Inhoud blog
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Waarom leerlingen steeds slechter presteren op Nederlandse scholen; en grotendeels ook toepasselijk op Vlaams onderwijs!?
  • Inspectie in Engeland kiest ander spoor dan in VlaanderenI Klemtoon op kernopdracht i.p.v. 1001 wollige ROK-criteria!
  • Meer lln met ernstige gedragsproblemen in l.o. -Verraste en verontwaardigde beleidsmakers Crevits (CD&V) & Steve Vandenberghe (So.a) ... wassen handen in onschuld en pakken uit met ingrepen die geen oplossing bieden!
  • Schorsing probleemleerlingen in lager onderwijs: verraste en verontwaardigde beleidsmakers wassen handen in onschuld en pakken uit met niet-effective maatregelen
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Onderwijskrant Vlaanderen
    Vernieuwen: ja, maar in continuïteit!
    07-11-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Honderden onderwijsbijdragen op blog 'Onderwijskrant Vlaanderen'
    Honderden bijdragen op blog 'Onderwijskrant Vlaanderen'

    November 2014

    Datum Titel  
    7-11-2014 Recente onderwijstweets van Raf Feys 0 reacties
    6-11-2014 Onderwijs.M-(inclusie)decreet vereist breuk met klassieke schoolgrammatica & prestatieprincipe 0 reacties
    6-11-2014 Onderwijs. Kosten invoering van M-decreet nog niet berekend & verrekend in beleidsnota minister Crevits 0 reacties
    5-11-2014 Onderwijs. Probleme bei der schulischen Inklusion 0 reacties
    4-11-2014 Onderwijs. Inklusionsdebatte & M-decreet:: Eine unglaubliche Gleichmacherei 0 reacties
    4-11-2014 Onderwijs. Kritiek op inclusief onderwijs (genre M-decreet) in Duitsland vanwege prof. Bernd Ahrbeck 0 reacties
    4-11-2014 Onderwijs. 12 kritische stemmen over invoering inclusief onderwijs (genre M-decreet) in Duitsland 0 reacties
    4-11-2014 Onderwijs. Strijd van Raf Feys en Onderwijskrant tegen constructivistische wiskunde 0 reacties

    Oktober 2014

    Datum Titel  
    27-10-2014 Onderwijs.Kwakkel in de beleidsnota van minister Crevits over groot aantal zittenblijvers en schooluitval 0 reacties
    27-10-2014 Onderwijs. Foute en betreurenswaardige uitspraken van minister Crevit over sociale discriminatie in Vlaams onderwijs 0 reacties
    27-10-2014 Onderwijs. Onzin van prof. M. Valcke over onderwijs eigen schoolloopbaan, competentiegerichte opleidingen 0 reacties
    23-10-2014 Onderwijs. Topscore Vlaanderen inzake geschooldheid en sociale gelijkheid 0 reacties
    21-10-2014 Onderwijs. Gentse PISA-verantwoordelijken weerlegden al in 2003 kwakkel over sociale discriminatie vanVlaamse sociologen & hervormers s.o. 0 reacties
    17-10-2014 Onderwijs. Nederlandse sociologen over superieur karakter lagere cyclus s.o: haaks op beweringen van onze EPO-sociologen 0 reacties
    15-10-2014 Onderwijs. Scholengroepen. Fusie-haast bij Guimardstraat 0 reacties
    9-10-2014 Onderwijs. fantasierijke uitspraken van OESO-orakel Dirk Van Damme in sept. 2013 over ondemocratisch karakter hoger & sec. onderwijs e.d 0 reacties
    8-10-2014 Onderwijs. Reactie op pleidooi (Van Houtte) voor gemeenschappelijke eerste graad in BASIS (COV) van 4 oktober & weerlegging in studie van Dronkers 0 reacties
    4-10-2014 Onderwijs. Ceativiteit versus vakkennis? Neen! 0 reacties
    4-10-2014 Onderwijs. Kan begrijpend lezen aangeleerd worden? 0 reacties
    4-10-2014 Onderwijs. Relativiteit van statistieken over zittenblijven e.d. 0 reacties

    September 2014

    Datum Titel  
    30-9-2014 Onderwijs. Reform Teacher Training: The Manifesto : focussing on basics 0 reacties
    30-9-2014 Onderwijs. Engelse lerarenopleidingen propageren nefaste, modieuze … onderwijsvisie 0 reacties
    30-9-2014 Onderwijs. Nefaste evoluties in hoger onderwijs als gevolg van hervormingen & efficiëntiediscours 0 reacties
    30-9-2014 Onderwijs. Geen toekomst meer voor leerkrachten die jong zijn en volgende 10 jaar afstuderen?! 0 reacties
    30-9-2014 nderwijs. Harry Webb over differentiatiesprookjes: The burden of differentiation 0 reacties
    26-9-2014 Vergelijkingen OESO & Leuvense onderzoekers i.v.m. zittenblijven en sociale gelijkheid zijn FOUT! 0 reacties
    23-9-2014 De lijken in het hoger onderwijs vallen uit de kast. Wie is verantwoordelijk? 0 reacties
    21-9-2014 Onderwijs. Engelse studie: huiswerk is heel belangrijk! 0 reacties
    19-9-2014 Onderwijs. Kritiek op uutspraken van Dirk Jacobs over sociale discriminatie op MO-debat in deBuren 0 reacties
    19-9-2014 Onderwijs. Censuur van MO-magazine:enkel gelijkgezinden krijgen het woord op deBuren-debat 0 reacties
    19-9-2014 Onderwijs. Bedenkingen bij MO-talk Mieke Van Hecke over ons onderwijs 0 reacties
    14-9-2014 Onderwijs. Onderwijsstandpunten van Alderik Visser die aansluiten bij visie van Onderwijskrant: deel2 0 reacties
    14-9-2014 Onderwijs. Standpunten van Alderik Visser die aansluiten bij visie van Onderwijskrant: deel 1 0 reacties
    14-9-2014 Onderwijs. Onderwijsstandpunten van Alderik Visser die aansuiten bij visie van Onderwijskrant: deel 3 0 reacties
    12-9-2014 Onderwijs. Sombere september-onderwijsboodschap van Tegenbos in De Standaard 0 reacties
    10-9-2014 Commentaar op pledooi voor Masterplan vanwege Dirk Van Damme en Ides Nicaise in D.S.(10 sept.) 0 reacties
    10-9-2014 Onderwijs. Kwakkels van Dirk Van Damme (OESO)over hoger onderwijs en sociale discriminatie 0 reacties
    7-9-2014 Onderwijs. Kritiek op Bourdieu's theorie over 'cultureel kapitaal' e.d. 0 reacties
    7-9-2014 Onderwijskrant. Meedogenloze kritiek van Finse lerares op Fins onderwijs 0 reacties
    6-9-2014 Onderwijs. Progressively worse: historiek van ped. nieuwlichterij in Engeland en elders 0 reacties
    6-9-2014 Onderwijs. Tien onderwerpen die leerkrachten in bijscholingen moet vermijden! 0 reacties
    6-9-2014 Onderwijs. Uiteindeijk succes van Ed Hirsch in zijn lange strijd tegen de ontscholing 0 reacties
    6-9-2014 Onderwijs. Kritiek op M-decreet van An Nelissen + reacties 0 reacties
    5-9-2014 Onderwijskrant. Learning Park in 2030: officieel pleidooi voor ontschoolde school 0 reacties
    5-9-2014 Onderwijs. Samen leren: aanbevelingen uit het onderwijs (Nederland) 0 reacties
    2-9-2014 Onderwijs. Staatssecretaris Dekker hekelt specialistische publicaties en het niet openbaar toegangekijk zijn ervan 0 reacties

    Augustus 2014

    07-11-2014 om 18:41 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Datum Titel
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Recente onderwijstweets van Raf Feys

    Raf Feys @FeysRaf Brugge

    Pedagoog, vakdidacticus wiskunde, lezen (DSM-methode), ...ex-coördinator lerarenopleiding & HIVO, publicist, hoofdredacteur onderwijskrant

    5,699 Tweets Join Twitter 5/15/13

    1hRaf Feys @FeysRaf

    Vlaanderen blijft volop investeren in extra ondersteuning scholen gelijke kansen - http://t.co/sy1x8YWh9b via @AddThis #onderwijs #crevits

    3hRaf Feys @FeysRaf

    'Too big to succeed', maar fusie-haast bij Guimardstraat & Lieven Boeve http://t.co/ffXaVOUnx1 nr. 171 #crevits #lievenboeve #onderwijs

    3hRaf Feys @FeysRaf

    Prof. Dronkers over democratisch & effectief karakter van Vl lagere cyclus s.o http://t.co/ffXaVOUnx1 171 #onderwijs #crevits #lievenboeve

    3hRaf Feys @FeysRaf

    Prof. em. Larry Cuban over succes van oerdegelijk jaarklassensysteem in Onderwijskrant 171

    3hRaf Feys @FeysRaf

    5 bijdragen over zittenblijven: statistische en andere kwakkels in Onderwijskrant nr. 171 http://t.co/ffXaVOUnx1 #onderwijs #crevits

    3hRaf Feys @FeysRaf

    Papieren versie van Onderwijskrant nr. 171 is uit. Hoofdthema 'zittenblijven' zie http://t.co/ffXaVOUnx1

    3hRoger Scruton Quotes @Scruton_Quotes

    "A philosopher who says, 'There are no truths, only interpretations,' risks the retort: 'Is that true, or

    Wilbrink @benwilbrink

    Strengere toelating tot de pabo: ik vind het tenenkrommende politiek. Maak het beroep

    3hRaf Feys @FeysRaf

    Vijf Tilburgse hoogleraren verdienen meer dan minister - http://t.co/x518OzVsTr #onderwijs Vlaanderen

    4hRaf Feys @FeysRaf

    Crevits schrapt extra steun voor kansarme leerlingen http://t.co/7geDu94iv8 via @tijd #onderwijs

    20hRaf Feys @FeysRaf

    Wat is de zin van school­grammatica? http://t.co/KZOmvDyBI9 #taalcanon

    20hRaf Feys @FeysRaf

    Wat is de zin van school­grammatica? http://t.co/KZOmvDyBI9 #taalcanon #onderwijs

    21hRaf Feys @FeysRaf

    Bijdrage over onze Directe Systeem Methodiek die toegepast w in recente leesmethodes Vl + Ned http://t.co/MdUqxOALXS #onderwijs #lievenboeve

    21hRaf Feys @FeysRaf

    Professor Sietske Waslander: 'Zwijgen kan niet meer' http://t.co/dpnTHiRplP #onderwijs

    21hRaf Feys @FeysRaf

    22hCasper Hulshof @Titchener

    Hogeschool van Amsterdam in de bocht: bij tentamen antwoorden uitgedeeld in plaats van vragen.

    22hRTL Nieuws @RTLNieuwsnl

    Docenten moeten meer vrijheid krijgen om zelf leermethodes te ontwikkelen, vindt een Kamermeerderheid #onderwijs: http://t.co/3xfUT5ApOT

    22hRaf Feys @FeysRaf

    Unesco-rapport: inclusief ond vereist totale omwenteling van basisgrammatica (degelijk) ond http://t.co/oGh8FC9wj2 #crevits #onderwijs

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    Wat moet u weten over de overgang van primair naar voortgezet onderwijs? - #onderwijs

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    Dekker wil proef met minder regels op scholen - BNR Nieuwsradio http://t.co/1eZmBVMlK8 #BNR #

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    "Grens aan taken schoolinspectie" - NOS Nieuws http://t.co/RjOQ7YVSLy #onderwijs

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    “Maximaal 20 lesuren per week per leraar” - Doe mee, word lid https://t.co/nmOhYTCsZV #onderwijs

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    Unesco:M-(inclusie)decreet vereist totale breuk m gangbare leerplannen & eindtermen http://t.co/oGh8FC9wj2 #crevtis #lievenboeve #onderwijs

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    Leraar bezwijkt onder mondige ouder http://t.co/cXHsmWRPJ8 http://t.co/KuyZz62ite via @telegraaf #onderwijs Vlaanderen

    6 NovRaf Feys @FeysRaf

    Kosten invoering M-decreet niet verrekend in beleidsnota min. Crev. http://t.co/l3qeXKgJIP

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    Grevesmühlen/Klütz: Schulen noch nicht bereit für Inklusion - OZ http://t.co/4dmre9EbYt #onderwijs

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    Teachers’ association says it doesn’t have tools to make inclusion work http://t.co/UGd0zGXlGq #onderwijs #crevits

    5 Novgerard hupperetz @gerardhupperetz

    VK vandaag: " minder regels in het onderwijs" van inspectie maar zeker ook van OCW. " Onderwijs verdient #ruimte http://t.co/39Y36LI4Zl

     Retweeted by Raf Feys

    5 NovKoen Daniëls @koendaniels

    Laat ons met onze taal niet doen wat er in het verleden met onze ruimtelijk ordening is gebeurd ... Verkavelen. #hautekiet

     Retweeted by Raf Feys

    5 NovCasper Hulshof @Titchener

    Excellente scholen mogen meer experimenteren met hun onderwijs. http://t.co/ujc2ZpDSrO - maar

    5 NovWouter Wieldraaijer @wgjwieldraaijer

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    Heropen discussie over lumpsumregeling http://t.co/kKshr2EAGK #onderwijs

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    'Steun zorgleerlingen passend onderwijs onvoldoende' | EenVandaag | AVROTROS http://t.co/dpr2K00X58 via @avropuntnl #onderwijs Vlaanderen

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    Das große Zerstörungswerk der OECD http://t.co/WX1DOnsXZT via @wiwo #onderwijs Vlaanderen

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    Lehrer kritisieren Inklusionspolitik http://t.co/W7fpBYZGba via @wiwo #onderwijs

    5 NovRaf Feys @FeysRaf

    Inklusion macht Essener Grundschulen erhebliche Probleme http://t.co/bhn0Uupr1a #onderwijs Vlaanderen

    5 NovCasper Hulshof @Titchener

    @benwilbrink @hminkema @MoMohandis Kwaliteit wordt met visitatiestelsel allang gewaarborgd.

    5 NovHeather F @HeatherBellaF

    Great article on child centred v 'traditional' education in Scotland p9 http://t.co/OZL1LlCxd3

     Retweeted by Raf Feys

    4 NovBen Wilbrink @benwilbrink

    'Wat is goed onderwijs? Bijdragen uit de onderwijseconomie' Boom, 2014 @Paul_van_Meenen linkedin onderwijseconomie http://t.co/EpCLZOAJUv

     Retweeted by Raf Feys

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Tuition free universities in Finland & Germany http://t.co/3clF9fKEvz via @ #onderwijs

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Behinderte Kinder an Regelschulen: Gemeinsamer Unterricht kostet Hunderte Millionen http://t.co/MCgRFhSMvS via @SPIEGELONLINE #onderwijs

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Inclusief ond S.P.O.N. - Der Schwarze Kanal: Übergang in eine neue Welt http://t.co/mO36XyorFR via @SPIEGELONLINE #onderwijs

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Kritiek op inclusief ond (genre M-decreet) in Duitsl vanwege prof. Ahrbeck http://t.co/qoOTrOBKzf #onderwijskrant #lievenboeve #crevits

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Inklusionsdebatte: Eine unglaubliche Gleichmacherei http://t.co/CYFPwPM3BV #onderwijs #lievenboeve #crevits

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Bijdragen over banalisering AN & 25 jaar uitholling taalonderwijs in Onderwijskrant nr. 153: zie http://t.co/ffXaVOUnx1 #onderwijs

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    12 kritische stemmen over inclusief ond (genre M-decreet) in Duitsland http://t.co/DoNfiE1jrf #onderwijs #lievenboeve #hildecrevits

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Onze tso-lln hebb vlgns PISA-wis een jaar voorsprong op gemidd ll in Zweedse 'brede' lagere cyclus so en 1punt op Finse #lievenboeve

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    De verwondering: Wie heur geen geweld en doet #onderwijs http://t.co/WnGw6qSZ3p

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Onze tso-lln hebb vlgns PISA-wis een jaar schoolse voorsprong op gemidd ll in Zweedse 'brede' lagere cyclus so en 1punt op Finse #crevits

    4 NovBe Involved @beinvolvednl

    Mooi stuk van @prosenmoller. #onderwijs #innovatie Betrouwbare overheid gevraagd http://t.co/4oaYQPCkwo via @volkskrant

    4 NovRaf Feys @FeysRaf

    Strijd in VS en van Raf Feys tegen constructivistisch wiskunde-onderwijs http://t.co/w8S8NgFXuL blog 'Onderwijskrant Vlaanderen' #onderwijs

    3 NovCasper Hulshof @Titchener

    De fijnste manier om met een iPad te lezen: door hem als boekensteun te gebruiken. http://t.co/iUMn0nXtw1

    3 NovDaniel Hugill @DanielHugill

    @mfordhamhistory @deborahweston @thegoldencalfre @philleivers Indeed. And yet for so long knowledge was seen as an annoying distraction.

    3 NovDaniel Hugill @DanielHugill

    @mfordhamhistory @deborahweston @thegoldencalfre @philleivers I want to be able to measure learning against knowledge taught - not skills.

    3 NovDe Standaard Opinie @dsopinie

    3 NovAlderik Visser  @alderikvisser

    @BestuurBon @Lerareninactie @SanderDekker Daartoe leze men mijn afrekening met het begrip

    3 NovBestuur Bon @BestuurBon

    @Lerareninactie @SanderDekker het NL onderwijs overspoeld door leuk- en motivatiegoeroes. Leerlingen zijn gelukkig, maar moeten gemotiveerd.

     3 NovDe Standaard @destandaard

    ‘Geen sprake van racisme bij treinincident Saskia De Coster’ http://t.co/5BuDB71V8x #destandaard

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    „Behinderte Kinder oft überfordert“: Inklusion an Schulen: Experten melden Zweifel an #onderwijs http://t.co/FwpL6hQJ58 … #onderwijs

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    #Edreform has embraced progressive ethos of change says @Smarick. But is new always better? http://t.co/wg27Rk7HgX #onderwijs #lievenboeve

    3 NovEducation Next @EducationNext

    #Edreform has embraced the progressive ethos of change, says @Smarick. But is new always better? http://t.co/dEBFkvFy0D

     3 NovEducation Next @EducationNext

    "Where’s the person in personalized learning?" asks @juliaffreeland http://t.co/dTDZk8Hr7k #edtech

    3 NovEducation Next @EducationNext

    How have teachers unions handled #commoncore development and rollout?

    3 NovEducation Next @EducationNext

    Is the contemporary #edreform movement obsessed with everything being “new”? http://t.co/dEBFkvFy0D

    3 NovEducation Next @EducationNext

    We're reading: "Common Core Math Can Be A Mystery, & Parents Are Going To School To Understand It" by @LyndseyLayton http://t.co/T6t6wM0M5Y

     3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Am Rand zu stehen ist schrecklich #onderwijs Vlaanderen http://t.co/YOIoLmFUs8 via @SPIEGELONLINE

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    09.09.2013: Hessen bremst die Inklusion (neues-deutschland.de) http://t.co/VLAGVHK1rv #onderwijs Vlaanderen

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Experten kritisieren Gesetzentwurf: #onderwijs http://t.co/ZXtKkeI2kJ via @wznewsline

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Gegen Inklusion um jeden Preis: Eltern in Niedersachsen kämpfen für den Erhalt der Sprachheilschulenhttp://bit.ly/1wXxeCy #onderwijs

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Kaum Geld für Inklusion http://t.co/r1VFfyRtWy #onderwijs

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Inklusion ja – aber nicht so! - http://t.co/WJsxzC6f9I #onderwijs Vlaanderen #lievenboeve

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Inklusionsdebatte: Alle einschließen, wollen wir das? http://t.co/7rKWNW6BZp via @faz_net #onderwijs Vlaanderen #lievenboeve

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Vieles fehlt bei der Eingliederung Behinderter in die Schulen http://t.co/mXAgTH1rBK #onderwijs #lievenboeve

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Bildungssenatorin Scheeres blockiert Inklusion | Berlin - Berliner Zeitung http://t.co/5k9mpWre1Q #onderwijs via @BLZonline

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Berliner Schulen Schulleiter warnen vor Scheitern der Inklusion http://t.co/eW4HzP5PRJ via @morgenpost #onderwijs #lievenboeve

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Die Inklusion droht an fehlenden Lehrern zu scheitern #onderwijs #lievenboeve http://t.co/euetdwGSnf via @tagesspiegel

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Hoogopgeleiden houden er een vals zelfbeeld op na http://t.co/REETJwqptX? utm_source=twitter&utm_medium=social&utm_content=free&utm_campaign

    3 NovRaf Feys @FeysRaf

    Review: Alphabet http://t.co/VmcNivRuDp #onderwijs Vlaanderen

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    What Sir Ken Got Wrong http://t.co/earHfEyVWu via @joe__Kirby #onderwijs Vlaanderen

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    De klassieke papierlezer bestaat al lang niet meer ????http://t.co/3pvebP39WC #onderwijs

    2 NovPatrick Nathan @patricknathan

    If your writing is hated by the right people, it's often better than praise.

     2 NovRaf Feys @FeysRaf

    Vraagtrkens bij toelatingsproeven hoger onderwijs http://t.co/jeIGvQwyYD … #onderwijs Vlaanderen #crevits

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    No offense: The new threats to free speech http://t.co/jwrXGPrVEm via @WSJ #onderwijs

    2 NovBen Wilbrink @benwilbrink

    Let the text speak for itself. The text even introduces the terrible acronym ‘CUN’ as part of OECD reform ideology: http://t.co/AwDg6Ph7Y1

     2 NovRaf Feys @FeysRaf

    Kritiek op the Self Organised Learning Environment http://t.co/pRmmaStxW1 via @SurrealAnarchy #onderwijs Vlaanderen

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    Seven 'great' teaching methods not backed up by evidence http://t.co/asokYUooXT via @ConversationUK #onderwijs

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    Performance-based research assessment is narrowing and impoverishing the univer in New Zeal, UK and Denm #onderwijs http://t.co/Bbu5AQVMoV

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    2/ Hervormers s.o. geven toe dat Vl Europese topsc behaalt, maar zien nt in dat dit mede gevolg is van gd structuur 1ste gr #lievenboeve

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    Hervormers s.o.: Vlaanderen behaalt Europese topscores, h. uitstekend ond, maar structuur s.o. e.d. deugen niet?? #onderwijs #lievenboeve 1

    2 NovManuel Sintubin @ManuelSintubin

    “Veel jonge mensen snakken naar samenhangend verhaal over het ontstaan van het heelal en van het leven." http://t.co/eX4FC5SCP6 @janfmstev

     Retweeted by Raf Feys

    2 NovManuel Sintubin @ManuelSintubin

    .@FeysRaf 'Big History' is niet zomaar "een interessante aanvulling van geschiedenisonderwijs". Het is de toekomst van wetenschapsonderwijs!

     2 NovManuel Sintubin @ManuelSintubin

    "Voorlopig is Nederland in Europa de enige pionier van 'Big History'”... Tja, heeft #KULeuven kans laten liggen? #dtv http://t.co/eX4FC5SCP6

     2 NovPaul W Bennett @Educhatter

    The Self-Regulation Panacea: More physical activity is good for kids, but "self-reg" has its drawbacks

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    BENNETT: School system perception gap tough to close | The Chronicle Herald http://t.co/Xh4HJiowAl via @chronicleherald #onderwijs

    2 NovRaf Feys @FeysRaf

    A Natural Fix for A.D.H.D. http://t.co/asx9we6Qk9 #onderwijs Vlaanderen

    1 NovRaf Feys @FeysRaf

    The Flynn effect: are we really getting smarter? | via @Telegraph http://t.co/J3YuaxWDFI #onderwijs Vlaanderen

    1 NovPaul W Bennett @Educhatter

    Teaching "Stressed-Out" Kids: Why is the Self-Regulation Movement Spreading? http://t.co/KeOM6Vpklu #CDNed #HRSB #SparksFly #SelfRegulation

     1 NovManuel Sintubin @ManuelSintubin

    "Wetenschapredacties maken propaganda voor felste tegenstanders van vrije toegang: de wetenschappelijke uitgevers." http://t.co/WokE4jzqJ6

    1 NovRaf Feys@FeysRaf

    Emaths - Brainwashed Teachers http://t.co/WQuRQWQvcW #onderwijs



    07-11-2014 om 15:49 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-11-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs.M-(inclusie)decreet vereist breuk met klassieke schoolgrammatica & prestatieprincipe

    Volgens de Unesco vereist inclusief onderwijs de invoering van  inclusieve & flexibele curricula, een radicale breuk met de klassieke schoolgrammatica (Unesco-rapport: Policy Guidelines on Inclusion in Education, 2009). Maar Vlaams M-decreet wil inclusief onderwijs binnen klassieke schoolgrammatica, met behoud van eindtermen en klassieke leerplannen, ed. Dat kan uiteraard niet.

    Unesco: “According to the EFA Global Monitoring Report 2005, one way to move towards a relevant, balanced set of aims is to analyse the curriculum in terms of inclusion. An inclusive approach to curriculum policy recognizes that while each learner has multiple needs – even more so in situations of vulnerability and disadvantage – everyone should benefit from a commonly accepted basic level of quality education. This underlines the need for a common core curriculum that is relevant for the learner while being taught according to flexible methods.

    Accessible and fl exible curricula, textbooks and learning materials can serve as the key to creating schools for all. Many curricula expect all pupils to learn the same things, at the same time and by the same means and methods. But pupils are different and have different abilities and needs. It is important, therefore, that the curriculum be fl exible enough to provide possibilities for adjustment to individual needs and to stimulate teachers to seek solutions that can be matched with the needs, abilities and learning styles of each and every pupil.This is particularly important in the development and practice of learning activities for youth and adults. Some of the issues to consider in developing

    The concept of inclusive education questions a large part of the traditional school’s way of organizing and arranging teaching.   While   schools   must   have   general   or   common   goals   for   what   is   appropriate   and   desirable   for   pupils   to achieve in school, the demands related to different school subjects must be seen in the context of the individual pupil’s opportunities and needs.

    The   social   composition   of   schools   and   classrooms   is   changing   in   many   developing   countries   with   more   learners entering schools.     Multi-grade, multi-age and multi-ability classrooms are the reality in most places.  It is essential that alternate frameworks for imparting learning in varying contexts be analysed and better understood. Greater attention is also needed to investigate unique contexts and settings – schools that promote active learning and inclusion, provide multicultural settings, and function in refugee and emergency situations.”

    Inclusief onderwijs vereist volgens de Unesco  een totale omwenteling van het onderwijs : geen academische inhouden meer, geen gemeenschappelijke  leerplannen en eindtermen, geen jaarklassen meer,  kindgericht onderwijs, flexibele en andere werkvormen….

    Education through the inclusion lens : Centrale gedachten: *a shift from seeing the child as a problem to seeing the education system as the problem * A  highly  academic,  heavily   overloaded   curriculum   is  counterproductive   to   inclusive education.  *Veel meer informeel leren  *Flexible curriculum * Individual treatment  *Program reform should be centred upon learning needs and not be content lead/driven*Multi-grade, multi-age and multi-ability classrooms: geen jaarklassen meer  * Child-centred techniques * Doorgedreven differentiatie * Tongue instruction in the initial years of school…  Kortom : een totale omwenteling

    The education system has the full responsibility to ensure   the right to education .  It is equipped and ready  to handle diversity through:*Flexible teaching and learning methods  adapted to different needs and learning styles* Reorienting teacher education* Flexible curriculum responsive to diverse needs and not  overloaded with academic content*Welcoming of diversity *Involvement of parents and the community * Early identification and remediation  of children at risk of failure*Flexible teaching methods with innovative approaches to teaching aids,  and equipment as well as the use of ICTs * Responsive, child-friendly environments * Professional environment working deliberately  and actively to promote inclusion for all.

    *Creating an inclusive curriculum

    –   Curricular changes are necessary in order to support flexible learning and assessment.    –   A  highly  academic,  heavily  overloaded   curriculum   is  counterproductive to   inclusive education.–   Opportunities   for  informal  and  non-formal  education  should   be  developed   in   the curriculum.  –   Cohesive transition and articulation of the curriculum between early childhood, primary and secondary education are key factors in preventing drop-outs from level to level for ensuring retention. –   Multiple stakeholders should be encouraged to participate in curriculum design.

    An inclusive curriculum addresses the child’s cognitive, emotional, social and creative development. It is based on the four pillars of education for the twenty-fi rst century – learning to know, to do, to be and to live together It has an instrumental role to play in fostering tolerance and promoting human rights, and is a powerful tool for transcending cultural, religious, gender and other differences. An inclusive curriculum takes gender, cultural identity and language background into consideration. It involves breaking negative stereotypes not only in textbooks but also, and more importantly,   in  teacher’s  attitudes  and  expectations.  Multilingual  approaches   in education,   in  which  language   is recognized as an integral part of a student’s cultural identity, can act as a source of inclusion. Furthermore, mother tongue instruction in the initial years of school has a positive impact on learning outcomes.


    An  inclusive  approach  to  curriculum   policy  has  built-in  flexibility  and  can be adjusted   to   different  needs  so  that everyone benefi ts from a commonly accepted basic level of quality education. This ranges from varying the time that students devote to particular subjects, to giving teachers greater freedom to choose their working methods, and to allowing more time for guided classroom-based work.

    According to the EFA Global Monitoring Report 2005, one way to move towards a relevant, balanced set of aims is to analyse the curriculum in terms of inclusion. An inclusive approach to curriculum policy recognizes that while each learner has multiple needs – even more so in situations of vulnerability and disadvantage – everyone should benefit from a commonly accepted basic level of quality education. This underlines the need for a common core curriculum that is relevant for the learner while being taught according to flexible methods.

    Accessible and flexible curricula, textbooks and learning materials can serve as the key to creating schools for all. Many curricula expect all pupils to learn the same things, at the same time and by the same means and methods. But pupils are different and have different abilities and needs. It is important, therefore, that the curriculum be flexible enough to provide possibilities for adjustment to individual needs and to stimulate teachers to seek solutions that can be matched with the needs, abilities and learning styles of each and every pupil. This is particularly important in the development and practice of learning activities for youth and adults. Some of the issues to consider in developing

    Inclusieve leeromgeving: geen jaarklassen meer e.d.

    The  social composition  of  schools  and  classrooms  is changing  in  many  developing  countries   with more  learners entering schools.   Multi-grade, multi-age and multi-ability classrooms are the reality in most places.  It is essential that alternate frameworks for imparting learning in varying contexts be analysed and better understood. Greater attention is also needed to investigate unique contexts and settings – schools that promote active learning and inclusion, provide multicultural settings, and function in refugee and emergency situations.

    An inclusive school must offer possibilities and opportunities for a range of working methods and individual treatment to ensure that no child is excluded from companionship and participation in the school.  This implies the development of rights-based,  child-friendly  schools.  A rights-based   education  helps  children  realize  their  rights.  It is not only academically effective but also inclusive, healthy and protective of all children, gender-responsive, and encourages the participation of the learners themselves, their families and their communities. Support from the teachers and head teachers is essential, but support from the communities close to the school is also vital. All must be able and willing to ensure inclusion in the classroom and in learning for all children regardless of their differences. Thus, as noted earlier, seeing education through the inclusion lens implies a shift from seeing the child as a problem to seeing the education system as the problem that can be solved through inclusive approaches.

    Inclusive  education  of good  quality  is the  best  means  to overcome  future  learning   defi ciencies   among   youth   and adults. In today’s situation, however, special efforts must also be made to ensure appropriate education and training  programmes using different modalities for those youth and adults who have so far been deprived.


    When communities can hold teachers, administrators and government officials accountable for the inclusion of all children through formal institutional mechanisms, community members become more interested in school improvement and  more  willing  to  commit  their own  resources   to the  task.   This commitment  may  include  forming  partnerships  with  outside  contributors   such  as  the   private   sector.  According  to the World   Bank,  programmes  that  expand  the access of excluded groups to education have led to important shifts in mindsets among community members and government leaders regarding the contributions that these groups can make to society. In this way, change processes and empowerment go hand in hand to move towards inclusion for all learners.  It often involves developing alternative and non-formal dimensions of learning within a holistic education system in order to promote inclusion at all levels.

    Teachers and teacher education

      –   Teacher-education programmes, (both pre-service and in-service) should be reoriented and aligned to inclusive education approaches in order to give teachers the pedagogical capacities necessary to make diversity work in the classroom and in line with reformed curricula.

     –   Training of all education  professionals,  including  members  of  the  community,  are  essential to supporting an inclusive school.

     –   The creation of incentives renewing teachers’ social status and improving their living conditions     are  necessary  pre-conditions   to  professionalizing  the  role of teachers (e.g.   increasing  salaries,  providing  better   living quarters,   providing  home leaves,  increasing respect for their work, etc.)

    Teachers,  other  educators  and  non-teaching   support  staff  need  to  be  trained  and ready  to  assist  children,  youth and adults in their development and learning processes on a daily basis. Flexible teaching-learning methodologies necessitate shifting away from long theoretical, pre-service-based teacher training to continuous in-service development of teachers. It must be noted that all specific knowledge and competence cannot be given to the same individual.

    Several specializations are needed to cooperate with and support ordinary school staff. Moreover, national policies must address the status of teachers, their welfare and professional development. The severe teacher shortage and lack of trained teachers, especially in sub-Saharan Africa, and South and West Asia, has highly unfortunate consequences for the quality of learning.

    It is important to focus on creating an optimum learning environment so that all children can learn well and achieve their potential.   This involves learner-centred teaching methods and developing appropriate learning materials. ICTs and the use of new technology constitute a vital part of modern societies and should be used whenever possible. Activities that make schools more effective include: school readiness activities that ease the transition from home to school for grade one pupils, teacher training on child-centred techniques such as asking pupils questions, assigning the best teachers to the early grades to ensure a solid foundation in literacy and numeracy, providing remediation to the private sector.  Appropriate monitoring and evaluation mechanisms need to be put in place to evaluate the impact of inclusive education policies as regards the learner, the education system and wider societal development.

    Assessment approaches that promote a development towards inclusion need to be elaborated. The European Agency for Development in Special needs education has as one example developed outline indicators stressing that:  all pupils should be entitled to be involved in all assessment procedures as long as they are relevant and adapted to accommodate their needs   initial identification of pupils’ needs should not be the only mechanism for resource allocation   legal definitions and subsequent assessment procedures based on medical/de cit approaches lead to labelling and  categorisation that often reinforces segregation and separate approaches to provision curriculum, program reform should be centred upon learning needs and not be content lead/driven.

    Besluit

    Als we inclusief onderwijs invoeren volgens de visie van de Unesco dan moet het bestaande systeem de helling op, dan moet de eeuwenoude en  oerdegelijke schoolgrammatica afgeschaft worden. De Vlaamse beleidsmakers wekken ten onrechte de indruk dat het bij het M-decreet slechts om een beperkte aanpassing van het bestaande onderwijssysteem gaat.

    Als we  opteren voor inclusief onderwijs, dan moeten we uiteraard de leerlingen ook in het secundair onderwijs volledig samenhouden en dan sneuvelen ook de onderwijsvormen. En dan moeten we wellicht ook het hoger onderwijs openstellen voor alle leerlingen.




    06-11-2014 om 17:03 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet, inclusie-curriculum, Unesco
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Kosten invoering van M-decreet nog niet berekend & verrekend in beleidsnota minister Crevits

    Hoge kosten van nakende invoering van M-decreet partieel inclusief onderwijs) nog niet eens berekend en verrekend in beleidsnota van minister Crevits

    In de beleidsnota van minister Crevits vinden we niets terug omtrent de kosten van de nakende invoering van het M-decreet in september 2015. In een aantal Duitse ‘Länder’ werd een gelijkaardige operatie als in het M-decreet reeds dit jaar al opgestart. In een recent Unesco-rapport over inclusief onderwijs treffen we volgende passages aan over de (hoge) kosten van die invoering voor Duitsland. (De schattingen zijn opgesteld door voorstanders van de inclusie-operatie. Volgens een aantal experts is dit nog een onderschatting van de uitgaven die werkelijk nodig zullen zijn.) Volgens het Unesco-rapport moet men ook radicaal afstappen van de klassieke leerplannen en eindtermen en werken met sterk flexibele werkplannen.

    Kosten inklusiver Bildunginr Deutschland (Unesco-rapport)
    In Deutschland wird davon ausgegangen, dass die Umsetzung von Inklusion nicht ohne zusätzliche Ausgaben für das Bildungssystem zu leisten sein wird. Für die Umsetzung von Inklusion in der Schulbildung bestehen erste Kostenkalkulationen von Professor Klaus Klemm sowie einem Forscherteam, das vom Städtetag Nordrhein-Westfalen, dem Landkreistag Nordrhein-Westfalen und dem Städte- und Gemeindebund Nordrhein-Westfalen beauftragt wurde. Für die Kosten zur Umsetzung von Inklusion auf weiteren Bildungsstufen liegen bisher keine Berechnungen vor.

    Professor Klemm betont in seiner Studie für die Bertelsmann Stiftung, dass mit Mehrausgaben für zusätzliche Lehrkräfte und für eine steigende Zahl von Integrationshelfern, für die Sicherung von Barrierefreiheit und oftmals für die Bereitstellung zusätzlicher Unterrichtsräume etwa für die Arbeit mit Kleingruppen, zu rechnen ist. Er geht davon aus, dass Minderausgaben dadurch entstehen können, dass mehr Schüler in wohnortnahen allgemeinen Schulen unterrichtet werden und daher weniger Aufwand für den Schülertransport erforderlich ist. Auch sinken Bildungsausgaben, wenn in Folge zunehmender Inklusion einzelne Förderschulen aufgegeben werden können. Klemm zufolge sind präzise Kostenkalkulationen für Gesamtdeutschland schwierig zu erstellen, da die demographischen Entwicklungen in den einzelnen Bundesländern und Kommunen sehr unterschiedlich sind. Für lehrendes Personal geht er von zusätzlichen Ausgaben von null bis zu 550 Millionen Euro für ganz Deutschland aus – je nach Lehrkraftschlüssel, der den Berechnungen zugrunde gelegt wird.

    Exemplarisch hat Professor Klemm im Auftrag des Landes Nordrhein-Westfalen die Kosten auf Seiten der Schulträger für schulische Inklusion für die zwei nordrhein-westfälischen Kommunen Krefeld und Minden-Lübbecke für die Zeit vom Schuljahr 2013/14 bis zum Schuljahr 2016/17 berechnet.38 Seiner Studie zufolge entstehen Kosten für die Schulträger hauptsächlich durch zusätzlichen Raumbedarf inklusiv arbeitender Schulen, Bereitstellung barrierefreier Schulen,
    Schülerbeförderung, Lernmittel, zusätzliche Integrationshilfe, zusätzliche Sozialarbeiter/Sozialpädagogen, zusätzliche Psychologen sowie durch Ganztagsschulen. Die Ausgaben bis einschließlich 2016/1739 betragen den Berechnungen zufolge für Krefeld 917.000 Euro und für Minden-Lübbecke 1.905.000 Euro. Obgleich die Kosten aufgrund der mangelnden Repräsentativität der Kreise nicht hochgerechnet werden können, schätzt Klemm vorsichtig, dass für die Schaffung der schulischen Voraussetzungen für Inklusion bei allen Kommunen im Land Nordrhein-Westfalen Kosten in Höhe von 113,5 Millionen Euro anfallen werden.

    Ein weiteres Gutachten40 , welches im Auftrag des Städtetages Nordrhein-Westfalen, des Landkreistages Nordrhein- Westfalen und des Städte- und Gemeindebundes Nordrhein-Westfalen von einem Forscherteam erstellt wurde, berechnet exemplarisch die Kosten schulischer Inklusion am Beispiel der Stadt Essen und des Kreises Borken für die Jahre 2013/14 bis 2019/20. Dieser Studie liegen andere Standards der inklusiven Bildung zugrunde als der Studie von Professor Klemm. Die berechneten Kosten fallen deshalb hier höher aus: Für die Stadt Essen wurden für den betrachteten Zeitraum Mehrkosten zwischen 30 und 52 Millionen Euro jährlich errechnet; für den Kreis Borken Kosten zwischen 7 und 36 Millionen Euro.

    Bei der Sichtung der Gutachtenergebnisse wird deutlich, dass eine Klärung der Standards inklusiver Bildung unter Einbindung aller relevanten Akteure notwendig ist, um belastbare Kostenkalkulationen für einzelne Kommunen, Länder und Deutschland insgesamt erstellen zu können. In Nordrhein-Westfalen haben sich inzwischen die kommunalen Spitzenverbände und das Land auf der Grundlage des Gutachtens von Professor Klemm darauf verständigt, dass das Land in den kommenden fünf Jahren die Schulträger mit insgesamt 175 Millionen Euro, also jährlich mit 35 Millionen Euro, beim Ausbau der schulischen Inklusion unterstützen wird. Ob damit die zusätzlich entstehenden Kosten tatsächlich abgedeckt werden, soll – beginnend 2015 – regelmäßig gemeinsam von den Schulträgern und dem Land überprüft werden.


    06-11-2014 om 10:41 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    Tags:kosten M-decreet, inclusief onderwijs
    >> Reageer (0)
    05-11-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Probleme bei der schulischen Inklusion

    Guido Sprügel: Probleme bei der schulischen Inklusion (Jungle World-Die linke Wochenz Nr. 43, 23. Oktober 2014)

     Keine Investition bei der Inklusion

    Nichts hat die Pädagogik der vergangenen Jahrzehnte so beschäftigt wie die Frage der Inklusion. Dennoch wurde die Inklusion von behinderten Kindern in den Schulalltag überhastet umgesetzt, zudem mangelt es an Geld.

    Nun hat es ein Politiker offen und ehrlich ausgesprochen – zumindest in Hamburg wird es nicht mehr Geld für die Inklusion behinderter Kinder in die allgemeinen Schulen geben. So hat es Schulsenator Ties Rabe (SPD) auf einer Veranstaltung der Gewerkschaft für Erziehung und Wissenschaft (GEW) am 30. September bekannt gegeben. Er erteilte den Forderungen der Gewerkschaft nach einer Einstellung von zusätzlichen 550 Sonderpädagogen eine Absage. Das sei nicht finanzierbar – auch nach einer eventuellen Wiederwahl der SPD im kommenden Jahr nicht. Man muss dem Senator zugutehalten, dass er angesichts des beginnenden Wahlkampfs keine leeren Versprechungen machte. Anja Bensinger-Stolze begründete die Forderung der GEW nach mehr Ressourcen wie folgt: »Die Ausstattung der Inklusion in Hamburg ist völlig unzureichend. Darunter leiden die Arbeitsbedingungen der Pädagogen und Pädagoginnen und natürlich auch die Qualität von Unterricht. Eine solche Umsetzung der Inklusion als Sparmodell lehnt die GEW ab!« Doch kurzfristig etwas an den Rahmenbedingungen ändern kann die Gewerkschaft nicht. Und so wird die Inklusion weiter unter sehr widrigen Umständen umgesetzt.

    Mehr Sicherheitswesten ja, mehr Inklusion nein. Der Hamburger Schulsenator Ties Rabe (SPD) setzt Prioritäten.

    In Hamburg entstehen an den weiterführenden Stadtteilschulen derzeit immer mehr sogenannte temporäre Lerngruppen. Diese Lerngruppen sind einem Passus im Hamburger Schulgesetz geschuldet, der sie – quasi als Notlösung – explizit erlaubt. Bei aller Inklusionseuphorie war den Verfassern des Gesetzes wohl bewusst, dass es dennoch Probleme geben könnte. So können die Schulen beispielsweise im Fall einer Unbeschulbarkeit einzelne Schüler in besonderen Lerngruppen unterbringen. Da Benennungen von Schulklassen, die mit Bezeichnungen wie »Sonder« oder »Extra« verbunden sind, in Ungnade gefallen sind, tragen diese Nebenklassen euphemistische Namen wie Brücken- oder Ankerklassen. Zumindest an der Bezeichnung merkt man nicht, dass sie stark verhaltensauffällige Kinder und Jugendliche beherbergen. Den Schulen kann man die Schuld dafür nicht geben  – sie müssen Sorge für alle Beteiligten tragen. An dieser Stelle wird jedoch deutlich, dass sich bei schlechter Ausstattung Nischen auftun, die keiner wollte und die die Segregation nicht im Geringsten beseitigen. Man ist dann wieder an einer Stelle der Entwicklung angelangt, bei der sich vor über 100 Jahren die Hilfsschulen herausbildeten. Seitdem gab es immer wieder sogenannte Nebenklassen.

    Ob Anker-, Brücken- oder Laborklassen – sie alle eint der trennende Aspekt. Streng genommen werden durch diese Sonderklassen die Sonderschulen durch die Hintertür wieder eingeführt. Verwunderlich ist diese Entwicklung nicht, denn die Lehrer arbeiten nur wenige Stunden in Doppelbesetzung mit ausgebildeten Sonderpädagogen. Die meiste Zeit des Unterrichts sind sie mit den Klassen allein und müssen auch noch den nach den PISA-Studien gestiegenen Bildungsansprüchen genüge tun. Ein wenig Entlastung erfahren die Pädagogen vielerorts durch Eingliederungshelfer oder Schulbegleiter. In Hamburg ist die Anzahl dieser Mitarbeiter in den vergangenen Jahren um das Acht- bis Neunfache gestiegen. Auch in anderen Bundesländern wird verstärkt auf diese Maßnahme zurückgegriffen. »Ich betreue einen sehr stark verhaltensauffälligen Grundschüler an vier Tagen in der Woche. Oft weiß ich jedoch nicht, was ich mit ihm machen soll, da ich für diese Tätigkeit nicht ausgebildet bin«, beschreibt Sabine Gilsch ihre Probleme. Die 50jährige arbeitet für neun Euro in der Stunde an einer Lübecker Grundschule. Wenn es mit »ihrem Kind« im Unterricht gar nicht mehr funktioniert, geht sie mit ihm vor die Tür. Der Fall ist exemplarisch, nicht nur in Schleswig-Holstein. An dieser Stelle zeigt sich, dass viele Bundesländer die Inklusion zum Dumpingpreis umsetzen möchten. Sie nehmen dabei die Etablierung eines Niedriglohnsektors im Bildungsbereich billigend in Kauf, bevor sie Erzieher oder Sonderpädagogen einstellen. In Berlin werden viele Schüler mit schweren Verhaltens-auffälligkeiten einfach in andere Bundesländer gebracht. »Da findet man auf einmal Berliner Schüler in Maßnahmen in Brandenburg, Mecklenburg-Vorpommern oder sogar in Polen«, sagt Bernd Ahrbeck vom Institut für Rehabilitationswissenschaften der Berliner Humboldt-Universität. Er lehrt Verhaltensgestörtenpädagogik und kritisiert die derzeit umgesetzte Inklusion scharf. Es sei noch völlig unklar, wie man sich eine »inklusive Gesellschaft« vorzustellen habe. Zumal die gesellschaftliche Realität eindeutig auf Wettbewerb, Selbstoptimierung und Erfolg angelegt sei.

    Die Bundesländer suchen alle ihren eigenen Weg im Bereich der schulischen Inklusion. Während Bremen möglichst schnell alle Sondereinrichtungen auflösen will, gehen die Bundesländer Bayern und Baden-Würtemberg sehr langsam vor. Ahrbeck plädiert ebenfalls für einen behutsamen Ausbau gemeinsamen Lernens. In seinem Fach gilt er damit einigen als »Ewiggestriger« und »Konservativer«. In der pädagogischen Wissenschaft ist der Streit um die Inklusion voll entbrannt. Während Hochschullehrer wie Andreas Hinz vom Institut für Rehabilitationspädagogik der Martin-Luther-Universität Halle-Wittenberg und Hans Wocken, der bis zu seiner Emeritierung im Jahr 2008 Lernbehindertenpädagogik an der Universität Hamburg lehrte, jedwede Sonderschule als »menschenrechtswidrige Entwürdigung« begreifen und die Beschreibung eines Förderbedarfs schon als ähnlich diskriminierend empfinden wie eine »sexistische und rassistische Sprache«, warnen Wissenschaftler wie Ahrbeck vor einer Überforderung aller Beteiligten und stellen zugleich die »Nivellierung von Behinderung« grundsätzlich in Frage. Denn allein durch den guten Willen geht eine Behinderung – platt gesprochen – nicht weg. Und Kinder mit Behinderungen brauchen zusätzliche Unterstützung, damit gemeinsames Lernen funktionieren kann. Viele Aspekte der Diskussion erscheinen im Vergleich mit dem Ausland als typisch deutsch. In kaum einem Land wird die Debatte ähnlich kontrovers und dogmatisch geführt. Sowohl die USA als auch die für ihre Inklusionspolitik gelobten skandinavischen Länder machen keinen Hehl aus dem Vorhandensein von Behinderung. Über zusätzliche Förderung wird unverkrampft entschieden. Hierzulande heißt es oft: entweder ganz oder gar nicht. Manchmal führt jedoch der Mittelweg zum Erfolg.

    Wenn sich die Bildungspolitik in Deutschland an dieser Stelle nicht darauf besinnt, dass Inklusion Zeit, Raum und Geld braucht, wird es in Zukunft wohl noch viele Brandbriefe geben, wie sie vorige Woche die Schule Am Heidberg im Hamburger Stadtteil Langenhorn veröffentlicht hat. Eltern und Lehrer warnen darin vor einer Überlastung. »Aufgrund der hohen Zahl verhaltensauffälliger Schüler ist ein halbwegs normaler Unterrichts­alltag in vielen Klassen nur möglich, weil unsere engagierten Kollegen über ihre Belastungsgrenzen hinaus (...) für das Gelingen der Inklusion (...) kämpfen«, heißt es in dem Brief. Die Antwort der Schulbehörde fiel lapidar aus. »Wir haben die Stadtteilschulen schon jetzt massiv bessergestellt«, sagte ihr Sprecher, Peter Albrecht. »Diese neue Schulform muss sich entwickeln. Dann werden auch wieder mehr leistungsstarke Schüler angemeldet«, so Albrecht.


    05-11-2014 om 21:54 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Inclusief onderwijs, M-decreet
    >> Reageer (0)
    04-11-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Inklusionsdebatte & M-decreet:: Eine unglaubliche Gleichmacherei

    Inklusionsdebatte: Eine unglaubliche Gleichmacherei  (Frankfurter Allgemeine, 4 nov. 2014)

    Warum werden Wesensmerkmale wie Behinderung, Begabung oder sexuelle Identität wegdiskutiert? Das Neueste aus dem Paradiesgärtlein der Inklusion.

    21.07.2014, von Christian Geyer 

    Aufstieg einer Heilsidee: die „vollständige Inklusion“ ist bereit zur Ignoranz jedes empirischen Unterschieds

    Die Debatte über Inklusion sei in eine „Schieflage“ geraten, erklärte kürzlich die Berliner Arbeitsmarktforscherin Jutta Allmendiger auf „Spiegel online“. Schief, so die Präsidentin des Wissenschaftszentrums Berlin für Sozialforschung, sei die Wahrnehmung, dass Inklusion „praktisch nicht funktionieren“ könne. Schief sei, versteht man richtig, überhaupt die Kritik an einem gesellschaftspolitischen Projekt, das sich doch eigentlich von selbst verstehe: die Normalisierung der Vielfalt als politische Querschnittsaufgabe. Dabei geht es um die sukzessive Herstellung einer inklusiven Gesellschaft, weit über den Schul- und Bildungsbereich hinaus.

    Autor: Christian Geyer-Hindemith

    Insbesondere bei Inklusionsfeldern wie sexueller Identität oder Behinderung liegen die Nerven blank. Im Blick auf die Einwände, die gegen die umstandslose Übersetzung von sozialer Gerechtigkeit in den politischen Kampfbegriff der Gleichstellung vorgebracht werden, versteht Frau Allmendinger die Welt nicht mehr. Sie fragt: „Warum ist die Inklusion in Deutschland noch immer so umstritten?“ Noch immer? Immer mehr! Immer mehr zeigt sich der utopische, weltfremde Charakter einer Heilsidee, die über keinen positiven Begriff von Ungleichheit verfügt. Als ergäbe sich aus der Gleichheit vor dem Gesetz (oder vor Gott) die Notwendigkeit, jedweden empirischen Unterschied zu ignorieren.

    Alles wird Zuschreibung

    Nicht jeder kann alles. Und nicht jeder kann das, was er kann, genauso gut wie jemand anderer, der es besser kann. Die Pointe der Inklusionssemantik liegt aber darin, jeden Unterschied als Ungleichheit zu deuten und jede Ungleichheit als Ungerechtigkeit. So wird unter der regulativen Idee der „Vielfalt“ (Schule der Vielfalt, „diversity management“ in Unternehmen) ein egalitäres Anspruchsdenken installiert, das so weit geht, Unterschiede als solche möglichst gar nicht mehr namhaft zu machen. Geschlecht, Behinderung, Alter oder Intelligenz gehören dann gar nicht erwähnt, sie erscheinen als bloße Zuschreibungen im Auge des Betrachters.

     

    Die Analyse kategorialer Unterschiede wird als Essentialismus geschmäht, dem ein naiver Wesensbegriff zugrunde liege. Die propagierte Dekategorisierung („alles ist Zuschreibung“) vollzieht sich aber zunehmend auf dem Rücken der Betroffenen. Frau Allmendinger beispielsweise macht unfreiwillig die diskriminierenden Folgen für die Behinderten sichtbar, ja, befördert sie selbst. So kritisiert die Arbeitsmarktforscherin, „dass viele Bundesländer Inklusion fördern wollen, ihr Förderschulsystem aber unangetastet lassen“. Sie fordert, „Förderschulen konsequent zu schließen“ – und lässt damit die Katze aus dem Sack.

    Diskriminierung durch Ausblenden

    Inwiefern? Die Antwort lautet: Wenn schwer und mehrfach Behinderte als solche nicht mehr bezeichnet werden dürfen, dann fallen sie über kurz oder lang auch als Träger eines besonderen Förderbedarfs aus. Dann kann man Sonder- schulen schließen, ohne zu wissen, wie diese ihrer speziellen Betreuung beraubten Kinder und Jugendlichen auf inklusiven Schulen zurechtkommen sollen.

    Denn das sind Schulen, die – ohne klare Perspektiven für die finanzielle und personelle Ausstattung – derzeit in der Regel Provisorien nach dem Prinzip Daumendrücken darstellen. Vergleichsdaten zur Inklusion aus dem Ausland beziehen sich bei näherem Hinsehen auf andere Förderkriterien, werden aber hierzulande propagandistisch ausgeschlachtet.

    Heute steht man vor dem Paradox, dass die begriffliche Gleichstellung der Unterschiede – ihr Unsichtbarwerden – recht eigentlich erst die lebensweltliche Diskriminierung schafft, die man doch verhindern will. Man kann im Interesse der Betroffenen nur davor warnen, die unterschiedlichen Bedürfnisse so weit zu nivellieren, dass sie am Ende nicht mehr geltend gemacht werden können.

    Aberwitzige Umfragen

    Wer im Zuge einer überdrehten Gender-Ideologie das Muttersein für ein Zuschreibungsmerkmal hält, das der berufstätigen Frau nur „äußerlich“ ist (wie immer man hierzu den Gegenbegriff fassen möchte), der entlastet den Arbeitgeber im Zweifel von dem Druck, auf die Vereinbarkeit von Beruf und Familie spezifische, über den rechtlichen Rahmen hinausgehende Rücksichten nehmen zu sollen.

    Wer umgekehrt Gender-Fragen derart essentialisiert, dass eine allgegenwärtige sexuelle Diskriminierung angenommen wird, schadet seinem Anliegen erkennbar mehr, als ihm zu nutzen – wie in der Online-Umfrage, die das baden-württembergische Ministerium für Arbeit und Sozialordnung, Familie, Frauen und Senioren unlängst zur sexuellen Diskriminierung veranstaltet hat. Dabei wurden etwa trans- oder intersexuell orientierte Menschen gefragt, ob sie „einmal(!) oder öfter in den letzten fünf(!) Jahren“ eine Diskriminierungserfahrung gemacht haben.

    Das Ergebnis der Befragung war erwartbar niederschmetternd: In Deutschland wird gendermäßig diskriminiert, was das Zeug hält. Was Wunder, da doch das Diskriminierungskriterium schon als erfüllt gilt, wenn alle fünf Jahre eine blöde Bemerkung fällt, ein schiefer Blick ins Auge springt! Die künstliche Aufregung, die mit solchen aberwitzigen Umfragen entfacht wird, nennt man wohl Inklusion auf Biegen und Brechen. Stimmungsmache. Auch hier wird Vielfalt im Grunde gegen die Interessen der Betroffenen propagiert, die sich nun dem Verdacht einer Überempfindlichkeit bis hin zum Wirklichkeitsverlust ausgesetzt sehen.

    Gefährliche Gemeinschaftsideologie

    Das tut der Erlösungsstrategie der Inklusion aber keinen Abbruch. In ihrem Zentrum steht die Verabsolutierung des Prinzips der sozialen Partizipation. Es stellt alle anderen Bedürfnisse der Betroffenen in den Schatten. Gemeinschaft ist Trumpf: Alle sollen sich überall zugehörig fühlen können.

    Das ist die Gegenthese zur ausdifferenzierten Gesellschaft, ein sozialer Radikalismus, vor dem schon der Anthropologe Helmuth Plessner in seiner Schrift „Grenzen der Gemeinschaft“ gewarnt hat. Natürlich soll niemand wegen seiner geschlechtlichen Identität diskriminiert werden dürfen. Doch das begründet umgekehrt noch keine Verpflichtung, alle möglichen sexuellen Gemeinschaftsmodelle am Ehebegriff partizipieren zu lassen.

    Die Illusion der Vielfalt liegt ja darin, alle Ungleichheiten für unwirksam und unwichtig zu halten, haben sie sich erst einmal zur Vielfalt gerundet. Aber auch sexuelle Inklusion hat zwischen Deskription und Normativität von Vielfalt zu unterscheiden, sollen nicht legitime Fragen wie solche nach der Sicherung des Kindeswohls als unerheblich abgetan werden. Daher auch die Gefährlichkeit von Frau Allmendingers Appell zur Schließung der Sonderschulen. Um einer Gemeinschaftsideologie willen wird die besondere Förderung von besonders zu Fördernden fahrlässig aufs Spiel gesetzt.

    Irgendwo ist jeder ausgeschlossen

    Zu Recht macht der Sonderpädagoge Otto Speck darauf aufmerksam, dass Vielfalt an sich noch kein Wertbegriff sei: „Dem Prinzip der Gleichheit, das einer Pädagogik der Vielfalt zugrunde liegt, entsprechen zu wollen (,alle Kinder haben gleiche Rechte‘), heißt noch nicht, dass alle Ungleichheiten unwirksam und unwichtig werden, wenn Vielfalt erzeugt wird.

    Nicht jede Vielfalt lässt sich in erfolgreicheres Lernen umsetzen.“ Die Vielfalt der schwer Verhaltensgestörten, die in unseren Schulen Einzug hält, bedeutet immer auch: Hier wird vielfältig ein Unterricht gestört, der den Lernzielen noch nicht zugunsten einer bloßen Schülerverwahrung abgeschworen hat. Eine krass überforderte Lehrerschaft soll es ausbaden.

    Wie man es auch dreht und wendet: Inklusion ist ein relationaler Begriff, den man nicht den ideologischen Verfechtern einer Totalinklusion überlassen darf. Der Einzelne steht immer in einem mehrfachen Spannungsverhältnis zwischen Inklusion und Exklusion. Das hat damit zu tun, dass er stets in ein bestimmtes Teilsystem einbezogen und zugleich aus anderen Teilsystemen ausgeschlossen ist.

    Ein behindertes Kind, so Otto Speck, kann in seiner Teil-Lebenswelt – einer Sonder- oder Förderschule – sich durchaus inkludiert fühlen und doch zugleich von einem externen Bezugspunkt aus als exkludiert betrachtet werden. Dies betrifft jedoch alle, nicht nur behinderte Kinder. Nicht jedes Kind kann an Hochleistungssportkursen und Musikklassen teilnehmen; Kategorien wie Begabung und körperliche Disposition können nicht einfach getilgt werden. Die Frage ist doch: Warum und wie sollte man solche Ungleichheiten kompensieren müssen? In welchem Wolkenkuckucksheim fühlt sich keiner mehr durch irgendwen und irgendwas zurückgesetzt?

    Die inklusive Gesellschaft, diese bewusst unscharf gehaltene politische Leitidee, ist eine große Augenwischerei. Sie hantiert mit Erwartungen, die man seinen eigenen Kindern nicht früh genug ausreden kann. Vielfalt bedeutet, das Individuelle zuzulassen, statt es per Etikettenschwindel abzuschaffen. Was inklusive Dogmatiker wie Frau Allmendinger nicht sehen wollen, sind die Grenzen der Gemeinschaft: Wünschen hilft nicht immer weiter.

     

     


    04-11-2014 om 16:48 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet, inclusief onderwijs
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Kritiek op inclusief onderwijs (genre M-decreet) in Duitsland vanwege prof. Bernd Ahrbeck

    Kritiek op hervorming inclusief onderwijs (genre M-decreet) in Duitsland vanwege prof. Bernd Ahrbeck

    Inklusion: Eine Kritik (Brennpunkt Schule) Taschenbuch – 28. Mai 2014 von Bernd Ahrbeck (Autor)
    Die einstmals als Ideologiekritik verstandene Programmatik der Inklusion wird – nicht erst seit der Ratifizierung der UN-Behindertenrechtskonvention – von Skeptikern ihrerseits wieder unter Ideologieverdacht gestellt. Die Forderung – zumindest nach vollständiger – Inklusion sei ein normativ überzogenes, mit missionarischem Eifer vorgetragenes und von der praktischen Erfahrung abgekoppeltes Postula Überzogene Idealbildungen und Spaltungen, unreflektierte Visionen einer inklusiven Gesellschaft und die nur begrenzte Bereitschaft, sich dem Realitätsprinzip zu stellen, spielen im gegenwärtigen Inklusionsdiskurs eine gewichtige Rolle.

    18.08.2014 SPIEGEL-Gespräch
    Am Rand zu stehen ist schrecklich (Von Fleischhauer, Jan und Friedmann, Jan)
    Der Erziehungswissenschaftler und Inklusionskritiker Bernd Ahrbeck über die Scheu, behinderte Menschen behindert zu nennen, und die emanzipative Kraft des Leistungsprinzips

    Ahrbeck,64, lehrt Verhaltensgestörtenpädagogik an der Humboldt-Universität Berlin. Er forscht seit Jahren zum Umgang mit Behinderungen, vor wenigen Wochen hat er ein Buch über Sinn und Unsinn der Inklusion veröffentlicht ("Inklusion. Eine Kritik". Kohlhammer Verlag, Stuttgart; 160 Seiten; 22,99 Euro).

    SPIEGEL: Viel Aufmerksamkeit hat der Fall des elfjährigen Henri aus dem baden-württembergischen Walldorf gefunden, der trotz Downsyndrom ein Gymnasium besuchen soll. Die Mutter wünscht sich, dass ihr Sohn mit seinen Freunden aus der Grundschule zusammenbleiben kann. Liegt sie damit falsch?

    Ahrbeck: Ich halte das Ansinnen für ziemlich abwegig. Die zentrale Funktion von Schule ist ja nicht der Erhalt von Freundschaften, das ist ein sehr persönliches Motiv. Schule ist vor allem dazu da, dass Kinder etwas lernen und sich weiterentwickeln. Wenn man die Sicht von Henris Mutter auf die Spitze treibt, dann dürfte in Zukunft jeder junge Mensch aufs Gymnasium gehen, wenn er sich dort wohler zu fühlen glaubt.

    SPIEGEL: In vielen Bundesländern zählt bei der Schulentscheidung heute schon der Elternwille und nicht mehr die Empfehlung der Lehrer. Warum soll das nicht auch für behinderte Kinder gelten?

    Ahrbeck: Es kommt doch darauf an, dass ein Kind schulisch Anschluss findet. Dafür haben wir in Deutschland ein differenziertes Schulsystem, zu dem auch spezielle Schulen für Kinder mit Förderbedarf gehören. Dieses System sollte nicht leichtfertig aufgegeben werden. Viele Schüler könnten eine Regelschule besuchen, davon bin ich fest überzeugt. Aber einige sind in speziellen Schulen oder Klassen besser aufgehoben. Nehmen Sie ein Grundschulkind mit einer massiven Sprachbehinderung. Sprachstörungen sind kein Schicksal, sie lassen sich relativ gut beheben. Aber das gelingt nur dort, wo eine gezielte Hilfestellung durch erfahrene Lehrkräfte erfolgt.

    SPIEGEL: Im bestehenden System schaffen drei Viertel der Sonderschüler keinen Hauptschulabschluss (diploma beroepsonderwijs). Spricht das nicht sehr gegen die Förderschulen?
    Ahrbeck: Unter diesen Schülern sind viele Kinder mit kognitiven Beeinträchtigungen, für die es sehr schwierig bis unmöglich ist, einen Hauptschulabschluss zu schaffen. Das wird sich auf einer Regelschule nicht automatisch ändern, es sei denn, die Schule trickst bei den Zeugnissen.

    SPIEGEL: Die Inklusionsbefürworter verweisen auf Studien, die belegen, dass behinderte Kinder mehr lernen, wenn sie gemeinsam mit nicht behinderten Kindern unterrichtet werden.
    Ahrbeck: Es kommt sehr darauf an, von welcher Art von Behinderung wir reden. Ein Kind im Rollstuhl wird dem Unterricht mit der nötigen Intelligenz mühelos folgen können. Ein Kind mit Downsyndrom hingegen wird in der Regel kaum etwas davon haben, wenn es mit Nichtbehinderten lernt. Das Ergebnis des bislang größten Schulversuchs in Hamburg zu lern-, sprach- und verhaltensgestörten Kindern war ernüchternd: Die inklusiv unterrichteten Schüler erreichten nach der vierten Klasse keinen Anschluss an das sonstige Lernniveau. Dafür hatte die allgemeine Leistung deutlich gelitten.

    SPIEGEL: Toleranz muss eingeübt werden. Das setzt voraus, dass diejenigen, die anders sind, anders aussehen oder sich anders verhalten, nicht aus dem Gesichtsfeld verschwinden.
    Ahrbeck: Die Schule soll zu Toleranz beitragen und auf das Leben in der Demokratie vorbereiten. Aber eine wichtige Frage ist doch: Wie fühlen sich Kinder im Klassenverbund, wenn sie nirgendwo mithalten können? In einer Gemeinschaftsschule immer am Rande zu stehen ist schrecklich, das kann ich ihnen als Psychologe aus meiner Arbeit versichern.

    SPIEGEL: Die Befürworter einer radikalen Inklusion würden Ihnen entgegenhalten, dass gemeinsames Lernen für beide Seiten gewinnbringend ist, nicht nur für das behinderte Kind. "Vielfalt bereichert", heißt dazu der Satz, der so etwas wie die Losung der Bewegung ist.
    Ahrbeck: Der Satz wird gern benutzt. Leider ist er furchtbar naiv, weil dabei nicht mehr zwischen Erwünschtem und Unerwünschtem unterschieden wird. Es gibt Formen von Vielfalt, die eine Schulklasse eben nicht bereichern, zum Beispiel, wenn ein Kind permanent gewalttätig gegen seine Mitschüler wird. Oder wenn es so stark die Aufmerksamkeit des Lehrers beansprucht, das kein geregelter Unter -richt mehr möglich ist.

    SPIEGEL: Leistungsanspruch und gemeinsames Lernen lassen sich nicht miteinander vereinbaren?
    Ahrbeck: Im Ideal schon, in der Schulpraxis wird es ab einem gewissen Alter sehr schwierig. Ich kann mir jedenfalls nicht vorstellen, wie ein Kind in der siebten Klasse, das noch nicht einmal die Grundrechenarten beherrscht, die anderen im Mathematikunterricht unterstützen soll.

    SPIEGEL: Man könnte die Anforderungen an der individuellen Leistungsfähigkeit ausrichten.
    Ahrbeck: Natürlich soll sich der Lehrer didaktisch auf den einzelnen Schüler oder die einzelne Schülerin einstellen. Aber das funktioniert nur, wenn die Schüler einen einigermaßen ähnlichen Leistungsstand haben. Es ist völlig illusorisch zu glauben, ein Lehrer könne für jeden Schüler einen eigenen, auf ihn zugeschnittenen Lehrplan entwickeln. Das kann zu einer Überforderung für alle Beteiligten führen. Dass Schweden im Verlauf der Pisa-Studien so abgestürzt ist, führt die eingesetzte Regierungskommission auch auf die übermäßige Individualisierung im Unterricht zurück.

    SPIEGEL: Die Integration behinderter Kinder war den Vereinten Nationen immerhin so wichtig, dass sie ein Recht daraus gemacht haben. Die entsprechende Konvention hat Deutschland 2009 ratifiziert, nun wird sie umgesetzt.
    Ahrbeck: Das ist zweifellos begrüßenswert. Die Uno-Behindertenrechtskonvention verpflichtet die Unterzeichner dazu, Behinderte im Leben und in ihrer Entwicklung zu stärken. Dazu gehört auch das Recht auf Bildung und Schulbesuch. Von der Schule für alle steht in der Konvention nichts.

    SPIEGEL: Ziel sei die "vollständige Integration", heißt es. Dafür solle der Staat ein Umfeld schaffen, "das die bestmögliche schulische und soziale Entwicklung gestattet".
    Ahrbeck: Nicht für jeden ist das Gleiche gleich gut. Gerade Kinder mit emotionalen und sozialen Problemen, die in der Schule größte Schwierigkeiten haben, brauchen kleine Gruppen, eine überschaubare Umgebung und enge persönliche Beziehungen. An anderer Stelle der Konvention steht, niemand dürfe wegen spezieller Maßnahmen, die er benötigt, diskriminiert werden. Da ist zum Beispiel die Gebärdensprache genannt. Wie sollen denn gehörlose Kinder in Gebärdensprache kommunizieren, wenn sie nicht andere Kinder haben, die Gebärdensprache können? Das heißt, sie brauchen einen Ort, an dem sie mit Gleichaltrigen, die ähnliche Probleme haben, zusammenkommen. Das wird nicht die Schule um die Ecke sein.

    SPIEGEL: Warum interpretieren dann viele Bildungspolitiker die Uno-Konvention als Votum gegen die Förderschule?
    Ahrbeck: Weil sie hoffen, über diesen Hebel doch noch ihre Idee von der Einheitsschule durchsetzen zu können. Schule ist dazu da, Talente zu entfalten und zu Leistung zu ermutigen. Dabei ist es notwendig, Unterschiede zuzulassen, auch institutionell. Wenn der Aufstieg durch Leistung nicht möglich ist, entscheiden andere, viel problematischere Faktoren über das Fortkommen - Geld zum Beispiel oder Beziehungen. Ich frage Sie: Welche Chancen hat dann noch ein Migrantenkind, dessen Mutter gerade mal lesen und schreiben kann, den Begrenzungen seiner Herkunft zu entfliehen? Wer das Leistungsprinzip aufgibt, nimmt vielen Menschen, die nicht so rosig gebettet sind, eines der mächtigsten Werkzeuge zur Emanzipation.
    SPIEGEL: Dass heißt, auch für behinderte Menschen sollte der von Ihnen gepriesenen Leistungsethos gelten?
    Ahrbeck: Selbstverständlich soll ein blinder Schüler, der begabt ist, sich bemühen, das Abitur zu machen, sei es inklusiv oder auf einem Spezialgymnasium. Das Gleiche gilt für Kinder mit sprachlichen Beeinträchtigungen. Für andere Schüler sind die Ziele niedriger zu hängen, aber auch sie sollten sich auf ihrem Niveau anstrengen. Wenn alle per Beschluss gleich gut sind, ist die Leistung eines jeden entwertet.

    SPIEGEL: Was schlagen Sie vor?
    Ahrbeck: Behutsam vorzugehen und die Probleme ehrlich zu benennen, statt sie auszublenden. Wer Zweifel anmeldet und widerspricht, gerät schnell in den Verdacht, ein Inklusionsfeind zu sein. Die Inklusion wird die Welt nicht kindlicher machen. Die Lebenswirklichkeit setzt irgendwann ein, auch für das Kind mit Downsyndrom.

    SPIEGEL: Wo wird denn Wirklichkeit ausgeblendet?
    Ahrbeck: Wir sind inzwischen so weit, dass sonderpädagogischer Förderbedarf nicht mehr präzise diagnostiziert und benannt wird, weil das Kind angeblich unter einer inhumanen Etikettierung leidet. Da heißt es dann nicht mehr: "Der Junge hat eine Verhaltensstörung", sondern: "Er ist eben ein bisschen anders." Oder auch: "Der Junge ist verhaltensoriginell." So verschwinden die Fachbegriffe meiner Profession, was die Qualität der Arbeit enorm beeinträchtigt. Neulich fragte mich jemand in einem Radiointerview, ob man behinderte Menschen noch behindert nennen dürfe.

    SPIEGEL: Und was war Ihre Antwort?
    Ahrbeck: Unbedingt. Ich rede im Rahmen meines Fachgebiets auch von Krankheit und Psychopathologie. Wenn ein Kind blind ist oder gehörlos, ist das noch leicht zu erkennen. Aber es gibt Kinder, deren Beeinträchtigungen auf den ersten Blick weniger auffallen, die schwer lernen oder massive Probleme in der emotional-sozialen Entwicklung haben. Auch sie brauchen eine klare Diagnostik.
    SPIEGEL: Stigmatisierung beginnt mit Sprache. Ein anderer Satz der überzeugten Inklusionsanhänger lautet: Du bist nicht behindert, du wirst dazu gemacht.
    Ahrbeck: Behinderung ist nicht nur ein soziales Konstrukt. Der fundamentale Irrtum in der Inklusionsdebatte ist die Annahme, dass mit dem Hinweis auf einen Unterschied zwischen Menschen zwangsläufig ein Werturteil verbunden sei. Wenn ich eine Lernbeeinträchtigung erkenne und beschreibe, heißt das doch nicht, dass ich mich über jemanden erhebe.

    SPIEGEL: Man könnte, wie manche Inklusionsbefürworter, auch zu dem Schluss kommen, dass Behinderung einfach eine Form des Andersseins ist, so wie das Geschlecht oder die sexuelle Orientierung.
    Ahrbeck: Wir müssen aufpassen, dass wir Behinderung nicht banalisieren. Manche Beeinträchtigungen sind für die Betroffenen sehr belastend. Der Germanist und Philosoph Andreas Kuhlmann, ein sehr musisch veranlagter Mensch, sagte über sich, er hätte wahnsinnig gern Musik gemacht. Ein Instrument zu spielen war ihm aber aufgrund einer starken Spastik verwehrt. So jemandem nahezulegen, sein Zustand lasse sich als Teil einer begrüßenswerten Vielfalt auffassen, dürfte ihm wenig helfen. Ich frage mich, was man Menschen eigentlich antut, wenn man sie nicht mehr mit den Begriffen bezeichnen darf, von denen sie genau wissen, dass sie ihrer Realität entsprechen.

    SPIEGEL: Das erklärte Ziel der Inklusionsbewegung ist es, Behinderung nicht mehr als Behinderung wahrzunehmen. Ist das so falsch?
    Ahrbeck: Natürlich sollten behinderte und nicht behinderte Kinder einen ganz normalen Umgang miteinander haben. Andererseits finde ich es beklemmend, dass es heute offenbar als erschreckend gilt, wenn Behinderte einfach unter sich bleiben - so, als ob es ihnen untereinander nicht gut gehen könnte. Da muss man sich doch fragen, was für ein Bild wir im Kopf haben. Ist Behinderung so schrecklich, dass wir sie nur noch vereinzelt ertragen? Manchmal beschleicht mich der Verdacht, dass es in der ganzen Debatte in Wahrheit weniger um die Behinderten, sondern eher um die Befindlichkeiten der Nichtbehinderten geht. Wenn Behinderung nicht mehr als solche wahrgenommen wird, muss man sich auch keine Gedanken mehr machen, welche schmerzliche Lebenseinschränkung damit verbunden sein kann.
    SPIEGEL: Herr Ahrbeck, wir danken Ihnen für dieses Gespräch.


    04-11-2014 om 15:17 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:inclusief onderwijs, M-decreet,
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. 12 kritische stemmen over invoering inclusief onderwijs (genre M-decreet) in Duitsland

    Twaalf kritische stemmen over invoering inclusief onderwijs (genre Vlaams M-decreet) in Duitsland

    (1) Eine tickende Zeitbombe für jeden Unterricht
    Hier ist ein Menschenbild berührt, dass das Schlimmste befürchten lässt, weil es jeden positiven Begriff von Ungleichheit zum Verschwinden bringt. Für das radikale Inklusionsbegehren dürfen Behinderungen noch nicht einmal als solche namhaft gemacht werden (der früh verstorbene, selbst körperlich behinderte Philosoph Andreas Kuhlmann hat dieses ideologische Benennungsverbot scharfsinnig analysiert: es gehe zu Lasten der Behinderten, denen die professionelle Aufmerksamkeit entzogen werde). Und was bedeutet es für den gemeinsamen Unterricht mit schwer verhaltensauffälligen Kindern, die ja ebenfalls unter den sozialpolitischen Begriff der Behinderung fallen, wenn es im Blick auf ihren Einschluß in die Regelschule heißt, es gehe darum, „Anpassungszwänge zu vermeiden“ (Helmut Schwalb und Georg Theunissen).

    Also nur ja keine Anpassungserwartung gegenüber Verhaltensauffälligen hegen! Sollen die anderen in der Klasse – Lehrer wie Schüler – die Störungen doch aushalten und kreativ nutzen! Schließlich geht es darum, Heterogenität zuzulassen, nicht darum, um irgendwelcher bildungsbürgerlichen Vorstellungen von Lernerfolg willen homogene Schichtungen herzustellen, unter denen die „Einmaligkeit der Person“ Schaden nimmt, weil sie sich nicht ausleben kann. Das ist die Linie des inklusiven Bildungsforschers Kersten Reich, der es versteht, eine tickende Zeitbombe für jeden Unterricht in semantischen Plüsch zu kleiden: „Die Unterschiede zwischen den Lernenden, die sich in unterschiedlichen Perspektiven, unterschiedlicher Bevorzugung bestimmter Zugänge zum Lernen und in den Lernergebnissen selbst zeigen, sind keine Abweichung von der Norm, sondern das, was wir innerhalb eines Lernprozesses erwarten.“ Wo keine Norm, da auch keine Störung, so der konstruktivistisch (alles ist Zuschreibung) beheimatete Reich.

    (2) Winkel, Rainer (2011): Das neue Wunschbild: alles inklusiv. Rettet die Sonderschulen! In: Frankfurter Allgemeine Zeitung, Nr. 286, S. 8. Dezember 2011
    Zwei Gründe lassen mich gegen die momentan praktizierte Inklusion sein:
    1. Gleiches ist gleich, Ungleiches ungleich zu behanden. Dieser Grundsatz dient allen, denn er sollte die Bildungszuständigen darauf verpflichten, dass im Extremfall einerseits Behinderte nicht mit Hochbegabten in eine Klasse gesteckt werden dürfen. Für die einen eine Qual wegen dem ständigen
    2. Gefühl "dumm" zu sein im Vergleich zu anderen. Für die anderen eine Qual, weil sie dauerhaft in ihren Möglichkeiten der Entwicklung gebremst werden. Wie sollen Lehrer mit dieser Diskrepanz zurechtkommen?
    Jedem Kind steht grundsätzlich das gleiche an Förderung, Aufmerksamkeit und Haushaltsmittel der Kultursbürokratie zu. Will sagen, dass kein Kind mit besonderen finanziellen oder personellen Mitteln bedient werden darf. Alle sind zuerst einmal gleich. Die Zeit, die ein Langsamlerner zugebilligt bekommt um einigermassen zu addieren oder die Prozentrechnung zu durchblicken, ist auch einem Hochbegabten zu gewähren, der vielleicht an seiner 5. Fremsprache feilen möchte, oder im Gymnasium mit Mathe der Universität bedient werden will.
    Alle Kinder sind individuell zu fördern, nach ihren Fähigkeiten. Inklusion wie sie in Deutschland verstanden wird, zielt nur auf die Einsparung von Mitteln, bzw. die überpropotionale Verteilung von Sach- und Personalleistungen an das untere Ende der Leistungsfähigkeit.

    Die Rechnung ist einfach: Wenn besonders förderbedürftige Schüler an einem Ort, einer Förderschule eben, gesammelt werden, lassen sie sich dort individuell betreuen. Verteile ich die Schüler und ihre bisherigen Lehrer aber in der Fläche, ist bei gleichem Personalschlüssel nur noch eine zeitweilige Individual-Förderung drin. Anders ausgedrückt: Wer die Qualität der bisherigen Förderung beibehalten (oder sogar steigern) will, muss massiv ins Personal investieren. Obwohl die Landesregierungen unisono beteuern, für die Inklusion Geld aufzuwenden, drängt sich doch der Eindruck auf: Es reicht hinten und vorne nicht. Und dabei steht die Inklusion doch erst am Anfang.

    (3)Burghard Schmanck
    Die deutsche UNESCO-Kommission kennt offensichtlich die Behindertenrechtskonvention nicht. Sonst wüßten deren Mitglieder, daß das Wort Inklusion in der gesamten Konvention nicht ein einziges Mal vorkommt. In der verbindlichen englischen Fassung wird wörtlich “an inclusive education system at all levels” verlangt. Das besagt aber nur, daß auch für Behinderte schulische Bildung ermöglicht werden soll. Das deutsche Schulsystem trägt dem beispielhaft und optimal Rechnung. Es besteht also entsprechend der Behindertenkonvention keinerlei Handlungsbedarf. Wenn man politisch gewollt dennoch Kinder, die dem Unterricht nicht zu folgen vermögen, in eine Lerngemeinschaft zwangsweise “inkludiert”, dann raubt man ihnen die Chance, von Fachkräften unterrichtet, in kleinen Gruppen und in einem ihnen angepaßten Lerntempo den für sie bestmöglichen Lernerfolg zu erzielen Die Schwachen bedürfen des pädagogischen Schonraums, um weiterzukommen, und nicht der Rennbahn der Überflieger. Hätten die Forderungen, welche die DUK erhebt, im Text der Konvention wörtlich oder auch nur dem Sinn nach gestanden, hätte keine Regierung weltweit diese unterzeichnet.

    (4)Der Gedanke der Inklusion ist richtig. Aber sie funktioniert nicht. Gerhart Manteuffel
    Viele Eltern haben mir berichtet, dass ihre Kinder Zeugen der gescheiterten Inklusion werden - unfreiwillig. Natürlich muss der Gleichheitsgrundsatz in der Bildung gelten. Und alle wollen, dass die Kinder mit Behinderungen alle Chancen haben. Sie sollen auch gefördert werden. Aber nicht auf Kosten der eifrigen, lernbereiten und auch ehrgeizigen Kinder. Leistung ist für unsere Pädagogik nicht mehr interessant - das sind die Früchte der 68iger Reformen. Der Leistungsgedanke wurde aus der deutschen Gesellschaft und aus der Schule verbannt. Das war ein grosser Fehler. Argumentiert wurde stets mit Skandinavien. Aber das lässt sich nicht vergleichen. Dort gibt es kleine Klassen, sehr viel mehr Geld für Bildung und eine ganz andere Tradition. Ein Kind mit einer schweren Behinderung braucht eben mehr Aufmerksamkeit. Es kann aber nicht sein dass die begabten Kinder durch die Inklusion abgestraft und in ihrem Leben frustriert werden. Das ist aber jetzt die Realität an den Schulen. Brutal.

    (5) Die Inklusionsdebatte :Eric Wieland
    Inklusion ist die logische Folge des Diskriminierungsverbots. Wer nicht mehr unterscheiden darf in geeignet und ungeeignet, in beliebt und missliebig, sozial verträglich und unverträglich, ja der muss eben alles gleich machen und "einschliessen". Wer dann die Zeche dafür zu zahlen hat ist egal, solange es nicht die sind, die so einen Blödsinn verkünden und in die Tat umsetzen. Wer geistig Behinderte aufs Gymnasium bringen will, der begeht nicht nur einen Frevel an diesen Kindern sondern auch an seinen Klassenkameraden, die in ihrem Lernen gebermst werden. Es hilft dem so Behinderten nicht, schadet aber den nicht behinderten. Hier sollen offenbar die Mehrkosten einer gesonderten Betreuung eingespart werden, auf Kosten der Allgemeinheit. Und das wird dann auf dem Wege einer artifiziellen "Gerechtigkeits"debatte euphemistisch verbrämt.
    Gerechtigkeit ist, wenn man jedem gerecht wird, und das heißt, dass jeder Fall nach seiner Eigenart behandelt werden muss! Nur Gleiches ist eben gleich!

    (6)Wo beginnt die Menschenverachtung? Michael Ginster
    Unterschiede zwischen Menschen nicht zu würdigen, sie sogar zu leugnen ist entweder dumm oder bösartig. Unterschiedliche Menschen gleich zu behandeln ohne ihre unterschiedlichen Fähigkeiten zu respektieren und zu würdigen ist Verachtung.
    Zu ihren Gunsten unterstelle ich den Inklusionstreibern, dass sie gute Absichten haben.Ich kann es jedoch weder verstehen, noch akzeptieren, dass sie die massiven und deutlich vernehmbaren Widersprüchen der Lehrer, der Eltern und Psychologen misachten oder sogar ächten.Manchmal habe ich den Verdacht, das manche Protagonisten die bestehende Gesellschaft um jeden Preis umgestalten wollen,koste es was es wolle. Kollateralschäden werden hierbei in Kauf genommen - auch wenn es unsere Kinder sind.Hier beginnt die Menschenverachtung!

    (7)Dichter
    Inklusion ist nichts anderes als eine neue Masche, um Förderschulen wegzurationalisieren, also um Geld zu sparen. Verkauft wird es, wie übrigens jede Sparmaßnahme in den letzten Jahrzehnten, als neues pädagogisches Konzept. Die zur Umsetzung nötigen Mittel für Personal und Organistaion werden auch nach und nach dem Rotstift zum Opfer fallen. Wenn jedes behinderte, verhaltensoriginelle und minderbegabte Kind an jeder Schule integriert werden kann, dann brauchen wir bald auch nur noch einen Schultyp. Das läuft auf eine Nivellierung des Bildungsstandards auf einem sehr niedrigen Niveau hinaus, aber hauptsache, man hat wieder Geld gespart, das für andere Zwecke im Sozialbereich verwendet werden kann, denn die Sozialausgaben steigen ständig an. Wofür das Geld allerdings ausgegeben wird, wissen wir ja.

    (8) Markus Posern
    Richtig! Hier geht es einzig und allein um die Umgestaltung der deutschen Bildungslandschaft. Inklusion ist – wie der Kultusminister von M-V M. Brodkorb (SPD) sagt – Kommunismus für die Schule. Das gesamte mehrgliedrige Schulsystem wird mit Hilfe der Inklusion in ein Einheitsschulwesen transformiert. Eine Schule für Alle! Ohne Bildungsstandards und Noten, ohne Abschlüsse und Sitzenbleiben. Denn Inklusion bedeutet intra-individuelle Förderung jedes Einzelnen. Keine Vergleiche mit anderen. Jeder erhält dieselbe Zuwendung, jedes mehr wäre wieder Exklusion. Keiner ist etwas besonderes mehr. Alle erhalten gleich viel wenig. Und viele Lehrer machen mit. Eine Schande!

    (9) „Behinderte Kinder oft überfordert“
    Auch Stefan Füßle, Landeselternsprecher Förderschulen in Thüringen, meldet Bedenken an. „Die behinderten Kinder sind allzu oft überfordert und reagieren dann häufig aggressiv.“ Er höre von immer mehr Klagen der Eltern, die ihre nicht behinderten Kinder durch das gemeinsame Lernen mit behinderten Kindern behindert sehen. Armin Laschet, Chef der CDU-Fraktion im Landtag von Nordrhein-Westfalen, warnt davor, „überhastet alle Förderschulen zu schließen“. Diese seien für viele behinderte Kinder die bessere Adresse. Laschet konstatiert: „Bei dem hochsensiblen Thema fehlt ein Konsens in der Gesellschaft.“

    (10) Prof. em. Klaus Klemm, Bildungsforscher:
    Wenn man da einen vernünftigen Mittelweg geht, also etwa die Hälfte der Unterrichtsstunden doppelt besetzt, mit zwei Lehrpersonen, dann kommen wir bundesweit auf Mehrkosten von 600 bis 700 Millionen Euro jährlich. Und ich denke, diese 600 bis 700 Millionen Euro müssen ins System zusätzlich fließen, damit Inklusion gelingen kann.
    Die Grundidee der Inklusion, nämlich die Chancengleichheit und Erweiterung der Horizontes vieler Kinder, ist eine gute- allerdings sind ihr in der Praxis deutliche Grenzen gesetzt. Zum ersten gibt es tatsächlich Kinder, bei denen die Inklusion fehlschlägt. Das sind oftmals solche, die entweder nicht wollen oder unter Verhaltensstörungen leiden und damit massiv den Unterricht stören. Da mittlerweile fast jedes 5. Kind an einer Verhaltensstörung leidet, gestaltet es sich schwierig diese Kinder in einen normalen Schulalltag zu integrieren. Auch lastet auf Kindern an normalen Schulen bedingt durch das Leben in einer Leistungsgesellschaft ein enormer Leistungsdruck, wo sich die Frage stellt ob dieser für so manches inkludierte Kind nicht zu viel ist. Eine weitere Herausforderung betrifft vor allem die Lehrkräfte. Viele der Lehrer die Inklusionsklassen unterrichten, stehen vor bisher nicht dagewesenen Problemen: Wie gestalten sie den Unterricht so, dass er alle Bedürfnisse abdeckt? Der Unterricht darf nicht zu schwer und nicht zu theoretisch sein, muss aber dennoch alles Wissen vermitteln was für den Schulabschluss benötigt wird. Hinzu kommt noch, dass für den richtigen Umgang und die richtige Förderung behinderter Kinder eigentlich eine Zusatzqualifikation erworben werden müsste – ehe die Inklusion also eine Bereicherung ohne zusätzliche Belastung sein wird, müssen vor allem die Lehrer vom Bildungsministerium besser vorbereitet werden.
    Sie haben nun ein Buch über den mangelnden Fortschritt der Inklusion veröffentlicht. Ist die bisherige Inklusionspolitik ein große Täuschung?
    Die derzeitige Inklusionsentwicklung ist eine große Täuschung und auch eine große Enttäuschung, das ist das Hauptergebnis meiner Analyse der bayerischen Verhältnisse. Doch sie gilt auch für andere Bundesländer. Eigentlich soll Inklusion ja bedeuten, dass weniger Kinder Sonderschulen besuchen. Aber wir haben in fünf Jahren in der gesamten Bundesrepublik nur 0,1 Prozent weniger Schüler in Sonderschulen. Das ist nun wirklich kein großer Fortschritt.
    Kritik äußerten die Lehrer auch daran, dass die Feststellung des Förderbedarfs der Kinder erst ab der dritten Klasse möglich sei.

    (11) Kinder mit ADHS-Diagnosen können einerseits – rein quantitativ – als die „am besten inkludierte“ Gruppe von Kindern mit speziellem Förderbedarf gelten. Gleichzeitig werden sie mit ihrem hyperaktiven Verhalten oftmals als besonders bedrohlich für die Aufrechterhaltung des normalen schulischen Unterrichtsrahmens erIm allgemeinen Inklusionsdiskurs wird die spezifische Situation von Kindern und Jugendlichen mit schweren emotionalen Belastungen, unter ihnen viele mit traumatischen Erfahrungen, kaum gewürdigd .

    (12) Hohler Egalitarismus! Michael Hansen
    Die Inklusionsdebatte ist nur eine Steigerung der Egalitarismusdebatte im Schulwesen. Die wichtigste Frage dabei ist: Profitieren Kinder verschiedener Leistungsniveaus von gemeinsamem Lernen? Eindeutig nicht! Entweder sind die Kinder mit höherem Leistungsniveau unterfordert oder die schwächeren sind überfordert. Ich kann aus eigener Erfahrung bestätigen: je homogener das Niveau und je kleiner die Größe der Gruppe, desto besser die Leistung. "Inklusionsklassen" müssten mit mehreren Lehrern pro Klasse die dortigen Untergruppen nach ihren Möglichkeiten unterrichten. Das ist jedoch nicht bezahlbar. Das Ergebnis von Inklusionsidealismus und finanziellem Realismus kann unser Schulsystem nur vermurksen. Auch die behinderten Kinder haben nichts davon. Es geht vor allem um Eltern, die ein Seelenpflaster brauchen. Eine Bestätigung, daß ihr Kind eigentlich wie die anderen Kinder ist. Diese Eltern müssen nicht erlich zu sich selbst sein. Der Rest sollte sich aber nicht selbst verschaukeln.


    04-11-2014 om 14:57 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:M-decreet, inclusief onderwijs, Duitsland
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Strijd van Raf Feys en Onderwijskrant tegen constructivistische wiskunde

    Twistpunten in math wars in VS en ons verzet tegen de constructivistische aanpak in de ‘NCTM Standards’ (VS, 1989) en in de visie van het Nederlandse Freudenthalinstituut  &strijd van Onderwijskrant tegen dit soort wiskunde-onderwijs

    De publicatie van de constructivistische ‘NCTM Standards’ in 1989 heeft geleid tot een wiskunde-oorlog in de VS. De recente Core Standards beklemtonen nu meer de klassieke waarden en aanpakken. In het Nederlands taalgebied was het vooral Onderwijskrant (Raf Feys & Co) die van meet af aan (1989) afstand nam van de ‘Standards’ en van de visie van het Nederlandse Freudenthal Instituut dat eveneens een constructivistische visie propageerde. We spanden ons ook in om te voorkomen dat de constructivistische visie ingang vond in het Vlaams wiskunde-onderwijs - en met succes. Zo komen in het leerplan wiskunde (katholiek onderwijs) geen enkele keer de term constructivisme en uitdrukkingen als 'het kind construeert zijn eigen wiskunde-kennis' voor. Jammer genoeg sloop het constructivisme wel binnen in de leerplannen voor de eerste graad s.o.

    In een bijdrage in Education Next van 2012 werden een aantal twistpunten binnen de Math Wars in de VS nog eens op een rijtje gezet. We citeren even:

    There will always be people who think that calculators work just fine and there is no need to teach much arithmetic, thus making career decisions for 4th graders that the students should make for themselves in college. Downplaying the development of pencil and paper number sense might work for future shoppers, but doesn’t work for students headed for Science, Technology, Engineering, and Mathematics (STEM) fields.

    There will always be the anti-memorization crowd who think that learning the multiplication facts to the point of instant recall is bad for a student, perhaps believing that it means students can no longer understand them. Of course this permanently slows students down, plus it requires students to think about 3rd-grade mathematics when they are trying to solve a college-level problem.

    There will always be the standard algorithm deniers, the first line of defense for those who are anti-standard algorithms being just deny they exist. Some seem to believe it is easier to teach “high-level critical thinking” than it is to teach the standard algorithms with understanding. The standard algorithms for adding, subtracting, multiplying, and dividing whole numbers are the only rich, powerful, beautiful theorems you can teach elementary school kids, and to deny kids these theorems is to leave kids unprepared. Avoiding hard mathematics with young students does not prepare them for hard mathematics when they are older.
    There will always be people who believe that you do not understand mathematics if you cannot write a coherent essay about how you solved a problem, thus driving future STEM students away from mathematics at an early age. A fairness doctrine would require English language arts (ELA) students to write essays about the standard algorithms, thus also driving students away from ELA at an early age. The ability to communicate is NOT essential to understanding mathematics.
    There will always be people who think that you must be able to solve problems in multiple ways. This is probably similar to thinking that it is important to teach creativity in mathematics in elementary school, as if such a thing were possible. Forget creativity; the truly rare student is the one who can solve straightforward problems in a straightforward way.

    There will always be people who think that statistics and probability are more important than arithmetic and algebra, despite the fact that you can’t do statistics and probability without arithmetic and algebra and that you will never see a question about statistics or probability on a college placement exam, thus making statistics and probability irrelevant for college preparation.
    There will always be people who think that teaching kids to “think like a mathematician,” whether they have met a mathematician or not, can be done independently of content. At present, it seems that the majority of people in power think the three pages of Mathematical Practices in Common Core, which they sometimes think is the “real” mathematics, are more important than the 75 pages of content standards, which they sometimes refer to as the “rote” mathematics. They are wrong. You learn Mathematical Practices just like the name implies; you practice mathematics with content.

    There will always be people who think that teaching kids about geometric slides, flips, and turns is just as important as teaching them arithmetic. It isn’t. Ask any college math teacher.

    Math wars erupted as a result of the unfocused and mostly math-less 1989 NCTM standards. NCTM rewrote those terrible standards in 2000, yet much of what mathematicians found objectionable remained in place. Only in 2005, with the publication in Notices of the AMS [American Mathematical Society] of “Reaching for Common Ground in K–12 Mathematics Education,” did the two sides make a serious attempt to bridge the chasm. NCTM followed shortly with its 2006 Curriculum Focal Points, a document that finally focused on what mathematics is all about: mathematics. Since then, NCTM seems to have regressed, as evidenced by its 2009 publication Focus in High School Mathematics, a document that is full of high-minded prose yet contains little rigor or specificity.
    (The Common Core Math StandardsEducation SUMMER 2012 / VOL. 12, NO. 3Education Next talks with Ze’ev Wurman and W. Stephen Wilson)


    04-11-2014 om 11:13 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:constructivistische wiskunde, wiskunde-oorlogen
    >> Reageer (0)
    27-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs.Kwakkel in de beleidsnota van minister Crevits over groot aantal zittenblijvers en schooluitval

     We lezen o.a. “Internationaal   vergelijkend   onderzoek   (PISA)   toont   aan   dat  er  in  ons onderwijssysteem een  relatief  groot  aantal  zittenblijvers   zijn    in  vergelijking met de meeste andere landen.” Niets is minder waar.

    Nog niet zolang geleden lazen we in een OESO-studie op basis van PISA-2012 dat Vlaanderen (relatief gezien)  minder zittenblijvers telt dan Nederland, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg, Franstalig België, Duitstalig België, Portugal ... In Vlaanderen zitten volgens PISA-2012 nog een 74% van de 15-jarigen op leeftijd; in Franstalig België is dit minder dan de helft.  De OESO stelt dat onze hoge PISA-score precies ook verband houdt met het feit dat Vlaanderen (relatief gezien) minder zittenblijvers telt dan veel andere landen.

    De beleidsnota van minister Crevits zegt niets over het aantal zittenblijvers. Maar de indruk wordt gewekt dat de hervorming van  de eerste graad van het s.o. ook nodig is om het aantal zittenblijvers te verminderen. In 2013 waren er welgeteld 2,89% zittenblijvers in het eerste jaar s.o.; in streken met weinig anderstalige leerlingen vaak maar 1,6%. In het 2de jaar s.o. waren er 2,58%. Al bij al is dit eerder beperkt - en dit aantal is al heel lange tijd vrij beperkt. Dit ligt mede aan de basis van onze hoge TIMSS- en PISA-scores.

    Door de grote kwakkels die sinds 1991 verspreid worden over het aantal zittenblijvers bij de overgang naar het s.o., schatten de meeste mensen het aantal in het eerste jaar nog steeds op 10% en meer.  Het gedifferentieerd aanbod in de eerste graad en de soepele (her-)oriëntering leiden tot minder zittenblijvers dan in de meeste landen, en tot minder schoolmoeheid bij minder theoriegerichte leerlingen. Van Damme en De Fraine schreven in de  Sociale staat van Vlaanderen’ (2013) overigens zelf dat precies onze gedifferentieerde eerste graad en het vroegtijdig aanbieden van technische opties, een belangrijke verklaring biedt voor de beperkte schooluitval.

    Het aantal zittenblijvers in het tweede tot en met zesde leerjaar lager onderwijs bedroeg in 2013 gemiddeld 1,73%. Het eerste leerjaar telde 5,4% overzitters; bij autochtone leerlingen is dit wel nog een stuk minder.- vooral ook omwille van een te beperkte taalkennis. Vlaamse eersteklassertjes starten wel  vroeger dan in veel andere landen;  meer dan een jaar vroeger in vergelijking met b.v. Finland.  Als we de leerlingen een jaar later zouden laten starten, dan zou het aantal zittenblijvers veel lager zijn. Zittenblijven in het lager onderwijs komt dus al minder voor dan de beleidsnota laat uitschijnen. 

    De beleidsnota verzwijgt ook dat er in Vlaanderen minder schooluitval is dan in vergelijkbare landen (i.p.v. meer).  In 2012 was dit volgens Eurostat 7,5% (= 20 à 24-jarigen) zonder diploma – minder zelfs dan in droomland Finland.


    27-10-2014 om 20:09 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    Tags:beleidsnota Crevits, zittenblijven, schooluitval
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Foute en betreurenswaardige uitspraken van minister Crevit over sociale discriminatie in Vlaams onderwijs

    Minister Crevits vergist zich deerlijk in haar negatieve uitspraken over sociale discriminatie en sociale mobiliteit in het Vlaams onderwijs

    In de beleidsnota  van minister Crevits treffen we uitspraken over ongelijke onderwijskansen aan  die we zelf in Onderwijskrant en ook  een aantal onderzoekers al sinds PISA-2000 herhaaldelijk weerlegd hebben.  

    Minister Crevits beweert in de  beleidsnota: “Het Vlaams Onderwijs  slaagt  er  onvoldoende in  sociale mobiliteit  te realiseren. Meerdere onderzoeken (PISA en TIMSS) tonen aan dat in Vlaanderen de socio-economische  status  een  impact  heeft  op  schoolse  prestaties.  Het  Vlaams   onderwijssysteem  wordt  in  vergelijking   met  andere Europese landen gekenmerkt door grote verschillen in PISA-scores tussen secundaire scholen onderling. Die verschillen hangen onder meer samen   met  verschillen  in  onderwijsaanbod  en   socio-economische samenstelling van de leerlingenpopulatie. “ Vooraf: de socio-economische status (vooral ook het scholingsniveau van de ouders) heeft uiiteraard overal en uiteraard een impact op de leerprestaties. In de hogere cyclus van het s.o. in Finland is die invloed vermoedelijk nog groter dan in Vlaanderen.

    Minister Crevits en Co baseren zich voor hun uitspraak over sociale discriminatie  ten onrechte op het egalitaire en foute prestatiekloofdenken (zie verder)  en niet op de PISA-leerprestaties die de leerlingen uit laaggeschoolde milieus effectief  behalen. Ook voor PISA- 2009 en -2012 behaalde Vlaanderen inzake gelijke onderwijskansen nog een Europese topscore: b.v. meer leerlingen met de laagste 25%  SES  die  een score behaalden even hoog als  deze van de hoogste 25% van de Vlaamse leerlingen.  In recente studies  toonde de Nederlandse socioloog Jaap Dronkers eveneens aan dat Vlaanderen ook inzake gelijke kansen vrij goed presteert. Volgens Dronkers presteren de autochtone Vlaamse leerlingen uit lagere sociale groepen zelfs even goed als de Finse – en dit niettegenstaande  in Vlaanderen veel meer van die jongeren in armoede leven (Zie bijdrage over recente studie van Dronkers op www.onderwijskrant.be, nr. 171). De conclusie in een andere recente studie van Dronkers luidde: “We stellen vast dat het Vlaams onderwijssysteem gelijke kansen tussen de leerlingen bevordert zonder daarbij afbreuk te doen aan de effectiviteit”  (b.v. Europese topscore voor PISA-2012-wiskunde). De Brusselse psycholoog Wim Van den Broeck kwam vorig jaar tot dezelfde conclusie. Hij wees er tegelijk op dat hoge Vlaamse resilience score (= aantal leerlingen uit laaggeschoolde milieus die een hoge score behalen);  ook wees op de grotere sociale mobiliteit in het Vlaams onderwijs.  

    Dat die sociale mobiliteit in Vlaanderen overigens al lange tijd vrij hoog is, bleek ook uit een recent OESO-rapport  waarin Dirk van Damme schreef: "Countries that enjoy greater social equality, such as Flanders (Belgium) and the Nordic countries, generaly have fewer low skilled and more high skilled adults".  De gedifferentieerde structuur van ons secundair onderwijs bevorderde in het verleden heel sterk de sociale mobiliteit;  dankzij de hoge kwaliteit konden wij b.v. als arbeiderskinderen destijds onze handicaps compenseren. Maar ook nog de voorbije 15 jaar blijkt uit TIMSS en PISA dat onze gedifferentieerde eerste graad meer scholingskansen biedt aan zowel getalenteerde als zwakkere arbeiderskinderen dan het geval is in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus  - waar die kinderen omwille van het nivellerend karakter minder uitgedaagd worden.

    Minister Crevits en Co baseren zich voor hun uitspraak over sociale discriminatie  ten onrechte op het egalitaire prestatiekloofdenken: onderwijs is volgens hen pas democratisch als de kloof tussen de sterkste en de zwakste leerlingen en/of tussen de leerlingen uit de hoogste en laagste sociale groepen,  zo klein mogelijk is.  Zo is de kloof in Vlaanderen groter door  b.v. alleen al  het feit dat Vlaanderen veel meer PISA-toppers (excellente leerlingen) telt dan in de meeste landen.   

     Al  in 2003 wezen wijzelf den de Gentse PISA-verantwoordelijken erop dat het Vlaams onderwijs –op het vlak van het bieden van onderwijskansen aan kinderen van laaggeschoolde ouders vrij goed presteert in vergelijking met andere OESO-landen. Ook zij namen afstand van het egalitaire prestatiekloof-denken en baseerden zich op de (absolute) leerresultaten van  leerlingen uit ‘lagere’ milieus.  In een interview in het tijdschrift ‘Brandpunt’ van september 2003 stelden zij expliciet dat het Vlaams onderwijs ook volgens PISA goed  scoort inzake onderwijskansen. We lezen: “Voor Luc Van de Poele (LVDP), die voor Vlaanderen het PISA-onderzoek leidde, en prof. Jean-Pierre Verhaeghe (JPV) van de universiteit Gent is het duidelijk: “We scoren internationaal uitstekend (derde  plaats na Japan en Zuid-Korea), óók bij de kansarme leerlingen. Stop het doemdenken over het Vlaams onderwijs!”  Ook volgens  de Gentse PISA-verantwoordelijken mag men zich niet  baseren op de egalitaire prestatiekloof :  “Wat men niet ziet of wil zien is, waar bij ons de ‘laagste’ leerlingen (dat zijn leerlingen van wie de ouders behoren tot de laagste socio-economische klasse) zich situeren. Op Finland na scoren onze socio-economisch ‘zwakste’ leerlingen nog beter dan in alle andere landen; alleen Nederland en Ierland scoren even goed.  Sterker nog : onze ‘zwakste’ leerlingen doen het op de schoolbanken nauwelijks slechter dan pakweg de sterkste leerlingen in Luxemburg. De uiterst positieve resultaten van  de leerlingen met een hoge SES gaan dus niet ten koste van die van de ‘laagste’ leerlingen.Ons Vlaams onderwijs slaagt er dus in om het beste te halen uit de leerlingen van de ‘betere’ sociaal-economische klasse, dat is duidelijk. En we halen ook bijna het beste uit leerlingen van de lagere sociaal-economische klasse.”

     Ook  de berekening van die zgn. prestatietiekloof  levert een vertekend beeld op. (1) Zo stelden de Gentse PISA-verantwoordelijken herhaaldelijk dat de score van de zwakke leerlingen in Vlaanderen vertekend wordt omdat in Vlaanderen de zwakke leerlingen uit het buitengewoon onderwijs participeren en in andere landen is dit niet het geval. (2) Ook de wijze van berekening van die Vlaamse kloof vertekend de werkelijkheid. Om die kloof zo groot mogelijk te doen lijken, vergelijken de PISA-verantwoordelijken en  Vlaamse sociologen als Dirk Jacobs niet de hoogste 25% met de laagste 25%, maar de hoogste en laagste 10%. Door het feit dat onze leerlingen met de 10% hoogste SES zo superieur presteren in vergelijking met andere landen, is uiteraard de kloof met  de 10% leerlingen met de laagste SES vrij groot. Hierbij is het ook zo dat er problemen zijn met die laagste 10%, omdat er bij de vergelijking grote problemen opduiken i.v.m. de samenstelling van die laagste 10%. De uitslag van die laagste Vlaamse 10% wordt vertekend omdat b.v. in Vlaanderen ook de buso-leerlingen uit het buitengewoon onderwijs participeren en dit in andere landen  veel minder het geval is.  Het is verder ook zo dat b.v.  de ouders van Finse leerlingen met de laagste 10% SES, nog steeds gemiddeld beter geschoold en rijker zijn dan de onderste 10% in Vlaanderen en dat in Vlaanderen ook veel meer (anderstalige) allochtone leerlingen deel  uitmaken van die 10%.  Dit is ook de reden waarom b.v. de Nederlandse socioloog Dronkers terecht een aparte berekening maakt voor de autochtone leerlingen. 

     


    27-10-2014 om 18:44 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    Tags:minister Crevits, beleidsnota, sociale discriminatie,
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Onzin van prof. M. Valcke over onderwijs eigen schoolloopbaan, competentiegerichte opleidingen

    Prof. Martin Valcke vertelt onzin over onderwijs, over zijn schoolloopbaan in het s.o., over competentiegerichte lerarenopleidingen…

    * Getuigenis over zijn gefantaseerde schooltijd in s.o. Op zijn eerste secundaire school was Martin naar eigen zeggen een totale mislukkeling: “15 onder nul voor wiskunde”, enz. Ik verstond de leraar Engels niet.. Zijn vader versast hem naar een nieuwe, een totaal alternatieve school in een andere stad. Zoon Martin daar meteen de eerste van ...de klas. Het gaat om een alternatieve school waar 'alle leraars en dicht bij werkelijkheid stonden”. De leraar boekhouden was zelf boekhouder, de leraar recht een jeugdrechter, de leraar Duits iemand van de Duitse ambassade ….. Straf verhaal, maar klinkt totaal ongeloofwaardig. Die ( o.i. gefantaseerde) ideale school is volgens hem later verschoolst geworden. En de twee Nederlandse interviewsters geloven die onzin. 


      *In hetzelfde interview zegt Valcke dat voor hem een ideale secundaire school een school is waar leerlingen ook leren koken, waar er een fietswerkplaats is ….


     * Valcke was/is een van de grote propagandisten van de competentiegerichte aanpak die leidde tot een uitholling van tal van lerarenopleidingen in Nederland en (zelfs) Vlaanderen. Het is uitgerekend Valcke die enkele jaren geleden belast werd met de evaluatie van de lerarenopleidingen.

    In het VLOR-rapport over competentiegericht leren (2008) pleitte Valcke voluit voor competentiegerichte lerarenopleidingen. Valcke verwijst als model naar de mini-ondernemingen in het secundair onderwijs en de zgn. experimenten met ‘leerbedrijven’ opgezet als vervanging voor een compleet opleidingsjaar in het beroepsonderwijs. Daarnaast verwijst hij naar de zgn. ‘virtuele bedrijven’ zoals de “Deense Virtual Company and Modelbank, dat op het internet een bedrijf model-     leert. Lerenden kunnen in het virtuele bedrijf werken en problemen oplossen.” Valcke illustreert heel even hoe authentieke opdrachten er volgens hem zouden kunnen uitzien. Zo lezen we “In een lerarenopleiding zullen volledige situaties worden aangeboden: bijv. een disciplineprobleem op een schooluitstap.” De lerarenopleiding zou volgens Valcke uitgebouwd moeten worden vanuit dergelijke contextgebonden problemen. We geloven geenszins dat we de lerarenopleiding moeten en kunnen ophangen aan dergelijke problemen (=gesitueerd leren), of aan het zelfstandig laten maken van een groot aantal taken. Een mede-verantwoordelijke voor de nefaste competentiegerichte aanpak binnen  lerarenopleidingen mocht dus het evaluatierapport over de lerarenopleidingen opstellen.




    Meer weergeven
    Na afloop van de masterclass Leren & Innoveren met Prof. Dr. Martin Valcke (Universiteit van Gent) raakten twee studenten met hem in gesprek. Een korte impressie van dit gesprek via dit filmpje. Valcke spreekt over zijn eigen schoolervaring, waarom scholen veel meer bij elkaar moeten kijken en het geven van verantwoordelijkheid aan lerenden.
    www.youtube.com

    27-10-2014 om 12:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (1 Stemmen)
    Tags:Martin Valcke,
    >> Reageer (0)
    23-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Topscore Vlaanderen inzake geschooldheid en sociale gelijkheid
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Stelling van Dirk Van Damme over sociale gelijkheid & geschooldheid in nieuwe PIAAC-studie: Vlaanderen op kop!

    "In landen met minder laaggeschoolde volwassenen zoals in Vlaanderen en de Scandinavische landen is er ook meer sociale (maatschappelijke) gelijkheid."Countries that enjoy greater social equality, such as Flanders (Belgium) and the Nordic countries, generaly have fewer low skilled and more high skilled adults"

    Toch verwonderlijk dat onze sociologen en zelfs Van Damme... voortdurend beweren dat er in het Vlaams onderwijs geen sprake was/is van een echte democratisering, maar enkel van massificatie, van midden-klasse hoger onderwijs e.d. , dat ons onderwijs enkel maar de sociale ongelijkheid reproduceert en zelfs versterkt, ...

    Countries with less low-skilled adults -topscore vr Vlaanderen! are also enjoying higher social equality. PIAAC http://www.oecd.org/edu/skills-beyond-school/EDUNAEC1.pdf … …

    23-10-2014 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:sociale (on)gelijkheid
    >> Reageer (0)
    21-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Gentse PISA-verantwoordelijken weerlegden al in 2003 kwakkel over sociale discriminatie vanVlaamse sociologen & hervormers s.o.

    Gentse onderwijskundigen, PISA -verantwoordelijken, zetten al in 2003 kwakkels recht rond (on)gelijke kansen in Vlaanderen in het COC-blad Brandpunt van april 2003.

    Onderwijskundigen van de UGent die verantwoordelijk zijn voor PISA-Vlaanderen, weerlegden  in 2003 al krachtig de kritiek over sociale discriminatie vanwege  Vlaamse sociologen en beleidsmakers.  Dit betekent ook dat ze het belangrijkste uitgangspunt voor de hervorming van het s.o. weerlegden. Jammer genoeg deden ze dit sindsdien niet meer expliciet en reageerden ze ook niet expliciet op de hervormingsplannen voor het s.o. We bekijken straks hoe ze in Brandpunt van april 2003 de kritiek en foute conclusies van de sociologen en de beleidsmakers weerlegden. Deze bijdrage is nog steeds even actueel als in 2003. We plaatsen er nog wat commentaar bij – waarbij we ook PISA-2012 betrekken.

    Al meer dan 10 jaar beweren Vlaamse sociologen als Dirk Jacobs, Ides Nicaise, Mieke Van Houtte… en heel wat beleidsmakers en onderwijsverantwoordelijken dat het Vlaams onderwijs kampioen sociale discriminatie is. In Onderwijskrant hebben we dit steeds weerlegd en gesteld dat zij zich ten onrechte baseren op de egalitaire kloofmythe, het verschil tussen de hoogste en laagste 10%.  Ook recentelijk nog toonden de Nederlandse socioloog Jaap Dronkers en de Brusselse psycholoog Wim Van den Broeck  aan dat Vlaanderen ook inzake gelijke kansen vrij goed presteert. Volgens Dronkers presteren de autochtone Vlaamse leerlingen uit lagere sociale groepen zelfs even goed als de Finse – en dit niettegenstaande  in Vlaanderen veel meer van die jongeren in armoede leven (Zie vorige bijdragen op dit facebook en bijdrage over recente studie van Dronkers op www.onderwijskrant.be, nr. 171).

    Redactie Brandpunt in 2003: “Als je alle negatieve commentaren over het Vlaams onderwijs leest, vraag je je als leerkracht wellicht wel eens af: “Zijn we dan zo slecht bezig?” Journalisten sociale organisaties, de Koning-Boudewijnstichting, de minister (NvdR: de sociologen), allen hebben ze de voorbije maanden het PISA-onderzoek aangegrepen om te verkondigen dat kansarme kinderen in Vlaanderen te weinig aandacht krijgen (gediscrimineerd worden), dat ons onderwijs niet  geslaagd is in zijn democratische functie, dat Vlaanderen helemaal niet trots hoeft te zijn op zijn onderwijs als over gelijke kansen gaat. Maar IS dat wel zo? En wie bedriegt hier eigenlijk wie? “

    1. Vlaams onderwijs scoort wel goed inzake onderwijskansen

    Voor Luc Van de Poele (LVDP), die voor Vlaanderen het PISA-onderzoek leidde, en prof. Jean-Pierre Verhaeghe (JPV) van de universiteit Gent is het duidelijk: “Stop het doemdenken over het Vlaams onderwijs! We scoren internationaal uitstekend, óók bij de kansarme leerlingen.” Brandpunt ging beide opzoeken in Gent.  

    LVDP: “Ook de positie van Vlaanderen qua wiskundige geletterdheid is zeer goed. Alleen Japan en Korea scoren daar iets beter. (NvdR en actualisering:  vijfde plaats voor Finland in PISA-2000. Ook voor PISA-2012-wiskunde behaalde Vlaanderen de Europese topscore (531 punten) en Finland: 519. Onze tso-leerlingen behaalden 520 punten, zelfs een punt meer dan de gemiddelde Finse leerling.  Er wordt steeds  beweerd dat onze tso-leerlingen te weinig algemene vorming wiskunde e.d. krijgen in vergelijking met  comprehensieve landen als Finland, Zweden … met een gemeenschappelijke lagere cyclus, maar onze tso-15-jarigen scoren nog steeds beter dan de gemiddelde Finse leerling en ze hebben zelfs een vol jaar schoolse voorsprong op de doorsnee Zweedse leerling  (478 punten).  Het is natuurlijk wel spijtig dat  zowel onze aso- als onze tso-leerlingen zwakker scoren dan b.v. in 2000 en 2003: aso van 624 naar 605, tso van 546 naar 520). Deze niveaudaling ligt niet aan de structuur van het s.o., maar is  een gevolg van de nivellerende eindtermen en nivellerende & gemeenschappelijke) leerplannen, van de toename van het aantal allochtone leerlingen… )

    Vraag Brandpunt:  Wat vaak voorkwam in de commentaren op het PISA-onderzoek is: de kloof tussen ‘kansarmen’ en ‘kansrijken’ is in het Vlaams onderwijs groot, groter dan in onze buurlanden.   

    JPV:  ‘Wat men niet ziet of wil zien is, waar bij ons de ‘laagste’ leerlingen (dat zijn leerlingen van wie de ouders behoren tot de laagste socio-economische klasse) zich situeren. Op Finland na scoren onze socio-economisch ‘zwakste’ leerlingen nog beter dan in alle andere landen; alleen Nederland en Ierland scoren even goed.  Sterker nog : onze ‘zwakste’ leerlingen doen het op de schoolbanken nauwelijks slechter dan pakweg de sterkste leerlingen in Luxemburg. De uiterst positieve resultaten van  de leerlingen met een hoge SES gaan dus niet ten koste van die van de ‘laagste’ leerlingen.’ LVDP: ‘Ons Vlaams onderwijs slaagt er dus in om het beste te halen uit de leerlingen van de ‘betere’ sociaal-economische klasse, dat is duidelijk. En we halen ook bijna het beste uit leerlingen van de lagere sociaal-economische klasse.’

     2.Commentaar en actualisatie van Raf Feys:  

    Ook voor PISA-2012 behaalde Vlaanderen inzake onderwijskansen nog een Europese topscore: b.v. meer leerlingen uit laagste 25%  SES  die  een score behaalden even hoog als  deze van de hoogste 25% van de Vlaamse leerlingen.  Onze sociologen, een  aantal onderwijsverantwoordelijken, de opstellers van het Masterplan s.o. ….  baseren zich steeds  ten onrechte op de egalitaire prestatiekloofmythe: onderwijs is volgens hen pas democratisch als de kloof tussen de sterkste en de zwakste leerlingen en de leerlingen uit de hoogste en laagste sociale groepen,  zo klein mogelijk is.  

    Om die kloof zo groot mogelijk te doen lijken, vergelijken onze sociologen niet de hoogste 25% met de laagste 25%, maar de hoogste en laagste 10%. Door het feit dat onze leerlingen met de 10% hoogste SES zo superieur presteren in vergelijking met andere landen, is uiteraard de kloof met  de 10% leerlingen met de laagste SES al vrij groot. Verder duiken ook grote problemen op bij de vergelijking met de laagste 10%, omdat er bij de vergelijking grote problemen opduiken i.v.m. de samenstelling van die laagste 10%. De uitslag van die laagste Vlaamse 10% wordt vertekend omdat b.v. in Vlaanderen ook de buso-leerlingen uit het buitengewoon onderwijs participeren en dit in andere landen  veel minder het geval is.  De Gentse PISA-verantwoordelijken wezen hier destijds herhaaldelijk op.  Het is verder ook zo dat b.v.  de ouders van Finse leerlingen met de laagste 10% SES, nog steeds gemiddeld beter geschoold en rijker zijn dan de onderste 10% in Vlaanderen en dat in Vlaanderen ook veel meer (anderstalige) allochtone leerlingen deel  uitmaken van die 10%. Dit is ook de reden waarom b.v. de Nederlandse socioloog Dronkers terecht een aparte berekening maakt voor de autochtone leerlingen.  Onze sociologen,  de opstellers van de rapporten van de Koning Boudewijnstichting, de opstellers van het Masterplan pakken niet enkel  ten onrecht uit met de prestatiekloof, maar ook  hun berekening van die kloof levert een totaal vertekend beeld op. 3. Correlatie met sociale afkomst wijst niet per se op discriminatie

    Volgens de Gentse prof. JVP is het ook verkeerd te veronderstellen dat er geen invloed mag zijn van de sociale afkomst: “omdat je moet rekening houden met het geheel van factoren die leerresultaten beïnvloeden. Voor een belangrijk deel speelt de erfelijkheid mee.” Combineer je de factor erfelijkheid met de selectie op de huwelijksmarkt,  dan weet je dat de ongelijkheid die het onderwijs zogezegd niet wegwerkt niet meer een socio-economische ongelijkheid in strikte zin is. “ (NvdR: naast de genetische verschillen, kan het onderwijs uiteraard ook niet zomaar de ongelijke beïnvloeding buiten het onderwijs wegwerken. Leerlingen met een hogere verstandelijke aanleg halen overigens ook meer meest profijt uit milieu-invloeden buiten de school.)

    3.Foute vergelijking van allochtone leerlingen

    JPV wijst er ook op dat we moeten oppassen als we de prestaties van de allochtone leerlingen in verschillende landen vergelijken. “Die leerachterstand van allochtone leerlingen heeft alles te maken de taalachterstand. Maar dit minpunt moet je relativeren. In landen als Frankrijk en Engeland b.v. is de taalachterstand vanzelf veel kleiner, omdat de allochtonen daar thuis vaak resp. Frans en Engels spreken. En in Nederland heb je veel inwijkelingen uit de Nederlandse kolonies.  En in Vlaanderen is het een feit dat je met Frans ook wel overweg kan, zodat de drang om Nederlands te leren kleiner is.”

    4. Besluit

    We begrijpen niet dat onze sociologen; beleidsmakers, kopstukken van onderwijsnetten … volharden in de boosheid en al meer dan 10 jaar een totaal verkeerd beeld over de sociale discriminatie in ons s.o verspreiden. Hetzelfde zou gezegd kunnen worden over hun uitspraken i.v.m. schooluitval.  Dit betekent ook dat de hervormingsplannen voor het s.o. gebaseerd zijn op vermeende knelpunten en dus geen knip van de schaar waard zijn. Als onze lagere cyclus s.o  zowel op het vlak van de sociale gelijkheid, de leerprestaties, de schooluitval … opvallend beter scoort dan in andere landen en vooral ook beter dan in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus, dan bestaat er geen reden om die succesvolle lagere cyclus te vervangen door een gemeenschappelijke lagere cyclus e.d.

     

    21-10-2014 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:sociale discrimininatie, hervorming s.o., sociologen, PISA-verantwoordelijken
    >> Reageer (0)
    17-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Nederlandse sociologen over superieur karakter lagere cyclus s.o: haaks op beweringen van onze EPO-sociologen


    Het Vlaams s.o. slaagt er wonderwel in een grote mate van sociale gelijkheid te combineren met effectief onderwijs dankzij zijn prestatiestimulerende structuur van de lagere cyclus s.o.

    1.Inleiding: superieure lagere cyclus s.o

    De basisconclusie in een recente studie van Dronkers en Prokic-Breuer omtrent superieure lagere cyclus s.o is veelzeggend: " The ‘‘not too high but not too low’’ level of entrance selection (trying to combine the best of two solutions) and the high level of curriculum mobility within schools and between tracks improve the matching of pupils to their educational attainment and achievement. This can improve efficient learning and thus leads to high scores. Some entrance selection by schools can be useful to strengthen their ambition and quality, which influence the performance of their pupils.” Deze conclusie over het superieur karakter van onze lagere cyclus s.o. staat haaks op de stellingen van onze Vlaamse sociologen in hun EPO-boek ‘Het onderwijsdebat’. Dronkers en Co tonen preciies aan dat alle soorten leerlingen in onze gedifferentieerde lagere cyclus meer passende onderwijskansen krijgen dan in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus.

    We vermelden in deze bijdrage de o.i. belangrijke conclusies voor Vlaanderen in de studie ”The high performance of Dutch and Flemish 15-year-old native pupils: explaining country different math scores between highly stratified educational systems” (Tijana Prokic-Breuer & Jaap Dronkers, Maastricht University, 2012). Daarna maken we nog even een vergelijking met de stellingen van de Vlaamse sociologen die haaks staan op deze van hun Nederlandse collega’s.

    2. Studie van van Dronkers en Prokic-Breuer

    De onderzoekers wilden o.a. nagaan hoe de lagere cyclus s.o. in Vlaanderen erin slaagt een (relatief) hoge mate van sociale gelijkheid te combineren met effectief onderwijs een hoge-PISA-score). Uit een ander onderzoek van prof. Dronkers was al gebleken dat het niveau van sociale gelijkheid bij autochtone Vlaamse leerlingen (relatief) hoog was - even hoog zelfs als bij de Finse 15-jarigen. Dat werd ook in andere studies bevestigd.

    De Nederlandse onderzoekers (sociologen) gingen uit van volgende hypothese: “We stellen vast dat het Vlaams onderwijssysteem gelijke kansen tussen de leerlingen bevordert zonder daarbij afbreuk te doen aan de effectiviteit (b.v. Europese topscore voor PISA-2012-wiskunde). We verwachten dat dit bereikt wordt door het plaatsen van een groot deel van de leerlingen in ‘hogere richtingen’ ( ‘higher track’) van bij de start van het secundair onderwijs.” (Veel leerlingen dus die kiezen voor sterkere richtingen, de opties Latijn en Moderne Wetenschappen in de eerste graad). ”Een uniek kenmerk van het Vlaams onderwijs is dat als gevolg van de relatief beperkte selectiviteit bij de start van het s.o de meerderheid van de leerlingen toegestaan wordt ‘to enter highest educational track’ sterke richtingen). “

    Dat een zekere selectie niet belet dat tegelijk heel veel leerlingen mogen starten in sterke richtingen die hoge eisen stellen, is volgens de onderzoekers heel belangrijk. “In tegenstelling tot comprehensieve onderwijssystemen - met een gemeenschappelijke lagere cyclus - is het tevens zo dat in Vlaanderen het bestaan van ‘lagere onderwijsrichtingen’ (lowest tracks) de mogelijkheid biedt van ‘downward mobility during secondary education’ (=tijdige en soepele overgang naar meer passende opties is mogelijk.) We argumenteren dat naast de voordelen die de grote deelname aan de hogere richtingen inzake gelijkheid oplevert, de motivatie van de leerlingen om in de sterke richtingen te blijven hoger is dan de motivatie om een lagere richting te verlaten. Daardoor kunnen de onderwijsprestaties van alle leerlingen bevorderd worden. (“We argue that next to equity benefits related to the bigger size of the highest tracks, the motivation of students to stay in the highest track is higher than the motivation to exit from the lowest track; therefore, the educational performance of all pupils can be increased.”)

    Dronkers en Prokic-Breuer stelden dus vast dat hun hypotheses grotendeels bevestigd werden in hun onderzoek. De eindconclusie luidt: “The high Flemish scores can be partly explained by the high curriculum mobility (as indicated by the highest level of medium entrance selection). The Flemish educational system has relatively open entrance at each curriculum level in secondary school, but a high level of internal (downward) curriculum mobility (‘‘cascade model’’) as well. The ‘‘not too high but not too low’’ level of entrance selection (trying to combine the best of two solutions) and the high level of curriculum mobility within schools and between tracks improve the matching of pupils to their educational attainment and achievement. This can improve efficient learning and thus leads to high scores. Some entrance selection by schools can be useful to strengthen their ambition and quality, which influence the performance of their pupils.” P.S. However, we cannot fully explain the high scores of the Flemish pupils. … Educational policy can also make a difference.

    3.   Beweringen Vlaamse EPO-sociologen haaks op studie van  Dronkers en co


     We merken dat de twee Nederlandse onderzoekers tot dezelfde analyse en conclusies komen als de overgrote meederheid van de leraars en directies. Onze gedifferentieerde lagere cyclus biedt zowel de betere en de zwakkere leerlingen meer passend onderwijs en onderwijskansen dan de gemeenschappelijke eerte graad/ lagere cyclus in andere landen. Het systeem van vlotte en tijdige (her)oriëntatie met B-attesten is hierbij ook belangrijk. De invoering van een gemeenschappelijke eerste graad zou een aantasting betekenen van de onderwijskansen.

    De Nederlandse sociologen brengen een analyse en conclusies die haaks staan op deze die Vlaamse sociologen als Nicaise, Van Houtte en Co in ‘Het onderwijsdebat (EPO, 2014)’ publiceren. We gaan hier even op in.

    We stippen vooreerst aan dat in ‘Het Onderwijsdebat’ nog steeds de egalitaire ideologie doorklinkt – het meest in bepaalde bijdragen, maar in mindere mate ook als achtergrond van de meeste bijdragen. De egalitaire onderwijsideologie die in Vlaanderen het meest vertolkt wordt/werd door Ides Nicaise en Dirk Jacobs viseert een evenredige vertegenwoordiging van kansarme en kansrijke leerlingen op elk onderwijsniveau. Hierbij gaat die ideologie er ook ten onrechte vanuit dat de cognitieve aanleg evenredig verdeeld is over alle bevolkingslagen. Veelal gaat men er zelfs vanuit dat de cognitieve aanleg al bij al geen grote rol speelt en streeft men ook gelijke leerresultaten na. Het verschil tussen de sterke en de zwakke leerlingen moet zo klein mogelijk zijn kloof-mythe die ook de PISA- en OESO-kopstukken verspreiden). De grote egalitaire slogan luidt dan ook:’ de kloof dempen’. Een groter verschil voor PISA b.v. betekent volgens hen automatisch dat het onderwijs de zwakkere leerlingen meer sociaal discrimineert.

    Volgens die egalitaire ideologie is het onderwijs zelfs volledig verantwoordelijk voor de schoolse leerprestaties: de intellectuele aanleg van de leerlingen, de invloed van de ondersteuning buiten de school, de individuele verantwoordelijkheid van de ouders en van de leerling … spelen geen rol of mogen geen rol spelen. Van zodra kansarme leerlingen slechter presteren dan kansrijke is er volgens hen een probleem met ons onderwijssysteem. Het lijkt erop dat het onderwijs almachtig is. De uitspraken over sociale discriminatie in het EPO-boek zijn gebaseerd op de kloof-mythe; ook EPO-auteurs die de egalitaire stellingen van Nicaise en Jacobs niet expliciet en openlijk onderschrijven, baseren zich toch op die egalitaire kloofmythe.

    In het boek ‘Het Onderwijsdebat’ wekken de sociologen ook de indruk dat er in onze lagere cyclus minder aandacht is voor het aanleren van technische kennis/vaardigheden dan in comprehensieve landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus. Niets is minder waar. In comprehensieve landen is het gemeenschappelijk curriculum een algemeen vormend curriculum – met heel weinig aandacht voor technische kennis en vaardigheden. Indien PISA ook de technische kennis en vaardigheden van de 15-jarigen zou meten, dan zou blijken dat Vlaanderen daar een topscore zou behalen – veel hoger dan in comprehensieve landen. Ook Roger Standaert heeft er al herhaaldelijk op gewezen dat ons technisch onderwijs nog steeds een model is voor de meeste landen.

    Precies de invoering van een gemeenschappelijke lagere cyclus in het VSO (Vernieuwd Secundair Onderwijs) getuigde van een onderwaardering voor technische kennis en vaardigheden en betekende een aantasting van het tso/bso. Bij de invoering van het eenheidstype s.o in 1989 was een van de belangrijkste argumenten van minister Daniël Coens dat het VSO nadelig was voor het tso en dat daarom weer meer moest aangesloten worden bij het klassieke tso - met meer aandacht voor technische kennis en vaardigheden vanaf het eerste jaar s.o.

    De EPO-sociologen maken de lezers niet enkel wijs dat er in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus meer aandacht bestaat voor technische kennis en technische vaardigheden. Ze wekken tegelijk de indruk dat de leerlingen in ons tso in de lagere cyclus al te weinig basiskennis en basisvaardigheden kunnen verwerven – zonder dit evenwel te staven. Ze wekken ten onrechte de indruk dat vergelijkbare leerlingen in comprehensieve landen veel meer abstractere kennis als wiskunde kunnen verwerven. Dit blijkt geenszins het geval te zijn. Voor PISA behaalden onze tso-leerlingen enkele jaren geleden nog 532 punten – dit was zelfs meer dan de gemiddelde leerling in Finland; en betekende ook dat ze meer dan een jaar prestatievoorsprong hadden op de gemiddelde leerlingen in comprehensief Zweden. In hun denigrerende uitspraken over het tso en over de tso-leerlingen tonen de EPO-sociologen weinig waardering voor het tso en voor de tso-leerlingen.

    De stelling dat er in Vlaanderen minder waardering is voor technische kennis en technische vaardigheden gaat niet op. We zijn het ook niet eens met de stelling dat comprehensieve landen op het einde van het s.o. meer technisch geschoolde arbeidskrachten afleveren. Dit zou dan goed zijn voor het bedrijfsleven en de welvaart. Op het einde van het s.o. zijn er in Vlaanderen meer leerlingen die technische kennis en vaardigheden hebben verworven dan in comprehensieve landen. Onze bedrijven weten veel beter wat ze aan afgestudeerden met een tso/bso-diploma hebben dan in comprehensieve landen.

    De EPO-auteurs beweren ook dat men in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus er beter in slaagt leerachterstanden weg te werken, blijkt ook niet het geval te zijn. De Vlaamse leerlingen die zwak zijn en/of kansarm behalen b.v. voor PISA betere resultaten dan vergelijkbare leerlingen in comprehensieve landen. In vergelijking met comprehensief Zweden presteren onze zwakkere leerlingen zelf even goed als de doorsnee-leerlingen in Zweden.

    De EPO-auteurs verzwijgen ook dat de schooluitval in Vlaanderen opvallend kleiner is dan in comprehensieve landen als Zweden, Finland, Frankrijk, Engeland… Volgens Eurostat was er in 2013 in Vlaanderen 7,5% schooluitval ( 20- à 24-jarigen zonder diploma). Zelfs in Finland was dit nog 9%.


    17-10-2014 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (2 Stemmen)
    Tags:Donrkers, sociale (on)gelijkheid, gelijke kansen, hervorming s.o., Masterpklan , Nicaiese, Van Houtte
    >> Reageer (0)
    15-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Scholengroepen. Fusie-haast bij Guimardstraat

    Too big to succeed; maar fusie-haast bij Guimardstraat en Lieven Boeve

     

    Rector Torfs op Twitter: schaalvergroting in het onderwijs leidt veelal tot vervreemding!

    Ex-premier Tindemans in zijn memoires: schaalvergroting = grootste bedreiging voor ons onderwijs

    In Finland is kleinschaligheid troef. Streven naar defusie in Nederland.

     

    Raf Feys en Noël Gybels Onderwijskrant 171(oktober-november-december 2014)

     

     

    1. Katholieke onderwijskoepel wildringend grote scholengroepen

     

      1. 1Geen ruimte voor debat overcontroversiële schaalvergroting?

         

    In de verkiezingsdebatten kwam de invoering van de controversiële grootschalige scholengroepen zelden

    of nooit ter sprake. Ook in de beleidsverklaring van de nieuwe regering vinden we hier weinig over.

    Het heeft o.i. nochtans veel te maken met de kwaliteit van het Vlaams onderwijs: volgens sommigen

    betekent de schaalvergroting een zegen, volgens anderen een groot gevaar voor de kwaliteit.

    We lezen vandaag 10 oktober wel in het COC-blad ‘Brandpunt’ dat de katholieke onderwijskoepel van

    plan is om in de komende jaren het oprichten van grote scholengroepen centraal te stellen in zijn

    beleid. Het VSKO wil zo vlug mogelijk vrij grote scholengroepen oprichten. De voorbije twee jaar pakte de katholieke onderwijskoepel VSKO enkel uit met de vele zegeningen van de schaalvergroting – die als vanzelfsprekend werden voorgesteld. Voor een debat over de principes en voor kritische geluiden was er geen ruimte. Het gaat nochtans om een heel controversiële aangelegenheid. Een aantal bezorgde directeurs drukten alvast hun bezorgdheid uit in hun DIVO-bulletin van juni 2013. Ze vroegen zich af: “Wat zal de inbreng van directies in de ‘geabsorbeerde ’schoolbesturen nog kunnen en mogen zijn? Wat

    zal de relatie van de pedagogisch gedreven en verantwoordelijke directeur/directieteam zijn ten opzichte

    van de zich vernieuwend professionaliserende raden van bestuur?”

     

    Nog niet zolang geleden twitterde rector Rik Torfs: schaalvergroting in het onderwijs leidt veelal tot vervreemding! Dat is ook precies wat we zelf hebben ervaren bij de schaalvergroting en fusies in het

    hoger onderwijs. Nu Torfs onlangs lid werd van het VSKO-bestuur, hopen we dat hij daar die visie zal

    verdedigen. Ex-premier Leo Tindemans schreef in 2000 in zijn memoires: “De kwaal van de mastodontscholen mag het onderwijs niet verder ondermijnen. Als deze ziekte tenminste nog kan worden

    tegengehouden.“ Hij zinspeelde toen vermoedelijk vooral op de fusies in het hoger onderwijs. In 1995

    protesteerden de scholen, het ACW, de CVP ... massaal en krachtig tegen het toenmalig schaalvergrotingsplanvoor het s.o. vanwege het duo Van den Bossche-Monard - een plan dat tot de ergernis vande scholen gesteund werd door een van de kopstukken van de Guimardstraat. Dit schaalvergrotingsplan was nochtans minder revolutionair dan het huidige. Men stelde in die tijd dat volgens het zogeprezen subsidiariteitsprincipe de verantwoordelijkheden op een zo laag mogelijk niveau moesten liggen. Dit principe wordt toegepast in het zo geprezen Fins onderwijs – met niet enkel kleinschalige scholen, maar ook kleinschalige en schoolnabije schoolbesturen. Wereldwijd prijst men de grote autonomie van de Finse scholen en leraars - wat er tot een grote betrokkenheid leidt.Het controversieel karakter van het schaalvergrotingsplan blijkt ook uit het feit dat de Vlaamse koepel van het stedelijk onderwijs en de koepel van het provinciaal onderwijs de invoering van grote scholengroepen

    afwezen. Voor die onderwijsnetten is het ook niet realiseerbaar. Zij betreuren dat de

    grote katholieke ’dialoogkoepel’ geen rekening wil houden met het feit dat de invoering van scholengroepeneen bedreiging voor hen betekent. In Nederland heeft de invoering van grote scholengroepenenorm veel beroering en kritiek veroorzaakt.

     

    Volgens velen leidden die grote scholengroepen ook tot een aanzienlijke niveaudaling. Men probeert

    er momenteel een aantal zaken weer recht te trekken, maar defusie b.v. blijkt moeilijker dan fusie.Als illustratie een paar getuigenissen. Onderwijsvrouw Joke Hermesen getuigt in Vrij Nederland van

    1 februari 2014: "Zo overzichtelijk als de onderwijswereld vroeger was, zo ondoorzichtig is deze nu geworden. De scholen zijn de afgelopen decennia gefuseerd tot immense, duizenden leerlingen tellende

    instituten, met, als we eerlijk zijn, voornamelijk nadelen en misstanden tot gevolg. In sommige regio’s hebben scholen ook een monopoliepositie gekregen, waardoor het aanbod is verschraald en

    de keuzevrijheid is afgenomen. Door de schaalvergroting moesten er ook meerdere bestuurslagen

    worden toegevoegd, die veel geld kosten en ook de verhoudingen en de algehele sfeer op school hebben

    veranderd. De bestuurders, die zelden een klas van binnen zien, laat staan de leerlingen kennen,

    bepalen het beleid, terwijl de leerkrachten daar amper invloed op hebben. Dat is vragen om moeilijkheden

    en die zijn er dan ook in grote mate." Nog een getuigenis van Ton Lamers : ‘De laatste vijf jaar

    werkte ik op een scholengemeenschap met 3.000 leerlingen en ongeveer 300 docenten. Hoewel de

    directeur mijn lokaal dagelijks passeerde, hebben we elkaar nog nooit gesproken. De organisatie is

    volgens bedrijfskundig model opgezet. Voor deze manager was ik slechts één werknemer van de vele.Hij had wel belangrijkere zaken aan het hoofd.”

     

    1.2  Lieven Boeve over VSKO-hervormingsplan

     

    In zijn interview met Brandpunt merken we dat ook Lieven Boeve als nieuwe directeur-generaal VSKO

    enorm veel heil verwacht van schaalvergroting. Ook hij rept er met geen woord over de mogelijke gevaren.Wat Lieven Boeve er meedeelt over de schaalvergrotingsplannen is jammer genoeg ook

    nog steeds vrij algemeen - net zoals dit nog steeds het geval is met de hervormingsplannen voor het

    secundair onderwijs. Nu men deze plannen moet invullen, blijkt dat ook de Guimardstraat en andere

    pleitbezorgers verstek laten gaan. Men mag de scholen, besturen ... eigenlijk niet vragen om vage

    schaalvergrotingsplannen te beoordelen en al dan niet goed te keuren.

     

    Reageren op vage plannen is moeilijk, maar als lid van school besturen en vanuit de eigen ervaring met

    de schaalvergroting in het hoger onderwijs, maken we ons toch grote zorgen over de voortvarendheid

    van het VSKO. We voelen ons verplicht om dringendeen aantal bedenkingen bij het interview in

    Brandpunt te formuleren. Ze dragen wellicht bij tot een open debat – als daar nog ruimte voor is.

    In het Brandpunt-interview stelt Boeve vooreerst:“Mastodontscholengroepen van 20.000 leerlingen

    zijn niet de bedoeling. De schaal moet wel zo zijn dat je een aantal bestuurders kunt vergoeden als

    professionals, een goed statuut voor vrijwilligers kunt realiseren en kunt zorgen voor een goede taakverdeling. Wellicht groeien een aantal directeurs door naar de functie van bestuurder.” Boeve rekent

    blijkbaar op een aanzienlijke investering vanwege de overheid, op incentives. Dit lijkt ons niet realistisch,

    tenzij men veel bespaart op lerarenambten.

     

    We lezen wel graag dat Boeve geen mastodontscholengroepen wil, maar de overschakeling op groepen met b.v. een 7.000 leerlingen binnen één bestuur en vzw betekent toch een heel grote ingreep. We hebben dat zelf aan de lijve ervaren bij de fusies in het hoger onderwijs. De oprichting van de multi-sectorale hogescholen leidde er tot enorme verschuivingen tot heel veel nefaste gevolgen: tot een aantasting van de ziel van de scholen en van de bezieling bij veel docenten. In Nederland stellen we vast dat de zeven normaalscholen (PABO’s) die onafhankelijk gebleven zijn, veruit de hoogste kwaliteitsscore behalen bij doorlichtingen en over meer gemotiveerde docenten en centen beschikken. Ze hebben er ook geen last van de bureaucratie en zware overhead. Dit is geen toeval. Ook in Vlaanderen leidde de grootschaligheid tot een daling vanhet niveau van de opleidingen.

     

    Het voornemen om te werken met betaalde professionals in de besturen roept ook tal van vragen op. De huidige directeurs verliezen veel van hun invloed. Als de professionals grotendeels het bestuur in eigen handennemen, wordt ook de verantwoordelijkheid van de huidige besturen en hun controlefunctie ten

    aanzien van de dirigerende professionals uitgehold. Momenteel oefent het onafhankelijk bestuur de

    controle uit op het functioneren van de directies. Straks zouden de betaalde bestuursleden niet enkel

    een directiefunctie uitoefenen, maar tegelijk hun eigen directie-activiteit moeten controleren. Een

    vermenging van de uitvoerende en controlerende functie, lijkt een gevaarlijke zaak. Het leidde in

    Nederland b.v. tot veel financiële en andere misbruiken. We vragen ons ook af of je nog veel

    vrijwilligers zal vinden binnen het bestuur die nog een beperkte rol willen spelen. En aangezien we nu

    al weinig mensen vinden die de functie van directeur willen opnemen, vrezen we ook dat er

    maar weinig kandidaten zullen zijn om de functie van CEO binnen grote scholengroepen op te

    nemen. Het VSKO-plan is tevens gebaseerd op de mythe van de bestuurbaarheid van scholen (zie

    punt 2.1). Het VSKO onderschat ook de gevolgen van het afdanken van duizenden verwilligers die nu

    als lid van het bestuur e.d. betrokken zijn bij de scholen in de eigen omgeving.

    In Brandpunt stelt Lieven Boeve verder: “We zullen ook over bijkomende middelen moeten beschikken

    om de vernieuwde besturen te kunnen omkaderen en profesionaliseren zodat je voor de directeur meer

    pedagogisch comfort kan verzekeren.” Binnen hogescholen met een omvang van b.v. een 6.000

    studenten stellen we vast dat bij de fusies grote bestuurlijke koepels ontstaan zijn met heel veel

    vrijgestelden en tussenlagen en de eraan verbonden enorme overhead. Binnen hogescholen met

    een omvang van b.v. een 6.000 studenten stellen we vast dat bij de fusies grote bestuurlijke koepels

    ontstaan zijn met heel veel vrijgestelden en tussenlagen en met een eraan verbonden enorme

    overhead. Er zijn naar schatting momenteel tienmaal meer vrijgestelden dan vóór de hevorming.

    Met een verwijzing naar de zgn. wet van Parkinson hebben we hier tijdig voor gewaarschuwd.

    Die vele vrijgestelden binnen de stafdiensten moeten zich ook allen waarmaken. Dit leidt tot het opleggen van heel wat planlast aan de scholen en lectoren; en tot het uniformiserend opdringenvan pedagogische en andere aanpakken. Zo mochten Nederlandse nieuwlichters massaal hun evangelie over studentgestuurd onderwijs e.d.komen verkondigen, een vernedering voor de Vlaamse docenten en een aantasting van het niveau. Tegelijk werden ook de verantwoordelijkheid en autonomie van de vroegere directeurs van de opleidingen - ook de pedagogische autonomie - uitgehold. De afzonderlijke scholen verloren veel van hun identiteit, schoolcultuur en autonomie. Aangeziende regionale scholengroep-koepel je directe werkgever is, is het zich onttrekken aan de bestuurlijke en pedagogische richtlijnen van de koepel veel moelijker dan aan deze eventuele van vadertje staat of van moederhuis Guimardstraat.

     

    Lieven Boeve pleit er verder voor om niveau-overschrijdend te werken. Hij stelt: “Ik heb de indruk dat de consensus om niveau-overschrijdend te werken stilaan aan het groeien is.” We vragen ons af of ditwel het geval is. Binnen schoolbesturen met zowel secundair als basisonderwijs stelt het basisonderwijs veelal vast dat het op vergaderingen van het bestuur e.d. vooral gaat om het s.o. en veel minder om de belangen en problemen van het basisonderwijs. Boeve stelt verder dat het niveau-overschrijdend werken belangrijk is“ zodat we op het einde van de rit één krachtdadig bestuur hebben datvoor een bepaalde regio het gewoon- en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in één scholengroep organiseert.” Bij zo’n regionale operatie zullen heel veel scholen en directies betrokken zijn en zullen er ook veel betwistingen over de afbakening van de (rekruterings)regio’s ontstaan. Kleinere onderwijsnetten zullen dit ook niet graag zien gebeuren. Het lijkt ook niet aangewezen dat leerlingen en hun ouders vanaf de eerste dag van de kleuterschool aan een bepaalde scholengroepen merk gekluisterd worden.

     

    1.3  Opzij, opzij, het VSKO heeft vreselijke haast

     

    De grote haast waarmee de onderwijskoepel de schaalvergroting wil invoeren, doet me denken aan

    een getuigenis van de Nederlandse leraar Hans ter Heijden: “Politiek Den Haag had bedacht dat er regionale opleidingencentra (roc's = hogere cyclus tso/bso) moesten komen. Onder het mom dat dan de

    christelijke identiteit van de scholen kon worden gewaarborgd en dat er tegelijk 'doorlopende leerwegen'

    konden worden gecreëerd', werd vlug een christelijk roc opgericht. Herman van Veens 'Opzij,

    opzij, opzij, wij hebben vreselijke haast' werd het officieuze schoollied. Met de schaalvergroting groeide

    er een waterhoofd aan management. De enveloppefinanciering bood het bevoegd gezag bovendien

    de mogelijkheid om zelf financiële keuzes te maken. In prachtige nieuwe gebouwen kregen de

    leerlingen echter steeds minder les.Veel vakkundige docenten verdwenen - mede als gevolg van de

    wijze waarop het bestuur de lumpum (de enveloppe) besteedde. Dit alles trok een wissel op de

    kwaliteit van het onderwijs Intussen werden bedrijfseconomen en marketeers, vaak niet gehinderd

    door enige kennis van het onderwijs, ingevlogen om'targets' te halen, het onderwijs werd een 'product',

    leerlingen werden klanten”.

     

    We betreuren vooral dat er de voorbije twee jaar geen ruimte was voor een open gesprek over de

    fusie-operatie en dat er nooit een expliciete afweging kwam van de voor- en de nadelen. Binnen ons

    schoolbestuur en onze scholengemeenschap was er nog geen diepgaand gesprek over die schaalvergroting. We vrezen dat dit ook elders het gevalis. De nieuwe directeur-generaal van het VSKO beloofde bij zijn aantreden dat hij van plan was om veel meer de schoolbesturen bij het bestuur van het onderwijsnet te betrekken. We hopen dat dit het geval zal zijn.

     

    We zouden ook wel eens willen nagaan wat de directeurs van de fusie-operatie vinden. We verwezen

    in punt 1.1 al naar de kritische vragen van de DIVO-directeurs. Philip Brinckman, directiecomité

    Jezuïetencollege Turnhout, getuigde: “Voor grote scholengroepen is er bij de achterban geen draagvlak.

    De leerkrachten vrezen onduidelijkheid en chaos. Schoolbesturen van heel wat vrije scholen

    zijn bezorgd dat hun pedagogisch project en dus ook de vrije keuze van onderwijs verloren gaat.

    Bovendien is er geen wetenschappelijke onderbouw voor grote bestuurlijke entiteiten. Onderzoeken naar

    de goede schoolgrootte, zowel uit economisch financieel als uit pedagogische oogpunt, verwerpen

    unaniem supergrote schoolentiteiten van duizenden leerlingen. In te grote scholen(groepen) neemt de

    sociale cohesie af. Wanneer dit cement afbrokkelt,neemt ook het welbevinden en dus ook de leermotivatie

    af.Ook in Nederland komt men terug van de té grotescholengroepen. Je hoort meer en meer het woord

    'defusie'. Ervaring en onderzoek wijzen uit dat megascholen meer nadelen opleveren dan voordelen,

    niet alleen economisch, maar ook pedagogisch. Naast een financieel-economische en een

    pedagogische reden, is er nog een derde argument. Omdat alle scholen binnen die grote scholengroep

    zullen verplicht worden om één financieel beleid tevoeren, verliezen die scholen hun financiële autonomie

    - de werkingsmiddelen worden immers in één pot gestopt. Hierin verschillen de nieuw op te richten

    scholengroepen van de huidige scholengemeenschappen. De top van de piramide die over de

    werkingsmiddelen beschikt, kan haar eigen directieven opleggen aan de lokale directies, die slechts

    uitvoerders worden. Wie niet financieel autonoom is,kan geen eigen pedagogisch beleid voeren, inspelend op de concrete noden .”

     

    1.4  Leren uit onderzoek en ervaringswijsheid m.b.t. grootschaligheid

     

    Uit de ervaring met de fusies in het hoger onderwijszouden Lieven Boeve, zijn VSKO-bestuursleden en

    wij allen heel veel kunnen leren – vooral ook over de vele nefaste gevolgen. We zouden ook veel kunnen

    leren uit de ervaring met grootschalige scholengroepen in Nederland. Ook in de publicaties van

    de onderwijs-expert J. Hattie vindt men tal van argumenten tegen de grootschaligheid in het onderwijs.

    In Onderwijskrant nr. 168 formuleerden we al kritische standpunten omtrent grootschalige scholengroepen

    met de eraan verbonden financiële eenmaking binnen één vzw, enveloppefinanciering e.d. Volgens ons wegen de vele nadelen niet op tegende voordelen. In voorliggende bijdrage nemen we

    een aantal standpunten en getuigenissen van derden over schaalvergroting, fusies en grootschaligheid

    op – vooral ook vanuit de ervaring met grote scholengroepen in Nederland. Het gaat hierbij zowel om conclusies uit studies van de gevolgen van de invoering van grote scholengroepen als om individuele getuigenissen.

     

    2.   Prof. Edith Hooge over de gevaren vangrootschaligheid in het onderwijs

     

    2.1  Oratie prof. Hooge over mythe van bestuurbare onderwijsorganisatie

     

    Op 21 juni 2013 hield Edith Hooge haar oratie als bijzonder hoogleraar ‘Multi-governance of educational

    organisations’ getiteld ‘Besturing van autonomie,over de mythe van bestuurbare onderwijsorganisaties’.

    Hooge stelde hierin dat je onderwijs niet kunt besturen als een manager van een bedrijf.

    ‘Het onderwijsproces is immers ‘heel indirect, onvolkomen en moeilijk beheersbaar’.

    Hooge hield een pleidooi voor een meer realistisch en vruchtbaar perspectief op onderwijsbestuur. Ze

    pleitte o.a. voor een betere verbinding tussen onderwijsbestuur en werkvloer dan momenteel in grote

    scholengroepen het geval is. ‘Het onderwijsbestuur zou moeten aansluiten bij de kennis, ervaring en

    inzichten van diegenen die worden bestuurd: leraren, hun leidinggevenden, leerlingen, ouders en

    andere lokale betrokkenen bij onderwijs. Het vertrouwen in het bestuurlijk vermogen en de integriteit

    van onderwijsbestuurders is momenteel lager dan ooit. Door de mythe van de bestuurbare onderwijsorganisatie door te prikken staat de weg open voorde zoektocht naar een realistisch en vruchtbaarperspectief op onderwijsbestuur

     

    2.2 Too big to succeed

     

    In een essay over onderwijsbestuur met als titel:Too big to succeed, van 26 mei 2014 formuleerde

    prof. Hooge heel wat kritiek op grootschalige scholengroepen.(Naast grote scholengroepen tref je in

    Nederland nog relatief veel kleinschaligheid aan –het meest op het niveau van het basisonderwijs.)

    We citeren een aantal belangrijke passages uit het essay van prof. Hooge. Ze vertrekt van volgende

    vaststelling: “Iedereen voelt aan dat er in Nederland iets niet klopt aan de omvang van veel onderwijsorganisaties en hun besturen. Daarom wil ik er in dit essay aandacht aan besteden en vragen rondom bestuurlijke schaalgrootte ontrafelen. Laat ik eerst eens nagaan hoe de onderwijspolitieke discussie hierover verloopt.”Hooge: “Bij de discussies over de grote problemen met de bestuurlijke schaalgrootte werd de voorbijejaren in de onderwijspolitiek en in het onderwijsbeleid tot nu toe de nadruk gelegd op instrumentele zaken zoals de zorgvuldigheid en legitimiteit van schaalvergrotingsprocessen (zie de Wet fusietoets over het voortaan moeten laten goedkeuren van fusies door de overheid) en het versterken van dejuridische positie van ouders en personeel ten opzichte van bestuur en intern toezicht. Al jaren geleden werden door de Onderwijsraad (2008) alsdoor de minister (TK, 2008-2009) een aantal pijnpunten aan de orde gesteld:

     

    *de groeiende afstand tussen onderwijsbestuurders & interne toezichthouders enerzijds en anderzijds de leraren, leerlingen en ouders;

    *het risico van verlies van de menselijke maat; *en de stelling dat ouders en leraren hun weg beter zouden vinden naar een kleinbestuur.

     

    In 2012 vroeg de commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis (2012, p. 68) er opnieuw aandacht voor en sprak zij zelfs over 'verweesd onderwijs', het gevolg van grootschaligheid). Deze zorgen vinden echter nog onvoldoende weerklank.Onterecht in mijn ogen, want als het bestuur zich loszingt van de onderwijspraktijk en de menselijke maat afneemt, staat dit de realisatie van goed onderwijs in de weg. Dit risico van 'too-big-to succeed' is een fundamenteel probleem.

     

    2.3  Moeilijk te overzien & fragmentatie bestuur

     

    Het gevaar van 'too-big-to-succeed' ligt in de vraagstukken van complexiteit en menselijke maat die

    ontstaan als onderwijsbesturen (te) groot worden .Als de omvang toeneemt, wordt de te besturen

    configuratie van organisatie en omgeving complexer waardoor het voor bestuurders, intern toezichthouders en andere betrokkenen bij het bestuur moeilijker is om alles te overzien. Zij kunnen het zicht kwijtraken op wat zich afspeelt tussen de hoofdrolspelers van het onderwijs op de scholen of

    opleidingen, weten niet meer hoe de onderwijskwaliteit ervoor staat, hoe deze vorm krijgt en wordt

    beleefd en of het wel de onderwijskwaliteit is die gewenst wordt. Ook wordt het lastiger om goed in te

    spelen op dat wat zich in de omvangrijke en ingewikkelde (bestuurlijke) omgeving voordoet.

    Daarnaast ligt (binnen het bestuur van grootschalige scholengroepen) fragmentatie op de loer: aparte

    stafafdelingen voor financiën, ICT of kwaliteitsbewaking en de verschillende managementlagen, aanvankelijk opgericht om bestuur en management in goede banen te leiden en de onderwijspraktijk te ondersteunen, dijen uit en verworden tot bolwerken, waardoor het besturen er niet makkelijker op wordt.

     

    2.4  Menselijke maat & betrokkenheid verdwijnen

     

    Bij onderwijsbesturen van te grote omvang dreigt ook de menselijke maat verloren te gaan (Baggerman,

    et al., 2011): nabijheid, benaderbaarheid en herkenbaarheid verdwijnen dan uit de organisatiecultuur.

    De hoofdrolspelers van onderwijs kunnende onderwijspraktijk niet meer goed overzien,

    herkennen zichzelf onvoldoende in de school ofopleiding en vinden het moeilijk hun eigen positie en

    15-10-2014 om 00:00 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Scholengroepen, grootschaligheid, Guimardstraat
    >> Reageer (0)
    09-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. fantasierijke uitspraken van OESO-orakel Dirk Van Damme in sept. 2013 over ondemocratisch karakter hoger & sec. onderwijs e.d


     1. Inleiding

     

    Dirk Van Damme,OESO-onderwijsexpert, liet in de maand september weer geregeld van zich horen. In de bijdrage ‘Vlaanderen is er niet in geslaagd onderwijs te democratiseren’ orakelde hij dat we niet enkel op  het vlak van kwantitatieve deelname aan het universitair onderwijs een achterlijk land zijn, maar dat ook  de kinderen van laaggeschoolden al te weinig vertegenwoordigd zijn in onze (middenklasse) universiteit. In DS van 10 september  poneerde hij dat ook de sociale discriminatie in ons s.o. vrij hoog is en dat hij daarom voorstander is van de invoering van een gemeenschappelijke eerste graad. In de beleids-verklaring van 2004 orakelde het duo Dirk Van Damme – Frank Vandenbroucke al: “Meer en meer wordt het onderwijs zelf de bepalende factor voor de dualisering van de maatschappij.”  Van Damme volhardt blijkbaar in de egalitaire boosheid. In de regeringsverklaring lezen we dat het niet de taak is van de overheid zich te bemoeien met het hoe van het onderwijs. Hopelijk doet die regering ook iets aan de bemoeizucht van de Europese Unie, de OESO en Dirk Van Damme - die zich de voorbije jaren vanuit Parijs mocht blijven bemoeien met het hoe van het Vlaams onderwijs.        

    2.  Reactie op onterechte uitspraken over ons hoger/universitair onderwijs

     

    2.1. 60% naar universiteit als streefdoel??

     

    Op deredactie.be van 10 september lazen we met een verwijzing naar Van Damme: "Zo verwacht de OESO dat zo'n 33 procent van de jongvolwassenen in ons land naar de universiteit zullen trekken, terwijl dat in andere OESO-landen maar liefst 60 procent zal zijn.”(Vlaanderen is er niet in geslaagd onderwijs te democratiseren’).  In het radioprogamma  Vandaag van 10 september ging hij akkoord met de stelling van de moderator "dat in Vlaanderen minder dan de helft van de studenten dan in de andere OESO-landen naar de universiteit gaan: 30%  tegen-over 60% in andere landen  Hij stelde wel terloops dat die 60% een beetje gerelativeerd moest worden, omdat sommige vormen van ons hoger onderwijs in het buitenland als universitair beschouwd worden.

     

    Volgens Van Damme is ook al een tijdje sprake van stagnatie in de deelname aan het hoger onderwijs.  Er was de voorbije 10 jaar  geenszins sprake van stagnatie, maar van een aanzienlijke groei in ons hoger/universitair onderwijs. Het antal jongeren dat verder studeert in het hoger onderwijs is met 30% toegenomen, van 166.918 in 2005 naar 216.735 in 2013. Een 65% van de Vlaamse leerlingen starten momenteel in het hoger/universitair onderwijs. De kleine helft daarvan, een 30%, kiest voor de univer-siteit. Dit betekent dus ook dat het grootste deel van de tso-leerlingen doorstromen naar  het hoger onderwijs. “Veel te weinig”, aldus Van Damme.  Hij poneerde hoe dan ook dat 60% naar de universiteit het streefdoel moet zijn. 60% betekent  zowat 75 à 80% van de aso- en tso-leerlingen, dus ook de meeste tso-leerlingen. (En als er nog even-veel  hoger onderwijs moeten volgen, zitten we dan niet aan 120%? ). Dat alles betekent  ook dat Van Damme weinig waardering toont voor voor leerlingen die enkel een tso/bso-diploma bezitten.

     

    Het falen aan de universiteit is volgens Van Damme ook grotendeels de schuld van de universiteiten  die het falen nog te veel als een individueel probleem van de student beschouwen en niet als een gevolg van het gebrek aan passende begeleiding. Weinigen zijn het met die stelling eens. De docenten  vinden dat heel wat studenten ten onrechte univer-sitair onderwijs volgen en dat de slaagnormen de voorbije 10 jaar al te sterk zijn gedaald – mede als gevolg van de niveaudaling in het s.o. en de  door Van Damme en Vandenbroucke destijds opgelegde outputfinanciering en flexibilisering van de studies.  Het mislukken van veel studenten is vooral de schuld van de leraren. In het essay “Hoger onderwijs: een systeem met wankele grondvesten”, sprak Van Damme zich ook al denigrerend uit. Ook dar verzwijgt hij de problemen in het hoger onderwijs die een gevolg zijn van de vele hervormingen, waarvan hij een van de belangrijke architecten was. 

     

    2.2. Geen democratisering universitair onderwijs!??

     

    Van Damme stelt dat slechts 1 op de 3 van de 18%  kinderen uit de laagstgeschoolde universitair  onder-wijs volgt.  Kinderen van de hoogstgeschoolde ou-ders hebben zes maal meer kans. “Qua demo-cratisering zijn volgens Van Damme enkel geëvolueerd van een elite-universiteit naar een midden-klasse-universiteit”. De Gentse socioloog Orhan Agirdag pikte hier op in en stelde dat er  nooit spra-ke was van democratisering: “Misschien is massa-ficatie een betere term.”   Rector Rik Torfs repliceerde terecht dat universitaire diploma’s niet gelijk verdeeld moeten zijn over de verschillende sociale klassen. Er mogen  wel geen barrières zijn voor wie het hoger onderwijs intellectueel aankan” (VETO, september 2014).  In een bijdrage in Trends van mei 2013 orakelde Van Damme ook al  dat ons on-derwijs in de 20ste eeuw enkel gericht was op de selectie van de 10 à 20% beste leerlingen.

     

    In het OESO-rapport 'Education at a glance 2014' lazen we echter op 9 september dat de sociale doorstroming (upward mobility) precies het grootst is in 'Flanders, Finland en Korea' (p. 24). Meer dan 55% van de Vlamingen behaalden een hoger diploma dan hun ouders.  Toen we Van Damme hier via twitter op wezen, repliceerde hij dat de hoge mobiliteit er wel de voorbije jaren - bij de 25- à 34-jarigen - op achteruit was gegaan. Als de sociale upward mobility al decennia geleden heel hoog was dan betekent dat toch dat  er destijds al veel kinderen van laaggeschoolde ouders door-stroomden, een aanzienlijke democratisering dus en niet louter een middenklasse-universiteit. Handarbeiderskinderen die samen met ons in de periode 1958-1964 het s.o. volgden kregen inderdaad al veel doorstromingskansen. Mijn eigen klas, de wetenschappelijke A, was praktisch uitsluitend bevolkt met arbeiderskinderen die achteraf veelal doorstroomden naar de universiteit. In ons Leuvens CSPO-doorstromingsonderzoek stelden we in 1969-1970 vast dat arbeiderskinderen met een behoorlijke uitslag zesde leerjaar vrij vlot doorstrommden naar het aso. Het is dus blijkbaar zo dat de kwaliteit en structuur van onze gedifferentieerde lagere cyclus van weleer de democratisering niet afremde, maar eerder bevorderde. Men stelde nog hogere eisen aan getalenteerde arbeiderskinderen dan in het huidige eenheidstype met zijn gemeenschapelijke eindtermen en leerplannen. We kregen als a            rbeiderskinderen meer de kans om onze sociale handicaps - inzake taal e.d.- te compenseren. We moeten dus de eerste graad niet meer nivelleren, gemeenschappelijk maken, maar er eerder nog een sterke optie aan toevoegen met b.v. Engels als uitdagend vak i.p.v. Latijn, een optie die door arbeiderskinderen vlugger zou gekozen worden dan Latijn.

     

    Er zijn ook nog tal van andere redenen voor het vermoedelijk minder doorstromen van kinderen van de laagstgeschoolden naar de universiteit, redenen die Van Damme verzwijgt:  (1) Het  intellectueel afromingseffect van de (hand)arbeidersklasse als gevolg van de democratisering van het onderwijs.  (2) Aangezien die democratisering in Vlaanderen vroeger plaats vond dan in de meeste landen, is het ook begrijpelijk dat het in Vlaanderen dat al een sterkere democratisering/upward mobility mee-maakte, moeilijker wordt om een hoger onder-wijsniveau te bereiken dan dit van de ouders. (3)  Bij de 18% laagstgeschoolde ouders zitten  veel ouders van allochtone afkomst – wat vroeger veel minder het geval was. (4) Leerlingen uit lagere milieus zijn ook het meest de dupe van de niveaudaling. van de gestage ontscholing van leerinhouden en didac-tische aanpak (b.v. uitholling taalvakken, nivellerend leerplan wiskunde in eerste graad)  Als kabinetschef ontkende Van Damme begin 2007 samen met Vandebroucke nog dat er sprake kon zijn van niveaudaling en ontscholing – als reactie op de O-ZON-campagne van Onderwijskrant. Als de doorstromingskansen van de 25-à 34 jarigen er volgens  Van Damme op achteruit gegaan zijn, dan gaat het om leerlingen die ongeveer vanaf het eenheidstype van 1989 het secundair onderwijs hebben aangevat.

     

    3 .Hoe zit het met de sociale (on)gelijkheid  in ons s.o.?

     

    In het artikel ‘Tackelt hervorming ongelijkheid? In De Standaard van 10 september lazen we:  “Oeso-expert Dirk Van Damme, die als kabinetschef van minister van Onderwijs Vandenbroucke  de hervor-mingen van het s.o. in gang zette, is volgende me-ning toegedaan: ‘De structuren in het s.o. moeten veranderen. Hoe vroeger men een studiekeuze laat maken, hoe groter de impact van de sociale achter-grond. Ik ben gewonnen voor een flexibele studiekeuze tussen 12 en 14 jaar. In die zin is het huidige compromis (in het Masterplan) zo slecht nog niet.’

     

    Ons gedifferentieerd s.o. bemoeilijkt geenszins de doorstromingskansen naar het aso en het hoger onderwijs. Vlaanderen behaalde voor PISA-2012  het hoogste % leerlingen uit het laagste kwart qua sociale afkomst die in het bovenste prestatiekwart voor wiskunde presteerden. Dit wijst er op dat er (relatief gezien) ook op vandaag nog  een hogere sociale mobiliteit is dan in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus. Ook uit de recente studie van de Nederlandse prof. Jaap Dronkers blijkt dat Vlaanderen  er op vandaag ook nog in slaagt om Europese PISA-topscores te combineren met een hoge mate van sociale gelijk-heid en mobiliteit (zie vorige bijdrage). Prof. Wim Van den Broeck kwam in zijn recente studie tot dezelfde con-clusies.Op basis van TIMSS en PISA hebben andere  onderzoekers (o.a. Hofman e.a. & Woess-mann) aangetoond dat Vlaanderen inzake beperk-tere invloed van de sociale afkomst zelfs een top-score behaalt. (Daar in ‘gidsland’ Finland de selectie vooral vanaf het einde van het derde jaar plaatsvindt, is het ook zo dat de relatie met de afkomst in sterke mate toeneemt in de hogere cyclus s.o. Vermoedelijk krijgen we dan op het eind van het s.o. een invloed van de afkomst  die hoger is dan in het Vlaams onderwijs.) 

     

    Door het feit dat getalenteerde arbeiderskinderen in Vlaanderen in meer uitdagende opties terecht komen (Latijn en Moderne Wetenschappen) dan in landen met een nivellerende gemeenschappelijke eerste graad, krijgen ze ook volgens prof. Dronkers meer ontwikkelingsen doorstromingskansen (zie vorige bijdrage). En leerlingen die aanvankelijk iets te hoog mikten, kunnen zich heel vlot heroriënteren via de opties. Is het toeval dat de Europese landen met de hoogste PISA-2012-wiskunde-score (Vlaanderen, Zwitserland en Nederland) geen gemeen-schappelijke lagere cyclus hebben en dat in die landen het tso/bso veel beter is uitgebouwd in de lagere cyclus?  

     

    Van Damme verzwijgt dat het door hem verguisde s.o. ook inzake schooluitval beter presteert dan in  landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus. Volgens Eurostat  was er in Vlanderen in 2013 amper 7,5% schooluitval (= jongeren tussen de 20 en 24 jaar zonder diploma). Zelfs in Finland - een land met veel minder armoede en  allochtone leerlingen, was dit een stuk meer: 9%. Kort na het verschijnen van het Masterplan verspreidde Van Damme als mede-inspirator nog de kwakkel dat Vlaanderen kampioen was inzake schooluitval; “tot 25%” poneerde hij in Knack van juni 2013.

     

    Van Damme maakte destijds als kabinetschef van minister Vandenbroucke (2004-2007) de burgers ook wijs dat ons onderwijs heel sterk was voor de sterke leerlingen, maar zwak voor de zwakkere. Er verscheen zelfs een  tv-spotje over 'de kloof dempen!’ De voorbije maanden beweerde het omgekeerde: dat we vooral te weinig toppers telden en dat de sterke leerlingen te weinig gestimuleerd werden. Van Damme stelde destijds ook - samen met minister Vandenbroucke - dat de gemeenschappelijke eerste graad  er vooral nodig was omwille van ons technisch onderwijs. In 1982 stelde minister Daniël Coens op een studiedag in Leuven dat precies de gemeenschappelijke graad van het VSO heel nade-lig was voor het tso/bso. Hij poneerde: "We moeten evolueren naar een eenheidstype , een combinatie van VSO en klassieke s.o., het type 2.“ Coens stelde terecht dat het tso/bso er vroeger beter aan toe was dan in het VSO. Ook nu zou/zal de in-voering van een brede eerste graad heel nadelig zijn voor de toekomst van ons tso/bso. 

     

     4. “Vlaamse leerkrachten te  weinig vernieuwingsgezind” ??

     

    Dirk Van Damme (OESO) poneerde in de recente bijdrage 'Are teachers really resistant to change?’ (11 augustus) dat de Vlaamse leerkrachten maar matig vernieuwingsgezind zijn.“Denmark, Hungary, Indonesia, Korea, the Netherlands and the Russian Federation have seen the greatest inno-vation-orientated change between 2000 and 2011. The state of Massachusetts in the United States, Austria and the Czech Republic show the smallest innovation-oriented change.” Ook al in Klasse van januari 2014 beweerde Van Damme dat ‘het onderwijs in Vlaanderen niet klaar is voor de 21ste eeuw’ en dat de leerkrachten te zelfgenoegzaam waren.  

    In een reactie in de VS werd opgemerkt dat de staat Massachusetts volgens de OESO wel het minst progressief is, maar tegelijk een superieure score behaalde voor PISA-2012 (561punten!).  Zou het niet kunnen dat de landen met leraars die minder ‘progressief’ zijn volgens de OESO-criteria – zoals Vlaanderen, Finland, Massachusetts, Oostenrijk - de hoogste leerresulaten behalen? Het is  door de modieuze vernieuwingsdrift dat Zweden een PISA-staartscore behaalde. Innovatie is ook bij Van Dam-mes OESO  het nieuwe ‘buzzword’ geworden. 

    5. Besluit

    Sociaal-pedagoog Van Damme orakelde  al in 2004 als kabinetschef in de beleidsverklaring: “Meer en meer wordt het onderwijs zelf de bepalende factor voor de dualisering van de maatschappij.” Zijn recente uitspraken over het ondemocratisch karakter van ons secundair en hoger onderwijs liggen in dezelfde  lijn. Hij volhardt in zijn egalitaire boosheid. Net als in 2004 voelden we ons geroepen om zijn recente uitspraken te weerleggen.  

    Vanuit Van Dammes OESO-burcht vliegen de statistische '(on)waarheden' ons  de voorbije jaren om de oren. In de gewillige kranten en andere media weerklinkt geregeld zijn apodictisch gekanker op het Vlaams onderwijs. Zo liet hij nog onlangs weten dat het aantal leerlingen in klas absoluut geen verschil uitmaakt en dat er in Vlaanderen gemiddeld amper 9 leerlingen waren per klas. In een bijdrage in Sampol van sept. 2013 beweerde hij dat er heel weinig verzet was tegen de hervorming van het s.o.  en dat dit vooral georganiseerd werd door een paar enkelingen: “Raf Feys van Onderwijskrant en Peter De Roover van de Vlaamse Volksbeweging”. 

     

     

     

     

     

     

     


    09-10-2014 om 12:36 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    Tags:Dirk Van Damme, democratisch hoger onderwijs, sociale discriminatie
    >> Reageer (0)
    08-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Reactie op pleidooi (Van Houtte) voor gemeenschappelijke eerste graad in BASIS (COV) van 4 oktober & weerlegging in studie van Dronkers

    In het recente nummer van Basis (4 oktober) van de  COC-vakbond   mag de mag de Gentse sociologe Mieke Van Houtte vier pagina’s lang ons  secundair onderwijs beledigen, de grond  inboren, beschuldigen van sociale discriminatie, enz.  Ze weet werkelijk niet positief te vertellen en mag er een lang pleidooi houden voor de invoering van een gemeenschappelijke/brede eerste graad. En zelfs nog na de eerste graad wordt volgens Van Houtte “het principe van de gemeenschappelijkheid best ook doorgetrokken.” (De Vlaamse sociologen pleitten steeds voor een gemeenschappelijkheid tot 15/16 jaar).

    Het COV weet dat slechts een beperkt aantal leraren secundair onderwijs (een 10%) echt voorstander is van de gemeenschappelijke eerste graad. Bij navraag bij leerkrachten van de  derde graad lager onderwijs, belangrijke ervaringsdeskundigen,  zou blijken dat  er daar nog minder  voorstanders zijn. Die leerkrachten beseffen maar al te goed dat het al uiterst moeilijk is om de leerlingen in de derde graad samen te houden, en dat het niet wenselijk  is om dat nog langer te doen.  De voorbije jaren kregen al die leerkrachten geen stem in het blad ‘Basis’ van de COV. In het jonge nummer van Basis kreeg een van onze Vlaamse egalitaire onderwijssociologen wel weer alle ruimte om ons succesvol secundair onderwijs als een kankerplek voor te stellen en te pleiten voor een radicale structuurverandering.

    Van Houtte verzwijgt dat uit PISA-2012-wiskunde eens te meer bleek  dat we de Europese PISA-topscore behaalden dankzij het feit *dat we nog veel toppers tellen (25% versus 3% in comprehensief  Zweden en 14% in Finland,   *dat ook onze zwakke leerlingen (relatief bekeken)  beter presteren dan in de meeste landen, * dat we het hoogste percentage leerlingen tellen uit het laagste kwart qua sociale afkomst die een score behalen die zich situeert bij het hoogste kwart van de PISA-score. Van Houtte verzwijgt ook dat er volgens Eurostat in  Vlaanderen  opvallend minder schooluitval is (7,5% in 2013: 20 à 24-jarigen zonder diploma) dan in landen met een gemeenschappelijke lagere cyclus als Zweden, Finland, Frankrijk, Engeland … Dat alles telt niet voor Mieke Van Houtte;  ze baseert zich vanuit haar egalitair en nivellerend standpunt  ten onrechte op de grootte van de prestatieverschillen tussen de sterkste en de zwakste leerlingen …

    We hebben in Onderwijskrant en op een hoorzitting in het Vlaamse parlement al herhaaldelijk de visie van veruit de meeste leerkrachten vertolkt (zie www.onderwijskrant.be) .   Jammer genoeg kreeg de stem van die leerkrachten nog geen gehoor in Basis.   Als reactie op de bijdrage van de Gentse sociologe Mieke Van Houtte, verwijzen we hier enkel nog naar een recente studie van twee Nederlandse sociologen, Jaap Dronkers en  Tijana Prokic-Breuer,  die in een recente studie aantonen dat het Vlaams onderwijs er wonderwel in slaagt   een grote mate van sociale gelijkheid (gelijke kansen) te combineren met een hoge effectiviteit voor alle leerlingen, dankzij zijn unieke, gedifferentieerde en stimulerende onderwijsstructuur.

    Studie van Dronkers en Prokic-Breuer

     Nederlandse sociologen  Dronkers en Prokic-Breuer:  Vlaams secundair onderwijs slaagt  erin om een grote mate van sociale gelijkheid (gelijke kansen) te combineren met een hoge effectiviteit dankzij zijn unieke, gedifferentieerde en stimulerende onderwijsstructuur

    We bekijken even de o.i. belangrijke conclusies voor Vlaanderen in de studie ”The high performance of Dutch and Flemish 15-year-old native pupils: explaining country different math scores between highly stratified educational systems (Tijana Prokic-Breuer & Jaap Dronkers, Maastricht University, 2012)

    We citeren enkele passages en conclusies over Vlaanderen. De onderzoekers wilden nagaan hoe het mogelijk dat Vlaanderen niet enkel een hoge-PISA-score behaalt, maar ook een hoge mate van sociale gelijkheid (=gelijke kansen; dit laatste is gebleken uit ander onderzoek van prof. Dronkers).

    De onderzoekers gingen uit van de volgende hypothese voor Vlaanderen. Hypothese van onderzoek over Vlaanderen, die in het onderzoek ook bevestigd werd. We stellen vast dat het Vlaams onderwijssysteem gelijke kansen tussen de leerlingen promoot zonder daarbij afbreuk te doen aan de effectiviteit (b.v. Europese topscore voor PISA-2012-wiskunde).  We verwachten dat dit bereikt wordt door het plaatsen van een groot deel van de leerlingen bij de start van het secundair onderwijs in een sterkere richtingen - ‘higher track’. (Veel leerlingen dus die kiezen voor sterkere richtingen, de opties Latijn en Moderne Wetenschappen in de eerste graad). Een uniek kenmerk van het Vlaams onderwijs is dat als gevolg van de eerder beperkte selectiviteit bij de start de meerderheid van de leerlingen toegestaan wordt  ‘to  enter highest educational track’ (= sterke richtingen). 

    Dat heel veel leerlingen mogen starten in  richtingen die hoge eisen stellen is volgens de onderzoekers heel belangrijk. In sterk selectieve systemen (o.a. Duitsland) is dit minder het geval. In tegenstelling tot comprehensieve onderwijssystemen met een gemeenschappelijke lagere cyclus -  is het tevens zo dat in Vlaanderen het bestaan van ‘lagere onderwijsrichtingen’ (lowest tracks) de mogelijkheid bieden van ‘downward mobility during secondary education’ (=tijdige en soepele overgang naar meer passende opties is mogelijk.)  We tonen in onze studie  aan dat de grote deelname aan de ‘higher tracks’ niet enkel de gelijke kansen bevordert, maar dat tegelijk de motivatie van de leerlingen om in de sterke richtingen te blijven hoger is dan  de   “We argue that next to equity benefits related to the bigger size of the highest tracks, the motivation of students to stay in the highest track is higher than the motivation to exit from the lowest track; therefore, the educational performance of all pupils can be increased.”

    Dronkers en Prokic-Breuer stelden vast dat hun hypothese grotendeels bevestigd werd in hun onderzoek.  De eindconclusie luidt: “The high Flemish scores can be partly explained by the high curriculum mobility (as indicated by the highest level of medium entrance selection). The Flemish educational system has relatively open entrance at each curriculum level in secondary school, but a high level of internal (downward) curriculum mobility (‘‘cascade model’’) as well. The ‘‘not too high but not too low’’ level of entrance selection (trying to combine the best of two solutions) and the high level of curriculum mobility within schools and between tracks improve the matching of pupils to their educational attainment and achievement. This can improve efficient learning and thus leads to high scores. Conclusie: Some entrance selection by schools can be useful to strengthen their ambition and quality, which influence the performance of their pupils.”  P.S. However, we cannot fully explain the high scores of the Flemish pupils. … Educational policy can also make a difference.

     


    08-10-2014 om 14:35 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    Tags:hervorming secundair onderwijs, Basis, Mieke Van Houtte, Dronkers, gelijke kansen
    >> Reageer (0)
    04-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Ceativiteit versus vakkennis? Neen!
        

    School – A place where creativity can flourish

    children-playing-outside-data

    As a mother of two young children, nothing pleases me more than watching my children play. I love to observe the inventiveness of their young minds as they stock pretend shops with shells, stones and leaves or fashion imaginary tools from twigs. It’s fascinating to watch as they run about, assume roles or create exciting imaginary, make-believe scenarios with just minimal resources.

    My daughter is now seven years of age. She is about to start in KS2 and is considered to be academically successful, although she does not yet write with a pen, or join up her letters, neither does she speak another language. But she reads well, and and her written work is legible. Her punctuation and grammar is at, what I would describe as, a ‘fledgling’ stage. She also has a tendency to spell all words as they sound – which can be problematic. There are also a lot of basic mathematical concepts that she has not yet fully grasped. For example, she does not tell the time very well, and her understanding of distance, weights and measures is limited. Although her arithmetic is quite good, she does not know her times tables. Yet despite all of this, the school report to me that she is ‘above average’ in every single area – and ‘well above average’ in a few.

    Thus, she has been at school for three years, and is, apparently meeting and often exceeding their expectations.

    elizabeth_5978

    In the early 1540’s when the majority of the population were completely illiterate, a more fortunate child than these was also being schooled. Despite the decapitation of her mother and the absence of a father, Elizabeth I was in the process of proving what heights of academia could be possible, with the right tuition.

    ‘Elizabeth’s comfort with reading and writing Latin…as well as being fluent in many other languages, would suggest that she began linguistics lessons very early.. Modern studies show that the younger a child is when they learn a second language, the easier it is for them to retain other ones.’

    And by the age of fourteen, under a new tutor:

    the-armanda-portrait-of-queen-elizabeth-1st-by-george-gower-1344768690_b‘Ascham helped Elizabeth to perfect her classical languages through his famed method of “double translation.” For instance, he would present her with the original texts of Demosthenes or Cicero, having her turn them into English, and then translating them back into their original languages …Elizabeth spent her mornings reading from the Greek New Testament, followed by a study of classical orations, and Sophocles’ tragedies. Ascham believed that his selections would help Elizabeth to ‘gain purity of style, and from her mind derive instruction that would be of value for her to meet every contingency of life.
    After noon, Elizabeth would study Cicero, and some Livy. Ascham also supplemented these famous works with St. Cyprian, and Melanchthon’s Commonplaces…’

    The Shaping of Elizabeth I through Childhood Events and Academic Pursuit‘

    Vida-e-obra-de-leonardo-da-vinci-6

    Born into less financially favourable circumstances than Elizabeth, Leonardo da Vinci was all-but orphaned as a child. In 1466, at the age of fourteen he was sent to be apprenticed to an artist- ‘Andrea di Cione, known as Verrocchio, whose workshop was “one of the finest in Florence’. Here, he was schooled, not only in the techniques of fine art (in which he soon surpassed his master), but also in engineering, linguistics and mathematics. Obviously a hugely talented man, but it seems that none of these skills were gained without the additional labour of academic study and strict regime.

    Now, I’m not suggesting that an Elizabethan, or late-medieval method of schooling is necessarily the way we should be going about things in the modern world. but I do think it’s interesting to consider the possibility that our children may just be capable of far more than we give them credit for, or ever give them the chance to show us.

    Under the current system, a varying amount of KS1 education (certainly in Reception and Y1) is devoted to play and discovery learning. Desks are usually arranged in mixed-ability groups – presumably to facilitate this. The national curriculum is followed, and there is a proportion of academic input, but I’m not certain whether it is necessarily given priority over the more ‘creative’ aspects of the curriculum, in all schools. By KS2 and above, there is undoubtably more of an academic focus – but is it enough? Some argue that it might be too much:
    Sir Ken Robinson is a widely respected voice on this matter. Often opposing academic regimes, he regularly posits that our modern schools may actually be far too formal and rigid:

    ‘In Sir Ken’s ideal school, there would be no hierarchy of subjects in the curriculum and classes would not be grouped by age. Dance would be as important as maths, and children would feel free to do what they wanted, even get up and wander around in lessons..
    ..he would get rid of almost all school exams, suggesting that in chasing certificates we “over-school” and “under-educate”.’

    ( ‘How badly do we teach our children? Discuss’ Sarah Montague 13 Aug 2014 )

    And he has the ear of many modern academics and educationalists on this matter. It seems that many agree with him, feeling that academic rigour, routine and testing are simply stifling to creativity.

    But what, then, do we now define as creativity? Does a modern creative curriculum even allow the creative arts to flourish to their fullest degree? Leonardo da Vinci clearly was one of the most creative, innovative and imaginative people who ever lived. Elizabeth I herself was famed for her love of dancing and the arts, and the Elizabethan period itself is responsible for (almost) indisputably one of the most creative literary figures ever – William Shakespeare. But presumably we would have none of those wonderful plays if Shakespeare himself hadn’t been properly schooled in grammar and linguistics. (Indeed,, when there were no words in English to suit his purpose, he made up new ones – 2,000 in fact that are still in use today!) Elizabeth I famously loved to dance and sing outside her enforced periods of academic study, and Leonardo da Vinci did not become the truly great artist, anatomist and inventor he became, without the documented long hours of study and practise.

    For my own part, I’ve become more resentful of my academically-lightweight nineteen seventies and eighties education as the years have passed. I regularly wish I’d been given more regular formal grammar and mathematical instruction. My daughter, it seems to me, is faring no better. In the example of her written work, at least, I think she may even be slightly behind where I was at her age. This despite my being utterly convinced that she is naturally more academically able than I was. For children from more deprived backgrounds than her, the stakes are even higher. Academic qualifications are generally acknowledged to be the best ticket out of poverty of all. To deny pupils this opportunity on the basis that academic study, rigour, testing and hard work are somehow cruel and unnecessary could prove to be an absolute travesty for them.

    Children love to play. It is also true to say that they are naturally creative. Schools should certainly provide plenty of recreational time for children to explore and discover their creativity. Creativity is also crucial for academic study. Children need to be creative in many academic disciplines – drawing, poetry, Drama and creative writing, for example. However, this is a two sided coin in which the accurate application of creativity depends hugely on acquired knowledge and skills to successfully execute. If we teach children how to draw and write well, if we equip them with the language they need, if we impart the scientific studies of previous generations, if we teach children how to calculate and measure, then they will have truly strong foundations on which to build their academic careers. If we neglect to do this, then they will only have what their limited early life experience has taught them, to build on.

    Sir Ken argues that we are doing our children a disservice by ‘over schooling’ them. Surely the opposite is actually the case? I think the purpose of schools is to educate young people in disciplines, and provide knowledge and skills in areas that they may not otherwise discover for themselves. To view learning and academic study as the enemy – the bad guy – might just be a huge mistake. It’s entirely possible that the gift of learning may just be the most valuable gift of all.

    04-10-2014 om 09:57 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:Creativiteit Ken robinson, vakkennis, leerinhoud, ontscholing
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onderwijs. Kan begrijpend lezen aangeleerd worden?

    Can Reading Comprehension Be Taught?

    by Daniel T. Willingham & Gail Lovette — September 26, 2014

    In this commentary we suggest that reading comprehension strategy instruction does not actually improve general-purpose comprehension skills. Rather, this strategy represents a bag of tricks that are useful and worth teaching, but that that are quickly learned and require minimal practice.

    The funny thing about reading comprehension strategy instruction is that it really shouldn’t work, but it does. This commentary seeks to provide insight into how it should work and guidance on effective strategies for implementation.

    Consider some common reasons why a student who decodes well might fail to understand what he reads. The student (a) doesn’t know the meaning of some words; (b) doesn’t notice that he does not comprehend the text; or (c) fails to make inferences. The importance of vocabulary is easy to appreciate; we can see why it’s helpful to notice if you do not understand what you are reading. The importance of inferences may be less obvious.

    Inferences matter because writers omit a good deal of what they mean. For example, take a simple sentence pair like this: “I can’t convince my boys that their beds aren’t trampolines. The building manager is pressuring us to move to the ground floor.” To understand this brief text the reader must infer that the jumping would be noisy for the downstairs neighbors, that the neighbors have complained about it, that the building manager is motivated to satisfy the neighbors, and that no one would hear the noise were the family living on the ground floor. So linking the first and second sentence is essential to meaning, but the writer has omitted the connective tissue on the assumption that the reader has the relevant knowledge about bed-jumping and building managers. Absent that knowledge the reader might puzzle out the connection, but if that happens it will take time and mental effort.

    Reading comprehension strategies (RCS) focus on these three trouble areas: vocabulary, noticing understanding, and connecting ideas. To address vocabulary, students are encouraged to use contextual cues to make educated guesses about the unfamiliar word (Jenkins, Matlock, Slocum, Jenkins, & Slocum, 1989). For monitoring comprehension, they are, well, urged to monitor their comprehension during and after reading a text (Baker & Zimlin, 1989). When it comes to making inferences, there are two families of strategies. Some set tasks can only be accomplished if the student ties together meaning across sentences: the student might be asked to summarize the text (Armbruster, Anderson, & Ostertag, 1987) or to create a visual mental image as she reads (Borduin, Borduin, & Manley, 1994). Other strategies focus on the fact that inferences usually require knowledge about the content; using the title of the text as a cue, the reader might be encouraged to think about what she knows about the topic (Dole, Valencia, Greer, & Wardrop, 1991) or to generate both explicit and inferential questions about the text that she will answer as she reads (Davey & McBride, 1989).

    There’s a temptation to think of RCS instruction as improving students’ reading skills. As students practice, we do see some hallmarks of skill improvement like increased automaticity and self-regulation; low-level tasks (e.g., decoding) no longer require much attention, and readers become increasingly aware of strategies they might deploy to become more effective. Thus, it’s easy to assume that RCS instruction is akin to instruction in other skills, such as golf. The coach describes how a competent performer executes the task, and the novice tries to follow suit: use a grip that’s firm but not too tight, pay attention to gaze direction, and so forth. The coach provides instruction on how to execute the swing in the right way, and the novice practices executing with these instructions in mind. Eventually execution becomes automatic, and is seamlessly incorporated into the skill.

    But RCS instruction can’t work this way. It can’t tell a reader the specifics of how to achieve reading comprehension because comprehension depends on connecting the meaning of sentences, and doing that depends on sentence content. No RCS can offer general guidelines about how to connect sentences; you need to know that the first sentence is about bed trampolines and second sentence is about apartment managers before you know how they relate.

    So RCS instruction is not like coaching. Suppose you got home from Ikea with a desk to be assembled, and found the instructions said no more than “Put stuff together. Every so often, stop, look at it, and evaluate how it’s going. It may also help to think back on other pieces of furniture you’ve built before.”

    These instructions don’t tell you how to build the desk—for that you need to know whether piece A attaches to B or C. Rather, it’s advice regarding what to think about as you’re putting the pieces together. That is what RCS instruction does; it tells you what to think about as you’re trying to understand a text.

    So how in the world does that help comprehension?

    RCS instruction undeniably works. Ample research demonstrating this is summarized in the National Reading Panel report and in more recent reviews (National Institute of Child Health and Human Development, 2000; Suggate, 2010). What gives?

    Here’s our interpretation. The vague Ikea instructions aren’t bad advice. You’re better off taking an occasional look at the big picture as opposed to keeping your head down and your little hex wrench turning. Likewise, RCS encourage you to pause as you’re reading, evaluate the big picture, and think about where the text is going. And if the answer is unclear, RCS give students something concrete to try and a way to organize their cognitive resources when they recognize that they do not understand.

    RCS instruction may be at its best in telling students what reading is supposed to be. Reading is not just about decoding; you are meant to understand something. The purpose is communication. This message may be particularly powerful for struggling readers, whose criterion for “understanding” is often too low (Markman, 1979). One of us works extensively with struggling adolescent readers who frequently approach the task of reading as getting to the last word on the page.

    This is all to the good, but if we’re right, RCS instruction has a serious limitation. Its success is not due to the slow-but-steady improvement of comprehension skills, but rather to the learning of a bag of tricks. The strategies are helpful but they are quickly learned and don’t require a lot of practice.

    And there is actually plenty of data showing that extended practice of RCS instruction yields no benefit compared to briefer review. We know of eight quantitative reviews of RCS instruction, some summarizing studies of typically developing children (Fukkink & de Glopper, 1998; Rosenshine, Meister, & Chapman, 1996; Rosenshine & Meister, 1994) and some summarizing studies of at-risk children or those identified with a learning disability (Berkeley, Scruggs, & Mastropieri, 2009; Elbaum, Vaughn, Tejero Hughes, & Watson Moody, 2000; Gajria, Jitendra, Sood, & Sacks, 2007; Suggate, 2010; Talbott, Lloyd, & Tankersley, 1994); none of these reviews show that more practice with a strategy provides an advantage. Ten sessions yield the same benefit as fifty sessions. The implication seems obvious; RCS instruction should be explicit and brief.

    Far from a let-down, this strikes us as wonderful news. To the extent that educators have been devoting time to RCS instruction, they can now focus on other, more fruitful activities, such as generative vocabulary instruction, deep content exploration, and opportunities for reading across genres and content areas. When it comes to improving reading comprehension, strategy instruction may have an upper limit, but building background knowledge does not; the more students know, the broader the range of texts they can comprehend.

    This conclusion is perhaps the most important; most educators feel that the curriculum has narrowed in the last ten years, with a frantic emphasis on reading and math. That may be true, but even fifteen years ago, scant time was devoted to history, civics, science, drama, and art in the early elementary years (National Institute of Child Health and Human Development Early Child Care Research Network, 2005). To make time, we must curtail English language arts activities that offer the smallest payoff. Reading comprehension strategy instruction appears to be a particularly good candidate.

    References

    Armbruster, B. B., Anderson, T. H., & Ostertag, J. (1987). Does text structure/summarization instruction facilitate learning from expository text? Retrieved September 17, 2014, from http://www.jstor.org/stable/747972

    Baker, L., & Zimlin, L. (1989). Instructional effects on children’s use of two levels of standards for evaluating their comprehension. Journal of Educational Psychology, 81(3), 340–346.

    Berkeley, S., Scruggs, T. E., & Mastropieri, M. a. (2009). Reading comprehension instruction for students with learning disabilities, 1995--2006: A Meta-Analysis. Remedial and Special Education, 31(6), 423–436. doi:10.1177/0741932509355988

    Borduin, B. J., Borduin, C. M., & Manley, C. M. (1994). The use of imagery training to improve reading comprehension of second graders. The Journal of Genetic Psychology, 155(1), 115–8. doi:10.1080/00221325.1994.9914764

    Davey, B., & McBride, S. (1989). Effects of question-generation training on reading comprehension. Journal of Educational Psychology, 78, 256–262. Retrieved from http://psycnet.apa.orgjournals/edu/78/4/256

    Dole, J. A., Valencia, S. W., Greer, E. A., & Wardrop, J. L. (1991). Effects of two types of prereading instruction on comprehension of narrative and expository text. Retrieved September 17, 2014, from http://www.jstor.org/stable/747979

    Elbaum, B., Vaughn, S., Tejero Hughes, M., & Watson Moody, S. (2000). How effective are one-to-one tutoring programs in reading for elementary students at risk for reading failure? A meta-analysis of the intervention research. Journal of Educational Psychology, 92(4), 605–619. doi:10.1037//0022-0663.92.4.605

    Fukkink, R. G., & de Glopper, K. (1998). Effects of instruction in deriving word meaning from context : A meta-analysis. Review of Educational Research, 68, 450–469.

    Gajria, M., Jitendra, a. K., Sood, S., & Sacks, G. (2007). Improving Comprehension of Expository Text in Students With LD: A Research Synthesis. Journal of Learning Disabilities, 40(3), 210–225. doi:10.1177/00222194070400030301

    Jenkins, J. R., Matlock, B., Slocum, T. A., Jenkins, J. R., & Slocum, T. A. (1989). Two approaches to vocabulary instruction: The teaching of individual word meanings and practice in deriving word meaning from context. Reading Research Quarterly, 24(2), 215–235.

    Markman, E. M. (1979). Realizing that you don’t understand : Elementary school children’s awareness of inconsistencies. Child Development, 50(3), 643–655.

    National Institute of Child Health and Human Development. (2000). National Reading Panel. Teaching children to read: An evdience-based assessment of the scientific research literature on reading and its implications for reading instruction. Report of the subgroups. Washington, DC. Retrieved from http://www.nichd.nih.gov/research/supported/Pages/nrp.aspx/

    National Institute of Child Health and Human Development Early Child Care Research Network. (2005). A day in third grade : A large-scale study of classroom quality and teacher and student behavior. The Elementary School Journal, 105(3), 305–323.

    Rosenshine, B., & Meister, C. (1994). Reciprocal teaching: A review of the research. Review of Educational Research, 64(4), 479–530.

    Rosenshine, B., Meister, C., & Chapman, S. (1996). Teaching students to generate questions: A review of the intervention studies. Review of Educational Research, 66(2), 181–221. doi:10.3102/00346543066002181

    Suggate, S. P. (2010). Why what we teach depends on when: grade and reading intervention modality moderate effect size. Developmental Psychology, 46(6), 1556–79. doi:10.1037/a0020612

    Talbott, E., Lloyd, J. W., & Tankersley, M. (1994). Effects of reading comprehension interventions for students with learning disabilities. Learning Disability Quarterly, 17(3), 223–232.

    Cite This Article as: Teachers College Record, Date Published: September 26, 2014
    http://www.tcrecord.org ID Number: 17701, Date Accessed: 10/4/2014

    04-10-2014 om 09:53 geschreven door Raf Feys  

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:begrijpend lezzen
    >> Reageer (0)


    Archief per week
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018
  • 22/01-28/01 2018
  • 15/01-21/01 2018
  • 08/01-14/01 2018
  • 01/01-07/01 2018
  • 25/12-31/12 2017
  • 18/12-24/12 2017
  • 11/12-17/12 2017
  • 04/12-10/12 2017
  • 27/11-03/12 2017
  • 20/11-26/11 2017
  • 13/11-19/11 2017
  • 06/11-12/11 2017
  • 30/10-05/11 2017
  • 23/10-29/10 2017
  • 16/10-22/10 2017
  • 09/10-15/10 2017
  • 02/10-08/10 2017
  • 25/09-01/10 2017
  • 18/09-24/09 2017
  • 11/09-17/09 2017
  • 04/09-10/09 2017
  • 28/08-03/09 2017
  • 21/08-27/08 2017
  • 14/08-20/08 2017
  • 07/08-13/08 2017
  • 31/07-06/08 2017
  • 24/07-30/07 2017
  • 17/07-23/07 2017
  • 10/07-16/07 2017
  • 03/07-09/07 2017
  • 26/06-02/07 2017
  • 19/06-25/06 2017
  • 05/06-11/06 2017
  • 29/05-04/06 2017
  • 22/05-28/05 2017
  • 15/05-21/05 2017
  • 08/05-14/05 2017
  • 01/05-07/05 2017
  • 24/04-30/04 2017
  • 17/04-23/04 2017
  • 10/04-16/04 2017
  • 03/04-09/04 2017
  • 27/03-02/04 2017
  • 20/03-26/03 2017
  • 13/03-19/03 2017
  • 06/03-12/03 2017
  • 27/02-05/03 2017
  • 20/02-26/02 2017
  • 13/02-19/02 2017
  • 06/02-12/02 2017
  • 30/01-05/02 2017
  • 23/01-29/01 2017
  • 16/01-22/01 2017
  • 09/01-15/01 2017
  • 02/01-08/01 2017
  • 26/12-01/01 2017
  • 19/12-25/12 2016
  • 12/12-18/12 2016
  • 05/12-11/12 2016
  • 28/11-04/12 2016
  • 21/11-27/11 2016
  • 14/11-20/11 2016
  • 07/11-13/11 2016
  • 31/10-06/11 2016
  • 24/10-30/10 2016
  • 17/10-23/10 2016
  • 10/10-16/10 2016
  • 03/10-09/10 2016
  • 26/09-02/10 2016
  • 19/09-25/09 2016
  • 12/09-18/09 2016
  • 05/09-11/09 2016
  • 29/08-04/09 2016
  • 22/08-28/08 2016
  • 15/08-21/08 2016
  • 25/07-31/07 2016
  • 18/07-24/07 2016
  • 11/07-17/07 2016
  • 04/07-10/07 2016
  • 27/06-03/07 2016
  • 20/06-26/06 2016
  • 13/06-19/06 2016
  • 06/06-12/06 2016
  • 30/05-05/06 2016
  • 23/05-29/05 2016
  • 16/05-22/05 2016
  • 09/05-15/05 2016
  • 02/05-08/05 2016
  • 25/04-01/05 2016
  • 18/04-24/04 2016
  • 11/04-17/04 2016
  • 04/04-10/04 2016
  • 28/03-03/04 2016
  • 21/03-27/03 2016
  • 14/03-20/03 2016
  • 07/03-13/03 2016
  • 29/02-06/03 2016
  • 22/02-28/02 2016
  • 15/02-21/02 2016
  • 08/02-14/02 2016
  • 01/02-07/02 2016
  • 25/01-31/01 2016
  • 18/01-24/01 2016
  • 11/01-17/01 2016
  • 04/01-10/01 2016
  • 28/12-03/01 2016
  • 21/12-27/12 2015
  • 14/12-20/12 2015
  • 07/12-13/12 2015
  • 30/11-06/12 2015
  • 23/11-29/11 2015
  • 16/11-22/11 2015
  • 09/11-15/11 2015
  • 02/11-08/11 2015
  • 26/10-01/11 2015
  • 19/10-25/10 2015
  • 12/10-18/10 2015
  • 05/10-11/10 2015
  • 28/09-04/10 2015
  • 21/09-27/09 2015
  • 14/09-20/09 2015
  • 07/09-13/09 2015
  • 31/08-06/09 2015
  • 24/08-30/08 2015
  • 17/08-23/08 2015
  • 10/08-16/08 2015
  • 03/08-09/08 2015
  • 27/07-02/08 2015
  • 20/07-26/07 2015
  • 13/07-19/07 2015
  • 06/07-12/07 2015
  • 29/06-05/07 2015
  • 22/06-28/06 2015
  • 15/06-21/06 2015
  • 08/06-14/06 2015
  • 01/06-07/06 2015
  • 25/05-31/05 2015
  • 18/05-24/05 2015
  • 11/05-17/05 2015
  • 04/05-10/05 2015
  • 27/04-03/05 2015
  • 20/04-26/04 2015
  • 13/04-19/04 2015
  • 06/04-12/04 2015
  • 30/03-05/04 2015
  • 23/03-29/03 2015
  • 16/03-22/03 2015
  • 09/03-15/03 2015
  • 02/03-08/03 2015
  • 23/02-01/03 2015
  • 16/02-22/02 2015
  • 09/02-15/02 2015
  • 02/02-08/02 2015
  • 26/01-01/02 2015
  • 19/01-25/01 2015
  • 12/01-18/01 2015
  • 05/01-11/01 2015
  • 29/12-04/01 2015
  • 22/12-28/12 2014
  • 15/12-21/12 2014
  • 08/12-14/12 2014
  • 01/12-07/12 2014
  • 24/11-30/11 2014
  • 17/11-23/11 2014
  • 10/11-16/11 2014
  • 03/11-09/11 2014
  • 27/10-02/11 2014
  • 20/10-26/10 2014
  • 13/10-19/10 2014
  • 06/10-12/10 2014
  • 29/09-05/10 2014
  • 22/09-28/09 2014
  • 15/09-21/09 2014
  • 08/09-14/09 2014
  • 01/09-07/09 2014
  • 25/08-31/08 2014
  • 18/08-24/08 2014
  • 11/08-17/08 2014
  • 04/08-10/08 2014
  • 28/07-03/08 2014
  • 21/07-27/07 2014
  • 14/07-20/07 2014
  • 07/07-13/07 2014
  • 30/06-06/07 2014
  • 23/06-29/06 2014
  • 16/06-22/06 2014
  • 09/06-15/06 2014
  • 02/06-08/06 2014
  • 26/05-01/06 2014
  • 19/05-25/05 2014
  • 12/05-18/05 2014
  • 05/05-11/05 2014
  • 28/04-04/05 2014
  • 14/04-20/04 2014
  • 07/04-13/04 2014
  • 31/03-06/04 2014
  • 24/03-30/03 2014
  • 17/03-23/03 2014
  • 10/03-16/03 2014
  • 03/03-09/03 2014
  • 24/02-02/03 2014
  • 17/02-23/02 2014
  • 10/02-16/02 2014
  • 03/02-09/02 2014
  • 27/01-02/02 2014
  • 20/01-26/01 2014
  • 13/01-19/01 2014
  • 06/01-12/01 2014
  • 30/12-05/01 2014
  • 23/12-29/12 2013
  • 16/12-22/12 2013
  • 09/12-15/12 2013
  • 02/12-08/12 2013
  • 25/11-01/12 2013
  • 18/11-24/11 2013
  • 11/11-17/11 2013
  • 04/11-10/11 2013
  • 28/10-03/11 2013
  • 21/10-27/10 2013

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!