Beetje eerherstel voor Vlaams onderwijs op LISO-studiedag. Dirk Van Damme (OESO):
Overtrokken gelamenteer over lager onderwijs de voorbije week. Toch nog iets positiefs vandaag over het Vlaams onderwijs.
Prof. Dirk Van Damme stelde daarnet op openingssessie LISO-project :"Naar de leerresultaten van leerlingen gemeten, scoort het Vlaams secundair internationaal nog nog steeds uitstekend." Een beetje eerherstel na het zoveelste alarmerend bericht - vandaag opnieuw zo'n bericht: dit keer vanwege Ann Brusseel (Open VLD) in de De Morgen. Van Damme wijst wel terecht op de nefaste gevolgen van het taalrelativisme (zie bijlage).
Commentaar: Hoge PISA-2015-score voor b.v. wiskunde is voor een groot deel te wijten aan het lager onderwijs: cf. ook hoge TIMMS-2012-wiskunde-score van Vlaamse 10-jarigen.
Na de doorgeschoten kritiek op het lager onderwijs en vooral ook aan het adres van de jongere leerkrachten is het tijd voor eerherstel. Voor de hoge TIMSS-wiskunde-score ontvingen de leerkrachten lager onderwijs nooit enig compliment vanwege de minister, de 2 grote onderwijskoepels, de Leuvense TIMMS-verantwoordelijken - die eveneens het PILS-onderzoek patroneerden.
Uit de tegenvallende PIRLS-resultaten concludeerden prof. Bieke De Fraine en Co al te vlug en vooringenomen dat de leerkrachten l.o. blijkbaar hun taak niet aankunnen, te weinig opgeleid zijn.
Sinds 1995 behaalden de Vlaamse onderwijzers voor TIMSS-wiskunde steeds een Europese topscore - veel hoger dan de Franse onderwijzers die al sinds 1989 universitair worden opgeleid - en zelfs hoger dan de Finse die ook een universitaire opleiding genoten. Voor PISA-wiskunde-2015 behaalden de universitair opgeleide leerkrachten in Frankerijk amper 486 punten - bijna een jaar achterstand op de Vlaamse 15-jarigen.
De Leuvense onderwijskundigen Jan Van Damme en Co pleiten er al sinds 1989 voor om naar het voorbeeld van Frankrijk ook de Vlaamse leerkrachten basisonderwijs en de regenten universitair op te leiden. Het is niet verwonderlijk dat ze nu de tegenvallende PIRLS-uitslag misbruiken. Het is even verwonderlijk en oneerlijk dat ze de nefaste gevolgen van de overschakeling op universitaire opleidingen in Frankrijk blijven verzwijgen.
Bijlage: taalrelativisme
Dirk Van Damme wijst terecht op de nefaste gevolgen van het taalrelativisme in Vlaanderen.
Sinds 1993 al waarschuwt Onderwijskrant geregeld voor de uitholling van het taalonderwijs door de vele taalrelativisten - met op kop m.i.: het Leuvens taalcentrum van Van den Branden, Gents Steunpunt Diversiteit van Van Avermaet, leerplanopstellers Guimardstraat als Ides Callebaut, ...
Wanneer bieden Vlaamse nieuwlichters/edukwakzalvers - net als de Zweedse ondewijskundige Linderoth hun excuses aan voor twintig jaar en meer onderwijsideologie: neomanie, taalrelativisme, ontscholing, egalitaire ideologie ...?
Wanneer bieden Vlaamse nieuwlichters/edukwakzalvers - net als de Zweedse ondewijskundige Linderoth hun excuses aan voor twintig jaar en meer onderwijsideologie: neomanie, taalrelativisme, ontscholing, egalitaire ideologie ...?
Deze Zweedse hoogleraar biedt zijn excuses aan voor twintig jaar onderwijsideologie. Daar kan Nederland van leren
J Visser in De Correspondent
Commentaar: ook hoog tijd dat de vele Vlaamse nieuwlichters hun excuses aanbieden.
-------
Een opmerkelijke bijdrage aan het begin van het schooljaar kwam van Jonas Linderoth, hoogleraar onderwijs aan de Universiteit van Göteborg. De kern van zijn stuk in Dagens Nyheter: mijn excuses voor wat ik het onderwijs de afgelopen twintig jaar heb aangedaan.
Linderoth beschrijft hoe hij en collega-pedagogen in de jaren negentig het onderwijs wilden veranderen. Leerlingen zouden meer vanuit hun eigen interesse en motivatie moeten leren, het onderscheid in traditionele vakken zou afgeschaft moeten worden en het klaslokaal zou niet het verhaal van de docent, maar het zelfstandig werken van de leerling moeten ondersteunen.
Ook Linderoth mocht die visie als pas gediplomeerd student op congressen delen. Op een conferentie in Stockholm stelde hij bijvoorbeeld dat hij meer Engels had geleerd van muziek dan op school, een claim die hij ondersteunde met een foto waarop hij temidden van spelende kinderen Pink Floyds Another brick in the wall (We dont need no education) speelde.
Daarover schrijft hij nu: Vandaag huiver ik door het hele lichaam van schaamte als ik nadenk over de simplistische en populistische boodschap die ik overgebracht. (Tenminste, zo vertaalt Google Translate het)
Vanzelfsprekend veranderden de opvattingen over wat een goede docent kenmerkt mee. Die docent zou niet langer een wijs persoon op een podium moeten zijn, maar een gids die de pagina volgt. Een wiskundeprofessor en pionier op het gebied van digitaal leren, Seymour Papert, stelde dat de docent de honger van leerlingen om zelf de wereld te ontdekken alleen maar in de weg stond. Linderoth schrijft dat de traditionele docent voor de klas tijdens zijn eigen lerarenopleiding in de jaren negentig haast werd gezien als een moderne versie van de sadistische tiran Caligula.
Geen wonder dat niemand meer leraar wil worden, concludeert Linderoth. Twintig jaar lang hebben we de status van de docent proberen te ontmantelen. En hij droeg daaraan bij.
Het komt allemaal zo verschrikkelijk bekend voor. Van de docent die een coach zou moeten zijn tot internetpionier die de volgende onderwijsrevolutie aankondigt. Er kan geen onderwijscongres voorbijgaan of een goeroe moet opmerken dat leerlingen van nature nieuwsgierig zijn - en dat onderwijs die nieuwsgierigheid de nek omdraait. De Pink Floyd-anekdote heb ik de afgelopen jaren in velerlei vormen voorbij horen komen. Onderwijs2032, het belangrijkste onderwijsadvies van de afgelopen jaren, heeft de mond vol van vakoverstijgend en interdisciplinair leren.
We hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden om over twintig jaar te concluderen dat de spaken krom staan. Van de bijdrage van Linderoth kunnen we ook in Nederland leren,.
Transbaso-studie versus ons Leuvens CSPO- doorstromingsonderzoek van 1969-1970 : deels analoge vaststellingen, maar andere interpretatie en conclusies, andere conclusies ook dan in 13 andere studies
Transbaso-studieversus ons Leuvens CSPO-
doorstromingsonderzoek van 1969-1970 : deels analoge vaststellingen, maar totaal andere interpretatie en conclusies
Transbaso-uitspraken over onze eerste graad s.o. versus andere conclusies in recente studie onderwijsstelsels van Van de Werfhorst e.a.
Transbaso-conclusies over functioneren van onze gedifferentieerde eerste graad s.o.: ook haaks 13 internationale studies van Jaap Dronkers, Finse, Duitse, Amerikaanse en Vlaamse onderzoekers
------
De transbaso-onderzoekers onderzochten de doorstroming van
leerlingen naar het secundair onderwijs in 18 Antwerpse en 18 Gentse scholen. Zelf participeerde ik aan de
eerste grootscheepse doorstromingsstudie en dit voor 5.000 leerlingen die in
1969-1970 in het zesde leerjaar secundair zaten- net voor de invoering van het
VSO : de Leuvense CSPO-doorstromingsstudie.
Al in 1969-1970 stelden we vast dat praktisch alle de leerlingen met behoorlijke
leerresultaten in het zesde leerjaar doorstroomden naar het aso. Ook de
transbaso-onderzoekers stelden nu bijna 50 jaar later vast dat de doorstroming naar een aso-optie in
de eerste graad s.o. in heel sterke mate gebaseerd is op de leerprestaties voor
rekenen en taal en dus niet op de sociale afkomst van de leerlingen. We voegen er nog aan toe:Nederlandse en Vlaamse onderzoekers o.a.
Jan Van Damme - stelden ook al vast dat er een grote overeenkomst wis tussen de
leerresultaten in het secundair en deze
in het lager onderwijs. Ook dat wijst er op dat degedifferentieerde structuur van onze eerste
graad/ lagere cyclus s.o. niet de oorzaak is van deze verschillen.
In onze Leuvense studie van 1969-1970stelden we ook al vast dat er bij bij
leerlingen met een schooluitslag lager onderwijs waarvan men mag verwachten dat
ze aso niet zouden aankunnen, er toch een aantal zijn die doorstroomden naar
het as; en dat dit te hoog mikken het
meest het geval was bij leerlingen uit hogere milieus. In de transbaso-studie
stelde men ongeveer hetzelfde vast. Ouders uit hogere milieus zullen vlugger
dit risico willen lopen dan ouders uit lagere milieus. En omdat CLBs en leerkrachten beseffen dat
die leerlingen in het secundair onderwijs meer kans lopen om van huis uit extra
ondersteund te worden, is het ook begrijpelijk dat ze het iets minder vlug
zullen afraden.
De transbaso-onderzoekers wijtendie laatste vaststellingin de eerste plaats en ten onrechte aan de differentiatie
in de eerste graad.Ze vinden het te
hoog mikken ook ten onrechte catastrofaal voor de leerlingen. In een studie van
een aantal jaren geleden concludeerde prof. Jan Van Damme dat het eerder te
hoog mikken interessante is dan te laag mikken. Ook prof. Jaap Dronkers e.a
concludeerden in hun studie dat het feit dat in Vlaanderen opvallend veel leerlingen
kiezen voor een veeleisende aso-optie eenpositieve zaak is: in: High
performance of Dutch and Flemish 15-year-old native pupils. Hun conclusie
luidt: Delagere cyclus Vlaams
onderwijs is uniek: slaagt erin
eengrote mate sociale gelijkheid te
combineren methoge effectiviteit
dankzij de uniekegedifferentieerde structuur
waarbij70% starten metveeleisende aso-optie . Die uitdaging voor de
12-jarigen is volgens Dronkers en Covrij positief. Zij stellen ook dat als leerlingen merken dat ze te hoog
gemikt hebben, in Vlaanderen ook vlot geheroriënteerd worden naar een meer
passende studie-optie. Een analoge conclusie in onderzoek van Roxanne Korthals
:Het indelen van leerlingen in verschillende onderwijsniveaus in secundair
onderwijsheeft een positief effect op
de leerresultaten, mits de selectie plaatsvindt op basis van talent"
(zoals in Vlaanderen grotendeels geval is). Dee conclusies in de twee vermelde Nederlandse
studies staan dus haaks op de transbaso-conclusies.
Minder keuze voor tso-optie
De tabasco-onderzoekers betreuren dat slechts 20% van de leerlingen een technische
optie kiest. Voor heel Vlaanderen was dit tot voor kort 30%. Die daling van het
percentage l kan te wijten zijn aan de steekproef + ook aan het feit dat door
de invoering van de STEM-optie in aso-scholeneen aantal leerlingen nu oo de indruk kregen dat ze ook deze aso-optie
aankunnen. Minister Crevits en Co propageerden
de invoering van STEM vanuit het
perspectief van de herwaardering van het tso, maar het effect is eerder
tegengesteld. In 1969 kozen nog meer
leerlingen voor het tso en in die tijd waren de tso-scholen ook nogvan een hoger niveau en meer gewaardeerd dan
op vandaag het geval is.De invoering van het VSO vaanf 1970 leidde al tot een
sterke aderlating voor het tso. Het feit
ook dat sociologen, politici voortdurend spreken over waterval heeft mede de
waardering voor tso/bso aangetast.
De baso-onderzoekers trekken duidelijk totaal andere conclusies hun studie dan veel andere odnerzoekers en dat
dezewij trokken uit onze CSPO-studie van 1969-1971. . Wat
concludeerden wij in 1971: gezien de leerlingen in het zesde leerjaar vooral op
basis van hun leerresultaten doorstromen naar een richting in het s.o., en
gezien de leerresultaten in het s.o. in grote mate overeenstemmen met deze in
het lager onderwijs, stelden we net als in het Nederlands Talentenonderzoek van
Van Heek e.a. dat het nastreven van betere ontwikkelingskansen voor kansarme
leerlingen zich minder situeerde op het niveau van het s.o. : Van Heek sprak
van te weinig nog ontginbaar talent in het s.o. Volgensde Nederlandse onderzoekers en volgens ons situeerde de GOK-inspanning zich vooral op het niveau van het kleuter- en het lager
onderwijs. In een reeks VRT-uitzendingen over onderwijskansen in 1972 hebben
wij dat standpunt dan ook verdedigd. En ook de voorbije decennia was dit ons
GOK-stokpaardje, maar de Vlaamse onderwijssociologen bleven alle heil
verwachten van een gemeenschappelijke eerste graad en vele zelfs van een
gemeenschappelijke eerste en tweede graad.
------
Recente studie onderwijsstelsels van Van de Werfhorst e.a. komt tot andere en veel minder stellige conclusies dan Transbaso
In ONDERWIJSSTELSELS VERGELEKEN: LEREN, WERKEN EN BURGERSCHAP (2017), formuleren Herman Van de Werfhorst e.a. nu veel minder stellige uitspraken over differentiatie in de eerste graad s.o. dan voorheen en vaak ook andere conclusies dan de Vlaamse sociologen en de Transbaso-sociologen. Een paar voorbeelden.
We moeten ons vooreerst hoeden voor al te stellige uitspraken. In de eerste plaats is het niet zo dat er in stelsels met een latere selectie in s.o. en zonder hiërarchisch geordende schooltypen geen kansenongelijkheid tussen sociale milieus bestaat. Het verschil komt daar alleen anders tot stand. De leerlingen worden binnen de school ingedeeld naar niveau voor alle vakken of kiezen voor vakken op verschillende niveaus.
"De meeste internationale prestatie-indicatoren stellen ons niet in staat om leerlingen in de tijd te volgen, waardoor we niet met stelligheid kunnen aannemen dat de gevonden correlaties ook werkelijk oorzakelijke verbanden zijn. (Commentaar: we zouden b.v. ook moeten kijken naar de situatie in de hogere cyclus s.o. En dan blijkt b.v. dat in Finland de correlatie SES-schoolresultaten heel groot is, veel hoger dan in de lagere gemeenschappelijke cyclus. In Finland is er een heel sterke selectie na het 3de jaar s.o.)
Gedifferentieerde systemen (zoals b.v. eerste graad s.o. Vlaanderen) zijn efficiënter in de vorm van een hogere PISA-score op wiskunde en natuurwetenschappen, maar niet op taal, en alleen als ze zeer sterk differentiëren én scholen leerlingen bij de toewijzing sterk selecteren op basis van cognitieve kenmerken. (ook differentiatie in sterke Oost-Aziatische landen.)
Uit onze landenvergelijkende studies blijkt dat vroege selectie kan leiden tot een efficiëntere verwerving van typisch schoolse vaardigheden zoals wiskunde en natuurwetenschappen. Bij taal wordt dat verschil echter niet gevonden, wat te maken zou kunnen hebben dat taalverwerving ook buiten de context van de school plaatsvindt. Bovendien blijken wel enkel beter te presteren als ze dat a) heel gedifferentieerd doen (minimaal vier niveaus) en b) de toewijzing vooral gebeurt op basis van cognitieve entreevereisten. Met andere woorden, de uitkomsten wijzen erop dat vroege selectie gunstig kan zijn, maar daarvoor geldt wel: doe het goed of doe het helemaal niet.
De rationale daarachter is vermoedelijk dat alleen in sterk gedifferentieerde systemen de leerstof echt wordt aangepast aan het niveau van de leerling. In ongedifferentieerde systemen moet een leraar ook rekening houden met verschillen in cognitieve prestaties, simpelweg door de grote verschillen binnen de klas. Leraren spelen daarop in door meer maatwerk te geven aan leerlingen. In de weinig gedifferentieerde systemen met maar twee of drie niveaus, passen leraren de leerstof wel aan de gemiddelde leerlingen in die niveaus aan, maar de heterogeniteit is toch nog te groot om dat goed te doen en weer te laag om maatwerk te leveren. Het is intuïtief eveneens goed te begrijpen dat differentiatie alleen werkt als het plaatsvindt op basis van een sterke selectie op cognitieve entreevereisten. Dit is immers de enige manier om de homogeniteit binnen de niveaus te bewerkstellingen, zodat de leerstof ook optimaal op de leerlingen kan worden afgesteld.
Onderzoekers: "Het feit dat Finland, een goed presterend land (commentaar: maar nog altijd zwakker voor PISA- & TIMSS-wiskunde dan Vlaanderen) & veel minder toppers)pas op latere leeftijd selecteert, wekt de indruk dat uitstel niet noodzakelijk nadelig hoeft te zijn voor het gemiddelde prestatieniveau. Dat is echter eenonvoldoende bewijs, omdat ook andere factoren van invloed kunnen zijn op de prestaties van een land. Voor die factoren moeten we in ons onderzoek dus controleren. De meeste internationale prestatie-indicatoren stellen ons niet in staat om leerlingen in de tijd te volgen, waardoor we niet met stelligheid kunnen aannemen dat de gevonden correlaties ook werkelijk oorzakelijke verbanden zijn." (Commentaar: we zouden b.v. ook moeten kijken naar de situatie in de hogere cyclus s.o. En dan blijkt b.v. dat in Finland de correlatie SES-schoolresultaten veel hoger is dan in de lagere gemeenschappelijke cyclus. In Finland is er een heel sterke selectie na het 3de jaar s.o.) ------ Internationale studies die conclusies van Vlaamse sociologen weerleggen
We vermelden ook nog een aantal studies die uitwezen dat
Vlaanderen in vergelijking met ander landen goed scoort inzake sociale
gelijkheid en leerprestaties van de
zwakkere leerlingen ook al trokken Vlaamse sociologen op basis van dubieuze
criteria andere conclusies.Zo is de
prestatiekloof een dubieus criterium. Even fout is de voorstelling van de correlatie met het scholingsniveau
van de ouders als een louter sociale
factor;hierbij wordt de grote invloed van deintellectuele aanleg in die samenhang niet meegerekend en wekken de
sociologen ook de indruk dat de school in staat is om zomaar alle
milieu-invloeden weg te werken.
De Vlaamse PISA-2000 verantwoordelijkeLuc Van de Poeleponeerde : Ons Vlaams onderwijs is ook heel
efficiënt voor leerlingen uit delagere klassen. Zij worden niet achtergesteld
zoals sommigen in de media voorstellen: ze scoren zéér behoorlijk" (De Standaard,
30.10. 02)
Prof Jan Van Damme concludeerde in TIMSS-2003-rapport: Uit
TIMSS blijkt dat Vlaanderen in vergelijking met alle andere landen (samen met
Hongkong, Taipei en Nederland )er het best in slaagt zo veel mogelijk
leerlingen (minstens)lage standaard te
doen bereiken :99% voor Wiskunde en 98% voor
wetenschappen. (Opvallendis ook dat de
sociologen zwijgen over TIMSS, niettegenstaande TIMSS veel beter dan PISA het effect van het onderwijs voor wiskunde
e.d. weergeeft
Finse onderzoekers poneerden: Excluding immigrant students
considerably alters the country league tables: On top of the list in the PISA
2003 mathematics, Finland is replaced by Belgium and the Netherlands (Finland
and PISA Explanations and reasons, 2011 zie Internet).
TIMSS-studie van R. Hofman e.a het Vlaams onderwijs doet
het in vergelijking met andere landen goed inzake het verschil tussen kansarme
en kansrijke autochtone lln. A cross-country comparison on quality and equity,
2004, Kluwer#crevts @koendaniels
@AnnBrusseel
Joachim Wuttke concludeerde: Beschränkt man den
internationalen Vergleich auf im jeweiligen Land geborene Schüler, wird Finnl
in manchen Teiltests überholt von flämisch Belgien& den Niederlanden (PISA:Nachträge zu
einer nicht geführten Debatte GDM-Mitteilungen 87 · 2009 21#crevits #hetcov
Onderzoeker Hagemeister concludeerde One ofmost important background variables islanguage spoken at home. Excludingimmigrant students of the country league
PISA-tables: On top of the 2003 mathematics league table, Finland is replaced
by Belgium and the Netherlands #crevits @kathondvla
Ludger Woessmann concludeerde op basis van TIMSS: Vlaanderen
is het landdat de meest gelijke resultaten
behaalt voor lerlingen metverschillende
familiale achtergrond; . (How equal are educational opportunities? Family
background and student achievement in Europe and the US, zie Internet).
In een lijvige studie concludeerde de Brusselse psycholoog
Wim Van den Broeck: Uit PISA-2012 blijkt opnieuw dat Vlaanderen een goede score
behaalt inzake sociale gelijkheid en veel onderwijskansen biedt; en dat onze gedifferentieerde eerste graad
goed functioneert ( Zie bijdrage uit Onderwijskrant nr. 169).
Op ons blog stelden we uitvoerig 13 erstige studies voor die
wijzen op het feit dat Vlaanderen ook inzake sociale gelijkheid goed scoort in
vergelijking met andere landen.
P.S. 13 studies - ook van socioloog Dronkers -die wijzen opgrote sociale gelijkheid Vl onderwijs én op onze unieke en effectieve
1ste gr s.o. Haaks op transbaso-onderzoekers,Jacobs,, Nicaise, Agirdag, Van Houtte ...http://www.bloggen.be/onderwijskrant/archief.php?ID=2875019
M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het decreet 'passend onderwijs' Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee
M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het decreet 'passend onderwijs' Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee
Rene Kneyber 16:13, 6 december 2017Kinderen die niet naar school gaan, de zogenoemde thuiszitters, worden door de overheid ook wel beschouwd als het 'kanariepietje in de kolenmijn' van passend onderwijs.
Want als iedere leerling 'passend' onderwijs zou ontvangen dan zou er ook geen aanleiding meer zijn om niet naar school te gaan. Hoe beter het onderwijs 'past' hoe minder kinderen thuis komen te zitten. Lekker overzichtelijk.
(Via 'passend onderwijs' kunnen leerlingen die op andere vlakken niet mee kunnen komen dankzij een aangepast programma toch meedraaien in het reguliere onderwijs. Lees het eerdere verhaal in Trouw 'De nieuwe trend: passend onderwijs voor iedereen'.) Vorige week liet een basisschoolleerkracht me een opname uit zijn les horen. Terwijl hij instructie gaf aan de klas, zat een leerling dwangmatige keelgeluiden door hem heen te maken. De... hele... tijd... De jongen is zo beperkt dat hij een-op-een-begeleiding nodig heeft om te kunnen functioneren. Maar ja, in een gewone klas op een gewone school zijn er ook nog andere kinderen. De school had dan wel al een aanvraag voor speciaal onderwijs gedaan, maar moest nu weer een maand wachten omdat er iets niet klopte in de papieren. Niet dat er over een maand dan meteen een plek is, natuurlijk. Maar hij zit in ieder geval niet thuis.
Nog zoiets: drie weken geleden bleek dat voor het eerst in jaren weer meer leerlingen naar het speciaal onderwijs zijn gegaan. Daartussen zitten veel leerlingen, zoals de jongen van hiervoor, die veel te lang in het regulier onderwijs hebben gezeten zonder de juiste begeleiding. Zij komen uiteindelijk zwaar beschadigd alsnog op de juiste plek. Tv-programma 'De Monitor' liet kortgeleden zien hoe dat kan gaan. De 14-jarige jongen Maris kon in het regulier onderwijs met zijn aandachtsstoornis niet meer meekomen, en begon burn-outverschijnselen te vertonen. De scholen in het samenwerkingsverband zaten kennelijk zó niet op hem te wachten, dat ze een privé-school een enorme sloot geld betaalden om hem les te gaan geven. Dat schijnt vaker te gebeuren, maar ja, de cijfers ontbreken. Wel mooi: hij zat in ieder geval niet thuis.
Ik zal niet de eerste zijn die zal zeggen dat passend onderwijs mislukt is. Het is een complexe operatie, we moeten besturen wel de tijd gunnen voor we erover mogen oordelen. Maar het succes van de hele hervorming ophangen aan het aantal thuiszitters, en verder niets weten van wat er eigenlijk in lessen gebeurt, en wat voor 'oplossingen' er zoal door samenwerkingsverbanden worden verzonnen, dat lijkt mij nogal onverantwoordelijk, en vooral vragen om problemen.
René Kneyber deelt zijn ervaringen als wiskundeleraar op het vmbo. Lees zijn eerdere columns hier.
Kinderen die niet naar school gaan, de zogenoemde thuiszitters, worden door de overheid ook wel beschouwd als het 'kanariepietje in de kolenmijn' van passend
Meritocratisch onderwijs: ja! Meritocratische maatschappij: Neen! Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme : reactie op recente egalitaire uitspraken van prof. Ides Nicaise en op visie van transbaso-onderzoekers
Meritocratisch onderwijs: ja! Meritocratische maatschappij: Neen! Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme : reactie op recente egalitaire uitspraken van prof. Ides Nicaise en op visie van transbaso-onderzoekers
Meritocratisch onderwijs is heel iets anders - dan een meritocratische maatschappij (zie deel 1)
Maar egalitaristen als Nicaise, Jacobs, Agirdag, transbaso-onderzoekers, Van Avermaet, Gennez, Meuleman ...beseffen dat blijkbaar nog niet. Egalitaire prof -economist Ides Nicaise pakte in Tertio 12 juni 2017 opnieuw uit met zijn egalitaire ideologie (zie deel 2) De Franse onderwijsminister Blanquer stelde onlangs terecht: : Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme
Deel 1 meritocratisch onderwijs : Ja! Meritocratische maatschappij: Neen!
Het onderwijs mag meritocratisch zijn, het is in de eerste plaats de maatschappij en de mensen die het goed stellen die moeten zorgen voor faire maatschappelijke kansen, welzijn van mensen die minder kansen kregen in het leven
Passage uit The Ten SuggestionsChairman Ben S. Bernanke
At the Baccalaureate Ceremony at Princeton University, Princeton, New Jersey The concept of success leads me to consider so-called meritocracies and their implications. We have been taught that meritocratic institutions and societies are fair. Putting aside the reality that no system, including our own, is really entirely meritocratic, meritocracies may be fairer and more efficient than some alternatives.
But fair in an absolute sense? Think about it. A meritocracy is a system in which the people who are the luckiest in their health and genetic endowment; luckiest in terms of family support, encouragement, and, probably, income; luckiest in their educational and career opportunities; and luckiest in so many other ways difficult to enumerate--these are the folks who reap the largest rewards. The only way for even a putative meritocracy to hope to pass ethical muster, to be considered fair, is if those who are the luckiest in all of those respects also have the greatest responsibility to work hard, to contribute to the betterment of the world, and to share their luck with others. ------
Deel 2: Le vrai ennemi de l'école , c'est l'égalitarisme .
Egalitaire prof -economist Ides Nicaise pakte in Tertio 12 juni 2017 opnieuw uit met zijn egalitaire ideologie.
Nicaise: "De schoolloopbaan wordt meer bepaald door sociale afkomst dan door talenten." En verder ook : Het Vlaams onderwijs scoort wel uitstekend voor PISA e.d., maar is tegelijk 'berucht' om sociale ongelijkheid.
We formuleerden al herhaaldelijk kritiek op de egalitaire ideologie van Nicaise en co. Nog dit: als kinderen in lagere milieus veel lager zouden scoren dan in andere landen, dan zou Vlaanderen voor PISA & TIMSS uiteraard ook al wiskundig gezien geen topscores kunnen behalen.
Reacties op die uitspraken Nicaise op twitter: *Prof.-psycholoog: Wim Van den Broeck: Mocht kloppen wat Nicaise beweert, dan zou erfelijkheidsfactor voor IQ- en prestatieverschillen veel lager liggen dan bekend is.
*Prof.-psycholoog Wouter Duyck: Sorry, Tertio is geen A1 tijdschrift *Pedagoog Koen Daniëls: Tja... als je alle OESO, PISA en ander internationaal onderzoek alsook IQ negeert. Nicaise zwijgt over zijn ideologisch profiel.
Nicaise heeft naar eigen zeggen in Tertio aan den lijve ervaren wat een elitaire school is. Zijn vader-professor stuurde hem naar het elitaire college van de abdij van Zevenkerken (Loppem). Daar heeft hij uiteraard weinig/geen arbeiderskinderen ontmoet.
Ik bezocht tien jaar vroeger (1958-1964) een gewoon college en in mijn klas wetenschappelijke A zaten bijna uitsluitend handarbeiderskinderen die achteraf ook hoge scores behaalden aan de universiteit. Maar volgens Nicaise is er ook nooit sprake geweest van echte democratisering van het onderwijs. Een andere egalitaire stelling van Nicaise luidt: "De intellectuele aanleg is ook nog op vandaag evenredig verdeeld over alle maatschappelijke klassen."
In Tertio beweert Nicaise eveneens dat de kansarmere leerlingen te weinig worden uitgedaagd. Maar destijds pleitte ook hij tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs: "
In 2007 drukte prof. Ides Nicaise de gangbare sociologische verklaring en vergoelijking zo uit: De jonge allochtone leerlingen zijn (taalkundig) niet gehandicapt; het gaat enkel om achterstelling in de maatschappij en op school We mochten volgens Nicaise & CO ook geen heil verwachten van intensief NT2 en achterstandsdidactiek, want die waren volgens hem gebaseerd op het deficit-model, op de theorie van de socio-culturele handicap.(De school van de ongelijkheid, 2007 EPO). Hij pleitte destijds ook voor de nefaste kindvolgende, ervaringsgerichte aanpak.
Bijlage: kritiek van prof. -socioloog Jaap Dronkers op egalitaire ideologie van veel sociologen
Prof. Jaap Dronkers liet zich herhaaldelijk kritisch uit over de egalitaire ideologie van veel van zijn vakgenoten-sociologen. (De Vlaamse onderwijssociologen Jacobs, Van Houtte, Agirdag, Nicaise ... waren niet opgetogen met zijn kritiek op hun analyses)
Dronkers publiceerde b.v. op 8 maart 2014 de opgemerkte opiniebijdrage Intelligentie en schoolprestaties: primaire en secundaire effecten van ouderlijk milieu op de blog stukroodvlees (zie Internet voor de volledige bijdrage en voor de verwijzingen en tabellen). Hij verdedigde daarin standpunten die we ook al lange tijd in Onderwijskrant verdedigden en die regelrecht ingaan tegen analyses van de Vlaamse onderwijssociologen over onderwijskansen e.d. Dronkers verduidelijkte in die bijdrage dat de sociologen zelf aanleiding gaven tot de kritiek dat ze ervan uitgaan dat ouderlijk milieu en intelligentie niet samenhangen en dat ze al te vlug stellige uitspraken doen over SES-correlaties, sociale discriminatie en onderwijsstelsels b.v. omtrent de vele zegeningen van een gemeenschappelijke lagere cyclus s.o. en van het werken met heterogene klassen.
Dronkers bekritiseerde de egalitaire ideologie als volgt: Vanaf de jaren zestig bestaat er al een taboe op verschillen in intelligentie en intellectuele aanleg. Er zijn ook nog steeds mensen die niet aannemen dat momenteel de gemiddelde intelligentiescore van (autochtone) leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die van kinderen in hogere klassen. Het onderwijsbeleid en de GOK-ideologie gaan ook nog altijd uit van dat vele ontginbare talent uit de lagere klassen.
In het belangrijkste deel van zijn analyse vraagt Dronkers zich af waar de kritiek op de sociologen vandaan komt. Zijn belangrijkste stelling luidt: Het modieuze radicalisme van de tweede helft van de 20ste eeuw zag de structuur of de maatschappij als dé oorzaak van bijna alle individuele verschillen tussen individuen. Binnen de sociologie en aanpalende disciplines werd het als politiek incorrect gezien om die individuele verschillen (b.v. leerprestaties, crimineel gedrag...) los hiervan te analyseren. De structuur van de maatschappij en van het onderwijs - en vooral de sociale discriminatie - waren de oorzaken van het feit dat minder (hand)arbeiderskinderen participeerden aan het aso, enz.
Volgens Dronkers bleek het afwijzen van de invloed van de erfelijke aanleg en intelligentie en het milieudeterminisme destijds ook al uit het tumult rondom het boek The Bell Curve van Herrnstein en Murray, uit de grofheid van de aanvallen van sociologen op deze personen. (Dit boek wees o.a. op de grote invloed van de erfelijke aanleg op het IQ.) Dit tumult maakte onderwijssociologen terughoudend om met hun analyses naar de relaties tussen ouderlijk milieu en intelligentie naar buiten te komen. Mijn heranalyse van het boek The Bell Curve met superieure Nederlandse data werd gepubliceerd in het psychologen-tijdschrift Psychologie en Maatschappij (87:152-165), buiten het zicht van medesociologen en buitenstaanders...
De nasleep van het modieuze radicalisme in de sociologie duurde lang en is nog steeds niet geheel verdwenen. Zo wordt intelligentie in de belangrijkste Nederlandse datasets die sociologen gebruiken niet gemeten, in tegenstelling tot het behaald opleidingsniveau. Het is dus niet vreemd dat buitenstaanders denken dat onderwijssociologen intelligentieverschillen onbelangrijk vinden. Elders betreurde Dronkers dat er ook nog steeds veel mensen en sociologen zijn die niet aannemen dat momenteel de gemiddelde intelligentiescore van autochtone leerlingen uit de lagere klassen substantieel lager is dan die van kinderen in hogere klassen. Als de relatie tussen de intellectuele aanleg van de leerlingen en het scholingsniveau & de beroepspositie van de ouders vrij groot is, dan kan men de correlatie tussen de schoolprestaties en het ouderlijk milieu niet zomaar toeschrijven aan het feit dat leerlingen uit lagere milieus minder onderwijskansen krijgen.
Dronkers betreurde verder dat veel sociologen zich aansloten/ aansluiten bij de dubieuze visie van de bekende Franse socioloog Pierre Bourdieu. Dronkers: De Franse socioloog Pierre Bourdieu introduceerde het al dan niet bezitten van het juiste culturele kapitaal als een belangrijke verklaring van de relatie tussen ouderlijk milieu en onderwijsprestaties, naast financieel en sociaal kapitaal. Dit begrip werd al snel een panacee voor veel sociologen om alle onderwijsongelijkheid mee te verklaren. Daarmee verdwenen andere verklaringen, zoals de relatie tussen ouderlijk milieu en intelligentie, uit het zicht.
Dronkers wijst er vervolgens op dat op basis van de PISA-data vaak dubieuze vergelijkingen tussen landen worden gemaakt. Hij stelt o.a. : Sinds 2000 zijn cross-nationale data beschikbaar gekomen, die meer bruikbaar zijn om effecten van onderwijsstelsels te meten dan nationale longitudinale datasets. De bekendste zijn de PISA-data. Het grote bezwaar van deze cross-nationale data is echter dat ze een momentopname vormen en dat een aantal politiek gevoelige kenmerken, waaronder (invloed van ) intelligentie en religie, niet worden gemeten.
Daardoor verdwijnt in de analyses het onderscheid tussen het primaire, secundaire en tertiaire effect van ouderlijk milieu en lijken alle onderwijsverschillen verklaard te worden door ouderlijk milieu en onderwijsstelsels. De politieke afhankelijkheid bij cross-nationale data leidt ook tot foute schattingen van de relaties tussen ouderlijk milieu en taal- en rekenvaardigheden in OESO-landen. De officiële PISA-rapporten en sociologische analyses houden veelal geen rekening met de grote verschillen in achtergrondkenmerken van de leerlingen, in de samenstelling van de leerlingenpopulatie.
Dronkers wijst er vervolgens nog op dat in de officiële PISA-vergelijkingen er ook geen rekening gehouden wordt met de enorme verschillen tussen de allochtone leerlingen. Dronkers: De officiële PISA-publicaties behandelen alle migranten als een homogene groep. Er wordt geen rekening gehouden met de herkomstlanden van migrantenleerlingen en van hun ouders. Minder politiek correct onderzoek met deze PISA-data laat zien dat verschillen in herkomstlanden belangrijker zijn voor de verklaring van onderwijsprestaties van migrantenleerlingen dan verschillen in bestemmingslanden. (Dronkers verwijst naar eigen onderzoek.)
M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het M-decreet Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee
M-decreet: ook in Nederland gaat er veel fout bij het M-decreet
Er gaat veel fout bij 'passend onderwijs', en de overheid heeft geen idee
Rene Kneyber 16:13, 6 december 2017
Kinderen die niet naar school gaan, de zogenoemde thuiszitters, worden door de overheid ook wel beschouwd als het 'kanariepietje in de kolenmijn' van passend onderwijs.
Want als iedere leerling 'passend' onderwijs zou ontvangen dan zou er ook geen aanleiding meer zijn om niet naar school te gaan.
(Via 'passend onderwijs' kunnen leerlingen die op andere vlakken niet mee kunnen komen dankzij een aangepast programma toch meedraaien in het reguliere onderwijs. Lees het eerdere verhaal in Trouw 'De nieuwe trend: passend onderwijs voor iedereen'.)
Vorige week liet een basisschoolleerkracht me een opname uit zijn les horen. Terwijl hij instructie gaf aan de klas, zat een leerling dwangmatige keelgeluiden door hem heen te maken. De... hele... tijd... De jongen is zo beperkt dat hij een-op-een-begeleiding nodig heeft om te kunnen functioneren. Maar ja, in een gewone klas op een gewone school zijn er ook nog andere kinderen. De school had dan wel al een aanvraag voor speciaal onderwijs gedaan, maar moest nu weer een maand wachten omdat er iets niet klopte in de papieren. Niet dat er over een maand dan meteen een plek is, natuurlijk. Maar hij zit in ieder geval niet thuis.
Nog zoiets: drie weken geleden bleek dat voor het eerst in jaren weer meer leerlingen naar het speciaal onderwijs zijn gegaan. Daartussen zitten veel leerlingen, zoals de jongen van hiervoor, die veel te lang in het regulier onderwijs hebben gezeten zonder de juiste begeleiding. Zij komen uiteindelijk zwaar beschadigd alsnog op de juiste plek.
Tv-programma 'De Monitor' liet kortgeleden zien hoe dat kan gaan. De 14-jarige jongen Maris kon in het regulier onderwijs met zijn aandachtsstoornis niet meer meekomen, en begon burn-outverschijnselen te vertonen. De scholen in het samenwerkingsverband zaten kennelijk zó niet op hem te wachten, dat ze een privé-school een enorme sloot geld betaalden om hem les te gaan geven. Dat schijnt vaker te gebeuren, maar ja, de cijfers ontbreken. Wel mooi: hij zat in ieder geval niet thuis.
Ik zal niet de eerste zijn die zal zeggen dat passend onderwijs mislukt is. Het is een complexe operatie, we moeten besturen wel de tijd gunnen voor we erover mogen oordelen. Maar het succes van de hele hervorming ophangen aan het aantal thuiszitters, en verder niets weten van wat er eigenlijk in lessen gebeurt, en wat voor 'oplossingen' er zoal door samenwerkingsverbanden worden verzonnen, dat lijkt mij nogal onverantwoordelijk, en vooral vragen om problemen.
René Kneyber deelt zijn ervaringen als wiskundeleraar op het vmbo. Lees zijn eerdere columns hier.
Pleitbezorgers van de vele zegeningen van het gebruik van de thuistalen op school reppen met geen woord over het belang van intensief NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs in recent VLOR- rapport over talensensibilisering
Pleitbezorgers van de vele zegeningen van het gebruik van de thuistalen op school reppen met geen woord over het belang van intensief NT2-taalonderwijs vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs in recent VLOR- rapport over talensensibilisering - 'tt Is goe, juf, die spreekt mijn taal! -
In het VLOR-rapport over 'talensensibilisering' wordt merkwaardig genoeg met geen woord gerept over het belangrijkste: over het belang van intensief NT2-taalonderwijs (vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.
Dit is geen toeval! Het rapport is opgesteld door neerlandici als prof. Piet Van Avermaet van het Steunpunt Diversiteit Gent, Centrum voor taal en onderwijs van prof. Kris Van den Branden .. die het belang van de kennis van het Nederlands in sterke mate relativeren en die zich al 25 jaar verzetten tegen de invoering van intensief NT2 vanaf de eerste dag van het kleuteronderwijs.
Het is tochook merkwaardig dat de overheid geld besteedt aan het laten opstellen van instrumenten - teksten in de thuistalen e.d. - voor sensibilisering van de thuistalen, maar dat de leerkrachten er hun beklag over doen dat ze weinig of geen leermiddelen krijgen voor NT2.
VLOR-rapport : 'tt Is goe, juf, die spreekt mijn taal! Promotor: dr. Koen Van Gorp (Centrum voor Taal en Onderwijs, K.U.Leuven) Copromotoren: Prof. dr. Lies Sercu (Specifieke Lerarenopleiding Talen, K.U.Leuven) Prof. dr. Piet Van Avermaet (Steunpunt Diversiteit & Leren, UGent) Projectmedewerkers: Mieke Devlieger (Centrum voor Taal en Onderwijs, K.U.Leuven) Carolien Frijns (Centrum voor Taal en Onderwijs, K.U.Leuven) Sven Sierens (Steunpunt Diversiteit & Leren, UGent