De teksten op dit webblog zijn authentiek. Mogen wij u dus daarop wijzen dat iedere overname van tekst een schriftelijke toelating vereist van de auteur. De redactie.
Langs de IJse Lente - Smeerwortel - Look-zonder-look - Fluitenkruid - Witte dovenetel - Hondsdraf - Vergeet-mij-nietje
Nest van koolmees
HULDENBERG
Vroeger en nu
21-06-2021
Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui
Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui in het daglicht.
Op de hoek van de Kapelweg en aan de voet van de
Kapelbergstraat staat de slotkapel van de baronnen van Neerijse. Binnenin, boven het altaar pronkt in normale
toestanden Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui. Wat is haar legende ? Hoe zijn de baronnen
d'Overschie in Neerijse aangekomen ? Wat was hun aandeel in de bouw van de
kapel ? Deze vragen behandelen we in onderstaande tekst.
O.-L.-V.-ten-Pui in de parochiekerk van Neerijse
(eigen foto).
De kapel heeft haar ontstaan te danken aan een wonderbaarlijke
gebeurtenis. Een schaapherder van de
hoeve Roodhof (die op de plaats stond van het huidige WZC Ter Meere) trof langs
de weg in het struikgewas een houten lievevrouwbeeldje aan. Hij nam het mee en
borg het thuis op in een kist. De
volgende morgen was het beeldje echter verdwenen en de herder vond het opnieuw
tussen de struiken. Dat herhaalde zich nog een paar keer. Tenslotte zette de
herder het beeldje bij de vindplaats op een stenen verhoging, een pui. Daar komt de benaming van de kapel vandaan.
De verering van Maria moet geplaatst worden in een algemene trend van de
contrareformatie, een reactie op de reformatie, d.i. het opkomen van het
protestantisme. Met de steun van de
aartshertogen Albrecht en Isabella kreeg de Heilige Maagd een belangrijke
aandacht. Overal werd ze vereerd, soms werden kerken of kapellen voor haar
gebouwd, denk maar aan Jezus-Eik, aan de Zoete Waters en vooral Scherpenheuvel.
Arthur Gottignies, de eigenaar van de hoeve Van Ophem en Corbeye (het
huidige Lindenhof) liet in 1611 een eerste kapelletje bouwen waar nu geen
sporen meer van zijn.
Inmiddels was de familie d'Overschie in
de streek aangekomen. Ze waren afkomstig van Delft in Holland en vergaarden een
fortuin uit de inkomsten van een brouwerij.
Zij waren katholiek en moesten na de vrede van Munster in 1648, die een
einde maakte aan de godsdienstoorlogen, en onder het dreigend gevaar en de
repressie van de protestanten hun land ontvluchten. Ze vestigden zich in het
kasteel van Wisbecq te St.-Renelde bij Saintes in Henegouwen. In 1672 verwierf
Michiel-Govert de titel van 'vrije baron van Overschie en vanhet
Heilig Roomse rijk'. Zijn zoon, Charles-Joseph d'Overschie, huwde in 1722
met Maria Bouwens van der Boyen die eigenares was van een deel van de
heerlijkheid Neerijse. Zeer snel breidden ze hun domein in Neerijse uit door
het verwerven van het jachtpaviljoen 'Ter IJse' ook 'Ridderhof' genoemd, de
daarbij horende watermolen en een bierbrouwerij.
Ook de eerste kapel was al in hun bezit.
In 1733 liet Charles-Joseph de huidige kapel bouwen. Op de voorgevel, onder het familiewapen verwijst
een door de tijdserosie aangetaste Latijnse tekst naar het bouwjaar van de
kapel : 1733 ; dit is het beste bewijs van de bouwdatum van de kapel. In de
literatuur wordt de datum altijd verkeerd vermeld.
Op 8 juni 1739 schonken ze het jachtpaviljoen aan hun oudste zoon
Jean-Albert d'Overschie. In Brussel werd deze laatste kamerheer van Karel van
Lorreinen. Hij liet het kasteel van Neerijse op de plaats van het
jachtpaviljoen bouwen en betrok het met zijn broers en later met zijn
echtgenote. Door zijn toedoen zou het dorp een drastische metamorfose
ondergaan. Vanaf dan kreeg de kapel een
aparte aandacht : hij maakte er de slotkapel van de familie van.
Links : Charles-Joseph d'Overschie
naast zijn echtgenote : zij lieten de kapel van O.-L.-V.-ten-Pui bouwen.
Rechts : hun zoon, de jonge
Jean-Albert d'Overschie : hij liet het huidig kasteel van Neerijse bouwen.
(eigen foto, schilderij uit de collectie van G. de
Coune)
De kapel Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui vertoont duidelijk de overgang van
barok naar classicistische stijl. De architectuur van het bedehuis is een
mengeling van barokke herinneringen, zoals de klokvormige voorgevel, de
vensters met segmentbogen en het klokkentorentje met peerspits, en van classicistische
elementen, zoals het driehoekig fronton waarmee de voorgevel bekroond is. De kapel was in het wit gepleisterd zoals het
bij een classicistisch gebouw hoorde. Twee verschillende stijlen vullen elkaar
aan tot een harmonieus geheel. De fraaie
portaalomlijsting die versierd is met een waaiervormig bovenlicht en die
aanleunt bij de opkomende rococostijl nodigt de bezoeker uit om naar binnen te
gaan ; hij zal er een wit gepleisterd interieur ontdekken met een overheersend
altaar in Louis XVI-stijl onder een classicistische halfronde koorsluiting.
Zo zag de kapel eruit in de tijd van
de baronnen dOverschie: wit gepleisterd en sober zoals het hoorde in de
classicistische stijl (postkaart).
De kapel bezit tevens één van de belangrijkste galerijen obiits of
rouwborden van de streek (17). Het aanbrengen van rouwborden in kerken en
kapellen vond in Europa ingang in de XVe eeuw. Men wilde aldus
overledenen in eeuwige gedachtenis houden. Adellijke families hebben door de
eeuwen heen de traditie bewaard. In
Neerijse werden de rouwborden niet in de parochiekerk opgehangen maar in de
kapel Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui omdat ze de slotkapel van de familie was. Hier
vonden dan ook ter gelegenheid van het overlijden van een lid van de familie
rouwceremoniën plaats. Zo staat vast dat baron Jean-Albert d'Overschie hier
opgebaard werd.
De kapel werd in de 19e eeuw voor andere doeleinden gebruikt.
Zo werd op 17 juni 1838 de zondagsschool opgericht. Volwassenen konden er elke zondag na het lof
in de kapel lessen volgen. Het programma bestond uit het essentiële van het
lager onderwijs en een godsdienstonderricht.
De zondagsschool bleef bestaan tot 1914.
De prachtige Kapel van Onze-Lieve-Vrouw-ten-Pui is een beschermd
monument sinds 14.9.2009 en wordt tijdens de meimaand opengesteld door de parochieverantwoordelijken.
Door de corona-verplichtingen zijn er andere gebruiken in voege.
Tekst en foto's :
Jean-Pierre Van Binnebeek
Referentiewerk : De getuigen van het
verleden van Neerijse. Van Binnebeek & Hallet. H.K. Huldenberg 2005.
Het café ´De
Casino is een monument in het centrum van Huldenberg, meer nog, een begrip
voor de lokale samenleving. Het staat al
250 jaar juist onder de kerktoren van de O.-L.-Vrouwekerk.
Het staat nu vast
dat het gebouw gesloopt wordt. Na het Hospice, de hoeve Van Bruystegem, de
hoeve Stroobants, het pachthof Sneessens (Pijlijzer), het café van Jef Stoel en
de Mariakring is het één van de laatste historische gebouwen die tot nu toe de
plaats moet ruimen voor vaak een modern appartementsgebouw.
Op het dorpsplein
van Huldenberg stonden niet alleen historische gebouwen maar ook fraaie huizen
die een eenvormige stijl vertoonden. Ze
stamden uit dezelfde bouwperiode: op de zijgevel van de Casino lezen we het
opschrift A(NN)O 1768, een jaar dat
getuige is van een bloeiperiode in ons dorp ; de baronnen de Baudequin de
Peuthy zwaaiden hier in die jaren de scepter;
ze slaagden erin, na een lange periode van armoede en verwoestende
godsdienstoorlogen de Huldenbergse verenigingen nieuw leven in te blazen.
Bewijs hiervan is deze oude postkaart uit de periode van voor wereldoorlog I ;
ze toont duidelijk dat alle huizen toen gebouwd waren in een eenvormige
classicistische stijl. Jammer genoeg
zijn ze haast allemaal verdwenen of verbouwd, de Casino wordt één van de laatste.
Op deze postkaart van voor 1914 ziet men de
fraaie uniformiteit van stijl van de huizen op het gemeenteplein. Het centrum
van Huldenberg was tot dan gedurende 150 jaar een perfect classicistisch dorp
gebleven.
Classicisme is een stroming
afkomstig uit Frankrijk die een terugkeer naar klassieke Griekse en Romeinse
voorbeelden nastreefde, als reactie op de dolle barok- en rococostijl. Dominant aanwezig zijn monumentaliteit, witte
gebouwen met duidelijke contourlijnen en vooral symmetrie. Als men de Casino
bekijkt, dan merken we dat ramen symmetrisch rond de ingangsdeur ingevoegd
werden. De postkaart toont goed aan dat
tussen 1768 en 1914 de huizen op het plein hun uniform classicistisch karakter
gedurende 150 jaar bewaard hadden. De
afbraak begon nadien.
De Casino speelde
in die periode een sleutelrol in de bevoorrading en de sociale contacten van
het dorp. Het is voor ons moeilijk te
bedenken dat de Casino een afspanning, een ´relais' was voor postkoetsen en
diligences. Toen reden er nog geen auto's of motorvoertuigen. Het paard deed
het zware werk. Daarom was er trouwens
rechtover de kapel van de Heilige Familie aan de ingang van het dorp een pomp
waar zowel voetgangers als dieren even konden uitrusten en hun dorst
lessen. Vanaf de jaren 1920 stopte hier
de autobus van Theo die tussen Overijse en Leuven pendelde. De Casino was het
tref- en verzamelpunt van Huldenberg.
Waarom het café ´De Casino' genoemd werd, blijft nog een
raadsel. In Overijse had een herberg een
gelijknamige naam. Het woord ´casino' komt uit het Italiaans ; het was
oorspronkelijk in Italië een huis waar
gezellige bijeenkomsten werden gehouden ; men kon er dansen, naar muziek
luisteren, kletsen en een gokje wagen. Het woord is onzijdig, men zegt ´het casino' terwijl het café in
Huldenberg ´de Casino' is. De betekenis heeft een evolutie gekend: ´casino¡ is ook het verkleinwoord van ´casa¡ (huis), dus huisje. Maar let goed
op de uitspraak in het Italiaans : als je de klemtoon op de ´ i ´ plaatst, dus
als je ´casino zegt, dan
spreek je over een bordeel. Als je de klemtoon op de ´ o ´ legt, dus als je
casino zegt, dan spreek je
over een gokplaats. En in Huldenberg zeg
je ´de casino ´ met de
klemtoon op de ´a´.
In ieder geval was de Casino voor wereldoorlog I een
combinatie van drankgelegenheid, relais, herberg, feestzaal, winkel en
misschien ook gokplaats.
De winkel hebben nog veel Huldenbergenaars gekend ; hij is
tot 1969 blijven bestaan. Iedereen wist
dat je ´Bij Gilam¡ (een bijnaam voor Guillaume of Guglielmus), een klein
winkeltje, veel kon kopen. De ingang van de winkel bestaat nog altijd, aan de
zijkant van de Casino, onderaan de trap die naar de kerk leidt.
Popp-kaart (midden 19e
eeuw) Situatieschets van de Casino.
Postkaart uit de
jaren 1947-48. Naast de Casino : een schuur en varkenstallen. De huisjes links
zijn afgebroken toen men de weg (toen de Langestraat) rechttrok. Op de muur een
opschrift voor de terugkeer van koning Leopold III tijdens de koningskwestie.
Om het café te
betreden heb je enkele treden die toegang geven tot een grote plaats, met een
toog waar achteraan gewonnen bekers blinken. In de open ruimte staan tafels en
stoelen, tegen de muur banken met tafeltjes.
De indeling heeft zijn oorspronkelijk karakter bewaard. Nog altijd mooi is de oorspronkelijke vloer
met tegeltjesmotief.
In de garage
ernaast hangt aan het plafond het souffleurshokje, de ´buisschouw¡, dat uitgeeft
op de historische zaal van de eerste verdieping, boven het café. Konden de
muren hier spreken, dan zouden we geschiedenisboeken kunnen schrijven want deze
ruimte was wat men nu pleegt te noemen een ´polyvalente zaal¡. Hier vonden in
het verleden allerlei activiteiten plaats : feesten, toneelopvoeringen,
repetities, soupers, vergaderingen van verenigingen, hier leefde
Huldenberg. Wellicht werd deze zaal
reeds gebruikt voor de feestelijkheden van de handboogschuttersgilde die baron
de Baudequin de Peuthy als beschermheer had.
De Koninklijke muziekmaatschappij ´De ware vrienden heeft er zijn
locatie ; hier werd in 1869 het huidige Koninklijke Sint-Ceciliakoor opgericht. En de zaal werd ook de trekpleister voor talrijke
andere verenigingen : de Casino Boys, de toneelkring BisArt, de voetbalclub
Huldenberg, de vissersclub en zelfs de Spaarkas ´De Vooruitziende Spaarders.
Maar één mysterie
heeft de Casino nog niet prijsgegeven. Onder het café, in een overwelfde
kelder, zou er ooit een tunnel uit lang vervlogen tijden vertrokken zijn. Sommigen zeggen naar het kasteel, anderen
beweren naar de kerk. Misschien zal met de sloopwerken het geheim van de Casino
onthuld worden !
Jean-Pierre Van
Binnebeek
Bronnen
Internet Café Casino
bij Herman.
Met de hulp
van en dank aan Herman Vanderveken, Christiane Vanderveken, Paula Ackermans,
Léon Kumps en Jef Dekeyser.
Christiane en
Herman wensen via deze weg iedereen te bedanken die in de loop der jaren
bijgedragen heeft tot het succes van de Casino.
"Vrienden, familieleden en trouwe klanten, we
zullen jullie nooit vergeten voor de mooie jaren en de toffe momenten die we
samen meegemaakt hebben in ons historische café. Vanharte dank voor alles wat u voor ons
gedaan hebt."
Waarom heeft de Sint-Pieter en -Pauwelkerk van Neerijse twee torens in het midden van de kerk ? Het oude geheim wordt nu onthuld.
Over de oorsprong van de twee torens worden vele verhalen verzonnen. U kent ze wellicht, zij behoren alle tot het rijk der fabelen !
De twee
torens van de kerk van Neerijse (eigen foto)
- Zo zouden twee edele dames de bouw van de kerk
gefinancierd en elk een toren gewenst hebben. Dit kan niet want de torens
gaan terug tot ongeveer het jaar 1200, een periode waar in Neerijse geen
kasteel en dus geen adellijke familie leefde! Men had het woud gerooid om er de
kerk en een abdij te bouwen.
- Zo zou men voor ieder patroonheilige een toren gebouwd
hebben. Nee, want er zijn andere
kerken die gewijd zijn aan Sint-Pieter en Sint-Paulus en die maar één toren
hebben !
- Zo zou de kerk zowel Neerijse en Huldenberg moeten
bedienen. Nee, want er stond al In Huldenberg een romaanse kerk voor het
jaar 1000 op de plaats waar nu de gotische staat, dat was dus niet nodig !
- Zo zouden Niet-Neerijsenaars beweerd hebben dat één toren
niet genoeg was om alle uilen erin te
huisvesten. Dit is vanzelfsprekend een
flauwe grap.
Wel, deze uitleg heb ik al vaak gehoord maar de juiste reden
voor de bouw van 2 torens nog nooit. Het
wordt dus tijd om orde op zaken te stellen en de echte oorzaak van de bouw van
twee torens te onthullen. De bouw van twee torens aan deze kerk moet in een historisch
kader geplaatst worden.
In de vroege middeleeuwen waren er in Frankrijk grote
abdijen die hun praal en pracht wilden uitstallen. Nemen we als voorbeeld de benedictijnenabdij
van Cluny die het middelpunt was van belangrijke hervormingsbewegingen. De kerk
van dit klooster bezat 7 torens.
Maquette
van de vroegere abdij van Cluny met haar 7 torens. (foto internet)
De Kathedraal van Doornik heeft nog altijd 5 torens. Geen
enkele Belgische kerk heeft er meer.
Waarom zoveel ? Dit grote bedehuis was gedurende eeuwen het
belangrijkste religieus centrum van Vlaanderen, Noord-Frankrijk en
Henegouwen. Het was ook de eerste
kathedraal op Belgische bodem.
Toen de Collegiale St-Michiel en St-Goedele van Brussel
bijna af was, dit was rond 1475, besliste men twee torens aan de westkant en
een kleine boven de kruising te plaatsen, eigenlijk een nabootsing van Notre
Dame de Paris.
En later in de tijd werd de basiliek van Koekelberg gebouwd
met twee torens, de grootste kerk van het land, een prestigeproject van Leopold II waarvan de plannen
na zijn dood in art deco hertekend werden.
Dit zijn maar enkele kerken die twee of meer torens hebben :
al deze bedehuizen moesten pracht, prestige en macht uitstralen. Het waren belangrijke religieuze gebouwen in
de ogen van hun bouwers.
En Neerijse zal u zeggen ?
Dichtbij
de huidige Belgische grens, niet ver van Amiens, stond de invloedrijke
benedictijnenabdij van Corbie die zeer lang een kerk met drie torens had. Corbie was op dat ogenblik oppermachtig.
Zij was het centrum van zowel het religieuze als het profane leven. In 1323
werd zelfs in haar prachtig binnenhof een kruistocht gepredikt.
Het klooster onderhield voortdurend innige contacten met het
Karolingische koningshuis (de familie van Karel de Grote) waarvan sommige
leden zelfs abt werden. Zij schonken al hun goederen aan de abdij en die waren
omvangrijk vooral gronden.
Zodoende kreeg de abdij
uitgestrekte gebieden in het huidige Brabant en Limburg. In Neerijse had ze de belangrijkste vestiging
in onze streek. Na het rooien van een
groot stuk woud bouwden ze er een prestigieuze kerk, natuurlijk met twee
torens, volgens het cachet dat de orde van Corbie vereiste. Daarnaast hadden ze
het pachthof van Ophem en Corbeye, dat in de 20ste eeuw de
naam Lindenhof kreeg en wellicht ook andere gebouwen die ondertussen
verdwenen zijn.
Afbeelding van de gevel van de eerste
abdijkerk van Corbie uit de 7e en 8e eeuw. (bron internet)
Afbeelding van de doorsnede van de eerste
abdijkerk van Corbie uit de 7e en 8e eeuw. (bron
internet)
Een kerk die meer dan één toren
heeft, is een kerk die toen ze gebouwd werd een belangrijk religieus centrum
was. En dat was het geval voor Neerijse. De kerk kreeg een dubbele toren zoals
die van de moederabdij. Het merkwaardig document hierboven uit de 7e
en 8e eeuw toont de gelijkenis van de eerste abdijkerk van Corbie
(uit de 7e eeuw) met die van
Neerijse (uit de 12e eeuw). De torens van deze kerk waren 30 m hoog.
Afbeelding van de eerste romaanse kerk van Neerijse uit de 12e eeuw. (uit parochiaal archief )
De eerste kerk van Neerijse die
rond 1200 gebouwd werd, werd in haar geschiedenis op twee momenten verwoest maar
telkens in de oorspronkelijke stijl herbouwd en de torens bleven bestaan.
Tot er in de jaren 1860 een nieuwe
pastoor kwam, eerwaarde heer Petrus Schmitz, die een baksteen in de maag had
omdat hij afkomstig was van een Antwerpse aannemersfamilie en de romaanse kerk
wilde afbreken om er een neogotische te laten bouwen. De twee torens moesten
daarbij sneuvelen. Gelukkig maar dat
baron August-Jozef d Overschie (die 44 jaar burgemeester van Neerijse geweest
is) er een stokje voor stak en de twee torens redde. Nu kon een gotische kerk tussen de twee
torens ook moeilijk ; de zes meter afstand
tussen de twee torens waren onvoldoende om een kruisribgewelf te plaatsen. De
pastoor moest van zijn opzet afzien en er werden dan nieuwe plannen gemaakt
waarin slechts sprake was van een "vergroting"; er werd gekozen voor een
neoromaanse kerk met rondbogen en behoud van de twee torens.
In Corbie vormden de twee torens de
westgevel van de kerk. In Neerijse staan ze in het midden van de kerk. Waarom is dat zo ?
In de middeleeuwen liep de grens
van het prinsbisdom Luik met het hertogdom Brabant dwars door Sint-Agatha-Rode
: de rivier de Laan vormde de grens.
Aan de ene kant werden kerken gebouwd volgens de maasromaanse stijl :
dit is makkelijk te herkennen omdat de toren tegen de westgevel staat. Zo
behoren de St-Agathakerk in Sint-Agatha-Rode, de Sint-Pieterskerk en de
Sint-Veronakapel in Bertem tot deze
stijl. Aan de overkant van de Laan werd
de schelderomaanse stijl toegepast : bij deze kerken staat(n) de toren(s) in
het midden. Zo behoren de kerk van Neerijse en die van Huldenberg tot deze
stijl. De romaanse kerk van Huldenberg werd in 1251 omgebouwd tot een gotische
kerk maar er bestaan nog sporen van de eerste kerk die van voor het jaar 1000
dateerde. De nieuwe gotische toren werd bovenop de vroegere romaanse toren
gebouwd, in het midden van de kerk.
En maar wachten opdat het eens echt winter zouworden! Uiteindelijk hebben op een vriesdag het laatste stuk IJse van de Weysbrug tot de molen van Loonbeek eens afgestapt. Het is een zeer kort stukje.
Het is die strook die parallel met de straat loopt en waar de IJse rechtgetrokken is. Dat zal hoogst waarschijnlijk voor de molen gedaan zijn. Door die recht trekking heeft het water een hogere snelheid en dus ook meer energie om de watermolen te laten draaien.
Het water had aan de brug een temperatuur van 8° C en aan de molen nog 5° C te verklaren door het in openlucht liggen en dus zonder enige afdekking. Daar waar het water meer stroomopwaarts onder de bomen doorloopt zen dus minder onderhevig is aan afkoeling door blootstelling aan de wind.
Langs het pad staat de Gelderse roos waar nog enkele gedroogde rode bessen aan hangen. Ook de kardinaalsmuts is aanwezig en is enkel te herkennen aan de kurklijstenop de takken. De mooiepaarse bessen zijn verdwenen enkelnog enkele lege zaaddozen hangen te bengelen aan de twijgen. Wel schiet de plant al en ziet men het prille groen reeds aan de knoppen.
Dekatjesvan de boswilg laten ook hun witte donzen vacht al zien.
Aan zwarte els en hazelaar bengelen de katjes. Het zijn windbestuivers.
Het vrouwelijk bloempje van de hazelaar is piepklein en paars. Dat van de hazelaar even klein en mooi rood.
Her en der staat nog een reuzenberenklauw met zijnzaadschermen. Wit berijmd zijn het echte juweeltjes.
In een els bakent een koolmees met zijn typisch twink, twink, zijn terrein af.
In de verte hoor je een zwarte specht roffelen.
De zon komt ook een piepen en in de door de takken priemende stralen dansen de muggen hun eerste lentedans.
Ondertussen zijn we aangekomen bij de watermolen. Het rad is weg (1952) want er werd een turbine gebouwd die de zaak draaiend hield.
De molen werd voor 1495 reeds vermeld en was de banmolen. Elke dorpeling moest daar zijn graan laten malen en de Heer had van elke gemalen zak graan recht op een aantal schepels als belasting.
Aan de overkant staat het kasteel van Loonbeek thans privé-eigendom.
Loonbeek-Kermis is een oude gewoonte en nauw verbonden met de verering van Sint-Antonius-Abt.De Loonbekenaars maakten op die dag veel plezier en verzamelden zich in de plaatselijke cafés.
In de lage Landen is het meest opmerkelijke ritueel rond de viering van Antonius het slachten van een varken en het consacreren en bij opbod verkopen van de varkenskop. Op vele plekken werd de Sint vereerd maar het ritueel verschilde wel van plaats tot plaats.
In Loonbeek bestond er ook een traditie. Ter gelegenheid van Loonbeek-Kermis werd in de families een varken geslacht. De kop (of de helft ervan) werd geschonken aan de kerk.Na de hoogmis die niet alleen door de Loonbekenaars maar ook door talrijke pelgrims uit naburige parochies bijgewoond werd, vond de verkoop van de varkenskoppen aan de kerkpoort plaats. De plaatselijke veldwachter stond in voor de verkoop. Wie het meeste bood, kreeg de varkenskop (soms een halve). Zo werden er telkens een vijftal koppen aangeboden.De opbrengst van de verkoop ging naar de kerk. Met de tweede wereldoorlog werd er met de traditie van verkoop gebroken.Maar de Loonbekenaars bleven Loonbeek-Kermis vieren.
In 1983 was dit nog altijd zo, namelijk in zaal Den Til die die dag als café fungeerde.De organisatie van de Kermis berustte bij de Kaartvrienden.Op een vergadering van de kerkfabriek lanceerde Albert Verbeeck het idee van de verkoop van varkenskoppen. De andere leden, Albert Van Hoegaerden, Jean Renders, Georges Michiels, Willy Verheyden en pastoor Jaak Bertmans stemden ermee in.
Zo werd de eerste verkoop in zaal Den Til georganiseerd.Het systeem was heel simpel:vijf koppen werden aangeboden; de toehoorders konden telkens 20 frank inleggen in de hoop de laatste te zijn om het eindbedrag te bereiken dat pastoor Jaak secuur op zijn lei verborgen hield. Willy Verheyden was de man die de hele verkoop in goede banen moest leiden. Van boven op zijn stoel duidde hij de opstekende vingers aan en probeerde hij iedereen tevreden te stellen.De materiële organisatie berustte bij de Loonbeekse verenigingen.
Het was een waar succes, voor herhaling vatbaar.De formule is gebleven - 20 F is nu wel 1 euro geworden -, de sfeer is dezelfde gebleven en Loonbeek beleeft nog ieder jaar zijn verkoop van varkenskoppen op identieke manier.
De namiddag werd voorbehouden voor een gezellig samenzijn, met taart, appelbeignets smoutebollen en later tiramisu.Meestal kwam er muziek aan te pas: doedelzakspelers,accordeonisten en andere muzikanten op oude instrumenten, tot in de late uurtjes.
Er zijn tevens pogingen ondernomen om variatie in de organisatie te brengen, de ene al succesvoller dan de andere.Zo werd er gedurende enkele jaren een tekenwedstrijd voor de schoolkinderen gehouden.Iedereen had prijs, maar drie schoolkinderen kregen respectievelijk goud, zilver en brons.
Den Til werd gesloten.Maar de traditie werd niet onderbroken.Het evenement verhuisde naar de feestzaal van het Blauwhof.Later, na de bouw van de zaal Van der Vorst, kreeg de verkoop zijn definitieve bestemming.Er werd inmiddels geopteerd voor één varkenskop en aanverwante gerechten: kip kap, klaargemaakte kop, pensen, tong, poten en oren die de opbod moesten doorstaan. Gedurende verschillende jaren werden deze gerechten op een traditionele wijze door Felix Caeckelberghs klaargemaakt. Dan heeft Luk Dewit de taak overgenomen.Een nieuwigheid was dat voor sommige gerechten een recept meegegeven wordt.
Zo wacht nu iedere echte Loonbekenaar op zijn verkoop van varkenskoppen, maar dit jaar is de activiteit geannuleerd door de corona-toestand.
Dank aan Monique Nijs, Willy Verheyden en Josephine De Coster voor de verstrekte informatie.
St. Antoon en St. Sebastiaan (20 jan), komen met het hardste van de winter aan.
t Is koud in alle kerken op Sint-Antonius met zijn verken.
St. Antonius is een ijsmaker, of een ijsbreker.
St. Antonius komt over met hoog water Of met een hard hoofd
Als het vriest op St. Antonius, dan dooit het op St. Sebastiaan.
Met St. Antonius lengen de dagen, zoveel als het eetmaal van een monnik.
St. Anteunis met zijn vèrken, Vader abt van Kouderkerken, is er een die steeds verkiest, dat het op zijn feestdag vriest.
Antonius gezegden en volkse wijsheden
Brood dat op Sint-Antoniusdag wordt gezegend, beschimmelt niet en weert onheil af van mensen en dieren.
Omdat het stelen en verorberen van een Antoniusvarken gelijk stond aan heiligschennis, werd in Italië van personen die onder onverklaarbare omstandigheden overleden, wel gezegd: 'Ha forse rubato un porco di San Antonio' ('hij zal wel een varken van Sint Antonius gestolen hebben').
Lied uit Leuven van de studentenclub van de Katholieke Hogeschool Leuven Departement Rega.
Sa, laat ons vrolijk wezen, op Sint-Antonius feest, feest, feest, Op Sint-Antonius feest. Sint-Antonius en de duivel waren gemeen, En ze dansten om het zeest, zeest, zeest, en ze dansten om het zeest.
Eén van Lucifers posturen, die wilde vrolijk zijn, zijn, zijn, Die wilde vrolijk zijn. Hij droeg een ijzer braadpan op zijn hoofd, En een vaatje brandewijn, wijn, wijn, en een vaatje brandewijn.
A vous !, zeid' hij, Sint-Antoneke, 't is een glazeke tegen de vaak, vaak, vaak, 't Is een glazeke tegen de vaak. Sint-Antonius riep: "'k een mag geen brandewijn", En hij goot het tegen zijn kaak, kaak, kaak, en hij goot het tegen zijn kaak.
Dat was om hem te kwellen, door 't nemen van de drank, drank, drank, Door 't nemen van de drank. Sint-Antonius greep de duivel bij de steert, En hij schreeuwde wel zes uren lang, lang, lang, en hij schreeuwde wel zes uren lang.
Antonius werd rond 250 na Christus in Egypte geboren. Hij was de eerste en populairste van de woestijnvaders die het wereldse leven verlieten om in de woestijn de verbinding met God te vinden. Hij woonde als kluizenaar op de berg Kolzim bij de Rode Zee.Hij wordt dan ook Antonius de Kluizenaar geheten.
Daarom wordt hij voorgesteld als kluizenaar met baard gekleed in een donkerbruin habijt.
Hij werd verleid door de duivel - daarom wordt hij soms afgebeeld met een duiveltje en hij voerde een zware strijd tegen verzoekingen.
Hij kreeg dan ook veel navolging maar vormde geen kloostergemeenschap.Zijn levensverhaal werd door één van zijn leerlingen St Athanasius de Grote opgetekend.
In 561 werd zijn graf ontdekt en vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaardin de St-Julien-kerk te Arles.
Als attribuut draagt heeft hij een taustaf, een rozenkrans, een boek en een klokje aan de staf.Dit staat symbool voor de bel die de antonieten, een orde van ziekenbroeders die naar hem genoemd werd, luidden wanneer ze aalmoezen verzamelden.
Soms hangt het klokje aan de hals van een varken naast hem.Dit varken verwijst naar de zonde en de verleiding.De antonieten hadden ook het recht een aantal varkens vrij te laten rondlopen in de steden.
De T-vormige staf gaat terug tot de gebruikelijke abtsstaf.Sint-Antonius wordt trouwens ook Sint-Antonius Abt geheten.De vlammen aan zijn voeten staan symbool voor de bestrijding van het antoniusvuur.
Op zijn feestdag (17 januari) werd vlees uitgedeeld aan de armen.
Antonius is de patroon van armen, zieken, slagers, herders, hoveniers, doodgravers en varkenshoeders.
Antonius werd aangeroepen tegen pest, zweren, wratten en puisten.
Hij is één van de heiligen die het meest afgebeeld worden op kunstwerken.Zo vinden we hem op het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck.Zijn verleidingen werden uitgebeeld door Hiëronymus Bosch.De thematiek werd door tal van andere schilders overgenomen zoals Salvator Dali, Hans Memling Pieter Bruegel, Albrecht Dürer en Paul Delvaux.
Bron : Sanctus Meer dan 500 heiligen herkennen.2002. Davidsfonds. Leuven
De cougnou is een typisch kerstgebak dat tijdens de kerstperiode geconsumeerd
wordt. In Huldenberg kan hij bij de bakker gekocht worden.Het is tevens een traditie dat hij na de
middernachtmis als geschenk aan de zangers van het Koninklijke Vocaal Ensemble
Sint-Cecilia aangeboden wordt.
De cougnou is een briochebrood waarvan de vorm Le pain de Jésus est un pain
brioché dont la forme rappelle celle de
l'enfant Jésus emmailloté.herinnert aan die
van het in luiers gewikkelde Kindje Jezus. Il peut aussi avoir la forme spéciale d'un pain à deux têtes.
Het kan ook de vorm van een brood met twee hoofden hebben. On ajoute à la pâte des raisins secs ou des pépites de chocolat accompagnés parfois par
des grains de sucre. Rozijnen worden aan het deeg toegevoegd, vergezeld van korrels suiker. Il est à différencier du craquelin qui est accompagné uniquement de
pépites de sucre. Het werd meestal gegeven aan kinderen op kerstochtend en vaak
geserveerd met een kop warme chocolademelk. Ce pain semble être originaire de l'ancien
Hainaut mais son usage s'est répandu dans
toutes les provinces du sud des Pays-Bas belgiques et en Principauté de Liège . Dit brood zou
afkomstig zijn uit Henegouwen.Het gebruik
ervan heeft zich verspreid in alle Waalse provincies en wordt nu beter bekend
in Vlaanderen.
Het woord gaat terug tot het Picardische (Noord-Franse) 17e
eeuwse quenieux, dat zijn met eieren en melk geknede broodjes. Het woord quenieux stamt van coniado of cuneolus, kleine (drie)hoek, dat een spel was. In 1560 zien we er een afbeelding van als Breughel het spel schildert op zijn schilderij Kinderspelen.
Foto genomen in het Kunsthistorisches Museum van Wenen.
De cougnous werden normaal versierd met ronde vormen in terracotta of
plaaster. Men vond ze in het centrum van het gebak, daarom werden ze de navel
van het kindje genoemd.Na 1960 zijn ze
niet meer vervaardigd.In Huldenberg
worden ze met een kindje in suiker voorgesteld.
Kribben in Huldenberg De kerststal in de Sint-Antoniuskerk van Loonbeek
Zoals ieder jaar staat in de Sint-Antoniuskerk van Loonbeek de kerststal die geplaatst werd door de leden van de kerkfabriek. De beelden werden in de jaren 80 door zuster Amandine uit Ganspoel gerestaureerd.
Het Kindje Jezus moet nog geboren worden en de herders en de Drie Wijzen zulllen nog langskomen.
Kribben in Huldenberg De kerststal op het Gemeenteplein
maar waar blijft de sneeuw ?
Traditiegetrouw ontdekken we, zoals ieder jaar op het plein, de kribbe die naast de Pomp en voor de Kerstboom opgetrokken is.In een kleine overdekte ruimte naast de kribbe is er plaats voor een koppel schapen.
De beelden werden in de jaren 80 door zuster Amandine uit Ganspoel gerestaureerd.
Toen hadden we nog een besneeuwd tapijt met Kerstmis.
Kribben in Huldenberg Het kerstgebeuren in de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg
Zoals ieder jaar staat in de O.L.Vrouwekerk van Huldenberg de kerststal die geplaatst werd door de leden van de kerkfabriek.
Opmerkelijk zijn de beelden van de kribbe, uit de hand van May Claerhout.
May Claerhout (Pittem, 21.2.1939 - Oostmalle, 7.11.2016) is een Belgische artieste die beeldhouwwerken in brons en terracotta creëert.Ze staat vooral bekend voor talrijke standbeelden die zij maakte voor openbare gebouwen (o.a. voor het Rijksarchief en de gebouwen van de Europese Unie).Haar atelier staat in Malle en ze werkt samen met haar echtgenoot Armand Storms die instaat voor het gieten van de bronzen beelden en het bakken van de kunstwerken in terracotta.
---=oOo=---
In het glasraam van de zuidelijke dwarsbeuk is het kerstgebeuren afgebeeld. Dit is het grootste glasraam van de kerk.
De bestelling en de realisatie van het werk geschiedde in de zomer van 1938. Het werd ontworpen door glazenier Lou Asperslag.
Het glasraam stelt een klassiek kersttafereel voor.Opvallend zijn wel de expressieve gelaatsuitdrukkingen van de personages.
Centraal wordt de Heilige Maagd afgebeeld met Jezus in de armen.Met veel moederliefde zorgt ze voor haar pas geboren baby. Rechts zit Jozef biddend, links zien we de os en de ezel.Boven Maria straalt de ster van Bethlehem tussen twee engelen.Eén van hen draagt de tekst Gloria in excelsis deo, Ere zij God in de hoogste hemelen.Onderaan links staan drie herders met een schaap, rechts de drie wijzen.
De inbreng van de grafelijke familie vinden we terug in de vier alliantiewapens onderaan het raam.
Het zijn van links naar rechts de wapenschilden van:
Baron Theodoor de Baudequin de Peuthy (1800-1863) en zijn echtgenote Philippine de Haultepenne met baronnen kroon met dertien parels.
Baron Gaspard-Bernard de Draeck de Ronsele en zijn echtgenote MariePulcherie de Baudequin de Peuthy (1781-1864) met baronnen kroon met dertien parels.
Graaf Frans-Jozef de Thiennes de Rumbeke en zijn echtgenote barones Astérie de Draeck de Ronsele met kroon van goud met drie fleurons van hetzelfde, wat de kroon van graaf is.
Graaf Thierry de Limburg Stirum en zijn echtgenote Marie-Thérèse de Thiennes de Rumbeke met kroon van goud met drie fleurons gescheiden door twee kleinere fleurons waaruit een muts van keel steekt uitlopend in een steeltje van hermelijn; dit is de kroon van de vroeger regerende graven van het Heilig Roomse Rijk.
De bedoeling ervan was de verbondenheid van de adellijke familie de Baudequin de Peuthy met die van de Limburg Stirum weer te geven. De overgang geschiedde tussen 1863 en 1865.
Toen men in 1938 besloot de kerk zoveel mogelijk in haar oorspronkelijke staat terug te brengen, deed men een beroep op glasraamspecialist Louis Franciscus (Lou) Asperslag. Lou Asperslag werd op 12 juni 1893 in Den Haag geboren. Hij behoorde tot de vooroorlogse school van katholieke glazeniers, waarvan Joep Nicolas en Charles Eyck de kern vormden.Hij voerde stijlvernieuwing in, die later jongeren inspireerde.Zijn studie van de ramen in de Franse kathedralen maakten van hem een meester in het toepassen van kleur- en lichtvariaties. Naast verwezenlijkingen in Nederland was hij ook productief in Vlaanderen.
Bronnen De glasramen in de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg. Jean-Pierre Van Binnebeek. Huldenbergs Heemblad. 2005-3. Blz. 220-234.
U zal ze wellicht opgemerkt hebben, de maskers in het koor van de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg. Ze zijn merkwaardig. Wanneer werden ze aangebracht ? Door wie ? Waarom ? Op deze vragen geven we u een antwoord.
Rond het jaar 1000 stond er op de Heullenberg reeds een romaanse kerk. Heulle (helling) was ook de naam van het plein dat ontstaan was op de kruising van twee wegen, waaruit tevens de naam van de gemeente is ontstaan. De initiatiefnemers hadden deze plek uitgekozen omdat ze uit alle richtingen zichtbaar was. Dit bedehuis had reeds de grootte van het koor en de hoofdbeuk van de bestaande gotische kerk. Een trap die beneden naast de huidige Casino vertrok leidde tot het zuidportaal.
In 1251 werd onder impuls van de heren van Huldenberg beslist een nieuwe, modernere, kerk op de grondvesten van de bestaande romaanse kerk te bouwen. Bepaalde bestanddelen van de romaanse architectuur werden behouden, bijvoorbeeld de paradijspoort aan de noordzijde van het koor die nog altijd zichtbaar is. Deze stenen zijn 1000 jaar oud en de oudste van de gemeente.
Het moest een revolutionair bouwwerk worden die de recente bouwstroming moest volgen, nl. de gotiek. In Brussel was men reeds begonnen (1226) met de bouw van de collegiale St.-Michiel en St.-Goedele onder impuls van de hertogen van Brabant. Dit reusachtig prestigewerk werd in 7 fasen over een periode van 300 jaar rechtgezet. Rond 1250 werden de werken tijdelijk gestopt, wellicht om financiële redenen. De arbeiders, vooral steenkappers, vielen zonder werk. Zij kregen de kans om hier in Huldenberg aan het werk te kunnen. Gedurende enkele jaren bouwden ze het gotisch koorgedeelte van onze kerk dat zodoende het tweede oudste in gebruik zijnde gotische gebouw is van midden België.
Deze steenhouwers hadden bepaalde vrijheden en mochten iets persoonlijks achterlaten. Zij plaatsten maskers en andere beelden die de kruisribben van het gewelf ondersteunden. Gelijkaardige maskers zijn ook te vinden in de huidige Kathedraal St.-Michiel en St.-Goedele in Brussel.
Maskers in het koor
Masker in de kathedraal St-Michiel en St-Goedele, Brussel.
Masker in de OLV-kerk, Huldenberg
Masker in de OLV-kerk te Huldenberg
Deze merkwaardige
maskers bevinden zich in het koor. Waarom
werden ze daar aangebracht ? De
verschrikkelijke gelaatsuitdrukkingen van sommigen doen denken aan iets
vreselijks. In die periode wilden de
kerkinstanties de gelovigen behoeden voor de afschrikwekkende heltoestanden . Gelovigen deden er goed aan, een voorbeeldig
leven te leiden en zorgvuldig hier tijdens hun aardse verblijf het hiernamaals
voor te bereiden. De steenhouwers die
soms ook kunstenaars waren genoten ruime vrijheden en konden hun signatuur
achterlaten. Zij lieten wel hun waar gelaat niet zien.
Er zijn ook
andere beeldhouwwerken te zien die geen maskers zijn, zij zijn neutraler. Het koor van de kerk biedt op een kleine
oppervlakte een uniek ensemble fraaie beelden.
Maskers in de
kruising van de kerk.
Er zijn ook
kleinere, minder schrikwekkende maskers in de kerk te vinden. Je moet wel eventjes zoeken. Ze bevinden zich in de kruising van de kerk
(dat is de plaats waar koor, hoofdbeuk en dwarsbeuk zich kruisen), ergens
tussen een pijler en de kerkmuur of tegen een kolom of in een hoekje verborgen.
Ook in Brussel,
in de kathedraal vind je gelijkaardige hoofdbeelden. Daar versieren zij de muren van het koor en
ondersteunen ook kleinere kolommen. Je moet het weten want ze vallen in dit
groot bouwwerk niet zo op.
Hoofdbeelden in het koor van de kathedraal, Brussel
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Tot slot
De aanwezigheid
van gelijkvormige maskers en andere afbeeldingen zowel in Brussel als in
Huldenberg getuigt van een gelijktijdige bouwstroom door dezelfde steenhouwers
en/of hun kinderen. De heren van
Huldenberg waren weliswaar de vazallen van de hertogen van Brabant. Zij leefden in een gebonden afhankelijkheid ;
maar aan hen bewezen de hertogen ook als tegenprestatie bepaalde diensten zoals
de bouw van een gotisch bedehuis in Huldenberg ; daaraan hebben we nog altijd
onze mooie kerk te danken.
Het winteruur heeft zijn intrede gedaan. Onze uurwerken moeten één uur achteruitgezet worden... maar de zonnewijzer blijft zijn uur behouden. Alles over de zonnewijzer van Huldenberg.
(Als u de foto wil vergroten, klik erop)
Op de gevel van de dwarsbeuk van de O.-L.-Vrouwekerk werd een zonnewijzer aangebracht die de aandacht trekt van menige voorbijganger.
We merken dat deze zonnewijzer niet het officiële uur aangeeft.
Waarom is dat zo ?
Wat schuilt er achter de spreuk ?
Het gaat hier om een verticale zonnewijzer waarvan de stijl (dat is de staaf die de schaduw op de zonnewijzer werpt) schuin over het verticale vlak hangt.Het uurlijnenpatroon is links en rechts van de 12-uurlijn symmetrisch.Het gaat van 8 uur tot 4 uur s namiddags.Dit betekent dat de zonnewijzer perfect naar het zuiden gericht is.
Waarom geeft de zonnewijzer niet het officiële uur aan ?
Zonnewijzers geven meestal de ware plaatselijke tijd of de zonnetijd aan, dus niet de officiële tijd. In Vlaanderen loopt de officiële tijd voor op de zonnetijd.Wat zijn hiervan de oorzaken ?
1.Onze officiële tijd is afgestemd op de zonnetijd van de 15e oostelijke lengtegraad. Per lengtegraad meer naar het westen loopt de officiële tijd 4 minuten meer voor op de zonnetijd ter plaatse.
2.Doordat de aardas schuin staat en doordat de aarde in een elliptische baan rond de zon draait, is er een correctie nodig; dit heet de tijdsvereffening. Zij varieert van dag tot dag, in de lente en de zomer tussen +6 en -6 minuten, in de herfst en de winter tussen +14 en -16 minuten.
3.Met de zomertijd komen daar nog 60 minuten bij.
Bekijken we de foto:
Het is 7 juli en 14.03 uur.Huldenberg ligt op 4,5° oosterlengte.
Totaal =de officiële tijd loopt 108 minuten (1u48) voor op de ware plaatselijke tijd zoals die op een zonnewijzer is af te lezen.
Op de foto leest men op het uurwerk van de kerk 14 u 03.Op de zonnewijzer is het 12 u 15.
Wat is de zonnewijzerspreuk ?
We lezen onderaan de zonnewijzer de zonnewijzerspreuk.
DE TIJD HELAAS ZIET VERGAET ALS DIT TEECKEN VROEGH EN LAET
D
De tekst herinnert de voorbijganger aan de vergankelijkheid van het aardse leven.Zulke boodschappen waren vaak in trek in de 18e eeuw;zodoende krijgt de voorbijganger de boodschap mee die hem of haar doet nadenken over het gebruik van de tijd, het leven en de dood.De spreuk op de zonnewijzer van Huldenberg kan dus als een klassiek voorbeeld beschouwd worden.
In de chronogram (dat is de tekst waarin letters anders gedrukt zijn, als Romeins cijfer beschouwd worden) zit het jaartal van de bouw van de zonnewijzer verscholen.
Hoe leest men het jaartal van de bouw van de zonnewijzer ?
We halen de rode letters uit de tekst.Het zijn Romeinse cijfers.
D I J D L I V L D I C V L
D = 500
C = 100
L =50
V = 5
I=1
J = 1
We plaatsen ze in de onderstaande volgorde:
D D D C LL L V V J I I I
DDD = 1500
C= 100
LLL= 150
V V=10
J I I I = 4
Totaal = 1764
De zonnewijzer van de O.-L.-Vrouwekerk is in 1764 aangebracht.Hij is een prachtwerk en kan duidelijk als referentie dienen voor de tientallen zonnewijzers die in ons land op kerken voorkomen.
Wat is de origine van deze idyllische plaats ? De wandelaar komt er voorbij zonder zich rekenschap te geven dat er een fabelachtig verhaal aan verbonden is.
Het veld was eigendom van de familie Mennekens, meer bepaald Aleijdt Mennekens die getrouwd was Jan de Bleser uit Loonbeek.
Het woord ‘brug’ heeft niets te maken met een bouwconstructie.
Wij wonen in een grensstreek waar verschillende talen door mekaar gebruikt werden.
Eén van die woorden was in de Gallische taal – die door Asterix gesproken werd -‘bruco’ afkomstig van het Latijn ‘brucus’. In het Frans hebben ze het woord, weliswaar in een afgeleide vorm, bewaard: bruyère. En dat is ‘heide’. Mennekensbrug betekent dus ‘het heideveld van de familie Mennekens’.
Sinds de Middeleeuwen is dit landschap wellicht weinig veranderd.
En deze plaats is tevens nauw verbonden met de legende van de kabouters. Deze buitenaardse wezens waren zeer behulpzaam en gingen ’s nachts in hoeve Ten Bosch (de huidige boerderij Peeters naast Ganspoel) de huishoudelijke taken verrichten. Als het personeel ’s morgens opstond was al het werk gedaan. Menig Huldenbergenaar hoor ik soms bij het opstaan zeggen als zijn of haar keuken onderste boven ligt na een avondfeest “zouden de kabouters er niet geweest zijn”? Er moet dus toch wel iets blijven hangen zijn in Huldenberg !
Voor wie Mennekensbrug niet situeert : u neemt de weg van Ganspoel, na 800 m in de vallei ligt Mènnekensbrug.
De hoeves van Wolfshaegen. Waarvan komt de benaming Celongaet?
Bij het verlaten van Sint-Agatha-Rode smelten de valleien van de Dijle en die van Laan samen. Het weidelandschap wisselt af met bossen. Als we eventjes terugblikken, zien we het dorp nog een laatste keer prijken op de kam van het heuveltje. De landelijke hoekstraat leidt ons tot een uitgestrekte vlakte waar de landbouw eeuwenlang hoogtij gevierd heeft. Getuige hiervan zijn de drie vierkantige hoeves die mooi op een lijn deel uitmaken van het heuvelachtig landschap.
Hinnemeure, Withof, Monmax, het zijn namen uit een sprookje gegrepen en het sprookje is zeer oud. Toen men in de Middeleeuwen de plek uitkoos wist men dat de hoeves uitstekend zouden liggen. Een areaal dat alle onderdelen van de landbouwexploitatie combineert : in de laagvlakte, dichtbij de rivier, uitgestrekt weiland waar het vee aan zijn trekken kon komen; naar de heuvels toe, de teelten van graangewassen die een rijkere ondergrond vergen.
Het 'insolite' aspect van deze plek ligt hem in de benamingen. Monmax was de kleinste hoeve. De naam komt van de twee pachters : Maximiliaan, de grootvader, en Edmond Van Pee, de vader.
Hinnemeure is de eerste hoeve als men van Sint-Joris-Weert komt. De hoeve is goed gearchiveerd.
Het is nog een actieve boerderij en appelfabriek.
En we eindigen met de grootste hoeve, het withof dat sinds de recente mooie restauratie Celongaet geheten wordt. De historiek van het gebouw is quasi onbekend door gebrek aan archiefmateriaal. Het elitair karakter van de toenmalige eigenaar komt tot uiting in het torentje boven de ingang dat een duiventil herbergde. Dit bezit druiste weliswaar in tegen de economische exploitatie van het complex want duiven waren niet zo geliefd bij de boeren. De authentieke nu gerestaureerde binnenkoer laat ons een 18e-eeuws woonhuis met Spaanse baksteen bewonderen. Maar wat het meest tot verbazing wekt is het gotisch gebinte van de grote hooischuur: een technisch hoogstandje dat voortvloeit uit lang vervlogen tijden waar kathedralen de horizon van onze landschappen versierden.
Op de de Ferraris kaart lezen we Ce Celongaet. 'Ce' staat voor 'cense', een Waals woord voor pachthof.Vandaag nog wordt het woord 'cinsie'(< censier = pachter) in de
dagelijkse taal in Wallonië gebruikt.
Als dit op de kaart staat, dan betekent dat de Oostenrijkers
van de Ferraris zich hebben laten bijstaan door Franstaligen om deze kaart op
te maken.Wellicht begrepen deze het
woord Celongaet niet.
Gaet' is een Germaans woord dat in het modern Nederlands
verdwenen is maar toch nog voorkomt in toponiemen of straatnamen.Vleurgat, in Ukkel bv. waarbij gat verwijst naar doorgang of steeg
en vleug naar een vogelkooi of duiventil. In Jezus Eik hebben we de
Vuurgatstraat, een middeleeuwse weg van Hoeilaart naar Fura, de Latijnse naam
voor Tervuren .Iedereen heeft ook wel
eens het vliegtuig genomen en op de luchthaven het Engelse woord 'gate' gehoord, dat betekent 'toegang' (tot de vliegtuigen). Dat is de betekenis van 'gaet' in Celongaet.
Celon (celen)
verwijst wellicht naar de Cellenbroeders die eerst in de Brusselsestraat in
Leuven verbleven en daarna verhuisden naar een locatie buiten de stadsmurengelegen bij Gasthuisberg. Hun pachthof zou
gelegen zijn in Wolfshaegen.
Wellicht stond
hier in 1775 een plaatje (zoals er nu ook één staat) dat een richtingaanwijzer
was : Celongaet betekende dus 'toegang of ingang naar de hoeve van de cellenbroeders'.En de Franstalige kaartenmakers van de
Ferraris zullen gedacht hebben dat dit de naam van de hoeve was. Bij de laatste
restauratie heeft men de naam zonder nadenken overgenomen terwijl die nooit de
naam van het pachthof zou geweest zijn.
Withof zou dus
hier beter op zijn plaats zijn, een beetje in de verlenging van Blauwhof in
Loonbeek, en Roodhof in Neerijse, hoewel het rood van het toponiem niet
verwijst naar de kleur maar afgeleid is van rooien en dateert uit de tijd dat
onze streken bedekt waren door de 'Carbonaria Sylva', het kolenwoud.
Voor onze herfstwandeling wandelen we van Klein Waver tot aan de Wijsbrug. Het mooiste stuk IJse in Huldenberg. Het is het deel dat niet rechtgetrokken is en waar de rivier rustig kan meanderen.
Foto: Vlier (bron Internet)
U kan zelfs de waterloop helemaal volgen, wantdaar waar deIJse wegdraait van de weg, is gemaaid en kan men duslangs het water lopen. Dit geeft een rustig gevoel en een heel ander beeld van onze IJse. Bij ons vertrek aan de brug van Klein-Waver valt het paars van de reuzenbalsemien op. Hier en daar pronken nog de gele knopjes van het boerenwormkruid. De berenklauw staat in zaad. Bekijk je zo een zaadje eens van dichterbij dan zie je dat het gemerkt is met bruine strepen. Net een berenklauw. Vandaar de naam.
De witte bloem van de haagwindeschittert in de zon. De stengel van deze bloem heeft zich rond de bramen gerankt. Tussen de vele brandnetels zie je hier en daar de kleine witte bloempjes van de hennepnetel.
Langsheen de wandelweg vind je de reuzenpaardenstaart. Dit is een van de weinige plaatsen waar deze voorhistorische plant nog aanwezig is.
Plots wordt onze neus geprikkeld door een tabaksachtige geur. Het zijn de bladeren van het grote hoefblad. Weliswaar vol gaten. De slakken hebben hun buikje rondgegeten.
Hier en daar staat de moesdistel te pronken met zijn zaadpluizen. Langs de wandelweg vind je de esdoorn. Elk blad lijkt bespat met zwarte inktvlekken. Inderdaad! De boom is aangetast door de inktvlekkenzwam. De paardekastanje is reeds helemaal roestbruin. Dit is een gevolg van de aantasting door de minneervlieg. Waar we vorig seizoen de heerlijke geur van de moerasspirea opsnoven, vinden we nu bij de plant de gedraaide zaadjes. Tussen het gras bloeit hier en daar nog een vergeet-mij-nietje. In een draai staan een paar dode bomen. Die zullen er nog lang staan. Een liggende boom verrot vlugger dan een staande. Hij heeft meer contact met het vocht en de duizend kevers, mossen en paddestoelen of zwammen. Op een rechtstaande vind je meestal de tondelzwam en langzaam maar zeker zal die zijn werk van afbraak doen. Tussen de bramen schitteren de helrode bessen (giftig) van de gevlekte aronskelk.
Wanneer we bijna aan de Wijsbrug zijn staan er links op korte afstand van elkaar twee kardinaalsmutsjes. Binnenkort zijn de bessen scharlakenrood en pronken ze als een kardinaalsmuts aan de struik. Onderweg zagen we nog andere rode bessen: de giftige bessen van de Gelderse roos. Zelfs de vogels eten ze niet.
Terugkeren doen we langs de IJseweg. Aan onze linkerzijde ontdekken we een glashelder beekje. Het wordt gevoed door tal van kleine beekjes die hun bron hebben onder aan de heuvel. Het water kan daar niet meer verder doordringen want het stoot op de harde laag van het Brabants plateau. Als kwelbronnen en beken komt het naar de oppervlakte. Glashelder en steeds met dezelfde temperatuur. Een goede raad: loop er niet in. Je voetstappen blijven er lang gemerkt. Het is er zeer moerassig. Ook dit gebied is een unicum. Bronbeken en bronbossen zijn er zeer weinig. Wij hebben er hier en in het kasteelpark. Laat ons ze bewaren!
Hier vinden we de mannetjes- en wijfjesvaren? In het beekje groeit bitter waterkers. Ook de vlier met zijn zwarte bessen is in zijn nopjes. In de bronbossen groeien de elzen. Met hunbruine propjes van vorig jaar, de groene van dit jaar en de reeds aanwezig zijndekatjesvan volgend jaar lijken ze wel een kalender. Ook bij de hazelaar zijn de nootjes van dit jaar en de katjes van volgend jaar te vinden.
Op eenstuk dor hout kruipen langzaam twee wijngaardslakken. Deze beschermde dieren nemen hun tijd om er te geraken.
Voor het winterseizoen wandelen we van de Wijsbrug naar de molen van Loonbeek.