Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.
FLAUW EN PUBERAAL, MAAR GOED BEDOELD: dit soort verhaaltjes vindt u bij de vleet ('n 200-tal) op www.bloggen.be/kris .......... PICTAIKU'S (de allernieuwste kunstvorm) vindt u op www.bloggen.be/pictaiku
05-05-2021
Is er leven na de dood?
Dit moet mij van het hart: Ernest Claes en Stijn Streuvels zijn de Vlaamse schrijvers voor wie ik de meeste waardering heb, meer nog dan voor Herman Brusselmans.
Het mag toeval heten dat mijn oog, tijdens de droevige maar bijwijlen ook gezellige coronadagen van de voorbije winter, gevallen is op de boeken van Ernest Claes, die ik reeds
in mijn tienerjaren gelezen had. Ik was student en Leuven, o dagen, schone dagen werden uitgegeven toen de schrijver reeds in de zeventig was. Allebei één brok nostalgie naar de voorbije
studentenjaren, de mooiste jaren uit het leven. Voor Ernest Claes namen de studentenjaren in Leuven een aanvang in 1915. Tweeënveertig jaar later, in 1957, namen ze voor mij een aanvang in Gent. Nog eens tweeënveertig
jaar later, in 1999, is het boek 50 jaar Gravensteenfeesten verschenen, waarin ikzelf zeven hoofdstukjes heb geschreven. Hierna heb ik mij vijftien jaar lang weer één dag in het jaar in het studentenleven
gestort, in de maand november, de dag van de Gravensteenfeesten in Gent. Mijn memoires, verschenen in 2006, heb ik als titel meegegeven O jerum jerum jerum..., een vers uit de Oude Roldersklacht. Mijn voeling
met het studentikoos leven staat de laatste zes à zeven jaar op een laag pitje. Geen Gravensteenfeesten meer voor mij, nu ik mijn tachtigste verjaardag achter de rug heb - is er überhaupt nog veel studentikoziteit
in deze triestige coronatijd? - maar het heimwee naar die heerlijke tijd is er zo mogelijk nog groter op geworden.
Begin maart was mijn manuscript klaar. Het moet een boek worden over het studentenleven van Ernest Claes en dat van mijzelf en het zal de titel dragen: COMMILLITONES. Hoe mooi
zou het geweest zijn als dit boek zou uitgegeven worden door Davidsfonds/Standaardboekhandel, waar ook de boeken van Claes werden uitgegeven. Maar... Ik heb de vraag gesteld en mijn vraag is onbeantwoord gebleven. Ik heb
de vraag dan maar gericht tot een veelbelovende uitgeverij, waarvan de naam luidt Boekscout. Deze heeft mij het manuscript gevraagd. Ze zullen het daar ongetwijfeld grondig nalezen want pas over
twaalf weken zullen ze mij van antwoord dienen. Dat belooft dus. Iemand die het nochtans doorgaans goed met mij meent komt evenwel roet in het eten gooien door te beweren - hij hoeft het niet eens gelezen te hebben - dat ze
het nooit zullen uitgeven, om de eenvoudige reden dat ik te oud en te onbekend ben. En als ik hem vraag wat ik doen moet om bekendheid te verwerven is zijn antwoord: vermoord iemand, pleeg zelfmoord, of snijd u een
oor af. Zal ik het dan maar weer laten uitgeven zoals ik gedaan heb met de stuk of vijftien boeken die ik sedert mijn pensionering heb geschreven: bij print-on-demand uitgeverijen of bij kleine uitgeverijen, waarvan
de meeste al niet meer bestaan?
Ernest Claes is geboren in 1885 en zou dus dit jaar 136 jaar geworden zijn. Deze nacht is hij mij komen bezoeken, wellicht naar aanleiding van het boek. Ik heb er hem een stukje
uit voorgelezen: de inleiding van een hoofdstuk dat handelt over onze studentenliefjes...
Ernest, in uw boek Ik was student schrijft ge dat het meisje van uw geboortedorp Zichem, dat uw hart gebroken heeft, het jaar voor ge student zijt geworden in Leuven,
de eerste was waarvan gij echt gehouden hebt. Zijt gij dan Gabrielle Verbeek uit Studentenkosthuis bij Fien Janssens vergeten? In Leuven zijt ge verliefd geworden op Vierske uit café Den Engel. Het meisje
uit Zichem en Vierske zijn allebei gestorven in de maand februari van het jaar 1951. Verwondert het u dat ik dat weet? Een beetje deductieve geest die uw boek Leuven, o dagen schone dagen aandachtig leest kan
het feilloos afleiden. Het hoofdstukje, dat nu volgt, over ons beider liefdesleven is eveneens geschreven in de maand februari, precies zeventig jaar later. In 1951 waart gij zesenzestig, zo oud als ik was in 2006 toen ik
mijn O jerum jerum jerum... schreef, waarin al mijn jeugdliefdes figureren. Een half dozijn zijn het er geweest, een eerste platonische kinderliefde niet meegerekend. Allemaal vluchtige relaties: één
dag, een paar dagen, een paar weken, één keer een paar maanden. Alle hebben ze littekens nagelaten in mijn hart. En dat zal bij u niet anders geweest zijn. Ik citeer uit uw boek Ik was student:
...in die jaren kan de liefde in het gemoed van een gevoelig jong mens verwoestingen aanrichten waarvan een leven lang de sporen bijblijven. En ik vraag mij nu af of het bijzonder is dat wij beiden amper gewag maken van die allermooiste liefde, die ene liefde die met ons een leven lang lief en leed heeft gedeeld en ons gelukkig heeft gemaakt. Over
honderd of tweehonderd jaar zullen we ons dié alleszins nog herinneren en er een teder verhaal over schrijven.
Hij knikte de hele tijd instemmend. Een antwoord op mijn vraag over Gabrielle Verbeek kwam er niet. Hij zei geen woord, maar hij glimlachte fijntjes. En dan was hij er opeens
niet meer.
Ik blijf achter met de vraag: is er leven na de dood? Freek de Jonge heeft er een liedje over geschreven: zijn antwoord is ja. Filosoof Jan Bauwens heeft er in 2006
een 108 paginas tellend boek aan gewijd. Het boek begint als volgt: De vraag stelt zich tot treurens toe. Zo erg is het, dat velen die de vraag horen, moegetergd als ze zijn door
het gezwans, het op een lopen zetten, de handpalmen tegen de oren gedrukt. Ik geef hun geen ongelijk: men moet geen vragen stellen die niemand kan beantwoorden. De vraag of er leven is na de dood is er zo een. Net zoals de
vraag of God, die dan toch almachtig is, een steen kan maken die zo zwaar is, dat Hij hem niet kan optillen.
De schrijver van De Witte is al meer dan een halve eeuw dood. En toch wás hij er deze nacht. Met zijn hoed, zijn witte baard, zijn pijp, zijn bril, zijn das...
Maar of dat leven is? Wellicht niet... Of toch? Ergens in mij leeft hij.
Weet u wát, beste lezer? Ik heb hen verteld dat Marc met zijn hele grote neus, kleiner is als Jan en dat hij nooit geen geld op zak heeft. Maar als ik hun had verteld dat Marc met zijn heel grote neus, kleiner is dan Jan en dat hii nooit geld op zak heeft, dan was dat - althans grammaticaal - óók juist geweest. Volgens de tot gisteren geldende spraakkunstregels staan in de eerste zin zomaar eventjes vier fouten, maar dat is vanaf nu niet meer het geval. Dat neemt echter niet weg dat de tweede zin nog steeds correct is. En er is méér: door gebruik te maken van combinatiemogelijkheden kan de zin op zestien verschillende manieren perfect juist gespeld worden. Vrijheid, blijheid dus. En zullen we het in éénzelfde zin - het weze éénzelfde verhaal of éénzelfde boek - kunnen hebben over de hele grote neus van Jan en de heel grote neus van Piet? Ongetwijfeld wel. Want het zal hier dus wel degelijk gaan om een - zij het subtiele - nuance, zoniet om een stijlfiguur, waarvan de naam weliswaar nog dient uitgevonden te worden. Wat al mogelijkheden voor de auteurs van morgen: een hele grote man met een heel grote neus, die een aantal paginas verder verschijnt als een heel grote man met een hele grote neus. Jammer evenwel dat een erge grote neus voorlopig nog niet acceptabel is. Maar niet getreurd: Rome en Napels zijn ook niet in één dag gebouwd.
Van Rome en Napels gesproken... Er is nog zoveel dat ons, Nederlandstalige Vlamingen, het leven zou kunnen veraangenamen. Op taalgebied. En ik denk hier in de eerste plaats aan de bewoners van de oostelijke helft van ons land... Bijvoorbeeld:
"...aan hij, die datzoveel als mogelijk wiltwachten om gaan te werken" moet al even goed kunnen als "...aan hem, diezoveel mogelijk wil wachten om te gaan werken".
En van de "diedatters" gesproken, uit het Kempenland en omstreken:
Jan, die dat iets gezegd heeft...
Jan, die dat dat gezegd heeft...
Het kind dat dat iets gezegd heeft...
Het kind dat dat dat gezegd heeft....
Welk kind? Dít kind of dát kind?
Dát, dat dat dat gezegd heeft!
En wat een mooie oefening in zinsontleding dit met zich kan meebrengen:
- de eerste "dat": onderwerp;
- de tweede "dat": betrekkelijk voornaamwoord;
- de derde "dat": waarvoor voorlopig nog geen naam bestaat (wat gedacht van "bijvoeglijk betrekkelijk voornaamwoord"?)
- de vierde "dat": lijdend voorwerp.
Mooi is ook dat men de dt-regel die op 't ogenblik geldt wil afschaffen. Vermoedelijk alle dt's vervangen door d's. En blijven de dt's dan ook nog geldig? En waarom niét eigenlijk? Een beetje tolerantie, alstublieft. En mag de eerste persoon dan ook misschien een dt-tje? Of zullen we daar een andere keer eens over doorbomen? Ik wordt er nu een beetje duizelig van...
Dit is een bizar verhaal. Ik dacht eerst dat het mij niet toekwam dit wereldkundig te maken, maar het is sterker dan mezelf...
Het gebeurde een dag of vijf geleden en de plaats van het gebeuren is een eenzaam treincoupé, tussen Kortrijk en Gent. Ik zat aan het venster en recht tegenover mij zat een
oude man zijn krant te lezen. Hij had, net als ik, zijn coronamasker op, ofschoon we beiden ongetwijfeld enkele weken geleden reeds gevaccineerd waren en het wederzijds besmettingsgevaar vrijwel nihil was. Met een zucht die
méér dan droefheid uitstraalde legde hij plots zijn krant naast zich neer, legde zijn masker af en snoot zijn neus. Zonder masker leek hij nóg ouder. Er rolde een traan over zijn wang. Hij veegde ze af
met zijn zakdoek, zette zijn masker weer op, keek mij aan met een ín-droevige blik en vroeg met een bevende stem:
- Ook naar Gent?
- Ja, zei ik.
- Ik ben alleen op de wereld, zei hij.
Ik zweeg en na een poos ging hij verder:
- Vier dagen geleden is zij gestorven... en dat verneem ik nú pas.
Hij nam zijn krant weer op en toonde mij de overlijdensberichten: Ettie Bilemont, overleden op 12 april 2021.
- Is zij uw vrouw geweest? vroeg ik.
Hij zweeg.
- Of uw zuster?
En na een poos:
- Geen van beide, maar wel de enige persoon die ik ooit heb liefgehad. In juli zal het drieënzestig jaar geleden zijn dat ik haar voor het laatst gezien heb. We hadden zes jaar
in dezelfde klas gezeten, zes jaar middelbaar onderwijs. Ik was smoorverliefd op haar vanaf de eerste dag. Ze was de beste leerling van de klas. Ik was één van de zwaksten, ofschoon ik mijn best deed, om geen
jaar te moeten overslaan en alzo in een lagere klas terecht te komen, een klas zonder Ettie. Pas in het laatste jaar, tijdens een schoolfeest durfde ik bekennen dat ik verliefd was op haar. Ze beantwoordde mijn liefdesverklaring
met een minachtend lachje. Ik maakte mezelf wijs dat het aanstellerij was van harentwege. En op ´t einde van ´t jaar heb ik haar nogmaals mijn liefde verklaard... op de trein. We zaten aan het venster tegenover elkaar,
zoals u en ik. En ook toen zat er verder niemand in het coupé en ik heb haar gekust, op haar wang. Ze liet het gebeuren, zonder meer. Twee dagen later heb ik een vurige liefdesbrief geschreven voor haar en ik heb die
brief heimelijk in haar boekentas gestopt in een gesloten omslag. In die brief was sprake van eeuwige trouw. Op de envelop had ik twee hartjes getekend met onze namen en een pijltje dat dwars door de twee hartjes ging. De
allerlaatste dag van dat laatste schooljaar, de dag van de prijsuitdeling, gaf ze mij de enveloppe terug... ongeopend! Nachten na elkaar heb ik om haar geschreid, mijn Ettie, en nooit heb ik haar nog teruggezien, sinds die
vreselijke laatste dag. En toch ben ik haar trouw gebleven, nooit heb ik mijn hart voor een ander opengesteld, ik zweer het u. En nu ben ik haar kwijt, voorgoed, ik heb niemand meer...
Hij keek mij aan, zijn ogen waren rood en er welden weer tranen op.
- Wat gij vertelt ontroert mij, zei ik. Ik begrijp uw verdriet.
En ik dacht bij mijzelf dat het ook mij niet onberoerd zou laten als ik in de krant het overlijdensbericht zou lezen van Nelly Depaepe, of Cecile Sadones, of Liesje Gijsels, of Arlette
Vanlooveren, of Agnes Deprins of Betty de Borchgrave of dat meisje uit de Gilles Desutterstraat wier naam mij nu even niet te binnen schiet.
- Ik heb die brief nog steeds in mijn bezit, zei de oude man. Hij is nog steeds ongeopend. Overmorgen is de begrafenis. Ik zal er heen gaan. Mét de brief. Ze zal hem nu niet
kunnen weigeren...
De oude man en ik zijn van ´t zelfde jaar. Ik een paar maanden ouder, zo oud als Ettie...
Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.