|
Het schrijven is in een stroomversnelling terecht gekomen. Overigens; mijn thema voor 2013 is 'overgave'. Met dank aan de acteerschool en mijn muzikale vrienden. Op 31 december werkte ik aan het verhaal 'slag om overgave'. Vrij rap daarna werkte ik aan het redigeren (eerste versie) van alle verhalen. Toen ik 'de tenen van het animeermeisje' (novelle) nogmaals in mijn handen had en het las, jeukten mijn vingers om het aan te passen. Ik heb gehoor gegeven aan deze impuls. Zodoende bestaat de verhalenbunden 'Magister Clandestien' nu uit twaalf verhalen, in drie delen. Deel 1 zijn geestige vertellingen, bijna volks-aandoend. Deel 2 is de novelle en Deel 3 zijn korte verhalen, met een grilligheid, of beter; een eigenaardigheid die het verhaal - richting het einde - in een nieuw perspectief plaatst. De tweede check-up gebeurde vrij recent. Ik bepaalde dan ook meteen maar dat het ervan moest komen en besloot er een manuscript van te maken, typte de begeleidende brief en stuurde het naar een aantal uitgevers op. Om met beide benen op de grond te staan is het filmpje wat (meen ik) de Arbeiderspers op haar site heeft geplaatst een aanrader.
zoals beloofd:
Oom Salomo zette een zakelijk gezicht op. Er moest iets plaatsvinden. Wat dat iets precies was, werd niet uitgesproken. Waar Oom Salomo verscheen waren er vragen op te lossen, praktische fouten te herstellen. xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Ik keek via de achteruitkijkspiegel naar Oom Salomo. Hij wist dat ik keek en wellicht zou hij ook een woordje ter geruststelling willen zeggen, maar de arme man wist niet hoe. Martin, die de zetel naast hem bemande, keek uit het raam, zijn lippen tuitend.
Oom Salomo hield niet van fragmenten, voor hem moest één keer volstaan. Klussen? Twee dagen aan een stuk door zodat het klaar zou zijn. Een lange autorit? De hele afstand werd zonder onderbrekingen afgelegd, ook al betekende dit dat hij soms uren achter het stuur zat. Diezelfde gedachte zou hij ook hebben gehad bij onze te voltooien missie die dag.
Zijn zus was drie weken geleden begraven en haar huis moest worden opgeruimd. We gebruikten dit werkwoord, terwijl we alle drie wisten wat voor weemoed het inhield. Toen hij, nadat hij de auto keurig voor de woning geparkeerd had, was uitgestapt, toonde Salomo een vastberadenheid in zijn tred. Voor iemand die hem niet zou kennen zou zijn gespannen frons aangenomen worden als subtiele verwijzing naar innerlijk leed, maar deze uitdrukking had hij al ver voordat ik geboren was.
Hij zocht in zijn broekzak. Terwijl hij naar de voordeur liep hield hij de buitgemaakte sleutelbos voor zijn ogen. Ik leunde tegen de auto, zoekend naar een gedachte die mij kon bewegen het huis te betreden. Martin volgde in het kielzog van Salomo. Zijn hoofd was eerbiedig gebogen, alsof hij deelnam aan een begrafenisstoet.
Nummer 136C. Het plaatje naast de deurpost impliceerde een levendig huishouden. Het was niet voor te stellen dat de persoon die hier leefde nooit meer thuis zou komen.
Salomo en Martin acteerden banaliteit; het openen van een deur, het bekijken van de post. Ze trachtten het iets alledaags te geven, maar bij binnenkomst verried Salomos gezicht een brok in zijn keel. Met een loden juk dat op zijn schouders drukte nam hij toch het initiatief om over de deurmat te stappen en in de hal terecht te komen. Hij was nu de eerste mens die na haar dood haar huis betrad.
Martin haalde de kledingkasten leeg. Terwijl ik haar zomerjurk voor mijn eigen postuur hield en zachtjes de plooien gladstreek over mijn heupen, rolde hij allerlei kledingstukken op. Het lichtblauwe mantelpak, de lichtgroene blouse, de fijne soiree jurk, de karakteristieke trui met lage col - een trui die ik zo vaak van haar geleend had -, alles werd tot een bal textiel verwerkt. De zachte vanillegeur van haar kleding vulde de kamer. De gewaarwording hiervan bracht mijn lichaam in verzet. Ik voelde haar aanwezigheid, maar mijn ratio onderdrukte dit. Ze was er niet.
Ik voelde mijn lippen trillen en dus beet ik erop om mijn wenen uit te stellen. Martin rolde ondertussen zelfs de Franse regenjas met ceintuur op, hij had het er maar druk mee.
Leg ze maar op het trottoir, hé, klonk de zware en doorleefde stem van Salomo, die plots in de deuropening verscheen. Hij had alle keukenartikelen in dozen gedaan.
Hier, iets voor jou? hij reikte een sinaasappelpers aan, Italiaans design. Met gesloten ogen stond ik aan de grond genageld met haar zomerjurk nog over mijn lichaam gedrapeerd.
[uit: de tenen van het animeermeisje - Ferdy Karto (c) ]
|