De teksten op dit webblog zijn authentiek. Mogen wij u dus daarop wijzen dat iedere overname van tekst een schriftelijke toelating vereist van de auteur. De redactie.
Langs de IJse Lente - Smeerwortel - Look-zonder-look - Fluitenkruid - Witte dovenetel - Hondsdraf - Vergeet-mij-nietje
Nest van koolmees
HULDENBERG
Vroeger en nu
26-07-2021
De Tomme
DE
TOMME IN OTTENBURG
Midden in het gehucht 'De Tomme' in Ottenburg, in het hoekje van de gemeente, staat een
aarden ophoping van 140 x 30 x 6
m. Deze ophoping dateert uit de periode van de
Egyptische piramides. Men kan er niet naast kijken. Is dit een natuurlijk
verschijnsel of werd deze heuvel door de mens gemaakt ?
In het gehucht
"De Tomme"
bevindt zich het meest imposante prehistorische monument
van Vlaanderen. In het
verlengde ervan in de richting van de akkers, evenals langs de steile randen in
het bos van Laurensart zien we hoe geweldig groot deze vestiging moet geweest
zijn. Hier verheft zich een enige zichtbare lange heuvel. Tal van opgravingen en
onderzoeken hebben er plaatsgevonden. De laatste was in 2013.
De Tomme, de
140 m lange heuvel (eigen foto genomen rond 2000)
Deze langwerpige
heuvel zou misschien ook aan de basis liggen van de naam Tomme. Het woord 'Tomme' zou afgeleid zijn van
"tombe" omdat men vroeger dacht dat de enorme aarden ophoging die vrij
goed te zien is tussen de huizen van het gehucht, een graf was. Niets is
minder waar. Het gaat wel om een kunstmatige langgerekte aarden heuvel
aangebracht door de Michelsbergers. In 1974 werd hij beschermd als
landschap.
De Michelsbergers installeerden zich steeds op een hoogte
in het landschap. Bij voorkeur zelfs op een promontorium of een soort "schiereiland" waarvan de randen
langs de omtrek steil waren. Dit was het
geval in Ottenburg.
Archeologen hebben door middel van
digitale hoogtetechnologie vastgesteld dat lang geleden heel het plateau van 90
hectare in Ottenburg waarschijnlijk omwald was. Men onderscheidt drie archeologische plaatsen
: de heuvel, het woongebied en de nog bestaande wal.
Als deze ophoging geen grafheuvel was, waarvoor diende
het dan wel ?
Deze ophoging is zeker en vast geen overblijfsel van een
aarden wal om het plateau af te sluiten, want voor deze functie is de richting
van de heuvel verkeerd. Hij zou in de richting noord-zuid moeten staan. Archeologen
vermoeden dat deze volumineuze aarden ophoping eerder als verzamelplaats
gebruikt werd. De laatste opgravingen hebben voorwerpen aan het licht gebracht
die wellicht deel uitmaakten van sommige (religieuze) rituelen.
De heuvel stond enkele jaren geleden in de tuin van
mensen die de waarde van het monument niet goed konden inschatten. Hij werd ook deels beschadigd en dan verplicht hersteld rond 2010.
In het oosten van de heuvel bevond zich het woongebied. Tegen het bos heeft men via opgravingen in de
akkers alle "ingrediënten" van de Michelsbergcultuur gevonden. In het
Neolithicum (het steentijdperk) waren zij de eersten om gewassen te verbouwen en
vee te houden zodat de vestigingsplaatsen zeer vruchtbaar moesten
zijn. Daarom installeerden de eerste landbouwers in
onze gewesten hun nederzettingen voornamelijk op leemplateaus. De Tomme is gekend als vindplaats van prehistorische
artefacten ; dat zijn voorwerpen die door mensenhand en door kunst bewerkt
werden. De voornaamste
kenmerken van deze prehistorische cultuur zijn tulpvormige aarden potten.
Een voorbeeld van tulpvormige
aarden pot (afbeelding uit Internet)
In het bos van Laurensart is er een holle weg die
naar beneden gaat. Loodrecht op deze weg is er een aarden wal die op sommige
plaatsen 2 à 3 m hoog is. De wal
vertrekt aan de rechter zijde van de weg.
Maar via gesofistikeerde technologieën is men tot de bevinding gekomen
dat deze aarden wal doorloopt aan de andere kant van de weg en zelfs tot heel
ver de randen van de afgrond volgt. In het bos langs de steile randen zou
er zelfs een gans netwerk zijn van aarden wallen, zo goed als onzichtbaar voor
het blote oog. De wal die wellicht met een houten
omheining versterkt werd, diende om indringers uit het Zuiden tegen te houden. Aan de voet ervan waren er steeds bronnen, beken of rivieren. Het is een
mysterie hoe deze wal die door menselijke handen gemaakt is, duizenden jaren overeind
is kunnen blijven.
Een aarden wal
die duizenden jaren oud is, beschermde de nederzetting van de Tomme.
Het
plateau van Ottenburg terug in de tijd.
F. François. - 2018
Onroerend
Erfgoed, Digitaal beschermingsdossier DB002285, Huldenberg: De
Middenneolithische site van Ottenburg. Peter Van den Hove. - 2013te van Ottenburg. Peter Van den Hove. - 2013
Huldenberg, en meer bepaald Loonbeek, mag trots
zijn op een gebouw dat in het midden van de 20steeeuw in Art
Deco-stijl gebouwd werd.
Het gebedshuis werd in 1954 door de zusters van de Heilige Harten of
Picpussinnen in het toenmalige klooster opgericht.
Art Deco is een kunststroming waarvan de naam is
afgeleid van de 'Exposition internationale des arts décoratifs et
industriels modernes' die in 1925 in Parijs plaatsvond. De stroming
volgde, in België althans, de Art Nouveau op, maar zij was, in tegenstelling
tot deze laatste, ook terug te vinden in kerken.
Het is een stijl met geometrische vormen,
geïnspireerd op Egyptische en oriëntaalse kunst.De vormgeving is
strak en eenvoudig;lange, dunne vormen, gebogen oppervlakten en
heldere kleuren.In kerken die meestal in mooie baksteen gebouwd
zijn, brengen glasramen een aparte atmosfeer.
De architecten maakten gebruik van kostbare
materialen maar ook nieuwe zoals bakeliet en chroom.Art Deco is een
allround-stijl zowel in de architectuur als in de interieurinrichting.
Art Deco bereikte zijn hoogtepunt in het
interbellum maar had ook nog succes na de tweede wereldoorlog: de kapel van het
Blauwhof is daar een voorbeeld van.
De kapel in Loonbeek is merkwaardig door haar
eenvoud, haar stijl en haar zuivere glasramen, waarbij symboliek overal
aanwezig is.
Het koor is uiterst sober.Het
invallende licht van de zes rechthoekige glasramen brengt tot bezinning en
gebed.
Het hemelsblauw geeft de toon aan.Aan
beide kanten ontwaren we één fraaie slanke roos, die staat voor liefde,
schoonheid, vreugde, geluk en genegenheid; zij zijn ook een beeld van de
eeuwigheid met hemelse volmaaktheid van Christus en van de Kerk.
Ze wordt omringd door twee sierlijke lelies, die
vanuit de grond naar de hemel toegroeien. Deze zijn het symbool van de
zuiverheid en de maagdelijkheid ; de lelie vertegenwoordigt beminnelijkheid,
vruchtbaarheid, vrouwelijkheid en vergankelijkheid bij verlies of rouw.
De noordelijke zijde van de kapel is voorzien van kleine glasramen
waarop veel dierensymboliek te vinden is.
Een drinkend hert staat voor snelheid, gratie en rennen naar het
ware geluk.
Het glasraam verwijst naar psalm 42 uit het Boek der Psalmen waarvan de
eerste strofe luidt:´Zoals het hert dorst naar de waterbron, zo dorst
mijn ziel, O God, naar U¡.
De Pelikaan is met zijn drie jongen
afgebeeld.Dit is een verwijzing naar het Heilig
Bloed.De pelikaan doorboort zich de borst om met zijn bloed zijn
jongen te voeden, als symbool van de Christusÿ zelfopoffering aan het kruis.
Bij de symboliek van het Lam Gods
wordt Jezus Christusvoorgesteld als het onschuldige lam, Hij heeft met zijn gewillige lijden en dood
op het kruisverlossing bewerkstelligd. Dat wil zeggen dat hij met zijn
dood, net als een offerdier, de zonden van de mensen heeft weggenomen, en
daarmee de mensen heeft verzoend met God.
De zuidelijke zijde van de kapel is
merkwaardig.Op de vier grote glasramen worden vier van de
belangrijkste figuren van de Kerk afgebeeld.Zij verschijnen alle
vier op een virtuele wolk.
- De heilige Augustinus (354-430)
wordt voorgesteld als bisschop van Hippo (nu Annaba, stad in het NO van
Algerije) met mijter en staf.In zijn rechter hand houdt hij een
vlammend hart als symbool van de liefde tot God en de evennaaste.Hij is één
van de vier grote westerse kerkvaders (samen met Ambrosius, Hiëronymus en
Gregorius de Grote, Paus Gregorius I).
- De heilige Bernardus van Clairvaux
(1090-1153) was één van de belangrijkste (strenge) hervormers van het
middeleeuwse kloosterleven bij de Cisterciënzers. We zien hem met boek en
schrijfveer, kijkend naar de hemel, in het witte monnikspij van het
Cisterciënzersklooster van Citeaux. Hij is o.a. de patroonheilige van de
veehoeders, zijn beeld staat ook in de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg. De
boeren gingen vroeger hier op bedevaart en namen het stuk koord mee, waarmee ze
de koe naar de stier hadden geleid opdat hij voor een gezond kalf zou zorgen.
Hij wordt dan ook aangeroepen tegen ziekten van hoornvee.
- De heilige Dominicus Guzman van Caleruega (1172-1221),
stichter van de Dominicanen of Predikheren, zit met een boek in de rechter hand
en een (groene) lelie in de linker. Boven zijn hoofd prijkt de klassieke gouden
ster die zijn peettante tijdens zijn doop op zijn voorhoofd zou hebben gezien.
Het woord Dominicus komt van het Latijnse Domini canes (honden van de Heer).
Zijn moeder droomde voor zijn geboorte van een hond die met een brandende
fakkel door het veld liep en het in brand stak, een voorspelling dat Domenicusÿ
orde de wereld zou verlichten. In 1206 kreeg hij van de paus een missietaak in
het zuiden van Frankrijk (Albi) waar hij samen met de Cisterciënzers de katharen
ketters moest bestrijden. Ook het verder
bestaan van de plaatselijke begijnenbeweging moest eronder lijden.
- De heilige Benedictus van Nurcia (nu
Norcia, een stad in het centrum van Italië) (480-547) is de stichter van de
benedictijnen.Hij draagt een zwart habijt met kap en
abtstaf.Zijn gezicht is bebaard.In zijn rechter hand
draagt hij, zoals de twee vorige heiligen, een boek waarop soms de tekst ‘ora
et laboraÿ (bid en werk) staat; hij verwijst naar de gestelde regel
van Benedictus (540): 8 uur werken, 8 uur bidden en 8 uur slapen werd een
voorbeeld voor alle kloosters in Europa.
De kapel van het Blauwhof is al een aantal jaren
een stapelruimte van gemeentelijke diensten geworden.De
oorspronkelijke functie is verloren gegaan.Niet alleen verloedering
dreigt; de nieuwe bestemming van het Blauwhof en de geplande werken waarbij een
gedeelte van het gebouw alafgebroken is, doen twijfels rijzen rond de
toekomst van de kapel die niet beschermd
is.
Mogen dit een oproep zijn voor de
verantwoordelijken om dit enig gebouw in Art Deco te vrijwaren voor
verdwijning.
Jean-Pierre Van Binnebeek
Foto's : Jean-Pierre Van Binnebeek
Bibliografie
Sanctus, meer dan 500 heiligen kennen. Davidsfonds
Leuven. 2004
Op de hoek van de Kapelweg en aan de voet van de
Kapelbergstraat staat de slotkapel van de baronnen van Neerijse. Binnenin, boven het altaar pronkt in normale
toestanden Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui. Wat is haar legende ? Hoe zijn de baronnen
d'Overschie in Neerijse aangekomen ? Wat was hun aandeel in de bouw van de
kapel ? Deze vragen behandelen we in onderstaande tekst.
O.-L.-V.-ten-Pui in de parochiekerk van Neerijse
(eigen foto).
De kapel heeft haar ontstaan te danken aan een wonderbaarlijke
gebeurtenis. Een schaapherder van de
hoeve Roodhof (die op de plaats stond van het huidige WZC Ter Meere) trof langs
de weg in het struikgewas een houten lievevrouwbeeldje aan. Hij nam het mee en
borg het thuis op in een kist. De
volgende morgen was het beeldje echter verdwenen en de herder vond het opnieuw
tussen de struiken. Dat herhaalde zich nog een paar keer. Tenslotte zette de
herder het beeldje bij de vindplaats op een stenen verhoging, een pui. Daar komt de benaming van de kapel vandaan.
De verering van Maria moet geplaatst worden in een algemene trend van de
contrareformatie, een reactie op de reformatie, d.i. het opkomen van het
protestantisme. Met de steun van de
aartshertogen Albrecht en Isabella kreeg de Heilige Maagd een belangrijke
aandacht. Overal werd ze vereerd, soms werden kerken of kapellen voor haar
gebouwd, denk maar aan Jezus-Eik, aan de Zoete Waters en vooral Scherpenheuvel.
Arthur Gottignies, de eigenaar van de hoeve Van Ophem en Corbeye (het
huidige Lindenhof) liet in 1611 een eerste kapelletje bouwen waar nu geen
sporen meer van zijn.
Inmiddels was de familie d'Overschie in
de streek aangekomen. Ze waren afkomstig van Delft in Holland en vergaarden een
fortuin uit de inkomsten van een brouwerij.
Zij waren katholiek en moesten na de vrede van Munster in 1648, die een
einde maakte aan de godsdienstoorlogen, en onder het dreigend gevaar en de
repressie van de protestanten hun land ontvluchten. Ze vestigden zich in het
kasteel van Wisbecq te St.-Renelde bij Saintes in Henegouwen. In 1672 verwierf
Michiel-Govert de titel van 'vrije baron van Overschie en vanhet
Heilig Roomse rijk'. Zijn zoon, Charles-Joseph d'Overschie, huwde in 1722
met Maria Bouwens van der Boyen die eigenares was van een deel van de
heerlijkheid Neerijse. Zeer snel breidden ze hun domein in Neerijse uit door
het verwerven van het jachtpaviljoen 'Ter IJse' ook 'Ridderhof' genoemd, de
daarbij horende watermolen en een bierbrouwerij.
Ook de eerste kapel was al in hun bezit.
In 1733 liet Charles-Joseph de huidige kapel bouwen. Op de voorgevel, onder het familiewapen verwijst
een door de tijdserosie aangetaste Latijnse tekst naar het bouwjaar van de
kapel : 1733 ; dit is het beste bewijs van de bouwdatum van de kapel. In de
literatuur wordt de datum altijd verkeerd vermeld.
Op 8 juni 1739 schonken ze het jachtpaviljoen aan hun oudste zoon
Jean-Albert d'Overschie. In Brussel werd deze laatste kamerheer van Karel van
Lorreinen. Hij liet het kasteel van Neerijse op de plaats van het
jachtpaviljoen bouwen en betrok het met zijn broers en later met zijn
echtgenote. Door zijn toedoen zou het dorp een drastische metamorfose
ondergaan. Vanaf dan kreeg de kapel een
aparte aandacht : hij maakte er de slotkapel van de familie van.
Links : Charles-Joseph d'Overschie
naast zijn echtgenote : zij lieten de kapel van O.-L.-V.-ten-Pui bouwen.
Rechts : hun zoon, de jonge
Jean-Albert d'Overschie : hij liet het huidig kasteel van Neerijse bouwen.
(eigen foto, schilderij uit de collectie van G. de
Coune)
De kapel Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui vertoont duidelijk de overgang van
barok naar classicistische stijl. De architectuur van het bedehuis is een
mengeling van barokke herinneringen, zoals de klokvormige voorgevel, de
vensters met segmentbogen en het klokkentorentje met peerspits, en van classicistische
elementen, zoals het driehoekig fronton waarmee de voorgevel bekroond is. De kapel was in het wit gepleisterd zoals het
bij een classicistisch gebouw hoorde. Twee verschillende stijlen vullen elkaar
aan tot een harmonieus geheel. De fraaie
portaalomlijsting die versierd is met een waaiervormig bovenlicht en die
aanleunt bij de opkomende rococostijl nodigt de bezoeker uit om naar binnen te
gaan ; hij zal er een wit gepleisterd interieur ontdekken met een overheersend
altaar in Louis XVI-stijl onder een classicistische halfronde koorsluiting.
Zo zag de kapel eruit in de tijd van
de baronnen dOverschie: wit gepleisterd en sober zoals het hoorde in de
classicistische stijl (postkaart).
De kapel bezit tevens één van de belangrijkste galerijen obiits of
rouwborden van de streek (17). Het aanbrengen van rouwborden in kerken en
kapellen vond in Europa ingang in de XVe eeuw. Men wilde aldus
overledenen in eeuwige gedachtenis houden. Adellijke families hebben door de
eeuwen heen de traditie bewaard. In
Neerijse werden de rouwborden niet in de parochiekerk opgehangen maar in de
kapel Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui omdat ze de slotkapel van de familie was. Hier
vonden dan ook ter gelegenheid van het overlijden van een lid van de familie
rouwceremoniën plaats. Zo staat vast dat baron Jean-Albert d'Overschie hier
opgebaard werd.
De kapel werd in de 19e eeuw voor andere doeleinden gebruikt.
Zo werd op 17 juni 1838 de zondagsschool opgericht. Volwassenen konden er elke zondag na het lof
in de kapel lessen volgen. Het programma bestond uit het essentiële van het
lager onderwijs en een godsdienstonderricht.
De zondagsschool bleef bestaan tot 1914.
De prachtige Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui is een beschermd
monument sinds 14.9.2009 en wordt tijdens de meimaand opengesteld door de parochieverantwoordelijken.
Door de corona-verplichtingen zijn er andere gebruiken in voege.
Tekst en foto's :
Jean-Pierre Van Binnebeek
Referentiewerk : De getuigen van het
verleden van Neerijse. Van Binnebeek & Hallet. H.K. Huldenberg 2005.
Het café ´De
Casino is een monument in het centrum van Huldenberg, meer nog, een begrip
voor de lokale samenleving. Het staat al
250 jaar juist onder de kerktoren van de O.-L.-Vrouwekerk.
Het staat nu vast
dat het gebouw gesloopt wordt. Na het Hospice, de hoeve Van Bruystegem, de
hoeve Stroobants, het pachthof Sneessens (Pijlijzer), het café van Jef Stoel en
de Mariakring is het één van de laatste historische gebouwen die tot nu toe de
plaats moet ruimen voor vaak een modern appartementsgebouw.
Op het dorpsplein
van Huldenberg stonden niet alleen historische gebouwen maar ook fraaie huizen
die een eenvormige stijl vertoonden. Ze
stamden uit dezelfde bouwperiode: op de zijgevel van de Casino lezen we het
opschrift A(NN)O 1768, een jaar dat
getuige is van een bloeiperiode in ons dorp ; de baronnen de Baudequin de
Peuthy zwaaiden hier in die jaren de scepter;
ze slaagden erin, na een lange periode van armoede en verwoestende
godsdienstoorlogen de Huldenbergse verenigingen nieuw leven in te blazen.
Bewijs hiervan is deze oude postkaart uit de periode van voor wereldoorlog I ;
ze toont duidelijk dat alle huizen toen gebouwd waren in een eenvormige
classicistische stijl. Jammer genoeg
zijn ze haast allemaal verdwenen of verbouwd, de Casino wordt één van de laatste.
Op deze postkaart van voor 1914 ziet men de
fraaie uniformiteit van stijl van de huizen op het gemeenteplein. Het centrum
van Huldenberg was tot dan gedurende 150 jaar een perfect classicistisch dorp
gebleven.
Classicisme is een stroming
afkomstig uit Frankrijk die een terugkeer naar klassieke Griekse en Romeinse
voorbeelden nastreefde, als reactie op de dolle barok- en rococostijl. Dominant aanwezig zijn monumentaliteit, witte
gebouwen met duidelijke contourlijnen en vooral symmetrie. Als men de Casino
bekijkt, dan merken we dat ramen symmetrisch rond de ingangsdeur ingevoegd
werden. De postkaart toont goed aan dat
tussen 1768 en 1914 de huizen op het plein hun uniform classicistisch karakter
gedurende 150 jaar bewaard hadden. De
afbraak begon nadien.
De Casino speelde
in die periode een sleutelrol in de bevoorrading en de sociale contacten van
het dorp. Het is voor ons moeilijk te
bedenken dat de Casino een afspanning, een ´relais' was voor postkoetsen en
diligences. Toen reden er nog geen auto's of motorvoertuigen. Het paard deed
het zware werk. Daarom was er trouwens
rechtover de kapel van de Heilige Familie aan de ingang van het dorp een pomp
waar zowel voetgangers als dieren even konden uitrusten en hun dorst
lessen. Vanaf de jaren 1920 stopte hier
de autobus van Theo die tussen Overijse en Leuven pendelde. De Casino was het
tref- en verzamelpunt van Huldenberg.
Waarom het café ´De Casino' genoemd werd, blijft nog een
raadsel. In Overijse had een herberg een
gelijknamige naam. Het woord ´casino' komt uit het Italiaans ; het was
oorspronkelijk in Italië een huis waar
gezellige bijeenkomsten werden gehouden ; men kon er dansen, naar muziek
luisteren, kletsen en een gokje wagen. Het woord is onzijdig, men zegt ´het casino' terwijl het café in
Huldenberg ´de Casino' is. De betekenis heeft een evolutie gekend: ´casino¡ is ook het verkleinwoord van ´casa¡ (huis), dus huisje. Maar let goed
op de uitspraak in het Italiaans : als je de klemtoon op de ´ i ´ plaatst, dus
als je ´casino zegt, dan
spreek je over een bordeel. Als je de klemtoon op de ´ o ´ legt, dus als je
casino zegt, dan spreek je
over een gokplaats. En in Huldenberg zeg
je ´de casino ´ met de
klemtoon op de ´a´.
In ieder geval was de Casino voor wereldoorlog I een
combinatie van drankgelegenheid, relais, herberg, feestzaal, winkel en
misschien ook gokplaats.
De winkel hebben nog veel Huldenbergenaars gekend ; hij is
tot 1969 blijven bestaan. Iedereen wist
dat je ´Bij Gilam¡ (een bijnaam voor Guillaume of Guglielmus), een klein
winkeltje, veel kon kopen. De ingang van de winkel bestaat nog altijd, aan de
zijkant van de Casino, onderaan de trap die naar de kerk leidt.
Popp-kaart (midden 19e
eeuw) Situatieschets van de Casino.
Postkaart uit de
jaren 1947-48. Naast de Casino : een schuur en varkenstallen. De huisjes links
zijn afgebroken toen men de weg (toen de Langestraat) rechttrok. Op de muur een
opschrift voor de terugkeer van koning Leopold III tijdens de koningskwestie.
Om het café te
betreden heb je enkele treden die toegang geven tot een grote plaats, met een
toog waar achteraan gewonnen bekers blinken. In de open ruimte staan tafels en
stoelen, tegen de muur banken met tafeltjes.
De indeling heeft zijn oorspronkelijk karakter bewaard. Nog altijd mooi is de oorspronkelijke vloer
met tegeltjesmotief.
In de garage
ernaast hangt aan het plafond het souffleurshokje, de ´buisschouw¡, dat uitgeeft
op de historische zaal van de eerste verdieping, boven het café. Konden de
muren hier spreken, dan zouden we geschiedenisboeken kunnen schrijven want deze
ruimte was wat men nu pleegt te noemen een ´polyvalente zaal¡. Hier vonden in
het verleden allerlei activiteiten plaats : feesten, toneelopvoeringen,
repetities, soupers, vergaderingen van verenigingen, hier leefde
Huldenberg. Wellicht werd deze zaal
reeds gebruikt voor de feestelijkheden van de handboogschuttersgilde die baron
de Baudequin de Peuthy als beschermheer had.
De Koninklijke muziekmaatschappij ´De ware vrienden heeft er zijn
locatie ; hier werd in 1869 het huidige Koninklijke Sint-Ceciliakoor opgericht. En de zaal werd ook de trekpleister voor talrijke
andere verenigingen : de Casino Boys, de toneelkring BisArt, de voetbalclub
Huldenberg, de vissersclub en zelfs de Spaarkas ´De Vooruitziende Spaarders.
Maar één mysterie
heeft de Casino nog niet prijsgegeven. Onder het café, in een overwelfde
kelder, zou er ooit een tunnel uit lang vervlogen tijden vertrokken zijn. Sommigen zeggen naar het kasteel, anderen
beweren naar de kerk. Misschien zal met de sloopwerken het geheim van de Casino
onthuld worden !
Jean-Pierre Van
Binnebeek
Bronnen
Internet Café Casino
bij Herman.
Met de hulp
van en dank aan Herman Vanderveken, Christiane Vanderveken, Paula Ackermans,
Léon Kumps en Jef Dekeyser.
Christiane en
Herman wensen via deze weg iedereen te bedanken die in de loop der jaren
bijgedragen heeft tot het succes van de Casino.
"Vrienden, familieleden en trouwe klanten, we
zullen jullie nooit vergeten voor de mooie jaren en de toffe momenten die we
samen meegemaakt hebben in ons historische café. Vanharte dank voor alles wat u voor ons
gedaan hebt."
Waarom heeft de Sint-Pieter en -Pauwelkerk van Neerijse twee torens in het midden van de kerk ? Het oude geheim wordt nu onthuld.
Over de oorsprong van de twee torens worden vele verhalen verzonnen. U kent ze wellicht, zij behoren alle tot het rijk der fabelen !
De twee
torens van de kerk van Neerijse (eigen foto)
- Zo zouden twee edele dames de bouw van de kerk
gefinancierd en elk een toren gewenst hebben. Dit kan niet want de torens
gaan terug tot ongeveer het jaar 1200, een periode waar in Neerijse geen
kasteel en dus geen adellijke familie leefde! Men had het woud gerooid om er de
kerk en een abdij te bouwen.
- Zo zou men voor ieder patroonheilige een toren gebouwd
hebben. Nee, want er zijn andere
kerken die gewijd zijn aan Sint-Pieter en Sint-Paulus en die maar één toren
hebben !
- Zo zou de kerk zowel Neerijse en Huldenberg moeten
bedienen. Nee, want er stond al In Huldenberg een romaanse kerk voor het
jaar 1000 op de plaats waar nu de gotische staat, dat was dus niet nodig !
- Zo zouden Niet-Neerijsenaars beweerd hebben dat één toren
niet genoeg was om alle uilen erin te
huisvesten. Dit is vanzelfsprekend een
flauwe grap.
Wel, deze uitleg heb ik al vaak gehoord maar de juiste reden
voor de bouw van 2 torens nog nooit. Het
wordt dus tijd om orde op zaken te stellen en de echte oorzaak van de bouw van
twee torens te onthullen. De bouw van twee torens aan deze kerk moet in een historisch
kader geplaatst worden.
In de vroege middeleeuwen waren er in Frankrijk grote
abdijen die hun praal en pracht wilden uitstallen. Nemen we als voorbeeld de benedictijnenabdij
van Cluny die het middelpunt was van belangrijke hervormingsbewegingen. De kerk
van dit klooster bezat 7 torens.
Maquette
van de vroegere abdij van Cluny met haar 7 torens. (foto internet)
De Kathedraal van Doornik heeft nog altijd 5 torens. Geen
enkele Belgische kerk heeft er meer.
Waarom zoveel ? Dit grote bedehuis was gedurende eeuwen het
belangrijkste religieus centrum van Vlaanderen, Noord-Frankrijk en
Henegouwen. Het was ook de eerste
kathedraal op Belgische bodem.
Toen de Collegiale St-Michiel en St-Goedele van Brussel
bijna af was, dit was rond 1475, besliste men twee torens aan de westkant en
een kleine boven de kruising te plaatsen, eigenlijk een nabootsing van Notre
Dame de Paris.
En later in de tijd werd de basiliek van Koekelberg gebouwd
met twee torens, de grootste kerk van het land, een prestigeproject van Leopold II waarvan de plannen
na zijn dood in art deco hertekend werden.
Dit zijn maar enkele kerken die twee of meer torens hebben :
al deze bedehuizen moesten pracht, prestige en macht uitstralen. Het waren belangrijke religieuze gebouwen in
de ogen van hun bouwers.
En Neerijse zal u zeggen ?
Dichtbij
de huidige Belgische grens, niet ver van Amiens, stond de invloedrijke
benedictijnenabdij van Corbie die zeer lang een kerk met drie torens had. Corbie was op dat ogenblik oppermachtig.
Zij was het centrum van zowel het religieuze als het profane leven. In 1323
werd zelfs in haar prachtig binnenhof een kruistocht gepredikt.
Het klooster onderhield voortdurend innige contacten met het
Karolingische koningshuis (de familie van Karel de Grote) waarvan sommige
leden zelfs abt werden. Zij schonken al hun goederen aan de abdij en die waren
omvangrijk vooral gronden.
Zodoende kreeg de abdij
uitgestrekte gebieden in het huidige Brabant en Limburg. In Neerijse had ze de belangrijkste vestiging
in onze streek. Na het rooien van een
groot stuk woud bouwden ze er een prestigieuze kerk, natuurlijk met twee
torens, volgens het cachet dat de orde van Corbie vereiste. Daarnaast hadden ze
het pachthof van Ophem en Corbeye, dat in de 20ste eeuw de
naam Lindenhof kreeg en wellicht ook andere gebouwen die ondertussen
verdwenen zijn.
Afbeelding van de gevel van de eerste
abdijkerk van Corbie uit de 7e en 8e eeuw. (bron internet)
Afbeelding van de doorsnede van de eerste
abdijkerk van Corbie uit de 7e en 8e eeuw. (bron
internet)
Een kerk die meer dan één toren
heeft, is een kerk die toen ze gebouwd werd een belangrijk religieus centrum
was. En dat was het geval voor Neerijse. De kerk kreeg een dubbele toren zoals
die van de moederabdij. Het merkwaardig document hierboven uit de 7e
en 8e eeuw toont de gelijkenis van de eerste abdijkerk van Corbie
(uit de 7e eeuw) met die van
Neerijse (uit de 12e eeuw). De torens van deze kerk waren 30 m hoog.
Afbeelding van de eerste romaanse kerk van Neerijse uit de 12e eeuw. (uit parochiaal archief )
De eerste kerk van Neerijse die
rond 1200 gebouwd werd, werd in haar geschiedenis op twee momenten verwoest maar
telkens in de oorspronkelijke stijl herbouwd en de torens bleven bestaan.
Tot er in de jaren 1860 een nieuwe
pastoor kwam, eerwaarde heer Petrus Schmitz, die een baksteen in de maag had
omdat hij afkomstig was van een Antwerpse aannemersfamilie en de romaanse kerk
wilde afbreken om er een neogotische te laten bouwen. De twee torens moesten
daarbij sneuvelen. Gelukkig maar dat
baron August-Jozef d Overschie (die 44 jaar burgemeester van Neerijse geweest
is) er een stokje voor stak en de twee torens redde. Nu kon een gotische kerk tussen de twee
torens ook moeilijk ; de zes meter afstand
tussen de twee torens waren onvoldoende om een kruisribgewelf te plaatsen. De
pastoor moest van zijn opzet afzien en er werden dan nieuwe plannen gemaakt
waarin slechts sprake was van een "vergroting"; er werd gekozen voor een
neoromaanse kerk met rondbogen en behoud van de twee torens.
In Corbie vormden de twee torens de
westgevel van de kerk. In Neerijse staan ze in het midden van de kerk. Waarom is dat zo ?
In de middeleeuwen liep de grens
van het prinsbisdom Luik met het hertogdom Brabant dwars door Sint-Agatha-Rode
: de rivier de Laan vormde de grens.
Aan de ene kant werden kerken gebouwd volgens de maasromaanse stijl :
dit is makkelijk te herkennen omdat de toren tegen de westgevel staat. Zo
behoren de St-Agathakerk in Sint-Agatha-Rode, de Sint-Pieterskerk en de
Sint-Veronakapel in Bertem tot deze
stijl. Aan de overkant van de Laan werd
de schelderomaanse stijl toegepast : bij deze kerken staat(n) de toren(s) in
het midden. Zo behoren de kerk van Neerijse en die van Huldenberg tot deze
stijl. De romaanse kerk van Huldenberg werd in 1251 omgebouwd tot een gotische
kerk maar er bestaan nog sporen van de eerste kerk die van voor het jaar 1000
dateerde. De nieuwe gotische toren werd bovenop de vroegere romaanse toren
gebouwd, in het midden van de kerk.
En maar wachten opdat het eens echt winter zouworden! Uiteindelijk hebben op een vriesdag het laatste stuk IJse van de Weysbrug tot de molen van Loonbeek eens afgestapt. Het is een zeer kort stukje.
Het is die strook die parallel met de straat loopt en waar de IJse rechtgetrokken is. Dat zal hoogst waarschijnlijk voor de molen gedaan zijn. Door die recht trekking heeft het water een hogere snelheid en dus ook meer energie om de watermolen te laten draaien.
Het water had aan de brug een temperatuur van 8° C en aan de molen nog 5° C te verklaren door het in openlucht liggen en dus zonder enige afdekking. Daar waar het water meer stroomopwaarts onder de bomen doorloopt zen dus minder onderhevig is aan afkoeling door blootstelling aan de wind.
Langs het pad staat de Gelderse roos waar nog enkele gedroogde rode bessen aan hangen. Ook de kardinaalsmuts is aanwezig en is enkel te herkennen aan de kurklijstenop de takken. De mooiepaarse bessen zijn verdwenen enkelnog enkele lege zaaddozen hangen te bengelen aan de twijgen. Wel schiet de plant al en ziet men het prille groen reeds aan de knoppen.
Dekatjesvan de boswilg laten ook hun witte donzen vacht al zien.
Aan zwarte els en hazelaar bengelen de katjes. Het zijn windbestuivers.
Het vrouwelijk bloempje van de hazelaar is piepklein en paars. Dat van de hazelaar even klein en mooi rood.
Her en der staat nog een reuzenberenklauw met zijnzaadschermen. Wit berijmd zijn het echte juweeltjes.
In een els bakent een koolmees met zijn typisch twink, twink, zijn terrein af.
In de verte hoor je een zwarte specht roffelen.
De zon komt ook een piepen en in de door de takken priemende stralen dansen de muggen hun eerste lentedans.
Ondertussen zijn we aangekomen bij de watermolen. Het rad is weg (1952) want er werd een turbine gebouwd die de zaak draaiend hield.
De molen werd voor 1495 reeds vermeld en was de banmolen. Elke dorpeling moest daar zijn graan laten malen en de Heer had van elke gemalen zak graan recht op een aantal schepels als belasting.
Aan de overkant staat het kasteel van Loonbeek thans privé-eigendom.
Loonbeek-Kermis is een oude gewoonte en nauw verbonden met de verering van Sint-Antonius-Abt.De Loonbekenaars maakten op die dag veel plezier en verzamelden zich in de plaatselijke cafés.
In de lage Landen is het meest opmerkelijke ritueel rond de viering van Antonius het slachten van een varken en het consacreren en bij opbod verkopen van de varkenskop. Op vele plekken werd de Sint vereerd maar het ritueel verschilde wel van plaats tot plaats.
In Loonbeek bestond er ook een traditie. Ter gelegenheid van Loonbeek-Kermis werd in de families een varken geslacht. De kop (of de helft ervan) werd geschonken aan de kerk.Na de hoogmis die niet alleen door de Loonbekenaars maar ook door talrijke pelgrims uit naburige parochies bijgewoond werd, vond de verkoop van de varkenskoppen aan de kerkpoort plaats. De plaatselijke veldwachter stond in voor de verkoop. Wie het meeste bood, kreeg de varkenskop (soms een halve). Zo werden er telkens een vijftal koppen aangeboden.De opbrengst van de verkoop ging naar de kerk. Met de tweede wereldoorlog werd er met de traditie van verkoop gebroken.Maar de Loonbekenaars bleven Loonbeek-Kermis vieren.
In 1983 was dit nog altijd zo, namelijk in zaal Den Til die die dag als café fungeerde.De organisatie van de Kermis berustte bij de Kaartvrienden.Op een vergadering van de kerkfabriek lanceerde Albert Verbeeck het idee van de verkoop van varkenskoppen. De andere leden, Albert Van Hoegaerden, Jean Renders, Georges Michiels, Willy Verheyden en pastoor Jaak Bertmans stemden ermee in.
Zo werd de eerste verkoop in zaal Den Til georganiseerd.Het systeem was heel simpel:vijf koppen werden aangeboden; de toehoorders konden telkens 20 frank inleggen in de hoop de laatste te zijn om het eindbedrag te bereiken dat pastoor Jaak secuur op zijn lei verborgen hield. Willy Verheyden was de man die de hele verkoop in goede banen moest leiden. Van boven op zijn stoel duidde hij de opstekende vingers aan en probeerde hij iedereen tevreden te stellen.De materiële organisatie berustte bij de Loonbeekse verenigingen.
Het was een waar succes, voor herhaling vatbaar.De formule is gebleven - 20 F is nu wel 1 euro geworden -, de sfeer is dezelfde gebleven en Loonbeek beleeft nog ieder jaar zijn verkoop van varkenskoppen op identieke manier.
De namiddag werd voorbehouden voor een gezellig samenzijn, met taart, appelbeignets smoutebollen en later tiramisu.Meestal kwam er muziek aan te pas: doedelzakspelers,accordeonisten en andere muzikanten op oude instrumenten, tot in de late uurtjes.
Er zijn tevens pogingen ondernomen om variatie in de organisatie te brengen, de ene al succesvoller dan de andere.Zo werd er gedurende enkele jaren een tekenwedstrijd voor de schoolkinderen gehouden.Iedereen had prijs, maar drie schoolkinderen kregen respectievelijk goud, zilver en brons.
Den Til werd gesloten.Maar de traditie werd niet onderbroken.Het evenement verhuisde naar de feestzaal van het Blauwhof.Later, na de bouw van de zaal Van der Vorst, kreeg de verkoop zijn definitieve bestemming.Er werd inmiddels geopteerd voor één varkenskop en aanverwante gerechten: kip kap, klaargemaakte kop, pensen, tong, poten en oren die de opbod moesten doorstaan. Gedurende verschillende jaren werden deze gerechten op een traditionele wijze door Felix Caeckelberghs klaargemaakt. Dan heeft Luk Dewit de taak overgenomen.Een nieuwigheid was dat voor sommige gerechten een recept meegegeven wordt.
Zo wacht nu iedere echte Loonbekenaar op zijn verkoop van varkenskoppen, maar dit jaar is de activiteit geannuleerd door de corona-toestand.
Dank aan Monique Nijs, Willy Verheyden en Josephine De Coster voor de verstrekte informatie.
St. Antoon en St. Sebastiaan (20 jan), komen met het hardste van de winter aan.
t Is koud in alle kerken op Sint-Antonius met zijn verken.
St. Antonius is een ijsmaker, of een ijsbreker.
St. Antonius komt over met hoog water Of met een hard hoofd
Als het vriest op St. Antonius, dan dooit het op St. Sebastiaan.
Met St. Antonius lengen de dagen, zoveel als het eetmaal van een monnik.
St. Anteunis met zijn vèrken, Vader abt van Kouderkerken, is er een die steeds verkiest, dat het op zijn feestdag vriest.
Antonius gezegden en volkse wijsheden
Brood dat op Sint-Antoniusdag wordt gezegend, beschimmelt niet en weert onheil af van mensen en dieren.
Omdat het stelen en verorberen van een Antoniusvarken gelijk stond aan heiligschennis, werd in Italië van personen die onder onverklaarbare omstandigheden overleden, wel gezegd: 'Ha forse rubato un porco di San Antonio' ('hij zal wel een varken van Sint Antonius gestolen hebben').
Lied uit Leuven van de studentenclub van de Katholieke Hogeschool Leuven Departement Rega.
Sa, laat ons vrolijk wezen, op Sint-Antonius feest, feest, feest, Op Sint-Antonius feest. Sint-Antonius en de duivel waren gemeen, En ze dansten om het zeest, zeest, zeest, en ze dansten om het zeest.
Eén van Lucifers posturen, die wilde vrolijk zijn, zijn, zijn, Die wilde vrolijk zijn. Hij droeg een ijzer braadpan op zijn hoofd, En een vaatje brandewijn, wijn, wijn, en een vaatje brandewijn.
A vous !, zeid' hij, Sint-Antoneke, 't is een glazeke tegen de vaak, vaak, vaak, 't Is een glazeke tegen de vaak. Sint-Antonius riep: "'k een mag geen brandewijn", En hij goot het tegen zijn kaak, kaak, kaak, en hij goot het tegen zijn kaak.
Dat was om hem te kwellen, door 't nemen van de drank, drank, drank, Door 't nemen van de drank. Sint-Antonius greep de duivel bij de steert, En hij schreeuwde wel zes uren lang, lang, lang, en hij schreeuwde wel zes uren lang.
Antonius werd rond 250 na Christus in Egypte geboren. Hij was de eerste en populairste van de woestijnvaders die het wereldse leven verlieten om in de woestijn de verbinding met God te vinden. Hij woonde als kluizenaar op de berg Kolzim bij de Rode Zee.Hij wordt dan ook Antonius de Kluizenaar geheten.
Daarom wordt hij voorgesteld als kluizenaar met baard gekleed in een donkerbruin habijt.
Hij werd verleid door de duivel - daarom wordt hij soms afgebeeld met een duiveltje en hij voerde een zware strijd tegen verzoekingen.
Hij kreeg dan ook veel navolging maar vormde geen kloostergemeenschap.Zijn levensverhaal werd door één van zijn leerlingen St Athanasius de Grote opgetekend.
In 561 werd zijn graf ontdekt en vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaardin de St-Julien-kerk te Arles.
Als attribuut draagt heeft hij een taustaf, een rozenkrans, een boek en een klokje aan de staf.Dit staat symbool voor de bel die de antonieten, een orde van ziekenbroeders die naar hem genoemd werd, luidden wanneer ze aalmoezen verzamelden.
Soms hangt het klokje aan de hals van een varken naast hem.Dit varken verwijst naar de zonde en de verleiding.De antonieten hadden ook het recht een aantal varkens vrij te laten rondlopen in de steden.
De T-vormige staf gaat terug tot de gebruikelijke abtsstaf.Sint-Antonius wordt trouwens ook Sint-Antonius Abt geheten.De vlammen aan zijn voeten staan symbool voor de bestrijding van het antoniusvuur.
Op zijn feestdag (17 januari) werd vlees uitgedeeld aan de armen.
Antonius is de patroon van armen, zieken, slagers, herders, hoveniers, doodgravers en varkenshoeders.
Antonius werd aangeroepen tegen pest, zweren, wratten en puisten.
Hij is één van de heiligen die het meest afgebeeld worden op kunstwerken.Zo vinden we hem op het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck.Zijn verleidingen werden uitgebeeld door Hiëronymus Bosch.De thematiek werd door tal van andere schilders overgenomen zoals Salvator Dali, Hans Memling Pieter Bruegel, Albrecht Dürer en Paul Delvaux.
Bron : Sanctus Meer dan 500 heiligen herkennen.2002. Davidsfonds. Leuven
De cougnou is een typisch kerstgebak dat tijdens de kerstperiode geconsumeerd
wordt. In Huldenberg kan hij bij de bakker gekocht worden.Het is tevens een traditie dat hij na de
middernachtmis als geschenk aan de zangers van het Koninklijke Vocaal Ensemble
Sint-Cecilia aangeboden wordt.
De cougnou is een briochebrood waarvan de vorm Le pain de Jésus est un pain
brioché dont la forme rappelle celle de
l'enfant Jésus emmailloté.herinnert aan die
van het in luiers gewikkelde Kindje Jezus. Il peut aussi avoir la forme spéciale d'un pain à deux têtes.
Het kan ook de vorm van een brood met twee hoofden hebben. On ajoute à la pâte des raisins secs ou des pépites de chocolat accompagnés parfois par
des grains de sucre. Rozijnen worden aan het deeg toegevoegd, vergezeld van korrels suiker. Il est à différencier du craquelin qui est accompagné uniquement de
pépites de sucre. Het werd meestal gegeven aan kinderen op kerstochtend en vaak
geserveerd met een kop warme chocolademelk. Ce pain semble être originaire de l'ancien
Hainaut mais son usage s'est répandu dans
toutes les provinces du sud des Pays-Bas belgiques et en Principauté de Liège . Dit brood zou
afkomstig zijn uit Henegouwen.Het gebruik
ervan heeft zich verspreid in alle Waalse provincies en wordt nu beter bekend
in Vlaanderen.
Het woord gaat terug tot het Picardische (Noord-Franse) 17e
eeuwse quenieux, dat zijn met eieren en melk geknede broodjes. Het woord quenieux stamt van coniado of cuneolus, kleine (drie)hoek, dat een spel was. In 1560 zien we er een afbeelding van als Breughel het spel schildert op zijn schilderij Kinderspelen.
Foto genomen in het Kunsthistorisches Museum van Wenen.
De cougnous werden normaal versierd met ronde vormen in terracotta of
plaaster. Men vond ze in het centrum van het gebak, daarom werden ze de navel
van het kindje genoemd.Na 1960 zijn ze
niet meer vervaardigd.In Huldenberg
worden ze met een kindje in suiker voorgesteld.
Kribben in Huldenberg De kerststal in de Sint-Antoniuskerk van Loonbeek
Zoals ieder jaar staat in de Sint-Antoniuskerk van Loonbeek de kerststal die geplaatst werd door de leden van de kerkfabriek. De beelden werden in de jaren 80 door zuster Amandine uit Ganspoel gerestaureerd.
Het Kindje Jezus moet nog geboren worden en de herders en de Drie Wijzen zulllen nog langskomen.
Kribben in Huldenberg De kerststal op het Gemeenteplein
maar waar blijft de sneeuw ?
Traditiegetrouw ontdekken we, zoals ieder jaar op het plein, de kribbe die naast de Pomp en voor de Kerstboom opgetrokken is.In een kleine overdekte ruimte naast de kribbe is er plaats voor een koppel schapen.
De beelden werden in de jaren 80 door zuster Amandine uit Ganspoel gerestaureerd.
Toen hadden we nog een besneeuwd tapijt met Kerstmis.
Kribben in Huldenberg Het kerstgebeuren in de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg
Zoals ieder jaar staat in de O.L.Vrouwekerk van Huldenberg de kerststal die geplaatst werd door de leden van de kerkfabriek.
Opmerkelijk zijn de beelden van de kribbe, uit de hand van May Claerhout.
May Claerhout (Pittem, 21.2.1939 - Oostmalle, 7.11.2016) is een Belgische artieste die beeldhouwwerken in brons en terracotta creëert.Ze staat vooral bekend voor talrijke standbeelden die zij maakte voor openbare gebouwen (o.a. voor het Rijksarchief en de gebouwen van de Europese Unie).Haar atelier staat in Malle en ze werkt samen met haar echtgenoot Armand Storms die instaat voor het gieten van de bronzen beelden en het bakken van de kunstwerken in terracotta.
---=oOo=---
In het glasraam van de zuidelijke dwarsbeuk is het kerstgebeuren afgebeeld. Dit is het grootste glasraam van de kerk.
De bestelling en de realisatie van het werk geschiedde in de zomer van 1938. Het werd ontworpen door glazenier Lou Asperslag.
Het glasraam stelt een klassiek kersttafereel voor.Opvallend zijn wel de expressieve gelaatsuitdrukkingen van de personages.
Centraal wordt de Heilige Maagd afgebeeld met Jezus in de armen.Met veel moederliefde zorgt ze voor haar pas geboren baby. Rechts zit Jozef biddend, links zien we de os en de ezel.Boven Maria straalt de ster van Bethlehem tussen twee engelen.Eén van hen draagt de tekst Gloria in excelsis deo, Ere zij God in de hoogste hemelen.Onderaan links staan drie herders met een schaap, rechts de drie wijzen.
De inbreng van de grafelijke familie vinden we terug in de vier alliantiewapens onderaan het raam.
Het zijn van links naar rechts de wapenschilden van:
Baron Theodoor de Baudequin de Peuthy (1800-1863) en zijn echtgenote Philippine de Haultepenne met baronnen kroon met dertien parels.
Baron Gaspard-Bernard de Draeck de Ronsele en zijn echtgenote MariePulcherie de Baudequin de Peuthy (1781-1864) met baronnen kroon met dertien parels.
Graaf Frans-Jozef de Thiennes de Rumbeke en zijn echtgenote barones Astérie de Draeck de Ronsele met kroon van goud met drie fleurons van hetzelfde, wat de kroon van graaf is.
Graaf Thierry de Limburg Stirum en zijn echtgenote Marie-Thérèse de Thiennes de Rumbeke met kroon van goud met drie fleurons gescheiden door twee kleinere fleurons waaruit een muts van keel steekt uitlopend in een steeltje van hermelijn; dit is de kroon van de vroeger regerende graven van het Heilig Roomse Rijk.
De bedoeling ervan was de verbondenheid van de adellijke familie de Baudequin de Peuthy met die van de Limburg Stirum weer te geven. De overgang geschiedde tussen 1863 en 1865.
Toen men in 1938 besloot de kerk zoveel mogelijk in haar oorspronkelijke staat terug te brengen, deed men een beroep op glasraamspecialist Louis Franciscus (Lou) Asperslag. Lou Asperslag werd op 12 juni 1893 in Den Haag geboren. Hij behoorde tot de vooroorlogse school van katholieke glazeniers, waarvan Joep Nicolas en Charles Eyck de kern vormden.Hij voerde stijlvernieuwing in, die later jongeren inspireerde.Zijn studie van de ramen in de Franse kathedralen maakten van hem een meester in het toepassen van kleur- en lichtvariaties. Naast verwezenlijkingen in Nederland was hij ook productief in Vlaanderen.
Bronnen De glasramen in de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg. Jean-Pierre Van Binnebeek. Huldenbergs Heemblad. 2005-3. Blz. 220-234.
U zal ze wellicht opgemerkt hebben, de maskers in het koor van de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg. Ze zijn merkwaardig. Wanneer werden ze aangebracht ? Door wie ? Waarom ? Op deze vragen geven we u een antwoord.
Rond het jaar 1000 stond er op de Heullenberg reeds een romaanse kerk. Heulle (helling) was ook de naam van het plein dat ontstaan was op de kruising van twee wegen, waaruit tevens de naam van de gemeente is ontstaan. De initiatiefnemers hadden deze plek uitgekozen omdat ze uit alle richtingen zichtbaar was. Dit bedehuis had reeds de grootte van het koor en de hoofdbeuk van de bestaande gotische kerk. Een trap die beneden naast de huidige Casino vertrok leidde tot het zuidportaal.
In 1251 werd onder impuls van de heren van Huldenberg beslist een nieuwe, modernere, kerk op de grondvesten van de bestaande romaanse kerk te bouwen. Bepaalde bestanddelen van de romaanse architectuur werden behouden, bijvoorbeeld de paradijspoort aan de noordzijde van het koor die nog altijd zichtbaar is. Deze stenen zijn 1000 jaar oud en de oudste van de gemeente.
Het moest een revolutionair bouwwerk worden die de recente bouwstroming moest volgen, nl. de gotiek. In Brussel was men reeds begonnen (1226) met de bouw van de collegiale St.-Michiel en St.-Goedele onder impuls van de hertogen van Brabant. Dit reusachtig prestigewerk werd in 7 fasen over een periode van 300 jaar rechtgezet. Rond 1250 werden de werken tijdelijk gestopt, wellicht om financiële redenen. De arbeiders, vooral steenkappers, vielen zonder werk. Zij kregen de kans om hier in Huldenberg aan het werk te kunnen. Gedurende enkele jaren bouwden ze het gotisch koorgedeelte van onze kerk dat zodoende het tweede oudste in gebruik zijnde gotische gebouw is van midden België.
Deze steenhouwers hadden bepaalde vrijheden en mochten iets persoonlijks achterlaten. Zij plaatsten maskers en andere beelden die de kruisribben van het gewelf ondersteunden. Gelijkaardige maskers zijn ook te vinden in de huidige Kathedraal St.-Michiel en St.-Goedele in Brussel.
Maskers in het koor
Masker in de kathedraal St-Michiel en St-Goedele, Brussel.
Masker in de OLV-kerk, Huldenberg
Masker in de OLV-kerk te Huldenberg
Deze merkwaardige
maskers bevinden zich in het koor. Waarom
werden ze daar aangebracht ? De
verschrikkelijke gelaatsuitdrukkingen van sommigen doen denken aan iets
vreselijks. In die periode wilden de
kerkinstanties de gelovigen behoeden voor de afschrikwekkende heltoestanden . Gelovigen deden er goed aan, een voorbeeldig
leven te leiden en zorgvuldig hier tijdens hun aardse verblijf het hiernamaals
voor te bereiden. De steenhouwers die
soms ook kunstenaars waren genoten ruime vrijheden en konden hun signatuur
achterlaten. Zij lieten wel hun waar gelaat niet zien.
Er zijn ook
andere beeldhouwwerken te zien die geen maskers zijn, zij zijn neutraler. Het koor van de kerk biedt op een kleine
oppervlakte een uniek ensemble fraaie beelden.
Maskers in de
kruising van de kerk.
Er zijn ook
kleinere, minder schrikwekkende maskers in de kerk te vinden. Je moet wel eventjes zoeken. Ze bevinden zich in de kruising van de kerk
(dat is de plaats waar koor, hoofdbeuk en dwarsbeuk zich kruisen), ergens
tussen een pijler en de kerkmuur of tegen een kolom of in een hoekje verborgen.
Ook in Brussel,
in de kathedraal vind je gelijkaardige hoofdbeelden. Daar versieren zij de muren van het koor en
ondersteunen ook kleinere kolommen. Je moet het weten want ze vallen in dit
groot bouwwerk niet zo op.
Hoofdbeelden in het koor van de kathedraal, Brussel
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Tot slot
De aanwezigheid
van gelijkvormige maskers en andere afbeeldingen zowel in Brussel als in
Huldenberg getuigt van een gelijktijdige bouwstroom door dezelfde steenhouwers
en/of hun kinderen. De heren van
Huldenberg waren weliswaar de vazallen van de hertogen van Brabant. Zij leefden in een gebonden afhankelijkheid ;
maar aan hen bewezen de hertogen ook als tegenprestatie bepaalde diensten zoals
de bouw van een gotisch bedehuis in Huldenberg ; daaraan hebben we nog altijd
onze mooie kerk te danken.
Het winteruur heeft zijn intrede gedaan. Onze uurwerken moeten één uur achteruitgezet worden... maar de zonnewijzer blijft zijn uur behouden. Alles over de zonnewijzer van Huldenberg.
(Als u de foto wil vergroten, klik erop)
Op de gevel van de dwarsbeuk van de O.-L.-Vrouwekerk werd een zonnewijzer aangebracht die de aandacht trekt van menige voorbijganger.
We merken dat deze zonnewijzer niet het officiële uur aangeeft.
Waarom is dat zo ?
Wat schuilt er achter de spreuk ?
Het gaat hier om een verticale zonnewijzer waarvan de stijl (dat is de staaf die de schaduw op de zonnewijzer werpt) schuin over het verticale vlak hangt.Het uurlijnenpatroon is links en rechts van de 12-uurlijn symmetrisch.Het gaat van 8 uur tot 4 uur s namiddags.Dit betekent dat de zonnewijzer perfect naar het zuiden gericht is.
Waarom geeft de zonnewijzer niet het officiële uur aan ?
Zonnewijzers geven meestal de ware plaatselijke tijd of de zonnetijd aan, dus niet de officiële tijd. In Vlaanderen loopt de officiële tijd voor op de zonnetijd.Wat zijn hiervan de oorzaken ?
1.Onze officiële tijd is afgestemd op de zonnetijd van de 15e oostelijke lengtegraad. Per lengtegraad meer naar het westen loopt de officiële tijd 4 minuten meer voor op de zonnetijd ter plaatse.
2.Doordat de aardas schuin staat en doordat de aarde in een elliptische baan rond de zon draait, is er een correctie nodig; dit heet de tijdsvereffening. Zij varieert van dag tot dag, in de lente en de zomer tussen +6 en -6 minuten, in de herfst en de winter tussen +14 en -16 minuten.
3.Met de zomertijd komen daar nog 60 minuten bij.
Bekijken we de foto:
Het is 7 juli en 14.03 uur.Huldenberg ligt op 4,5° oosterlengte.
Totaal =de officiële tijd loopt 108 minuten (1u48) voor op de ware plaatselijke tijd zoals die op een zonnewijzer is af te lezen.
Op de foto leest men op het uurwerk van de kerk 14 u 03.Op de zonnewijzer is het 12 u 15.
Wat is de zonnewijzerspreuk ?
We lezen onderaan de zonnewijzer de zonnewijzerspreuk.
DE TIJD HELAAS ZIET VERGAET ALS DIT TEECKEN VROEGH EN LAET
D
De tekst herinnert de voorbijganger aan de vergankelijkheid van het aardse leven.Zulke boodschappen waren vaak in trek in de 18e eeuw;zodoende krijgt de voorbijganger de boodschap mee die hem of haar doet nadenken over het gebruik van de tijd, het leven en de dood.De spreuk op de zonnewijzer van Huldenberg kan dus als een klassiek voorbeeld beschouwd worden.
In de chronogram (dat is de tekst waarin letters anders gedrukt zijn, als Romeins cijfer beschouwd worden) zit het jaartal van de bouw van de zonnewijzer verscholen.
Hoe leest men het jaartal van de bouw van de zonnewijzer ?
We halen de rode letters uit de tekst.Het zijn Romeinse cijfers.
D I J D L I V L D I C V L
D = 500
C = 100
L =50
V = 5
I=1
J = 1
We plaatsen ze in de onderstaande volgorde:
D D D C LL L V V J I I I
DDD = 1500
C= 100
LLL= 150
V V=10
J I I I = 4
Totaal = 1764
De zonnewijzer van de O.-L.-Vrouwekerk is in 1764 aangebracht.Hij is een prachtwerk en kan duidelijk als referentie dienen voor de tientallen zonnewijzers die in ons land op kerken voorkomen.
Wat is de origine van deze idyllische plaats ? De wandelaar komt er voorbij zonder zich rekenschap te geven dat er een fabelachtig verhaal aan verbonden is.
Het veld was eigendom van de familie Mennekens, meer bepaald Aleijdt Mennekens die getrouwd was Jan de Bleser uit Loonbeek.
Het woord ‘brug’ heeft niets te maken met een bouwconstructie.
Wij wonen in een grensstreek waar verschillende talen door mekaar gebruikt werden.
Eén van die woorden was in de Gallische taal – die door Asterix gesproken werd -‘bruco’ afkomstig van het Latijn ‘brucus’. In het Frans hebben ze het woord, weliswaar in een afgeleide vorm, bewaard: bruyère. En dat is ‘heide’. Mennekensbrug betekent dus ‘het heideveld van de familie Mennekens’.
Sinds de Middeleeuwen is dit landschap wellicht weinig veranderd.
En deze plaats is tevens nauw verbonden met de legende van de kabouters. Deze buitenaardse wezens waren zeer behulpzaam en gingen ’s nachts in hoeve Ten Bosch (de huidige boerderij Peeters naast Ganspoel) de huishoudelijke taken verrichten. Als het personeel ’s morgens opstond was al het werk gedaan. Menig Huldenbergenaar hoor ik soms bij het opstaan zeggen als zijn of haar keuken onderste boven ligt na een avondfeest “zouden de kabouters er niet geweest zijn”? Er moet dus toch wel iets blijven hangen zijn in Huldenberg !
Voor wie Mennekensbrug niet situeert : u neemt de weg van Ganspoel, na 800 m in de vallei ligt Mènnekensbrug.