|
1975 - Kabul
Alles ging goed voor mij. Ik had een dienaar die alles
voor mij deed en kreeg ook alles wat ik vroeg van mijn vader die één van de
rijkste persoon in Kabul was. Met de tijd werd die dienaar meer en meer mijn
vriend. Maar niemand mag hier bevriend worden met een Hazara. Misschien was dat
ook beter zo, hij kreeg al genoeg aandacht van mijn vader Baba. Alles wat ik
deed was slecht, maar wat mijn dienaar deed was altijd super. "Dat is ten
minste een man": heb ik Baba ooit horen zeggen tegen Kahn. Khan was een vriend
van Baba. Gelukkig dat hij daar was. Hij zei altijd tegen mijn vader dat het
niet erg was wanneer ik niet terugvocht wanneer ik een klap kreeg van iemand.
Hij zei dan tegen Baba: "hij is gewoon niet agressief" of hij zei
soms dat ik wel iemand ging worden in het leven, dat mijn vader zich geen
zorgen hoefde te maken. Hij was ook altijd enthousiast om de verhalen die ik
schreef te lezen, hij zei dan altijd dat ik een grote schrijver ging worden
tegen Baba. Maar ja
Mijn vader was niet erg overtuigd. Alles wat ik deed was
met het doel om ervoor te zorgen dat Baba fier was op mij. Soms lukte dat, maar vaker niet.
|