Als het hol geklepper van bamboestokjes in de zucht van een open tuindeur pokkepokken kleine kikkers in de klamme beemden. Hilde noemt ze castagnetten. Voor de tweede maal zien we een mongoose wegduiken in de kant. Een of ander soort grijswollen knaagdier.Een groot infobord omkadert Thangamale Sanctuary. Een heiligdom, jazeker, van Moeder Natuur. Ochtendkwijl drupt op onze hoofden als we de wildernis induiken. Vochtige koelte versmalt onze sluipweg tot een nat spoor tussen glimmend gebladerte. Een verre vogel monkelt nasaal enkele verkouden klanken. Regenwouddruppels fonkelen als doffe diamanten rond een wroetplek van wild boars, dikke grijze everzwijnen zonder stekelhuid. We wanen ons in de mystieke middeleeuwen en blijven op de hoede voor bloedzuigers. In wilde nissen verschuilend, wachten reuzevarens op het optrekken van het mistgordijn. Het geroezemoes van krekelgesjirp stokt aan een beekje. Aan het einde van een wandelgang duikt uit het groen een spookkasteel op van slanke houten baronnen. Een winterkoninkje met rode kop en opstaande staart hupt weemoedig rond in de geheimzinnigheid van klamme gewassen. Langharige korstmossen vertakken zich in naargeestige schimmigheid. Ons natuurgebed loopt ten einde. Was de buit wat schaars wat dierenplezier betreft, des te meer genoten we van het druilerig spektakel. We pinkten voortdurend een traantje weg.