|
Herman
Wijns (1931-1941)
Herman
weende niet
Herman werd geboren op zondag 15 maart 1931, als de zoon van een
slagersechtpaar, en de volgende dag al werd hij gedoopt in de St.
Bartholomeuskerk.
Vader
Jozef Wijns had een succesvolle varkensbeenhouwerij en charcuteriewinkel op de
Bredabaan en was daarnaast vertegenwoordiger van verschillende buitenlandse
vleeswarenfabrikanten.
Het was
een bekende zaak met klanten uit de wijde omgeving waar naast vader en moeder
Wijns ook vier gasten hun job hadden.
|

|
|
Herman
Wijns, 2 jaar oud
|
Herman
groeide op in de beenhouwerij van zijn ouders en al snel kende iedereen in
Merksem het ventje, omdat hij bij goed weer door zijn moeder bij de winkeldeur
werd gezet.
Uren kon
hij daar naar verluid zitten, samen met zijn hond Mus en de kat van de familie.
Het kwam
al eens voor dat vader en moeder Wijns in de drukte vergaten het kereltje eten
te geven, maar naar het schijnt kwam er nooit een klacht over zijn lippen.
Herman
weende niet en zaagde niet.
Hij trok
zich terug op de zolder en verwonderde zich over de plaatjes in de oude
gazetten, totdat men hem kwam roepen voor het avondeten, zo gaat het verhaal.
Nonkel
Mon
Toen Herman een jaar of vijf was en al wat avontuurlijker de omgeving verkende
trok hij veel naar de gasten, achter de beenhouwerij in het atelier.
De
slagersjongens waren gek met het beminnelijke kereltje, namen hem mee op hun
rondes en lieten hem dan voorop de fiets in de mand zitten.
Naar het
schijnt was Herman beste vrienden met iedereen.
Hij moet
een onbezorgde kindertijd gehad hebben, waarin het geloof en vooral zijn onkel
Mon een centrale rol speelden.
Herman
hing aan de lippen van nonkel Mon als die vertelde en wachtte geduldig naast
diens zetel of zelfs op zijn schoot wanneer hij, moe van het vertellen, een
dutje deed.
|

|
|
Herman
en de hond van het gezin 'Mus'
|
Hermans
favoriete spelletje was echter 'de mis spelen' met nonkel Mon.
Het moet
een koddig toneel geweest zijn: een man van in de vijftig die met een bel of
een ratel in zijn hand de mis diende van een manneke van vijf, waarbij dan eens
een pompbak, dan een kast of een tafel dienst deed als altaar.
Het
verhaal gaat ook dat wanneer de ouders van Herman 's avonds nog moesten gaan
werken en de buren op hem pasten, de oudere kinderen daar er bijna om vochten
om de kleuter bij zich te kunnen hebben.
St-Eduardusinstituut
Verliep voor Herman alles naar wens en was zijn wereld een grote speeltuin vol
magie en mensen die hem graag zagen, voor vader en moeder Wijns ging het
allemaal een pak minder.
De crisis
van de jaren '30 deed zich ook in Merksem voelen en in 1938 - Herman was zeven
jaar oud - moesten ze hun ooit zo florerende zaak op de Bredabaan sluiten.
Toen
Herman vijf jaar was vond vader Wijns het tijd om hem op school te doen.
Niet
direct in het eerste leerjaar.
Nee,
beter zou het zijn om hem eerst een jaar naar de kleuterschool te sturen.
In de
paasvakantie van 1936 ging pa Wijns daarom met zijn zoon naar de Broeder
Bestuurder van het St-Eduardusinstituut.
Die wilde
liever dat Herman ineens naar de jongensschool zou gaan, maar zijn leeftijd was
wat dat betreft natuurlijk een probleem.
De
Broeder Bestuurder twijfelde lang, maar gaf uiteindelijk toch toestemming om
Herman het laatste trimester van het voorbereidende leerjaar te laten meedoen,
maar niet voor hij de kleuter een klein testje afnam.
|

|
|
|
|
Een
schoolklas van het St-Eduardusinstituut in de tijd dat Herman de school
bezocht
|
Hermanneke,
waar woon je? vroeg de Bestuurder.
Op de
Bredabaan 422, antwoordde Hermanneke.
Ha ja,
dat is tegen de Oude Bareel, niet waar?
Nee,
zei de kleine rustig. Dat is tegen het gemeentehuis.
Och ja,
dat is waar ook. Dat is daar waar tram 12 en 17 rijden, niet waar? probeerde
de broeder.
Nee,
antwoordde Herman weer, tram 3 en 23.
Och ja,
dat is waar ook.
De kleine
plagerij was voldoende voor de Broeder Bestuurder om te weten wat voor vlees
hij in de kuip had, en Herman mocht na de paasvakantie naar school.
In het
laatste trimester van het voorbereidende studiejaar deed hij het vervolgens zo
goed dat er geen sprake van was dat Herman na de zomer in het voorbereidende
studiejaar zou beginnen.
Hij werd
meteen toegelaten tot het eerste leerjaar, als knulleke van vijf jaar oud.
Eerste
Heilige communie
Nadat hij een jaar vroeger dan gebruikelijk was toegelaten tot het eerste
leerjaar van St-Eduardus, liet Hermanneke meteen blijken een goed en vlijtig
student te zijn.
Zijn wekelijkse
rapporten vermelden steevast 20 op 20 en omdat ook zijn gedrag onberispelijk
was mocht Herman al op zesjarige leeftijd, 4 juli 1937, zijn eerste Heilige
Communie doen.
Als alle
kinderen zal hij trots geweest zijn op zijn kostumeke: witte blouse, zwart
broekske, witte kousen en zwart gelakte schoenen.
|

|
|
De
Bredabaan ter hoogte van het St-Eduardusinstituut zoals Herman Wijns het
wellicht nog gekend heeft (al is deze foto van voor zijn geboorte). Achter de
moeder met kinderen de toegangspoort, daarnaast de houten afrastering van het
domein Bouckenborgh
|
Als alle
kinderen zal hij trots voor de spiegel hebben gestaan, want het was feest en
daar genoot Herman net zo van als alle andere kinderen.
Religieus
als zijn opvoeding was zullen de lessen en de plechtigheid een diepe indruk op
hem gemaakt hebben.
Nee, dat
kan niet. Dat kan niet zijn.
Herman was geen geniale leerling, maar wel een hard werkende.
Het ging
niet allemaal vanzelf zoals bij sommige andere leerlingen, nee: Herman moest er
voor werken.
Wat hij
deed, deed hij goed, maar niet zonder moeite.
Goede
punten waren zeer belangrijk voor de kleine Herman en was het eens niet
supergoed, dan was hij beschaamd.
In het
tweede studiejaar was hij na het eerste trimester de dertiende van de klas.
|

|
|
Het
St-Eduardusinstituut (klooster en school) gezien vanuit de klokkentoren van
de St. Franciscuskerk (toen nog nieuwe kerk), zoals het werd gebouwd in 1897.
Tijdens de tweede wereldoorlog werd het zwaar beschadigd door de inslag van
een V2, maar pas in 1964 werden de nieuwe gebouwen die we nu nog kennen
gerealiseerd. De Broeder Frederikstraat (r.) heette toen nog Sint-Franciscusstraat
|
Verlegen
stapte hij met zijn rapport naar huis, en durfde over zijn punten niets zeggen
tegen zijn ouders.
Volgens
de legende stond hij die dag wat rond zijn vader te draaien zonder iets te
zeggen.
Pa Wijns
had wel door dat er iets scheelde en bedacht dat het beter zou zijn wanneer hij
even weg zou gaan: aan zijn moeder zou Herman het wellicht wel durven zeggen.
Maar ook
alleen met zijn moeder bleef hij dralen.
Het
gesprek dat hij vervolgens met zijn moeder had is een goede indicatie van het
karakter van Herman.
Maar
moeder, dat kan toch niet. Het kan toch niet waar zijn..., zei hij
verontwaardigd.
Maar wat
is er dan ventje? vroeg zijn moeder.
Nee, dat
kan niet. Dat kan niet zijn.
Allez,
zeg het eens manneke. Geen flauwekul hè. Zeg maar eens rap wat er hapert..
Zie dan
eens moeke, ik ben maar de dertiende.
Wat? De
dertiende maar? zei moeder.
Laat
eens zien... Maar je hebt toch 84 op 100 en grote onderscheiding. Wij
verwachten van jou toch niet dat je de eerste bent?!
Voor
Herman echter was het niet goed genoeg.
Het moest
beter en hij was daarom vastbesloten het beter te doen.
In het
tweede trimester was hij de achtste met 87 op 100 en in het derde trimester...
|

|
|
Het 1e
leerjaar van de Moderne Humaniora van 1937. Zittend op de eerste rij, vierde
van links zien we de dan 6-jarige Herman Wijns.
|
Poe, wat
zal het kereltje zich afgemat hebben, en wat legde hij een ongelooflijke
wilskracht aan de dag.
Vanaf 's
morgens vroeg, direct na de H. Mis tot 's avond half tien was hij in de weer
met zijn lessen.
Boeken in
de hand, rond de tafel lopend herhaalde hij zijn lessen steeds maar weer, alles
om maar de beste te zijn.
Het
resultaat was er dan ook naar, want het laatste trimester eindigde hij met 89
op 100 en was hij de beste van de klas.
Vrolijk
kind
Herman was graag gezien bij zowel zijn medeleerlingen als bij de broeders van
het St-Eduardusinstituut.
Er is een
anekdote hoe de beroemde Broeder Melarius nadat Herman enkele weken ziek thuis
is geweest, zo blij is Herman weer terug op de koer te zien dat hij zegt:
Herman, als jij er niet bent is mijn klas niet volledig.
|

|
|
Broeder
Melarius - Antoon Persoone - was leerkracht in de laagste klassen en degene
die de nagedachtenis aan Herman na diens dood levendig hield.
|
Is dat
echt waar broeder, vroeg Herman.
Echt
waar, antwoordde de broeder en maakte met de kleine knaap een rondedansje.
Herman
was niet alleen graag gezien, maar ook zeer behulpzaam voor anderen.
Wanneer
hij eens ziek en met koorts in bed lag en zag hoeveel moeite zijn vader zich
getrooste om de koude compressen op zijn hoofdje keer op keer te verversen, zei
hij tegen zijn vader dat hij het zelf wel zou doen.
Wanneer
zijn moeder zonder elastiek zat liep de kleine Herman stad en land af op zoek
naar het juiste elastiek voor zijn moeder.
Op bezoek
bij zijn tante vond hij het geen enkel probleem om zelf om dessert te gaan
wanneer zijn neefjes en nichtjes geen goesting hadden.
Al was
het zondagmiddag: Herman kwam niet terug voordat hij een winkel had gevonden
die nog open was.
|

|
|
Vlijtige
leerling
|
Hij was
een vrolijk kind die vooral veel van muziek hield.
De radio
moest altijd aan staan zodat hij kon zingen en dansen, en zag hij een kans dan
vertelde hij moppen en verhaalde enthousiast over wat er op school allemaal was
gebeurd.
Lachen is
beter dan wenen
Het woord van de broeder was heilig voor Herman.
Wat een
ander ook mocht beweren: wat Herman wist was waar, want de broeder had het toch
gezegd!
En
niemand wist het beter dan de broeder, zelfs zijn vader niet, zo sterk was het
kinderlijk vertrouwen van de jongen in zijn opvoeders.
Ook een
voorval op de schoolplaats typeert het karakter van de kleine Wijns.
Het
gebeurde eens op de koer dat een jongen was gevallen over een uitstekend stuk
steen.
|

|
|
De koer
van het oude instituut
|
Hij liep
daarbij een hevig bloedende wond op aan zijn been, en de broeder vreesde dat
hij zijn been gebroken had.
Terwijl
die de brancard ging halen verdrongen de andere jongens van de school zich rond
de gekwetste, maar bij het zien van het bloed zetten ze het allemaal op een
lopen.
Behalve
Herman.
Die
drukte zo goed hij kon de wond dicht om het bloeden te stelpen en troostte zijn
huilende makker door hem verhaaltjes en moppen te vertellen.
Toen de
broeder terug kwam met de brancard trof hij tot zijn verbazing twee lachende
jongens aan.
Lachen
is beter dan wenen hè, sprak Herman.
Toen
dezelfde broeder werd gevraagd of Herman een vrolijk kind was, zei hij: Och,
als je een plezante tegenkwaamt, dat was hij niet. Maar als je er nog een
plezantere tegenkwaamt, dat was hij.
Van :
Arjan Plantinga (Vrij naar Avents)
Vrienden
van Herman Wijns vzw
Alice Dierckx, voorzitter
Tel.: 0487 67 89 39
vriendenhermanwijns@gmail.com
Herinnerinsghuis:
Van Heybeeckstraat 23
2170 Merksem
Blog tegen de wet? Klik hier.
Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!
|