.., koning van Moab, uit Dibon afkomstig. Mijn vader is
koning geweest over Moab dertig jaar en ik werd koning na mijn vader en ik
maakte deze offerhoogte in Karko.. omdat hij mij gered heeft van alle koningen
en mij heeft doen neerzien op al mijn haters. Omri, de koning van Israël, hij verdrukte Moab vele dagen, want
Kamos was vertoornd op zijn land. En zijn
zoon (Achab) volgde hem op en ook hij sprak: Ik ga Moab verdrukken. In mijn
tijd sprak hij deze woorden, maar ik heb hem en zijn huis overwonnen Omri had
het land van Medeba bezet en Israël woonde daarin in zijn tijd en in de helft
van de tijd van zijn zoon(Joram) veertig jaar .
Na de
dood van Achab verhaalt het Bijbelboek
2 Koningen hoofdstuk 3, stopt de schatplichtige Mesa met zijn jaarlijkse betalingen aan Israël en geraakt alzo in
conflict met Joram. Vanuit chronologisch oogpunt is het belangrijk de
vermelding op de Moabietische steen van een periode van veertig jaar
verdrukking, op de tijdsbalk in harmonie met de Bijbelse chronologische
gegevens, te verankeren.
Op het
eerste gezicht namelijk lijkt een periode van veertig jaar Israëlitische
verdrukking van Moab, niet met de Bijbelse chronologische gegevens te passen. De
seculiere revisionist Dr. Immanuel Velikovsky wist met de veertigjarige
vermelding geen raad en trok zelfs de Bijbelshistorische berichtgeving omtrent
deze koningen in twijfel (Eeuwen in Chaos, 1952, hoofdstuk 6, Achab of Joram:
twee versies in de Bijbel).
De Moabietische
steen vermeldt namelijk een periode van
veertig jaar voor drie koningen van Israël. Wanneer we vanaf het eerste
jaar van Omri in 920 v. Chr. tot aan
de derde opvolger Ahazia hun
regeerperioden samentellen, verkrijgen we slechts drieëndertig jaar. We kunnen
er echter met zekerheid vanuit gaan dat koning Ahazia van Israël in Moab
onbekend was. De berichtgeving in de Bijbel over hem is kort, drie verzen
slechts, en dan nog zeer negatief. Hij stierf voortijdig na een ziekte ten
gevolge van een val door het tralievertrek van zijn boven-verblijf te Samaria, na
een regeerperiode van slechts twee jaar. Een andere zoon van Achab nam daarop
de scepter in het tienstammenrijk over: Joram.
Het is deze koning die tegen het afvallige Moab zou oprukken, en de kleinzoon
van Omri is, waar de Moabietische steen naar verwijst.
In mijn
reconstructie zoals uiteengezet in TIJD
en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: Kroniek van koning Josafat van Juda, blz.
237-241, zitten er exact veertig jaar tussen het einde van de regering van
Josafat in 880 v.Chr. en het begin van de regering van Omri in 920 v.Chr.
Op de
bijgevoegde chronologische schema s in mijn boek op blz. 224, 230, 232 en 236
is de periode van veertig jaar via de regeerperiode van de Israëlitische
koningen uitgetekend. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
De
ontdekker van de Moabietische steen F.A. Klein, was een Elzasser en een Protestants
zendeling. Het jaar van de ontdekking was anno 1868. In 1868 maakte de Elzas,
de provincie waar Klein geboren werd, deel uit van Frankrijk en dit sinds de zestiende
eeuw, toen een zich naar het oosten en noorden uitbreidend Frankrijk, het
gebied opslokte en annexeerde. Het was de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 dat
maakte dat dit Duitstalige gebied opnieuw deel ging uitmaken van de Duitse eenheidsstaat, door de legendarische Bismarck gevormd. Het gebied is
lange tijd een twistappel tussen Duitsland en Frankrijk geweest. Vandaag maakt
de Elzas deel uit van Frankrijk en heeft de Bondsrepubliek Duitsland alle gebiedsverlies
als gevolg van de twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw, aanvaardt.
In de
geest van vele onderzoekers is dit echter geen vanzelfsprekendheid. In studies
over de oudheid en met name de Moabietische steen, is de nationaliteit van F.A.
Klein niet altijd onmiddellijk te achterhalen. Duitse onderzoekers noemen hem
voornamelijk een Duitser of Elzasser. Andere onderzoekers vermelden eenvoudig
weg de nationaliteit niet, of noemen hem een Europeaan.
Klein
was Duitssprekend, net zoals die andere beroemde Elzasser; Albert Schweitzer.
Schweitzer was bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog als protestants
zendeling en als arts werkzaam in Frans Kongo. Theoretisch was hij een
Fransman, maar werd desalniettemin als Duitser door de Franse autoriteiten in
een concentratiekamp in Afrika, geïnterneerd. Ik haal dit als
voorbeeld aan ter illustratie van de gevoeligheden die zich kunnen voordoen bij
het bestuderen van het revisionisme van de geschiedenis van de oudheid. En de
geschiedenis van Schweitzer ligt slechts honderd jaar achter ons.
De pre-dynastieke periode van het oude Egypte in het licht van het Bijbelboek Genesis
In mijn
studie TIJD en TIJDEN, 2015, breng
ik in de eerste hoofdstukken een geschiedschrijving die op het Bijbelboek
Genesis gebaseerd is en een verklaring geeft voor het ontstaan van de
Egyptische beschaving. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
Het
beginpunt van mijn werk is de zondvloed of grote vloed die in 2341/2340 v. Chr.
gedateerd wordt, en dit op basis van het chronologisch werken met de Bijbelse
sabbat- en jubeljaren (volgens de rekenwijze van William Whiston) in verbinding
met de geslachtsregisters van Genesis. Vervolgens heb ik de datering van de
spraakverwarring berekend en op de tijdsbalk geplaatst in het jaar 2239 v. Chr.
Het is vanaf dit laatste jaartal dat de kolonisatie van Egypte door de
nakomelingen van Noach een aanvang neemt. De nakomelingen van Noach en hun
geschiedenis vinden we in het Bijbelboek Genesis opgetekend vanaf hoofdstuk 10:
Genesis
10:1 Dit zijn de nakomelingen der zonen van Noach: Sem, Cham en Jafeth; hun werden namelijk zonen geboren na de vloed.
Het
Bijbelboek Psalmen heeft twee verwijzingen naar Egypte als het land van Cham.
Psalm
105: 23
Daarna kwam Israël in Egypte, en
Jakob verkeerde als vreemdeling in het
land van Cham.
Psalm
78:51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in
de tenten van Cham.
Het
prille begin van de Egyptische beschaving heeft volgens de Bijbel haar
oorsprong bij een van de drie zonen van Noach; Cham en diens nakomelingen. Zij zijn identiek met de door de
moderne Egyptologie tot mythe verklaarde god-koningen die voor de eerste farao
Menes, over Egypte heersten. De bekende Palermo-steen (zie TIJD en TIJDEN, 2015, blz.73-75) verhaalt over een lijst van een honderdtal
god-koningen, die start met de Egyptische god Horus. Volgens deze geschreven
Egyptische primaire bron heeft de eerste farao Menes het bewind over Egypte,
van deze god-koningen overgenomen. Toen de oudheidhistoricus Herodotos in de vijfde
eeuw v. Chr. Egypte bezocht en met de priesters aldaar sprak, kreeg hij
dezelfde geschiedenis te horen:
Toch
is Egypte voor de tijd van die
mannen door goden bestuurd die te
midden van de mensen leefden. Nu eens had de een dan weer de ander de macht en
de laatste van hen was Oros, de zoon van Osiris. Deze heette Apollo in het
Grieks; hij heeft Tyfon ten val gebracht en daarna als laatste god de troon
bestegen. Osiris kun je aan Dionysos gelijkstellen. Herodotos Boek 2:144
De
Bijbelse Cham was een van de acht
overlevenden van de grote vloed en was aldus nog tijdens de
pre-zondvloedperiode van de aarde geboren. Wat vooral opvalt wanneer men de
Genesis-geslachtsregisters bestudeerd, zijn de hoge leeftijden van de
zogenaamde aartsvaders. Noach bijvoorbeeld,
leefde nog tot 350 jaar na de grote vloed (Genesis 9:28). Van zijn zoon Sem, en broer van Cham, staat een
leeftijd opgeschreven van zeshonderd jaar (Genesis 11:10-11), waarvan 502 jaar
na de Vloed. We kunnen aannemen dat ook Cham en zijn onmiddellijke nakomelingen
zulke lange leeftijden hadden. Deze mensen kwamen daarenboven uit een
beschaving zonder weerga, met een tot dan toe bewaarde kennis die samen met hun
hoge leeftijden, hen in de ogen van mensen wier leeftijd tot zeventig en
tachtig jaar (Psalm 90:10) herleidt was, tot schijnbaar onsterfelijke goden
maakten. Het is aldus logisch te concluderen dat de god-koningen van de
Palermosteen stervelingen waren, en afstammelingen uit de lijn van Cham. Cham
en zijn nakomelingen namen overigens zelf, in afwijzing van het verbond van de
HERE God met Noach, de status van goden aan. Dat blijkt o.a. uit het
Gilgamesj-epos dat leert dat Gilgamesj, de koning van Oeroek, twee-derde god
was en een derde mens. Dit maakt deel uit van de in het Bijbelboek Genesis
beschreven rebellie ten tijde van Nimrod, de kleinzoon van Cham.
Het
begin van hun beschaving plaatsen we volgens het Genesisbericht in het land
Sinear, in het tweestromenland. Het was pas toen Peleg (in de lijn van Sem)
geboren werd (Genesis 10:25) dat de aarde onder de nakomelingen van Noach
verdeeld werd. De spraakverwarring was hier een belangrijke drijfveer. Wat hier
aan voorafging was de bouw van de eerste stad en toren door Nimrod, de
kleinzoon van Cham in afwijzing van het verbond van de HERE God met Noach na de
Grote Vloed.
Genesis
10:6 En de zonen van Cham waren Kus,
Misraïm, Put en Kanaän. 7 En de
zonen van Kus: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka; en de zonen van Rama
waren Seba en Dedan. 8 En Kus verwekte Nimrod;
deze was de eerste machthebber op de aarde; 9 hij was een geweldig jager voor
het aangezicht des HEREN; daarom zegt men: Een geweldig jager voor het
aangezicht des HEREN als Nimrod. 10 En het begin van zijn koninkrijk was Babel,
Erek, Akkad en Kalne, in het land
Sinear. 11 Uit dat land trok hij naar Assur en hij bouwde Nineve, Rechobot-Ir,
Kalach 12 en Resen tussen Nineveh en Kalach; dat is de grote stad. (NBG
Vertaling 1951)
De
steden Babel, Erek, Akkad en Kalne werden in de negentiende eeuw al door
archeologen blootgelegd en onderzocht. Het Bijbelse Erek is het Uruk dat door
archeologen werd blootgelegd, het verschil in schrijfwijze is een gevolg van het
gebruik van verschillende klinkers. Duizenden kleitabletten werden in de
vermelde steden opgegraven en vertaald. Het bekendste hiervan is het
Gilgamesj-epos, dat een Babylonische versie van het Bijbelse zondvloedverhaal
is. Maar er is meer, de oud-Soemerische koningslijst begint met een koning
genaamd: Kisj. Het vraagt weinig verbeelding om in deze naam de Bijbelse naam
Kus of Kusj te herkennen, de zoon van Cham, de zoon van Noach in Genesis 10:6.
Een probleem is ook hier het conflict tussen de gebruikte dateringsmethoden.
Conventioneel plaatst men de Soemerische Kisj in 2900 v. Chr. Vanuit het
Genesismodel plaatsen we de eerste beschaving in het Tweestromenland rond 2300
v. Chr.
Gilgamesj
was koning van Uruk en sprak volgens het Gilgamesj-epos met een overlevende van
de Grote Vloed: Oetnapisjtim. Dit zou de Bijbelse Noach geweest kunnen zijn of
Cham, de grootvader van Nimrod. Er zijn namelijk onderzoekers die Gilgamesj met
de Bijbelse Nimrod identificeren. De betekenis van het Hebreeuwse Nimrod is:
opstandeling. Gilgamesj zou dan zijn werkelijke naam geweest zijn, en Nimrod
zijn synoniem. En er zijn heel wat raakpunten tussen beide heersers. Zie link:
http://davelivingston.com/nimrod.htm
De
geschiedenis van de eerste opstand na de Grote Vloed vinden we in het
Bijbelboek Genesis hoofdstuk 11:
Genesis
11:1 De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak. 2 Toen zij
oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. 3 En zij zeiden tot
elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel
diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 4 Ook zeiden zij:
Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de
hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele
aarde verstrooid worden. 5 Toen daalde de HERE neder om de stad en de toren,
die de mensenkinderen bouwden, te bezien, 6 en de HERE zeide: Zie, het is één
volk en zij allen hebben één taal. Dit
is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen
onuitvoerbaar zijn. 7 Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal
verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. 8 Zo verstrooide de HERE hen vandaar over de
gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. 9 Daarom noemt
men haar Babel, omdat de HERE daar de taal der gehele aarde verward heeft en de
HERE hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft. (NBG Vertaling 1951)
Kus, de
zoon van Cham, wordt in de Bijbel enkele malen in verband met Ethiopië
gebracht. Dat is dan niet het Ethiopië dat vandaag de naam van de staat aan de
hoorn van Afrika draagt, maar eerder het noorden van het huidige Soedan. Een
andere zoon van Cham: Misraïm, trok naar Egypte. Op de getoonde kaart heb ik de
vermoedelijke reisweg van Kus (groene kleur) vanuit de Arabische Golf, over de
Indische Oceaan naar Ethiopië getekend, en zo verder lang de Nijl richting
noorden. De grijze kleur toont de trekroute van Misraïm over land naar Egypte.
Hierbij
zij opgemerkt dat we de wereld van na de Grote Vloed moeten voorstellen als een
wereld die nog na geteisterd werd door natuurrampen aller aard. Het waren de
dagen van Peleg, de periode dat de wereld, volgens Genesis, verdeeld werd. Volgens
het Genesismodel moeten we ook de continentale drift in deze periode plaatsen,
maar dan versneld. Hierbij werden nieuwe bergmassieven gevormd en zochten
stromen en rivieren een nieuwe weg naar de zeeën. Van de Arabische Golf bijvoorbeeld
neemt men aan dat deze zich veel verder in land tot aan de stad Uruk bevond.
Ook van de huidige Nijldelta neemt men aan dat de Middellandse Zee toen verder
in land zat. Het was nog een groot moerasgebied toen Misraïm daar arriveerde. Over
de eerste farao Menes schrijft Herodotos dat deze de Nijl vanaf Memfis
kanaliseerde en zorgde voor het droogleggen van het land (Herodotos Boek 2,
99).
De
pre-dynastieke periode voor Egypte loopt van 2239 v. Chr., het jaartal van de
spraakverwarring en begin van de grote trek, tot aan 2018 v. Chr., het jaartal
dat Menes, de eerste farao, het bewind overneemt wat een totaal van 221 jaar
geeft.
Een
korte tijd terug schafte ik via het internet het boek van Dr. Werner Papke aan:
Die Sterne von Babylon, Die geheime Botschaft des Gilgamesch nach 4000
Jahren entschlüsselt. Het werk dateert al van 1989 (ISBN 3 7857 0498 4). De
auteur brengt een Duitse vertaling van het Gilgamesj-epos en berekend de
astronomische datum van de Babylonische versie van de zondvloed. Tot mijn
verrassing kwam in zijn studie telkens weer het jaar 2340 v. Chr. tevoorschijn,
voor het gebeuren. Het is hetzelfde jaartal waar ik bij arriveerde in mijn werk;
TIJD en TIJDEN. En dit op basis van de sabbat- en jubeljaartelling op de wijze
van tellen volgens William Whiston en vervolgens via de juiste verbinding met het
tijdstip van de roeping van Abraham, voorafgegaan met de
Genesisgeslachtsregisters van de aartsvaders. Ik beschouw de verkregen
astronomische datum van 2340 v. Chr. van Werner Papke voor het Gilgamesj-epos,
als een kruispeiling dat mijn in de tijd terug navigeren via de sabbat- en
jubeljaren, bevestigd. In mijn werk TIJD
en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de datering van de spraakverwarring, blz.
13-21, wijs ik op afwijkende geslachtsregisters met hogere jaartallen dan de
Masoretische getallen uit onze Bijbel, wat twijfel oproept, een twijfel die
ongegrond bleek.
Verbazend
bij het lezen van het werk van Dr. Werner Papke, was ook de astronomische
kennis van de Chaldeeërs. Zij waren blijkbaar Copernicus vierduizend jaar
vooraf. Zij wisten bijvoorbeeld dat de planeten niet om de aarde, maar om de
zon cirkelen en dat planeet aarde met haar maan op de vierde plaats na Saturnus
komt. Het toont veel over de kennis van de nakomelingen van Noach in het derde
millennium v. Chr. Navigeren op zee moet voor hen ook eenvoudig geweest zijn,
en dit verklaart onder andere het ontstaan van de eerste beschavingen in
Centraal-Amerika. Een continent dat vanuit Azië het eerst bereikt werd. Dit
alles is een kennis die later verloren ging en in het Westen slechts
vijfhonderd geleden opnieuw verkregen werd.
De
moderne Egyptologie negeert de geschiedenis uit het Bijbelboek Genesis en
brengt een pre-dynastieke geschiedenis van Egypte op basis van de
evolutietheorie. De tijd voor de eerste faraos wordt over verschillende
tijdperken uitgesmeerd en de aanvang in een ver niet meer verifieerbaar
verleden, geplaatst. De bekende zogenaamde archaïsche tijd met de eerste en
tweede dynastie, laat men rond 3150 v. Chr. met farao Menes, aanvangen. Maar
voor die tijd is het gissen bij gebrek aan schriftelijke bronnen zijn. Te
Naqada in Egypte werd een site door archeologen blootgelegd met een
nederzetting die voor de Archaïsche tijd gedateerd werd, de zogenaamde Naqada-cultuur,
verwijzend naar de mensen die tijdens de Kopertijd van circa 4400 tot 3150 v.
Chr. het land daar bewerkten. De Naqada-cultuur werd onderverdeeld in drie
fases van bewoning. De oudste veronderstelde fase is die van Naqada I die
bestond uit een lokale dorpscultuur. Maar ook voor de Naqada-cultuur laat men
Egypte al bevolkt worden. Vanaf circa 10.000 tot 5000 v. Chr. rangschikken
zogenaamde deskundigen het tijdperk van het Epipa-leolithicum op de tijdsbalk. Tijdens deze periode laat men
volgens de theorie, bevolkingsgroepen vanuit de Sahara, de Boven-Nijl en
Zuidwest-Azië in Egypte binnenkomen. Vanuit het Genesismodel gezien zijn dit de
eerste kolonisten van de grote trek die in 2239 v. Chr. op gang kwam. De feiten
op het terrein kloppen met elkaar met uitzondering van de dateringsmethode. En
met de tijdsschijf die volgens de Egyptologie aan het Epipa-leolithicum voorafging: het Paleo-lithicum, gaan we helemaal de verdrukking in. Dit tijdperk
laat men namelijk aanvangen rond 500.000 à 300.000 tot 10.000 v.Chr. Deze
constructie is volledig op de evolutietheorie gebaseerd en blijft een theorie.
Daar
tegenover staat het Genesismodel dat een wereldwijde grote vloed brengt met het
einde van de eerste beschaving sinds de Schepping, met een nieuw begin in 2340
v. Chr. De wereld die onderging was een beschaving zonder weerga, gelijk aan
het Atlantis uit de Griekse mythologie. Maar het was een beschaving geweest die
haar eigen weg naar de ondergang ging.
De
wereld van de voortijd die onderging was een wereld zonder weerga geweest, en
dit op alle gebied. Honderdtwintig jaar voor de grote vloed was de maat vol en
was de aarde en alles wat er op leefde gedoemd tot sterven. Wat de maat vol
maakte was het vermengen van de zonen Gods met de dochters der mensen, met als
resultaat; de Nefilim. Een Hebreeuws woord dat meestal vertaald wordt met
reuzen of geweldenaars.
Genesis
6:1 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun
dochters geboren werden, 2 zagen de
zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich
daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet
altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar
zijn. 4 De reuzen waren in die dagen
op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen
kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit
zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.
5 Toen
de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de
overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6
berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte
Hem in zijn hart. 7 En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb,
van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend
gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt
heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN.
Een
periode van Gods handelen met de mens werd definitief afgesloten. Opmerkelijk
vind ik dat er in het Bijbelboek Genesis staat geschreven dat de HERE God de
deur van de ark sloot en niet Noach:
Genesis
7:16 en de HERE sloot de deur achter hem.
Het was
het afsluiten van een Bijbelse bedeling. Slechts acht mensen, vier mannen en
vier vrouwen, overleefden de meganatuurcatastrofe van Godswege en begonnen daarna
opnieuw, met een verbond van God en de belofte dat Hij nooit meer de aarde zou
verderven (Genesis 9:9-11). Het kwaad (Rom. 3:9-17) was echter mee de ark ingegaan
en vooreerst in de lijn van Cham zou er dra een nieuwe opstand opkomen. Het was
de Bijbelse Nimrod die zoals eerder vermeld, het verzet na de grote vloed
leidde.
Het
antwoord van de HERE God hierop was de roeping van Abra(ha)m:
Genesis
12:1 De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws
vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2 Ik zal u tot een groot volk
maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en
wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en
met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 4 Toen
ging Abram, zoals de HERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen
hij uit Haran trok. 5 Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders
zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran
verkregen hadden, en zij trokken uit om
te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. 6 En Abram
trok het land door tot de plek bij Sichem, tot de terebint More; en de
Kanaänieten waren toen in het land. (NBG Vertaling 1951)
Deze
nieuwe bedeling, de periode tussen de belofte aan Abraham en de Wet van Mozes,
vangt aan in 1913 v. Chr. (zie TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: de Assyriërs en
Abraham, blz. 47-58). In de geslachtslijn van Abraham via Isaak zou
uiteindelijke de beloofde Verlosser van de dood: Jezus Christus, geboren
worden.
God is
liefde, schrijft Johannes in zijn eerste brief: 1 Johannes 4: 8 Wie
niet liefheeft, kent God niet, want God
is liefde.
De
Liefde is het hele Wezen van God. Zijn strijd is aldus gans anders dan die
van de tegenstanders. De profeet Jesaja noemt Hem een God, die Zich verborgen
houdt, maar uiteindelijk volgens Zijn plan tot Zijn doel komt, de verlossing
van de dood voor de mens en het herstel van alle dingen.
Jesaja
45:15 Voorwaar, Gij zijt een God, die
Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser. (NBG Vertaling
1951)
Volgens
de Seder Olam trok Abram nog hetzelfde jaar van de belofte en met de aankomst
in Kanaän, door naar Egypte waar hij drie maanden als een gevolg van de
hongersnood in Kanaän, verbleef (Genesis 12:10). In Egypte volgde onmiddellijk een
verdrukking vanwege het feit dat de farao van Egypte de vrouw van Abram bij hun
aankomst in Egypte begeerde, en in zijn harem liet opnemen. Dit is een
voorbeeld van de Cham-nietische cultuur. In de geest van Nimrod eigende farao
zich de vrouw van Abraham, toe. Dit is een geschiedenis die in het Bijbelboek
Genesis hoofdstuk twaalf van vers tien tot en met vers twintig beschreven
staat. Na zijn verlossing uit deze penibele situatie door een tussenkomst van
de HERE God, trok Abram met zijn vrouw Sarai terug naar Kanaän.
Het
Bijbelboek Genesis verwijst in hoofdstuk 12 uitsluitend naar farao, zonder
een naam op te geven.
Maar
zoals uiteengezet in TIJD en TIJDEN,
2015, hoofdstuk: het dateren van de eerste dynastie in Egypte, blz. 43-45, kunnen
we de naam van de dan regerende farao invullen met farao Athotis van Manetho s
tweede dynastie, de Teta van de Abydos-lijst. Athotis is dan de Griekse naam en
Teta de Egyptische naam die heden in hiëroglyfen nog op de tempelmuur van Seti
I te Abydos, gebeiteld staat. De pre-dynastieke periode van Egypte was aldus al
geschiedenis toen Abraham in 1913 v. Chr. wegens een hongersnood in Kanaän naar
Egypte trok.
De uitzonderlijke lichaamslengte van farao Senwosret III
Farao Sesostris III behoorde tot
de Egyptische twaalfde dynastie. De twaalfde Egyptische dynastie van het
Midden-Rijk, had al eerder mijn aandacht op dit blog en in mijn boek TIJD en TIJDEN, 2015, hoofdstuk: het
Egyptische Midden-rijk, blz. 89. Zie link: http://boekscout.nl/shop/ViewProduct.aspx?bookId=5579
De twaalfde dynastie is volgens de
revisie van de geschiedenis van de oudheid contemporain met de derde, vierde,
vijfde en zesde dynastie van het Oude Rijk. En beide Rijken komen
tegelijkertijd aan hun einde, als een gevolg van de Exodus en de invasie van de
Hyksos/Amoe/Amalekieten, in 1483 v. Chr. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1432504800&stopdatum=1433109600
De farao van de verdrukking in
het gereviseerde model is Pepi II van de zesde dynastie. Zijn handlanger was
farao Senwosret III
Exodus 1:8 Toen kwam er een
nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had. 9 Deze nu zeide tot zijn
volk: Zie, het volk der Israëlieten is groter en talrijker dan wij. 10 Welnu,
laten wij met beleid tegen hen optreden, opdat zij zich niet vermenigvuldigen
en zich als wij in oorlog komen bij onze tegenstanders aansluiten, tegen
ons strijden en uit het land wegtrekken. 11 Daarom stelde men opzichters van herendiensten over hen
aan om hen door de hun opgelegde dwangarbeid te onderdrukken: zij moesten voor
Farao voorraadsteden bouwen, Pitom en Raämses. 12 Maar hoemeer men hen
onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en breidden zij zich uit,
zodat men bevreesd werd voor de Israëlieten. 13 Toen lieten de Egyptenaren de
Israëlieten onder mishandeling werken; 14 ja, zij maakten hun het leven bitter
door harde slavenarbeid met leem en
tichelstenen en door allerlei arbeid op het veld alle werk, waartoe zij
hen onder mishandeling als slaven gebruikten.
De afbeelding hierboven toont
bouwwerken ten tijde van de twaalfde dynastie die uit leem en tichelstenen
gemaakt zijn. Het zijn zulke gebouwen die de Israëlieten als slaven verplicht
werden te bouwen.
Farao Senwosret III zou hier de
opzichter geweest kunnen zijn waar het Bijbelboek Exodus 1:11 naar verwijst.
Een merkwaardigheid aan Senwosret
III was zijn enorme lichaamslengte. Manetho vermeldt (wat niet zijn gewoonte
was voor andere faraos) over Senwosret een lengte van vier el, drie palmen en twee duimbreedten. De lengtematen in de
Bijbel zijn aan het menselijk lichaam ontleend, zo ook was dit het geval in het
oude Egypte. Een Bijbelse EL berekenen we vandaag naar 445 millimeter, alhoewel
er afwijkende getallen mogelijk zijn. Zie het artikel op dit blog van 09-03-2015: Salomo s huis: Woud van de
Libanon. Zie link: http://www.bloggen.be/robertdetelder/archief.php?startdatum=1425855600&stopdatum=1426460400
Op basis van 445 millimeter voor
een el, 76 millimeter voor een palm, en 19 millimeter voor een vingerbreedte,
kunnen we de beschreven lichaamslengte van Senwosret III berekenen op 2,046 meter.
Een tijdgenoot van Senwosret III (volgens
mijn revisie van de geschiedenis van het oudheid-Egypte) was; farao Sesochris
van Manetho 's tweede dynastie. Farao Sesochris had volgens Manetho ook een ongewone
lichaamslengte van vijf el, drie palmenen twee vingers, of ongeveer 2,491 meter, een reus van een vent dus.
Het vinden van de stoffelijke
resten van deze faraos zou opheldering kunnen geven maar tot op heden werden
de mummies van deze heersers niet gevonden. Het vinden van reuzenmummies zou wel
de ontdekking van de eeuw voor Egypte worden. Waren deze farao's afstammelingen
van de Bijbelse Nefilim? Een vraag waar moeilijk op geantwoord kan worden.
Met Senwosret III, als de farao-opzichter
van de verdrukking, moeten de Israëlieten zich voor hem als sprinkhanen gevoeld
hebben. Hetzelfde gevoel dat ze een generatie later met sommige bewoners van
Kanaän zouden hebben. De Bijbelse Nefilim dateren voornamelijk van voor de
Grote Vloed (Genesis 6:4). Maar het Schriftwoord vermeldt ook: daarna. En
inderdaad wanneer de Israëlieten onder leiding van Jozua het beloofde land
Kanaän in 1483 v. Chr. verspiedden en veertig jaar later effectief
binnentrokken is er weer in de Bijbel sprake van Nefilim of reuzen:
Numeri 13:33 Wij hebben ook daar (Kanaän)
de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo
waren wij ook in hun ogen.
Deuteronomium
3:11 Want Og, de koning van Bazan,
was alleen van de overigen der reuzen
overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet
te Rabba der kinderen Ammons? Negen
ellen (4,7 meter) is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens
mans elleboog. 12 Ditzelfde land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroer
af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de
steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. (Statenvertaling)
Er zijn nog verwijzingen in de Bijbel te vinden die
naar uitzonderlijk grote mensen verwijzen, waar menig Bijbelcriticus de
schouders bij ophaalt.
Maar nu blijkt dat ook Egyptische bronnen naar mensen
van uitzonderlijke lengte verwijzen. En dit zijn faraos die volgens de revisie
van de geschiedenis van de oudheid, nu tijdgenoten van de in de Bijbel beschreven
reuzen zijn.