|
Het Trias eindigde, net als het begonnen was, met een grote massa-extinctie, hoewel deze een stuk minder desastreus was als de Perm-Trias-extinctie. De Trias-Jura-extinctie sloeg vooral toe in de zeeën: de conodonta en veel zeereptielen verdwenen, hoewel de ichthyosauriërs en plesiosauriërs de gebeurtenis overleefden. Veel soorten ongewervelden als brachiopoden, gastropoden en mollusken stierven uit. Ongeveer 22% van alle mariene families en de helft van alle geslachten verdween. Hoewel de Trias-Jura-extinctie op het land minder hard toesloeg, verdwenen onder de grotere reptielen een aantal belangrijke klasses Crurotarsi, een aantal grotere labyrinthodonta amfibieën, groepen kleinere reptielen en een groot aantal sinapsiden (hoewel de zoogdieren overleefden). Sommige van de eerste vroege dinosauriërs stierven ook uit, maar andere soorten overleefden om zich in het Jura verder te ontwikkelen. Onder de planten overleefden onder andere veel soorten coniferen en cycadeioden. Het is niet zeker wat de oorzaak is geweest van de Trias-Jura-extinctie. Duidelijk is dat rond 208-213 grootschalig vulkanisme voorkwam, geassocieerd met het opbreken van Pangea. Anders mogelijke oorzaken zijn wereldwijde klimaatsverandering (naar een kouder klimaat) of zelfs een meteorietinslag. De inslag wordt in verband met een krater bij het Manicouagan Reservoir in Québec (Canada). Datering van bij de inslag gevormde zirkonen (door middel van de uranium-loodmethode) in de krater wijst echter uit dat deze inslag rond 214 Ma plaatsvond, meer dan 10 miljoen jaar voor de Trias-Jura-overgang. Daarom lijkt de inslag niet de directe aanleiding voor de massa-exctinctie te zijn.[8] 27-12-2008 om 15:56
geschreven door joachim ++++quin |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Jura |
|
Het Jura is een periode in de geologie (en een systeem in de stratigrafie) die duurde van ongeveer 199,6 tot 145,5 miljoen jaar geleden (Ma). Het Jura is de tweede en middelste periode van het era Mesozoïcum. Het volgt op het Trias en wordt opgevolgd door het Krijt. In het Jura was het opbreken van het supercontinent Pangea in volle gang. Het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan opende zich. Het zeeniveau steeg en kwam relatief hoog te liggen. Het Jura was (samen met het erop volgende Krijt) de bloeiperiode van de dinosauriërs, ook ontstonden de eerste vogels De naam Jura werd voor het eerst gebruikt door de paleontoloog Alexandre Brongniart (1770-1847). Het Jura is genoemd naar het gelijknamige gebergte op de Zwitsers-Franse grens, de Jura, waar veel gesteenten van Jurassische ouderdom aan het oppervlakte liggen (dagzomen). Het Jura wordt in drie series of tijdvakken ingedeeld: Onder/Vroeg, Midden en Boven/Laat. In Noord-Europa en op de Britse Eilanden worden hiervoor vaak de inofficiële namen Lias, Dogger en Malm gebruikt. Deze worden weer onderverdeeld in elf etages of tijdsnedes. In het Jura begon het supercontinent Pangea echt op te breken, nadat in het Trias al riften ontstaan waren. Tussen Gondwana (het tegenwoordige Afrika) aan de ene en Laurazië (Noord-Amerika en Europa) aan de andere zijde opende de Tethys-oceaan zich verder, waardoor de Noordelijke Atlantische Oceaan begon te vormen. Deze opening zette zich verder naar het oosten voort tussen Noord- en Zuid-Amerika. Deze scheiding liep dus grotendeels tussen de twee landmassa's die in het Carboon bij elkaar waren gekomen: Gondwana en Laurazië. Echter, ook Gondwana zelf begon op te breken want ook tussen Afrika en India/Antarctica opende een nieuwe oceaan. De zuidelijke Atlantische Oceaan tussen Afrika en Zuid-Amerika en de Noordelijke IJszee tussen Europa en Noord-Amerika bleven tijdens het Jura nog gesloten.[ Door de vorming van alle nieuwe, lichte oceaankorst steeg het eustatisch zeeniveau in het Jura. Met de zeespiegel liepen grote delen van de continenten onder water. Grote delen van Europa raakten tijdens het Jura bedekt met ondiepe zeeën. Ten zuiden van wat nu Zuid-Duitsland is lag de Tethysoceaan. De Golf van Biskaje bestond nog niet waardoor het Iberisch Schiereiland in een geroteerde positie vastzat aan de westkust van het tegenwoordige Frankrijk. Met het uit elkaar bewegen van Afrika en Europa raakten een aantal microcontinenten los van de Afrikaanse Plaat, waaronder Apulia, dat later Italië zou worden. Verder naar het oosten vond langs de zuidelijke rand van Azië de Cimmerische orogenese plaats, waarbij een aantal kleine microcontinenten (tegenwoordig bevinden deze terreinen zich in Iran, Afghanistan en Tibet) zich bij Azië voegden. Het Trias was geëindigd met de Trias-Jura-extinctie, één van de grootste uitstervingen aller tijden. In het water verdwenen de conodonta en placodonta (groepen zeereptielen). Ook onder bivalven, ammonieten en plesiosauriërs stierven veel soorten uit. Op het land waren vooral zoogdierachtige reptielen en amfibieën het slachtoffer. Vooral de dinosauriërs zouden profiteren: in het Jura ontstonden veel nieuwe soorten door een snelle radiatie. Hoewel veel van de soorten die in het Vroeg-Jura ontstonden aan het einde van het Jura weer zouden verdwijnen zou er tot het einde van het Krijt geen massa-extinctie meer plaatsvinden, waardoor de dinosauriërs ongeveer 135 miljoen jaar lang het leven op Aarde zouden domineren. Marien levenHet leven op de zeebodem bestond in het Jura uit veel groepen die ook tegenwoordig nog voorkomen, zoals zee-egels, zeesterren, slangsterren, bivalven, oesters, brachiopoden (hoewel tegenwoordig veel zeldzamer) en gastropoden. Ook verschenen tijdens het Jura de eerste kreeftachtigen. Groepen uit het Jura die tegenwoordig niet meer voorkomen zijn bijvoorbeeld ammonieten, belemnieten en de rudisten, kolonievormende bivalven die nog diverser werden in het Krijt. De koraalriffen, die in het Trias nog vrij klein waren, bereikten in het Jura weer hedendaagse groottes. De dominante groep koralen waren (en zijn tegenwoordig nog steeds) de destijds nieuwe hexacorralia. Jurassische straalvinnige vissen waren primitiever dan tegenwoordig. Zo had de vis Dapedium schubben die nauwelijks over elkaar vielen. Ook haaien kwamen in het Jura voor, een voorbeeld is Hybodus. Na het uitsterven van de placodonta bleven onder de zeereptielen de plesiosauriërs (waaronder de pliosauridae als Liopleurodon) en ichthyosauriërs (waaronder Ichthyosaurus) over. Hoewel dit reptielen zijn is van de ichthyosauriërs bekend dat ze hun jongen levend baarden in plaats van eieren te leggen; er is namelijk een fossiele Ichthyosaurus gevonden die bezig is met baren. In het Jura begaven ook soorten krokodilachtigen (verdeeld in de groepen Teleosauridae en Metriorhynchidae) zich in de zee, waar ze in het Krijt monsterachtige groottes zouden bereiken. [bewerk] LanddierenOp het land werden in het Jura reptielen van de groep Archosauria (voornamelijk de dinosauriërs) dominant. Dinosauriërs kunnen naar de stand van het schaambeen ingedeeld worden in Ornithischia en Saurischia. Vooral de laatste groep was in het Jura overheersend. De plantenetende saurischiërs waren de Sauropoda, zoals Apatosaurus, Camarasaurus, Diplodocus, Seismosaurus en Brachiosaurus. Vele soorten sauropoden van deze periode konden een enorme grootte bereiken, het zijn de langste en zwaarste landdieren die ooit geleefd hebben. De vleesetende saurischiërs, de Theropoda, in het Laat-Trias ontstaan, waren in het gehele Jura de dominante roofdieren. In het Vroeg-Jura was een belangrijke groep theropoden de Coelophysoidea, waaronder Dilophosaurus. Iets later kwamen twee grote hoofdgroepen tot ontwikkeling: de Ceratosauria, waaronder Ceratosaurus, en de Tetanurae. Binnen de Tetanurae splitsen zich in het Jura vele groepen af. De Spinosauroidea, waaronder Megalosaurus en Eustreptospondylus, en de Carnosaurier, waaronder Allosaurus, ontwikkelden vele grote soorten. Klein bleven in het Jura de Coelurosauria, als Ornitholestes of Compsognathus. Van veel soorten binnen de laatst genoemde groep wordt aangenomen dat ze veren hadden, maar de fossielen daarvan zijn het Jura nog zeldzaam. Binnen de Coelurosauria ontwikkelden zich de eerste vogels. De oudst bekende vogel, Archaeopteryx, komt uit het allerlaatste deel van het Jura. Een belangrijke groep ornithischische dinosauriërs in het Jura bestond uit de plantenetende Stegosauria, waaronder Stegosaurus zelf. Deze laatste groep stierf vermoedelijk nog tijdens het Jura uit. Het luchtruim was in het Jura het domein van veel soorten pterosauriërs. Voorbeelden zijn Rhamphorhynchus, Dimorphodon, Pterodactylus en Pteranodon. Vogels waren in het Jura nog zeldzaam en zouden pas veel later de meeste ecologische rollen van de pterosauriërs overnemen. In het Midden-Jura verschenen de eerste hagedissen. Uit de Crocodylomorpha van het Trias waren in het Jura nieuwere soorten krokodilachtigen ontstaan zoals de Protosuchidae (bijvoorbeeld Protosuchus). De meeste therapsiden, de ruimere groep waartoe de zoogdieren behoren, stierven gedurende het Jura uit. De zoogdieren zelf verschenen in het Laat-Trias. De algemeen aanvaarde gedachte is dat ze in het Jura overwegend zeer kleine, onopvallende dieren waren, meestal nachtdieren om confrontaties met dinosauriërs uit te sluiten. De meeste fossiele zoogdieren lijken dit beeld te bevestigen. Sommige soorten werden echter iets groter. Een voorbeeld is Fruitafossor, een ongeveer vijftien centimeter grote eter van insecten. Castorcauda lustrasimilis was een ongeveer even groot op een otter lijkend zoogdier dat vis at.
Fossiel takje van Ptilophyllum sp., een lid van de Bennettitales, uit het Onder-Jura van Beieren (Schwarzjura). Ongeveer 5 cm lang. PlantenDe flora van het Jura werd gevormd door palmvarens, Bennettitales, coniferen en ginkgo's. De varens waren in grotere hoeveelheden aanwezig dan tegenwoordig, er waren nog geen bedektzadigen (bloemplanten). Omdat de droge, continentale klimaten die het Trias domineerden gedurende het Jura, vooral op hogere breedtegraden, langzaam milder werden was de Jurassische flora weelderiger dan die van het Trias.[ Coniferen waren de dominante bomen. Families van coniferen die tegenwoordig nog steeds bestaan waren de Araucariaceae (apenbomen), Cephalotaxaceae (knoptaxussen), Pinaceae (dennen), Podocarpaceae, Taxaceae (taxussen) en Taxodiaceae. De uitgestorven Mesozoïsche coniferenfamilie Cheirolepidiaceae domineerde de vegetatie op lagere breedtegraden samen met struikachtige Bennettitales. Palmvarens en boomvarens vormden de bossen in warmere klimaten. Vooral de palmvarens waren in zeer grote hoeveelheden aanwezig en zijn typisch voor het Jura. Kleinere varensoorten bedekten de bodem, op hogere breedtegraden vergezeld door ginkgo's. Op het zuidelijk halfrond (Gondwana) waren de Podocarpaceae succesvol, ginkgo's waren hier zeldzamer. 27-12-2008 om 15:46
geschreven door joachim ++++quin |
Het Krijt. |
|
Het Krijt is een geologisch tijdperk dat duurde van ongeveer 145 tot 66 miljoen jaar (Ma) geleden. Het is de laatste periode van het era Mesozoïcum, het volgt op het Jura en wordt gevolgd door het Paleogeen, de eerste periode in het Cenozoïcum. Het Krijt was een periode met een relatief warm klimaat en een hoge zeespiegel. In het water leefden tegenwoordig uitgestorven groepen dieren waaronder zeereptielen, ammonieten en rudisten. Op het land leefden diverse soorten dinosauriërs, tegelijkertijd verschenen veel van de moderne groepen zoogdieren en vogels. Onder de planten verschenen de bedektzadigen (bloemdragende planten). Het Krijt werd afgesloten met de laatste grote massa-extinctie uit de Aardse geschiedenis, waarbij onder meer de dinosauriërs uitstierven Het systeem Krijt werd in 1822 vastgelegd door de Belgische geoloog Jean d'Omalius d'Halloy, bij onderzoek van gesteentelagen in het Bekken van Parijs. De naam komt van het Latijnse creta, dat kalk betekent. De naam van het eiland Kreta heeft dezelfde oorsprong. Het Krijt bestaat in Europa voornamelijk uit dikke lagen kalksteen, vandaar de naam. Het systeem wordt in Europa ingedeeld in twaalf etages, die zijn overgenomen in de officiële geologische tijdschaal van de International Commission on Stratigraphy. De ICS verdeelt het Krijt daarnaast in twee tijdvakken: Vroeg en Laat. Inofficieel komt ook een alternatieve driedeling voor in Neocomien (Onder/Vroeg), Gallic (Midden) en Senonien (Boven/Laat). Naast de Europese (officiële) indeling komen in andere werelddelen regionaal gebruikte alternatieve indelingen in etages voor. Paleogeografie en eustasieHet uit elkaar bewegen van de continenten, dat in het Trias en Jura was begonnen met het uiteen vallen van het supercontinent Pangea, ging in het Krijt door. Aan het begin van het Krijt lagen de continenten nog redelijk dicht bij elkaar, maar gedurende het Krijt kwamen de continenten steeds verder uit elkaar te liggen. De meeste van de huidige continenten waren in het Krijt ook al aparte eenheden, hoewel Australië en Antarctica nog met elkaar verbonden waren. Tussen Europa en Afrika en Noord- en Zuid-Amerika opende de Atlantische Oceaan, tussen Afrika en Europa de Tethysoceaan. Het oude Gondwana brak op in de continenten India, Afrika, Australië-Antarctica en Zuid-Amerika. Door de grote hoeveelheden nieuwe (isostatisch lichte) oceanische korst die werd gevormd bij het uit elkaar riften van de continenten lag de zeespiegel relatief hoog gedurende het Krijt. De continenten stonden daardoor voor een groot deel onder water, zodat er relatief veel ondiepe zeeën waren. Een voorbeeld is de Krijtzee die Noordwest-Europa bedekte. Ook over Noord-Amerika lag een grote zee, die de hogere gebieden (de Appalachen in het oosten en de voorlopers van de Noord-Amerikaanse cordillera in het westen) van elkaar scheidde. In het Krijt kwamen zowel groepen dieren en planten voor die tegenwoordig uitgestorven zijn (zoals dinosauriërs of ammonieten) als tegenwoordig nog levende groepen. Moderne groepen die opkwamen in het Krijt zijn bijvoorbeeld de bloeiende planten en beenvissen. Vooral uit het Boven-Krijt zijn veel fossielen gevonden die een gedetailleerd beeld van het leven in die tijd geven. De bekendste vindplaatsen van fossiele gewervelden bevinden zich in Azië, West-Afrika en Noord-Amerika Het Krijt was de periode waarin een aantal belangrijke groepen eencelligen opkwamen, zoals diatomeeën en diverse soorten plankton. De laatsten zorgden voor de afzetting van krijtgesteente, opgebouwd uit kleine kalkskeletjes. Ze gedijden goed dankzij het warme klimaat en het lage magnesium-gehalte van het zeewater gedurende het Krijt. Hoger in de voedselketen stonden de ammonieten en belemnieten, beide groepen waren tijdens het Krijt (net als in het Trias en Jura) wijdverspreid en zijn dan ook bekende fossielen uit de periode. Onder ammonieten kwamen zowel soorten voor met rechte (zoals Baculites) als gedraaide schelpen. Op en in de zeebodem leefden diverse soorten krabben, bivalven en brachiopoden. De laatsten waren in het begin van het Mesozoïcum nog wijdverspreid maar werden gedurende het Krijt zeldzamer. De opkomst van bivalven tijdens het Krijt zorgde voor een toename in de hoeveelheid bioturbatie in de zeebodem.[10] Sommige soorten bivalven bereikten enorme groottes, zoals gedraaide soorten oesters (Gryphea) en rudisten. De laatste konden groter dan 1 m worden en vormden rifbouwende kolonies. Het Krijt was de enige periode waarin ze voorkwamen. Minder goed ging het de koralen af, waarschijnlijk vanwege de lage magnesium-gehaltes van het zeewater, waardoor het moeilijker was skeletten te bouwen van het mineraal aragoniet. Onder de bryozoa kwamen de Cheilostomata op, een groep die eerder tijdens het Jura verschenen was. Onder de slakken kwamen tijdens het Krijt de Neogastropoda op, die in tegenstelling tot eerdere slakken carnivoor zijn. Tijdens het Krijt verschenen de eerste beenvissen, een groep die tegenwoordig 95% van alle vissen uitmaakt. Sommige beenvissen uit het Krijt bereikten veel grotere afmetingen dan tegenwoordige verwanten, Xiphactinus kon bijvoorbeeld 5 m lang worden. Ook andere groepen vissen, zoals haaien, leken in het Krijt meer op hun tegenwoordige verwanten dan tijdens eerdere perioden. De opkomst van de beenvissen en krabben tijdens het Krijt zal waarschijnlijk de reden zijn voor de neergang van de tijdens het Jura nog veel voorkomende crinoïden en brachiopoden, die voor de eersten tot voedsel dienden.[11] Aan de top van de voedselketen stonden in het Krijt echter de tegenwoordig uitgestorven zeereptielen. De ichthyosauriërs en krokodilachtigen die in het Trias en Jura veel voorkwamen waren in het Krijt zeldzaam geworden. De zeeën van het Krijt werden gedomineerd door plesiosauriërs (zoals Elasmosaurus) en een nieuwe groep zeereptielen, de mosasauriërs. Sommige plesiosauriërs konden meer dan 10 m lang worden, mosasauriërs zelfs over de 15 m. PlantenTijdens het Krijt verschenen de eerste bedektzadigen (bloemplanten), de nu meest belangrijke planten. Bedektzadigen blijken in concurrentie met naaktzadigen vaak succesvol. Een factor daarbij is grotere efficiëntie, met als sprekend voorbeeld samenwerking met dieren voor bestuiving van de bloemen of transport van het zaad. Sommige bedektzadigen hebben zich gelijk aan ontwikkeld met de insecten die hen bestuiven (co-evolutie). De bijen verschenen min of meer tegelijkertijd met de bedektzadigen en vanaf het Laat-Krijt bereikten beide groepen snel een grote vormenrijkdom. Een andere voorbeeld ligt in het brede scala aan chemische stoffen dat evolueert en die helpen om planten te beschermen tegen vraat. De bedektzadigen kwamen pas in het Campanien veelvuldig voor maar waren ook toen nog beperkt tot natte gebieden. Veel moderne groepen bedektzadigde bomen kwamen voor het eerste voor in het Krijt: bijvoorbeeld vijgen, platanen of magnolia's. Hoewel de bedektzadigen aan het einde van het Krijt sterk diversificeerden bleven op het grootste gedeelte van het land coniferen (zoals Araucaria) en varens dominant. Deze twee groepen verdrongen tijdens het Krijt de palmvarens, die vanaf het Laat-Carboon een belangrijke groep waren geweest. Tijdens het Krijt stierf een andere belangrijke groep uit het Paleozoïcum, de Bennettitales, uit.
Verschillende soorten Ornithopoda: v.l.n.r.: Camptosaurus, Iguanodon, Shantungosaurus, Dryosaurus, Corythosaurus, Heterodontosaurus (klein), Tenontosaurus. LanddierenAangezien de continenten in het Krijt al uit elkaar lagen, verliep de evolutie van de landdieren verschillend op elk continent. Onder de insecten kwamen behalve de bijen ook veel andere nieuwe groepen op in het Krijt. De oudst bekende fossielen van mieren, termieten, bladluizen, sprinkhanen, galwespen en vlinders komen allen uit het Krijt. De grotere gewervelden van het Krijt waren allen Archosauria, vooral dinosauriërs. De Sauropoda, die wijdverspreid waren in het Jura, kwamen ook in het Krijt voor op alle continenten (alleen op Antarctica zijn geen fossielen gevonden). In de loop van het Krijt zouden de Titanosauria de plaats van de Brachiosauridae en Diplodocidae langzaam overnemen. Onder de Theropoda van het Krijt bevonden zich de grootste vleesetende landdieren ooit. De enorme Tyrannosauridae (waaronder Tyrannosaurus rex, Albertosaurus en Tarbosaurus) waren een groep die in Noord-Amerika en Azië voorkwam en waarvan sommige soorten bijna vijftien meter lang konden worden. Op andere continenten verschenen vergelijkbare grote theropoda, zoals Carnotaurus in Zuid-Amerika of Spinosaurus in Afrika. Andere theropoda uit het Krijt zijn bijvoorbeeld de vis- of aasetende Baryonyx en de alleseter Gallimimus. Onder de plantenetende dinosauriërs werden de tijdens het Jura verschenen Ornithopoda belangrijker. Voorbeelden zijn Iguanodon, Corythosaurus, Parasaurolophus en de kleinere Hypsilophodon. Van Maiasaurae is bekend dat ze gedurende langere tijd voor hun jongen zorgden, gedrag dat tegenwoordig niet bij reptielen voorkomt (maar wel bij vogels). Een andere groep planteneters waren de gepantserde Thyreophora, zoals Ankylosaurus en Minmi. De opkomst van deze soorten, al tijdens het Jura, was waarschijnlijk het gevolg van de grotere en snellere vleesetende theropoda. Een andere groep gepantserde dinosauriërs waren de Ceratopia (zoals Protoceratops of Triceratops), die een nekschild combineerden met hoorns, wellicht ter bescherming tegen roofdieren of om soortgenoten te imponeren.
Deinonychus antirrhopus, een Dromaeosaurida uit het Aptien en Albien van de Amerikaanse Great Plains-regio. Deze theropode dinosauriër had veren en was nauw verwant aan de vogels. De lucht werd beheerst door pterosauriërs en vogels. De vogels verdrongen de pterosauriërs gedurende het Krijt geleidelijk, zodat aan het einde van de periode wellicht alleen de zeer grote pterosauriërs over waren gebleven. De pterosauriërs Ornithocheirus en Quetzalcoatlus hadden een spanwijdte van meer dan tien meter; dit zijn de grootste bekende vliegende organismen. Sommige vogels, zoals Ichthyornis, leken op hedendaagse soorten. Een bepaalde uitgestorven orde van vogels, de Hesperornithes, konden niet vliegen maar leefden in de zee. Vogels hadden zich al tijdens het Jura ontwikkeld binnen de Maniraptora, een groep behorend tot de Coelurosauria. In het Onder-Krijt maakten ook andere maniraptoren een bloeiperiode door: bij Liáoníng zijn soorten gevonden, die een zeer vogelachtige bouw hadden en een kruising tussen haren en veren hebben of een echt verenkleed. Dit heeft tot speculaties geleid dat andere theropoda ook veren hadden. Ook soorten maniraptoren buiten de vogels, bijvoorbeeld Microraptor, konden zweven of wellicht echt vliegen. Andere werden juist vrij groot: de Dromaeosauridae als Deinonychus of Velociraptor. Behalve dinosauriers kwamen ook andere reptielen voor, zoals schildpadden en krokodilachtigen (waaronder de enorme Deinosuchus en Sarcosuchus). Champsosaurus was een aan hagedissen verwante soort die op krokodillen leek. Zoogdieren waren tijdens het Krijt een relatief kleine en onbelangrijke groep. De vroege zoogdieren uit het Jura ontwikkelden zich tijdens het Krijt in diverse groepen. De belangrijkste twee groepen zoogdieren van tegenwoordig, de placentadieren (Placentalia) en buideldieren (Metatheria), waren tijdens het Krijt al aanwezig. Didelphodon is een voorbeeld van een buideldier uit het Krijt. Onderzoek van fossiele schedeltjes laat zien dat onder zoogdieren vooral reuk en gehoor goed ontwikkeld waren, dit duidt erop dat het nachtdieren waren, waarschijnlijk om confrontaties met de grotere dinosauriërs uit de weg te gaan. Het gebit laat zien dat ze hun jongen zoogden (moedermelk gaven). Hoewel de meeste zoogdieren niet groter werden dan ongeveer 15 cm en zich voedden met insecten, zijn in het onder-Krijt van de Chinese provincie Liáoníng twee soorten gevonden die een iets ander licht doen schijnen op deze ondergeschikte rol van de zoogdieren: Repenomamus giganticus had de afmetingen van een hond, terwijl een fossiel van Repenomamus robustus werd gevonden met de overblijfselen van een jonge dinosauriër in zijn maag. Ook de oudst bekende plantenetende zoogdieren komen uit het Krijt. 27-12-2008 om 15:46
geschreven door joachim ++++quin |
![]() |
|
Beste webbezoeker, ten eerste wil ik u welkom heten op Prehistorie pagina... Zoals u ziet is er onder u een opsomming van bepaalde dinosaurussoorten waarvan ik een paar interresante weetjes over heb... Ik hoop dat deze u bevallen en dat u uw dinosaurus die u zoekt of wilt ontmoeten vind. Maar nog 1 kleine mededeling, Niet alle dinosaurussoorten staan op 1 pagina dus u zult ook op de vorige pagina's moeten kijken. Voor de rest wens ik u veel plezier en succes. Ondergetekend door: Joachim ++++quin! 27-12-2008 om 15:13
geschreven door joachim ++++quin |
![]() |
|
Albertosaurus sarcophagus is een ongeveer negen meter lange tyrannosauride en was hiermee iets kleiner dan zijn neefje Tyrannosaurus rex. Hij behoorde meer in het bijzonder tot de Albertosaurinae. Hij heeft vermoedelijk alle kenmerken van deze groepen zoals een zeer grote kop met flinke kaken, een groot lichaam en zeer kleine armen met twee vingers maar de soort is slechts fragmentarisch bekend. Hij leefde zo'n zeventig miljoen jaar geleden in het Krijt (Vroege Maastrichtien, 70 miljoen jaar geleden) in het huidige Noord-Amerika. Hij is beschreven door Osborn in 1905; de geslachtsnaam duidt op de Canadese provincie Alberta, de soortaanduiding betekent "vleesetend". Het is een tijdje de gewoonte geweest om Gorgosaurus onder Albertosaurus te laten vallen en het meeste wat men in de (populair)wetenschappelijke literatuur onder de noemer "Albertosaurus" kan vinden gaat in werkelijkheid over de veel beter bekende Gorgosaurus. Een andere, ook slechts fragmentarisch bekende, soort A. arctuinguis, in 1928 door Parks beschreven, wordt tegenwoordig onder A. sarcophagus gerekend 27-12-2008 om 15:02
geschreven door joachim ++++quin |
| 08-10-2008 |
allosaurus |
|
Allosaurus fragilis (Ned: 'andere reptiel') is een gigantische theropode (een vleesetende dinosauriër), die per definitie behoort tot de groep van de Carnosauria. Het dier werd in 1877 beschreven door de Amerikaanse paleontoloog Othniel Charles Marsh. Het is nog steeds een zeer bekende dinosauriër. In veel boeken staat dat Allosaurus ongeveer 150-130 miljoen jaar geleden leefde. Dat is juist maar wel moet bedacht worden dat in andere tijdvakken vele nauw verwante soorten bestonden; zo kwam er een kleine soort allosauriër in Australië voor (zie dwergallosaurus) en vermoedelijk ook in het destijds daaraan verbonden en meer noordelijk dan nu gelegen Antarctica, die tot het Midden-Krijt, ongeveer 100 miljoen jaar geleden, leefde. [bewerk] UiterlijkAllosaurus fragilis vertoont een enorme variabiliteit in grootte: 6-13 m lang. Vroegere paleontologen werden hierdoor op het verkeerde been gezet en benoemden verschillende soorten (zoals "A. atrox"), en voor het grootste bekende skelet zelfs een apart geslacht: "Epanterias" is de grootste goed bekende theropode uit het Jura. Allosaurus werd dus maximaal dertien meter lang en zo'n vijf meter hoog. Ook zijn er aanwijzingen dat Allosaurus vijftien meter kon worden, maar skeletten die daarvan gevonden zijn, zijn nog te fragmentarisch om het met zekerheid vast te stellen. Als dat zo is, komt Allosaurus op de tweede plaats in de ranglijst van de grootste bekende Theropoden (na Spinosaurus), maar voorlopig is Allosaurus officieel nog niet langer dan dertien meter. Gemiddeld zijn de meeste gevonden Allosaurus skeletten zo'n acht meter lang. Het dier is voor zijn grootte licht gebouwd (maar woog nog steeds tot 5 ton) en was waarschijnlijk erg snel. Biomechanisch bezien moet een topsnelheid van 60 km/u zeker mogelijk geweest zijn. Zoals veel theropoden heeft hij tamelijk korte, drievingerige voorpoten. Een karakteristieke kenmerk is de schedel, die voor en achter elk oog twee benige kammen heeft. Deze schermden in ieder geval de zon af en waren wellicht fel gekleurd, zodat ze bij de communicatie met andere soortgenoten gebruikt konden worden. Misschien drukten ze ook een sekseverschil uit of dienden als ongevaarlijke wapens bij gevechten om de rangorde. Ze zouden ook de functie gehad kunnen hebben de geslachtsrijpheid te uiten. [bewerk] LeefgebiedEr zijn meer dan 60 skeletten van dit dier gevonden in de V.S. Daarmee is Allosaurus na Coelophysis en tyrannosaurus de best bekende theropode. Van resten uit Tanzania wordt ook gedacht dat ze tot deze soort behoren. In China, Afrika en Australië zijn verwante vormen gevonden.Bekendheid Het beeld van een allosaurus die een diplodocus of een stegosaurus aanvalt is al even bekend als dat van het gevecht tussen een tyrannosaurus en een triceratops, vereeuwigd in de bekende illustratie van Charles Knight. Allosaurus is ook de officiële Staatdinosauriër van de staat Utah in de Verenigde Staten van Amerika. Allosaurus verscheen ook meerdere keren op de televisie.
08-10-2008 om 20:24
geschreven door joachim ++++quin |
| 07-10-2008 |
![]() |
|
Tyrannosaurus (Nederlands: Tiranhagedis) is een geslacht van de Theropoda, een groep vleesetende dinosauriërs. De bekendste en misschien enige soort binnen het geslacht is Tyrannosaurus rex. Het geslacht behoort tot de steeds omvattender groepen van de Tyrannosaurinae, Tyrannosauridae en Tyrannosauroidea en kwam tijdens het Late Krijt (Maastrichtien) voor in Noord-Amerika. Dankzij boeken, documentaires, musea en films is het een zeer bekende dinosauriër. Velen kennen het dier ook als de grootste landcarnivoor aller tijden, maar dat gaat tegenwoordig niet meer op. In 1993 werd namelijk Giganotosaurus, een nog grotere vleeseter, ontdekt in Argentinië en latere vondsten wijzen er op dat Spinosaurus nóg veel groter is. Desondanks hoort Tyrannosaurus nog steeds bij de grootste leden van de Theropoda. [bewerk] OntdekkingsgeschiedenisDe eerste resten van Tyrannosaurus werden in 1874 gevonden door A. Lakes bij Golden in Colorado. Het betrof hier echter tanden die foutief toegeschreven werden aan Deinodon. Edward Drinker Cope vond in 1892 de eerste skeletdelen in South Dakota en benoemde ze als Manospondylus gigas. Dit zou de geldige naam moeten zijn, maar omdat de vondst werd vergeten en de naam nooit meer gebruikt voor andere restanten, wordt ze gezien als een nomen oblitum. Eind negentiende eeuw werden nog meer resten opgegraven door J.B. Hatcher in Wyoming, maar deze werden later foutief toegeschreven aan Ornithomimus Tyrannosaurus werd beschreven door Henry Fairfield Osborn in 1905, op basis van holotype CMN 9380, in 1902 in Montana gevonden door Barnum Brown. In dezelfde publicatie werd een tweede fossiel van Tyrannosaurus beschreven, door Brown in 1900 in Wyoming gevonden, dat Dynamosaurus imperiosus genoemd wordt. Alleen doordat de naam Tyrannosaurus op een eerdere pagina voorkomt, is het de geldige naam. De geslachtsnaam betekent: "tiranhagedis" of "tiranreptiel", een combinatie van het Klassiek Griekse τυραννος en σαυρος; de soortaanduiding is Latijn voor "koning". Verdere vondsten maakten een paar spectaculaire opstellingen mogelijk in het American Museum of Natural History en Tyrannosaurus werd onmiddellijk populair als "grootste roofsauriër". De opstellingen tonen Tyrannosaurus in een sterk opgerichte positie. Dat was niet omdat men niet wist dat de normale positie horizontaal was, maar om de belasting te beperken van de stalen beugels die de skeletten overeind hielden. Veel illustraties namen de onjuiste houding echter over. In de tijd van Brown werden er in totaal vijf bijna complete skeletten ontdekt, maar daarna vertraagde de vondstfrequentie sterk. Instellingen waren er niet zo happig op om een plaats te zoeken voor dergelijke onhandelbare geraamten. Dit veranderde door de "dinosauriërrenaissance": de sterk toegenomen belangstelling voor dinosauriërs sinds de jaren zeventig. Musea en andere instituten willen nu juist heel graag een echt exemplaar hebben als publiekstrekker. Een fossiel van Tyrannosaurus is tegenwoordig een zeer aanzienlijke som gelds waard en commerciële bedrijven zijn actief op zoek naar nieuwe skeletten. Er zijn er nu meer dan dertig ontdekt, wat Tyrannosaurus tot één van de beter bekende dinosauriërs maakt. Individuele skeletten krijgen zelfs hun eigen bijnaam: Vier bekende exemplaren zijn Sue, Stan, G-rex en (de) Wankel-rex. Een groot probleem is dat de nieuwe vondsten meestal nog niet gedetailleerd beschreven zijn. Bij Tyrannosaurus zijn de fossielen vaak niet helemaal versteend (vervangen door andere stoffen) zodat het oorspronkelijke botmateriaal nog aanwezig is. Een speciaal exemplaar is "B-rex", MOR 1125, waarvan zelfs het beenmerg bewaard is gebleven; een analyse van de eiwitten toonde opnieuw aan dat vogels en de Tyrannoraptora nauw verwant zijn. "B-rex" had ook medullair been waaraan kalk onttrokken wordt voor de leg: zij was dus een wijfje. Alle skeletten zijn gevonden in een vrij beperkt gebied, de oostkust van het toenmalige subcontinent Laramidia die grensde aan de zich toen ver naar het noorden uitstrekkende Golf van Mexico. De fossielen stammen uit het bovenste Maastrichtien, 68-65 miljoen jaar geleden en Tyrannosaurus is daarmee één van de laatste dinosauriërs: vermoedelijk is hij uitgeroeid door de catastrofe van de K-T-overgang Tyrannosaurus was een reusachtig dier: de meest complete skeletten hebben een heuphoogte van rond de 3,50 meter. De kop stak nog eens een halve meter boven de horizontaal gehouden rug uit. De precieze lengte was lang onbekend door het ontbreken van de achterste staartwervels, schattingen voor de skeletten door Brown opgegraven liepen uiteen van elf tot veertien meter. Tegenwoordig weten we dat de laagste schatting correct was maar zijn er weer grotere skeletten gevonden: "Sue" (FMNH PR2081) en "Peck's rex" (MOR 980) zijn ongeveer 12,8 meter lang. Hun gewicht lag rond de 5,6 ton. Behalve de skeletten zijn er echter ook nog fragmenten gevonden en de grootste daarvan, een stuk bovenkaak (UCMP 118742), wijst op exemplaren die een 12% langer zijn. Die zouden dan een lengte bereiken van 14,4 meter en een gewicht van acht à negen ton. Iets kleiner, 14 meter, is de geschatte grootte van een skelet dat nog in preparatie is, de in 2000 gevonden "C-rex" of "Celeste". Extrapolatie vanuit fragmenten is bij Tyrannosaurus echter geen erg betrouwbare schattingsmethode omdat het dier in zijn proporties nogal variabel was. Zoals alle grote Theropoda had Tyrannosaurus een grote schedel met vele openingen en holten om hem licht te houden. De schedel en vooral de onderkaken (twee, links en rechts, per schedel) zijn echter wel uitzonderlijk robuust. De schedel van "Sue" is 1394 millimeter lang. De langste enigszins complete schedel is MOR 008, gevonden in 1967, en heeft een lengte van ongeveer 150 centimeter. Het getal van 175 centimeter dat vaak in de populair-wetenschappelijke literatuur opduikt, berust op een oude te hoge schatting voor UCMP 118742: de schedel waartoe dit fragment behoort, zal in feite een lengte gehad hebben van 155 tot 160 centimeter. De tanden, die steeds door nieuwe vervangen werden, zijn nogal variabel in lengte. De grootste in de bovenkaken waren ongeveer dertig centimeter lang, waarvan achttien centimeter als kroon boven het tandvlees uitstak. Een bijzonder kenmerk van Tyrannosaurus en de overige Tyrannosauridae is de vorm van de in totaal acht tanden voorin de bovenkaken (premaxillae): D-vormig in doorsnede in plaats van erg plat. Dit toont aan dat hij, in tegenstelling tot veel andere theropoden, botten kon doorbijten en een grote vleesmassa uit de wond kon rukken. Deze interpretatie van de functie is bevestigd door een studie die aantoonde dat de schedel speciaal versterkt was, vooral in het verhemelte, om grote bijtkrachten mogelijk te maken, tot over de twee ton.[1] De spieren die de kaken sloten, hadden vergrote aanhechtingspunten doordat achteraan de kaak het holle os superangulare, waarin een van het verhemelte komende spier uitmondde en daaronder het os angulare, waar een andere aan de binnenkant lopende spier van onderen omheengewikkeld was, extreem breed en hoog waren. Dit wijst op een andere jachtmethode: de prooi wordt niet met vele beten oppervlakkig verwond om hem langzaam te laten bezwijken onder bloedverlies maar meteen buiten gevecht gesteld door een beslissende diepe beet. Doordat de muil ver opengesperd kon worden, bracht één hap een enorme en fatale wond toe van een meter lang en een voet diep en breed. Om de verminderde flexibiliteit van de schedel te compenseren, was bij Tyrannosaurus het bij de theropoden gebruikelijke middengewricht in de zijkant van iedere onderkaak extra beweeglijk zodat de onderkaken daar flink zijwaarts konden openklappen, wat meer vleesmassa naar binnen trok. De schedel van Tyrannosaurus is achteraan uitzonderlijk breed voor een theropode ook de aan de buitenkant lopende kaakspieren waren dus zeer dik waardoor de oogkassen iets meer naar voren gericht zijn. De voorkant van de snuit is minder spits dan bij andere theropoden. Dat alles geeft de kop een meer afgeronde vorm. Desalniettemin is die nog steeds vrij hoog en langwerpig, niet plat en breed als bij een pad, zoals vele illustraties foutief tonen. De S-vormige nek is opnieuw bijzonder robuust en droeg bovenop krachtige nekspieren die met een hoge en brede kam aan het achterhoofd verbonden waren. Achter en voor de oogkassen (maar niet direct erboven) draagt de schedel kleine afgeronde uitsteeksels en er is ook een richel in de lengterichting bovenop de snuit. Bij leven waren die kenmerken vermoedelijk nog verlengd door hoornlagen en ze dienden wellicht voor rituele gevechten binnen de soort. De borstkas is vrij kort en hoog en niet naar voren taps toelopend, zoals vaak afgebeeld. Een opvallende kenmerk zijn de kleine voorpoten (even lang als een mensenarm), met maar twee zichtbare vingers per hand van een derde is alleen nog een middenhandsbeentje over. Zoals oorspronkelijk bij de dinosauriërs konden de onderarmen niet om hun lengteas draaien (pronatie was dus onmogelijk) en waren de handpalmen steeds naar elkaar gericht. De armpjes waren relatief zo klein dat het vaak de vraag oproept waartoe ze eigenlijk dienden. Dit is echter een schijnprobleem dat vergeet dat kenmerken binnen een evolutionaire context verklaard moeten worden. De voorouders van Tyrannosaurus hadden veel grotere armen en de voorpoten zijn dus vermoedelijk gedegenereerd omdat ze juist nergens voor gebruikt werden. Hun reductie leidde tot verwijdering van overbodige massa. Toch hebben ook paleontologen serieuze pogingen gedaan een functie vast te stellen: hulp bij het opstaan uit een liggende positie,[2] of om het vrouwtje vast te houden tijdens de paring. 07-10-2008 om 20:21
geschreven door joachim ++++quin |
![]() |
|
Spinosaurus aegyptiacus was een vleesetende dinosauriër uit het midden van het Krijt, een theropode uit de groep van de Spinosauroidea, een onderverdeling van de Tetanurae. Spinosaurus behoort per definitie tot de Spinosauridae en de Spinosaurinae. De fragmentarische fossiele resten werden in 1912 in Egypte gevonden door de Duitse verzamelaar Markgraf en in 1915 beschreven door de Duitse paleontoloog Ernst Stromer. Zij zijn in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan tijdens een bombardement op München. Hoewel we geen compleet beeld hebben van dit dier, maken de bekende gegevens het om drie redenen opmerkelijk:
07-10-2008 om 20:11
geschreven door joachim ++++quin |
![]() |
|
Velociraptor mongoliensis was een theropode dinosauriër uit de groep van de Maniraptora, levend in het Late Krijt, meer bijzonder in het Campanien, in formaties tussen de 80 en 73 miljoen jaar oud. De soort werd in 1922 ontdekt in Mongolië door Chapman Andrews en in 1924 beschreven door Henry Osborn, op basis van holotype AMNH 6515. De geslachtsnaam Velociraptor is afkomstig uit het Latijn en betekent "snelle rover"; de soortaanduiding verwijst naar Mongolië. Velociraptor was een kleine vleeseter van ongeveer 1,8 meter lengte, met een heuphoogte van een halve meter en een massa van zo'n vijftien kilogram - ongeveer zo groot als een fikse kalkoen met een lange staart. De schedel was vrij langwerpig en zo afgeplat dat hij zelfs een beetje hol was aan de bovenkant. De romp is relatief kort. Velociraptor behoort tot de Deinonychosauria, vermoedelijk tot de Dromaeosauridae (net als Deinonychus), en per definitie tot de Velociraptorinae en deelde de vogelachtige kenmerken van die groepen: een groot borstbeen, opklapbare lange armen met grote drievingerige handen, een horizontaler schouderblad, ribuitsteeksels om luchtzakken aan te drijven, een naar achteren stekend schaambeen en vermoedelijk warmbloedigheid gecombineerd met een verenkleed. Door de vorm van de wervels, met lange naar achteren wijzende uitsteeksels was het achterste deel van de staart onbuigzaam; dit kenmerk wordt wel verklaard door aan te nemen dat dit deel als stabilisator fungeerde bij het bespringen van de prooi. De tweede teen droeg een sterk vergrote gekromde klauw die in opgetrokken stand meegedragen werd. De grootste gevonden klauw heeft een lengte van 67 mm; met de hoornschacht mee zou de klauw dan zo'n tien centimeter geweest zijn. De functie van de zeer karakteristieke 'raptorklauw' wordt verduidelijkt door de beroemde vondst in de jaren zeventig van een velociraptor en een protoceratops die, in een strijd op leven en dood verwikkeld, door duinzand bedolven werden; terwijl de bek van de planteneter de arm van de vleeseter in een fatale greep omklemt, klauwt de voet van Velociraptor in de nekwervels van Protoceratops. De klauw had dus vermoedelijk vooral een steekfunctie. Sommige auteurs, zoals Gregory S. Paul, stellen dat Velociraptor, net als de rest van de familie Dromaeosauridae, niet zozeer een vogelachtige dinosauriër is, als wel een echte vogel in de meest strikte zin van het woord, die dus dichter bij de moderne vogels staat dan Archaeopteryx. Volgens dit alternatieve model is Velociraptor of zijn voorouder, het vermogen om te vliegen secundair kwijtgeraakt, op een soortgelijke manier als struisvogels. Primitieve dromaeosauriërs konden misschien wel vliegen (Microraptor is het beste voorbeeld). Overigens impliceert het hebben van een vliegende voorouder niet dat men tot de vogels behoort.µ 07-10-2008 om 20:04
geschreven door joachim ++++quin |
|
||
![]() |
| Archief per week | ||||||
|
||||||
| E-mail mij |
Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen. |
| Gastenboek |
Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek |
| Blog als favoriet ! |