Het is zeven na te laat in een nacht te stil. Verder over grenzen heen draag ik in mijn hoofd koffers met de geur van verre landen en ik schrijf je ongelezen brieven
van toen je, met slaap tussen wimpers en droom, lag als de rug van een berg. Het diep in buik tegen buik rommelde, was het licht te fel
en proefde ik de ochtend in mijn mond, zuurtjeszoet, raspte je rauw als de tong van een kat mijn gehemelte open.
Kringelde je op als sigarettenrook in poelen licht glimpten geheimen in je ooghoeken, klapten woorden open als kauwgombellen
in mijn hoofd spoelden vragen weg als regen naar zee wanneer je lach wegschoot als visjes onder het wateroppervlak,
was ik als getijden in de plooien van je rimpels streek ik gedachten glad over mijn gebruikte huid
plaagde je lettergrepen in porieën en vonkte je in zinnen als sneeuw boven mij.
De snelweg raasde door mijn keel in de welving van mijn stem door bruisend bloed, braakte ik de stilte uit, zoog en zweeg.
met randjes die krullen, letters te hard in het papier gedrukt, die later op zolder in dozen worden bewaard, geurend naar nostalgie van vergeten dromen waar muizen gaten in bijten.
Je groeit tussen de bladzijden van mijn boek, geheel een eigen leven en is het laatste woord nog niet gelezen. Gaat het ooit anders zijn of is ouder erger? Ik dek de lampenkappen af