6 h s
ochtends: de wekker gaat genadeloos af,xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Voor
de ene iets wat hij gisteren al had gezien,
Voor
de andere de tweede helft van de dag voordien,
Voor
allebei het uitzitten van Gods straf.
Boterhammen
met choco worden gulzig naar binnen gewerkt,
De
ene staart uitzichtloos in een kommetje muesli,
De
ene is ietwat enthousiast, de andere ronduit depri,
Maar
allebei zijn ze door het zaligmakende idee van de gouden kooi gesterkt.
6 h
30:
schoenen genoeg, maar toch wordt er door de ene naar hetzelfde paar gegrepen,
Uiterlijk
vertoon en kleurrijker dan kaki zijn bij de andere van ondergeschikt belang.
De
routine boezemt de ene gelatenheid in, de andere maakt ze bang.
Een
gegevenheid die alleen door Fod en Kleinpierke wordt begrepen.
7 h:
voor de meeste mensen tijd om stralend van energie te bruisen,
Voor
de ene echter tijd om alweer tussen het gepeupel in de trein te zitten
verslijten,
Voor
de andere de gelegenheid om van die vergeten chocoladekoek te bijten.
Voor
allebei het moment om al te denken aan het beeld van de schop en het kuisen.
7 h
30:
De ene neemt gezwind voorsprong op de andere om het station te verlaten,
De
andere kijkt vol ergernis hoe die ene zo snel mogelijk in het hol naar binnen
wil.
Zelf
staat de andere als aan de grond genageld, stokstijf en stil.
Tot
ze uiteindelijk ook zelf zwicht voor alweer een dag vol zwarte gaten.
8 h:
groene thee met jasmijn of vanille is iets wat de ene zal verblijden,
Voor
de andere is een spurt naar de koffiemachine een noodzakelijk kwaad,
Daarop
volgt de dagelijkse sprint naar de plek waar het louter om uitscheiden gaat.
En
voor allebei de plek waar we ons de komende 7 h 36 lekker gaan kastijden
|