Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.
FLAUW EN PUBERAAL, MAAR GOED BEDOELD: dit soort verhaaltjes vindt u bij de vleet ('n 200-tal) op www.bloggen.be/kris .......... PICTAIKU'S (de allernieuwste kunstvorm) vindt u op www.bloggen.be/pictaiku
29-03-2026
Vitraiku 4
Nooit werd enig mensenkind
door een godin zozeer bemind
- tot Ares door naijver verblind
de geliefde dodelijk verwondt -
uit de bloeddoordrenkte grond
ontspringen anemonen in het rond
(klik op de foto om te vergroten)
Adonis en Aphrodite (verhaal nr.19 uit mijn boek " De Griekse mythologie in 136 verhalen")
"Myrrha was de dochter van de Fenicische koning Theias. Ze had mooi haar, weliswaar. Maar dat ze haar eigen haar mooier vond dan dat van Aphrodite nam de godin van de liefde haar meer dan kwalijk. Zij legde in het hart van Myrrha zondige liefdesgevoelens voor haar eigen vader. Met een list slaagde Myrrha erin het bed te delen met haar vader: ze maakte hem dronken en verleidde hem in het donker. Theias sliep alzo twaalf nachten lang met zijn eigen dochter. Toen hij haar echter de twaalfde nacht herkende bij het schijnsel van een zwak licht, werd hij wild van woede. Met een slagersmes achtervolgde hij Myrrha, doch deze slaagde erin te ontvluchten en aan een gewisse dood te ontkomen. Ze belandde in Arabië. Toen bleek dat ze zwanger was, was ze zo beschaamd dat ze de goden smeekte haar te doen verdwijnen: ze wilde niets meer zijn, noch onder de levenden, noch onder de doden. De goden veranderden haar in een myrrheboom, die overvloedig weent om de verloren gegane eer: haar tranen zijn de welriekende gomhars die de bast van de boom overvloedig afscheidt. De dag dat Myrrha normaal had moeten baren, scheurde de boomschors open en een kind kwam te voorschijn: Adonis. Het kind was zo mooi dat Aphrodite zelf het opnam, het in een koffertje legde en toevertrouwde aan Persephone, de godin van de onderwereld. Deze echter werd dermate bekoord door het kind dat ze weigerde het nog ooit terug te geven aan Aphrodite. Dit leidde tot een 66 twist tussen de twee godinnen. Het was Zeus die uiteindelijk optrad als scheidsrechter in deze zaak. Hij besliste dat Adonis één derde van het jaar bij Aphrodite zou vertoeven en één derde bij Persephone; over het laatste één derde zou de jongen zelf vrij mogen beslissen. Adonis gaf zijn deel geheel aan Aphrodite, zodat hij als opgroeiende knaap twee derden van het jaar in haar gezelschap vertoefde. De grote liefdesgodin geraakte zodanig in de ban van de mooie Adonis dat ze de aan haar gewijde plaatsen op Cyprus verliet en de andere goden negeerde. De god Ares kon moeilijk verkroppen dat de godin die hem eens had bemind nu al haar aandacht aan de sterfelijke Adonis besteedde. Hij veranderde zichzelf in een everzwijn en toen Aphrodite en de geliefde jongeling op een dag aan het jagen waren in de bossen van Fenicië, stormde het everzwijn recht op Adonis af en bracht hem een dodelijke wonde toe. Aphrodite nam het lichaam van de geliefde in de armen, maar ze kon niet verhinderen dat zijn bloed wegvloeide naar een beek, die stroomt aan de voet van de Libanon en die tot op heden rood gekleurd is door het bloed van Adonis. En verder stroomde het bloed via de Styx naar de onderwereld. In plaats van Adonis te beminnen kon Aphrodite hem nu nog enkel bewenen, en rondom bloeiden overal anemonen, gesproten uit het bloed van de beminde, waar het de aarde doordrenkt had.
Het hart op het graf van mijn geliefde vrouw. Het belooft een even groot mysterie te worden als de Apolloroof in 2015, die ons het hele jaar in de ban heeft gehouden. Op 11 januari van dat jaar schreef ik op mijn blog (versta onder Desdemona een schuilnaam voor "haar"):
Ons Grieks beeld is verdwenen! Tachtig jaar na die andere grote en nog steeds onopgehelderde kunstroof van "De rechtvaardige rechters", het beroemde paneel van Het Lam Gods. Desdemona was de eerste die de verdwijning had opgemerkt.
- Apollo is verdwenen! zei ze, nogal paniekerig.
Eén van de redenen waarom we de stad ingeruild hebben voor ons vredig geboortedorp, is de hoop die wij koesterden om alhier minder met diefstal en andere criminaliteit te maken te krijgen. Enkele weken geleden werd hier evenwel een dure vijftien meter lange internetkabel doorgeknipt en ontvreemd, en nu dit...
Ik heb toen al gezegd dat we bewakingscamera's moesten plaatsen, rondom het huis, en dat vond jij niet nodig! zei Desdemona verwijtend.
Het gestolen beeld was er een uit tufsteen, vermoedelijk de kop van een Griekse jongeling of dito god voorstellend. Het beeld stond er al jaar en dag, in een tuinprieeltje, en ik zou begot niet meer weten hoe het bij ons was terechtgekomen. Gemakshalve hebben we hem Apollo genoemd en door de jaren heen waren we ervan gaan houden. Hij was het onderwerp van één van mijn pictaiku's, te bewonderen op www.bloggen.be/pictaiku/archief.php?ID=2493955. En nu is hij dus verdwenen.
Op de plaats van de ontvreemde Apollo-kop stond nu een in 't donkergroen geschilderde plaasteren buste van een of ander eerbiedwaardig man: ik gok op Peter Benoit. Meer dan waarschijnlijk werd die daar door de dieven zelf neergepoot. Merkwaardig toch: welke dief haalt het in zijn hoofd om bij het roven van een kunstwerk een ander kunstwerk in de plaats te zetten en dan nog een dat in generlei mate op het geroofde lijkt? Misschien wilde de dief zich de kosten en de moeite besparen om de waardeloze Benoit-buste naar het containerpark te brengen? Of misschien ging het om een flauwe grap en zou onze Apollo wel ergens terug te vinden zijn tussen de struiken in onze tuin.
We hebben de tuin uitgekamd en niets gevonden. Desdemona en ik zijn ontroostbaar. Zíj heeft alvast het pleit gewonnen: de bewakingscamera's komen er!
Van de pleger(s) van deze kunstroof is er voorlopig geen spoor. Op de onderzijde van de plaasteren buste staat geschreven: Nap. Destanberg. Een aanwijzing?
Ik heb een sterk vermoeden dat dit verhaal een vervolg krijgt. Mocht u een “tip hebben, waarde lezer: mijn e-mail adres is kvansteenbrugge@gmail.com. De tip die tot de oplossing van dit raadsel leidt zal beloond worden.
Het spoor van Napoleon Destanberg dat aanvankelijk werd gevolgd leidde nergens heen. Het heeft mij wel kennis bijgebracht over de man zelf: hij was een bekende Gentenaar die leefde in het midden van de negentiende eeuw en naar wie in Gent een straat is genoemd. Een en ander daaromtrent staat te lezen op mijn pierpontblog d.d. 21/1/2015 en 13/2/2015.
Op 18/2 vond ik in mijn brievenbus een brief aan mij gericht:
Beste Kris,
Ik stel het inmiddels vrij goed op mijn winterbestemming.
Ik merk dat je mijn vriend Napoleon ondertussen hebt leren kennen.
Hij is wat gevoeliger dan ik, voor vocht en kou, dus verzorg hem goed.
Deze position-switch doet ons beiden goed.
Tot binnenkort.
Apollo en het Gentsche gevolg.
Alles liet nu vermoeden dat de Apolloroof te herleiden was tot een studentengrap, door leden van het Gents seniorenkonvent (het SK) waarvan ikzelf preses (senior seniorum) was geweest in het academiejaar 1963-64. Maar... was de brief geen afleidingsmaneuver. Diende er geen ander spoor gevolgd te worden? Een en ander bracht de roof in verband met de diefstal van het paneel van het Lam Gods, mijn reeds lang overleden grootmoeder Leonie en de afgebrande kerk van Anzegem. Deze drie pistes had ik de wereld ingestuurd via mijn weblog. Respons bleef niet uit. Van overal, ook uit het buitenland, kwam er respons, doch uitsluitend in de vorm van aanmoediging en sympatiebetuiging. De verste brief kwam van Mensje Meinema uit Frieland! Maar helaas, geen bruikbare tips...
En toen, op 2 mei, kwam een tweede brief, van "Apollo en het Ghentsche gevolg":
Beste Kris,
Ik stel het nog steeds goed op mijn nieuwe bestemming. Een andere omgeving kan soms echt goed doen. Ik merk dat je je wat zorgen maakt om mij. Ik had nooit gedacht dat je mij als kunst aanzag.
Nooit heb ik je dan ook zelf van kunstroof beschuldigd, want dat zou het dan toch initieel zijn. Want geef toe, eigenlijk stond ik toch ook niet op mijn geboortegrond, en werd ik eerder barbaars bewerkt en verkocht, met bovendien een gat in mijn hoofd, waarbij ik intussen niet weet of ik hoofdpijn heb van het gat zelf of van het water dat er in stond.
Het Ghentsche gevolg benadrukt je belang in de Ghentsche zaak, waar gij O voorvechter, op de barricades hebt gestaan. Maar de laatste feiten wijzen op een verminderde strijdvaardigheid en dan hebben we het inderdaad niet over Uw zangtalenten. Weet U trouwens dat de Ghentsche Nachtzwaluw weer normaal gedijt in Ghent sedert Uw vertrek als student? Na diepgaand en intens onderzoek zijn Uw cantussen gelinkt aan die periode met het gestoord gedrag.
Nie pleuje (geldt niet voor dezen brief).
Tot binnenkort,
Apollo en het Ghentsche gevolg.
Die tweede brief werd grondig ontleed. Grafologen meenden in het handschrift op de briefomslag dat van een vrouw te herkennen. Speurders kwamen tot allerlei vaak tegenstrijdige conclusies. Enkelen gingen zo ver te veronderstellen dat de dader bij de politie diende te worden gezocht.
Niet veel later kwam nog een brief met een vraag om losgeld, maar dat werd door de speurders afgedaan als een grap. De zwaarste verdenking bleef voorlopig rusten op de schouders van de Gentse student. En toen, op 18 juni, werd mij gemeld dat de speurders plots een zeer ernstig spoor volgden. Er werd mij spreekverbod over de "Apollo-roof" opgelegd alsook het verbod om nog iets te publiceren op mijn blog omtrent deze zaak alsook over de diefstal van "De rechtvaardige Rechters".
Het werd nu even stil... tot 2 november.
Wat er toen is geschied? Ik heb het verteld in mijn zestiende en laatste blogverhaal:
De zon priemde al fel door de spleten van het niet geheel naar beneden gelaten elektrisch rolluik - 't liep al tegen de middag - toen iemand mij wild enthousiast kwam wakker schudden met de woorden:
- Apollo is terug! Apollo is terug!
't Was precies, dag op dag, een half jaar geleden dat de gerechtelijke instanties mij de raad hadden gegeven een absolute stilte te bewaren omtrent de diefstal die drie maanden tevoren, zo rond de jaarwisseling, moet hebben plaats gehad. En laat het nu juist de dag zijn waarop ik mij voorgenomen had die stilte te doorbreken.
Hij stond er, in de blakende zon, niet op de plaats waar hij altijd placht te staan, maar aan de overkant van de tuin, te midden van groen lover. Maar wát een Apollo! Een schitterend wit beeld, helemaal gezandstraald. De aanblik van de stralende zonnegod, was pijnlijk voor de ogen. En de vreugde om de terugkeer van de god is zo immens dat ze ruimschoots opweegt tegen het verdriet om het tijdelijk gemis, want dat Apollo ooit zou terugkeren, daar heb nooit aan getwijfeld.
Het overheersend gevoel is er een van geluk, maar er is ook de schaamte. Ik had nooit zo onbezonnen moeten zijn om mensen te beschuldigen en daar het gerechtelijk apparaat bij te betrekken. Ik beken dat ik in de eerste plaats gedacht heb aan een diefstal door leden van het Gents studentenkorps. Talrijke anonieme brieven wezen in die richting. Er waren er ernstige bij en minder ernstige; de laatste kwamen ongetwijfeld van grappenmakers die losgeld eisten. En al kan er van diefstal geen sprake geweest zijn, en misschien zelfs niet van een studentengrap, toch denk ik nog steeds dat dit het werk is van een student van mijn geliefde Alma Mater, een student in de archeologie die als eindwerk voorgeschoteld heeft gekregen: een oud Grieks beeld in zijn frisse oorspronkelijke staat herstellen. En of hij daarin geslaagd is! Grootste onderscheiding mét felicitaties van de jury.
Maar misschien vergis ik mij wel; zoals ik mij ongetwijfeld ook vergist heb toen ik er op een gegeven ogenblik van overtuigd was dat de politie zelf er voor iets tussen zat. Een naam die in verscheidene anonieme brieven naar voor is gekomen is die van ene Hendrik. De allerlaatste tip die ik kreeg een paar dagen vóór de gelukkige ontknoping, wees ook in die richting. Vóór de putto, het klassieke engelenbeeld dat we op de plaats van de verdwenen Apollo hadden geplaatst, stond plots een stoere Viking in vol ornaat en de beide handen steunend op een literfles sterk bier van het merk "Straffe Hendrik". En wat wil het geval? Dat ik die ene Hendrik, die ik goed ken en die overigens van goeden huize is, helemaal niet in staat acht tot een dergelijke daad. Anders zou ik hem toch niet "Brave Hendrik" noemen, hetgeen ik sinds jaar en dag doe.
Ik heb alvast mijn "klacht-tegen-onbekenden voor diefstal" ingetrokken; hopelijk bijten die van het gerecht zich daar nu niet verder in vast. Een gelukkiger ontwikkeling had ik niet durven verhopen: ik heb er een vernieuwde Apollo aan overgehouden, plus een borstbeeld van Napoleon Destanberg, een Viking en een fles Straffe Hendrik!...
Mocht u zich nu ook nog afvragen, beste lezer, hoe groot de kansen zijn dat de kunstroof van de vorige eeuw, zijnde die van de Rechtvaardige Rechters nog ooit een even gunstige afloop kent, dan moet ik u helaas teleurstellen. De aandachtige lezer van de veertien vorige edities van "De Kunstroof" zal zeker al tot de conclusie gekomen zijn dat een fatale kerkbrand in het zuiden van West-Vlaanderen aan alle illusies dienaangaande aan definitief einde heeft gemaakt.
Het heeft nog enkele maanden geduurd, maar uiteindelijk ben ik toch aan de weet gekomen wie de dader is geweest. Hij/zij is zichzelf te mijnen huize komen aanmelden. Hij/zij heeft mij gevraagd dit niet wereldkundig te maken en ik heb hem/haar geheimhouiding beloofd. Er is dus geen zeventiende aflevering over de kunstroof verschenen op de blog. Hooguit drie of vier personen kenden het geheim. Eén onder hen was mijn vrouw die jammerlijk overleden is, nu bijna een jaar geleden. In de aarde waaronder zij rust, op het kerkhof in Kaster, heeft iemand een hartje gemaakt, een nobele onbekende. Mag ik hopen dat hij of zij zich op een mooie dag bij mij komt aanmelden? Zijn/haar werk zal niet onbeloond blijven en desgewenst zal ik zwijgen... als een graf.
Na bijna drieënzestig jaar gelukkig samenzijn is mijn lieve vrouw op 10 mei van 't vorig jaar voor altijd van mij heengegaan, na een lange lijdensweg van operaties, chemotherapie, radiotherapie, gastrostomie... De laatste maanden kreeg ze zuurstof toegediend en kreeg ze sondevoeding: "NUTRISON Energy Multifiber" één fles van 1000 mililiter per dag. Na haar overlijden bleken er nog elf flessen over te zijn. Na een paar weken belde ik de leverancier op met de vraag of de flessen konden teruggenomen worden: de houdbaarheidsdatum was 2 februari 2026, nog acht maanden dus. Helaas, het kon niet meer, ik had een paar dagen vroeger moeten opbellen. Die leverancier was wel zo vriendelijk mij een goede raad mee te geven: bied de flessen aan bij uw apotheker of bij een verzorgingsinstelling, die kunnen daar ongetwijfeld nuttig gebruik van maken. Ik heb die goede raad gevolgd, die kostbare voeding zomaar teloor laten gaan vond ik zonde, men hoefde mij er niets voor te betalen... Maar er was blijkbaar niemand die het zaakje vertrouwde.
Het is nu 21 maart. De houdbaarheidsdatum is ruim overschreden. Ik zit hier met mijn elf flessen. Ik stel ze op zoals in mijn prille jeugdjaren een voetbalelftal opgesteld werd - keeper, 2 backs, 3 halfbacks, 5 voorspelers - en ik geef ze de namen van de spelers die ik mij nog herinner uit de tijd toen de voetbalsport mij nog kon boeien... Met pijn in het hart zal ik ze één voor één uitgieten in het WC. De lege flessen gaan naar PMD. Eén zal ik houden als souvenir. Wellicht wordt het Richard Orlans, die dit jaar vijfennegentig wordt, waarschijnlijk de enige van het elftal die nog in leven is. Hij had een café in de Overpoortstraat: de Zwaan. Er stond een biljart. Ik heb er ettelijke partijtjes gespeeld. Richard zelf heb ik er nooit gezien...
Mijn eerste jaar aan de universiteit, 't is negenenzestig jaar geleden. Dat heette toen "eerste kandidatuur geneeskunde". We waren met honderdtweeënnegentig studenten. Of de leerstof toen moeilijker was dan heden ten dage, en of de opleiding toen beter was? Op de tweede vraag is het antwoord: néén, néén en nogmaals néén! Op de eerste vraag zou ik voorzichtig já durven antwoorden. Er waren zes vakken: 1° natuurkunde (alles wat niet maken had met electriciteit, hetwelk pas in het tweede jaar aan bod zou komen), 2° anorganische scheikunde (de organische was eveneens voorbehouden voor het tweede jaar), 3° plantkunde (morfologie), 4° plantenfysiologie, 5° logica en 6° celleer. Enkel dat laatste vak had mijns inziens enig uitstaans met "geneeskunde". In de twee volgende kandidaturen
was het nauwelijks anders: alleen de vakken biochemie, fysiologie en anatomie met als practicum de lijkdissecties, leken mij geschikte basisvakken voor een toekomstige arts. In die eerste drie jaar kwam het woord "ziekte" niet eens aan bod, verre van dat wij met een patiënt of met de kliniek in aanraking kwamen. Heden ten dage kunnen studenten die één jaar geneeskunde achter de rug hebben al reanimeren, wij hebben dat nooit geleerd, in die zeven jaar "opleiding". Maar dat de studies toen minder lastig waren durf ik ten zeerste te betwijfelen. Alleen al als we nagaan hoe groot het percentage geslaagden toen was. In dat eerste jaar waren er van de honderdtweeënnegentig amper vijfenveertig geslaagd in de eerste zittijd en daar zijn er nog een twintigtal bijgekomen in de tweede zittijd. De meesten waren gestruikeld op de vakken scheikunde en natuurkunde. Ook in het tweede jaar zijn er nog een pak afgevallen, weeral gestruikeld op die "wetenschappelijke" vakken. Vanaf het derde en alleszins vanaf het vierde jaar jaar waren er minder gebuisden. Toen de echte geneeskunde aan bod kwam en nog enkel de wiskundige/wetenschappelijke knobbels overbleven bleek het professorenkorps veel toleranter te zijn: hopen dan maar dat ze allen ook goede doktoren zouden zijn...
In het vierde jaar kregen wij "algemene ziekentenleer" en leerden wij over medicijnen en in het vijfde jaar werd al eens een patiënt ten tonele gebracht. In het zesde jaar mochten we enkele uren in de week consultaties bijwonen in verschillende specialiteiten. De uren op de afdeling dermatologie vond ik de aangenaamste, ik kreeg er de smaak te pakken en ik zag mij reeds als huidarts door het leven gaan. Wie er op mij de sterkste indruk maakte was Firmin, een simpele bediende die enkel tot taak had de patiënten te begeleiden naar de afdeling. Nochtans, één oogopslag was voor Firmin meestal voldoende om de diagnose te stellen en de daaruit voortvloeiende therapie. Ik denk dat de professor zelf op dat gebied voor hem moest onderdoen. Firmin zelf liep overigens niet hoog op met zijn kennis. Hoe kan het ook anders, zei hij, ik zit al meer dan veertig jaar op deze dienst.
Het laatste jaar, het zevende, was het stagejaar dat we grotendeels doorbrachten in de kliniek: vier maanden op inwendige ziekten, twee maanden kinderkliniek, twee maanden op de afdeling chirurgie, één maand op de afdeling verloskunde alwaar wij moesten blijven inslapen en dan nog drie maanden op afdelingen naar keuze. Zelf heb ik niet één operatie bijgewoond, laat staan dat ik ooit het scalpel zelf ter hand zou genomen hebben, en één verlossing had ik op mijn actief, ene waarbij het kind er als vanzelf uitgefloept was, en onder het toezicht van een bekwame vroedvrouw.
En ik was "doctor in de genees-, heel- en verloskunde". Het diploma gaf recht op het zelfstandig uitoefenen van de geneeskunst. Ik kon meteen aan de slag als huisarts. Heden ten dage zijn er afgestudeerden in de geneeskunde die in Zuid-Amerika hun stage in de verloskunde volbracht hebben, sommigen hebben er zelfstandig tientallen keizersneden verricht - ik had er amper één bijgewoond... Of zij nu ook "doctor" zijn. Bijlange niet, zij zijn "arts" en vooraleer zij toegelaten worden tot het zelfstandig uitoefenen van de geneeskunde dienen zij eerst nog een opleiding van een drietal jaar te volgen bij een erkende huisarts ofwel een specialistenopleiding in een erkend ziekenhuis. Die doctorstitel is mij uiteindelijk van zeer groot nut geweest tijdens mijn opleiding tot keel-neus-oorarts in het universitair ziekenhuis Dijkzigt (nu Erasmus) van Rotterdam - één van de grootste ziekenhuizen van West-Europa. Ik was er amper een jaar in opleiding toen er in Leiden een groep professoren uit universiteiten van over de hele wereld neerstreek, allen top-specialisten in de neuschirurgie, onder de leiding van de beroemde Amerikaanse professor Cottle. Ze kwamen de allernieuwste technieken van de neuschirurgie uit de doeken doen. Voor de cursus die over veertien dagen liep diende zeventienduizend gulden betaald. Wie een doctorstitel had mocht gratis. Ons ziekenhuis stuurde er de twee oudste assistenten naartoe plus degene die gratis mocht, ikzelf. Nooit in mijn leven heb ik meer theoretische en practische kennis opgedaan dan die veertien dagen in Leiden...
We waren zestig jaar sâam. Zie maar hoe gelukkig we toen waren. Ik schreef toen in mijn dagboek:
Maar moe niet glô, al word ons oud,
Ons hart kan nooit verander;
Ons liefde is nog lang nie koud,
Ons staan nog bij mekander.
Het waren verzen uit een oud Afrikaans studentenlied (tekst C.F.Visser, muziek E.Hullebroeck) dat ik talloze keren heb gezongen in de jaren dat ik jou nog niet kende, en dat nog steeds in mijn geheugen gebeiteld staat. We dachten dat wij ons geluk te danken hadden aan een alwetende, almachtige en oneindig barmhartige god...
... maar toen werd jij ziek. Na een ondraaglijke lijdensweg die anderhalf jaar geduurd heeft ben jij voorgoed van mij heengegaan. Ik heb die god toen verloochend, maar jij bent - ten ware ik mij vergis - in hem blijven geloven. En misschien bestaat hij voor jou dan nog wél en zit jij nu aan zijn rechterhand. Vraag hem de toelating om mij een mailtje te sturen. Ik wil zo gaarne nog iets van jou vernemen, mijn verdriet is zo groot, ik ben zo eenzaam zonder jou...
Wat prijs ik mij gelukkig om op loopafstand te wonen van de Statiestraat, zij het dat ik wel gebruik maak van mijn Skodaatje voor een bezoek aan de bakker, mijn grootwarenhuis(je) Okay, mijn postpunt, mijn krantenwinkel, mijn carwash, mijn apotheker, mijn pompstation en mijn treinstation, die alle gevestigd zijn in de Statiestraat. Op 6 februari heb ik mijn wagentje voor 't eerst in dit gezegend jaar 2026 ingespannen voor een afstand van meer dan twee kilometer: een bezoekje aan mijn van een operatie herstellende schoonbroer, een tocht van zo maar eventjes twaalf kilometer, waarvan een mooi stukje buiten het slingerweggetje naar de Statiestraat. Op de brede weg tussen Kerkhove en Avelgem was er nauwelijks verkeer en u raadt het al: mijn Skodaatje en ik die al een hele tijd er naar snakten om de teugels eens te laten vieren... En dan is het snelheidsduiveltje in mij losgekomen: tegen zestig kilometer per uur vlogen wij richting Avelgem!
Vandaag is de "pro justitia" er gekomen: waar zestig gereden werd mocht maar vijftig! "Eigen schuld, dikke bult" zouden ze in Holland zeggen. Maar laten we eerlijk zijn: 63,67 euro is in feite een belachelijk lage boete voor zo'n dollemansrit. En laten we blij zijn dat justitia er is voor iedereen, dat is zowel voor de rijders met een Skodaatje als voor de zware BMW-ers, zowel voor de rijders met een groot pensioen als voor de rijders met een klein pensioentje. En, rijders met een klein pensioentje, laat het voortaan een les wezen: rij voor alle zekerheid niet meer dan vijfenveertig per uur, want vijftig rijden is dansen op een smalle koord.
P.S. Zopas verneem ik dat Remco de tijdrit in Abu Dahbi gewonnen heeft met een gemiddelde snelheid van zesenvijftig kilometer per uur. Gelukkig zal hij de boete niet zelf hoeven te betalen, dat doet de sponsor wel...
Dit weekend stond mijn landelijke gemeente weer in het teken van de edelste onder alle denksporten: schaken. Er was het jaarlijks schaaktoenooi in de gemeentelijke feestzaal. Drie jaar geleden heb ik aan dat toernooi deelgenomen, zij het met geen al te groot succes. Ik herinner mij dat ik toen, na het beëindigen van mijn laatste partij - er waren er in totaal zes - in een "gemoedelijk" gesprek was geraakt met de burgemeester van de gemeente, tot het gesprek afgebroken werd omdat aan de burgemeester gevraagd werd de namen van de prijswinnaars af te roepen en tegelijkertijd de prijs te overhandigen. Toen hij mijn naam afriep speurde hij de zaal af naar wie Kris Vansteenbrugge wel mocht wezen: ik stond nog steeds naast hem en sommige aanwezigen dachten dat hij een grapje maakte. Achteraf zei de burgervader mij verontschuldigend dat hij slecht was in het onthouden van namen en hij tracteerde mij op een biertje. En nu was hij er weer, zoals het een goede bestuurder betaamt. Hij herinnerde zich het "incident" nog nauwelijks. Er waren zesendertig deelnemers. Met mijn vijfentachtig lentes was ik veruit de oudste van de bende: vijfentachtig jaar en nog steeds niet in de greep van de dementie... Elke deelnemer diende zes partijen te spelen en de totale tijd was vier uren: "semi-snelschaken" dus...
Mijn eerste tegenstander was een ernstige jongeman. Met een kwinkslag trachtte ik bij hem een glimlach te ontlokken. Het lukte nauwelijks. Ik had al gauw in de gaten dat deze tegenstander een haalbare kaart was. Ik slaagde erin hem serieus in het verweer te dringen: met zijn zwarte Koning op B8 en mijn Toren op A1 met de vrije loop naar het vak A8 dat beschermd stond door een van mijn beide Lopers terwijl mijn andere loper de enige uitwijkmogelijkheid van de zwarte Koning belemmerde. Ik plaatste mijn Toren met een triomferende armzwaai op A8. De zwarte Koning stond mat. Tenminste... dat dacht ik, en dat moet ook mijn tegenstander gedacht hebben, want hij stond op van zijn stoel en reikte mij de hand ten teken dat hij mij feliciteerde met mijn overwinning. Tot er plots een toeschouwer opdook die beweerde dat er helemaal geen sprake was van "mat", dat de zwarte Koning gewoon de witte Toren had kunnen slaan! En warempel, nu bleek het vak A8 plots niet meer op de diagonaal van mijn Loper te liggen. Mijn tegenstander ging weer zitten, deed alsof er niets bijzonders gebeurd was en sloeg mijn Toren... Het vervolg laat zich raden: met een Toren achterstand was ik nu een vogel voor de kat. Iemand van de jury kwam mij achteraf zeggen dat ik de overwinning mocht opeisen want dat de tegenstander door mij de hand te schudden in feite de partij had opgegeven. Maar wat zóu ik? Het zou alleen maar voor narigheid gezorgd hebben...
Mijn tweede tegenstander was precies zesenzeventig jaar jonger dan ik. Een jongetje van negen jaar! De oudste tegen de jongste. Dat moest voor mij alleszins een haalbare kaart zijn. Hoezeer heb ik mij vergist!... Ik vroeg wat zijn naam was. Vinke, zei het jongetje. Ik bedoelde je voornaam, zei ik. Vinke, zei het jongetje, mijn achternaam is Derijke. Er waren geen tien zetten gedaan of het was al duidelijk dat het voor mij een serieuze afgang zou worden. Hoezeer ik mijn hersens ook pijnigde, na elke "weldoordachte" zet van mijnentwege volgde prompt een snelle tegenzet van die gewiekste vinke, die mij telkens weer met mijn neus op het feit drukte dat ik te doen had met een schaakwondertje, een schaakgrootmeester in de dop. De stand was twee-nul in mijn nadeel. Ik verlangde naar een "gemakkelijke" tegenstander.
En die kwam er. Mijn derde partij was weer tegen een jonge knaap, zij het iets ouder dan de vorige; twaalf jaar schat ik hem. Opvallend veel jonge deelnemers waren er dit jaar, er bleek een jongerenschaakclub uit Oudenaarde neergestreken te zijn. Mijn derde tegenstrever bleek gelukkiglijk uit zachter hout gesneden te zijn dan Vinke. Ik won gemakkelijk.
Ik ken u, zei de man die mijn volgende tegenstander zou worden, ik heb nog les gekregen van u: anatomie. Hij kwam mij niet bekend voor en ook zijn naam deed geen belletje bij mij rinkelen. Ik heb inderdaad gedurende zeventien jaar lang les gegeven aan studenten in de kinesitherapie, in de anatomie van het bewegingsstelsel, zijnde het beendergestel, de spieren en de gewrichten van het menselijk lichaam. Deze man had het beroep van kinesist uitgeoefend, op zelfstandige basis zoals dat heet. Hád (!), want hij was reeds met pensioen. Jezus, hoe razend snel holt de tijd met ons heen, naar het einde... Oud-leerlingen die met pensioen zijn... De partij ging gelijk op, al voelde ik mij van in het begin lichtelijk de meerdere. Ik won en ik was blij met die overwinning. Een nederlaag tegen een oud-leerling zou allicht een enigszins wrange nasmaak met zich meegebracht hebben...
Partij nummer vijf was tegen een mijnheer Derijke. Precies, de vader van Vinke. Ik vroeg of hij al even goed kon schaken als zijn zoontje, of misschien nog wel beter. Hij zei dat hij het meestal moest afleggen tegen Vinke, maar dat hij toch nooit helemaal kansloos was tegen hem. Nooit helemaal kansloos, daarmee wist ik genoeg: het zou weer een nederlaag worden! En dat werd het ook. De stand was nu twee overwinningen tegen drie nederlagen. Met een overwinning in mijn zesde en laatste partij kon ik nog eervol uit de slag komen.
Maar die overwinning kwam er niet. Die laatste partij was er blijkbaar teveel aan. Ik was te vermoeid, ten prooi aan een soort schaakblindheid. Ik had niet in de gaten dat een vijandelijk paard dreigde met een zet waarmee mijn Koningin aangevallen stond en mijn Koning tegelijk scháák! Zonder de Koningin was het opboksen tegen de bierkaai. Een partij die ik in frisse omstandigheden niet had mogen verliezen. Al moet ik er eerlijkheishalve aan toevoegen dat mijn laatste tegenstander ook niet meer van de jongste was, namelijk tachtig, wellicht de oudste van de bende. Ná mij wel te verstaan.
(hoofdstuk 51 uit het boek "De Griekse mythologie in 136 verhalen") Eén van de Argonauten was Orpheus, de zanger. Zijnvader was Oiagros, een koning uit Thracië, maar sommigen beweren dat de god Apollo de vader was. Zijn moeder was Kalliope, één van de negen Muzen. De Muzen waren de godinnen van de kunsten en de wetenschappen. Ze waren de dochters van de titanes Mnemosyneen van de oppergod Zeus. Ze waren volgelingen van Apollo en hadden hun verblijfplaatsen in de buurt van het Parnassos- en Helikongebergte. Orpheus was een buitengewoon begaafd dichter en musicus. Van Apollo zelf had hij een lier gekregen, waaruit hij hemelse muziek toverde en waarmee hij zijn gezangenbegeleidde. Hij bracht mensen en dieren en zelfs de planten, kortom de hele natuur, in vervoering door zijn kunst. Ook de goden kon hij ontroeren. Orpheus is vooral bekend door zijn dramatisch liefdesverhaal met Eurydike, een Najade ofte waternimf. Orpheus aanbad Eurydike. De liefde was grenzeloos. Op het huwelijksfeest deed zich echter een tragisch incident voor. Argeloos wandelde Eurydike blootsvoets door het jonge gras, toen zij plots in de voet gebeten werd door een giftigeslang, een adder. Op haar geroep kwam Orpheus aangerend. Net op tijd om zijn geliefde in zijn armen te zien sterven… Onuitsprekelijk was zijn verdriet. Bloedstollende klaagliederen bracht hij ten gehore, en allen luisterden mee ende hele natuur werd in diepe rouw gedompeld. De gedachteom verder te moeten leven zonder zijn beminde was ondraaglijk. Toen nam hij zich voor iets te ondernemen wat nog nooit iemand vóór hem had gedaan: haar terughalen uit het dodenrijk. Op zijn tocht daarheen speelde hij zo aandoenlijk op zijn lier, dat niemand hem iets in de weg durfde leggen. Ook Charon niet, de veerman, die de doden over de dodenrivier naar de onderwereld bracht en anders nooit levenden overzette. Zelfs Kerberos de hond met de drie koppen, die de hellepoort bewaakte, werd vertederd door Orpheus’ gezang en bood geen weerstand. En ook de schimmen van de doden werden ontroerd en ze kwamen in dichte drommennaderbij en luisterden, ademloos. Tot bij de troon van Hades en Persephone drong Orpheus door. Ook het godenpaar van de onderwereld raakte in de ban van zijn gezang. Op aandringen vanzijn gade liet Hades zich overhalen om Eurydike te laten weerkeren naar de aarde. Eén voorwaarde werd gesteld: zij diende op haar tocht haar man te volgen en deze mocht in geen geval naar haar omzien vóór ze het rijk van de levenden zouden bereikt hebben. Zoniet, dan was Eurydike onverbiddelijk en voor altijd voor hem verloren. Lang was de terugweg die ze moesten gaan, langs donkere,soms smalle en steile paden. Orpheus liep voorop. Hij hoorde de voetstappen van zijn geliefde achter hem, hij hoorde haar ademhaling en voelde zelfs haar adem in zijn hals, en dat stelde hem gerust. Doch plots leken die geruststellende geluiden verdwenen. Volgde zij hem niet meer? De angst deed Orpheus de waarschuwing van Hades vergeten en… hij keek om. Eurydike volgde hem nog steeds op de voet. Nog voor even, want haar gestalte vervaagde en als een schim gleed ze van hem weg, weer in de richting van het dodenrijk. Ze stak nog evende hand naar hem uit en ze fluisterde: “vaarwel mijn liefste”. Radeloos rende Orpheus terug naar de hellepoort, maar de hellehond liet ditmaal zijn tanden zien en was onvermurwbaar. Zeven dagen lang bleef de gebroken man zitten op de oevers van de Styx, zonder eten of drinken. Hij richtte smekende gezangen tot de goden en uiteindelijk ook verwensingen aan hun adres. Alles tevergeefs. Daarna zwierf hij door verscheidene landen, het gezelschap van andere mensen mijdend, vooral van vrouwen. Nimmer meer stelde hij zijn hart open voor een andere liefde. Daarom werd hij gehaat door de nimfen en door de Maenaden. Jaren later was het dat hij de Argonauten vergezelde op hun tocht: door zijn muziek en zijn wijze raad heeft hij zeker bijgedragen tot het welslagen van de onderneming. Na de tocht trok hij zich terug in Thracië. Daar troffen de vrouwelijke volgelingen van Dionysos hem aan, zittend aan de oever van een rivier en tokkelend op zijn lier. De uitzinnige vrouwen wierpen zich op de gehate man en scheurden zijn lichaam in stukken vaneen. Zijn hoofd werd samen met de lier in de rivier geworpen. Het kwam zodoende in de zee terecht en het bereikte het eiland Lesbos, alwaar het werd begraven. Zijn ziel ging naar de Hades bij zijn geliefde Eurydike. Hun zielen waren nu voor immer verenigd.
Mijn nieuwste boek (Uit het schuim van de zee, 2011) behandelt de hele Griekse mythologie in 136 verhalen (408 pag.) en 18 originele tekeningen. Het is nu reeds aan zijn derde druk toe. Het boek is te bestellen via mail (kvansteenbrugge@gmail.com). Betaling na ontvangst (18,95 euro). Bij bestellingen vóór 1 mei dienen geen verzendkosten betaald te worden.