Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek
Mijn weg met God
De weg naar een goddelijk leven
02-12-2017
Kerstmis is een feest van bevrijding en niet een feest van zondigheid
In
het artikel van Knack Paus pleit voor soberheid: 'Dit kind leert ons
wat echt belangrijk is' tonen Paus Franciscus en Aartsbisschop Jozef de
Kessel wat de echte relevantie van Kerstmis is. De incarnatie van God
in de persoon van een onschuldig en kwetsbaar kind prikkelt onze
gemeenschap, waardoor we worden aangezet om onze praxis te veranderen en
ons nederiger op te stellen tegenover onze medebroeders en medezusters.
Ook wijst paus Franciscus aan op de soteriologie van Kerstmis. De
redding is nabij en de eschatologie is al begonnen na het publiek
optreden van Christus, na zijn kruisiging en na zijn verrijzenis. Dit
impliceert dat leden van de Katholieke Kerk extra oog moeten hebben voor
de kwetsbare mens, meer bepaald voor de vluchtelingenproblematiek,
waarmee Europa in het laatste decennium wordt geconfronteerd. Daarop
wijst ook de paus in het artikel: Wij als christenen moeten niet
onverschillig blijven ten opzichte van de vluchtelingenproblematiek. Wij
moeten echt tot actie overgaan, waardoor de vluchteling, waarin God
aanwezig is, zich welkom kan voelen in het beloofde land. God houdt van
iedereen en is nederig ten opzichte van zijn schepping. Als hij echt de
mens wenste wakker te schudden, was dat echt niet op Kerstmis. Welke
God zou focussen op de zonde van de mens door een klein en onschuldig
kind de wereld in te sturen. God wou op kerstmis bij zijn schepping
zijn. In het boekje van Rikhof Die in ons wonen werd duidelijk
verwezen naar de zondigheid van de mens, dat bij Kerstmis moest worden
beleden in de viering. Rikhof zei dat we ons meer bewust moesten worden
dat God ons komt redden en dat enkel door de genade van God de weg naar
hem werd opengebroken.
Op Pasen, dat zeker en vast verbonden is
met Kerstmis, moeten we de voltooiing van het heilsgebeuren zien en
zijn we genoodzaakt om de zondigheid meer te benadrukken dan bij
Kerstmis. De kerstperiode is een tijd, waarin de mens vreugde moet
tonen, omdat de heilseconomie eindelijk is aangebroken. In de
protologie, op het begin der tijden was Jezus aanwezig in een trinitair
verbond met God. De logos van God doorbreekt de existentie van de mens.
Waarbij de existentie van de mens een bredere betekenis krijgt.
Toch komt in het
artikel naar voren dat de plaats van de mens niet onderschat mag worden
ten opzichte van de schepping. De mens is het evenbeeld van God. Hij is
de rentmeester voor de schepping, die God gemaakt heeft. Hij is
misschien door zijn zondigheid verdreven uit het paradijs, maar telkens
weer was God daar om hem te beschermen. Telkens weer zorgde God, dat de
zondaar niet werd vermoord of vernederd. Dit kan aangetoond worden in
volgend blokcitaat, waar Kain zijn broer Abel doodde. Hij werd vervloekt
en verbannen door de Heer, maar de Heer beschermde Kaïn. Hij liet hem
niet vallen.
Daarom
zult u vervloekt zijn, verbannen van de grond die zijn mond heeft
geopend om uit uw hand het bloed van uw broer te ontvangen! [12] De grond die u bewerkt zal niets meer opbrengen; een zwerver en een vagebond zult u zijn op de aarde!' [13] Kaïn zei tegen de HEER: 'Die straf is te zwaar om te dragen. [14]
U jaagt mij weg van de bebouwde grond, en ik zal ver van U vandaan
moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en
iedereen die mij ontmoet kan mij doden.' [15]
Maar de HEER antwoordde: 'Nee! Wie het ook is die Kaïn doodt, hij zal
zevenvoudig boeten!' En de HEER gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen
dat ieder die hem ontmoette hem zou doden. [16] Daarna trok Kaïn weg uit de nabijheid van de HEER en vestigde zich in het land Nod, ten oosten van Eden.
Volgens mij moet men
ook zo Kerstmis zien. Het is een periode, waarin er wordt herinnerd dat
de Heer is afgedaald naar de aarde om de weg terug vrij te maken naar
God. Hij daalt af uit zijn transcendente positie om de mens terug kracht
te geven. Hij vernieuwd op Kerstmis zijn verbond, waardoor de mens
terug kan verrijzen in zijn eigen persoon. Kerstmis is zeker een feest,
waarop we stil moeten staan met onze zondigheid, maar het is ook een
feest van bevrijding. Het is een feest, waarop de mens terug het gevoel
krijgt dat hij van God liefde ontvangt. We zouden naar mijn bescheiden
mening meer moeten focussen op de liefde van God en minder op de
zondigheid, zodat de hoop terug in het leven komt, zodat we kunnen
voelen dat het licht binnendringt in de kleine barsten van ons nietig
bestaan.
Godsâ liefde moet terug binnenkomen in de wereld
Mijn blik staart naar buiten,
kijkend naar de dauw dat langzaamaan op het gras neerdwarrelt. Mijn hart vult
zich met een warme en liefdevolle gloed. In de les luisterde ik een uur geleden
naar de professor, die vertelde over een aantal wonderverhalen uit de Bijbel.
Met Kerst zou je denken dat God de wereld doorbreekt met spectaculaire
wonderdaden, die heel de schepping zouden kunnen herordenen. Toch blijven deze
wonderen uit en blijft het oorverdovend stil bij de problemen, die we zien
tijdens de nieuwsberichten. Wat is een wonder en waar in het leven komt een
wonder tot uiting? Dat zijn vragen, die in mijn gedachten rijzen bij het
verwijlen in de trein. Plotseling doorbreekt een glimlach mijn leven en vervallen
deze gedachten onmiddellijk. Nooit is er een persoon geweest, die me op een
andere manier heeft aangekeken, dan de glimlach, die mijn blik nu doorbreekt.
Is een glimlach schenken misschien een wonder? Of zit het wonder achter de
glimlach, in de manier hoe iemand je benadert in een conversatie, in het vragen
naar je gevoelens, wanneer je zwijgzaam voor je uit zit te staren op de bank.
Maar dat gebeurt nog maar zelden in deze maatschappij waarin je constant
verantwoording moet afleggen voor alles wat je doet. De controle is nog nooit
zo groot geweest. Als medemens durft men zelfs een persoon in nood niet meer te
helpen uit angst om fouten te maken, zelfs door een luisterend oor aan te
bieden kan men verantwoordelijk gesteld worden, wanneer het nadien fout loopt
met de betreffende persoon. We zoeken beter professionals om het probleem op
te lossen, mensen die ervoor gestudeerd hebben, die weten hoe je met een
probleemsituatie omgaat. Maar die professionals zitten vaak ook met hun handen
in het haar en weten soms ook niet wat ze moeten aanvangen bij een bepaalde crisissituatie.
Mensen, die gestudeerd hebben, worden gekatapulteerd tot robotten, en zouden
dus exact moeten weten hoe ze een probleemsituatie aanpakken. Uiteindelijk
durven we zelfs niet meer om een open gesprek aan te gaan met iemand. Ook wordt
het zelfbeschikkingsrecht niet meer gerespecteerd, omdat men denkt dat mensen
in nood niet meer wilsbekwaam zijn. Onze maatschappij is gekenmerkt door
innerlijke contradicties. Euthanasie keuren we goed, omdat professionals van
mening zijn dat een leven niet meer waard is om geleefd te worden, weliswaar op
vraag van de patiënt. Maar als iemand zelf een einde maakt aan zijn leven, dan had
er professionele hulp moeten gezocht worden en heeft de omgeving te kort geschoten
in het niet onderkennen van de noodsituatie. Volgens mij moeten we consequent
worden in onze argumentatie en niet alles proberen in stukjes te hakken. We
moeten proberen om een warme samenleving op te bouwen, waarin de mens wil
leven. We moeten meer met elkaar praten en niet in een kleinburgerlijk of
zogezegd veilig stramien blijven vastzitten. We hebben een te
individualistische visie, waarbij we onze zielsgenoot vergeten, waarbij we geen
begrip hebben voor de diepste gevoelens van de medemens. Iemand, die zelfmoord
pleegt, die begaat een zonde volgens de Katholieke Kerk, omdat hij het recht
op leven aan zijn laars lapt. Maar moeten we in deze termen blijven denken? Is
er geen transformatie nodig in de traditie van de Katholieke Kerk en moeten theologen
niet meer in debat gaan met de Kerk, om de terminologie aan te passen aan onze
culturele ontwikkeling. Volgens mij is deze
maatschappij toch al verder geëvolueerd dan te aanvaarden dat zelfmoord een
zonde is. We moeten zelfmoord eerder zien als een schreeuw om hulp. We moeten
proberen te begrijpen waarom mensen uit het leven willen stappen. We moeten
beseffen dat een persoon, die aan zelfmoord denkt, meestal niet wilsonbekwaam
is. Sommigen hebben het echt geprobeerd om te leven, maar hebben de diepste
overtuiging dat het hen nooit meer zal lukken. Ze werden te vaak vernederd of
zijn sinds lang geïsoleerd of in eenzaamheid gewikkeld. Mensen moeten stoppen
om na te denken dat een persoon, die daaraan denkt, niet meer redelijk is. Het is de maatschappij, die niet genoeg oog
heeft voor zijn medemensen. Laat de liefde de maatschappij terug vullen met een
warme gloed. En laten we het taboe rond zelfmoord doorbreken, om met een open
en begrijpelijke blik potentiële suïcideplegers te benaderen.
In het midden van de nacht woel
ik rond in mijn bed, vastzittend in de sleur van mijn herinneringen. Duistere gedachten flitsen door mijn hoofd. Waar is God in de pure momenten van mijn lijden?
Waar was hij toen ik vernederd en bespot werd in het middelbaar? Stond hij toen
naast mij of bevond hij zich in de schimmige persoonlijkheid van de bespotter?
Veel jongeren hebben dezelfde negatieve ervaringen. Ze worden door de groep
vernederd en hun persoonlijkheid wordt gereduceerd tot een materieel iets, ze geraken
hun menselijke waardigheid kwijt en worden behandeld als een prooi, vluchtend
voor hun roofdieren, overgeleverd aan hun krachten, overgeleverd aan de pijn
van het leven. Peinzend aan deze gedachten wordt mijn verleden terug opgeborgen
in één van de laden van mijn bestaan. Altijd heb ik mijn andere wang aangeboden
als verdediging. Bied je andere wang aan aan je bespotter. Laat je harder
slaan, want God lijdt mee.Het was een
verheerlijking van het lijden, een afdalen in de donkere krochten van de hel,
om proberen terug op te stijgen naar de hogere sferen van aanvaarding. Ik wenste
gezien te worden door een persoonlijke God, een God, die ontzag kreeg voor mijn
lijden, een God, die mij eindelijk lief zou hebben. Maar God was ver verwijderd,
transcenderend als een koning, hangend boven de wereld. Hij was afwezig in deze
wereld, omdat ik geen oog had voor de immanente goddelijke kracht, die zich
bevond in de kleine dingen van zijn schepping. De stilte van de nacht begint me
te omarmen en mijn geest komt tot rust en geeft zich over aan een diepe slaap. Sinds
jaren heb ik geen dromen meer. Ik probeer in het nu te leven, geen oog meer te
richten op de toekomst. De toekomst boezemt mij te veel angst in, angst die mij
reeds te vaak verwijderd heeft van de kracht gevende en helende momenten in
mijn leven. Nu ervaar ik God als een onderdeel van mijn missie om andere mensen
te doen stralen, te doen lachen en te doen herleven in de goddelijke kracht van
deze wereld. Met de focus op het heden ontwaak ik en laat ik de warme gloed van
God binnendringen in mijn hart. God is mijn tochtgenoot, hij verlaat me nooit,
omdat ik onderdeel ben van zijn eeuwigdurende schepping, onderdeel van zijn
liefde. Neem me op in uw kracht en laat me nooit meer los. Laat me opgaan in uw
liefde en blijf altijd naast me staan in de moeilijke momenten van mijn leven.
Want als Ik U prijs voor de mooie zaken in mijn leven, moet ik U ook prijzen
voor de momenten van lijden, de momenten, waarop ik geleerd heb dat geloven in U
het sterkste en het kostbaarste is, waar een mens op terug kan vallen. U bent
mijn Heer, U bent Adonai, mij tochtgenoot, mijn beste vriend en mijn kracht om
door te leven in je goddelijke schepping.
Het gevoel te hebben dat je een
pion bent op een schaakbord, dat je op elk moment schaakmat kan worden gezet,
zonder daarover de controle te hebben, heeft me vandaag weer te pakken. Een
schaakbord, dat gecontroleerd wordt door een vreemde kracht, die elke pion onderwerpt
is de kluister van mijn bestaan. Wanneer kan ik een moment hebben voor mezelf?
Wanneer kan een mens de tijd beminnen en stoppen met het meedraaien in de
banaliteit van elke dag. Iedere dag wil ik van dat schaakbord afkomen en mij richten
op de zaken, die echt belangrijk zijn. Wil ik even tot rust komen, even zelf
bepalen, waar die pion van mijn leven naartoe gaat. Het verlangen om de tijd te
ontstijgen, om even te ontkomen aan de druk van de maatschappij. Een straaltje
licht breekt door de gordijnen en het licht brandt zachtjes op mijn gelaat.Mijn blik richt zich naar buiten en kijkt
naar de wereld, die met een volle vaart begint te draaien. Mensen haasten zich
naar hun werk. Een vrouw kijkt bezorgd om zich heen, angst voor de moeilijkheden,
die haar pad doorkruisen. Eigenlijk wil
ik me neerzetten, om eventjes te verwijlen bij de gedachten dat we allemaal
verbonden zijn met een liefdevolle kracht, mijn liefdevolle God. Mijn hart
bonst in mijn keel en ik word melancholisch bij de gedachte dat ik ook direct de
deur uit moet om te draaien in die vluchtige wereld, waarin geen enkele mens
oog heeft voor elkaar. Geen lach, geen traan en geen bezorgdheden worden
gedeeld. Alles is maar perfect en goed. Niets loopt verkeerd en we stellen ons
allen voor als de gelukkigste mensen ter wereld. Maar de laatste jaren twijfel
ik aan die gelukzalige samenleving. Deze samenleving heeft de goddelijke kracht
verbannen en gedegradeerd tot een bijkomstigheid. De koffie loopt langzaam door
de filter en ik voel de aromas prikkelen in mijn neus. Weeral dat goddelijke
moment, waarop mijn zintuigen zich openstellen voor een wonderlijk product van
Gods schepping. De mens neemt een centrale rol op als een medeschepper. Met
het ruiken van de koffie ontstijg ik even de tijd en zie ik het beeld voor me
van de plantages, waarop de koffieplanten geoogst worden. Dankbaar voor dit mooie
moment prijs ik God en de arbeiders en val ik even stil. Even lijkt het alsof
ik zelf bepaal, waar ik mijn pion plaats op het schaakbord.
Al
snel voel ik het gevoel van eenzaamheid bij elke stap die ik zet. Wandelend
naar het kerkhof, verwijlend bij de gedachten aan het mooie en eeuwige leven. Ik
voel dat mijn God me vaak in de eenzaamheid komt opzoeken door zijn
goddelijke kracht in de natuur. Langzaamaan loop ik door het bos en plots zie
ik kikkers springen over het bospad. Ik neem er één op en vol bewondering kijk
ik naar Gods mooie schepping. Daar is mijn God weer, hij doorbreekt telkens
mijn wandeling op een onverwachte en liefdevolle manier. Ik voel die goddelijke
kracht stromen in alle levende wezens. De geur van het bos en een opstekend
briesje doen mijn hart verwarmen. Ik ervaar precies wat Elia ervaarde. God zit
niet in de macht van de grote materiële zaken, God zit in het kwetsbare en het
zachte van de natuurlijke fenomenen. Hij zit in een klein briesje of in de geur
van het bos. Hij zit in het kwetsbare gedeelte van elke mens, van elk dier, van
elke plant en in elk natuurlijk deeltje van de wereld. Bij Allerheiligen loop
ik altijd langs het kerkhof, langs het graf van twee geliefde familieleden, die
al een decennium bij de Heer vertoeven in het Hemelse paradijs. Ik denk aan hen
elke dag even hard en voel me nog altijd even sterk met hen verbonden over de
grenzen van de dood heen. Vaak lijkt het alsof het gisteren was dat grootvader
met mij samen zat en alles vertelde over de verschillende soorten gesteenten en
over zijn verre reizen. Door mijn kinderogen leek hij een avonturier, een man
die op weg was met God. Een graf, symbool voor een goddelijk altaar, staat te
blinken in het stralende daglicht. Toch kan je nooit de herinneringen tijdens
het leven gelijkstellen aan de gedachten bij een grafzerk. Later als ik dood
ben, wil ik ook begraven worden, dan wil ik teruggaan naar de oorsprong van ons
bestaan, terug naar de kiem van ons nietige en kwetsbare leven. Als een mens
nederig is ten opzichte van zijn medemens en zijn God, dan is er een
transformatie mogelijk in zijn bestaan. Ik zou vaak nederiger moeten zijn, denk
ik bij mezelf, de kleine zaken beminnen als een geliefde persoon, die op weg
gaat met zijn God. Op het einde van het kerkhof staat er een kapel. Ik zie
mensen kaarsen branden en bidden voor hun overleden zielsgenoten. Ik denk bij
mezelf, geloven in, en verwijlen bij een liefhebbende en persoonlijke God, is
toch prachtig. Opeens voelt mijn hart een warme gloed. Mijn zijn wordt
teruggeworpen in de tijd. In gedachten zit ik te lachen en plezier te maken aan
de keukentafel bij grootmoeder. Haar liefdevolle blik doorbreekt mijn menselijke
gelaat en beroert mijn hart. Soms heb ik het gevoel, dat ik meer in mijn
verleden leef. Langzaamaan vervaagt de natuur, de schepping van God rond mij.
Langzaam besef ik dat God zich in mijn hart heeft gekluisterd. De goddelijke
kracht heeft zich verplaatst naar mijn persoon. Ik voel me bemind door Gods
schepping. Ik voel me een deeltje van het goddelijke geheel, de ervaring dat
God me bemint en dat ik deel uitmaak van Zijn goddelijk heilsplan.