Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.
FLAUW EN PUBERAAL, MAAR GOED BEDOELD: dit soort verhaaltjes vindt u bij de vleet ('n 200-tal) op www.bloggen.be/kris .......... PICTAIKU'S (de allernieuwste kunstvorm) vindt u op www.bloggen.be/pictaiku
17-08-2021
Actuele kunst en witwas
blogimages.seniorennet.be/tisallemaiet/attach/16888.pdf is een site van zeer recente makelij (10.8.2021). Zoek dat maar even op, beste lezer, en u krijgt een zéér interessant betoog van Jan Bauwens voorgeschoteld: twintig paginas over moderne
kunst en witwasserij. De titel is Een beknopte beschouwing over hedendaagse kunst en het is twintig bladzijden lang. Het werd reeds in 2009 geschreven en de inhoud kwam mij zó bekend voor dat hij ongetwijfeld
al eerder via andere kanalen tot mij moet zijn doorgedrongen. De reden waarom ik u, beste lezer, wil aanzetten om dit zinnig stuk literatuur ook eens door te nemen is drieërlei. Ten eerste, ik vind het nog steeds brandend
actueel. Ten tweede, ik heb aan Germaine beloofd mij niet meer in te laten met moraalfilosofie. En ten derde, ik heb gisteren nogmaals oog in oog gestaan met een monumentaal modern beeldhouwwerk op de markt van een naburige
stad. De populaire naam van het kunstwerk is de snottebelle ofschoon het op het stadhuis ongetwijfeld bekend zal staan onder een deftigere naam, die zo goed als niemand kent. Het beeld staat er al minstens een paar decennia
en minstens één kunstcriticus had voorspeld dat de mensen het in de loop der jaren zouden leren waarderen. Misschien zijn er nog niet genoeg jaren overheen gegaan, een medemens die mij in vertrouwen zegt dat
hij het mooi vindt, heb ik tot op heden niet ontmoet. Het wordt enkel mooi gevonden in officiële gesprekken of geschriften: de mensen zijn bang voor cultuurbarbaren aanzien te worden.
Ik heb zelf weinig of geen hedendaagse kunstenaars persoonlijk gekend. Er is alleen Jezus Engels, die ik een beetje heb gekend. Misschien wel de enige in de katholieke
Westerse wereld (Spanje niet te na gesproken) die genoemd is naar de mensgeworden zoon van God - vergelijk dat maar eens met de populariteit van de profeet Mohammed in de wereld van de islam! Jezus kunst
heb ik nooit bewonderd, tweemaal heeft hij niettemin grote indruk op mij gemaakt. De eerste keer was op een rommelmarkt in Gent: hij stelde er zijn moderne kunst tentoon. Iemand bleek geïnteresseerd in één
van zijn moderne beelden in aardewerk en vroeg de prijs. Achthonderd frank, zei Jezus. De toenmalige vice-premier Willy Declercq, een notoir bezoeker van de rommelmarkt, kwam er voorbij en wilde afdingen op de prijs. Geen
sprake van, zei Jezus, want voor u is de prijs achtdúizend frank, mijnheer de minister. De tweede keer was tijdens een soort kunstmarkt in een park: verscheidene kunstenaars boden er hun werk te koop. Een vrouw vroeg
naar de kostprijs van één van Engels´ moderne gedrochten. Zeshonderdduizend frank! Ze dacht dat de kunstenaar een grapje maakte: zeshonderdduizend frank voor een beeld dat wel álles
kon voorstellen en waaraan hij ongetwijfeld niet langer dan één dag kon gewerkt hebben! Wat zegt u, mevrouw? Eén dag aan gewerkt? Mijn hele leven heb ik er aan gewerkt? En ge wilt het niet kopen? Zeshonderd
duizend luttele frankskes is teveel voor een werk waar ik heel mijn leven in gelegd heb? Als het zo zit: daar zie! En hij gooide het beeld aan gruizelementen op de grond. Hedendaagse kunstenaars zijn vaak mensen met pit...
Wie ook een mens met pit was: Jan Hoet, de modernekunstpaus van Gent. Hem heb ik nooit gekend, maar ik heb wel aan zijn graf gestaan: Campo Santo, Sint-Amandsberg, februari 2018.
Op het graf geen modern kunstwerk, enkel een marmeren steen met als opschrift UNTER DER ERDE. Tenzij dát het kunstwerk is natuurlijk. Een foto van het graf staat op www.bloggen.be/pierpont/archief.php?ID=3055802.
Net als Jezus Engels was Jan Hoet een beetje speciaal. Als stichter van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst had hij ongetwijfeld enig gezag in kunstmiddens. Mij is een verhaal ter ore gekomen van een bezoek
van Jan Hoet aan een lagere school in het Gentse. In een klas hadden de kinderen net een tekenopdracht vervuld: een paard aftekenen van het bord en daarna kleuren met kleurpotlood. Jan Hoet die zijn bezoek aan de school een
beetje zag als een zoektocht naar jong kunstenaarstalent, koos er de tekening uit die naar zijn oordeel de eerste prijs verdiende: een paard dat meer op een hond leek, en schromelijk buiten de lijntjes gekleurd. Dat laatste
vond onze kunstpaus zo bijzonder en hij vroeg aan het jongetje of hij de tekening mocht meenemen voor het museum. Het jongetje was ervan overtuigd dat men hem en zijn tekening te schande wilde zetten in het museum en hij herhaalde
voortdurend de tekening is nog niet af, ze is nog niet af... en hij weende bitter.
Om van moderne kunst te genieten moet men de goede ingesteldheid hebben, moet men ervoor open staan, met de ogen en met het hart. Als u een museum voor moderne kunst bezoekt, ga er liever alléén naartoe, of neem een gelijkgestemde mee, die er voor openstaat, met de ogen en
met het hart. Lees in dit verband een oud verhaal op deze blog (www.bloggen.be/pierpont/archief.php?ID=306336). Het dateert van 5 mei 2009. Als u er ook maar het kleinste vleugje ironie meent in te ontwaren, raad ik u evenwel
een bezoek aan het museum Dhondt-Dhaenens ten stelligste af.
Gisteren was ´t een zonnige dag. In ´t park de Ghellinck liep ik zowaar Germaine tegen het lijf. Tegen het lijf, in figuurlijke zin. We hebben nog samen
op school gezeten, in de Rijksmiddelbare School in Waregem, zo´n zeventig jaar geleden! Ik had Germaine voor ´t laatst gezien tijdens de begrafenis van haar zuster - ook weeral een jaar of vijf terug
- en toen hebben we geen woorden gewisseld, tenzij mijn deelneming en dank u. Gisteren deden we allebei alsof we bijzonder blij waren elkander weer eens te ontmoeten, en althans van mijn kant was
dat ook wel zo. We gingen zitten op een bank die daar - o gelukkig toeval - als het ware voor ons was neergezet. We praatten wat over het mooie weer dat zo zeldzaam was de laatste dagen, en dat we er maar best zoveel mogelijk
moesten van profiteren. Op onze leeftijd...
- Ik lees nog steeds zeer getrouw de verhaaltjes op je blog, zei ze.
- Heb je mijn laatste verhaaltje gelezen?
- Dat met die Franse titel?
- Precies.
- Het was nog maar pas verschenen of een lezer had het al een nul-op-vijf gegeven. Zeg nu zelf, Germaine, nul op vijf, dat heb ik toch niet verdiend.
- Daar ben ik het met je eens. Dat heb je niet verdiend. Maar, zeg nu zelf, minder kon die lezer toch niet geven!...
Ik schrok. Meende ze dat nu écht? Ze glimlachte:
- Ik maak maar een grapje, zei ze. En ik weet exact wat je bedoelt: de uitspraak van die olympisch kampioen doet de homozaak geen goed. Die nul op vijf kan komen van een fundamentalistische
homoverdediger die dat niet goed begrepen heeft. Het zou nochtans evenzeer kunnen komen van een fanatieke hetero: schrijf jij immers niet dat geen enkele hetero fier hoort te zijn op het feit dat hij hetero is? Ruk die zin
uit zijn verband en je hebt nóg een verklaring voor de nul op vijf.
- Denk je niet dat het beter zou zijn dat ik mij niet meer waag op het gebied van de moraal-filosofie.
- Dat dénk ik. Laat het over aan echte filosofen, mensen die ervoor gestudeerd hebben, mensen met een diploma.
- Zal ik mij dan maar liever beperken tot het schrijven over onnozele alledaagse dingen en gebeurtenissen?
- Die conclusie heb je goed getrokken. Schrijf bijvoorbeeld iets over mij. Geeft niet wát. Ik zal niet klagen. Als het maar goed geschreven is. Reken alvast maar op een
vijf-op-vijf van mijnentwege.
Ik kon het weer niet laten mijn mening te uiten op deze blog, twee dagen geleden, betreffende de uitspraak van een olympisch kampioen: dat hij fier is homo te zijn. Gepest te
worden omdat men homo is, ik huiver als ik er aan denk. Op deze blog (www.bloggen.be/kris/archief.php?ID=123515) heb ik het verhaal gedaan van mijn drie jaar ellende in de kostschool van Oostende: ik werd er gepest zowel door
de opvoeders als door de mede-geïnterneerden en - ik heb het er toen niet bij verteld - dat was wellicht voor een deel te wijten aan het feit dat ik sympathie toonde voor een medeleerling van
wie beweerd werd dat hij homofiel was.
Dat ik geen begrip kan opbrengen voor een homo die beweert fier te zijn op zijn seksuele geaardheid had ik beter niet gedaan, want in de ogen van sommigen - en niet altijd van
de minsten, zoals zal blijken - is dit verkeerd overgekomen, als zijnde ingegeven door... homohaat. En toch... Ik heb ermee willen aantonen dat uitspraken als van die olympisch kampioen van aard kunnen zijn om weerstand op
te wekken bij de andersgeaarden. Zou datzelfde niet het geval zijn als een olympisch kampioen op het ereschavot zou beweren fier te zijn dat hij hetero is? Mijn statement was dus goed bedoeld, maar
wellicht onhandig geformuleerd? En daardoor misschien door sommigen verkeerd begrepen. Zie maar...
Doe mij nu een plezier beste lezer en surf naar www.bloggen.be/tisallemaiet. Daar schrijft de bekende Vlaamse filosoof Jan Bauwens, op datum van eergisteren, enkele uren na het verschijnen van mijn verhaaltje over de homofiele
medaillewinnaar, en onder de titel Het ereschavot als tribunaal, dat de kritiek van sommigen op de fiere olympiër ingegeven is door... racisme (sic!). Als die bewering niet van Bauwens kwam
zou ik ze weglachen. Nu echter maak ik mij de bedenking of niet tout homme biencomportant est un raciste qui signore. Beangstigend.
Een Britse simultaanduiker die een gouden medaille heeft behaald verklaarde tijdens een persconferentie dat hij fier is met zijn medaille en ook met het feit dat hij homo is.
Ikzelf ben hetero en als ik een olympische medaille zou behalen zou ik ook fier zijn maar geen haar op mijn hoofd dat eraan zou denken te verklaren dat ik fier ben hetero te zijn. Men kan toch nooit een reden hebben om fier
te zijn op het feit dat men hetero is (en geen homo), of dat men een man is (en geen vrouw) of blank (en geen kleurling) of rechtshandig (en niet linkshandig), enzovoort? En al zou men dat tóch zijn, men hoede zich
best voor discriminerende en daarenboven niets-ter-zake-doende uitspraken.
... om een boek te schrijven over het studentenleven van Ernest Claes en mezelf. Het boek is klaar om uitgegeven te worden, maar de uitgever op wie ik mijn hoop had gesteld, heeft
mij, na een drie maanden durende beoordeling van het werk, met mijn beide voeten op de grond geplaatst en mijn hoop de kop ingedrukt. In dezer voege... Dat er nog mensen zijn die geïnteresseerd zijn in het studentenleven van Ernest Claes is aannemelijk en dat er zelfs zijn die in úw studentenleven geïnteresseerd zijn is evenmin onmogelijk. Maar
in uw beider memoires tegelijk??? Ik kon de zaak maar beter vergeten oftewel mij wenden tot een print-on-demand uitgeverij. Dat laatste vind ik prima want met die vorm van
boekdrukkunst ben ik vertrouwd. Een aanrader: voor een paar tientallen euros krijgt u uw boek kant-en-klaar, een boek voor uzelf en voor het nageslacht, of één dat u als origineel geschenk in de maag kunt
splitsen van een goede vriend of dito vriendin bij wie u uitgenodigd bent voor een drink of een etentje of een partijtje schaak. Wees er maar zeker van dat de print-on-demand boekdrukkerijen over vijftig jaar de klassieke
uitgeverijen van de kaart zullen geveegd hebben.
Het boek zal dus weldra verschijnen. Wanneer precies? Ik laat het u weten via deze weg. In extremis heb ik er nog een epiloog aan toegevoegd: een brief aan Ernest Claes...
Ernest,
Mijn boek over ons studentenleven is bijna klaar. Nu nog een uitgever vinden...
Er zijn zes hoofdstukken. Zopas heb ik een inleiding geschreven bij het laatste hoofdstuk, dat handelt over onze studentenliefjes. Voor wat die van u betreft heb ik uit geen andere
bron geput dan uw autobiografische boeken die uitgegeven zijn bij het Davidsfonds (DF) en de Standaard Boekhandel (SB). En laat die twee nu gefusioneerd zijn!...
Mijn boek, dat ik de titel commillitones meegeef, zal evenwel niet bij DF/SB uitgegeven worden - ´t zou te mooi geweest zijn! - want ik ben Jeroen Meus niet,
en ook Eddy Merckx niet of Johan Brusselmans, ik heb geen náám en ben daarenboven véél te oud. DF/SB laat daarom mijn mails onbeantwoord en omdat een onbenullig schrijvertje ook zijn fierheid heeft,
laat ik hun weten dat het niet meer hoeft. Het wordt dus een andere uitgever of maar weer een print-on-demand uitgever zoals bij de meeste van mijn vorige boeken. Maar dat is per slot van rekening bijzaak, want er is hoe dan
ook een grote toekomst weggelegd voor het boek.
Kris.
P.S. In uw boek Ik was student schrijft ge dat het meisje van uw geboortedorp Zichem, dat uw hart gebroken heeft, het jaar vóór ge student zijt geworden
in Leuven, de eerste was waarvan gij echt gehouden hebt. Zijt gij dan Gabrielle Verbeek uit Studentenkosthuis bij Fien Janssens vergeten? In Leuven zijt ge verliefd geworden op Vierske uit café Den Engel.
Het meisje uit Zichem en Vierske zijn allebei gestorven in de maand februari van het jaar 1951. Verwondert het u dat ik dat weet? Een beetje deductieve geest die uw boek Leuven, o dagen schone dagen aandachtig
leest kan het feilloos afleiden. Het hoofdstukje, dat nu volgt, over ons beider liefdesleven is eveneens geschreven in de maand februari, precies zeventig jaar later. In 1951 waart gij zesenzestig, zo oud als ik was in 2006
toen ik mijn O jerum jerum jerum... schreef, waarin al mijn jeugdliefdes figureren. Een half dozijn zijn het er geweest, een eerste platonische kinderliefde niet meegerekend. Allemaal vluchtige relaties: één
dag, een paar dagen, een paar weken, één keer een paar maanden. Alle hebben ze in mijn hart littekens nagelaten. En dat zal bij u niet anders geweest zijn. Ik citeer uit uw boek Ik was student:
...in die jaren kan de liefde in het gemoed van een gevoelig jong mens verwoestingen aanrichten waarvan een leven lang de sporen bijblijven. En ik vraag mij nu af of het bijzonder is dat wij beiden amper gewag maken van die allermooiste liefde, die ene liefde die met ons een leven lang lief en leed heeft gedeeld en ons gelukkig heeft gemaakt. Over
honderd of tweehonderd jaar zullen we ons dié alleszins nog herinneren en er een teder verhaal over schrijven.
Of ik misschien denk dat er leven is na de dood? Bijlange niet! De brief is bedoeld voor hen die Claes gekend hebben en voor iedereen die zich nog iets van zijn werk herinnert, in wie de
geest van Claes nog leeft.
De Broekstraat vormt sinds mensenheugenis de grens tussen Kaster (deelgemeente van Groot-Anzegem) en Elsegem (deelgemeente van Wortegem-Petegem), meteen ook de grens tussen West-
en Oost-Vlaanderen. Ik woon er nu al meer dan vier jaar, in het huis waar ik ook de eerste vierentwintig jaar van mijn leven heb doorgebracht. Als we de vergelijking maken met driekwart eeuw geleden komen we tot de vaststelling
dat het aantal huizen er ongeveer hetzelfde is gebleven: een vijftal aan de Westelijke kant van de straat, een tiental aan de Oostelijke kant. Het aantal bewoners is merkwaardig genoeg tot minder dan de helft gereduceerd.
En dat is des te merkwaardiger als men bedenkt dat de totale wereldbevolking sindsdien ongeveer verviervoudigd is...
Ter hoogte van de kruising met de Smeierstraat - dat is waar ik geboren ben - ziet men, in Noordelijke richting, de kerk van Grijsloke (in stadhuistaal Gijzelbrechtegem,
deelgemeente van Groot-Anzegem) op een heuvel. De kerk staat op exact achthonderd meter van mijn huis verwijderd, ze oogt nog precies als toen ik er vijfenzeventig jaar geleden mijn eerste communie heb gedaan, en de torenklokken
maken nog exact hetzelfde geluid. Want luiden doen ze nog wel eens, omdat deze kerk één van de twee van Groot-Anzegem is waar af en toe nog een mis wordt opgedragen. De andere zes kerken staan werkeloos te blinken...
bij gebrek aan pastoors. Of liever, vijf staan er te blinken, want die zesde - de hoofdkerk dan nog wel - is enkele jaren geleden afgebrand. Ik herinner mij de tijd dat er minstens tien pastoors waren in Groot-Anzegem, de
onderpastoors meegerekend. Nu is er geen enkele meer. De laatste heeft vorig jaar afgehaakt, niet vanwege te oud, maar simpelweg omdat hij de stiel beu was, denk ik... En als er nog eens een mis wordt opgedragen,
dan is het een diaken die daarvoor instaat.
In die afgebrande hoofdkerk ben ik gedoopt. Ze was eveneens te zien vanop het kruispunt van de Broekstraat met de Smeierstraat, in Westelijke richting, twee boogscheuten verder
dan de kerk van Grijsloke. Men is bezig met de wederopbouw en daar verheug ik mij over, al weet ik niet zeker of daar nog ooit mis zal gevierd worden. Van hieruit is ook de torenspits van de kerk van Kaster te zien, meer naar
het Zuiden toe: in vogelvlucht niet veel meer dan een kilometer, maar verborgen achter een heuveltje. Daar heb ik mijn plechtige communie gedaan. Ik was toen elf jaar oud...
En we zien hier nog een vierde kerk, nog geen twee kilometer naar het Oosten: Elsegem, waar de kerkdeur overdag altijd openstaat en waar bezoekers welkom zijn. Missen zijn er
niet meer bij gebrek aan een pastoor en dat geldt voor alle vijf de deelgemeenten van Wortegem-Petegem. Enkel in Petegem is er nog één enkele misviering in de week, met een pastoor uit een andere gemeente. In
de kerk van Elsegem ben ik getrouwd voor de kerk, zevenenvijftig jaar geleden.
Stel u even voor, beste lezer, hoe geborgen ik mij hier heb gevoeld in de schoot van moeder-de-katholieke-kerk, omringd door de vier heiligdommen die een zo belangrijke rol in
mijn leven hebben gespeeld. De zondagsmissen, de nachtmis op Kerstavond, de processies, de ommegangen, de biecht en de communie iedere eerste vrijdag van de maand, en - als ik al wat groter was - de gemoedelijke bijeenkomsten
na de mis in de gezellige dorpscafés rond de kerktoren. En de pastoors van Grijsloke! Vier heb ik er gekend. De eerste drie hielden van geestrijke drank en vooral van wijn zoals het een pastoor betaamt en ze hielden
ook van hun tweehonderdvijftig parochianen die hen op handen droegen - niet één die de zondagsmis zou verzuimd hebben. De vierde pastoor paste niet meer in het rijtje: te serieus. In Grijsloke begon alzo, net
als in alle andere Vlaamse parochies, de teloorgang van het geloof. En de échte oorzaak van die teloorgang? Als ge ´t mij vraagt...
Ze hadden het anders moeten aanpakken, de kerkleiders. Denk ik. De rol van de vrouw in de kerk, het celibaat, de houding tegenover homofilie, anticonceptie en sexualiteit in ´t
algemeen, en de dreiging met de hel. Dit laatste had bij mij al een averechts effect rond de tijd van mijn eerste communie. Ik had geleerd dat de naam van God oneerbiedig uitspreken (godverdomme) en de zondagsmis
verzuimen thuishoorden in de categorie van de doodzonden en dat op die zonden de sanctie stond van eeuwig branden in de hel, tenminste indien men vóór zijn dood de zonden niet had gebiecht. Dat stond allemaal
in de catechismus, die ik helemaal van buiten kende en waardoor ik altijd tien op tien haalde voor het vak godsdienst, maar ik kon mij onmogelijk inbeelden dat een god, van wie gezegd werd dat hij oneindig goed en barmhartig
is, zo haatdragend en op wraak belust kon zijn. Daarom bestond die god toen al niet meer voor mij, althans niet écht. Of ik toen nog in Sinterklaas geloofde weet ik niet zeker. Mijn achterneefje Jeremie,
een uiterst pienter baasje, heb ik later, toen hij eveneens een jaar of zes was, gevraagd of hij dacht dat Sinterklaas bestaat. Jazeker, Sinterklaas bestaat was zijn antwoord. Maar voegde hij er
schalks aan toe niet écht, hé. Nu is Jeremie achttien. Na de grote vakantie gaat hij filosofie studeren aan de universiteit. Als ik hem vraag of er leven is na de dood antwoordt hij met een tegenvraag:
wat bedoelt ge eigenlijk? En dat volstaat voor mij. En op mijn vraag of God bestaat antwoordt hij: Jazeker, God bestaat! En dan zeg ik: Maar niet écht, hé? Hij knikt en lacht. We verstaan
elkaar wonderwel, Jeremie en ik. Hij wordt vast een groot filosoof. Voor mij daarentegen is er helaas geen toekomst meer...
De tijd gaat snel, le temps passe vite, tempus fugit... In wellicht alle talen ter wereld. En hoe ouder een mens wordt hoe meer hij de indruk
krijgt dat de tijd alsmaar sneller gaat. Of is het niet alleen maar een indruk? Gaat de tijd in werkelijkheid niet alsmaar sneller? Ik meen mij te herinneren dat Jan Bauwens, één van onze belangrijkste Vlaamse
filosofen, zich dat jaren geleden in alle ernst heeft afgevraagd. Ik dacht dat het twee, hooguit drie jaar geleden was dat ik het Zeeuwse dorp Zuidzande had bezocht, samen met Hendrik Maveau, die mijn zwager is en daarenboven sinds kort tot het elite-groepje
van mijn dertig beste vrienden behoort. En wat blijkt: negen jaar en een week of drie geleden is het! Hoe ik dat zo precies weet? Omdat ik op 31 mei 2012 een verhaaltje geschreven heb op deze blog over een reisje naar Zeeland,
waarin ik iets schrijf over Zuidzande: Dáár is de kerk omgevormd tot een café-restaurant, en doet daar dus helemaal geen dienst meer als kerk. Als de Heer Jezus nog
in leven was, hij geselde die ketterse kooplui uit het huis van God, of anders draaide hij zich om in zijn graf (ergens klopt de zin niet, dat voel ik nu wel). De torenklok van de kerk laat zich evenwel nog horen, om het half uur, dag en nacht, met luide stemme. En dat is mooi en aandoenlijk,
maar het maakt er de toestand niet minder schrijnend om. Integendeel.
Vorige week waren we er dus weer, Hendrik Maveau en ik. Het restaurant, zijnde de ontwijde kerk, heet Celeste. Dat zou kunnen wijzen op het feit dat
dit vroeger een heiligdom was, maar het zou ook de naam van de uitbaatster kunnen wezen. We namen plaats aan een tafeltje op het terras. Zonder schroom: kerken worden nu immers alom bij bosjes ontwijd en moeten nu verder als
café, restaurant, hotel, ontmoetingscentrum, toneelzaal, bibliotheek, enzovoort, dat niemand er nog van opkijkt. Ik bestelde een pils van ´t vat, Hendrik een Triple Karmeliet, vermoedelijk omdat het de geliefkoosde
drank is van één van zijn vrouwelijke kennissen die om-weet-ik-wat-voor-reden haar intrek genomen heeft bij de Arme Klaren. Plus een hapje: een toastje met mosseltjes voor Hendrik, eentje met scampi voor mij.
Toen het flink uit de kluiten gewassen oberinnetje kwam afrekenen liet Hendrik, charmeur al hij is, zich de woorden ontvallen waarvan hij op dat ogenblik allerminst de draagwijdte
kon inschatten: Het was een heerlijk pintje en een formidabel tussendoortje. Het meisje verwijderde zich om het bonnetje op te maken. Geen twee minuten later stond Celeste aan ons tafeltje in hoogsteigen persoon:
- Wie zei daar een formidabel tussendoortje?
Ik wees naar Hendrik.
- Mag ik dat inlijsten, vroeg ze. Ik zou het een ereplaats willen geven in mijn restaurant, met uw naam eronder. Als u het goedvindt natuurlijk...
Ze schoof een papiertje onder zijn neus:
- Hier dan uw naam en voornaam alstublieft, zei ze.
Afrekenen hoefde niet meer: traktatie van het huis. En heel binnenkort zal prijken, in een gewezen huis van God, wellicht op een koperen plaat:
EEN FORMIDABEL TUSSENDOORTJE
10.VI.2021 Hendrik Maveau
En zaten we daar nu net niet op te wachten? Alle goede dingen bestaan immers uit drie. Bij de twee meest wereldschokkende gezegden Ik ben die ben (J. Christus) en
Ik denk, dus ik ben (R. Descartes) kunnen we er nu rustig een derde aan toevoegen: Een formidabel tussendoortje (H. Maveau).
Ik weet het wel, onder mijn - grof geschat vier miljoen - lezers zullen er zijn die zullen beweren dat had ik óók kunnen zeggen. Ongetwijfeld, maar
u hébt het niet gezegd en achteraf heeft men makkelijk praten. Daarenboven moeten die azijnpissers zich het volgende realiseren: niet enkel wát er gezegd wordt is van belang, maar misschien meer nog hóe
het gezegd wordt, wáár het gezegd wordt, wannéér het gezegd wordt, onder welke omstandigheden en tot wie het gezegd wordt, wat de impact is van wat er gezegd wordt en vooral door wié het
gezegd wordt. Want, toegegeven, u bent J. Christus niet, noch R. Descartes, en evenmin H. Maveau...
´t Was gisteren precies zestig jaar geleden dat ik meerderjarig ben geworden. Toentertijd werd men dat pas op zijn eenentwintigste. De toekomst lachte mij toe, ik had nog
alles van het leven te verwachten. En mag ik u, beste lezer, nu voor één keer meenemen in mijn verbeelding? Ik wandelde die dag in een verlaten bos, toen ik een zacht gekreun hoorde in het kreupelhout. Het
was een kabouter die gevangen zat in een wolvenklem. Ik aarzelde geen ogenblik en ik bevrijdde het kleine mannetje, twee vuisten groot. De dankbaarheid van het kaboutertje was niet min. Ik mocht twee wensen doen, te kiezen
uit drie. De eerste was een motorjacht in de jachthaven van Saint-Tropez, de thuisbasis van mijn allergrootste idool, Brigitte Bardot. De tweede was een splinternieuw buitenverblijf in Duravel een schilderachtig
dorp in de streek van de Lot, in Zuid-Frankrijk: mét zwembad, vijf slaapkamers en evenveel badkamers. De derde was de stellige zekerheid dat ik tot het einde van mijn dagen gevrijwaard zou blijven van kniepijn. Ik koos
voor de eerste twee...
Hoe gaarne zou ik nu jacht en buitenverblijf ruilen voor twee pijnvrije knieën. Wie voortdurend pijn lijdt heeft maar één wens: van zijn pijn verlost geraken!
Wat kunnen jacht en buitenverblijf hem schelen! De pijnstillende medicijnen maken alle ingewanden kapot en ze werken verslavend, kinesitherapeuten en orthopedisten hebben er een vette kluif aan maar brengen geen soelaas. Een
mens zou er stilaan wanhopig door worden en met euthanasiegedachten rondlopen. En die mens draagt zelf alle schuld natuurlijk: hij had maar niet op zijn veertigste moeten beginnen met langeafstandslopen, op het ogenblik dat
het gewrichtskraakbeen te oud is geworden om zich nog te wapenen tegen de chronische belasting. Hij had moeten kiezen voor de derde wens van het kaboutertje...
Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Gisteravond, helemaal toevallig, als een deus ex machina, verschijnt op mijn computerscherm de uitvinding van professor dr.
Marc Achterberg: de Knee Active Plus, een magnetische band die ter plaatse dient aangewend te worden, de definitieve remedie voor álle knieproblemen. De professor is vanwege die uitvinding genomineerd
geweest voor de Nobelprijs, maar uiteindelijk heeft hij de prijs aan zijn neus zien voorbijgaan. Wellicht heeft men die prijs weer eens toegekend aan een biochemicus die een vreemde DNA-kronkel ontdekt heeft in een gen van
een of andere fruitvlieg, waar niemand iets aan heeft natuurlijk. De Knee Active Plus was gisteren on line nog te koop voor 39 euro, als ik mij niet vergis, maar dat was voor de rappen, want er waren er nog slechts
drie over aan die prijs. Op heden kosten ze minstens het dubbele... Maar: so what! Het mooiste geschenk dat een mens zich kan wensen, verlost worden van zijn pijn, geen prijs is daarvoor te hoog!
Professor Achterberg, alle kniepijnlijders ter wereld en ikzelf zijn u oneindig dankbaar. Met miljoenen zijn wij.
Van het winnend lied van het Eurovisie Songfestival wist ik dat het één van de grootste kanshebbers was op de overwinning en dat de naam luidde Zitti e buoni,
hetgeen Rustig en goed zou betekenen. Al die mooie Italiaanse Eurosongfestivalliedjes uit een ver verleden kwamen mij voor de geest: volare van Domenico Modugno, i treni di Toseur
van Alice en Franco Battiato, gente di mare van Umberto Tozzi, insieme van Toto Cutugno, en boven alles non ho letà van die verleidelijke tiener Gigliola Cinquetti -
hoe zou dat schatje er nu uitzien nu ze al een eind in de zeventig is?
Zo groot waren mijn verwachtingen dat ik op mijn deelnemerslijst, naast Italy, al een 10/10 had ingevuld. Maar, o jerum jerum jerum... Een geschreeuw dat horen en zien deed vergaan,
een bacchanalisch gespring en gedans, een carnavalesk gedoe en... vuurwerk. Indrukwekkend, maar omdat ik een rustig en goed lied had verwacht, heb ik het ééntje van mijn tien geschrapt. Nul op tien
dus, en dat hadden ze achteraf bekeken niet verdiend, maar... minder kon ik toch niet geven, nietwaar? Bovenaan, met 9 op 10, prijkt op mijn lijst Frankrijk, met het lied Voilà van Barbara Pravi, en dat
lied is uiteindelijk geëindigd op de tweede plaats, achter, jawel Zitti e buoni.
Het Eurovisie Songfestival is dringend aan naamsverandering toe: iets in de zin van Eurovisie muzikaal showfestival, waar naast muziek ook plaats is voor dans, acrobatie,
clownerie, vuurwerk, lichteffecten, en meer van dát. En misschien mag er daarnaast nog een ander festivalletje zijn, dat voorbehouden is aan het populaire lied, het chanson, en dat dan met recht en reden de naam liedjesfestival
zal mogen dragen? Precies: Eurovisie Songfestival!
De kans dat u, beste lezer, nu al meer dan twaalf jaar geleden - wat gaat de tijd toch beangstigend snel! - mijn verhaaltje over Veerle Heerlen gelezen hebt, lijkt mij bijzonder
klein: ik had toen nog geen honderden lezers... Het is nog steeds terug te vinden op mijn blog www.bloggen.be/kris/archief.php?ID=154995 op datum van 7.1.2009, onder de titel Onze Lieve Heeren. Ik citeer mezelf even: Dit lieve snoesje is benoemd tot minister van Welzijnszorg.
Ik moet toen wel hevig in de ban geweest zijn van dat lachend snoetje, want ik gebruik woorden als snoezepoes, poezelig lachebekje, schattig lieveheersbeestje. En er staat een fotootje
bij om iedereen ervan te overtuigen. Ze had toen verklaard dat ze zich voor driehonderd procent zou inzetten voor haar job, en een dag tevoren had ze ook al verklaard dat ze zich voor twééhonderd procent zou
inzetten voor Vlaanderen. Ondertussen is ze burgemeester van de stad Sint-Truiden en al lang geen minister meer. En voor hoeveel procent, denkt u, zet ze zich heden ten dage in voor haar taak? Het kleinste schoolkind zal u
vertellen dat men zich nooit voor méér dan honderd procent kan inzetten, dat een inzet van het weze amper honderdentien procent, irreëel is. Maar dat is zonder de hogere wiskunde gerekend. Hogere mathematici
gaan niet steigeren voor irreële getallen. Neem nu de vierkantswortel uit een negatief getal: irreëel weliswaar, maar toch werkbaar. Maar van hogere wiskunde hebben sommige Truiense politici weinig of geen kaas gegeten.
En laat het nu precies die politici zijn die in de oppositie zitten. Eén van hen beschuldigt de burgemeesteres ervan nog erger te zijn dan Francesco Schettino, de kapitein van de gekapseisde Costa Concordia, die zestien
jaar celstraf uitzit voor meervoudige doodslag (tweeëndertig mensen!) - dat schrijft althans Inge Bosschaerts in HLN van 11 mei l.l. En wat heeft zij dan wel uitgespookt? Uit pure bezorgdheid voor haar geliefde Truienaars, heeft ze zichzelf laten vaccineren tegen hét virus,
in het besef dat zij een influencer is en als dusdanig een voorbeeldfunctie heeft. Haar enige bedoeling is ongetwijfeld geweest de stadsgenoten die nog sceptisch mochten staan tegenover de vaccinatie over de streep te trekken.
Door die voorbeeldfunctie... Al is dat nu ook weer niet zo uitzonderlijk. Overal ter wereld laten influencers, vedetten allerlei, zich voor het oog van de cameras vaccineren om te laten zien hoe veilig het allemaal
is: Als wij het al laten gebeuren! Is dat nu die tweehonderd procentige inzet van Veerle? En daar laat ze het nog niet eens bij: ze laat een groot deel van haar familie eveneens vaccineren. Als dát geen propaganda is voor een algehele vaccinatie
ten bate van de gemeenschap. Een inzet van driehonderd procent dus? Zoals toen ze minister van Welzijnszorg was? Irreëel toch. Niks irreëel, zegt de fractieleider van een oppositiepartij: crimineel! erger dan Schettino!
En het Onze-Lieve-Heersbeestje is er het hart van in. Kijk maar op de foto hoe ze er nu uitziet. Burgemeesterssjerp kwijt en misschien zestien jaar celstraf. Ten onrechte, vind ik, en mijn buurman vindt dat wellicht ook. Wij, Heeren van Elsegem, vragen aan U, leden van de oppositie en van de rechtbanken van eerste, tweede en derde aanleg, enig mededogen voor een arm schaap.
Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.