Sint-Gertrudiscollege: een katholieke school.
De meeste leerlingen zijn dan ook gedoopt, hebben hun eerste communie gedaan en het
heilig vormsel ontvangen. Kortom: de leerlingen, waarvan ik er één ben, zijn
gelovig. Maar ondanks het feit dat we met 1000 gelovige jongeren op één school
zitten, wordt er over ons geloof zelden, zeg maar nooit, gesproken. Waarom?
Religie en geloof zijn nu eenmaal moeilijke onderwerpen die in onze moderne
westerse maatschappij niet zo vanzelfsprekend zijn. Waarom zouden we geloven? In wat zouden we geloven? Bij het
stellen van deze vragen dreigen we de grens met filosofie te overschrijden.
Filosofie: iets wat vele mensen bezig houdt, maar toch weinig wordt besproken. Maar, wat moeten we aanvangen met de
combinatie van religie en filosofie? Twee disciplines die in onze maatschappij
slechts weinig aan de orde komen gaan combineren, is dit wel mogelijk?
In eerste instantie lijkt een combinatie van filosofie en godsdienst
perfect mogelijk. Ze hebben namelijk één
basiselement gemeen: het doel van beide disciplines is een antwoord te geven op de schijnbaar antwoordloze vragen in ons leven. Wat is goed
en wat kwaad? Hoe moeten we denken over de dood? Is er iets na de dood? Maar ondanks deze fundamentele gelijkenis bestaan er toch al eeuwenlang strubbelingen tussen religie en filosofie. En deze strubbelingen zijn na al deze jaren nog steeds aanwezig
Hoe kunnen we
denken over God?
Heel wat fundamentele gelovigen steunen de
visie die verkondigt: Je kunt niet
bewijzen dat God niet bestaat, dus God bestaat. Naïeve, goedgelovige zieltjes
zullen dit misschien aanvaarden, maar
een rationeel mens is zo snel niet overtuigd! Voor een student retoriek is het
namelijk overduidelijk dat dit een argumentum ad ignorantiam is. Voor de
niet-Latinisten onder u: argument van de onwetendheid, in de volksmond ook wel
gekend als een DROGREDEN! Ik sluit bij dit onderwerp dan ook liever aan bij de
mening van A.J Ayer (20e eeuw). Hijstelt dat dingen
alleen maar filosofisch waar kunnen zijn als we ze ruiken, zien, voelen,... Aangezien we God niet zintuiglijk waarneembaar is, is
het volgens Ayer dus fout te stellen dat God niet bestaat. Maar even goed is
het fout te zeggen God bestaat. Ayer geeft ons dus geen concreet antwoord op
de vraag Bestaat God?, maar zijn redenering lijkt mij wel aanvaardbaar.
Tegenover deze opvatting staat de gerenommeerde Augustinus (4e- 5e eeuw). Hij zette zich af
tegen de stoïcijnse filosofen, die de grote levensvragen beantwoordden zonder tussenkomst van God. Augustinus meende echter dat de mensen God nodig hadden om tot de waarheid te komen. Met rede alleen was dat volgens hem niet mogelijk. Enkele eeuwen geleden werd dit zonder problemen geloofd, maar laat ons
eerlijk zijn. In de huidige maatschappij is het ondenkelijk de rede te
verwerpen voor God. Eén van Augustinus aanhangers was Anselmus (11e- 12e eeuw), aartsbisschop van
Canterbury, een naam die sommigen onder jullie misschien bekend in de oren klinkt.
Anselmus is, hoewel zijn naam ons anders doet vermoeden, niet afkomstig uit Canterbury maar wel uit Italie. Als
vrome 15-jarige jongeman wil hij graag tot het klooster toetreden, maar dit is
tegen de wil van zijn vader. Anselmus geraakt op de dool en na enkele jaren van
omzwervingen komt hij in Frankrijk terecht. Daar treedt hij als monnik toe tot
het klooster in Bec. Na 3 jaar als gedienstig monnik wordt hij op 30-jarige leeftijd
benoemd tot prior. Dankzij deze benoeming komt Anselmus geregeld in Engeland
wat uiteindelijk leidt tot de benoeming tot aartsbisschop van Canterbury. De jaren die volgen
krijgt Anselmus het geregeld aan de stok met de koning van Engeland en hij
wordt dan ook regelmatig verbannen of op missie gestuurd door de koning.
Gedurende zijn verblijven in het buitenland neemt hij de tijd om boeken te schrijven en zijn godsdienstige ideeën verder te ontwikkelen. Hierbij speelde Augustinus een voorbeeld rol. Anselmus was dan wel minder radicaal en uitgesproken dan Augustinus, maar toch liet hij enkele interessante opinies na. In de eerste plaats zag hij geen problemen of tegenstellingen tussen
religie en filosofie. Hij was namelijk van mening dat fides quaerens intellectum. Het geloof zoekt naar redelijk inzicht. Toch zijn bij Anselmus theorieën een sterke religieuze invloed niet weg te
denken. Hij stelt namelijk dat de enige die de waarheid kan kennen, een gelovig
mens is. En dat bij het zoeken naar deze waarheid en naar de openbaring
het verstand tot dienst moest staan. Anselmus was dus duidelijk pro-religie, maar vond ook dat we
de rede niet achterwege mochten laten.
Deze combinatie van geloof en rede brengt ons naar een volgende
denkpiste, een soort gulden middenweg. De belangrijkste vertegenwoordiger van
dit middenterrein is Thomas van Aquino (13e eeuw). Voor hem stonden filosofie en religie
niet lijnrecht tegenover elkaar, maar waren beide deel van wat hij beschouwde
als de goddelijke wet. Hieruit volgde
dat alles wat redelijk was, ook in lijn was met de goddelijke waarheid. Dit is een stelling waarin ik mij gedeeltelijk kan vinden. Het lijkt mij
aanvaardbaar dat wat redelijk is, in lijn is met de waarheid. Maar het is de
woordkeuze goddelijke waarheid die mij stoort. Wat is de goddelijke waarheid?
We weten niet of God al dan niet bestaat en wie God eigenlijk is. Hoe kunnen we
dan weten wat de goddelijke waarheid is?!
Het bestaan
van God: te bewijzen of slechts een fabeltje?
Al vele jaren zijn religieuze denkers op zoek naar filosofisch
aanvaardbare en geldige redenen om het geloof te ondersteunen. Een zware
opdracht die resulteerde in 3 vermeldenswaardige theorieën.
Allereerst hebben we het argument
van doelmatigheid dat luidt als volgt: het feit dat de wereldlijke orde,
structuur en samenstelling zo perfect in elkaar zit veronderstelt toch wel het
bestaan van een goddelijke maker!? In eerste instantie misschien moeilijk te
begrijpen, maar makkelijk uit te leggen aan de hand van volgend voorbeeld van
William Paley (18e eeuw): Als we op een verlaten eiland een horloge
zouden vinden, zouden we direct veronderstellen dat iemand het had gemaakt en
daar had gelegd. Bij een steen of twijgje zouden we dat echter niet denken. We
zouden de wereld moeten beschouwen als een horloge. Het zit zo fascinerend in
mekaar dat er iemand moet zijn die het heeft ontworpen. En wie kan die iemand
zijn behalve God?
Ikzelf, samen met de meesten van mijn
generatie, geloof niet dat er een God is die de wereld heeft ontworpen zoals
William Paley het voorstelt. Wij zijn opgegroeid in een wereld vol wetenschap
en logische, bewijsbare verklaringen zodat we een scheppende God moeilijk
kunnen aanvaarden. Er is gewoonweg gebrek aan tastbaar bewijs. De meeste
jongeren, ook ik, zijn aanhangers van de evolutieleer en staan zeer sceptisch
ten opzichte van het creationisme. Maar bij het lezen van vorig voorbeeld
stelde ik mij toch de vraag Is het wel
mogelijk dat een complexe eenheid zoals onze wereld gewoon door toeval is
ontstaan? Is het mogelijk dat de aarde, die ontstaan is uit enkele simpele stoffen,
door een reeks toevalligheden geëvolueerd is tot zoiets wonderlijk? Ik kan
bijna niet geloven dat het ontstaan van ons universum, de hemel, de aarde,
berust op puur toeval. Dat zou namelijk willen zeggen dat ook de mens een
toevalligheid is, iets wat ik gezien het menselijke vermogen niet kan geloven.
Aangezien ik denk, en hoop, dat wij niet slechts het resultaat zijn van
toevalligheden, geloof ik wel dat er iets of iemand aan de basis ligt van
ons bestaan. Maar of deze iemand wel God is, zoals de godsdienstfilosofen
beweren, daarover kan ik mij niet uitspreken.
Een felle tegenstander van dit argument van
doelmatigheid is David Hume (18e eeuw). Er wordt dan wel gezegd dat de wereld perfect
geordend is, maar Hume vraagt zich af hoe we zeker kunnen zijn dat dit
werkelijk zo is? De mens heeft slechts een beperkt zicht op de wereld. En met
dit beperkte zicht zien wij een zekere orde in de kosmos. Maar hoe kunnen wij
hieruit oordelen of er al dan niet chaos is in het universum? Volgens Hume is
het dus fout te stellen dat er een God bestaat die het complexe systeem van
onze aarde heeft ontworpen, aangezien het systeem waarschijnlijk niet zo
foutloos is als velen denken.
De tweede pro-God theorie wordt het argument van de eerste oorzaak genoemd. Meer concreet betekent dit
dat er voor alle dingen een ultieme oorzaak bestaat. Dus ook voor het bestaan
van deze wereld. En het is deze eerste oorzaak die we God noemen. Dit lijkt mij een zeer zwak argument en de kritiek ligt dan ook
voor de hand. Zelfs al bestaat er zoiets als een eerste oorzaak, waarom zou
dit dan God zijn? Het zou even goed een onpersoonlijk energieveld kunnen zijn
dat uitgestorven is na het vormen van onze aarde. Wanneer we over deze eerste
oorzaak echter dieper nadenken kunnen we de vraag stellen Door wie of wat is
dat energieveld dat heeft geleid tot onze wonderlijke wereld dan wel
ontworpen? Als we deze denkpiste opgaan komen we opnieuw terecht bij het
argument van doelmatigheid, wat ons leidt naar een doodlopende straat. Een
antwoord over het bestaan van God hebben we nog steeds niet.
Het derde een laatste argument wordt het ontologische argument genoemd. De
persoon die hiervoor de basis heeft gelegd is jullie al bekend: Anselmus van
Canterbury. Zijn denkwijze bestaat uit een meervoudig syllogisme te beginnen
met: God is, per definitie, het
volmaaktste wezen dat denkbaar is. Over het menselijk bestaan stelde hij: Het is beter te bestaan dan niet te
bestaan, dus iets wat niet bestaat kan nooit volmaakt zijn. Hieruit volgt
dat een niet bestaande God minder volmaakt is dan een bestaande. En aangezien,
volgens de eerste stelling, God het volmaaktste wezen is, concludeert Anselmus
dat God moet bestaan. Dit bewijs werd in de 20e eeuw
geformaliseerd door Kurt Gödel en houdt in dat God moet bestaan omdat wij in
staat zijn hem voor te stellen. En omdat bij het horen van het woord God ,
beelden en gedachten bij de mensen oprijzen, ook bij atheïsten.
Uiteraard geraakt ook deze theorie er niet vanaf
zonder enige tegenkritiek. Men stelt namelijk dat er geen noodzakelijke band is
tussen het vermogen om zich iets voor te stellen en het werkelijke bestaan van
het voorgestelde, iets wat mij logisch in de oren klinkt! Laat ik dit even
uitleggen aan de hand van een kort voorbeeld. Stel dat ik een compleet nieuw
woord uitvind: ET. Dit nieuwe woord
verwijst naar een buitenaards wezen dat onze aarde bestuurt. Aan iedereen die
ik tegenkom vertel ik over ET, ik schrijf er boeken over, maak documentaires,
maak films en richt zelfs gemeenschappen op. Na enkele decennia zal de
hele wereld ET kennen en zich een beeld kunnen vormen bij het woord. Bij iedereen
die het woord hoort zal ET een weerklank oproepen. Ook al heb ik dat woord
gewoon uitgevonden,er een betekenis aan gegeven en is er dus niets van waar.
Het is dus niet omdat iedereen ET kent dat er ook werkelijk een buitenaards
wezen bestaat dat onze aarde bestuurt. Dit is een uiterst simplistisch voorbeeld, maar het toon wel duidelijk aan dat het ontologisch argument nergens op slaat. Het is
niet omdat de hele wereld een woord kent, dat de betekenis achter het woord ook
echt bestaat.
Kunnen we een filosoferen over
religie?
Kunnen we filosoferen over religie? Ik denk het
wel! Het is niet omdat we geen concreet antwoord zullen vinden op onze vragen,
dat er niet over kan worden nagedacht. We zullen bij het filosoferen over
religie een waaier aan antwoorden vinden. Hierbij zijn geen foute, maar ook
geen juiste antwoorden
Door dit gebrek aan antwoorden zullen gelovigen
snel het gevoel krijgen dat het bestaan
van God niet kan verklaard worden door filosofische slimheid. In hun ogen is
geloven veeleer een zaak van geloof. Zelf vind ik ook dat iemands geloof niet
mag afhangen van de overtuiging van godsdienstfilosofen. Het is niet omdat zij
zeggen dat God bestaat, dat we onmiddellijk gelovig moet worden. Of omgekeerd.
Geloof is iets persoonlijk, overtuigd
zijn van je levensopvatting en die weerspiegeld zien in je geloofsovertuiging.
Geloof is een kwestie van je persoonlijke geloven. Filosofen zullen religie
op hun beurt dan weer bekijken als charmant, maar op filosofisch vlak gewoonweg
nonsens. De discussies tussen gelovigen en filosofen is al eeuwenoud en zullen waarschijnlijk nog vele eeuwen blijven bestaan. Maar ik daag jullie uit daar verandering in te brengen!