Ik ben , en gebruik soms ook wel de schuilnaam Rìghinn.
Ik ben een vrouw en woon in (België) en mijn beroep is student maatschappelijke veiligheid.
Ik ben geboren op 06/11/1989 en ben nu dus 32 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: Concerten, gitaarspelen, tekenen, schilderen, ontwerpen, mode.
Suikerspinnen droomlandschappen
de emotionele chaos van een Ana-addict
03-11-2008
De meeste mensen die me voor het eerst ontmoeten, zijn niet al te enthousiast over mijn sociale capaciteiten. Iedereen bestempelt me wel als vriendelijk en in de beste gevallen word ik zelfs sympathiek genoemd. Toch staat niemand onmiddelijk te springen om veel tijd met me door te brengen. Die enkelingen die me toch volledig als vriendin bestempelen, zijn vaak al evenveel door de maatschappij uitgespuwd als ik. Ook moeten er geen eeuwigheden voorbijgaan voordat ze opmerken hoeveel vreemde trekjes ik wel niet heb. Al meer dan eens werd ik al lachend het klevertje 'zot' opgeplakt. Mijn mond lacht dan vrolijk mee, maar mijn ogen vertellen een ander verhaal. Wat bedoelen ze met die korte term die al te vlug over hun tongen rolt? Je zou het kunnen opvatten als een soort compliment voor je gedrag. Je brengt mensen aan het lachen door gekke dingen te doen of zeggen die je niet serieus meent. Maar meestal ben ik wel serieus en sta ik volledig achter wat ik gezegd heb. Misschien maakt dat me wel anders dan een doorsnee grappenmaker. Het duwt me over het randje van het veilige hen, in het gevaarlijk gebied van de verwarde geesten. Getuige daarvan is mijn recente opname in een psychiatrische instelling; als dat geen bevestiging genoeg is... Mijn zotheid is van het soort dat verontrustend kan zijn een blijkbaar kunnen mensen dat vanaf het eerste moment van me aflezen. Onbewust vermijden ze mijn gezelschap om niet geconfronteerd te worden met wat mijn gedachten beheerst.
Komt daar nog bij dat ik een vreselijke narcist kan zijn. Dat doet mijn sociale integratie ook geen deugd. Het is niet altijd zo, meestal kruip ik zowat in de grond in gezelschap, maar geregeld betrap ik mezelf op superioriteitsgevoelens tegenover mijn gesprekspartner. Gedreven door een onstilbare honger naar kennis slorp ik als een spons weetjes op. Ik geniet er echt van zoveel te weten en van alles te kunnen meespreken. Ik geniet ervan méér te weten en een ander onder de tafel te spreken. Ik veracht de onwtenden, voel ergens met ze mee. Hoe ben ik ooit zo hautain kunnen worden? Hoe ben ik alles wat anderen doen banaal gaan vinden en bijgevolg de moeite niet waard? Alles interesseert me en tegelijk vind ik niks boeiend genoeg om lang mee bezig te zijn. Tijdsverspilling, quoi. Mijn zelfhaat groeit alweer als ik dit toegeef aan mezelf. Als ik eerlijk ben over mezelf, blijft er een lelijk gedrocht over.
Nooit en nooit meer. Elektrisch geladen woorden in een zinderende lucht. Het geluid golft geladen naar een gespannen pupil. Een rivier vormt zich een verlaat de bedding. Een stroompje doet een wang glinsteren met een slakkenspoor. Een rode, stervormige traan onstnapt ondanks pogingen om hem met de tralies van mijn wimpers tegen te houden. Bloedrood glijdt de ster van zijn plaats aan het firnament. Een vallende ster. Doe een wens.
Maak van nooit en nooit meer ooit en ooit weer. Een vinger reikt aarzelend naar de traan, plukt hem van de zachte wang. Hij is niet nat en zacht. Het is een rode kristal, ijskoud en scherp. De ster wordt een vlek en verdwijnt langzaam. Hij sijpel weg tussen de kronkels van een vingerafdruk, er een nieuwe bedding vindend.
Wat betekent dat, een verdwenen ster? Uitgedoofd, weggesijpeld, verkild als een koud hart? Ooit en ooit weer wordt een ijzige nimmermeer.