Bart Eeckhout (DM, zaterdag 29 oktober) denkt anders over WOKE dan Frank Furedi & vele anderen
Bart Eeckhout (DM, zaterdag 29 oktober) denkt anders over WOKE dan Frank Furedi
1.Bart Eeckhout: WOKE is een INGEBEELD PROBLEEM (in Waarom Bart De Wever de strijd tegen woke opvoert)
Dat De Wever een kritische omgang met het op vele punten toch erg onfrisse koloniale verleden wegzet als een poging om ons schuld aan te praten, is een vreemde hersenkronkel vanwege een politicus-historicus bij wie gemeenschapsvorming centraal staat. Maakt een precieze kijk op het kolonialisme dan geen deel uit van het gedeelde verleden dat ons verbindt?
... Sla er alle enquêtes maar op na: bezorgdheid over woke staat nergens in de lijstjes met kopzorgen en prioriteiten van burgers. Zorgen over het huishoudbudget, gezondheid, het klimaat of werk zijn zoveel urgenter.
Woke is in ruime mate een ingebeeld maatschappelijk probleem. De antiwokestrijder in Bart De Wever lijkt wel een donquichot die ten aanval trekt tegen woke-windmolens.
Toch zit er een plan achter die strategie. ...De nadruk op woke is een poging om kiezers die verweesd achterblijven, bijvoorbeeld ook door het eigen stikstof- of onderwijsbeleid, toch bij de les te houden. Dat lukt door een gemeenschappelijke, imaginaire vijand te scheppen, veeleer dan door het benoemen van een reëel probleem. Dat is geen vondst van de N-VA. In de VS werkt het net zo. Door voortdurend te waarschuwen voor een linkse cancelcultuur probeert de Republikeinse partij de focus weg te houden van nijpender sociaal-economische kwesties. Het is een poging om kiezers te mobiliseren door ze te bevestigen in hun angst voor het wegkwijnen van hun waarden en overtuigingen.
SUPERIORITEITSDENKEN
Ook Bart De Wever probeert die zogenaamde culturele verliezers aan zijn kant te krijgen door de woke-hetze aan te vuren. Vlaanderen is de VS niet. Of de strategie kan werken, hangt in ruime mate af van de linkse concurrentie.
Kansloos is De Wever niet, zo leert, opnieuw, de Leuvense kerstophef. De rel ging dan wel over weinig tot niets, in eerste instantie reageerden sommige progressieve stemmen dat het nu ook weer niet zo erg zou zijn als de kerstterminologie aangepast zou worden. Dat is exact de reactie die De Wever & co. willen uitlokken. Omdat ze bij veel mensen de indruk wekt dat er met hun culturele gevoeligheden geen rekening wordt gehouden. Het is de bevestiging van het verwijt van moreel superioriteitsdenken waartegen progressieven zich vaak moeten verweren.
Zo zou links zich toch naar het strijdveld laten lokken. Bijt niet in een aas dat wordt aangeboden door de vijand, waarschuwde de Chinese strateeg Sun n waar De Wever graag slag wil leveren. Bijt niet in een aas dat wordt aangeboden door de vijand, waarschuwde de Chinese strateeg Sun Tzu al in de zesde eeuw voor Christus. Want, zoals de Franse econoom Thomas Piketty nog eens herhaalde in zijn recente boek Een kleine geschiedenis van de gelijkheid, valt er voor progressieven weinig winst te halen uit de polarisatie die voortkomt uit het hevige debat over identiteit. waarschuwde de Chinese strateeg Sun Tzu al in de zesde eeuw voor Christus. Want, zoals de Franse econoom Thomas Piketty nog eens herhaalde in zijn recente boek Een kleine geschiedenis van de gelijkheid, valt er voor progressieven weinig winst te halen uit de polarisatie die voortkomt uit het hevige debat over identiteit.
2. Andere visie van Frank Furedi:WOKE is wel een ernstig probleem
Furedi: Een van de redenen waarom het moeilijk is om de dynamiek van de cultuuroorlog te vatten, is dat dit conflict zelden een expliciet en systematisch karakter krijgt. Talrijke studies beweren dat beweringen over de polarisatie van cultuur overdreven zijn en sommige gaan zelfs zo ver dat ze het bestaan ervan ontkennen.
Zgn. conservatieve veroordelingen van politieke correctheid zijn voortdurend beantwoord met boze ontkenning en de bewering dat dergelijke beschuldigingen de wanhopige poging van achterwaarts kijkende fundamentalisten vertegenwoordigen om hun vooroordelen te rechtvaardigen.
Vaak houden mediacommentatoren vol dat er niet zoiets bestaat als een crisis rond de vrijheid van meningsuiting of dat Cancel Culture een mythe is of dat de cultuuroorlog een uitvinding is van groepen bittere, onaangepaste blanke reactionairen die bang zijn voor het verlies van hun privilege.
Het belangrijkste uitgangspunt van cultuuroorlogontkenning is dat campagnes tegen wat het heteronormativiteit, witheid, trans-uitsluiting radicale feministen, culturele toe-eigening noemt, slechts uitdrukkingen zijn van een streven naar sociale rechtvaardigheid. Ze beweren dat hoewel ze zich gewelddadig richten op lang gevestigde culturele normen, ze geen cultuuroorlog uitvechten.
Onder de vlag van sociale rechtvaardigheid wordt hun kruistocht tegen de westerse cultuur gepromoot door woorden als inclusie en diversiteit. Daarentegen worden mensen die de waarden van hun gemeenschap willen behouden en zich verzetten tegen de poging van woke-campagnevoerders om controle over taal te krijgen, beschuldigd van het bewapenen van de Cultuuroorlog. Ze beweren dat als het niet voor Brexit of de verkiezing van Donald Trump was geweest, er geen reden zou zijn om over een Cultuuroorlog te praten.
Culture War denialism drukt het streven uit om de kruistocht tegen de historische normen en praktijken geassocieerd met verlichting en westerse cultuur te normaliseren en te legitimeren. Tegelijkertijd wil Culture War Denialism de poging om de normen en gebruiken van een verlichte moderne democratische samenleving te verdedigen framen als een gevaarlijke bedreiging voor het welzijn en de identiteit van de individuen en groepen die terecht proberen het omver te werpen.
Dag van de leraar, ook een dag m.i. van herwaardering van onze sterke Vlaamse onderwijstraditie - gebaseerd op de grote inzet en de kundigheid van onze Vlaamse leerkrachten.
Dag van de leraar, ook een dag van herwaardering van de sterke Vlaamse onderwijstraditie van weleer - gebaseerd op de grote inzet en de kundigheid van onze leerkrachten.
Ik besef steeds beter dat ook mijn generatie zowel in het lager als in het secundair onderwijs (1952-1964) heel degelijk onderwijs kreeg. Ik bladerde vorige week nog eens in het verslagboek van de kantonnale conferenties voor Brugse onderwijzers uit de periode 1935-1955 en stelde eens te meer vast dat Vlaanderen een sterke onderwijstraditie kent. Ook de toenmalige kantonnale Brugse inspecteur Delobel - ook auteur van een degelijke wiskundemethode Knap en klaar - was vrij onderlegd. (Tussendoor: het zou jammer zijn indien die verslagboeken verloren zouden gaan. Ik zoek naar een instantie die ervoor kan zorgen dat ze bewaard blijven. Idem voor handboeken als 'Knap en klaar' waaruit ook blijkt dat de leereisen destijds vrij hoog waren.)
Door dit degelijk onderwijs konden we destijds ook als arbeiderskinderen vlot doorstromen naar het aso en naar het hoger onderwijs - ook al beschikten we thuis niet over boeken, een eigen kamer, een TV e.d. en slechts over een living van 4 op 5 meter voor 10 personen. Er waren ook nog geen werkingtoelagen - pas toegekend in 1959 na de invoering van het schoolpact.
In 1958 kwam de democratisering van het onderwijs in een stroomversnelling. Vier arbeiderskinderen van mijn dorpsklas in Ardooie slaagden ook in 1958 als 12-jarigen voor een studiebeurs voor een moeilijk schriftelijk en mondeling examen voor het behalen van een studiebeurs. Als intern kreeg ik een stuieibeurs van 5.500 BFR, ongeveer het maandloon van een onderwijzer.
Veel leerlingen stapten in 1958 na het zesde leerjaar lager onderwijs over naar het collegeof de technische school zonder voorbereidend jaar - en zonder problemen.
Ook mijn eigen ouders kregen in de periode 1916-1924 al degelijk lager onderwijs. Ook die generatie kon vrij goed rekenen, lezen, spellen...
Zelf heb ik mijn publicaties over leren lezen, rekenen, spelling, expliciete instructie voor een groot deel gebaseerd op de ervaringswijsheid van leerkrachten uit verleden en heden, op die rijke onderwijstraditie, op afkijken dus. Tijdens mijn eerste stagebezoek in oktober 1971 op de lagere school van het Klein Seminarie Roeselare stelde ik tot mijn verwondering vast dat men er nog leerde lezen met het boekje 'Lustig Volkje'' van de Broeders Maristen van 1926. Zelf leerde ik er mee lezen in 1951-1952. Ik merkte dat de Roeselaarse leerlingen er al sterk gevorderd waren - met een 'directe' en fonetische methodiek zonder franjes - die haaks stond op de globale leesmethodiek die in die tijd nog gepropageerd werd, en die ook afstand nam van de globale aanpak in de startfase van de toen veelal gebruikte structuurmethodes. Het reformpedagogisch leerplan van 1936 à la Decroly propageerde de globale leesmethodiek, totaliteitsonderwijs, ook het meer aan bod laten komen van de moedertaal (veelal het diaclect) en relativeren van het belang het AN, maar de meeste ervaren leraren bewezen gelukkig lippendienst aan dit leerplan.
Ik stelde in de jaren 1970 al vlug vast dat de toen vigerende structuurmethodes als Veilig leren lezen helemaal niet veilig waren. En tal van leerkrachten bevestigden onze analyse van de knelpunten in de structuurmethodes. Ik dokterde grotendeels mijn eigen fonetische en directe systeemmethodiek - DSM- uit op basis van dergelijke stage-ervaringen, via studie van oude leesmethodes als Lustig Volkje, de degelijke methode van Prinsen van 1815! , mede op basis van modellessen van juf X op de Torhoutse meisjesschool, leeslessen van studenten die ik bijwoonde en hielp voorbereiden
Ik probeerde prof. Mommers van 'Veilig leren lezen' en andere auteurs van structuurmethodes ervan te overtuigen dat hun methodiek ver van veilig was, en dat de invoering ervan vanaf de jaren 1960 een stap achteruit i.p.v. vooruit was. Mommers schreef dat mijn kritiek misplaatst was, en pas in 2014 kregen we eindelijk een nieuwe versie van Veilig leren lezen die afstapte van de methodiek van Mommers en co en grotendeels gebaseerd was op onze DSM- en rekening hield met onze kritieken op de klassieke structuurmethode.
Idem voor mijn vakdidactische publicaties over wiskunde en mijn wiskunde-campagnes van 1982 en later; campagnes voor de herwaardering van onze sterke wiskunde-traditie en tegen enerzijds het extreem van de formalistische, 'hemelse' & abstracte Moderne Wiskunde, en later tegen het extreem van de constructivistische, contextuele en 'aardse' wiskunde à la Freudenthal Instituut. Dit was ook mijn opstelling bij het ontwerpen van het leerplan wiskunde lager onnderwijs van 1998, waar ik met succes 2 voorstanders van het constructivistisch en contextueel rekenen - prof. Lieven Verschaffel en Andre Vanderspiegel -leerplanvoorzitter s.o.- kon intomen.
In 1993-1995 slaagde ik er bij de opstelling van de eindtermen niet in om elementaire zaken als de regel van 3, de formules voor de berekening van omtrek, oppervlakte, inhoud ...in de eindtermen te krijgen. Vooral de Leuvense prof. Verschaffel en de Gentse prof. Schuyten lagen dwars. Ze pakten uit met doing-mathematics en zelf kennis construeren i.p.v. math-knowledge en respect voor wiskunde als culturele vakdiscipline.
George Steiner meesterlijk over meesterschap van de meester, wonder van kennisoverdracht, fysieke aanwezigheid van de leraar, ...
Dag
van de leraar 5 oktober: Het mysterie van het onderwijsgebeuren, het wonder van
de kennisoverdracht, het gelaat van de
meester. Centraal in het lesgeven staat
het orale karakter, de fysieke aanwezigheid en het gelaat van de leerkracht en
van de leerlingen en de emotiegeladen sfeer; lesuren zijn vooral contacturen. We lazen gisteren: De
onderwijskoepels willen tot de helft van de lesuren in het secundair digitaal
kunnen aanbieden. Ouders en vakbonden steigeren. Voor George Steiner was
lijfelijk contactonderwijs een voorwaarde voor echt onderwijs
Prof.
George Steiner over mysterie van het onderwijs en meesterschap van de meester
dat steeds zal en moet blijven
1.
Boek: Het oog van de meester
Alle
mensen zijn gelijk, maar wie iets wil leren heeft een meester nodig; tussen
meester en leerling zijn niet alleen kennis en ervaring, maar ook macht
ongelijk verdeeld. Dit is een basisopvatting van de Amerikaanse prof. George Steiner in het
boek 'Het oog van de meester' (De Bezige Bij, Amsterdam, 2004).
We
beperken ons hier tot het citeren van enkele
algemene uitspraken over de rol van de leraar en over de
onverwoestbaarheid van het leraarschap die we tussen de vele lijnen door
aantroffen.
Voor
Steiner blijft een leraar in de eerste plaats a wise on the stage; hij wordt
niet gedegradeerd tot a coach at the side
Centraal
in het lesgeven staat het orale karakter, de fysieke aanwezigheid en het gelaat
van de leerkracht en van de leerlingen en de emotiegeladen sfeer; lesuren zijn
vooral contacturen.
Het
oog van de meester is tussen de lijnen door een pleidooi tegen nivellering en
infantilisering in onderwijs en cultuur, een ode aan het leraarschap, een
schets van de essentiële kenmerken van het onderwijsberoep. Het is een les van
een bekende cultuurfilosoof en schrijver
die zich altijd als leerling is blijven voelen en die zelf bijna 50 jaar lang
graag les gaf.
2 Het wonder van de kennisoverdracht
Steiner
start zijn boek aldus: In een halve eeuw lesgeven in talloze landen en
aan talloze vormen van hoger onderwijs ben ik steeds onzekerder geworden over
de legitimering, over de onderliggende waarheden van deze 'professie'. Ik zet
dat woord tussen aanhalingstekens om aan te geven dat het complexe wortels
heeft in religieuze en ideologische
antecedenten. We zijn ondergedompeld in welhaast ontelbare vormen van
onderwijs lager, technisch, wetenschappelijk, humanistisch, moreel en
filosofisch dat we zelden even de tijd nemen om stil te staan bij het wonder
van overdracht, wat ik, in afwachting van een nauwkeurigere en relevantere
definitie, het mysterie van het onderwijsgebeuren zou willen noemen. Wat geeft
een man of vrouw de macht om een ander mens les te geven, waar ligt de bron van
het gezag? En hoe zullen degenen die les krijgen reageren? Dat is de vraag die
Augustinus kwelde en het is een gevoelig onderwerp geworden in het klimaat van deze tijd.
3 Leraar als verloskundige: openbaren en duiden
Goed onderwijs is duidend. Het toont.
Deze duiding, die Wittgenstein zo intrigeerde, is verankerd in de etymologie:
het Latijnse dicere dat tonen en pas later tonen door te zeggen betekent;
het Middel-Engelse token en techen (verwant aan het oud-Friese teken) met de
impliciete connotatie van dat wat toont. (Is lesgeven in wezen een
vertoning) In het Duits is Deuten, dat duiden betekent, niet los te zien van
bedeuten, beduiden.
De socratische leraar is die beroemde
verloskundige voor de zwangere geest, de wekker die ons uit onze verdoving
wakker schudt, uit wat Heidegger 'een vergeten van het Zijn' zou noemen. De
Meester veroorzaakt een zien dat in wezen een her-zien en déjà-vu is. Goed onderwijs leidt dan ook
tot creatieve slapeloosheid bij de leerling.
Authentiek
onderwijs wordt dan ook soms beschreven als een imitatie van een transcendente,
een goddelijke daad van openbaring. Onderwijs is in zekere zin een nabootsing
van een gewijd sjabloon en origineel van openbaring, dat zelf mondeling werd
overgeleverd. De leraar is niets meer, maar ook niets minder, dan een
luisteraar en boodschapper wiens bezielde en vervolgens geschoolde
ontvankelijkheid hem in staat stelt een geopenbaarde Logos te bevatten. .
De leraar is zich bewust van zijn grootsheid, van het
mysterie van zijn beroep, van wat hij in een onuitgesproken hippocratische eed
heeft beleden. Hij heeft een gelofte afgelegd, de gelofte om zijn kennis te
openbaren."
4 Geen utilitarisering en vervlakking
In
het oog van de meester zet Steiner zich ook af tegen de te sterke aantasting
van het Bildungsideaal waarbij kennis nu in de eerste plaats 'utilitair' moet
zijn. Hij schrijft hieromtrent: Gebrekkig onderwijs, pedagogische routine en een stijl van
lesgeven die, bewust of niet, cynisch is in zijn louter utilitaire doeleinden,
zijn rampzalig. Ze rukken hoop bij de wortels uit. Echt lesgeven betekent de
vinger leggen op het vitaalste in de mens en toegang zoeken tot de essentie en
de kern van de integriteit van een kind of volwassene. Een Meester dringt
binnen, breekt open; hij kan braakleggen om uit te wissen en op te
bouwen.
5 De
leraar als model
Naast
onderwijs als een soort openbaring, wordt ook vaak gesteld dat de enige
oprechte volmacht voor lesgeven, voor didactische autoriteit, het voorbeeld is.
De leraar demonstreert de leerling zijn eigen begrip van het materiaal, zijn
vaardigheid om het chemische experiment uit te voeren (het laboratorium
huisvest 'demonstratoren'), zijn vermogen om de vergelijking op het schoolbord
op te lossen, het gipsen model of het levende naakt in het atelier naar behoren
te tekenen. Onderwijzen in de vorm van model-leren is handelen en kan
stilzwijgend geschieden. Misschien moet dat ook. De hand leidt die van de
leerling over de pianotoetsen.
6
Gesproken woord & gelaat leraar, en dialoog met de leerling
6.1 Belang van gesproken woord en persoonlijk contact
Oraliteit,
het gesproken woord, is heel belangrijk binnen het onderwijs. Voorafgaand aan
het schrijven, tijdens de geschiedenis van het schrijven en als uitdaging
ervan, is het gesproken woord een integraal onderdeel van het lesgeven. De
Meester spreekt tegen de leerling. Van Plato tot Wittgenstein is het ideaal van
de geleefde waarheid er een van oraliteit, van rechtstreeks toespreken en
antwoorden. Voor veel eminente leraren en denkers is het vastleggen van hun
lessen in de zwijgende onbeweeglijkheid van een geschreven tekst een
onvermijdelijke vorm van falsificatie en verraad. Plato, pleit in Phaedrus en
de Zevende Brief voor oraliteit. Alleen het gesproken woord en een persoonlijk
contact kunnen waarheid uitlokken en, a fortiori, eerlijk onderwijs garanderen.
De zoektocht naar begrip huist in het levende woord, het directe contact, het
levende gelaat, waaraan ook Emmanuel Levinas het hermeneutische primaat heeft
gegeven.
6.2 Dialoog met de leerling en gelaat van de
meester
Het
gesproken woord houdt rekening met de vragen en tegenwerpingen van de
luisteraar (leerling); het geschreven woord luistert niet naar zijn lezer. Een
spreker kan zichzelf op elk punt corrigeren; hij kan zijn boodschap bijstellen.
Het boek, het geschreven woord legt een main morte op onze aandacht.
Interactieve,
onderbreekbare media als tekstverwerkers, of elektronische tekstvormen op het
internet en het web, kunnen leiden tot een zekere terugkeer naar oraliteit, tot
reactie van de leerling Maar elektronische belezenheid, met onbeperkte capaciteit
om informatie op te slaan en op te halen, met zijn databanken, werkt
tegelijkertijd het geheugen tegen. En het gezicht op het beeldscherm is nooit
het levende gelaat dat Plato of Levinas onontbeerlijk achten voor elke
vruchtbare ontmoeting tussen Meester en Leerling. Een prima leraar, maar hij
heeft niet gepubliceerd: dat is de clou van een macabere grap op Harvard over de reden
waarom Jezus van Nazareth geen kans had op een vaste aanstelling.
Het
is duidelijk dat de vaardigheden en handelingen van het onderwijs dialectisch
zijn. De Meester leert ook van de leerling en door deze interactie ontstaat
idealiter een uitwisselingsproces. Geven wordt wederzijds, net als in de
labyrinten van de liefde. Een leerling voelt wel op een bepaald moment dat hij
zijn Meester is ontgroeid, dat hij zijn Meester moet loslaten om zichzelf te
worden (Wittgenstein zal hem gebieden dit te doen.)
7 Geheugen en parate kennis
(Het
beklemtonen van belang van het gesproken
woord gaat volgens Steiner samen met de beklemtoning van het belang van het
geheugen.) "Het geheugen, dat de moeder van de Muzen is, is de menselijke
gave die al het leren mogelijk maakt. In de platonische visie zijn begrip en
toekomst een herdenken, een daad van herinneren die door de mondelinge
energie wordt opgewekt. Algemener uitgedrukt: dat wat we uit ons hoofd kennen
zal in ons rijpen en in actie komen. De herinnerde tekst beïnvloedt onze
ervaringen en wordt er dialectisch door beïnvloed. Hoe sterker de
geheugensporen zijn, hoe beter ons integrale zelf behoed wordt. Noch de censor,
noch de staatspolitie kan het uit het hoofd geleerde gedicht vernietigen. In
dit opzicht getuigt het uitvlakken van het geheugen in het huidige onderwijs
van ware domheid. Het bewustzijn gooit zijn vitale ballast overboord.
In deze context betreurt Steiner ook de
achteruitgang van het historisch geheugen, de afbraak van het
geschiedenisonderwijs. Hij is ook een pleitbezorger van het behoud van
klassieke inhouden zoals 'grammatica' die volgens hem een belangrijke vormende
waarde hebben.
8 Gezag, discipline & beïnvloeding
8.1 Gezag van leerkracht: ook cognitief gezag van leerkracht en
leerinhoud
Onderwijs
zou in zekere zin ook beschouwd kunnen worden als een openlijke of verborgen
oefening in machtsrelaties. De visie van Foucault inzake onderwijs en de
onderwerpende macht van de leraar is heel simplistisch (en verwerpelijk); toch
is ze niet helemaal irrelevant. De Meester beschikt inderdaad over een psychologische,
sociale en fysieke macht. Hij kan belonen en straffen, uitsluiten en
bevorderen. Zijn gezag is institutioneel of charismatisch of beide. Het wordt
geschraagd door beloften of bedreigingen. Kennis en praxis zelf, zoals ze door
een pedagogisch systeem, door de onderwijsinstrumenten worden gedefinieerd en overgebracht, zijn
vormen van macht. In die zin zijn zelfs de radicalere onderwijsmethoden
conservatief en beladen met ideologische maatstaven die stabiliteit
beogen.
8.2
Beïnvloeden en overtuigen; en belang van formele kennis
De
hartslag van het onderwijs is overtuigen. De
leraar vraagt aandacht, instemming en, in het beste geval, gezamenlijk
verschil van mening. Hij of zij nodigt
uit tot vertrouwen: 'liefde met liefde en vertrouwen met vertrouwen
uitwisselen', zoals Marx het idealistisch verwoordde in zijn manuscripten uit
1844. Overtuigen is zowel positief deel deze vaardigheid met mij, volg me in
deze kunst en praktijk, lees deze tekst' als negatief 'geloof dit niet,
verspil geen tijd en moeite aan dat'.
De dynamiek is steeds dezelfde: een
communiteit opbouwen via communicatie, een cohesie van gedeelde gevoelens, passies en
afwijzingen. Bij overtuigen, bij verlokken, hoe abstract of theoretisch ook
het bewijzen van een wiskundige stelling,
onderricht in muzikaal contrapunt is een proces van verleiding, bewust
of toevallig, onvermijdelijk. De Meester, de pedagoog spreekt het verstand, de
verbeelding, het zenuwstelsel, het innerlijk van zijn luisteraar aan. Wanneer
hij lesgeeft in sport of
muziekuitvoering spreekt hij het lichaam aan. Aanspreken en ontvangen,
het psychologische en het fysieke zijn absoluut onscheidbaar. Geest en lichaam
worden in hun geheel gemobiliseerd.
De huidige polemiek van tegenculturen en
new age, met hun voorgeschiedenis in de afkeer van boeken stigmatiseert zuiver
formele kennis en wetenschappelijk
onderzoek als strategieën van
exploitatie, van klassenoverheersing, van disciplinering: wie wat aan
wie leert met welke politieke doeleinden In deze voorstelling gaat het hier
echter enkel om 'onderwijzen als brute
macht', waar Eugène Ionesco de spot mee drijft in La Leçon, maar niet om de
kern van authentiek onderwijzen." (NvdR: Steiner bekritiseert hier visies
à la Bourdieu, de disciplineringstheorie
van Foucault ).
9 Passievol en waardengeladen
9.1
Onderwijs en passie
Een
charismatische Meester, een geïnspireerde prof, neemt de actieve geest van
zijn studenten of leerlingen in een fundamenteel 'totalitaire', psychosomatische
greep. Lesgeven en leren worden geïnspireerd door een soort seksualiteit van
de menselijke ziel. Deze seksualiteit erotiseert begrip en imitatio.
Een
werkcollege, een seminarie, een masterclass, en zelfs een gewone les of
college kunnen een sfeer creëren die verzadigd is van de roerselen van het
hart. De vertrouwelijkheden, de jaloerse gevoelens, de teleurstellingen zullen
overgaan in uitingen van liefde of haat, of in gecompliceerde mengvormen van
beide."
9.2 Emotiegeladen inhouden
Daarnaast
zijn er ook nog de emotiegeladen inhouden. In bijvoorbeeld de humaniora, de
letteren en de kunst zijn het materiaal dat onderwezen wordt, de muziek die
wordt geanalyseerd en geoefend, in se geladen met emoties. Deze emoties zullen
voor een belangrijk deel directe of indirecte raakvlakken hebben met het domein van de liefde. Ik
vermoed dat de verleiding in de exacte wetenschappen haar eigen eros gebruikt,
zij het op een moeilijker te
omschrijven wijze.
10. Meesterschap zal overleven
"De
behoefte om kennis en vaardigheden over te dragen, en het verlangen om die te
verwerven zijn contanten in het mens-zijn. Meesterschap en leerlingschap,
onderwijs geven en ontvangen moeten doorgaan zo lang maatschappijen bestaan.
Het leven dat we kennen zou niet zonder kunnen.
Er
zijn uiteraard op dit ogenblik belangrijke veranderingen gaande. (Steiner
analyseert vervolgens de impact van een aantal veranderingen. Door de invloed van de ICT komen er uiteraard
wijzigingen in het overbrengen van kennis. Maar het klassieke lesgeven zal
volgens hem blijven bestaan): "Het
charismatische aura van de geïnspireerde leraar, de romantiek van de
persona in de pedagogische handeling
zal zeker blijven bestaan; wel zullen de domeinen waarop het lesgeven van
toepassing zal zijn beperkter worden.
Steiner
betreurt de aantasting van het gezag van de meester, maar de meesters zullen
toch overleven. Hij schrijft hieromtrent: "Plus de Maîtres was een van de
kreten die op de muren van de Sorbonne prijkten in mei 1968. Ik zou het
tijdperk waarin we nu leven het tijdperk van de oneerbiedigheid willen noemen.
De oorzaken voor deze fundamentele transformatie liggen in de politieke
revolutie en sociale onrust en in de
scepsis die verplicht is in de exacte wetenschap. Bewondering, laat staan
achting, zijn uit de mode geraakt. We zijn verslaafd aan afgunst, laster, nivellering. Onze idolen
moeten lemen koppen tonen. Waar
wierook opstijgt, gaat die naar atleten, popsterren, geldwolven of
misdaadkoningen. Het soort beroemdheid dat langzamerhand ons mediabestaan
doordrenkt, is het tegengestelde van fama. Met miljoenen het shirtnummer van de
voetbalgod of het kapsel van de zanger dragen is het tegengestelde van
leerlingschap.
Op dezelfde manier grenst de huidige kijk op
de wijze man aan het belachelijke. Het
bewustzijn is populistisch en egalitair, of beweert dat te zijn. Elk manifest
dat zich tot een elite richt, tot die intellectuele aristocratie die voor Max
Weber vanzelfsprekend is, wordt bijna verboden door de democratisering van een
massaconsumptiesysteem (een
democratisering die ontegensprekelijk hoogstaande vormen van bevrijding,
eerlijkheid en hoop met zich meebrengt). Voor wie staan de studenten nog op?
Kunnen,
moeten de 'lessen van de Meesters', deze vloedgolf overleven? Ik geloof dat ze
het zullen doen. Ik geloof dat ze het moeten doen. Libido sciendi, een begeerte
naar kennis, een honger naar begrip is de beste mannen en vrouwen in het hart
gegrift. Net als de roeping van leraar. Er is geen hoogstaander beroep. In een
ander mens krachten, dromen die je eigen dromen te boven gaan opwekken; anderen
liefde inblazen voor dat wat je lief hebt; van jouw innerlijk heden hun
toekomst maken: dat is een drieledig avontuur als geen ander.
Het
is een onovertrefbare bevrediging om de dienaar, de boodschapper van iets
wezenlijks te zijn terwijl je heel goed weet hoe weinigen van hen begenadigde
scheppers of ontdekkers kunnen zijn.
Al
op het niveau van de basisonderwijs
betekent lesgeven, goed lesgeven, medeplichtig zijn aan transcendente
mogelijkheden. Als dat kind op de achterste rij wakker wordt geschud zal het misschien die
regels schrijven, die stelling bedenken die eeuwenlang de geest zal
bezighouden.
Geen mechanische
middelen, hoe snel ook, geen materialisme, hoe zegevierend ook, kan de dageraad
uitwissen die we beleven wanneer we een Meester hebben begrepen. Die vreugde
maakt je woedend om de verspilling. Is er geen tijd meer voor nog een
les?
Bijna 20 jaar geleden schreef ik de bijdrage: Meester mag volgens eindtermen en nieuwe leerplannen niet langer meester zijn
Bijna 20 jaar geleden
schreef ik deze waarschuwende bijdrage in Onderwijskrant
nummer 131; Meester moet vooral meester blijven, maar de meester mag volgens de filosofie van de nieuwe eindtermen/leerplannen
niet langer meester zijn.
Ik maak me grote
zorgen over de onderwijsvisie die de eindtermen en nieuwe leerplannen propageerden.
Al bij het verschijnen van de ontwerpeindtermen in mei 1993 en een
bijdrage van DVO-directeur Roger Standaert in Klasse van maart 1993 over de
nieuwe onderwijsvisie achter de eindtermen, waarschuwde ik in
Onderwijskrant voor de ontscholende
onderwijsvisie en het kennisrelativisme die gepropageerd werden door de DVO van Roger Standaert en co, in richtlijnen van leerplanverantwoordelijken
in 1994 over eenzijdig
vaardigheidsgericht taalonderwijs, enz. Naar
aanleiding van de recente DIROO-studiedag 'van
leraar naar coach?' besteed ik er nog eens een bijdrage aan.
1 Probleemstelling:
meester mag geen meester meer zijn
1.1 De meester mag geen meester meer zijn volgens
onderwijsvisie in eindtermen en nieuwe leerplannen
De bekende socioloog Niklas Luhmann stelde in 2002 dat de identiteit van de school en van de
leerkracht in het gedrang komt door de invloed van de onderwijskundige rages en
de aantasting van het meesterschap van de meester in het bijzonder. ('Das Erziehungssystem der Gesellschaft',
2002).
in de memorie van toelichting bij de eindtermen en basiscompetenties lazen we dat voortaan gekozen wordt voor een 'zelfgestuurd
leerproces, kennisconstructie door de leerlingen, geen overdracht van kennis en
normen' 'vertrekkend van de groeikracht van de leerlingen'. De leraar-coach
'begeleidt de 'leer- en ontwikkelingsprocessen', 'schept een adequate leeromgeving'.
De traditionele instructiefunctie en het bijbrengen van voldoende basiskennis
komen niet expliciet meer voor. Ook het Leuvens taalcentrum van de professoren
Jaspaert en Van den Branden propageerden in de jaren 1990 eenzijdig
vaardigheidsgericht en communicatief taalonderwijs.
In de meeste nieuwe leerplanen werd ook gekozen voor de constructivistische
en competentiegerichte aanpak, kennisrelativisme, eenzijdig vaardigheidsonderwijs,
ontdekkend leren Een leraar schreef
onlangs terecht dat hij zich ergerde aan de nieuwe leerplannen en aan een recent standpunt van de DPB-begeleidingsdienst
s.o. waarin gesuggereerd werd dat instructie totaal voorbijgestreefd is; met
een mooi schema erbij dat de evolutie van het oude naar het nieuwe leren
voorstelt en de vele zegeningen voor de leerlingen. Ook het examensysteem
krijgt veel kritiek. De meeste leerkrachten zien echter zichzelf nog steeds als 'meester' en slechts voor een beperkt deel
als coach. Ze krijgen aldus de boodschap dat ze conservatieve aanhangers zijn
van het verfoeide 'oude leren' dat zo desastreus is voor de leerlingen. Als medeopsteller van de eindtermen wiskunde
lager onderwijs en van het leerplan wiskunde merkte ik dat veel opstellers
kozen voor een constructivistische aanpak. Ik slaagde er nog in die invloed van het constructivisme te temperen bij de
opstelling van de eindtermen wiskunde lager onderwijs en bij de opstelling van het leerplan wiskunde
(katholiek) lager onderwijs slaagde ik daar nog meer in. Dit leerplan is
wellicht een enige dat weerstand bood aan het oprukkende constructivisme.
Nieuwe versus oude
leren
De slogan 'van leraar
naar coach' is al lang in de mode. Bij de karikatuurvoorstelling van de
leerkracht als docent het oude leren hoort dan het beeld van de leerling
die passief, receptief de over zijn hoofd uitgegoten (feiten)kennis
reproduceert, het beeld van de 'gehoorzame, onkritische leerder'. Het verlossend
alternatief het nieuwe leren is de zgn. 'leerdersturing' met de eraan
verbonden beelden van het 'zelfverantwoordelijk leren', 'de leerautonome
leerder' en 'leraar als coach of leeromgevingsarchitect' (cf. voorstelling in
'Begeleid zelfstandig leren', afl. 2, november 2002).
Leraars die al vele jaren enthousiast lesgeven en hun
gepensioneerde collega's, krijgen aldus de boodschap dat ze zich bijna
'misdadig' gedragen hebben. Zo zijn er scholen waar amper 1 à 2 uren per week
besteed worden aan 'begeleid zelfstandig leren' en waar verantwoordelijken toch
graag uitpakken met de slogan 'van leraar naar coach'..
1.2 Studiedag en
DIROO-cahier
Ook op de recente
DIROO-dialoogdag 'Is de leraar een coach?' (Gent, 25 september 2004)
stond deze thematiek centraal: blijft de leraar in de eerste plaats 'a wise on
the stage' of wordt hij vooral 'a coach at the side'. We stelden er vast dat de
meeste inleiders en deelnemers poneerden dat de leraar in de eindtemen en leerplannen te eenzijdig
voorgesteld wordt als een coach als een begeleider van het leerproces van de
leerlingen, en al te weinig als een 'meester' in de traditionele zin van het
woord. De DIROO-dialoog dag werd vooral een reflectie op het modieuze en
opdringerig gedachtegoed binnen de dominerende onderwijskunde en op de wijze
waarop de beleidsmakers, de DVO en de koepels van de hogescholen dit
gedachtegoed proberen op te leggen. Zo zijn er lerarenopleidingen die er prat
op gaan dat er maar een beperkt aantal contacturen meer zijn. In deze bijdrage
brengen we verslag van een aantal inleidingen en tussenkomsten van
discussianten en van een aantal standpunten in het DIROO-boek: Is de leraar een
coach?, DIROO-Academia nr. 5, Gent, Academia Press. Voor de uitspraken op de
dialoogdag beschikken we enkel over de eigen nota's; dit betekent dus dat we de
uitspraken her en der parafraseren.
2 Meesterschap van de
meester
Wim Van Rooy, schooldirecteur voorheen leraar en
beleidsadviseur, hield op de dialoogdag een opgemerkt pleidooi waarin hij
pleitte voor het behoud van de leraar als een echte leermeester en tegen de
degradatie tot coach. Van Rooy begon zijn verhaal met een verwijzing naar het
laatste boek van Georges Steiner over de leraar als 'leermeester'. Steiner zelf
betoogt dat hij al een halve eeuw lesgever is, maar dat hij steeds onzekerder
wordt over deze professie. Dit heeft ook veel te maken met het feit dat we
volgens Steiner 'het begin kwijt zijn'. Door het onderwijskundig gedram over
vernieuwing en cultuuromslagen er is maar weinig waardering meer voor het
historisch geheugen. Van Rooy vindt dat ook in Vlaanderen de leerkrachten
onzeker gemaakt worden omtrent de aard en essentie van het leraarschap. De
essentie van het leermeesterschap is nochtans al lang bekend:
*een goede leerkracht wekt vertrouwen, *hij kent zijn vak
heel goed, *hij is bezig zijn met zijn
discipline en is tegelijk erudiet (geen vakidioot), *hij is de leerlingen nabij
en gaat in dialoog met hen, *hij heeft
een open oog voor wat er zich rondom hem en in de maatschappij afspeelt.
Een leerling moet in zekere zin op de schouders van de
'grote geesten', de voorgangers, kunnen staan, ook al ruikt dit naar
humanistisch paternalisme. Zelfsturing à la studiehuis werkt dan ook niet. Veel
'moderne' onderwijskundigen zijn de pedalen kwijt en verkondigen ideeën die
totaal ingaan tegen het gezond verstand; ze vervallen in een economisch en
technocratisch jargon en aanbidden alles wat te maken heeft met nieuwheid,
cultuuromslagen, snelheid Voor klassieke pedagogische waarden als
cultuuroverdracht, nabijheid in de relatie met de leerling is er te weinig
aandacht en waardering. De kloof tussen theorie en praktijk is vrij groot binnen
de 'moderne' onderwijskunde.
3 Inleiding van prof. Danielle Deli
Prof. Deli is voorzitter van DIROO. We parafraseren haar
opgemerkte inleiding op de dialoogdag. "Ik geef naast de VUB ook les in
Nederland en ik vang daar ook een en ander op over de toestand van het
onderwijs in Nederland. De situatie in Vlaanderen is wel wat verschillend van
deze bij de noorderburen, maar we kunnen er vooral uit leren wat we niet moeten
doen, wat we niet moeten overnemen.
In Nederland heerst er momenteel een groot ongenoegen over het
onderwijs. In brede kringen wordt aangenomen dat de leerlingen minder vorming
en scholing krijgen dan tien jaar geleden, dat de kwaliteit en het niveau van
het onderwijs sterk aan het dalen zijn. Dit wordt in verband gebracht met de
gemeenschappelijke basisvorming voor 12 à 16 jarigen en met de 'moderne'
onderwijskundige trends zoals opkomst van de ontplooiingsfilosofie, de
ideologie van de zelfsturing en zelfontplooiing zoals prof. Duycker het
destijds uitdrukte. Opvallend is ook dat prominenten als ex-minister Adelmunt,
vakbondsleider Lodewijk de Wael, afstand deden van hun vroegere
verlossingsdrang.
De niveaudaling en veel onderwijsproblemen zijn mede een
gevolg van het hervormingsbeleid, van de schaalvergroting, decentralisatie en
de ermee gepaard gaande bureaucratisering die in Nederland nog een stuk
groter is dan in Vlaanderen. Dit alles leidde tevens tot een aantasting van de
professionele autonomie van de leerkracht. Een treffend voorbeeld is de wijze
waarop de adviserende pedagogische koepels op de hogescholen werkvormen en
uniforme regels opleggen. Tien jaar geleden hadden docenten zich dergelijke
regels en stroomlijning niet laten opleggen. Prof. Leo Prick stelde onlangs in
de NRC dat leerkrachten steeds meer in de rol van uitvoerders gedrongen werden
door de nieuwe managers en de vele educatieve coördinators. De
hogeschoolkoepels en de schoolleiders nieuwe stijl worden nu in veel gevallen
als een belemmering voor de autonomie en het welbevinden van de leerkrachten
aangezien. Gymnasia die er beter in slaagden een aantal traditionele waarden te
behouden, worden nu vaak als een soort toevluchtsoord voor gemotiveerde
leerkrachten beschouwd. Scholen die tegen de stroom opvaren en een aantal
traditionele waarden behielden kennen nu veel succes.
Wat kunnen we hieruit leren voor Vlaanderen?
De Vlaamse overheid inspireerde zich jammer genoeg de
voorbije 15 jaar op het Nederlandse ideeëngoed. Ook het modieuze
onderwijsjargon werd gekopieerd. In overheidsteksten wordt er b.v. voor gepleit
dat de leraar zich niet langer meer als leraar, maar vooral als coach zou
opstellen. 'Is de leraar een coach?' Dit is ook het thema van deze studiedag.
Opvallend is ook dat beleidsmensen uit Engeland nu veel
minder refereren naar Nederland, maar des te meer naar Vlaanderen. Ze hebben
gemerkt dat in Vlaanderen de output beter is, en dat er ook een beter klimaat
heerst, dat er minder agressie aanwezig is, dat er meer les gegeven wordt. Ook
veel Nederlanders spreken zich lovend uit over Vlaanderen. Volgens R. Slagt is
het Vlaamse onderwijs nog een stuk kleinschaliger dan het Nederlandse, er is
meer aandacht voor normen en waarden en het is minder individualistisch.
Directeur Van Loon van het St. Jan Berchmanscollege, een Nederlander van
afkomst, stelt dat er in Vlaanderen meer discipline is en meer sturing vanuit
de scholen en leerkrachten..
Prof. Deli vond studiedagen als deze van DIROO belangrijk,
omdat de Vlaamse beleidshervormers steeds meer de Nederlandse toer opgaan en we
nu geconfronteerd worden met dezelfde valkuilen als in Nederland. Zij riep de
deelnemers ook op tot 'burgerlijke ongehoorzaamheid' t.a.v. van tal van
'modieuze' verordeningen van de Vlaamse beleidsmensen.
4 Visie van Valeer Van Achter
Valeer Van Achter vraagt zich in zijn bijdrage af: "Als iemand van zichzelf beweert dat
hij als leraar in wezen een coach is, welke visie op de werkelijkheid drukt die
persoon dan uit?" Van Achter onderneemt een lange zoektocht om daarop
een antwoord te vinden; hij wil achterhalen vanuit welke onderwijskundige
achtergrond en vanuit welke instanties de hype rond 'de leraar is coach' is
ontstaan. Hij belandt vooreerst bij het ontstaan van de onderwijskunde in de
jaren zeventig die volgens hem al te vlug afstand heeft genomen van de
pedagogische benadering van het onderwijsgebeuren. Vervolgens analyseert hij de
'eenzijdige' benadering in het document 'Visie op onderwijs' van de VLOR. Hij
betreurt o.a. dat het leraarschap er gereduceerd wordt tot de maatschappelijke
functie van de leraar, waardoor de leraar meer een uitvoerder wordt. Vervolgens
formuleert hij kritiek op het boek 'Waar staat de leraar in onze samenleving'
van Antonia Aelterman, Nadine Engels, e.a. Hij schrijft o.a.: "De traditionele leraar verdwijnt dit
is de wens van de auteurs en er een komt een ander type leraar in de plaats,
overeenkomstig de maatschappelijke functies die aan de leraar van buitenaf
worden opgedrongen." Van Achter betreurt dat volgens de auteurs vooral
de politici de richting en finaliteit van het onderwijs moeten bepalen en dat
ze in het verlengde van deze uitspraak zo hoog oplopen met de decretale tekst
over de 'basiscompetenties'. Van Achter stelt ook kritische vragen bij de in
het boek en in het decreet basiscompetenties gehanteerde termen als
'emancipatie', 'kritische houding' die in hun algemeenheid gebruikt eerder
functioneren als ideologie.
Van Achter is niet gelukkig met de wijze waarop bepaalde
auteurs hoog oplopen met het decreet 'basiscompetenties' en met hun medewerking
bij de opstelling ervan. Hij is het niet eens met de uitspraak dat de
basiscompetenties uitgewerkt zijn 'vanuit een weloverwogen onderwijskundig
concept' en nog minder met de stelling dat de overheid ook de plicht heeft om
dergelijke visie op te leggen 😊 staatspedagogiek). De
opleidingen mogen wel nog een curriculum uitwerken, maar enkel 'vanuit het
opgelegde beroepsprofiel.
Van Achter schrijft verder dat de overheid voortdurend
aanvallen uitvoert op de leraar en voortaan wil dat de leraar nieuwe stijl
enkel nog 'begeleidt' en loyaal uitvoert wat extern opgelegde programma's en
het decreet 'basiscompetenties' van hem eisen. Het coach-zijn staat volgens Van
Achter symbool voor het einde van het echte leraarschap en van de professionele
autonomie. Verder moet het onderwijs volgens de overheid vooral leuk zijn voor
de leerlingen en krijgt de leraar aldus ook de nieuwe rol van 'animator'. Hij
vindt dat de rol van de leraar gereduceerd wordt tot de rol van coach en
animator.
Van Achter analyseert vervolgens de eenzijdige en
gevaarlijke onderwijsvisie in 'Accent op talent' waarin de vermarkting en het
nuttigheidsdenken centraal staan: het onderwijs moet klaar staan om mee te doen
aan de mededingingsideologie. Modieuze termen als 'talent', 'competentie' en
'ontwikkelend leren' worden zonder precieze begripsomschrijving gehanteerd als
toverformules. 'Directies worden managers en leraren verliezen hun identiteit
door de dwang coach te moeten spelen'. 'De commissie denkt dat moet gekozen
worden tussen leerstof centraal of het kind centraal, een voorbijgestreefd
dualisme.'
Van Achter wil terug naar het meer klassieke Bildungsideaal
waarin de interactie en dialoog met de leerlingen centraal staan (p. 6583). De
auteur komt tot de ondubbelzinnige conclusie dat de functie van de leraar in
essentie niet kan geformuleerd worden in termen van coachgedrag. Vooral het
terug ontdekken van de pedagogiek als een autonome en normatieve wetenschap is
volgens hem de sleutel van de oplossing. Hij formuleert ook een aantal
voorstellen voor de invulling van de lerarenopleiding vanuit een meer
pedagogische zienswijze.
5 H. Göbbels: Bildung
In het betoog van de Duitse professor Heiner Göbbels kwamen
analoge ideeën als deze van Van Achter, Van Rooy en Deli tot uiting. Hij stelde
vooreerst dat in Duitsland de PISA-shock, de slechte resultaten op de
PISA-studie, had geleid tot een zekere renaissance van de oude
'Bildungs-idealen, tot een herwaardering van de oude onderwijswaarden en van de
onderwijsfilosofie die Theodor Litt en Edward Spranger destijds propageerden.
De leraar is niet zomaar een coach; hij moet vooral de zinhorizon van het
denken en handelen van zijn leerlingen ontsluiten. Doet hij dat niet dan blijft
de zinhorizon naïef en onontsloten en zal het geweten niet gevormd kunnen
worden. Vanuit het Bildungsideal moet een leraar ook aan ethische vorming doen,
hij moet hulp bieden bij de vorming tot het kritisch overdenken van al het
aangebodene in het leven van jongeren. Göbbels verstaat Bildung als een
dialogaal-communicatief gebeuren: het gaat om een dialoog tussen twee
gelijkberechtigde partners en om machtsvrije communicatie waar het de meer
maatschappelijke discussie betreft.
6 Raf Debaene
Raf Debaene, docent-filosoof van de Arteveldehogeschool,
sloot zich als discussiant bij veel van de hiervoor geformuleerde ideeën aan.
We wisten al uit andere publicaties dat hij een tegenstander was van het
ontplooiingsmodel, het constructivisme, het beeld van de leraar als coach, enz.
Debaene bekritiseerde verder het postmodernistische gedachtegoed en het spook
van de onderwijskunde. Ook hij klaagde de eenzijdige opstelling en de druk
vanwege de centrale diensten van de hogescholen aan. Hij wees ook op de funeste
rol van de media en van bepaalde journalisten, o.a. ook ene (G. Tegenbos) die
via zijn betrokkenheid bij 'Accent op talent' zijn visie probeert te
verspreiden. Debaene plaatste verder kritische aantekeningen bij bepaalde
uitspraken van Göbbels. In het onderwijs gaat het volgens Debaene geenszins om
gelijkwaardige partners. Hij heeft derhalve moeite met de voorstelling van de
onderwijsrelatie als een machtsvrije dialoog. De relatie leerkracht/leerling is
z.i. in essentie een 'ongelijkwaardige' relatie.
7 Hans Van
Crombrugge
Prof. H. Van Crombrugge beklemtoonde dat er altijd al
controverses geweest zijn over de ideale vorm van opvoeding en onderwijs; ook
de voorstelling van de leraar als coach is niet nieuw. Van Crombrugge pleitte
voor een én-én-verhaal en voor het vermijden van eenzijdige pedagogische en
didactische stellingen. We vermijden het best eenzijdige uitdrukkingen als 'de
leerling centraal' of de 'leerkracht centraal'. We kunnen volgens hem overigens
evenzeer zeggen dat ook de 'zaak', de leerstof, de wereld, de disciplines
heel belangrijk zijn. Zo moet een kind zichzelf leren sturen, maar het moet
evenzeer ook geconditioneerd worden. De voorstelling van de leerling 'als
coach' is derhalve ook een eenzijdige voorstelling van de taak van een
leerkracht. De term 'coach' reduceert de leraarsopdracht ook al te zeer tot
iemand die 'effectief' is. Van Crombrugge heeft verder wat moeite met de wijze
waarop Valeer Van Achter z.i. een te scherp onderscheid maakt tussen
onderwijskunde en pedagogiek en vindt dat Van Achter en Göbbels te veel
schermen met het begrip 'Bildung' dat volgens Van Crombrugge minder eenduidig
is dan zij laten uitschijnen. Ook het begrip 'Bildung' kreeg z.i. destijds
verschillende invullingen. (NvdR: We zijn het in zekere mate met Van Crombrugge
eens, maar hij ontweek een beetje de discussie en de actualiteit. Hij erkende
te weinig dat binnen de huidige
onderwijskunde en vooral in universitaire milieus te veel eenzijdige en extreme
visies omtrent het leerproces verkondigd worden en dat de individuele
leerkracht te veel onder druk staat om deze modes te volgen.)
Bijlage 1: Niklas Luhmann: identiteit van onderwijs in
gedrang
Themas: verschil tussen (zelf)socialisatie/zelfsturing en
(interactieve) educatie/belang van (vak)disciplines als condensatie van kennis
en kunnen /school mag geen bedrijfsmatige organisatie worden
De onderwijsopvattingen van de Duitse socioloog Niklas
Luhmann in zijn postuum uitgegeven werk 'Das Erziehungssystem der Gesellschaft'
lijken vrij inspirerend voor het hedendaagse debat over de kern van opvoeding
en onderwijs en over modes als zelfsturing, leren leren, het afbouwen van
contacturen, de school als een bedrijfsmatige organisatie (Frankfurt am Mein,
Suhrkamp, 2002).
Niklas Luhmann definieert onderwijs (Erziehung) als een
specifieke vorm van communicatie die in een interactiesysteem gerealiseerd
wordt met het oog op het bemiddelen van een weten of een kunnen. De modieuze
onderwijskunde die het accent legt op 'zelfsturing van de leerling' maakt volgens
Luhmann vooreerst te weinig een onderscheid tussen educatie en socialisatie.
Socialisatie beschouwt Luhmann in essentie als 'zelfsocialisatie' als het
resultaat van een 'structural drift' die psychische systemen ertoe aanzet
bepaalde (handelings)structuren te selecteren waarmee ze in de maatschappij
terecht kunnen. Socialisatie kan daarom volstaan met het kopiëren van bestaande
handelingsmodellen. Begrippen als zelfsturing passen binnen het begrip
socialisatie. Educatie en onderwijs daarentegen zijn erop gericht zaken bij te
brengen die de opvoedeling/leerling niet kent of niet ziet, en dat is alleen
mogelijk via communicatie en interactie, via bemiddeling, in een relatie tussen
een bemiddelaar (leerkracht) en een bemiddelde (leerling).
In aansluiting met de systeemtheoretische beschrijving van
andere functiesystemen tracht Luhmann de typische aard van het educatiesysteem
te verbinden met een eigen educatie-medium (doel) en met een specifieke
pedagogische code, de binaire educatieve code bemiddelaar/niet-bemiddelaar. Het
medium en doel van het opvoedingssysteem is de sociale constructie van het
kind, of nog beter van de hele menselijke levensloop. De functie van het
Erziehungssystem bestaat erin nieuwe vormen van weten of kunnen aan te brengen
in dit medium (de levensloop), volgens de code bemiddelaar/niet-bemiddelaar.
Pas op basis van nieuwe vormen van weten/kunnen ontstaan voor een jongere
nieuwe mogelijkheden om de verdere levensloop richting te geven.
De code/voorwaarde bemiddelaar/niet-bemiddelaar drukt ook
uit dat de educatie zich uitsluitend inlaat met het aanbrengen van die vormen
van weten of kunnen die in het betreffende psychische systeem van de jongere
'induceerbaar' zijn, eventueel in aansluiting met vroeger geïnduceerde vormen
van kennen en kunnen. Een ander belangrijk kenmerk van het onderwijs zijn de
(vak)disciplines. Luhmann stelt: "In onderwijscontexten worden
schakelingen van opeenvolgend te induceren vormen van weten of kunnen
gecondenseerd in curricula, in (vak)disciplines." Vakdisciplines als
condensaties en ordeningen van weten en kunnen, vormen dus een essentieel
kenmerk van het onderwijs. Verder spreekt het voor zich dat de vormen van weten
die in en door de educatie worden bemiddeld steeds sociaal gevalideerd zijn.
Vanuit die visie analyseert Luhmann ook de problemen van het
huidige onderwijs. Hij stelt dat het Bildungsmodel, de klassieke interactie
leerling/leerling, in onbruik dreigt te geraken door een onophoudelijke stroom
van onderwijshervormingen. Als belangrijke oorzaak van het steeds minder
beklemtonen van de interactie, de (vak)disciplines stipt Luhmann vooral de
modieuze trends binnen de huidige onderwijskunde aan: 'zelfstandig leren',
'leraar als coach on the side', 'levenslang leren', 'leren leren',
Bij veel hervormingen komt ook de educatie op de tweede
plaats en gaat alle aandacht naar de school als (bedrijvige) organisatie. Dit
tast de identiteit van het onderwijs, de primaire functie aan. In tegenstelling
tot andere functiesystemen waarin de organisatie centraal staat, bestaat het
hart van het onderwijssysteem uit interactiepatronen. Educatie is vooral een
zaak van interactie, dat wil zeggen van communicatiesystemen waarin de
betrokken personen fysisch aanwezig (moeten) zijn. De 'organisatie' die
betrokken is bij het functiesysteem Erziehung, moet enkel instaan voor de
randvoorwaarden, waarbinnen die interactiesystemen plaatsvinden; ze mogen geen
doel op zich worden. Als de school een 'bedrijfsmatige' organisatie krijgt, dan
houdt dit een bedreiging in van haar educatieve opdracht.
Paul Dudal: HET BASISONDERWIJS IN VLAANDEREN/ In dalende lijn
HET BASISONDERWIJS IN VLAANDEREN/ In dalende lijn
Paul Dudal: ex-CLB-adviseur en auteur van tal van CLB-toetsen voor spelling, rekenen e.d.
We beleven een periode waarin politici en beleidsmensen van het onderwijs als kemphanen elkaar bestoken met bedenkingen over de teloorgang van de kwaliteit van ons onderwijs en over het tekort aan leerkrachten.
De gestage achteruitgang van de resultaten van ons basisonderwijs is geen nieuwe, maar een verder voortschrijdende tendens. Dat blijkt o.a. uit internationale peilingsonderzoeken.
Vanuit de hogere echelons van politiek en onderwijs wordt uiteraard druk overleg gepleegd op zoek naar oorzaken en geschermd met mogelijke oplossingen voor de toekomst.
Wij nemen hier de vrijheid om als modale burger een eigen mening te verwoorden over wat wij zien als een combinatie van factoren die mede verklarend zijn voor die voordurend dalende output van de leerresultaten in het lager onderwijs.
Wij hebben de evolutie in het basisonderwijs beroepshalve gedurende 50 jaar -als thans 76 jarige- actief gevolgd en meebeleefd. Wij hebben vanuit onze ervaring en ook uit gesprekken met collegas senioren een gefundeerde mening over wat in die loop van zovele jaren fout is gelopen.
Onze opsomming van de volgens ons meespelende factoren volgt geen logisch opgebouwde lijn, maar kan inspirerend zijn bij het zoeken naar adequate oplossingen.
1. Het niveau van de instromende leerkrachten is gedaald. Zeker wat betreft de kennis en cognitieve vaardigheden die bij hen worden verondersteld. Reeds meerdere jaren is kiezen voor het beroep van onderwijzer dikwijls een tweede of derde keuze, bijv. wanneer universitaire studies te moeilijk blijken. Dit probleem wordt terecht onderkend en men heeft voorstellen om hieraan te sleutelen. Het hedendaagse fenomeen dat instromers van buitenaf het lerarenkorps zullen aanvullen, is niet onmiddellijk een garantie op kwaliteitsverbetering.
2. In vergelijking met vroeger, krijgen leerkrachten in het basisonderwijs té veel opdrachten die los staan van hun eigenlijke kern- of onderwijstaak. Zij zijn tegenwoordig ook welzijnswerkers die moeten zorgen dat ieder kind niet wordt overbelast, zich prima en ongeremd voelt en zeker geen frustraties oploopt in het klas- en schoolgebeuren. Ook met de ouders moet een goed en luisterend contact worden opgebouwd en onderhouden. Vele ouders vinden het normaal om de leerkracht buiten de schooluren regelmatig te mailen of te telefoneren om uitgebreid te praten over bekommernissen i.v.m. hun kind. Deze extra sociale taken die op zich niet onbelangrijk zijn, zorgen bij de leerkrachten voor een meer dan normale surplusbelasting.
3. De mentaliteit en het gedragspatroon van lagere schoolkinderen zijn sterk veranderd.
De tijd dat een rustgevende klas- en schooldiscipline met duidelijke regels van wat wél en wat niet kan en mag, evident was, is sterk verwaterd. Kinderen worden aangemoedigd om mondig en assertief te zijn. Het zijn op zich goede eigenschappen, indien die in een gepaste mate en vorm aan bod komen. Ook hier zien we dat het veelal moeilijk is geworden om dit op de juiste wijze te kanaliseren en te doseren. De open vrijheid-blijheidsfeer heeft dikwijls de gezonde en rustbrengende disciplinesfeer té ver weggeduwd.
4. Een gekend, maar gevoelig en moeilijk te bespreken gegeven is, dat in de loop der jaren en in toenemende mate, kinderen met een allochtone achtergrond onze klassen bevolken.
In een aantal Vlaamse normeringsonderzoeken in scholen van de drie onderwijsnetten met gestandaardiseerde toetsen wiskunde en taal, hebben we zelf - Dudal: objectieve normeringsonderzoeken- kunnen vaststellen dat Vlaamse klassen met een ruime allochtone bezetting, gemiddeld lager scoren op die kennistoetsen dan klassen met geen of weinig allochtone kinderen. Deze feitelijke onderzoeksgegevens hebben geen relatie en staan los van elke vorm van racistisch denken.
Het is spijtig dat er politieke partijen zijn die deze belangrijke tendens minimaliseren en andere partijen die er integendeel garen bij spinnen.
De instroom van kinderen bij wie de thuistaal veelal geen Nederlands is, neemt toe en is een belangrijke oorzaak dat het gemiddelde kennispeil steeds verder daalt.
Dit fenomeen is voor bepaalde politieke partijen een moeilijk objectief besprekingspunt en wordt derhalve onvoldoende herkend en erkend als sterk medebepalende factor.
5. In onze basisscholen zijn er steeds meer leerlingen met een gediagnosticeeerde stoornis. We zijn intussen vertrouwd met etiketten zoals dyslexie, dyscalculie, dyspraxie, ADHD, autisme, aspergersyndroom, pesten, angstgevoelens, depressie bij kinderen, Gilles de la Tourette, oppositionele en antisociale gedragsstoornis, borderline, suïcidale neigingen Zelfs hoogbegaafdheid is tegenwoordig een gevoelig leerprobleem geworden.
Kinderen met één of een combinatie van dit soort diagnoses en etiketten, hebben uiteraard (?) recht op een specialistische, meer individuele aanpak en zorg. Dikwijls dus in een klassensetting met aparte onderwijsvoorzieningen of met tussenkomsten van gespecialiseerde of toegevoegde hulpverleners die afwijken van het gewone klassikale leergebeuren en dit soms storend doorkruisen.
Zo zien we een groeiende tendens om de aanpak van het leren steeds verdergaand te individualiseren. Alles zoveel mogelijk op maat gesneden en aangepast aan de leerevolutie van elk aparte leerling met zijn eigen noden en leer- en/of welzijns- behoeften.
Of: een steeds verdere teloorgang van de gedegen klassikale aanpak als basisbenadering en uitgangspunt voor het leren. De leraar als spilfiguur, die ruim de tijd krijgt om alles goed uit te leggen en in te oefenen met de groep.
6. Er is ook de gewijzigde rol van het clb. In vroegere pms-tijden -de jaren 1980 1990- werd door deze centra meer aandacht besteed aan de leerontwikkeling van alle leerlingen van klassengroepen. Wij geven als voorbeeld de manier van werken van het toenmalige pms van Torhout (waar ik als pmser werkzaam was in het basisonderwijs).
De leerlingen van al onze scholen werden door ons pms klassikaal getest in januari van het eerste leerjaar en op het einde van het tweede leerjaar met gestandaardiseerde en genormeerde toetsen wiskunde: getallenkennis, hoofdrekenen, vraagstukken en taal -dictee en hardop lezen. De resultaten van alle leerlingen werden besproken met de titularis, de directeur en de taakleraar. Er bestond toen een soort natuurlijk sterke pms-werkinvestering in het meten en in het volgen van de evolutie van de basiskennissen van alle leerlingen.
We refereren naar de pms-tijd van toen en zien dat de huidige clb-werkinvulling sterk afwijkt van het meten, van het nabij volgen en bespreken van de leerevolutie van alle leerlingen.
7. Soms worden er redenen bijgesleurd die mede verantwoordelijk zouden zijn voor de verdere daling in de resultaten.
Zo zou het moeilijk zijn om te leren als men met een lege brooddoos naar school komt.
En het aantal leerlingen per klas zou te hoog liggen om een goed rendement te halen.
De vraag is of lagere schoolkinderen dertig of veertig jaar geleden zoveel beter gevoed waren en met een meer gevulde maag naar school kwamen. Wat het aantal leerlingen betreft, heeft mijn echtgenote (77 jaar en vroeger onderwijzeres) nooit minder dan dertig leerlingen in haar derde leerjaar gehad. Dat zijn dus geen nieuwe bijkomende redenen voor de daling.
8. Uiteraard zijn er twee grote recente boosdoeners die door iedereen worden erkend als ordeverstoorders van het normale leergebeuren: het huidige tekort aan leerkrachten en de coronaperikelen met serieus schoolverlet voor vele leerlingen.
Niemand zal ontkennen dat dit de laatste jaren twee (mede)-oorzaken zijn van een algemeen verspreide leervertraging. Zij verklaren echter niet de reeds van vroeger gekende voortslepende daling van de leerprestaties.
BESLUIT
Als gepensioneerde onderwijsbetrokkene bekijken we het huidige schoolse gebeuren in het basisonderwijs en de steeds dalende leerresultaten. We constateren dat een aantal vroegere waarden, gebruiken en normen vervaagd of verdwenen zijn. Er zijn nieuwe evoluties zoals de groeiende instroom van kinderen met een allochtone achtergrond. We zien ook het overvloedige aanbod van al of niet terechte diagnoses van stoornissen die een normale leervoortgang bij die gelabelde kinderen zouden belemmeren. En zo behoort een gepersonaliseerde, dus sterk individuele aanpak steeds vaker tot het normale onderwijsgebeuren. Steeds verder weg van een gedegen klassikale aanpak als basisbenadering.
We houden het bij beschouwingen en onze interpretaties ervan, waarbij we bewust blijven dat een aantal ervan door de huidige onderwijsexperten als nostalgische mijmeringen zullen worden weggewuifd.
Maar we kijken uit naar de oplossingen die zij zullen voorstellen.
Over groot belang van gemeenschappelijke eindtermen/leerinhouden en over pleitbezorgers voor aso-isering s.o. die zelf problemen met ET en veel andere problemen - vooral voor tso/bso - veroorzaakten
Over groot belang van
gemeenschappelijke eindtermen/leerinhouden en over pleitbezorgers voor
aso-isering s.o. die zelf problemen met
ET en veel andere problemen - vooral
voor tso/bso - veroorzaakten
1 Pleitbezorgers
aso-isering s.o. . die ook belangrijkste
problemen met ET/leerinhouden veroorzaakte vooral voor tso/bso, wassen nu de handen in onschuld
De problemen &
chaos die de hervorming s.o. veroorzaken
zijn veel groter dan het probleem met de
ET voor de 2de en 3de graad.
De ET vormen vooral een probleem voor tso/bso - en zijn vooral het gevolg van ingevoerde
aso-isering . Die problemen met de nieuwe eindtermen en leerinhouden zijn zelfs groter
in de eerste graad dan in de tweede graad. Merkwaardig genoeg was er geen
protest tegen de gemeenschappelijke eindtermen eerste graad waarvan het tso/bso
nog meer de dupe is, en tegen de invoering van de vele nieuwe vakkenoverschrijdende doelen die
mede zorgden voor de overlading.( Dit is overigens ook het geval met de vele
zgn. persoonsgebonden leerdomeinen in
het ZILL-leerplan.)
Ik waarschuwde al vanaf
Rondetafelconferentie-2002 dat aso-isering s.o. tot chaos en vooral tot
problemen voor tso/bso zou leiden, ook voor de opstelling van gemeenschappelijke
ET/leerinhouden. Zelf stelden we met Onderwijskrant steeds dat er vanaf het
s.o. voldoende differentiatie moet zijn,
en dat men dan ook het best werkt
met gedifferentieerde eindtermen en gedifferentieerde leerplannen. Destijds
waren er overigens vanaf het eerste jaar s.o. voor wiskunde en dergelijke overigens
ook gedifferentieerde leerplannen; leerplan A voor sterke opties en leerplan B
voor zwakkere opties. Dus: vooral ook de
onderwijskoepels die aanstuurden op aso-isering zijn verantwoordelijk voor de
chaos en problemen met de eindtermen, maar wassen nu de handen in onschuld.
In het debat over de
nieuwe eindtermen in de commissie onderwijs wees ook Griet Mathieu, directeur koepel
provinciaal onderwijs, terecht op het
probleem van het te uitgebreid aantal eindtermen algemene vorming voor wiskunde, taalvakken, geschiedenis , en van
de invoering van een tweede vreemde taal voor tso/bso-richtingen - ten koste
van de specifieke technologische en technische vormingscomponenten. Ook volgens
haar was dit vooral het gevolg van de nefaste
hervorming/aso-isering van het s.o., en waren dus vooral de voorstanders van de hervorming
verantwoordelijk voor gevolgen voor tso/bso - ook inzake de problemen met de gemeenschappelijke
eindtermen.
De toevoeging van een grote hoeveelheid
vakkenoverschrijdende doelstellingen leidde eveneens tot overlading. We waarschuwden ook
tijdig voor het formuleren van ET in het keurslijf van de BLOOM-terminologie,
dat leidde tot een al te omvangrijke formulering. Jammer genoeg luisterde ook
minister Crevits niet naar die bezwaren en liep ze vooral hoog op met de nieuwe
vakkenoverschrijdende eindtermen.
Lieven Boeven, Het
Grondwettelijk Hof ... vergissen zich m.i. inzake de
doelstellingen en het belang van voldoende gemeenschappelijke eindtermen voor alle scholen en leerlingen.
Die gemeenschappelijke ET/leerinhouden zijn heel belangrijk:
(1) ze moeten garanderen dat alle
leerlingen volwaardige &
gelijke ontwikkelingskansen krijgen;
(2)
ze moeten voldoende steun bieden
bij opstelling leerplannen;
3) ze moeten
zorgen voor de overeenstemming tussen
de leerplannen van de verschillende
onderwijsnetten die ook nodig is voor de vele leerlingen die van klas, school of schoolnet veranderen;
(4) de gemeenschappelijke ET moeten ook voldoende uitgebreid zijn om om
gemeenschappelijk. methodes te kunnen
opstellen!!! Zelf stel ik overigens al lang voor om gemeenschappelijke
leerplannen voor wiskunde e.d op te stellen.
Tegen de eindtermen
van de jaren negentig en hun
tendentieuze 'uitgangspunten'(memorie van toelichting) die in tegenstelling met
de nieuwe eindtermen nog een vrij tendentieuze pedagogische aanpak oplegden
(kennisrelativisme, constructivisme, eenzijdig vaardigheidsonderwijs...),
en die mede leidden tot de
niveaudaling, werd merkwaardig genoeg
niet geprotesteerd door de onderwijskoepels. De grote onderwijskoepels
ontkenden zelfs in september 2018 nog dat er sprake was van niveaudaling. De
huidige eindtermen s.o. leggen gelukkig geen pedagogische aanpak meer op. Maar
vooral als gevolg van de aso-isering van
het s.o. waarop de onderwijskoepels zelf aanstuurden vallen ze vooral te zwaar
en nadelig uit voor het tso/bso.
Vroegere pleitbezorgers
van invoering van de brede/meer algemene eerste graad, een aso-isering van het
secundair onderwijs ten koste van tso/bso,
draaien nu dus de rollen om. Zo stellen Boeve en co nu : Er is met de
nieuwe eindtermen te weinig ruimte om
nog aan specifieke vorming enberoepskwalificaties
te werken in de arbeidsmarktgerichte opleidingen
en de dubbele finaliteit.
Lieven Boeve & Paul Yperman van de koepel katholiek
onderwijs, een aantal Leuvense pedagogen betreuren nu dat hun de aso-isering van het
s.o. afbreuk doet aan de
specificiteit van het tso/bso.
In
Onderwijskrant waarschuwen we al sinds de Rondetafelconferentie van 2002 voor
dergelijke gevolgen van de aso-isering van het s.o. voor het tso/ bso. We
protesteerden ook tijdig tegen de invoering
van gemeenschappelijke leerplannen voor wiskunde e.d. in 2009 in de eerste graad, en dit om
dezelfde reden. Boeve en co hebben het
over problemen voor de tweede en derde
graad, maar de problemen in de eerste graad voor het tso/bso zijn nog groter. Ook de toevoeging van een groot
aantal nieuwe vakkenoverschrijdende
eindtermen voor financiële geletterdheid,
burgerschapsvorming e.d. leidden mede
tot een te groot aantal gemeenschappelijke
eindtermen; maar ook Boeve, minister Crevits en co drongen
hier op aan.
Paul Yperman, hoofd
van de Jezuïetencolleges, en een van de
vurige architecten van het hervormingsplan
s.o , geeft nu in een interview in de krant De
Standaard van 14 juni j.l.2021 wel toe dat de hervorming een flop werd; maar acht zich geenszins mede
verantwoordelijk voor de gevolgen. Meer leerlingen in het aso, dat is op zich geen goede zaak,
aldus Yperman, die tegelijk ook mekkert
over het feit dat de eindtermen niet passend
zijn voor het tso/bso. Dat het tso
leerlingen verliest en ook te veel lesuren
technische vorming is mede zijn schuld. Hij was adviseur van het verbond van het katholiek
secundair onderwijs, was ook lid van de commissie Monard die in 2009
een hervormingsplan publiceerde, en
adviseur van minister Pascal Smet (2009-2014)
die vanaf 2010 hervormingsplannen lanceerde. Hij is dus mede verantwoordelijk voor de
aso-isering, voor het feit dat men te
weinig rekening hield met de specificiteit
van tso/bso.
Lieven Boeve, Chris
Smits en Paul Yperman zijn mede
verantwoordelijk voor de aso-isering en b.v.
ook voor hun gemeenschappelijke leerplannen vanaf 2009 die ook
te weinig rekening hielden met specificiteit
en capaciteiten van veel tso/bso-leerlingen.
Ze voelen zich niet schuldig, maar wijzen nu met de vinger naar minister Weyts en de politici die
de eindtermen 2de en 3de graad goedkeurden.
In Onderwijskrant nr.
178 van juli 2016 waarschuwden
we voor de zoveelste keer voor het feit dat de
structuurhervorming s.o., een aso-isering, tot de degradatie en amputatie van tso/bso en tot
demotivatie
van 12 - à 14-jarige tso/bso-leerlingen. We
schreven o.a.: Het Masterplan hervorming s.o. had de mond vol van opwaardering van technisch on[derwijs
en voorspelde meer leerlingen voor tso/ bso. Maar de brede eerste graad zal
een kwalitatieve en kwantitatieve aantasting van het tso/bso betekenen. Leerlingen uit tso/bso zullen de
dupe worden van de aso-isering, van de
reductie van de technische en beroepsgerichte
component in de eerste graad, en hogerop
ook van de voorspelbare reductie van die
component in de 2de en 3de graad ten
gunste van de zgn. algemene vorming. Leerlingen die
techniek lusten, maar absoluut niet gediend zijn met een extra remedieerpakket
wiskunde, Frans , zullen dus in de
eerste graad met meer theorie dan
voorheen geconfronteerd worden tijdens de
5 keuze-uren in het eerste en in het tweede jaar. Het schrappen van huidige specifieke en
gevarieerde technische opties in de eerste graad zal leiden tot meer schoolmoeheid en demotivatie bij
leerlingen
die traditioneel voor een specifieke technische optie kozen
vanaf eerste graad. Het zal ook leiden
tot een verlies van leerlingen voor tso/bsoscholen - vooral
ook van sterkere leerlingen. Die egalitaire
en tegelijk egaliserende keuze kwam ook al
tot uiting in de gemeenschappelijke leerplannen
die bv. de katholieke onderwijskoepel al vanaf 2009 opdrongen voor alle opties in eerste graad:
te gemakkelijk
voor veel leerlingen.
Het zijn dus ook de
kopstukken van de twee grote netten die
de structuurhervorming stimuleerden die mede
verantwoordelijk zijn voor de nefaste gevolgen. De problemen van de hervorming
voor het tso/bso en ook met de nieuwe eindtermen zijn een gevolg van de egaliserende hervorming. Vanaf
het secundair onderwijs is voldoende
differentiatie nodig ook voor de
leerplannen en eindtermen.
Ook de VLOR steunde
de radicale structuurhervormingsplannen s.o.
4 Minimale eindtermen
= geen aandacht voor belangrijke
functies ET & verzet te[1]gen
hoger leggen van de lat
Negatie van belangrijke functies van ET door Boeve, Grondwettelijk hof ...
Volgens Lieven Boeve zouden de eindtermen in principe maar 50% van de leerinhouden
mogen vastleggen; de rest kan dan
ingevuld worden vanuit het specifiek
opvoedingsproject van de onderwijskoepel en van elke
school. Boeve en co besteden geen aandacht aan tal van belangrijke functies van
de eindtermen en zijn het hoger leggen
van de lat niet genegen.
Kim Bellens en prof. Bieke De Fraine schreven in Wat telt'§Acco 2012): Door het geven van een
(te) grote autonomie inzake leerinhouden aan de ondewijsverstrekkers kan het
garanderen van een minimale kwaliteit voor elke leerling problematisch
zijn. Alle Vlaamse leerlingen hebben
recht op kwaliteitvol onderwijs, en ons inziens is het dan ook de taak van de overheid om dit te waarborgen.
Ook volgens ons en vele anderen waren er voor de meeste
vakken meer en duidelijkere/concretere eindtermen nodig dan in de vorige
eindtermen, en moest de lat hoger gelegd worden.
De school is een instelling met een maatschappelijke
opdracht. De gemeenschappelijke eindtermen voor alle scholen legitimeren
tegelijk het maatschappelijk, intellectueel en moreel gezag van de scholen en
leerkrachten. Boeve maakt zich momenteel
ook zorgen over de nieuwe eindtermen basisonderwijs
die momenteel in de maak zijn. Zo vreest
hij vermoedelijk dat leerstofpunten als b.v. lijdend en meewerkend voorwerp
terug opgenomen zullen moeten worden en
dat dus ook de ZILL-leerplannen bijgewerkt zullen moeten worden. Boeve heeft zich
ook lange tijd verzet tegen het invoeren van centrale toetsen. Mensen die
tot voor kort de niveaudaling ontkenden,
verzetten zich nu ook tegen het hoger leggen van de lat.
Specifiek wiskundeonderwijs voor elk onderwijsnet: katholieke, GO!- wiskunde?
Een belangrijke stelling van b.v. de koepel van het katholiek onderwijs luidt dat de
eindtermen beperkt moeten zijn, omdat de
leraren in hun lessen wiskunde,
economie, fysica, Nederlands, Frans ... rekening
moeten kunnen houden met het specifiek pedagogisch
project van hun onderwijskoepel/ school.
In veel landen- en ook in de sterkste PISA-landen, werkt men echter met landelijke, centrale
leerplannen voor de meeste vakken. En dat leidt daar niet tot oeverloze discussies omtrent de autonomie
van de school en grondwettelijke
vrijheid van het onder[wijs. In het leerplan
wiskunde van het lager (katholiek) onderwijs
van 1998 legden we bijna 100% van de
leerinhouden vast. Iedereen was best tevreden:
de leerkrachten, uitgevers van methodes,
inspecteurs, de kopstukken van de koepel van het basisonderwijs, Jan Saveyn en co.
Ik twitterde in die context: zijn er wel leerkrachten/methodes
die voor wiskunde e.d. inhoudelijk rekening houden met specifieke
opvoedingsprojecten? Ik ken ze alvast
niet. In mijn eigen publicaties
over wiskunde, lezen, . en bij het
opstellen van het leerplan wiskunde hield
ik in geen geval rekening met
opvoedingsprojecten, met katholieke wiskunde,
GO!-wiskunde, Jezuïetenwiskunde of iets dergelijks.
Mijn twitter-stelling Ik ken alvast geen
leerkrachten die voor wiskunde e.d.
inhoudelijk rekening houden met het specifiek katholiek
opvoedingsproject, werd enthousiast door
velen onderschreven: door b.v. de
professoren Joost Lowyck, Wouter Duyck &
Wim Van den Broeck; en door o.a.: Ann Brusseel, Walter Roggemans, Jan Dupain, Arno Lehouck ,
Jo Eyselbergs, José Coolsaet, Jac
Cuypers, Walter Dobbelare, Jan Napmeel,
Tony Lambrecht, René De Cock, @jaccuy,
Yu San, e.a.
Uit een SLO-studie bleek dat leraren in Nederland sterk leunen op de wiskundemethode die ze gebruiken
- en die zijn niet onderwijsnetgebonden. Zo'n 95% geeft aan dat de gehanteerde
methode de be[1]langrijkste bron is
voor hun onderwijs. In Vlaanderen is dit eveneens het geval. Vakken als
wiskunde e.d. hebben dus weinig te maken met specifiek pedagogische project van
de scholen/schoolnetten; en de opstellers van methodes houden hier ook geen
rekening mee. Zelf stel ik overigens al 50 jaar voor om samen met mensen uit
andere onderwijs[1]netten leerplannen
voor de profane vakken, voor wiskunde e.d. op te stellen. Merkwaardig is nu wel
dat ook GO!-kopstukken steeds meer expliciet uit[1]pakken
met specifieke GO!-wiskunde e.d.
5 Bevoogders van leraren beschuldigen nu Weyts & co van
aantasting pedagogische vrijheid
5.1. Onderwijskoepels legden methodische aanpak op = aantasting
pedag. autonomie
Het regeerakkoord wil naar eigen zeggen leerkrachten meer
eigenaar maken van hun job. Dat betekent
ook dat scholen en leerkrachten voortaan
vrijheid krijgen inzake de pedagogische aanpak. Zo zullen de nieuwe eindtermen en de
inspectiecriteria geen pedagogische
aanpak meer opleggen. Veelal wordt in
landen met centrale leerplannen als Singapore
wel geen methodische aanpak opgelegd. Dit
was in onze eindtermen en leerplannen van eind
de jaren negentig wel het geval. Met Onderwijskrant hebben we dan ook steeds gesteld dat dit een
aantasting betekende van de pedagogische/didactische autonomie van de
leraren/scholen. We contesteerden het feit dat bijna alle leerplannen een
pedagogische aanpak opdrongen, b.v. constructivistische aanpak, eenzijdig taalvaardigheidsonderwijs,
... Dit is overigens ook het probleem
met de recente ZILLleerplanoperatie en
met de GO!-poolstervisie die beide
aansturen op een pedagogische perspectiefwisseling.
Merkwaardig genoeg beschouwen Lieven Boeve
en co dit alles blijkbaar niet als
strijdig met de pedagogische vrijheid. Ze trokken nu omwille van minder belangrijke zaken naar het Grondwettelijk
Hof, voor zaken waarvoor ze als
mede-opstellers van de nieuwe eindtermen ook medeverantwoordelijk zijn.
Van de velen die momenteel sympathiseren
met de klacht bij het Grondwettelijk
Hof, kregen we de voorbije 30 jaar geen steun
voor onze kritiek op het aantasten van
de pedagogische vrijheid, ook niet vanwege
de Leuvense pedagogen en van de Leuvense Kurt Willems, docent onderwijsrecht
die nu de klacht van Boeve en co over
het teveel aan eindtermen ten volle
steunt.
Het leerplan wiskunde lager onderwijs-1998 dat ik mede opstelde, is wellicht het enige dat geen
methodische aanpak oplegde, en geenszins pleitte voor een eenzijdige constructivistische
aanpak als de leerling construeert zelf
zijn wiskundekennis, doing mathematics
is belangrijker dan knowing, enz. Als
gevolg van onze O-ZON-campagne-2007 schrapte
de koepel van het katholiek onderwijs al
vlug de fameuze 60/40%-regel, de verhouding taalvaardigheid/taalkennis
en de regel dat kennis enkel in de
context van vaardigheidsopdrachten getoetst[1]mocht
worden. We protesteerden ook tegen het opleggen
van het constructivisme in het leerplan wiskunde
eerste graad s.o. (1997-2009), enz.
In veel reacties op het nieuwe beleid merkwaardig genoeg de beschuldiging
van pedagogische bemoeizucht,
staatspedagogiek een van de centrale stokpaardjes is, de stok waarmee men het
nieuwe bewind te lijf gaat. De rollen worden omgekeerd, verantwoordelijken voor
de ontscholingsdruk en
beperking van de pedagogische autonomie
van de leraren, beschuldigen nu minister Weyts en hun
critici van pedagogische bemoeizucht. Minister Weyts
repliceerde terecht dat b.v. de nieuwe
eindtermen enkel uitspraken doen over de
leerinhouden, het wat; en dit in tegenstelling met de eindtermen en leerplannen van weleer die wel
een pedagogische aanpak opdrongen.
De regeerakkoord-belofte het meesterschap van de meester te herstellen, werd door de
ontscholers als een pijnlijke kritiek
ervaren. Socioloog Orhan Agirdag bezwoorde
leerkrachten in zijn sombere 1 september-boodschap 2019: Vergeet de regeerakkoord-leuze dat de
leraar straks opnieuw aan belang zal winnen. Die keuzevrijheid wordt
volledig uitgehold door de pedagogische
vrijheid van onderwijzers aan banden te
leggen (zie vervolg van zijn vurig
betoog op pag. 21).
Bevoogders draaien
rollen om en beschuldigen Weyts en co van bemoeizucht/staatspedagogie
Kopstukken van onderwijskoepels als Lieven Boeve & Paul Yperman, universitaire
onderwijsexperts, ex-DVO-directeur Roger
Standaert, die de voorbije decennia
leerkrachten hun ontscholingsdruk oplegden, hun pedagogische autonomie aantastten,
geen rekening hielden met de visie van de
leerkrachten, beschuldigen nu minister Weyts & andere herscholers van het fnuiken van de
autonomie & professionaliteit van leerkrachten en scholen.
Zo bestempelen ze de nieuwe eindtermen en het invoeren van centrale toetsen als
staatspedagogie, primaat van de politiek
De bevoogders draaien nu de rollen om: ze presenteren
zich nu als de grote behoeders van de pedagogische vrijheid en de professionaliteit
van de leerkrachten, en zwaaien met de
grondwettelijke vrijheid van het onderwijs,
een principe dat ze eigenzinnig interpreteren.
De koepel van het katholiek beperkte in sterke mate de vrijheid van de scholen & leerkrachten
door het opleggen van eenzijdige/controversiële
methodische aanpakken als constructivisme & eenzijdig vaardigheidsonderwijs.
Volgens de koepel moest b.v. op het aandeel van de taalkennis beperkt worden en
mocht taalkennis enkel geëvalueerd worden in de context van de evaluatie van de
vaardigheden (60/40%-regel). De koepel hield ook geen rekening met het feit dat
ook uit enquêtes bleek dat de overgrote meerderheid van
de praktijkmensen de hervorming van het s.o.,
het M-decreet e.d niet genegen waren. Ook in de
recente ZILL-leerplan en ZILL-onderwijsvisie wordt meer dan ooit een pedagogische aanpak opgelegd,
een vrij eenzijdige en controversiële zelfs
(zie Onderwijskrant nr. 176).
Boeve en co lamenteren nu over een gebrek aan inspraak en
autonomie van de leraren, over het te grote aantal eindtermen en over
centralisatie. Maar de koepel legde in de vorige en huidige leerplannen niet
enkel nog meer leerinhouden op, en tegelijk ook een pedagogische aanpak.
De koepelkopstukken Lieven Boeve en Chris Smits zorgden zelf
ook voor de centralisering van hun onderwijsnet en de beperking van de reële
inspraak van de scholen. Zo werden ook de aparte verbonden voor het basisonderwijs
e.d. gewoon - en zonder inspraak - afgeschaft. Barbara Moens gewaagde in De Tijd van
21 maart 2017 van een centraliserende machtsgreep vanwege de koepelkopstukken en van
spreekangst bij de directeurs en leerkrachten: De hervorming
van de schoolbesturen maakt deel uit van een grotere machtsstrijd in het katholieke
onderwijsnet. Hoe minder schoolbesturen, hoe eenvoudiger het voor de koepel is
om marsorders te geven. De angst om uit de biecht te klappen is een rode draad
in mijn gesprekken met directeurs over de schaalvergroting, ook al zit de frustratie
diep.De directeurs wilden enkel anoniemgetuigen. Nu beschuldigen Boeve en de
onderwijskoepel minister Weyts
van centralistische politiek en gebrek aan inspraak.
In functie van de hiërarchisering werden ook de afzonderlijke
verbonden van basisonderwijs e.d. afgeschaft. Bij de invoering
van het VSO in 1971 bood het autonome
verbond van het katholiek technisch onderwijs
nog de nodige weerstand, maar ook dit verbond
werd afgeschaft. Zon verbond zou o.i. ook
bij de huidige hervorming van het s.o. dwarsgelegen hebben en de
aso-isering bestreden hebben. Boeve en co wassen nu de eigen bevoogdingshanden
in onschuld en lamenteren over de pedagogische bemoeizucht van Weyts en het
Vlaams Parlement die vooral ook in de nieuwe eindtermen en de invoering van centrale proeven tot uiting zou
komen
Ook op Rondetafelconferntie-2002 werden fundamenten van onze sterke Vlaamse onderwijstraditie als de grote knelpunten voorgesteld en werd gepleit voor sterke mate van ontscholing, kennisrelativisme, constructivisme en leerlinggestuurd onderwijs, enz.
Ook op Rondetafelconferntie-2002 werden fundamenten van onze
sterke Vlaamse onderwijstraditie als grote knelpunten voorgesteld en werd
gepleit voor sterke mate van ontscholing, kennisrelativisme, constructivisme en
leerlinggestuurd onderwijs, enz.
Niemand verantwoordelijk voor de niveaudaling en ontscholingsdruk?
De grote ontscholingsdruk, relativering van de kennisoverdracht en het klassieke leren, kwam overduidelijk tot uiting
op de grote Rondetafelconferentie Leerplichtonderwijs van 2002 op vraag van
minister Marleen Vanderpoorten. In de nota
Knelpunten inzake kwaliteitsvol
onderwijs voor allen werden precies
de sterke kanten van onze Vlaamse onderwijstraditie als de grote knelpunten voorgesteld.
Een basistelling luidde: Ons onderwijs moet de klassieke
didactische modellen verlaten; het moet meer gebruik maken van het
constructivisme en het gangbare jaarklassensysteem moet doorbroken worden. Het leerproces is teveel reproductief, het
richt zich niet op leergierigheid, zelfstandig leren, hedendaagse informatieverwerking.
Het hele rigide systeem van kennisoverdracht, die kennis memoriseren
(denk aan de fameuze halve dagen vrij in een examenperiode) en die kennis dan
reproduceren is niet meer van deze tijd. Er moet meer gewerkt worden aan attitudes,
sociale vaardigheden en vakoverschrijdende eindtermen. Dit alles vergt ook een mentaliteitswijziging weg van het
grote belang dat nog steeds gehecht blijft aan zuivere kennis, in de richting
van toegepaste kennis. Het voorstel van het LOSO-rapport waarin het aso-2de
graad gepleit wordt voor een algemeen
onderwijs waarin aandacht besteed wordt aan het theoretische én aan het praktische. De leerinhouden zijn jammer genoeg puur
vastgelegd vanuit vakdoelen; ze zijn niet gerelateerd aan het verwerven van
basiscompetenties (sleutelcompetenties).
Belangrijke actiepunten zijn: -het toepassen van de belangrijke
inzichten van het constructivisme; -de leerkracht als begeleider i.p.v.
leraar, -taakgericht onderwijs i.p.v. structuur van vakdisciplines en directe
instructie, -doorbreken van het jaarklassensysteem, -leerlingen participeren
in het bepalen van de leerinhouden en werkvormen; - veel zelfstandig werk, -
werken vanuit basiscompetenties . Hier is een rol weggelegd voor een vernieuwde
lerarenopleiding in het aanvaarden en het gebruik van nieuwe inzichten vanuit
het constructivisme.
De kwaliteit van de interactie tussen leerkracht en
leerlingen is onvoldoende. De leerlingen verlaten de school met onvoldoende
ondernemingszin. Veel leerlingen behalen het eindproduct niet. De klasorganisatie
biedt onvoldoende ruimte voor onderwijs op maar van elke kind. De schoolcultuur staat vaak haaks
op de leefwereld van de jongeren -interesses, smaken, stijlen.
Er is ook een grote kloof tussen de onderwijsvormen in het s.o.. Het
watervalsysteem moet afgebouwd worden. Hiertoe moeten de klassieke
onderwijsvormen aso-tso-bso afgebouwd worden. De overheid moet de
gemeenschappelijkheid van de eerste graad s.o. vermeerderen en tegelijk de
polyvalenteie van de 2de graad s.o. vermeerderen.
De Vlaamse leerlingen
scoren minder goed op productieve, creatieve taken m.i.v. probleemoplossend
leren. ( Commentaar: Voor PISA-2000 behaalden Vlaamse 15-jarigen een wereldtopscore,
de beste Europese, op die test staat probleemoplossend leren centraal. In VRIND
2001 lazen we op pag. 182 e.v.: Ook
inzake leesvaardigheid moet Vlaanderen enkel Finland en Canada voorlaten. Onze
Vlaamse 15-jarigen scoren ook op de reflectieschaal (lezen) significant hoger
dan hun collegas in Duitsland, Luxemburg, Frankrijk, Franse Gemeenschap )
Nog een conclusie van de Rondetafelconferentie: Het onderwijs probeert steeds opnieuw kinderen uit de lagere sociale milieus in te passen in een selectief systeem . Men geeft die kinderen wat extra aandacht en middelen, maar zonder de maatschappelijke grondvesten van het onderwijs in vraag te stellen. Op die Rondetafelconferentie werd dus ook al volop gepleit voor de structuurhervorming van het s.o.
32 jaar universitaire lerarenopleiding onderwijzers en regenten in Frankrijk: vernietigende balans
32 jaar universitaire lerarenopleiding onderwijzers en regenten in Frankrijk: vernietigende balans
In 1989 werd in Frankrijk de opleiding voor onderwijzers en regenten universitair, en dus ook 5 i.p.v. 3 jaar. De balans van 32 jaar universitaire lerarenopleiding in Frankrijk (IUFM) is vrij negatief.
Vooraf: Dirk Van Damme -OESO- in interview in De Standard 1 september 2018: Vraag DS: Door meer masters voor de klas te zetten, hoopt Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits ook het niveau omhoog te krijgen. Goed idee? Dirk van Damme : Ik ben daar niet enthousiast over. Leiden de universiteiten dan zoveel betere leraren op? Dat kan je niet zeggen.
In 1990-1991 stelden topambtenaar Georges Monard en universitaire lerarenopleiders de IUFM voor als model voor Vlaanderen. En Guy Tegenbos schreef in de krant De Standaard op 1 september 1991 dat de Vlaamse opleidingen voor onderwijzers en regenten al 25 jaar universitair moesten geweest zijn. Zelf hebben we dit steeds betwist en hardnekkig bestreden. We stelden o.a. dat dit tot een vervreemding van de klaspraktijk zou leiden en uiteindelijk ook tot een forse niveaudaling.
Na 32 jaar universitaire lerarenopleiding in Frankrijk blijkt dit meer dan terecht.
We voorspelden in 1990 dus dat de academisering van de Franse lerarenopleidingen contraproductief zou zijn. Maar topambtenaren als Georges Monard en Jan Adé en de universitaire lerarenopleiders en prof. JanVan Damme verwachtten er alle heil van. We merkten de voorbije jaren en maanden dat tal van universitaire lerarenopleiders e.a. nog steeds pleiten voor een masteropleiding voor onderwijzers en regenten en daar heel veel heil van verwachten.
Frankrijk behaalde destijds hoge leerresultaten, maar de voorbije jaren scoorden de Franse leerlingen in landenvergelijkende studies PIRLS, TIMSS en PISA opvallend zwak, veel lager dan de Vlaamse leerlingen. Zo hebben de Franse 15-jarigen een jaar leerachterstand op de Vlaamse leerlingen. In 1995 behaalden de Franse leerlingen met een klassieke normaalschooloplieding voor onderwijzers en regenten nog een Europese topscore voor TIMSS-wiskunde-10-jarigen en 14-jarigen net als de Vlaamse leerlingen. Met de universitair opgeleide behaalden ze 20 jaar later dramatisch lage TIMSS-scores: amper 488 punten voor 10-jarigen, 58 punten minder dan Vlaanderen. Frankrijk behaalde ook een lage PISA-2015-score van 493 - bijna een jaar leerachterstand in vergelijking met Vlaanderen (521 punten). Ook in vorige edities van PISA was dat al het geval.
Na 32 jaar universitaire opleiding van onderwijzers en regenten in Frankrijk beluisterden we de voorbije jaren enorm veel kritiek; er kwamen ook tal van hervormingen en hervormingsplannen. De belangrijkste kritiek slaat op de praktijkvreemdheid en het niet-geïntegreerd karakter van de universitaire opleidingen. De opleidingen zijn vooral in handen van academici die te veraf staan van de praktijk, vooral met de theoretische opleiding bezig zijn en te veel uitpakken met allerhande nieuwlichterij.
Kritiek van prof. Nathalie Bulle
Volgens de bekende professor-sociologie Nathalie Bulle is de niveaudaling in Frankrijk voor een groot deel te wijten aan de universitaire lerarenopleidingen. Ze schrijft: De huidige school werd/ wordt op tal van wijzen en al lange tijd gehinderd en uitgehold bij haar specifieke opdracht, de cultuuroverdracht; door de egalitaire & cultuurmarxistische ideologie van Bourdieu en Co, het ermee verbonden kennisrelativisme én het pedagogisch progressivisme o.a. de sterke propaganda voor de Freinet-aanpak. De promotors van deze nefaste onderwijsideeën bekleedden geprivilegieerde posities binnen instanties die beslissend waren/zijn inzake onderwijsmateries: de universitaire lerarenopleidingen, de universitaire en pedagogische centra, topambtenaren Een groot aantal van die promotors konden als professor onderwijskunde/sociologie hun onderwijsvisie breed verspreiden via de lerarenopleidingen die in Frankrijk in 1989 universitair werden. Het waren ook die mensen die de officiële opdrachten kregen voor het schrijven van rapporten over het onderwijs, die het woord kregen op hoorzittingen e.d.
Erasmus-studenten van onze lerarenopleiding die gedurende een aantal maanden les volgden in een Frans IUFM kwamen achteraf terug thuis met vrij theoretische cursussen over pédagogie differentiée à la Philippe Meirieu, over de onderwijssociologische theorie over de sociale discriminatie in het onderwijs à la Pierre Bourdieu, over de alternatieve aanpak van Célestin Freinet, de disciplineringstheorie van Michel Foucault, over competentiegericht en ervaringsgericht leren... Het gaat vaak om visies die verantwoordelijk geacht worden voor de achteruitgang van het onderwijsniveau in Frankrijk en elders.
Er is in de Franse universitaire lerarenopleidingen ook een nefaste kunstmatige opsplitsing tussen de professoren die de theorie doceren en de verantwoordelijken voor de praktijkopleiding wat tot grote spanningen leidt. Een praktijkgerichte lerarenopleiding heeft docenten nodig die zowel betrokken zijn bij de theorie als bij de praktijk. We voegen er nog aan toe dat Vlaamse lerarenopleiders ook steeds sterk betrokken waren/zijn bij het opstellen van leerplannen en van (leer-)methodes voor het lager en secundair onderwijs, die uiterst belangrijk zijn voor de praktijkmensen. Docenten kunnen hierbij een beroep doen op hun praktijkkennis en tegelijk kunnen ze ook hun eigen deskundigheid testen aan de praktijk en deze verder uitbouwen.
De Academische lerarenopleidingen bevorderen bolgens prof. Bulle een studentgerichte aanpak die vaak progressief of constructivistisch wordt genoemd. In plaats van traditionele schoolinhoud te onderwijzen, is deze aanpak gericht op het voldoen aan de behoeften van de student. Het onderwijs kan er bijvoorbeeld op gericht zijn om ervoor te zorgen dat elke student in staat is om met zijn leeftijdsgenoten om te gaan, dat ze gevoelig zijn voor verschillende culturen, dat ze kritisch denkvermogen tonen en dat ze zich inzetten voor de bevordering van sociale rechtvaardigheid (egalitaire onderwijsideologie à la Bourdieu)
Deze progressieve benadering is ook constructivistisch omdat de voorstanders ervan geloven dat studenten noodzakelijkerwijs hun eigen kennis moeten opbouwen. Deze constructie zou vanzelf gebeuren als de leraar erin zou slagen om de interesse van de studenten te vangen met behulp van rijke en gevarieerde taken.
Wanneer een leraar gebruik maakt van dit type instructie, leggen ze weinig nadruk op inhoud, basisvaardigheden en het verbeteren van de resultaten van studenten. Evenmin hoeven groepsonderwijs, herhaling en praktijk, herzieningen, leerplandoelstellingen en onderwijsvolgorde-elementen te worden benadrukt. Inderdaad, deze elementen worden beschouwd als traditioneel, passief, rigide en routinematig. Sommige theoretici wijzen er zelfs op dat het gewoon ronduit slecht is voor een leraar om zich zorgen te maken over de beheersing van de inhoud van zijn studenten met betrekking tot een schoolvak.
Bijlage Ineffectieve lerarenopleiding
De onderstaande tekst is een bewerking van pagina's 109 tot 114 van het boek van Mireille Castonguay en Clermont Gauthier,
Lerarenopleiding Een aanwinst of obstakel voor academisch succes? (Les Presses de l'Université Laval, 4e kwartaal 2012, 143 blz.)
Er is een afgrond tussen enerzijds de onderwijsdoelstellingen van ouders, leerkrachten en leerlingen en anderzijds die van lerarenopleiders. De eersten willen inderdaad lessen waarin studenten kennis en vaardigheden leren, terwijl de laatsten de verwachtingen van het publiek als verouderd en onjuist beschouwen.
Integendeel, lerarenopleiders willen lessen waarin prioriteiten een positieve houding ten opzichte van leren en activiteiten zijn die "leren leren" aanmoedigen. Volgens deze visie is leren lezen, schrijven en tellen secundair; het belangrijkste is dat het kind zijn of haar klaservaring bevredigend vindt. De scholing van een kind is succesvol als het kind wordt blootgesteld aan de juiste houding door de leraar, zelfs als hij of zij slecht succesvol is in prestatiemetingen in lezen, wiskunde, geschiedenis en wetenschap. Omdat ze worden opgeleid door voorstanders van deze aanpak, krijgen toekomstige leraren in lerarenopleidingen vaak zwakke en ineffectieve training met betrekking tot het academische succes van studenten.
Met andere woorden, er zijn twee verschillende onderwijsvisies, elk met een ander geloof in het fundamentele doel van school. Aan de ene kant stelt een visie dat het belangrijkste wat onze scholen doen is om het succes van leerlingen op school te garanderen, dat leerligen de vaardigheden en kennis leren die ze nodig hebben om te slagen in het leven. Met dit in gedachten scoren leerlingen op effectieve scholen hoog op gestandaardiseerde examens. Deze visie wordt over het algemeen gesteund door het publiek.
Daarnaast richt een andere visie op onderwijscultuur zich vooral op andere dan academische doelstellingen. Voorstanders van deze benadering zijn van mening dat een reeks doelen die geen verband houden met schoolvakken (waaronder diversiteit, zelfrespect, kritisch denken en sociale rechtvaardigheid) als leerdoelen moeten prevaleren. De meeste actoren die betrokken zijn bij de opleiding van leraren zijn het eens met deze visie. Ze beschouwen academisch succes niet als het belangrijkste doel van scholing.
Deze twee manieren van kijken hebben echter een directe en gevoelige invloed op leraren en hun opleiding. Het gaat in feite om twee verschillende pedagogische benaderingen. Aan de ene kant streven degenen die prioriteit geven aan academisch leren ernaar om bij studenten vaardigheden te ontwikkelen op het gebied van lezen, wiskunde, geschiedenis en wetenschap. Ze geloven dat er een bepaalde hoeveelheid kennis en vaardigheden is die alle studenten tijdens hun opleiding moeten leren. In die zin behaalt een leraar succes als zijn studenten deze bagage verwerven.
Daarom zal een lerarenopleidingsinstituut effectief zijn in die zin dat het toekomstige leraren voorbereidt die in staat zullen zijn om in hun studenten de beoogde kennis te ontwikkelen. De leerkracht staat dus centraal in het onderwijsproces. Hij kent en houdt van zijn onderwerp, hij erkent dat zijn studenten herhaling en oefeningen nodig hebben om de inhoud onder de knie te krijgen. Het streeft naar hoge normen en richt zich in de eerste plaats op de academische vooruitgang van zijn leerlingen
.
Aan de andere kant bevorderen degenen die niet-academisch leren bevorderen een studentgerichte benadering die vaak wordt beschreven als progressief of constructivistisch. In plaats van traditionele schoolinhoud te onderwijzen, is deze aanpak gericht op het voldoen aan de behoeften van de leerleing Lesgeven kan er bijvoorbeeld op gericht zijn ervoor te zorgen dat elke leerling in staat is om een overeenstemming te bereiken met zijn leeftijdsgenoten, cultureel gevoelig is, kritisch denkvermogen vertoont en zich inzet voor het bevorderen van sociale rechtvaardigheid.
Deze progressieve benadering is ook constructivistisch omdat de voorstanders ervan geloven dat leerlingen noodzakelijkerwijs hun eigen kennis moeten opbouwen. Deze constructie zou vanzelf gebeuren als de leraar erin zou slagen om de interesse van de studenten te wekken met behulp van rijke en gevarieerde taken. Wanneer een leraar gebruik maakt van dit type instructie, leggen ze weinig nadruk op inhoud, basisvaardigheden en het verbeteren van de resultaten van studenten. Evenmin hoeven groepsonderwijs, herhaling en praktijk, herzieningen, leerplandoelstellingen en onderwijsvolgorde-elementen te worden beklemtoond. Inderdaad, deze elementen worden beschouwd als "traditioneel", passief, rigide en routinematig. Sommige theoretici wijzen er zelfs op dat het gewoon ronduit slecht is voor een leraar om zich zorgen te maken over de beheersing van de inhoud van zijn leerlingen met betrekking tot een schoolvak.
Wat zegt het onderzoek over deze twee visies, deze twee benaderingen van lesgeven? Empirisch bewijs geeft ondubbelzinnig aan dat leraargestuurde benaderingen aanzienlijk effectiever zijn in het helpen van studenten om academische doelen te bereiken in vergelijking met studentgerichte. Daarom, hoewel erg populair in instellingen voor lerarenopleidingen, bedreigen deze kindgerichte/leerlinggstuurde benaderingen leerlingen als het doel van scholing academisch succes is. De kern van het probleem ligt precies op dit niveau, namelijk de doelstelling van scholing.
Over het algemeen zien de meeste burgers de bevordering van academisch succes als de belangrijkste rol van leraren.
Lerarenopleidingen hebben daarentegen een sterke oriëntatie op constructivistische benaderingen, die zich voornamelijk richten op leren op andere gebieden dan academisch, zoals zelfrespect of openheid voor culturele diversiteit. De toepassing van deze benaderingen door lerarenopleidingsinstituten leidt ertoe dat ze verstrikt raken in ineffectieve onderwijsretoriek die geen ander doel dient dan het vergroten van het zelfrespect van opleiders.
Universitaire lerarenopleiders zien zichzelf inderdaad niet graag als louter "technici" die toekomstige leraren de concrete vaardigheden bieden die ze aan het einde van hun opleiding moeten bezitten. Academische lerarenopleiders geven er de voorkeur aan om onderwijsfilosofieën, soms esoterisch, en hun veronderstelde rol in opwaartse mobiliteit te bespreken in plaats van zich zorgen te maken over de beste manieren om toekomstige leraren de kennis en vaardigheden te leren die nodig zijn om het academische leren van hun studenten te bevorderen. Daarom is er ernstige twijfel of opleidingsinstituten het best mogelijke werk doen om toekomstige leraren op te leiden.
Lerarenopleidingen moeten daarom de nadruk leggen waar het moet liggen: leraren voorbereiden die hun leerlingen kunnen helpen leren. I
Concluderend kan worden gesteld dat de doeltreffendheid van de lerarenopleiding hangt af van de doelstellingen van het onderwijs. Als we geloven dat vakinhoudelijk leren de overhand moet krijgen en dat scholen het academische succes van studenten in lezen, schrijven, wiskunde, geschiedenis en wetenschap moeten maximaliseren, dan is het duidelijk dat lerarenopleidingen geen goed werk leveren. Deze laatste bereiden toekomstige leraren niet voor om hun studenten te helpen leren.
In de lerarenopleiding worden studenten overspoeld met informatie over leerlinggerichte/leerlinggestuurde theorieën, terwijl expliciete en gestructureerde onderwijsbenaderingen weinig of geen training krijgen. Deze onderdompeling in constructivistische theorieën leidt ertoe dat toekomstige leraren deze ineffectieve onderwijstheorieën overnemen. Ze geloven uiteindelijk ook dat het hoofddoel van de school moet zijn om sociale problemen op te lossen. Integendeel, de meeste burgers geloven dat het doel van het onderwijssysteem het schoolsucces van leerlingen moet zijn.
Kennisrelativisme, ontscholing, pedagogisch progressivisme en gelijkheidsdenken als oorzaken van de aantasting van de kwaliteit van het onderwijs vanaf het VSO van 1970 tot op vandaag
Kennisrelativisme, ontscholing,
pedagogisch progressivisme en
gelijkheidsdenken als oorzaken van de aantasting van de kwaliteit van het
onderwijs -al vanaf het VSO van 1970
1 Kennisrelativisme
en gelijkheidsdenken à la Pierre
Bourdieu
We staan even stil bij twee van de belangrijkste oorzaken
van het in verdrukking komen van de leeropdracht van de school.
De ministeriële brochure over het Vernieuwd Secundair Onderwijs van 1971 kondigde al de
beeldenstormerij, de neomanie & ontscholingsdruk van de voorbije decennia aan; ze baadde in de
geest van het einde van de jaren 1960. Naast pleidooien voor de invoering van een gemeenschappelijke eerste graad in
naam van de gelijke kansen en met een beroep op de egalitaire onderwijsvisie van
de socioloog Pierre Bourdieu, lazen we een pleidooi voor ontscholing en
kennisrelativisme: Het verwerven van kennis is niet langer het hoofddoel van het onderwijs.
De nadruk valt voortaan op het kunnen,
het ontwikkelen van vaardigheid. De vroegere
weetjesopstapeling moet plaats inruimen voor
de adequate inwerkstelling van de intellectuele
eigenschappen. De zuiver dogmatische werkwijze die op het reproduceren van leerstof gericht
was, moet men tot elke prijs vermijden.
De kinderen moeten leren, leren zelf
vinden. Inductieve en actieve methodes
zijn vanzelfsprekend. Er moet voortaan
zoveel mogelijk uitgegaan worden van de belangstellingssfeer
van de leerling. De moderne pedagogiek
legt ook de nadruk op het belang van de
zelfwerkzaamheid en groepswerk. Meteen was de officiële toon gezet voor de volgende decennia.
Het vak geschiedenis werd afgeschaft in het
rijksonderwijs en vervangen door gesprekjes over de actualiteit met een toenmalige
treinkaping in Nederland als voorbeeld. In het katholiek onderwijs kwam
thematisch geschiedenisonderwijs over voeding, wonen op een vrij laag kennisniveau i.p.v het klassieke systematisch
geschiedenisonderwijs.
Gelijkheidsdenken en kennisrelativisme
à la Bourdieu
Het doorgeschoten gelijkheidsdenken à la Bourdieu ging gepaard met cultuur- en kennisrelativisme. Het
curriculum werd als burgerlijk bestempeld en dus als discriminerend voor de
arbeiderskinderen. Zon
gelijkheidsdenken leidde tot cultuur- en kennisrelativisme en tot het
verlagen van de eisen die aan de leerlingen werden gesteld: vooral de minimale
eindtermen die door quasi alle leerlingen bereikt konden
worden, stonden centraal.
Ook DVO-directeur Roger Standaert verwees inzake zijn kennisrelativisme expliciet naar de visie van Bourdieu (zie verderop). Niet enkel Roger Standaert, maar
ook sociologen als Ides Nicaise
stelden: De leerplannen zijn sterk bepaald door de dominante cultuur: de
abstracte, ideologisch-symbolische kennisontwikkeling (de sterke kanten van
de hogere sociale klassen) staan veel centraler dan de instrumentele (die in de lagere klassen meer aanwezig
is). De gezamenlijke stam van het curriculum in het s.o. moet minder
academisch, meer ervaringsgericht, technisch en instrumenteel van aard zijn (T.O.R.B, 2001, p. 389).Vanuit dit kennisrelativisme stelde Roger Standaert ook dat zaken als lijdend en meewerkend voorwerp,
breukrekenen, formules voor oppervlakte en inhoud te moeilijk waren voor
leerlingen lager onderwijs
Aan het bestrijden van de egalitaire ideologie besteedden we
de voorbije 45 jaar veel aandacht en energie.
Veel hervormingen gebaseerd op de egalitaire ideologie leverden geen of een
averechts effect op, en kwamen geenszins tegemoet aan de noden van kansarme
leerlingen.
2 Kennisrelativisme en ontscholing gedurende
voorbije 50 jaar
Al vanaf die VSO-publicatie van 1971 beluisteren we steeds opnieuw dezelfde refreintjes -ook
al werden die steevast - als vrij nieuw
voorgesteld, als overeenstemmend met de meest
recente visies als b.v. het constructivisme. Enkele illustraties.
Inspecteur-generaal Peter
Michielsens poneerde in 1999: In de 21ste eeuw zullen individuen vanaf de jonge
leeftijd hun eigen leerprocessen zelf sturen. Geen enkele overheid, onderwijzer
of professor zal nog in staat zijn om dwingend anderen voor te schrijven wat
geleerd moet worden. (Wat wil ik leren op school?, Impuls, juni 1999, p. 381) .
Ook het effectieve en efficiënte
jaarklassensysteem moest volgens
Michielsens de helling op.
In een reactie op onze O-ZON-campagne-2007 tegen de ontscholing,
kennisrelativisme, niveaudaling stelde Roger Standaert, ex-VSO-coördinator en
DVO-directeur die in de jaren negentig de opstelling van de eindtermen en van
de inspectiecriteria patroneerde en vooral ook dirigeerde: De
reactie van de onderwijswereldop de kennisexplosie is er een geweest van die
kennis niet meer op de voet te volgen. Moet je nog wel kunnen hoofdrekenen, met
een calculator op zak? Ik zoek toch gewoon op hoe gedownloaded gespeld moet worden. Waarom wordt weten
wie Rubens was, hoger aangeslagen dan
weten wie David Beckham is? Het is geen schande als je een technische analfabeet
bent, maar dat is het wel als je je nogal direct uitdrukt in een gesprek: la
parlure vulgaire, contre la parlure
bourgeoise van de Franse socioloog
Pierre Bourdieu (in: Nova et Vetera, Sept. 2007).
De DVO van Roger Standaert beschreef de officiële visie achter de eindtermen en nieuwe
inspectiecriteria van de jaren negentig zo: Er was een verschuiving nodig van het traditionele
'doceren', naar vormen van 'open leren'
die (bijna) volledig leerlinggestuurd
zijn. In tegenstelling tot de traditionele opvatting, waarbij de leraar werd
beschouwd als de overdrager van kennis, wordt de leerling vandaag actief betrokken bij het
leerproces. Bij actief leren word
gefocust op lang-termijn[1]doelen en in veel
mindere mate op overdracht van feitenkennis.
Leerinhouden moeten ingebed zijn in concrete,
en voor de leerling herkenbare contexte. (in: De basiscompetenties bekeken
vanuit het perspectief van de onderliggende
onderwijskundige visie'; in het DIROO-boek:
Is de leraar een coach?, Academia Press
-2004).
In een tekst over evalueren stelt het GO!: Sinds de jaren zeventig is de focus van ons
onderwijs verschoven van pure kennisoverdracht naar competentiegericht leren.
Competenties zijn een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes in een
authentieke context. Authentiek betekent dan weer aansluiten bij de
actualiteit, de leefwereld van leerlingen, taken en opdrachten die in het
dagelijks leven ook kunnen voorkomen enz. Competentiegericht leren maakt op die
manier levenslang leren mogelijk. Zo zetten de scholen vandaag de dag veel meer
dan vroeger in op kritisch omgaan met nieuwe informatiebronnen,
probleemoplossend denken, samenwerking en zelfsturing
. In 1997 publiceerde
het Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs de tekst Visie op het onderricht in de moderne
vreemde talen in de leerplannen van het VVKSO. In de Visie van 1997 en in de leerplannen die
erbij aansloten werd de communicatieve aanpak verheerlijkt
en de klassieke benadering van taalkennis - woordenschat, grammatica, spelling,
... - totaal uitgehold. Ook voor het
inoefenen van deelvaardigheden was er al te weinig aandacht.
In het boek Taal
verwerven op school (Acco, 2010) wordt de taalvisie van het
Leuvens taalcentrum van prof. Kris Van
den Branden zo omschreven: Het gaat bij
ons taakgericht taalonderwijs om actief construeren van kennis en vaardigheden
en voor het leren al doende aansluitend
bij de behoeften van de leerlingen. Wat
de leerlingen zelf ontdekken, blijft hangen
en leidt tot fundamenteel leren, in tegenstelling
tot het oppervlakkige leren dat door een
uitleg van de leraar bereikt wordt. Goed gekozen taken werken dit fundamenteel
leren in de hand. Er moet steeds gewerkt
worden vanuit 'globale en zelfontdekkende
taken'; het onderscheiden en inoefenen
van deelvaardigheden is uit den boze..
Tegelijk werd het belang van het AN gerelativeerd.
Men opteerde voor normaal-functioneel taalgebruik:
dus ook geen systematisch AN-woordenschatsonderwijs
meer. Men stelde: De leerlingen gebruiken in het normale leven het
woord soupape bij de fietsenmaker en
niet ventiel. Ventiel e.d. is geen
normaal-functioneel taalgebruik.
Ides Callebaut, exeerplanvoorzitter
en begeleider katholiek onderwij vanaf de jaren tachtig vond dat het belang van AN ten zeerste gerelativeerd
moest worden. Hij pleitte in 2010 zelfs voor
poststandaardtaalonderwijs. Hij schreef in Wat doen we met ons taalonderwijs
als er geen standaardtaal meer is: Als er geen standaardtaal meer is, kunnen leerlingen ook geen taalfouten meer
tegen het AN maken. Taalleraren en
taalpuristen zullen niet meer van zuiver
Nederlands kunnen spreken. En dan
krijgen we onze taal dus terug zoals die al
die jaren van de mensheid geweest is, uitgezonderd de enkele eeuwen van
de artificiële standaardtalen.(School- en
klaspraktijk, nr. 199). I
In een publicatie
van het GOK-Steunpunt van 2000 schreven Van den Branden en Van Avermaet: Taalproblemen
worden grotendeels "gecreëerd door
de school zelf die een taal hanteert die voor allochtone & autochtone
leerlingen van lagere afkomst een ware
struikelblok vormt. Ze hebben zich ook steeds verzet tegen de invoering van extra NT2-lessen vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.
In het VLOR-rapport Competentieontwikkelend
onderwijs van 2008 pleiten de Vlaamse onderwijskundigen Valcke, Dochy, Laevers,
Standaert, Baert voluit voor constructivistisch
& competentiegericht onderwijs. We lezen in de samenvattende bijdrage dat
zon aanpak een antwoord biedt op de vlugge
en ononderbroken kennisontwikkeling en mede
samenhangt met het nieuwe onderwijskundige paradigma van het constructivisme
dat aanstuurt op zelfsturend,
construerend, reflectief en authentiek
leren in contextgebonden en complexe omgevingen.
Een belangrijke component van het competentieleren
is dus zelf ontdekken en construeren van de eigen kennis en vaardigheden: de
leerlingen moeten alleen of in groep, inductief leerstof, regels en vaardigheden
ontdekken en zo hun competenties construeren.
Daarnaast wordt telkens gewezen op het werken met authentieke en relevante taken, problemen of contexten en op
vaardigheidsonderwijs. Competentie-ontwikkelend onderwijs veronderstelt ook een
hoge mate van zelfregulerend vermogen. Er bestaan immers steeds minder vaste referentiekaders en de
levensloop is veel minder voorspelbaar.
Leuvense pedagogen van de vakgroep Educatie en Samenleving als Jan Masschelein &
Maarten Simons pakten de voorbije 20 jaar echter plots uit met de radicaal ontscholende en
antipedagogische visie van de Franse filosoof Jacques Rançière in zijn boek De onwetende meester (1983).
Ze vertaalden dit boek in 2003;
het fungeert als cursusmateriaal voor toekomstige pedagogen en als inspiratiebron
voor hun eigenzinnige derde weg. Voor Rançière betekent cultuuroverdracht en
aandacht voor leerprestaties
niets minder dan nefaste beïnvloeding en onderwerping van de leerlingen aan de
leerkrachten, de klassieke leerinhouden en de kapitalistische noden: Op elke
plek waar een beroep wordt gedaan op de eigen kennis om anderen te overtuigen,
waar iets wordt uitgelegd, wordt per
definitie ingegaan tegen het idee van intellectuele gelijkheid en van vrijheid
en zelfvorming. Als een leraar
instructie geeft, wordt een hiërarchische positie ingenomen, en komen
emancipatie en gelijheid in de verdrukking.
Topambtenaren stelden in 2014 in het rapport De Nieuwe school in 2030 op -
samen met kopstukken van de VLOR & de KBS. In dit rapport wordt geschetst hoe
een toekomstige school als leerpark er zou uitzien, een pleidooi voor een totale
kanteling en ontscholing van het onderwijs. In dit rapport lezen we o.a.: In een Learning Park zullen de kinderen
gecoacht worden om hun eigen leertraject aan te sturen in de richting van de competentieniveaus
die ze nodig hebben en zelf ook willen halen.
De ZILL-leerplanarchitecten
van het katholiek onderwijs bestempelen hun visie als een cultuuromslag in de
richting van ontwikkelend en constructivistisch onderwijs: aandacht voor actief
leren, verantwoordelijkheid geven aan jongeren voor eigen leerproces, contextueel
leren, gepersonaliseerd leren op maat van elk leerling. Het gaat bij ZILL ook om
een soort totaliteitsonderwijs als bij Decroly en het leerplan 1936: In een
les over de tafels van vermenigvuldiging moet men daar ook alle andere eergebieden
en leerdoelen bij betrekken.
Ook het recente GO!-Poolsterplan
kiest voor zelfregulerend en gepersonaliseerd leren. We lezen: Zelfregulerend
leren blijkt een van de meest wetenschappelijk onderbouwde praktijken om
leerwinst te verhogen. De lerende is dit proces verantwoordelijk voor het deelnemen
aan de lesactiviteiten, ervaringen en kansen, en bepaalt stap voor stap mee het
leerproces. Zelfregulering verwijst naar
een reeks specifieke vaardigheden die leerlingen
steeds beter toelaten een eigen traject
vorm te geven. Gepersonaliseerd betekent
dat leerlingen voldoende zelfregulerende
vaardigheden ontwikkelen, om hun leerproces en het samen leren
richting te geven. leren zelf richting te geven.
Het
overheidstijdschrift KLASSE schonk de voorbije decennia veel aandacht aan de neomanie & pedagogische
nieuwlichterij. In het themanummer van
januari 2000 waarin de redactie een balans op[maakte
van de 20ste eeuw, kwam die opstelling duidelijk tot uiting - ook al in het
plaatje van de ruïne op de kaft. In elke
bijdrage klonk de redactieboodschap door dat
ons onderwijs ouderwets was en dat we
nog lesgaven zoals in de 19de eeuw; dit alles
versierd met plaatjes met onderschriften als Ambiorix staat nog voor klas. We vernamen
ook dat het klassikaal onderwijs enkel
was ingevoerd om de leerlingen te disciplineren. De voorbije decennia stond de stemmingmakerij
tegen het onderwijs en de leerkrachten centraal.
De slogans van deze VSO-publicatie en de mantra van de vernieuwing vielen dus ook de voorbije
decennia overal te beluisteren en ze hadden ook meer invloed op de klaspraktijk
dan de gelijkaardi-dig VSO-slogans van de jaren zeventig: wat u nu doet beste
leerkrachten deugt niet: differentiatie in de eerste graad s.o., kennisoverdracht, klassikale groepsinstructie & jaarklassenprincipe,
eisen stellen, discipline & gezag, leerkrachtgestuurde expliciete
instructie, de meester op de trede voor de klas
differentiatie in onderwijsvormen in s.o., C- en B-attesten, systematisch
onderwijs van woordenschat, spelling
& grammatica, klassiek wiskundeonderwijs
i.p.v. moderne of constructivistische wiskunde, werken vanuit aparte vakdisciplines i.p.v. thematisch en open
projectonderwijs, cijfers en
rapporten, aparte scholen voor buitengewoon
onderwijs,
Enkel een radicale ommekeer,
een cultuuromslag, een copernicaanse hervorming,
kon volgens de vele onheilsprofeten de verlossing uit al die ellende brengen. Topambetaar
Georges Monard poneerde rond 1990 dat enkel nog copernicaanse hervormingen
soelaas konden brengen. Ook in VLOR-advies over nieuwe eindtermen van 2015, in de ZILL-visie van het katholiek onderwijs,
in de Poolstervisie van het GO! ... werd
eens te meer geopteerd voor een radicale
perspectiefwisseling, voor ontwikkelend leren, gepersonaliseerd en ontdekkend leren, enz.
De sterke verlossingsdrang van de voorbije decennia ging ook
gepaard met het verspreiden van kwakkels
over sociale discriminatie en zittenblijvers, onderdrukking & disciplinering van de kinderen
discriminatie, nefaste waterval, veel grotere
schooluitval dan in andere landen, laag
welbevinden, zinloze & te moeilijke grammatica, ... In 1991 beweerden Georges Monard e.a. dat
onze sterke eerste graad een grote
probleemcyclus was omdat er 9%
zittenblijvers waren in het eerste jaar;
in werkelijkheid waren er maar 3% en in landelijke regios slechts 1,5%. Dit leidde tot de
stelling dat die eerste graad radicaal hervormd moest worden; en dat de leraars-regenten
hun taak niet aankonden, dat dus ook de regentaatsopleiding niet deugde & beter
universitair zou worden. Sinds 1995 bleek
nochtans ook uit TIMSS en PISA dat onze Vlaamse leerlingen internationaal
topscores behaalden.
Veel beleidsmensen & hun adviseurs, en veel zgn. onderwijsexperts
geloofden al te sterk in de maakbaarheid van maatschappij
en onderwijs en in de nood aan een cultuuromslag
en permanente revolutie. De vernieuwings- en doorhollingsdrift ging uit van de beleidsmakers, van een aantal
onderwijs[1]experts, en vrijgestelden
van het zgn. middenkader. Het ondersteunings- en vernieuwingsestablishment
breidde zich de voorbije decennia ook steeds
verder uit en oefende een ontscholingsdruk uit.
3. Gelijkheidsideologie
en nefaste structuurhervormingen s.o. en verkeerde GOK-gok
Sinds de late jaren 1960 verwachtten de Vlaamse
beleidsmakers, onderwijssociologen, tal van
onderwijskundigen.. inzake
gelijke onderwijskansen vooral heil van een egalitaire en nivellerende
structuurhervorming van het s.o., een brede eerste graad e.d. Het onderwijs en
de leraren werden beschuldigd van (re)productie van sociale ongelijkheid. De
differentiële opties in de eerste graad leidden volgens de egalitaire ideologie
tot sociale discriminatie. De milieutheoretische benadering à la Bourdieu
leidde tot egalitaire structuurhervormingsvoorstellen en ingrepen zoals in het
VSO van 1970 en in recentere hervormingsplannen van de commissie Monard, van sociologen als Nicaise, Van Houtte, Jacobs
.. , van het Leuvens Metaforum van de
professoren Nicaise, Van Damme, Masschelein, Simons, en van de
ministers Frank Vandenbroucke en
Pascal Smet en Hilde Crevits.
Ook volgens het Nederlandse rapport Dijsselbloem van 2008
was de ideologie van de gelijkheid en gelijke behandeling de ideologische fout die destijds in
Nederland aan tal van nefaste hervormingen ten grondslag lag. Dit egalitair
dogmatisch denken inspireerde o.m. de invoering van de gemeenschappelijke basisvorming in de eerste graad van het voortgezet onderwijs. Het
egalitair dogmatisch denken lag
volgens Dijsselbloem ook aan de grondslag van de
invoering van te radicaal inclusief onderwijs.
Ook inzake de aanpak van de
specifieke en grote taalproblemen van
anderstalige leerlingen speelde het dogma van de gelijke behandeling een
nefaste rol: anderstalige kleuters mochten geen aparte lessen intensief
NT2-onderwijs krijgen en men verwachtte veel heil van onderwijs in de eigen
taal en cultuur van de allochtone leerlingen. Het gelijkheidsdenken leidde
uiteindelijktot mediocratie, kennisrelativisme, middelmatigheid & diploma-inflatie.
Het dogma van de
gelijkheid en de gelijke behandeling lag
dus ook in Vlaanderen aan de grondslag
van de plannen voor een gemeenschappelijke eerste graad, van de invoering van het M-decreet in naam
van de gelijkheid, van het niet invoeren van aparte lessen intensief
NT2-onderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs Ook hier leidde het
tot niveaudaling en nivellering (minder aandacht voor excellentie, ontkenning/relativering
van de (taal)problemen van allochtone leerlingen
De bekende Franse prof.-sociologe Nathalie Bulle drukte de
nefaste invloed van het gelijkheidsdenken en het er mee verbonden
pedagogisch progressivisme in 2017 zo
uit: Ons onderwijssysteem werd geleidelijk politiek ingepalmd en uitgehold door
een quasi-religieuze opvatting over de rol van de school in de maatschappij, de
school als dé hefboom bij uitstek voor sociale gelijkheid, enz. Zolang we denken
dat sociale ongelijkheid vooral wordt geconstrueerd op school en door de
school, zolang we vergeten dat verschillen en sociale ongelijkheden vooral
ontstaan in de brede (maatschappelijke) context die zich grotendeels buiten de
invloed van de school situeert, tasten we de kracht van de school aan om zijn
specifieke rol te spelen, de rol van transmissie van de culturele en
intellectuele vorming.
Bulle beklemtoonde
ook terecht het kennisrelativisme binnen de visie van Bourdieu . Ook OESO-topman Dirk Van Damme bekende
de voorbije jaren dat het
egalitaire dogma een nefaste invloed had inzake de GOK-aanpak, en dat de beleidsbepalers - ook hij destijds
als kabinetschef van minister Vandenbroucke - zich hebben vergist. Ook de Sp.a
& Groen, en ook de ministers
Vanderpoorten, Vandenbroek, Smet, Cervits -
hebben zich vergist.
4 Dogma
van gelijkheid en gelijke behandeling
De Steunpunt GOK-directeurs Van Avermaet, Van den Branden en
Laevers poneerden in 2004: Van zodra kinderen van een andere etnische
afkomst slechter presteren, is er sprake
van systematische kansenongelijkheid en
discriminatie. Het leerpotentieel en de bereidheid leerinspanningen te leveren
is immers even sterk aanwezig bij allochtone leerlingen (Steunpunt GOK, Beter,
breder en met meer kleur, 2004.) Ze pleitten voor de invoering van een
gemeenschappelijke eerste graad s.o.
Prof. Ides Nicaise schreef in 2007: De verouderde theorie
over aanleg leidt een hardnekkig bestaan. En ook het IQ meet geen aangeboren
capaciteit, maar enkel aanpassing aan de IQ-test'. Het is de bedoeling van
egalitair onder[wijs dat elke
bevolkingsgroep evenredig participeert aan alle onderwijsniveaus (De School
van de On[gelijkheid, EPO, 2007
p. 88 e.v.). Dus (hand)arbeiderskinderen moeten evenredig vertegenwoordigd zijn
in aso, universiteit e.d. Dit is ook de stelling die Agirdag in zijn boek Onderwijs in de gekleurde samenleving
verdedigt. Socioloog Dirk Jacobs schreef
in een KBS-studie van 2009: Het is onverantwoord
te veronderstellen dat kinderen van laaggeschoolde
ouders gemiddeld minder intellectuele
aanleg hebben. Orhan Agirdag deelt de visie van Jacobs en co en vond het b.v. ook onverantwoord en racistisch aan te
nemen dat er gemiddeld minder actuele intellectuele aanleg is bij Turkse, Marokkaanse leerlingen. En ook voor Agirdag betekent
egalitair onderwijs gelijke uitkomsten. Hij schrijft in zijn recent boek: Vanuit een egalitische visie is een
meritocratische visie ontoereikend om gelijkheid te realiseren. Het is niet
alleen de bedoeling dat groepen leerlingen met gelijke kansen starten; het is
ook de bedoeling dat verschillende groepen gelijk eindigen.
Wat prof. Bulle in 2017 schreef, bevestigde wat we vanaf 1979 in
Onderwijskrant schreven over de nefaste invloed van de egalitaire ideologie en
het ermee verbonden kennisrelativisme à la Bourdieu, , het niet erkennen van
verschillen, enz. We betreurden dat de
egalitaire visie de menselijke diversiteit ontkende - vooral de grote
verschillen in intellectuele aanleg, en ook ten onrechte verwachtte dat de
almachtige school de invloed van de aanleg- en milieuverschillen grotendeels
zou kunnen wegwerken. In Onderwijskrant
nummer 9 van 1979 - 40 jaar geleden -
wezen we al op de illusie van de
perfecte sociale mobiliteit: uit elke klasse moest een gelijke proportie
vertegenwoordigd zijn in elk onderwijsniveau. De vrij grote genetische bepaling
van intellectuele capaciteiten en de sociale mobiliteit maakt het weinig
waarschijnlijk dat de verschillen tussen sociale klassen enkel aan het milieu
zouden te wijten zijn. Bovendien trouwen
de meeste mensen met iemand van hun eigen sociale laag, met eenzelfde
scholingsniveau.
En toch bleven
sociologen e.a. beweren dat de
genetische aanleg van alle kinderen bij de geboorte gelijk is, maar dat
de levensomstandigheden waarin zij opgroeien, bepalend zijn voor het verder
ontwikkelen of fnuiken van het talent (Nicaise kraakt de mythe van de
natuurlijke aanleg, In Tertio van 1
november 2000.) Voor andere sociologen speelde de intellectuele aanleg ook maar een vrij beperkte rol. Zo interpreteerden ze het scholingsniveau van de ouders louter als
nurture, als een sociale (SES-) factor. De
invloed van de verschillen in erfelijke aanleg (nature) werden
genegeerd, en die zijn zelfs groter is dan de sociale factoren (nurture). In
ons interview met minister Vandenbroucke
begin 2006 gaf hij uiteindelijk wel toe dat precies ook als gevolg van de
democratisering de handarbeidersklasse intellectueel afgeroomd werd..
De Nederlandse socioloog Jaap Dronkers betreurde in 2014: Vanaf de jaren zestig bestaat er een taboe
op verschillen in intelligentie en intellectuele aanleg. Er zijn ook nog steeds
veel mensen die niet aannemen dat momenteel de gemiddelde intelligentiescore
van (autochtone) leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die
van kin[1]deren
in hogere klassen. Het onderwijsbeleid en de egalitaire GOK-ideologie gaan ook
nog altijd uit van dat vele ontginbare talent uit de lagere klassen.
Sociaal en cognitief kwetsbare kinderen werden volgens het
Dijsselbloem-rapport van 2008 het meest
de dupe van de gemeenschappelijke eerste graad/basisvorming: Extra
schrijnend is dat tijdens de voorbije decennia de sociaal en cognitief
kwetsbare leerling- en waarvoor veel hervormingen en GOK-centen bedoeld waren,
het zwaarst geleden heeft onder de GOK-illusies van de gelijkheid en gelijke
behandeling. De kern van de gemeenschappelijke basisvorming voor 12- à
15-jarigen was de illusie dat als je intelligente en minder intelligente
scholieren bij elkaar zet, de eersten de tweeden omhoog trekken. Dat is
onjuist; de nadelen zijn veel groter dan de voordelen. Precies de acceptatie
van de natuurlijke ongelijkheid en van
gescheiden leerwegen kan de zwaksten helpen. Door een onderscheid te
durven maken, verschillen te erkennen,
kunnen onderwijskansen juist in rap tempo toenemen.
OESO-topman en ex-kabinetschef Dirk Van Damme gaf de voorbije jaren toe dat de beleidsmakers en adviseurs zich vergist
hadden met hun plannen voor de invoering van een gemeenschappelijke eerste
graad. In een interview met het weekblad HUMO van 31.01.2017 stelde Van Damme: In de jaren zestig zag je twee grote stromingen ontstaan: de ene groep landen
koos ervoor om de leerlingen in de eerste jaren van de middelbare school zoveel
mogelijk samen te houden in een brede eerste graad. Engeland en Schotland waren
daar voorlopers. De andere groep koos voor een model waarin de leerlingen al
vrij vlug een bepaalde richting moesten kiezen.
Nu groeit er een consensus dat een brede eerste graad bijna automatisch
tot een soort eenheidsworst leidt, waarin niet genoeg aandacht is voor de
verschillen tussen de kinderen. Die hebben allemaal andere talenten, want ieder
kind is uniek, en dus moet je streven naar een flexibeler onderwijs. Ik ben dus
geen voorstander van een brede eerste graad. Om een aantal vaardigheden te
bereiken of kennis op te doen, kun je niet zo lang wachten. Om uitstekende
muzikanten te vormen, start je niet
vanaf 14 jaar?
Het rapport Dijsselbloem-2008 bevestigde onze analyse sinds 2002: Het verkrampt
gelijkheidsideaal van de jaren zeventig leidde ertoe dat alle kinderen zo lang
mogelijk hetzelfde onderwijsaanbod moesten krijgen. Dit leidde destijds tot de
invoering van gemeenschappelijke basisvorming in de lagere cyclus. Leerlingen
van de meest uiteenlopende niveaus kregen de eerste twee jaar ongeveer dezelfde
leerstof. Traditionele scholen voor technisch- of beroepsonderwijs met een
behoorlijk aantal uren techniek waren uit den boze, omdat arbeiderskinderen
daardoor zogezegd werden vastgepind op hun afkomst. De leerlingen moesten ook
van alles eens kunnen proeven om zich op deze brede basis te kunnen oriënteren
en dit leidde tot een al te breed en te weinig gedifferentieerd
curriculum.
In het commissierapport lezen we verder: De huiver om
aparte leerroutes in te richten voor leerlingen die moeite hebben met het voor
hen té theoretische, algemeen vormende onderwijs, zat bij meerdere linkse
partijen diep. De vrees kwam voort uit de tijd waarin arbeiderskinderen
vroegtijdig van school af werden gestuurd om te gaan werken of op zijn best
naar de ambachtsschool mochten. Kortom, deze kinderen mochten niet weer opnieuw
slachtoffer worden van een onderschatting van hun talent. Deze gelijkheidsideologie heeft er ten
onrechte toe geleid dat er jarenlang voor leerlingen wier talent meer praktisch
dan theoretisch is, geen volwaardige leerroutes waren. Dit heeft mede
bijgedragen aan hoge schooluitval. In plaats van het onderkennen van talenten,
ook wanneer die liggen in praktische vaardigheid, en deze verder te ontwikkelen
kwam voor deze kinderen de nadruk te liggen op datgene wat ze niet konden.
"De gemeenschappelijke basisvorming bleek voor vmbo-ers (=bso- en tsoers)
te moeilijk en te theoretisch, en voor vwo-ers - aso-ers) - veel te makkelijk.
De minder slimme en andersgetalenteerde kinderen bleken dus allerminst met een
gelijke behandeling geholpen. Zij zijn massaal uitgevallen in het voor hen te
theoretisch gerichte onderwijs. Ze werden in een theoretisch keurslijf geduwd,
in plaats van begeleid en beoordeeld te worden op basis van hun prestaties en
specifieke talenten. De sterkste leerlingen werden onder hun niveau aangesproken
en daardoor gingen ze onderpresteren. Ze werden al te weinig uitgedaagd. De
hervormers wekten door de overbeklemtoning van de algemene vorming tegelijk
de indruk dat alles wat te maken had met techniek en het latere beroep
minderwaardig was. Dit leidde tevens tot een onderwaardering van technisch en
beroepsonderwijs en van het werken met de handen. Onze tso/bsoscholen en hun leerlingen zullen
straks bij de invoering van de nieuwe eerste graad nog het meest de dupe zijn.
Niet enkel minder leerlingen, maar ook meer leermoeheid bij leerlingen die
minder theoriegezind zijn en minder
technische vakken krijgen (zie ook pag. 46-47).
In functie van het gemeenschappelijk optrekken van de
leerlingen in de eerste graad s.o. moesten de leerstofeisen ook verlaagd
worden. Vanaf de invoering van het VSO en nog steeds wordt gesteld: wat de leerlingen in de eerste graad voorgeschoteld kregen/krijgen, mag de vrije
keuze van studierichtingen in de tweede graad
niet belemmeren. Uitstel van studiekeuze is nog steeds de visie van de koepels van het
katholiek onderwijs en van het GO!. Dit
betekent ook dat straks de vrije en
optieuren in het eerste en tweede jaar nogal willekeurig ingevuld mogen
worden, een minder systematische en cumulatieve leerinhoud krijgen, en ook moeilijk sanctioneerbaar zullen zijn.
Ook dit leidt tot een chaotische situatie en
tot niveaudaling .
5 Gelijkheidsdenken & gemeenschappelijke
eerste graad/lagere cyclus & afschaffen aso...
Sinds de late jaren 1960 verwachtten de Vlaamse beleidsmakers,
onderwijssociologen, tal van onderwijskundigen.. inzake gelijke onderwijskansen vooral heil
van een egalitaire en nivellerende structuurhervorming van het s.o., een brede
eerste graad e.d. Het onderwijs en de leraren werden beschuldigd van
(re)productie van sociale ongelijkheid. De differentiële opties in de eerste
graad leidden volgens de egalitaire ideologie tot sociale discriminatie. De
milieutheoretische benadering à la Bourdieu leidde tot egalitaire
structuurhervormingsvoorstellen en ingrepen zoals in het VSO van 1970 en in de
recentere hervormingsplannen van Monard
en de ministers Frank Vandenbroucke en
Pascal Smet.
Met Onderwijskrant voeren we al sinds 2002 campagnes tegen
de invoering van een gemeenschappelijke eerste graad en afschaffing van de
onderwijsvormen aso, tso, bso en kso. Onderwijskrant nam het voortouw in het
verzet. In mei 2012 lanceerden we een petitie die door 13.000 mensen in een
paar maanden tijd onderschreven werd. We deden ook aan lobbywerk bij politieke
partijen. Met enig succes.
Maar per 1 september 2019
werd toch een verwaterde vorm van brede eerste graad ingevoerd,
domeinscholen e.d. .De aso-isering van
het s.o. leidde ook tot een verdere aantasting van de tso/bso-scholen en tot
leermoeheid bij leerlingen die minder theorie-minded zijn en die nu minder
technische vakken zullen krijgen. Er is ook veel aan te merken op de nieuwe
eindtermen - en vooral op de vele vakoverschrijdende i.v.m. burgerschap,
financiële geletterdheid e.d. Overal ter wereld wordt ook gewerkt met een
opdeling in algemeen vormende richtingen enerzijds en meer technisch &
beroepsgerichte onderwijsvormen anderzijds.
5 50 jaar verkeerde
GOK-prioriteit:structuurhervorming s.o. i.p.v. kwaliteit (basis)onderwijs.
Het egalitaire dogma leidde gedurende 50 jaar tot de
verkeerde GOK-prioriteiten. Als kind van de democratisering waren we er van overtuigd dat het kwalitatief hoogstaand
onderwijs dat we in de periode 1952-1964 in het lager en secundair genoten,
veel kansen tot sociale mobiliteit bood. In ons grootschalig Leuvens
CSPO-doorstromingsonderzoek stelden we zelf in 1969-1971 overigens vast dat
arbeiderskinderen met een behoorlijke uitslag lager onderwijs toen vlot doorstroomden
naar het aso net voor de invoering van het VSO. We waren er ook van overtuigd
dat de sociale mobiliteit en democratisering in die tijd niet enkel te maken
had met hogere financiële stimuli, maar vooral ook met de hoge kwaliteit van
het lager en secundair onderwijs waardoor arbeiderskinderen makkelijker hun
sociale handicaps konden wegwerken.
Op basis van het Nederlands talentenonderzoek van prof. Van
Heek e.a. van 1968 en van ons Leuvens
CSPO-doorstromingsonderzoek van 19691971 stelden we in 1971 in een
VRT-uitzending over gelijke kansen dat het een illusie was om via een
structuurhervorming in het s.o. nog veel verborgen talent aan te boren. We
poneerden dat we wel nog een belangrijke vooruitgang konden boeken op het
niveau van het kleuter- en het lager onderwijs. Dat was ook een van onze
stellingen op het VLO-startcolloquium van 1 september 1973 in het
Congressenpaleis. Maar de beleidsmakers, de koepels van de onderwijsnetten, de
onderwijssociologen, verwachtten alle heil van de egalitaire structuurhervorming van het s.o., eerst het VSO en later de
recentere structuurhervormingsvoorstellen. Het VSO betekende meteen ook een terugloop van het aantal leerlingen in
tso-scholen die overschakelden op het VSO. In 1976 schroefde de toenmalige
minister Herman De Croo gelukkig de gemeenschappelijkheid terug. In het VSO werd fabuleus veel geld
geïnvesteerd. Rond 1985 zagen minister Coens en Co ook in dat een veralgemening
van het VSO in het katholiek onderwijs totaal onbetaalbaar zou zijn. Dit leidde
tot het 1989-compromis van het zgn. eenheidstype.
Jammer genoeg stond
de voorbije 50 jaar op beleidsvlak en inzake faire onderwijskansen &
GOK-denken het debat over- en de investering in comprehensieve hervormingen
s.o. centraal. Dit leidde in 1970 tot de invoering van het VSO met een
gemeenschappelijke eerste graad, e.d. In plaats van de grote investeringen in structuurhervormingen
in het s.o., hebben we steeds gepleit voor voorrang van GOK-investeringen in de kwaliteit en
zorgverbreding op het niveau van het
basisonderwijs. In een VRT-programma over gelijke kansen stelden we in april
1971 dat we in ons Leeuvens CSPO-onderzoek vaststelden voldoende getalenteerde arbeiderskinderen vlot
doorstroomden naar het aso en dat we vooral GOK-heil-verachtten van het verder
optimaliseren van de kwaliteit van het basisonderwijs en van het invoeren van
zorgverbreding voor kansarmere leerlingen.
Inzake het nastreven van gelijke/faire
onderwijskansen & zorgverbreding maakte
Vlaanderen dus al 50 jaar de verkeerde GOK-prioriteiten: door
te mikken op en veel geld te investeren in - structuur -hervormingen
s.o. i.p.v. voorrang te verlenen aan het verbeteren van de kwaliteit van het
onderwijs en in het bijzonder van het kleuter- en het lager onderwijs. Vooral de ontwikkelingkansen in de eerste
onderwijsjaren - met inbegrip van extra stimuli
voor kansarmere & anderstalige leerlingen, zijn heel belangrijk.
Vanaf 1990 werd ook wel extra
geïnvesteerd in zorgverbreding in het basisonderwijs, maar jammer genoeg werd
de GOK-ondersteuning in handen gegeven
van drie universitaire GOK-steunpunten die een verkeerde aanpak stimuleerden,
de invoering van intensief-NT2-onderwijs vanaf de eerste dag van het
kleuteronderwijs bestreden, enz
Ik waarschuwde 25 jaar geleden in interview in De Standaard voor de aantasting van de (sterke) kwaliteit van het Vlaams onderwijs
Passage over aantasting van de kwaliteit van het onderwijs uit Interview van 25 j geleden in de krant DS over de toestand van het onderwijs
Raf Feys, gedreven
criticus Vlaams onderwijs: vernieuwen is niet hetzelfde als vernielen Interview van Hein De Belder op 8 december 1997 in De
Standaard
Hein De Belder: Wat moet er eerst van uw lever
Het Vlaams onderwijs kent een sterke traditie en sterke
leerkrachten; het is geenszins hopeloos verouderd. Toenemende stemmingmakerij
en neomanie tast(t)en wel de kwaliteit aan.
Feys: Ik wil vooreerst stellen dat ons Vlaams onderwijs
niet hopeloos verouderd is. In tegenstelling met de stemmingmakerij van topambtenaar Georges
Monard en vele anderen die beweren dat het slecht gesteld is met ons onderwijs
en dat enkel copernicaanse hervormingen nog soelaas kunnen brengen, vind ik
dat ons onderwijs een heel sterke
traditie kent en dat klassieke aanpakken niet zomaar voorbijgestreefd
zijn.
Ook internationaal gezien scoort ons onderwijs nog vrij goed -
b.v. zelfs de wereldtopscore wiskunde voor TIMSS-1995; maar topambtenaren
als Monard en co bleven ook dan verder
mekkeren dat b.v. onze eerste graad s.o. en de leraren-regenten slecht
presteerden; onze eerste graad was volgens hen een echte kankerplek en de
lerarenopleiding deugde niet.
Feys: We hadden anno 1997 echter al veel verder kunnen staan. Dat we te weinig vooruitgang boekten en er
zelfs op achteruit gaan, komt omdat
beleidsmakers en veel zgn. onderwijsexperts altijd opnieuw denken dat klassieke
aanpakken niet deugen, dat ze het bestaande moeten wegvegen, dat ze dringend de
school van vele kwalen moeten verlossen. Ons onderwijs heeft de voorbije
vijfentwintig jaar op bepaalde vlakken
ook wel vooruitgang geboekt; ik denk
aan de humanisering van de relaties met
leerlingen en de relaties leerkrachten-directies. Het is ook inhoudelijk wat
levensnabijer geworden. Maar we gingen
er de voorbije jaren jammer genoeg op tal van vlakken op achteruit i.p.v.
vooruit ook inzake onderwijskansen voor kansarmere leerlingen.
We kregen de voorbije jaren te maken met al te veel modes en
rages, met al te veel verlossers uit de ellende. Efficiënte didactische
aanpakken recht op het doel af - die hun deugdelijkheid al bewezen hadden, werden al te vlug in vraag gesteld. Het kan
toch niet dat het klassiek onderwijs dat we vroeger zelf genoten, zo slecht
was. Mensen die veraf staan van de alledaagse onderwijspraktijk, worden al te
vlug gecharmeerd door nieuwe visies en rages - mede omdat ze zich zo menen te
moeten waarmaken, en/of omdat ze als
vrijgestelden voor de permanente vernieuwing werk zoeken voor de eigen winkel.
Veel zgn. onderwijsexperts en beleidsmakers participeerden aan die
beeldenstormerij.
(Commentaar: Door overdrijvingen en eenzijdigheden in tal
van richtingen, hebben we ook de
voorbije 25 jaar nog meer achteruitgang
op tal van vlakken gekend. Onze
sterke eerste graad s.o. werd b.v. vanaf
1991 door topambtenaar Georges Monard en co zelfs als een kankerplek
bestempeld. Er was ook de nivellerende eindtermen- en leerplannenoperatie van
de jaren negentig. In de Uitgangspunten bij de eindtermen van 1996 stuurden
Roger Standaert en zijn DVO aan op een
pedagogische revolutie, constructivistische aanpak e.d. Vanaf 1993 waarschuwen
we ook al in Onderwijskrant voor de
uitholling van het taalonderwijs zoals toen al bleek uit de ontwerpeindtermen
Nederlands. )
Aantasting pedagogische aanpak & meesterschap van de
meester & verlossingsideologie
Feys: De aantasting van de pedagogische aanpak startte
eigenlijk al in de jaren zeventig. In de ministeriële brochure over het VSO van
1971 stond ook al het kennisrelativisme centraal, en het klassieke lesgeven was zogezegd
voorbijgestreefd en onderdrukkend. Denk
ook maar aan de opkomst van het
zelfontplooiingsmodel in die tijd; cf. b.v. het
ervaringsgericht onderwijs van prof. Ferre Laevers en zijn Leuvens CEGO.
Volgens die visie kunnen en moeten kinderen zich vanuit zichzelf kunnen
ontplooien. Denk ook aan de opvatting dat in de klas het welbevinden/de
intrinsieke motivatie vooraf moet gaan aan het verwerven van kennis en
vaardigheden.
Afwijzing van jaarklassen: ook in decreet 1997, te doorgedreven individualisering en zelfsturing
Feys: Een andere grote dwaalweg is b.v. de afwijzing vanaf
de jaren zeventig van het klassikaal onderwijs en de jaarklassen (met hun
activerende directe instructie & klassikale interactie); gepaard met het promoten van doorgedreven individualisering
en zelfsturing. Nu heeft ook de overheid onlangs het jaarklassenprincipe in
vraag gesteld en meteen ook afgeschaft in het recente decreet basisonderwijs
van 1997. Maar ik hoop en vermoed dat de scholen en leerkrachten die visie niet
zullen volgen; het jaarklassensysteem
met de eraan verbonden leerplannen per leeftijdsgroep is nu eenmaal het beste
en meest efficiënte en eenvoudige systeem.
Kritiek op
universitaire steunpunten voor onderwijsvoorrang, GOK, NT2 en zorgverbreding
Feys: Als pleitbezorger vanaf de jaren tachtig van de
zorgverbreding voor kansarmere
leerlingen betreur ik ook dat die zorgverbreding vanaf 1991 grotendeels
uitbesteed werd aan universitaire steunpunten als CEGO-Leuven, Steunpunt
NT2-Leuven en Steunpunt ICO-Gent die een visie propageren die haaks staat op
een effectieve aanpak. Het Leuvens Steunpunt NT2 vond na een paar jaar zelfs
extra NT2-lessen voor anderstalige leerlinge overbodig, en mag nu volop
zijn eenzijdige communicatieve en
vaardigheidsgerichte taalvisie propageren/opleggen.
Onhaalbare
differentiatie, onderwijs op maat van
elk kind , therapeutisering, overbevraging
Feys: Het nieuwe leren en de zorgverbreding ging ook al te vlug
de kant op van leerlinggestuurd leren en van differentiatie en personalisering van het
leerproces. Men tast zo de klassikale
instructie en interactie in groep aan en gooit de leerlingen, ook de zwakkere,
meer op zichzelf terug. Onderwijs is vooral interactie met de leraar, en niet
van de leerling met zichzelf; leren in groepsverband is heel belangrijk. De
leerkracht zou alle leerlingen meer
individueel moeten aanpakken en daarnaast ook de zwakkere leerlingen
individueel moeten helpen. En velen
vragen tevens dat de leerkracht ook nog als een soort therapeut optreedt, zoals
prof. Ferre Laevers en zijn CEGO. Zon verregaande individualisering kan een leerkracht
ook gewoon niet aan.
Dit zijn enkele van de toenemende vormen van overbevraging
van het onderwijs. En er zijn nog tal van andere situaties waarin men
onrealistische verwachtingen stelt aan de leraar. In zon situaties gaan/moeten
leerkrachten maar hun plan trekken, se
débrouiller zoals men in Congo zou zeggen. Maar dit alles tast het meesterschap
en het gezag van de leerkrachten aan en maakt alles veel te gecompliceerd. En
zo wordt het lerarenberoep tegelijk ook
minder aantrekkelijk.
(Commentaar: sinds dit interview in 1997 namen de werkdruk
en de ontscholingsdruk bij de leerkrachten en directies nog verder toe en zo werd ook het lerarenberoep
minder aantrekkelijk.)
Inzet voor het
wiskundeonderwijs: noch moderne wiskunde, noch constructivistische
De Belder: U was destijds tegen de invoering van de Moderne
wiskunde, nu wordt de Moderne Wiskunde in de eindtermen ook afgeschaft,
maar nu lees ik in een recente
Onderwijskrant, dat u nu weer uitpakt met nieuwe waarschuwingen.
Feys: Velen opteren nu als alternatief voor de formalistische
moderne wiskunde voor een andere extreme aanpak, het contextueel en constructivistisch rekenen zoals het
Nederlandse Freudenthal Instituut dat propageert. Een leerling zou nu zelf zijn
wiskundekennis, b.v. zijn specifieke
berekeningswijze van 72-28,
moeten construeren; en het moet nu doing mathematics zijn i.p.v.
knowing. Bij het opstellen van de
eindtermen was die strekking volop aanwezig. Ik deed de voorbije twee jaar
mijn best om het zgn. constructivistisch en contextueel rekenen buiten
het leerplan lager onderwijs te houden. Ik publiceer binnenkort ook een boek
over de didactiek van het wiskundeonderwijs - met veel aandacht ook voor de
zwakkere rekenaars.
Kritiek op onderwijsbeleid van de overheid, & acties i.v.m. hervorming lerarenopleidingen
Vervreemding van
onderwijspraktijk, overrompelingsbeleid en al te weinig inspraak praktijkmensen.
De Belder: Je bent blijkbaar ook ontevreden over het
onderwijsbeleid en over veel hervormingen.
Feys: Veel grote hervormingen en projecten van de overheid
zoals het VSO (Vernieuwd secundair onderwijs), het VLO (Vernieuwd lager onderwijs), de invoering
van de Moderne wiskunde, het zorgverbredings- en GOK-beleid
waarin veel geld wordt geïnvesteerd, zijn grotendeels mislukt, of aan het
mislukken
De Belder: In een opiniebijdrage in september 1992 in de
krant De Standaard en in Onderwijskrant betreurde u dat beleidsmensen,
beleidsadviseurs en ondersteuners te sterk vervreemd zijn van de klaspraktijk
en al te weinig rekening houden met de visie van de praktijkmensen.
Feys: Ik betreurde in september 1992 dat het beleid het
monopolie dreigde te worden van een
beperkt aantal mensen die elkaar in
Brusselse cenakels/ivoren torens frequenteren. Een beperkt aantal mensen
maken uiteindelijk de dienst uit. Binnen die Brusselse cenakels worden radicale
hervormingen bedisseld zonder voldoende rekening te houden met de visie van de
praktijkmensen. Bovendien hanteren beleidsmakers de tactiek van de
overrompeling: als ze een hervorming hebben uitgedacht, willen ze die er zo
vlug mogelijk doorjagen.
Feys: Een te beperkt aantal beleidsmakers speelden de
voorbije jaren een hoofdrol in de beleidsbepaling maar aan het opdringen
van de DVO-Uitgangspunten bij de
eindtermen die een controversiële pedagogische aanpak, constructivisme e.d. opdringen.
Het wordt gevaarlijk als een beperkt aantal mensen te lang
ononderbroken aan de top blijven en samen
het beleid in sterke mate mogen bepalen. Als ik zoals Georges Monard
meer dan vijftien jaar aan de top alles zou mogen regelen, dan zou ik wellicht
ook zelfgenoegzaam worden en het debat met de praktijkmensen niet zo belangrijk
vinden.
Tegelijk merk ik dat de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR) niet
genoeg een tegengewicht vormt en onvoldoende rekening houdt met de visie van de
praktijkmensen. Ik betreur ook dat de vroegere specifieke onderwijsraden als
b.v. de Hoge raad voor het PHO, voor de
lerarenopleidingen werden afgeschaft. Binnen de (algemene) VLOR-raad hoger
onderwijs moesten mensen die de lerarenopleidingen geenszins kennen de vorige
jaren hun advies geven over de hervorming van de lerarenopleidingen.