Ik ben Eric De Bruyn
Ik ben een man en woon in Wuustwezel (België) en mijn beroep is pensionado.
Ik ben geboren op 20/10/1955 en ben nu dus 66 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: Middelnederlands / laatmiddeleeuwse kunst.
Studies Germaanse Filologie 1973-1977 - Universiteit Antwerpen. In 2000 gepromoveerd aan de KU Brussel
Wij passen op deze roman (naar verluidt Conrads zevende) nog eens een goeie ouwe close-reading toe. Antwerpen, 19 juli 1999. Na drie jaar gevangenis komt de boekhouder Flor Daens (hobby: Europese koningshuizen) weer vrij. De eerste dag buiten de gevangenis is hij getuige van twee dodelijke ongevallen en s avonds vindt hij een voorlopig onderkomen in een hotelletje in het Schipperskwartier, waar regelmatig de plaatselijke Russiche maffia vergadert. Om geld te verdienen vat hij al snel het plan op om op de Groenplaats als standbeeldartiest Rubens uit te beelden. Enkele nieuwe vrienden uit het hotelletje (marginalen, waaronder een oude experimentele dichter, een vergeten acteur en een hoerenkapper) helpen hem daarbij.
Ondertussen hebben we via flashback-hoofdstukjes vernomen dat er in het leven van Flor twee belangrijke vrouwen zijn geweest: het Spaanse dienstmeisje Laura dat hem als tiener ingewijd heeft in de liefde (nadat zijn vader de relatie ontdekt had, heeft hij Laura naar Spanje teruggebracht waar zij pornoster werd) en zijn vrouw Louise. Toen de buren, Marcel en Germaine Liebbaers, miljoenen hadden gewonnen met de lotto, begon Louise uit jaloezie ook veel geld uit te geven en daarom hield Flor bij zijn firma een dubbele boekhouding bij (de reden van zijn veroordeling tot drie jaar gevangenis). Drie jaar later pleegde Louise zelfmoord door uit een raam te springen. Ze liet een briefje aan Flor achter waarin zij meedeelde dat hij haar niet gelukkig kon maken. Flor laat Raoul M.C. Depoorter, de mislukte experimentele dichter, tegen betaling alsnog een antwoordbrief schrijven.
De eerste avond dat Flor in het Schipperskwartier rondloopt, meent hij een vrouw te zien die op Laura lijkt en de volgende dag blijkt het inderdaad om Laura te gaan, die enkele jaren daarvoor terug naar België is gekomen en nu een bar runt in het Schipperskwartier. Het hoeft nauwelijks gezegd dat dit een zeer onwaarschijnlijke wending is in de plot: Flor heeft die Laura zon veertig jaar lang niet meer gezien, en nu komt hij uit de gevangenis en bàf hij ontmoet toevallig die Spaanse weer, in zijn eigen Antwerpen dan nog, om de hoek van het hotelletje waar hij logeert. Nou ja.
Op 11 augustus 1999 is er een zonsverduistering op de middag. Terwijl Flor als Rubens op de Groenplaats staat, herkent hij Manon Liebbaers, de knappe dochter van de Liebbaersen die ondertussen fotomodel is geworden en ziet hij hoe zij in een Mercedes stapt met drie heren. Even later blijkt dat Manon ontvoerd werd. Het onderzoek is in handen van commissaris Duncan Suncliff. De Liebbaersen loven een beloning uit van 100.000 frank voor wie een nuttige tip kan geven. Flor komt erachter dat de Russische maffia van het Falconplein achter de ontvoering van Manon zit en besluit wraak te nemen op de Liebbaersen (zij hebben namelijk indirect zijn vrouw het hoofd op hol gebracht waardoor hij uiteindelijk in de gevangenis terechtkwam) door hen een grote som geld af te persen. Ondertussen is hij te weten gekomen dat Laura ergens op het Eilandje woont, dat zijn vader als een zwerver in haar straat tussen het afval leeft en dat Laura een zoon (Juan) heeft, een adolescent die lijdt aan een ziekte waardoor hij dicht behaard is. Flor is van plan met Laura en Juan in Spanje te gaan wonen, eenmaal hij het afgeperste geld heeft.
Na een teleurstellend bezoek van Flor aan de Liebbaersen in Brasschaat verandert hij van idee. Hij vermoedt sterk dat Manon gevangen zit in de kelders onder een winkel aan het Falconplein, een winkel die eigendom is van Arzamas, een lid van de Russische maffia, en hij wil nu van Arzamas de helft van het losgeld (100 miljoen) afpersen in ruil voor zijn stilzwijgen. Van Duncan Suncliff, die hij ontmoet in een cocktailbar, verneemt Flor dat de ontvoerders een vingerkootje van Manon naar de Liebbaersen hebben gestuurd en dat zij Manon de volgende donderdag zullen vermoorden, als het losgeld dan niet betaald is.
Tot hiertoe [p. 152] is Conrads roman redelijk spannend en bovendien vrij vlot geschreven, al lijkt de concrete thematiek gaandeweg wat benepen te zijn geworden: alles draait enkel en alleen rond de ontvoering van die Manon Liebbaers die verder nauwelijks als handelende persoon aanwezig is geweest in het verhaal. Nochtans is er een functionele link tussen Manon en de rest van de plot, want het is dus de onrechtstreekse schuld van Manons ouders dat Flors echtgenote Louise zelfmoord heeft gepleegd en Flor zelf in de cel is beland, en daarom wil Flor nu wraak nemen op de Liebbaersen: Als die roze geverfde windbuil en zijn behaagzieke poedelfreak denken dat zij mijn informatie voor honderdduizend frank kunnen afkopen, zitten zij er mooi naast, denkt Flor. Wat ik weet is miljoenen waard. De zwarte, gedoemde miljoenen van Carrol & Stevenson, die mij met groene vingers en versleten zolen in deze frituur hebben doen belanden. De miljoenen die Louise op kerstnacht uit het raam hebben geduwd. Jullie hebben mij lang genoeg voor de aap gehouden, mijnheer en mevrouw Liebbaers. Het uur van de wraak heeft geslagen. De wraak van de aap van God! [p. 91].
Dat denkt Flor vlak vóór zijn bezoek aan de Liebbaersen in Brasschaat, en als hij water later vóór hun villa staat (hij woonde vroeger met Louise in de villa ernaast), luidt het: Geluk had hij hier nooit gekend en dit weelderige decor herinnerde hem alleen aan zijn fatale en onafwendbare afdaling naar wat men doorgaans de hel noemt en die hij destijds eerder als een verlossing had ervaren. Bovendien zou hij Laura nooit opnieuw hebben ontmoet, moest hij niet alles kwijtgespeeld zijn en drie jaar in cel 199 hebben zitten boeten [p. 93]. Welke laatste bedenking ergens toch in flagrante tegenspraak is met die wraakgedachte, want de (op zichzelf ook al vrij ongeloofwaardige, zie supra) hernieuwde kennismaking van Flor met zijn oude liefde Laura is dus juist te dànken aan de Liebbaersen!
Er zitten overigens nog wel een paar (voorlopige?) onduidelijkheden in het verhaal, meer bepaald in verband met een aantal motieven. Zo zijn er bijvoorbeeld de om de zoveel bladzijden terugkerende ongevallen waarvan Flor getuige is. Na de twee hierboven reeds vermelde ongelukken is dat verder nog het geval op de bladzijden 55, 57, 74, 103, 140, 159, 182 en 206. Op de duur wordt dit een beetje potsierlijk en men vraagt zich af wat hiervan de uiteindelijke bedoeling is. Zo is er ook Flors interesse voor de Europese adel die om de haverklap leidt tot het associëren (in Flors geest) van situaties en personages met meestal onbekende, maar met naam en toenaam genoemde graven en baronessen. Ook hier vraagt de lezer zich halverwege de roman af: waarom? En dan is er ook nog het sterk aanwezige motief aap van God dat bovendien de titel van het boek vormt.
De eerste maal komt het motief voor op de paginas 31-32, wanneer Depoorter in een olievlek op de weg een dansende aap, de aap van God herkent en aan Daens verduidelijkt dat de aap van God de duivel is. Op pagina 36 noemt Flor zichzelf de aap van God. Op pagina 91 noemt Flor zijn wraak de wraak van de aap van God. Op pagina 111 moet een dronken Flor overgeven en ziet hij in de spiegel het masker van de aap van God, een troebele duivel. Op pagina 117 zegt het zwarte hoertje Melissa (dat tegenover de bar van Laura hokt) dat Flor stinkt als een aap, le singe de Dieu, antwoordt Flor. Op pagina 123 ziet Flor in Juan, de behaarde zoon van Laura, een aap en op pagina 124 noemt hij de jongen de zoon van de aap van God. Op pagina 143 noemt Flor zich de nieuwe vader van Juan, de aap van God. Op pagina 173 noemt Flor zijn stervende vader de aap van God. Op pagina 174 zegt Flor dat Juan naakt nog meer op een aap lijkt. Op pagina 194 toast Flor in een droom op de aap van God.
In het laatste deel van de roman gaat de plot jammer genoeg gebukt onder een hele resem ongeloofwaardigheden. Als Flor en Laura s ochtends van de bar naar Lauras huis gaan en Laura Flors vader wat eten brengt, sterft deze laatste plots bij het zien van zijn zoon. Een overlijden dat wel heel onverwacht uit de lucht komt vallen! Diezelfde ochtend dringt Laura door in de kelders onder Arzamas winkel, terwijl Flor de Rus afleidt, maar zij vindt er Manon niet. Later gaan zij naar Lauras bar en blijkt er iets gebeurd te zijn met Melissa (het zwarte hoertje tegenover Lauras bar): zij is aangevallen door een klant (een grote, blonde man met een Duits accent) die haar oorlel heeft afgebeten en een vork in één van haar borsten heeft gestoken. Op een achtergelaten servet staan de initialen G.K.T. Nog later heeft Flor een gesprek met Arzamas rond de ontvoering van Manon. Arzamas blijkt vanalles over Flor te weten (vernomen via een Russische kennis die ook in de gevangenis zat) en Flor vertelt al zijn wraakplannen aan Arzamas, die op zijn beurt duidelijk maakt dat degene die het losgeld eist, wel eens iemand anders zou kunnen zijn dan de ontvoerder en dat die losgeldeiser hijzelf (Arzamas dus) is. Een zeer onwaarschijnlijke wending toch, deze bekentenis van Arzamas aan een wildvreemde. Flor en Arzamas vormen nu dus een team, zij spreken af het losgeld te zullen delen en Flor belooft Arzamas de ontvoerder te zullen opsporen (want een dode Manon levert geen losgeld meer op). Zeer ongeloofwaardig toch weer, want waar zou Flor die ontvoerder moeten vinden?
Op bladzijde 205 (we naderen stilaan het einde van de tekst) zegt Laura dan ook, nadat zij van alles op de hoogte is gebracht door Flor, dat Flor een pakt met de duivel heeft gesloten en daarvan de gevolgen zal moeten dragen, waarop Flor antwoordt: Hij (= Arzamas) heeft een pakt met de duivel gesloten, Laura. Met de aap van God! Daar heb je dat aap van God-motief dus weer, en deze keer is het opnieuw Flor die de aap van God (de duivel dus?) blijkt te zijn, en niet die Juan of Flors vader (verwarrend weer!). En dan volgt er een ongelooflijk ongeloofwaardige wending in het verhaal, die al snel naar de climax zal leiden. Flor heeft weer een ontmoeting met die commissaris Suncliff in die cocktailbar en daaruit blijkt dat Suncliff geen verband ziet tussen de zaak-Melissa (waaraan slechts een paar stagiairs werken) en de ontvoering van Manon: Alleen het feit dat de commissaris geen onmiddellijk verband tussen de ontvoering van Manon en de aanranding van Melissa ziet, enkel omdat er losgeld geëist wordt en voor hem de eiser en de ontvoerder nog steeds één en dezelfde persoon zijn, is van kapitaal belang. Dit betekent dat hij de zaak Melissa zonder losgeld wel au séreieux zou genomen hebben en als een mogelijk onverwacht spoor zou beschouwd hebben. Dit is misschien precies het spoor dat Flor moet volgen om Suncliff voor te zijn [p. 209]. Vooral met de gedachtesprong in het door ons gecursiveerde gedeelte van dit citaat hebben wij de grootste moeite en dit lijkt ons dan ook een onvoorstelbare non sequitur te vormen binnen de interne logica van het verhaal. Wat er dan verder gebeurt, is helemaal van de gekke.
Na een kort bezoek aan Melissa in het ziekenhuis trekt Flor naar de plek op de Meir waar Arzamas naar eigen zeggen Manon heeft afgezet die dag van de zonsverduistering. Flor komt dan zeer toevallig terecht in een zijstraat van de Meir, waar zich een schoonheidsinstituut bevindt van ene Günther von Kirchheim under Teck, een edelman waarvan Flor weet (zie zijn hobbyistisch verworven kennis van de Europese adel) dat diens voorouders zich sinds de Renaissance als bloeddorstige monsters hebben gedragen. En G.K.T. waren de initialen op het servet dat de aanrander van Melissa achterliet! Die Günther von Kirchheim heeft ook een restaurant in Antwerpen waar Flor wat later tevergeefs als klant probeert binnen te raken. In het midden van de nacht dringt hij toch heimelijk het restaurant binnen en treft er Günther aan, de nazaat van Hans Jürgen von Kirchheim under Teck, de in 1765 terechtgestelde Kannibaal van het Zwarte Woud.
Flor ziet hoe Günther een luik opendoet en in een kelder verdwijnt. Die kelder is ingericht als een keuken en bevat vier koelkasten die gevuld zijn met alle mogelijke afgekapte en weggesneden onderdelen van vrouwenlichamen. Flor observeert van bovenaf hoe Günther een vrouwenhand uitkiest, deze bakt met allerlei ingrediënten en vervolgens verlekkerd oppeuzelt. Als Günther terug boven komt, overvalt Flor hem met een mes (Flor stelt zich aan hem voor als de aap van God), maar de edelman beweert dat Manon Liebbaers niet door hem ontvoerd is. Flor kapt dan een pink van Günther af, maar deze blijkt niet onder de indruk en begint op zijn eigen pink te kauwen. Pas nadat Flor ook nog de drie andere vingers heeft afgehakt én een oor, slaat Günther door en zegt dat hij zal bewijzen dat hij met de zaak-Manon Liebbaers niets te maken heeft.
Günther vertelt dat Manon nooit ontvoerd werd maar dat de zogenaamde ontvoering opgezet spel was van Manon zelf en haar minnaar Arzamas, nadat zij had vernomen dat haar ouders hun fortuin per testament aan de paters van Scheut hadden geschonken. Günther verliest dan het bewustzijn en Flor snijdt hem de keel over en raakt vervolgens buiten zinnen. Hij wordt s morgens door de politie (Duncan Suncliff) aangetroffen op een bank in het Stadspark. Het is 19 augustus, precies één maand na Flors ontslag uit de gevangenis. Viermaal [pp. 228, 230, 231, 232] is ondertussen nog het aap van God-motief opgedoken.
In het laatste hoofdstukje blijkt Flor opnieuw in de gevangenis te zitten, waar hij een kaartje krijgt vanuit Uruguay van Manon en Arzamas en contact weigert met zijn vroegere vrienden uit het Dallas Motel waar hij logeerde. Juan is overleden en Laura trekt op met een nieuwe vriend (haar trouwe klant Ludo, een vrijmetselaar en leraar moraal). Op 4 december 1999, de trouwdag van prins Filip en prinses Mathilde, krijgt Flor in zijn cel de derde versie van de antwoordbrief aan Louise die Depoorter voor hem geschreven heeft. In die brief schrijft Depoorter als ghostwriter voor Flor dat deze laatste Louise nooit heeft liefgehad en dat hij in haar slechts een kopie zag van Laura, de enige vrouw die hij ooit heeft bemind. Laatste regels: Maar de dag dat ge gesprongen zijt en ik u beneden als een gebroken pop met die parmantige bontmantel in de rode sneeuw zag liggen zal altijd in mijn geheugen gegrift blijven als de mooiste dag van mijn leven. Als ge dat een leven kunt noemen. Flor.
Nou. Grand guignol! En wij die dachten dat alleen Hugo Raes geobsedeerd was door bizarre wreedheden en sadistische ontsporingen! Het zal ondertussen wel duidelijk geworden zijn dat deze roman redelijk boeiend en intrigerend van start gaat, maar gaandeweg ontspoort en uiteindelijk totaal, met haken en ogen aaneenhangend, uit de bol gaat. Want wat een zootje is die inwendige structuur! Die opdringerige ongelukken heel de tijd waren dus blijkbaar niets anders dan dreigende anticipaties die vooruitwijzen naar het bloederige einde (erg zwak toch!), die interesse van Flor voor de adellijke huizen diende alleen maar om die totaal ongeloofwaardige link naar Günther von Kirchheim te kunnen leggen en dan is er ook nog eens heel dat wazige aap van God-gedoe (Flor Daens als de duivel of zijn handlanger?) dat uiteindelijk compleet gratuit blijkt en weinig overtuigend in de lucht blijft hangen. De ontknoping van de plot ten slotte (Manon die samenspant met die Arzamas) heeft even veel effect als een pistool waaruit bij het overhalen van de trekker een vlaggetje met bang! Verschijnt. En dan zwijgen we nog over de talloze losse draden, zoals bijvoorbeeld de op straat wegrottende vader van Flor, en Juan, de mismaakte zoon van Laura.
Waar wil Conrad met dit alles nu in feite naartoe? Staat het abstracte thema te lezen op pagina 175? Sinds gisteren begreep hij dat de ware hel als twee druppels water op het dagelijkse leven lijkt en dat men er onbewust in verzeilt. De ware hel stelt niets meer voor dan een haast onmerkbare ontaarding van de banaliteit, ten gevolge van een opeenvolging van kleine verschuivingen en kortsluitingen die men het blinde toeval noemt. En in die hel van het dagelijkse leven dan Flor Daens als (arme) duivel? Met als slotsom een zeer pessimistische mensvisie die al in het begin van het boek geventileerd wordt als Flor angst heeft voor wat hem buiten te wachten staat: Een onbekende wereld vol valstrikken, vijandelijkheid, wantrouwen, misprijzen en wraakgevoelens [p. 23]. Het is iets als thematiek, al is het niet veel en zeker niet overtuigend.
De aap van God is in 2002 bijzonder onopvallend gepasseerd in het Vlaams-Nederlandse literaire wereldje. Het enige wat wij erover gevonden hebben, is een korte bespreking in Leesidee [jg. 8, nr. 9 (december 2002), p. 684] van Luk de Geyter die zich qua waardeoordeel zeer slapjes beperkt tot de zouteloze mededeling: De wereld van Conrad is rauw en meedogenloos. Dat was al zo in de eerdere thrillers, maar deze roman is zwarter dan alle vorige. Via Internet en Leesidee komen we ook te weten dat De aap van God in 2002 genomineerd werd voor enkele lokale prijsjes (onder meer de Hercule Poirot-prijs voor Vlaamse misdaadromans), zonder er ooit één gewonnen te hebben overigens. Onze aandacht voor het boek werd in gang gezet door een interview met Patrick Conrad tijdens een namiddagprogramma op Radio 1 ergens in 2002 (het was Dido als wij ons niet vergissen) en van dat interview herinneren wij ons enkel nog dat het ging over het feit dat het boek baadde in de sfeer van het Antwerpse Schipperskwartier en dat op de cover een dot vrouwelijk schaamhaar te zien was.
Nu, om een fraaie impressie te krijgen van de sfeer in het Schipperskwartier moet je dit boek zeker niet lezen. Maar die cover is inderdaad wel vrij opvallend: volledig bloedrood met een close-up van een halve bos rijkelijk woekerend schaamhaar met daarrond de vage contouren van een onderbuik, een lies en een bovendij. Een ware blikvanger. De achterflap toont overigens hetzelfde onderwerp in dezelfde kleur, maar dan in spiegelbeeld. Als je dan het boek op de helft openplooit, krijg je de indruk van een vollédige bos schaamhaar tussen samengeperste vrouwendijen, waarbij de zwarte rug op diplomatische wijze de vagina verbergt. In het radioprogramma ging één van de vragen over het waarom van deze opvallende cover en Conrad gaf toe dat het vooral gratuit-commercieel bedoeld was. Als je de roman gelezen hebt, blijkt die cover toch nog enigszins te verantwoorden, niet alleen omwille van die rode kleur (zie het bloed dat op het einde rijkelijk vloeit), maar ook omdat drie keer verwezen wordt naar de pubis van Laura. Op pagina 8 lezen we reeds dat Laura brede heupen en duistere, gezwollen en dichtbehaarde schaamlippen heeft, op pagina 175 wordt verwezen nar Lauras weelderig schaamhaar en op pagina 179 vraagt Arzamas aan Flor of zuiderse vrouwen meer haar tussen hun benen en onder de armen hebben dan andere. Verder speelt dat schaamhaar hoegenaamd geen rol in het verhaal, maar wij vinden het een goede commerciële zet van de uitgeverij om dit pikante maar toch propere beeld op de voorkant van het boek te zetten.
U vindt misschien dat wij ondertussen aan deze manifest mislukte roman van Conrad al te veel tijd en woorden hebben verspild, maar hold your horses. In 2002 lazen wij dit boek een eerste keer, maar toen waren wij door dat totaal ontsporende einde zo verbouwereerd, dat we er in eerste instantie niets over kwijt wilden. Nu hebben we deze thriller nog eens herlezen en raar maar waar, ondanks het feit dat dit verhaal gaandeweg meer en meer ontspoort, hebben wij er tóch een dosis leesplezier aan beleefd: net als bij onder meer Dominique Derudderes Hombres complicados het geval was, is ook deze roman zo manifest en perfect mislukt, dat het een waar genot was om dat nu eens netjes vast te stellen en uit de doeken te doen, beseffende dat je van iets dat verkeerd gedaan wordt, ook kan leren hoe het dan wel moet. Waarvan beleefd akte, met excuses.
IK HEB ALTIJD GELIJK (Willem Frederik Hermans) 1951
[Roman, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1993 (16de, herziene druk), 258 blz.]
Nederland, 1950. Lodewijk Stegman komt terug naar Nederland, nadat hij met het leger naar Indonesië is geweest om te pogen de kolonie bij het moederland te houden (de zogenaamde tweede politionele actie). Dat is mislukt en bovendien werd Lodewijk van luitenant tot sergeant gedegradeerd omdat hij betrapt werd bij een poging om over te lopen naar de Indonesiërs (hij slaagde erin te doen geloven dat hij een handeltje in gecondenseerde melk had opgezet, wat zijn vergrijp minder erg maakte). Lodewijk wil niet terug naar zijn ouders: die kan hij namelijk niet luchten. In plaats daarvan eigent hij zich onrechtmatig een grote som toe (geld dat hij moest oversmokkelen voor iemand uit Indonesië), beleeft hij een korte vrijage met de onaantrekkelijke, veel oudere verpleegster Gertie en laat hij zich door een medesoldaat (Nico) overhalen om een nieuwe partij op te richten (de Nederlandse Europese Eenheids Partij). Daarbij krijgen ze financiële hulp van een drukker (Key) die hun politieke programma (de Nederlandse staat vernietigen en een sterk Europa vormen) wil populariseren via een voetbalblaadje.
Alles loopt echter in het honderd. Tijdens de eerste meetingavond zouden de totoprijzen van het blaadje worden uitgedeeld (daarmee wil men de mensen namelijk naar de meeting lokken), maar Key werd gearresteerd. De deuren van de zaal blijven dus dicht en het eindigt in een immense rel waarbij Nico per ongeluk door een agent wordt neergeknald. Lodewijk tracht dan zijn diploma middelbaar onderwijs op te halen bij zijn ouders. Thuis is hij plots erg mak tegenover zijn vader en het diploma krijgt hij niet mee, want het is onvindbaar. Terug buiten stoot hij Gertie (die meent dat het door Lodewijk gestolen geld van haar vader is) via zware beledigingen van zich af en in een visioen wandelt plots zijn zuster Debora naast hem die bij het begin van de Tweede Wereldoorlog samen met haar minnaar (een veel oudere, getrouwde neef) zelfmoord heeft gepleegd.
Het is alweer geen sterke roman geworden, deze Hermans. Het grootste deel van het boek bestaat uit bittere fulminaties tegen de vader van Lodewijk (een rigide, nog negentiende-eeuwse burgerman), tegen zijn oudere zuster (die hij al evenmin kan uitstaan) en tegen het vaderland (dat te klein is om in de wereld mee te tellen). Die ietwat kleingeestige en sterk overtrokken tirades gaan op de duur vervelen, net als de talrijke bladzijden met pseudo-politiek gezeur van Nico en Key en Lodewijk. Op het einde van het boek doet Hermans dan ook nog aan flauwe bladvulling met al die citaten uit Nederlandse kranten van het begin van de Tweede Wereldoorlog.
Lodewijk is wel een typisch hermansiaanse antiheld: een mislukkeling die zich ophoudt met een lelijke vrouw omdat hij niks beters kan krijgen, die zijn familie haat en zijn omgeving minacht, maar zelf ook niets presteert en alleen maar mooi weer kan spelen met andermans geld, zoals hijzelf trouwens toegeeft. De afkeer van vader en vaderland vloeien natuurlijk psycho-logisch uit elkaar voort. Een teleurstellende Hermans al bij al, ver beneden het niveau van bijvoorbeeld Nooit meer slapen. [25 juli 1981]
Dat was dus 1981 en in november ll. hebben wij het boek na al die jaren nog eens herlezen. Al is Ik heb altijd gelijk inderdaad verre van een meesterwerk en al komt de roman nogal traag op gang, ons oordeel was indertijd toch iets te streng, want zodra het verhaal na Lodewijks afmonstering begint te rollen, hebben wij met plezier verdergelezen en op een paar dagen was het boek uit. Waar wij in 1981 niets over gezegd hebben, is de manifeste humor die Hermans in de roman heeft gestopt, waarbij de auteur op nogal sarcastische en ja, men mag zeggen op bijna sadistische wijze zijn hoofdpersonage laat grossieren in mislukkingen: Altijd is mij alles mislukt. Alles is altijd al niet veel bijzonders geweest, verzucht Lodewijk. De titel alleen al is trouwens geestig. Dat sarcasme zit hem soms tot in de kleinste details. Op pagina 100 bijvoorbeeld, als de graatmagere Gertie uit een taxi stapt: Het been dat zij naar buiten stak, was met recht een been; het was niets dan been en bovendien enigszins krom. Iets als de rib van een olifant.
Wat de stijl betreft, signaleerde Rudi van der Paardt: De roman bestaat voor een groot deel uit dialoog en monoloog (veelal monologue interieur), verbonden door stukken tekst die opvallen door hun korte, puntige, raak geformuleerde zinnen, waardoor het boek een enorme vaart heeft gekregen. Zijn analyse bevestigt verder wat we zelf al opgemerkt hadden, namelijk dat Ik heb altijd gelijk bestaat uit twee lagen, een politiek-ideologische en een psychologisch-familiale: Voor een goed begrip van Ik heb altijd gelijk moet men uitgaan van de familieroman. Dan kan men constateren dat alle vernederingen en kleineringen die Lodewijk thuis heeft ondergaan (of denkt te hebben ondergaan) hebben geleid tot frustratie en woede die hij koelt op autoriteiten en op het vaderland. Het overkoepelend thema van de roman formuleert hij als volgt: Oordelen over en visies op mensen en hun instituties zijn volstrekt subjectief en irrationeel: zij kunnen derhalve elk moment door andere worden vervangen. Ongetwijfeld zullen Hermans-kenners (wat wij niét zijn) dit kunnen bevestigen of ontkennen en diezelfde kenners zullen even ongetwijfeld nog meer hermansiaanse stokpaardjes uit dit boek kunnen distilleren (om maar iets te noemen: de broer/zuster-relatie). Om die reden zullen zij wellicht deze roman hoger inschatten dan andere, normale lezers.
Noteren we ten slotte enkele cultuurhistorische weetjes. Toen Ik heb altijd gelijk in 1951 verscheen, ontstond er een rel omdat Hermans (eigenlijk zijn personage Lodewijk Stegman) de Nederlandse katholieken danig beledigde in enkele passages. De bekendste is ondertussen deze: De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar die naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten! [p. 28]. Fraai is ook de volgende: De katholieken zijn de pest van de Nederlandse natie, na de vrede van Münster hadden we ze dr uit moeten zetten. De katholieke delen van ons land hadden altijd onder een speciaal toezicht moeten blijven, zoals driehonderd jaar geleden, toen ze generaliteitslanden waren en geen eigen bestuur hadden. Ze hadden nooit tot provincies geëmancipeerd moeten worden. Het verval van de Nederlandse natie is begonnen toen de katholieken politieke macht kregen [p. 138]. Er kwam zelfs een rechtszaak van die echter door Hermans, die de vrije meningsuiting van de auteur en het recht op literaire fictie verdedigde, uiteindelijk gewonnen werd.
Minder belangrijk, maar toch. Op pagina 142 leren we dat het in 1950-51 in Nederland vrouwen nog verboden was in tweedelige badpakken te zwemmen. En op bladzijde 171 staat de uitdrukking: Neerlands hoop in bange dagen! Op Internet vinden we dit niet terug als staande uitdrukking. Was dit een trouvaille van Hermans en hebben Freek de Jonge en Bram Vermeulen de naam van hun cabaretduo aan Ik heb altijd gelijk ontleend?
Quotering: ***
Geraadpleegde lectuur
- Rudi van der Paardt, Willem Frederik Hermans: Ik heb altijd gelijk, in: Lexicon van Literaire Werken, aflevering 76 (november 2007), pp. 1-14.
Deze debuutroman van Hermans hadden wij ergens in de jaren zeventig reeds gelezen, maar wij herinnerden ons er totaal niets meer van, onder meer een gevolg van het feit dat we toen geen aantekeningen hadden gemaakt. Dat laatste was dan ongetwijfeld weer een gevolg van het feit dat het boekje ons weinig zal aangesproken hebben, en dàt is na deze herlezing goed te begrijpen: Conserve is namelijk een bijzonder matig debuutje dat schril afsteekt tegen Reves uit dezelfde periode daterende debuut De Avonden. In 1998 werd Conserve opnieuw apart uitgegeven naar aanleiding van het vijftienjarig bestaan van de Nederlandse uitgeverij Conserve, en het is die heruitgave die wij nu gelezen hebben.
Ondanks het gegeven dat Hermans ooit gesteld heeft dat een Nederlandse schrijver bij voorkeur over Nederlandse zaken dient te schrijven, speelt deze roman zich af in het Amerikaanse mormonenmilieu. Isabel en Onitah, dochters van een rijke mormoon, zijn beiden verliefd op hun halfbroer Jerobeam. Als deze laatste gaat samenwonen met Isabel, wordt Onitah krankzinnig: zij gelooft dat de oude Egyptische godsdienst de enige ware is (de faraos trouwden immers met hun eigen zuster) en dat het lichaam na de dood gemummificeerd moet worden. Onitah wordt ondergebracht bij de zenuwarts Ferdinand, een mesties uit Midden-Amerika die het langs rare kronkelwegen tot dokter brengt. Door toedoen van Ferdinand komt Jerobeam terecht in een psyhiatrische inrichting en na de zelfmoord van Onitah wordt ook Ferdinand, die verliefd was op haar, gek. Ferdinand komt uiteindelijk terecht in dezelfde kliniek als Jerobeam.
Laten wij meteen meedelen dat deze debuutroman geen moment van de grond komt. Conserve behoort weliswaar tot het fantastische deel van Hermans oeuvre en bevat dan ook een onmiskenbaar surrealistisch element, maar het verhaal is te gezocht, willekeurig en bizar om veel indruk te maken, de personages zijn stuk voor stuk mechanische houten klazen die nooit tot leven komen en de lezer dus geen moment kunnen boeien, en een diepere thematiek is lastig te ontwaren. In Het sadistische universum 2 wees Hermans wel op de overeenkomst tussen de mormoonse religie en het nationaal-socialisme (in beide gevallen gaat het om een totalitaire wereldbeschouwing die de complete mens opeist) en op de bladzijden 159-160 komt even iets van het in latere romans zoveel overtuigender en meeslepender verwoorde polemische, ontluisterende wereldbeeld van Hermans boven water drijven, waar Ferdinand over Onitah zegt: De ene wereldbeschouwing is de andere waard. Misschien zou zij meer om mij geven, als ik haar doodsproblematiek niet bestreed. De ene doodsproblematiek is even hersenschimmig als de andere. Wie heeft er gelijk? Het is even onzinnig of ik het ben die gelijk heeft, of zij.
Erg merkwaardig in dit boek is ook de alwetende verteller die zelfs weet te berichten over een scheepsramp waarvan niemand ter wereld ooit heeft gehoord [p. 7] en die vaak op een onnozele manier te pas en te onpas de lezer aanspreekt als een klein kind: Zo kan men nagaan hoe daar werd geglansd [p. 30], raad eens hoe de ster van dit ballet heette? [p. 37], wij begrijpen dus gemakkelijk dat hij de moed niet verloor en kalm het gesprek voortzette [p. 57], wij geloven onze oren niet als wij dit vernemen! [p. 127], toch is er hier een klein verschil, omdat het onze Ferdinand betreft [p. 130]. Wellicht is dat allemaal grappig bedoeld, maar het werkt hoegenaamd niet. De Nederlandse recensent Arnold Heumakers signaleerde wel: Al in Hermans eerste roman is de paradox aanwezig die zijn hele oeuvre kenmerkt: namelijk dat (afgezien van de natuurwetenschap) alleen de literatuur in een wereld vol misverstand en bedrog de waarheid kan zeggen, een waarheid die juist het misverstand en het bedrog zichtbaar maakt. Misschien, maar volgens ons is dit toch Hineininterpretierung.
Conserve is dus een mislukte roman en werd en wordt door het publiek dan ook terecht stiefmoederlijk behandeld. De tekst werd geschreven in 1943 en werd achtereenvolgens afgewezen door Meulenhoff, Van Oorschot en De Bezige Bij. Pas in 1947 verscheen het boek bij W.L. Salm, niet nadat de uitgever het typoscript was kwijtgespeeld (in een café) en de schrijver om een kopie had moeten vragen. Het werd echter geen succes bij het lezerspubliek. Het verwonderlijkste is nog dat de recensenten Hermans eersteling tamelijk welwillend ontvingen en dat zij bijna allemaal oordeelden dat de roman veel beloofde voor de toekomst. Dat vinden wij ronduit knap, want zij hebben achteraf dus gelijk gekregen. Zelf zouden wij achter Conserve geen veelbelovende schrijver vermoed hebben, want buiten één fraai geformuleerd zinnetje (Hij ging, maar kwam terug: zijn voetstappen haakten lussen om het huis [p. 35]) en één grappige observatie (over Isabel die bij Jerobeam en Ferdinand komt zitten, vanboven ruime inkijk biedend op bekoorlijkheden die geen bijzonder solide indruk maakten [p. 87]) hebben wij niets kunnen ontdekken. Wél nog een foutieve zinsconstructie, meer bepaald een foutieve samentrekking: Een bleke te kort belichte foto zag men dan en begreep niet waarom of waardoor [p. 56].
De lectuur van deze bijzonder magere eersteling van Hermans leert ons in elk geval één ding: dat men een debuut welwillend moet behandelen en niet te snel mag veroordelen.
Geraadpleegde lectuur
- Arnold Heumakers, Conserve was daad van verzet. Debuut Hermans stiefmoederlijk behandeld, in: NRC Handelsblad / Boeken, 12 februari 1999, p. 37.
BOEK: Ik ben God de Vader niet (Louis Tobback) 2013
IK BEN GOD DE VADER NIET
1001 inspirerende oneliners en quotes verzameld door Karel Cambien
(Louis Tobback) 2013
[Uitgeverij Van Halewyck, Leuven, 2013, 296 blz.]
Dit boek is het derde in een minireeksje waarin ook al gelijkaardige uitgaven rond Herman De Croo (De Croo met twee nullen) en Mark Eyskens (Idealist zonder illusies) aan bod kwamen. 296 bladzijden gevuld met citaten uit oude interviews met Louis Tobback (Vlaamse socialistische politicus en tegenwoordig burgemeester van Leuven) is wel wat veel van het goede, ofschoon Lewie zijn imago van goedmoedige brombeer en oude krokodil op talrijke momenten gestand doet. Hij legt graag zijn vinger op de zere plekken van de Belgische politiek en samenleving, heeft vaak een scherpe en rake kijk op de dingen, schrikt er niet voor terug om op lange tenen te trappen (ook binnen zijn eigen partij, de SP-A) en getuigt regelmatig van een gezonde zin voor humor.
Het belangrijkste wat hij hier te vertellen heeft, is vermoedelijk dat de socialisten met de bankencrisis in 2008 het failliet van de kapitalistische economie onvoldoende aangeklaagd hebben waardoor ze een grote kans om hun eigen ideeëngoed te pimpen gemist hebben. Het leukste wat wij lazen, was dat Tobback om zich tijdens de vakantie te ontspannen elk jaar veertien dagen naar Zeeland (in Nederland) trekt. Wij kennen er nog die hun hart verpand hebben aan dat Zeeland.
BOEK: Over het verlangen naar een sigaret (Rutger Kopland) 2001
Over het verlangen naar een sigaret (Rutger Kopland) 2001
[Gedichten, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 2001, 50 blz.]
Het spijt ons, maar in het verleden heeft de poëzie van deze dichtende Nederlandse psychiater (overleden in juli 2012) ons nooit enthousiast kunnen maken, en dit bundeltje uit 2001 brengt daar helaas geen verandering in. De onderwerpen die hij aansnijdt, spreken ons niet aan en tevergeefs zoeken wij naar verzen die opvallend mooi verwoord zijn of getuigen van een ongewone taalcreativiteit. Te vaak lijken zijn gedichten op in stukjes gekapt proza en als dat dan ook nog eens proza is dat over heel weinig gaat en zelden of nooit geïnspireerde ideeën in de aanbieding heeft Wat ons wel aanspreekt, is dat Kopland hier meermaals gedichten schrijft bij beeldhouwwerken, prenten en schilderijen. Maar in de meerderheid van de gevallen worden die niet afgebeeld (een gemiste kans) en als ze wél afgebeeld worden, zoals de schilderijen van Co Westerik in de cyclus Afdaling op klaarlichte dag, gaat het om mottige ondingen die we niet aan onze muur zouden willen hangen. Het zal aan ons liggen, zullen we maar zalvend zeggen.