Ballade van den soldaat.
Storme luiden de klokken
Over Vlaanderenland.
Oorlog! Oorlog en schand
Tieren, roepen en lokken.
Kloeke mannen vertrekken
naar het vuur van den strijd,
Morrend, vloekend van spijt
Om den haat te verwekken.
Brave jongens vergaadren
Met den gruwel in t hart.
Een moeder zegent haren zoon.
In dafscheidskus vol liefdegloed
Weerklinkt haar treurlied pijnlijk schoon.
Een moederhart betreurt haar bloed.
Zijn vader leidt hem naar den trein.
Het smartelijk vaarwel den vree
Verbant uit t nog zo jeugdig brein,
In t aaklig uur van oorlogswee.
Menschenkinderen gaan,
Zingend t lied van de jeugd,
t Lied van Vlaanderens vreugd,
t Lied dag bidt voor t vergaan.
Storm van kogels in t veld
is t refrein van hun lied.
In t gehuil van t verdriet
worden makkers geveld.
Storm en hagel van dood
Maaien Vlaanderens oogst,
Krijgers roemt men nu t hoogst,
Krijgers! Helden uit nood!
En t enig kind om moeder treurt,
Het weent zoo vaak bij nacht of dag.
t Verkropt verdriet zijn ziel verscheurt..
Tot t eens gewond op stroozak lag.
Verpleegsters lach en goede zorg
Herstelden krachten maandenlang.
Het leefde voort en treurnis borg.
Maar zong heel stil zijn heimweezang.
Het leefde voort aan t rotsenstrand,
En kreeg geen nieuws dat wonden heelt,
Het leefde voort met t troostend pand:
t Sinds lang bewaarde moederbeeld.
Kanongebulder dreunt
En vliegers werpen bommen.
Soldaten volk droef kreunt
En klaagt en vlucht in drommen.
Het moordend staal spreekt luid.
Is koning op de wallen,
Het voert een stormloop uit
Veel Vlaamsche jongens vallen.
Maar Vlaanderen heeft een zee.
Door d IJzer vaart de zege.
Zij overstroomt het wee
Verovrend alle wegen.
Op Elf November sloeg Elf uur.
De wapenstilstand bracht den vrede,
t Klaroen besloot den oorlosduur,
Soldatenharten trilden mede.
Doch Moeder Vlaandren wreed bekloeg
t Verlies van hare heldenzonen,
In naakten schoot veel kindren droeg.
Ze zullen in haar liefde wonen.
Toch trokken jongens op naar huis
Om blijder leven te beginnen.
Zij stichten er een nieuwen haard
En trachten douden vree t herwinnen.
Het eenige kind kwam thuis zoo blij
Het groette er zijn vader vroom en luid.
En beiden vereenigd snikten zij
Gelukkig en zalig t weerzien uit.
De jongen liep rond en zocht in nood,
Naar moeder haar lach, in t huislijk oord,
Naar moeder haar hart: die liefd was groot.
Geen antwoord kwam op zijn klagend woord.
Mijn Vader lief, zeg is moeder weg?
De stilte in uw huis is vreeslijk groot.
Is moeder op reis? Waar is ze zet?
Of werd zij. O! Wee! Door t leed gedood?
Uw moeder, mijn zoon, rust in het graf.
Haar brekende blik zocht u zoo wijd.
Haar kloppende hart zij vast u gaf.
Haar laatste gedacht was u gewijd.
De jongen vlucht weg in stormgeweld.
Geprangd door de pijn van t harteleed.
Naar t kerkhof, naar t graf op t doodenveld.
Hij slaakt onderweg zijn smartekreet.
Daar stopt hij in eens voor moeders woon.
O Moeder! O! Wee! Wat kan ik doen
Voor u, O! Mijn Moeder! Ik uw zoon?
Ik druk op den steen een liefdezoen,
Ik pleng voor uw rust mijn tranenvloed,
Ik strooi op uw graf mijn zielebee,
Ik richt naar het kruis mijn hartegloed,
Veurne, I XI - 1937
30-11-2005, 21:41
Geschreven door Willly Trypsteen 
|