|
Kaarslicht gaf een warme goudkleurige gloed. Lichtpuntjes verspreidt in de kille donkere ruimte. Hij zat helemaal alleen in deze immense kerk. Hij had het koud en zat ineengedoken op die harde stoel, ingeduffeld met een sjaal rond zich. Kerstmis was voorbij, de Kerstviering in deze kerk ook. De kaarslichtjes waren sfeervol, ietsje mysterieus, de vlammetjes bewogen heen en weer en brachten de schaduwen tot leven.
Hij kwam nog zelden binnen in kerkgebouwen maar toch werd hij er soms tot aangetrokken. Om er even alleen te zijn. De kerstperiode was geen geweldige tijd voor hem. Hij hield gewoon niet van al die nevenactiviteiten, die massahysterie van massaal koopgedrag. En het vreetfestijn van al die denken dat dit Kerst is. Gelovigen en vooral ongelovigen. Kerstmis zou rust moeten brengen, tijd om te bezinnen. Om na te denken over het leven, zijn leven. Dat deed hij altijd tussen Kerst en Nieuwjaar.
Hoog boven hem keek de heilige Hermes op zijn wit paard, levensgroot, op hem neer. Aan hem vastgeketend hing de duivel. Sint Hermes patroonheilige van de krankzinnigen en geesteszieken.
Zijn hoofd zat eveneens vol kankergezwellen, angstdromen, en kwelgeesten. Zijn eigen denkbeeldige kettingen hielden hem gevangen. Sint Hermes zou hem misschien kunnen helpen. De schaduwen bewogen opnieuw heen en weer. Een macabere dans van lichtvlekken in deze donkere hoek van de kerk. De ketens rammelden en de duivel bewoog tussen licht en schaduw. Of waren het waangedachten?
In dit donkerste gedeelte voorbij het altaar lag het voorportaal van het hellevuur voor de angstige geestgestoorde arme zielen. Dit was niet echt een toevluchtsoord voor deze mensen maar Hermes zou hen genezen.
Ritselende ruisende zwarte kleren. Prevelende lippen van biddende geestelijken. Krijsende angstschreeuwen. Geketende geesteszieken, krankzinnigen of alleen maar arme onrustige zieken zaten vastgemaakt met ketens aan hun voeten aan de robuuste kerkmuur met hoog boven hen de machtige Hermes met de geketende duivel. Verlicht door brandende toortsen.
De bezetenheid moest worden verdreven. De stemmen werden steeds luider en luider.
Als kind hadden ze hem hier ook heen gebracht om zijn hoofd te zuiveren van demonen die er zich zouden in schuilen. Heilige Hermes bidt voor ons. Verdrijf alle kwade gedachten die in ons schuilen.
De stilte maakte hem bang. Geen gebeden en kerstgezang meer. Alleen de stemmen binnen in hem met hun voortdurende vragen. Tussen licht en schaduw zag hij bewegingen. Hij was zichzelf niet meer de laatste tijd. De kerk bood hem niet langer meer de geborgenheid die hij als kind altijd zocht. Hij liep de trappen naar beneden, langsheen het altaar naar de buitendeur. De donkere, bijna zwarte uitgesleten vloerstenen glansden en reflecteerden kleurige lichtplekken van de glasramen. Hij wou naar buiten. Onrustig. Steeds op zoek naar antwoorden. Het was allemaal een kwestie van geloven maar in wie of wat? In Sint Hermes, in de Kerk of in zichzelf?
29-12-2008 om 15:57
geschreven door stefi 
|