Inhoud blog
  • Dat was het dan
  • 15. Martine
  • 14. Juni 2007
  • 13. François vertelt - deel 3
  • 13. François vertelt - deel 2
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Even niet meer mee?
    De meest recente tekst staat altijd bovenaan. Dus als je omlaag scrolt vind je de voorgaande hoofdstukken. Een hoofdstuk dat is opgedeeld is ook zo genummerd, je vindt dit bovenaan bij de titel.
    Je kan ook gericht zoeken op titel (links boven) of in het archief per week (rechts boven).


    Céline blogt een boek
    Martijn. Een kroniek.
    10-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.7. Zandlopers

    Terwijl Maria haar best deed om het leven van haar neef tot een hel te maken, had ze er geen idee van dat haar tweelingzus ontwaakt was uit de winterslaap waarin ze haar hele leven had gezeten. Elfride stond nog steeds als eerste op en ging als laatste gaan slapen. Ze deed nog steeds het grootste deel van het huishouden en zorgde met grote nauwkeurigheid voor de huisgasten, maar sinds Yves zijn intocht had gemaakt, leek het alsof alles minder zwaar en inspannend was geworden. Met veel plezier schonk ze hem bij het ontbijt zijn koffie in nadat ze hem de krant had gegeven. Ze trok zich niets aan van de verbaasde blikken van de andere eters als ze hem met een glimlach het laatste sneetje brood gaf of het laatste zacht gekookte eitje. Yves bleef meestal ook de hele dag bij haar, met uitzondering van de momenten waarop hij het dorp in trok om ‘zaken’ te gaan doen. Hij vertelde over zijn leven en over de dingen die hij tijdens zijn omzwervingen was tegen gekomen. Hij vertelde over geisha’s in China en slangen in Australië. Elfride luisterde met rode oortjes naar zijn verhalen  over Vietnamese hoertjes en Arabische harems terwijl ze haar blik star op de afwas hield om haar ongemakkelijke fascinatie niet te verraden. Yves betaalde nooit voor zijn onderdak. Elke maand legde Elfride een enveloppe in de schaal waar elke gast zijn huur in moest deponeren en hield zo haar zus in het ongewisse over de ware toedracht van hun mysterieuze gast. Van het geld ging altijd een deel naar Elfride dat was bedoeld om kleine boodschappen te doen en elke maand hield Elfride hetzelfde bedrag af om voor Yves te kunnen betalen. Het was een perfecte kleine fraude.

    Elfride had al heel snel door dat Yves er een levenswijze van had gemaakt om zich overal ter wereld onderdak te verschaffen bij vrouwen als zij zelf en dat hij nooit met iets anders had betaald dan met charme en histories. Toen dit tot haar door was gedrongen had ze even overwogen om hem de deur te wijzen, maar iets in haar zei dat deze kleine sprankel hoop niet mocht laten schieten. Nadat ze Filip had moeten laten schieten had ze haar hart gesloten en was ze haar zuster op automatische piloot gevolgd in alles wat ze deed en plande, maar nu leek het alsof de verbittering die haar zo lang had dreigen te verzwelgen plaats maakte voor verwachting en vertrouwen. Ze had vaak medelijden met Martijn en nam een deel van zijn klussen over, maar ze durfde het nog steeds niet aan om luidop tegen haar zuster in te gaan.

     

    Martijn vierde zijn veertiende verjaardag alleen op zijn kamer. Elfride had hem ’s morgens een zoen en een briefje van honderd frank gegeven en ook Yves had hem gefeliciteerd, met een mannelijke handschudding die Martijn nogal ongemakkelijk in ontvangst nam. De andere huisgasten waren zich niet bewust van de datum en Maria had besloten om het gebeuren opzettelijk te negeren. Zoals zo vaak wanneer hij zich verdrietig voelde speelde hij met zijn blonde krullen waarvan de structuur en de zachtheid hem aan zijn moeder deden denken en praatte hij met haar in gedachten. Ze had hem altijd beloofd dat het wel ging gaan, om verder te leven zonder haar. Ze had hem gezegd dat er genoeg mensen waren die van hem hielden en dat hij nooit eenzaam zou moeten zijn. Ze had beweerd dat het goed was om te weten wanneer iemand sterft, omdat je dan tijd hebt om afscheid te nemen. Ze had het allemaal veel beter voorgesteld dan het was en Martijn voelde zich eenzamer dan ooit.

     

    Toen kwam de dag dat het er ook voor Maria op zat. Ze was eigenlijk best nog jong om te sterven, 59 pas, maar haar zandloper liep gestaag maar zeker leeg. Martijn was er zich natuurlijk van bewust dat het zo ver was, hij had dit al voorzien van de eerste dag dat hij door de agenten in het huis van zijn tantes was geplant. Hij voelde er zich niet blij of verdrietig bij, was ook niet echt verheugd met de kennis dat hij eindelijk van die oude tang verlost zou zijn, hoewel hij misschien ergens wel een vaag gevoel van opluchting meende te bespeuren. Hij stond er niet bij stil hoe het zou gebeuren of op welk precies moment gedurende de dag, hij wist alleen dat het vandaag de laatste dag was dat zijn tante nog levend op deze aardkloot ging vertoeven. Met een iets luchtiger gevoel dan op een andere dag begon Martijn aan zijn wandeling naar school, met zijn rugzak nonchalant over één schouder en zijn handen in zijn broekzakken. De dag verliep rustig en Martijn vroeg zich af en toe af of het al zo ver was, een gedachte die even snel uit zijn brein wegvloog als het er in verschenen was. Met een gevoel van gespannen verwachting wandelde hij in de late middag naar huis, benieuwd hoe het er voor stond en ook nieuwsgierig naar het hoe van het einde van zijn tante, want dat kon hij immers nooit voorspellen. Hij kwam aan in een verlaten huis en liet zijn rugzak op de grond vallen in de gang. Verboden, natuurlijk, maar wat kon het hem nog schelen. De tirannie zou er na vandaag toch opzitten. Zijn jas wachtte hetzelfde lot en luid fluitend liep Martijn de trap op. Hij liet zich met zijn schoenen aan op het bed vallen. Met zijn handen in zijn nek en met zijn voeten aan de enkels gekruist, bleef hij liggen luisteren. Gestommel in de hal zei hem dat er iemand in huis was gekomen. Gevloek en gestamp op de houten treden verraadden dat het Maria was. Ze gooide de deur van zijn kamer open.

    “Ga als de bliksem naar beneden en ruim je rommel op!” schreeuwde ze, luid en rood aanlopend. Martijn bleef rustig liggen.

    “Kijk me aan als ik tegen je spreek, vervelend rotjoch!”,  riep Maria, bijna stampvoetend.

    “Rustig mens, direct krijg je nog iets aan je tikker”, zei een stem die van diep uit Martijns borst kwam en die hij niet meteen herkende. Wanneer had hij een baard in zijn keel gekregen? Hij glimlachte bij de vaststelling.

    “Wie denk je wel dat je bent?”, tierde zijn tante ondertussen verder. “Je denkt dat je te goed bent voor iedereen, net als je moeder hé.”

    “Daar gaan we weer…” mompelde Martijn.

    “Wat zeg je daar?”, vroeg Maria. “Rotkind!”, spuwde ze naar hem. “Je bent al even geschift als je moeder, denken dat ze beter is dan een ander omwille van haar rijke pleegvader. Maar je moet niet denken dat jij daar nog terug naar toe kan.” Haar ogen schitterden en ze lachte gemeen.

    “Je geliefde opa François heeft een beroerte gehad vandaag. Ik hoorde het net bij de bakker. Ze zeggen dat hij waarschijnlijk de ochtend niet haalt. Dat had je vast niet zien aankomen hé?” , treiterde ze.

    Martijn sprong recht en keek zijn tante onbegrijpend aan. “Wat?” vroeg hij.

    “Ik zei: dat had je vast niet zien aankomen hé? Ze beweren in het dorp dat je helderziend bent, maar zie hier het tegenbewijs!” Maria hield haar handen wijd open om haar woorden kracht bij te zetten. Ze lachte sadistisch.

    Duizenden gedachten schoten tezelfdertijd door het hoofd van Martijn. “Het kan niet!” dacht hij. “Het is zijn tijd nog niet.” En toen, luidop: “Ik moet naar hem toe.” Hij stond op en stapte naar de deur.

    “O nee”, treiterde zijn tante nog wat verder, “jij gaat helemaal nergens heen.” Ze haalde de sleutelbos van haar heup en probeerde haastig om de zolderdeur af te sluiten. Martijn was echter jong en fit en stond in een halve tel voor haar. Ze schrok van zijn lengte, ze kon zich niet herinneren wanneer hij zo was gegroeid. Maria probeerde met haar volle gewicht de deur tegen te houden en Martijn terug in de zolder te dwingen, maar hij was sterk geworden en zijn vastberadenheid was groot. Met haar hele breedte probeerde Maria de trap die recht op de zolderdeur uit kwam te versperren. Net dit manoeuvre werd haar noodlottig. Ze greep Martijn bij de pols, maar hij trok zich even snel weer los. Door de kracht van die beweging katapulteerde ze achteruit.

    Zo verloor het oudste deel van de Verheye- tweeling haar evenwicht. Ze probeerde zich nog vast te klemmen aan de trapleuning en instinctief greep Martijn zelfs nog naar haar armen in een poging om haar tegen te houden. Met een geluidloze schreeuw viel Maria achterover van de trap. Ze brak haar nek toen ze voorbij de twaalfde trede rolde en was op slag dood. Met haar ogen open bleef ze bewegingloos liggen op de hardhouten vloer van de tweede verdieping.

     

    Martijn staarde naar het levenloze gezicht van zijn tante, waaruit nu alle beweging was verdwenen.  Als bevroren bleef hij boven aan de rap staan. Hij slikte moeizaam een prop weg die in zijn keel leek te bleven hangen. En toen nog eens.

    Hij rende de trap af. Zijn tante liet hij liggen waar ze gevallen was, voor haar kon hij toch niets meer doen. Beneden in de hal nam hij zijn jas en trok hij die aan. In het naar buiten rennen kon hij nog net zijn tante Elfride ontwijken, die met haar armen vol boodschappen het tuinpad op liep. Hij was gehaast, in paniek en had geen tijd om haar verbaasdheid op te merken. Hij had geen oog voor de oprechte bezorgdheid over hem die haar gezicht verraadde. Hij was al te ver weggerend om haar gegil te horen toen ze haar gevallen zuster terugvond.

     

    Martijn rende en rende. Hij rende tot hij bij het ziekenhuis aankwam dat zich in het aanpalende dorp en op zo’n vijf kilometer van het huis van de zussen Verheye bevond. Onder begeleiding van een verpleegster die Elisa nog had gekend werd hij bij zijn grootvader gelaten. Martijn schrok van de aanblik van de oude man. Hij was bewusteloos en aan een hele batterij machines gekoppeld. Elk apparaat in de kamer maakte zijn eigen specifieke geluid.

    “De huishoudster heeft hem deze morgen gevonden”, fluisterde de verpleegster tegen Martijn. Ze kneep hem zachtjes in de schouder. “Hij heeft een bloedklonter aan de linkerhersenhelft. De komende uren zijn kritiek.”

    Martijn onderdrukte een snik en schudde zijn hoofd. “Hij haalt het wel”, stamelde hij. “Hij haalt het wel want het is zijn tijd nog niet.”

    De verpleegster knikte hem bemoedigend toe. “Het is goed om hoop te hebben”, zei ze, terwijl ze hem een glimlach vol medelijden schonk. “Maar zelfs als hij het haalt weten we niet hoe hij er uit komt. Hij kan verlamd zijn, of zijn spraakvermogen kwijt zijn.” Ze zuchtte. “We moeten afwachten. Ik laat je even bij hem, maar over een kwartiertje moet je gaan. Ik ga nu al mijn boekje te buiten door je hier te laten. ”

    Martijn keek haar vragend aan.

    “Enkel familie is toegelaten op de intensieve zorgen”, verduidelijkte ze. Ze draaide zich om en sloot de deur achter zich.

    Martijn bleef even naar zijn geliefde grootvader staan kijken. Net zoals in alle levende wezens was de voortdurende beweging van leven prominent aanwezig en zichtbaar voor de jongen. Hij nam François’ hand vast. “Ik begrijp het niet”, fluisterde hij. “Vandaag had zo niet mogen lopen. Het was hààr beurt, niet de jouwe…” Met de achterkant van zijn linkerhand veegde hij een traan van zijn wang. Hij dwong zichzelf om naar het gezicht van François te blijven kijken. Misschien was hij wel gemist? Misschien was er toch minder leven in hem over dan hij had voorzien? Martijn onderzocht het gelaat van zijn grootvader op zoek naar een teken dat er iets was veranderd. Misschien stroomde de zandloper nu sneller leeg dan voorheen? Met de vingertoppen van zijn rechterhand raakte hij de zongebruinde huid van de oude man aan. Hij had meer rimpels dan Martijn zich herinnerde. Er zaten ook verschillende bruine vlekjes op zijn gezicht die Martijn niet eerder had opgemerkt. Het feit dat François hier nu zo lag, in een gebroken lichaam, bewees een ontmoeting met zijn sterfelijkheid. Maar de datum, het eindpunt, was nog steeds hetzelfde. Martijn boog voorover en kuste zijn grootvaders voorhoofd, zoals die zelf altijd had gedaan voor het slapengaan.  Even liet hij zijn eigen voorhoofd steunen tegen die van de oude man. Met dichtgeknepen ogen bleef hij zo enige momenten staan, terwijl duizenden gedachten en emoties door zijn hoofd en lijf raasden. De machines in de kamer maakte ritmische en minder ritmische geluiden. Martijn ademde mee met de hartmonitor. Twee hartslagen in, drie hartslagen uit. Hij hoopte op een teken van bewustzijn bij François, misschien een kleine kneep in zijn hand, zoals hij zo vaak in boeken had gelezen wanneer comapatiënten plots een teken van leven gaven. Verschillende minuten gingen voorbij terwijl hij daar zo stond en wachtte en hoopte, maar niets gebeurde.

    Er werd zacht op de deur geklopt en de verpleegster kwam terug de kamer binnen. Martijn begreep dat zijn tijd er op zat en rechtte zijn rug. Hij veegde zijn gezicht schoon met zijn linkermouw en stapte de kamer uit. Toen hij aan de balie twee politieagenten zag staan, wist hij dat ze voor hem waren gekomen. Hij deed geen pogingen om te vluchten. Hij wachtte niet tot ze hem hadden gezien, maar stapte recht op hen af. Ze waren beide midden dertig en ongeveer even groot. Hij hoorde nauwelijks wat ze tegen hem zeiden, hij staarde de hele tijd naar zijn schoenen. Gedwee liep hij met hen mee, terwijl de ene agent hem met zijn hand op zijn schouder richting patrouillewagen stuurde. In zijn ooghoek zag hij de verpleegster die hem zo net bij zijn grootvader had gelaten hem verbaasd aanstaren. Een andere verpleegkundige fluisterde iets in haar oor en geschokt sloeg ze haar hand voor haar mond.

     

    Martijn werd urenlang ondervraagd. Hij beantwoordde alle vragen waarheidsgetrouw en open en mocht toen in een afzonderlijk kantoor zitten wachten. Hij kreeg een kop koffie en een deken en viel in slaap op de zetel die in het kantoor stond. Terwijl hij daar zo in een bolletje opgekruld lag in die fauteuil waarvan de bekleding afgesleten was en de vering in zijn rug prikte droomde Martijn over zijn moeder. Hij zag haar stille, dode gezicht op het lichaam van Maria. Haar ogen waren open, zoals die van zijn tante, maar ze keken hem recht aan en om haar mond lag een glimlach. Ze leek iets te willen zeggen, maar Martijn kon haar niet horen.

    Met een schok en badend in het zweet schrok Martijn wakker. Het was donker in het kantoor. Door de matglazen deur scheen tl-licht naar binnen. In de gang hoorde Martijn gedempte stemmen. Hij herkende zijn vader en één van de agenten die hem hadden ondervraagd.

    “U begrijpt het niet”, hoorde Martijn zijn vader zeggen. “Ik kan hem niet mee naar huis nemen.”

    “Meneer,” antwoordde de andere stem. “als u hem niet mee neemt, gaat hij naar een instelling.”

    “Maar ik dacht dat u zei dat het een ongeluk was?” zei zijn vader geschrokken.

    “Alles wijst inderdaad  op een ongeluk, meneer”, luidde het antwoord. “maar Martijn is minderjarig en we kunnen hem niet laten gaan als er geen zorg voor hem is verzekerd.” “Luister”, zei Henri. “Ik heb het heel druk met … zaken en nu mijn schoonvader in het ziekenhuis ligt. Ik weet niet of ik voor dat kind kan zorgen. Er… er scheelt iets aan.”

    Van alle dingen die in de laatste maanden waren gebeurd sneden die woorden Martijn het meest en het diepst door zijn ziel. Hij was vaak genoeg ‘dat kind’ genoemd. Maar om zijn vader nu dezelfde bewoordingen te horen gebruiken, daar kon hij niet bij. Er klonk nog wat gemompel en net toen Martijn verwachtte dat de deur ging open zwaaien en dat hij met zijn vader mee naar huis ging gaan, werd het stil op de gang. Snikkend viel Martijn terug in slaap.

     

    Toen Elfride haar neefje met een hoogrode kleur en een paniekerige blik op zijn gezicht voorbij had zien rennen op het tuinpad had ze meteen beseft dat er iets scheelde. Ze had zich naar binnen gehaast en haar boodschappentassen op de vloer in de keuken gezet. Martijn had de deur open laten staan en in het midden van de gang zag ze zijn rugzak liggen. Elfride bukte zich op de tas op te rapen en aan zijn haak aan de kapstok te hangen. Het huis was stil, enkel het getik van de staande klok in de eetkamer was vaag hoorbaar op de achtergrond. En toen zag Elfride de lange beige jas van haar zuster aan de haak hangen naast de plek waar ze zojuist de rugzak had opgehangen. Elfride fronste, begrijpend dat er iets niet klopte. “Maria?”, riep ze omhoog langs de trap. “Maria, ben je thuis?”

    Het bleef stil in huis. Geen van de huurders was aanwezig en er had zich ook niemand aangemeld voor het avondeten. Elfride verwachtte enkel Maria en Yves, die elke avond trouw aan schoof.

    “Maria?” riep ze nog eens omhoog. Twijfelend bleef ze staan terwijl ze met gespitste oren luisterde of er iemand boven was. Wetend dat Maria nooit zonder jas zou vertrekken en dus in huis moest zijn begon Elfride aan haar klim op de trap. Met elke trede bonsde haar hart luider in haar keel. Haar hand trilde en gleed weg over de leuning door het zweet dat haar handpalm klam en glibberig maakte. Op de eerste verdieping was alles stil en verlaten. De deur van de badkamer stond open. De handdoeken lagen keurig gevouwen op de kast, klaar voor gebruik. De kraan van het bad lekte een klein beetje en herinnerde Elfride er aan dat ze een loodgieter moest laten komen. De drie gastenkamers op deze etage waren in gebruik, hun deuren waren dicht, maar nooit op slot. Elfride klopte aan bij de deur van Yves, wetend dat hij er toch niet was, en stak haar hoofd binnen. Zoals alle kamers was ook deze eenvoudig ingericht maar netjes. In het midden van de kamer stond een eenpersoonsbed met het hoofdeinde tegen de muur onder een klein eenvoudig kruisbeeld. Er was een hoge kleerkast en een dressoir waarop enkele leesboeken lagen. De muren waren behangen in een vergeeld bloemetjespapier dat ooit heel duur was geweest maar nu enkel nog de mistroostigheid van het gebouw leek te benadrukken. Het bed was opgemaakt, dat deed Yves elke ochtend trouw zelf, zodat Elfride aan hem geen extra werk zou hebben. Even bleef Elfride in de deurpost staan, ze snoof de lucht in zijn kamer op en herkende hem in de geur die haar vertrouwd en vriendelijk tegemoet kwam. Voorzichtig trok ze de deur terug dicht, stil alsof ze niemand wilde laten schrikken.

    En toen vervolgde ze haar weg naar de volgende verdieping. Ze was nog niet helemaal boven toen ze haar zuster aan de onderste trede van de zoldertrap zag liggen. Even stokte haar adem en bleef ze als bevroren staan.

    “Maria?” vroeg ze nogmaals, deze keer bijna fluisterend. Er kwam geen antwoord en Elfride wist ook wel heel goed dat er geen antwoord meer zou komen. Traag en bevend beklom Elfride de laatste treden tot ze op de overloop van de tweede verdieping stond. Ze gilde. Een oerkreet die van in haar diepste binnenste naar boven klom en alle emotie uitstootte die ze de laatste jaren voor zich had gehouden.

    Toen liet ze zich op haar knieën bij haar dode zuster zakken. “Ach Marieke…” mompelde ze. Ze streelde de grijze, dun geworden haren van haar zus uit haar gezicht en sloot toen zachtjes haar ogen. Ze kuste Maria één maal op elke wang en stond toen op. Heel beheerst belde ze de politie.

    Toen Yves die avond na een dag ‘zaken doen’ terug aan kwam bij het grote huis, zag hij nog net de lijkwagen wegrijden. Er waren nog enkele mensen van het parket aanwezig in het huis die een laatste verklaring afnamen en toen ook aanstalten maakten om te vertrekken.

    Yves vond Elfride in de keuken waar hij haar maanden voorheen voor het eerst had gezien. Ze zat op een stoel aan de grote eikenhouten kloostertafel en staarde naar de kop koffie die onaangeroerd voor haar neus stond. “Ze is slap”, zei ze, droog en feitelijk, terwijl ze naar de kop zwarte vloeistof wees.

    “Duizend irrelevante vragen stellen, dat kunnen die agenten wel, maar een deftige kop koffie zetten is blijkbaar kernfysica voor ze.” Ze grinnikte humorloos en liet toen haar hoofd in haar beide handen rusten terwijl ze met haar ellenbogen op de tafel steunde.

    Yves liep naar de wastafel en vulde een ketel met water. Zoals hij Elfride honderden keren had zien doen zette hij de ketel op het vuur. Uit de kast naast het vuur haalde hij de kan, de koffie, de filterhouder en een papieren koffiefilter. In stilte plaatste de houder op de kan. Het papier plaatste hij zorgvuldig in de houder en daarin strooide hij nauwkeurig vijf maatjes koffie. Met zijn rug naar Elfride wachtte hij tot de ketel floot en toen het water kookte schonk hij de hete vloeistof door de filter tot de kan vol was met echte koffie.

    “Goeie koffie moet je ruiken”, zei Elfride, tegen niemand in het bijzonder, “die maak je niet met een koffiemachine.”

    Yves zei niets, maar nam in stilte het kopje weg dat voor Elfride stond en zette er een nieuwe, verse kop voor in de plaats.

    “Weet jij wat de truc is voor een goede kop troost?”, vroeg Elfride. “Je water moet bijna nog koken”, ratelde ze, “ en je moet je pot met koffie altijd goed gesloten bewaren. Donker en koel. Maria wist dat niet. Ze zei altijd dat ik de beste koffie kon zetten van de hele wereld.”

    Toen pas kwam het wenen. “Weet je dat Maria in heel haar leven nooit zelf een kop koffie heeft gezet? Volgens mij wist ze niet eens waar ik de pot bewaar.” Elfride weende dikke tranen in haar handen, haar schouders schokkend bij elke snik. Yves trok een stoel bij en legde een arm over Elfride’s schuddende rug. Zachtjes streelde hij haar, terwijl hij troostende woordjes fluisterde. En toen werd het schokken heftiger en plots besefte Yves dat Elfride niet langer aan het wenen was, maar dat ze zat te lachen. Hij begreep er niets van en keek de vrouw die slechts ogenblikken voorheen nog verteerd leek door verdriet verbaasd aan.

    “Begrijp je het dan niet?” vroeg Elfride hem, terwijl ze hem lachend, met een gezicht nog nat van de tranen aan keek. “Ik ben eindelijk vrij!” En voor Yves zijn verstomming in woorden kon uitdrukken greep Elfride zijn gezicht vast met beide handen en kuste ze hem vol op de mond. Ze kuste hem met alle opgekropte en verdrongen passie die ze gedurende haar leven had opgespaard. Ze kuste de frustratie weg en de kwaadheid die ze nooit had kunnen uiten. Ze kuste om Filip die was weggebleven en haar hart had gebroken door met haar zuster te trouwen en om alle anderen die nadien nooit meer waren gekomen. Ze kuste met alle bagage die ze gedurende al die jaren had verzameld en als de onervaren tiener die ze diep van binnen eigenlijk nog steeds was. Yves slikte zijn verstomming weg en kuste haar toen even diep en passioneel terug.

    Hij zou nooit vergeten hoe ze was die eerste nacht samen. Hoe verlegen ze was toen hij haar respectvol maar begerig uit haar kleren hielp. Hoe zacht ze was en hoe jong ze rook. Hoe ze bij momenten weende om haar gestorven zus en de verloren jaren en hoe ze dan weer bijna juichte van blijheid omdat de toekomst waar ze altijd van had gedroomd er nu misschien toch nog zou komen. Hoe hij voor haar het genot mocht openbaren waar ze altijd van onthouden was geweest.

     

    Toen Martijn de volgende ochtend wakker werd zat de eigenaar van het kantoor waarin hij in slaap was gevallen hem aan te kijken. Het was de agent die hij in de gang met zijn vader had horen praten.

    “Goeiemorgen, knul”, zei hij. Hij duwde Martijn een kop melk in zijn handen. Martijn nam het dankbaar aan en dronk het in één keer leeg.

    “Je hebt vast niet al te goed geslapen hé, het is een rotzetel waar je op ligt. Ik kan het weten.”

    Martijn trok zijn schouders op. “Valt wel mee”, mompelde hij. Hij staarde in de witte vloeistof. De agent had bijzonder veel beweging in zijn gelaat, wat het voor Martijn moeilijk maakte om oogcontact te houden.

    “Je pa komt je straks halen”, zei de agent. “Hij … wilde je gisteren niet wakker maken, je lag zo vast te slapen.”

    Martijn wist dat de agent loog om hem te sparen en knikte. Hij voelde meteen sympathie voor de man. “Hebt u kinderen?”, vroeg hij.

    “Nee, gelukkig niet” zei de agent.

    “Houdt u niet van kinderen?”, vroeg Martijn.

    “Toch wel, maar ik zou een slechte vader geweest zijn.” De politieman nipte aan een kop hete thee. “Is het waar wat ze zeggen?”, vroeg hij toen.

    Martijn keek verbaasd op. “Hoe bedoelt u?”

    “Ze zeggen dat jij helderziend bent of zo…”

    “Ik ben niet helderziend”, beet Martijn hem toe, “en ook niet gek.”

    De agent roerde met een lepeltje in zijn porseleinen kopje. Het was vuil wit en in blauwe letters stond er ‘je bent een topper’ op gedrukt. “Jammer”, zuchtte hij. “Ik heb iets in mijn kop zitten, hier zo.” Met één vinger priemde de agent zo’n vier centimeter boven zijn rechteroor. “Een aneurysma. Een soort ballon, gevuld met bloed, die duwt in mijn hersenen. Dokter zegt dat ze niet kunnen opereren, dat het ding vroeg of laat open barst. Ik heb het aan niemand verteld, ik ga toch dood. En als ze het hier te weten komen word ik buiten dienst gesteld”

    Martijn bleef in zijn melk staren, ongemakkelijk bij de informatie die de agent hem zo openhartig meedeelde. “Het spijt me”, zei hij.

    Toen werd er op de deur geklopt. Een andere, vrouwelijke agent stak zijn hoofd binnen

    “De jongen zijn vader is hier”, was haar korte mededeling.

    Martijn stond op en zette zijn lege kop op de bureau. “Bedankt”, zei hij.

    De agent keek niet op.

    “En meneer? Als je nog iemand moet spreken of zien voor het zover is, ik zou niet te lang meer wachten. Je leven stopt over precies drieëntwintig dagen.” Zonder verder nog iets te zeggen of een antwoord af te wachten draaide Martijn zich om. Hij trok zijn trui recht en stapte het kantoor uit samen met de agente.

     

    In de gang stond Henri zijn zoon op te wachten. Nu Martijn een tiener was leek hij meer dan ooit op zijn moeder. Hij had dezelfde bleke, bijna doorschijnende huid en dezelfde gouden weerbarstige krullen. Hij keek door dezelfde blauwe onschuldige ogen en had dezelfde fijne handen.

    Henri slikte bij de herkenning. Zijn adem stokte bij de gedachte aan zijn geliefde Elisa. Het liefste wilde hij het politiekantoor uit rennen, weg van zijn zoon die alle wonden openreet door gewoon aanwezig te zijn. De aanblik van zijn zoon was bijna ondraaglijk en in zijn wanhoop bedacht Henri dat hij de juiste keuze had gemaakt.

    “Martijn”, begon Henri. Hij staarde naar het punt op de vloer waar ook Martijns blik bleef hangen. “Ik heb met de sociaal werker van het politiekantoor gesproken. En we vinden het beter dat je ergens heen gaat waar er beter kan worden gezorgd voor jongens als jij.”

    Martijn bleef naar de stenen vloer staren.

    “Je hebt rare gedachten jongen. En met wat er nu met Maria is gebeurd…” Met hoorbare moeite perste Henri de woorden uit zijn mond. “Ik kan niet voor je zorgen, en François… Tja, God weet wanneer en hoe hij er weer door komt.”

    Vol ongeloof maar ook gelaten liet Martijn de informatie over zich heen komen. Nu pas merkte hij zijn rugzak op die bij zijn vaders voeten op de grond lag. De zak leek volgestouwd met kledij.

    “Ik wil je niet in dat huis laten. Elfride zal het al moeilijk genoeg hebben zo en ik denk dat ze het je misschien wel kwalijk neemt wat er met haar zus is gebeurd.”

    Martijn knikte en slikte enkele tranen weg.

    “Je gaat op… een soort internaat, daar weten ze wel wat gedaan met jongens zoals jij”, ging zijn vader verder, “structuur en zo… En het is midden in het groen. Je vindt het er vast wel fijn.”

     

    Martijn volgde zijn vader uit het politiebureel. Toen hij langs het kantoortje liep waar hij de nacht had doorgebracht stak de agent met het aneurysma zijn hand naar hem op. “Bedankt”, lipte de man geluidloos.

    Precies drieëntwintig dagen later zou de man overlijden, nadat hij de tijd had genomen afscheid te nemen van zijn oude moeder en zijn jongere broer, net zoals Martijn hem had aangeraden. Maar hij zou niet sterven aan de gevolgen van een gesprongen aneurysma, zoals de artsen hadden voorspeld. Op de drieëntwintigste avond na de ontmoeting met Martijn liep de agent te voet naar huis, toen er uit een zijstraat een terreinwagen aan overdreven snelheid de hoofdbaan op schoot. De agent zag dit gebeuren en merkte ook de vrouw op die met overvolle boodschappentassen de straat aan het oversteken was. Hij vloekte nog luidop tegen zichzelf en kon de vrouw net op tijd uit de weg duwen. Toen hij op de straat lag dood te bloeden en de chauffeur van de wagen in paniek de hulpdiensten hoorde bellen dacht hij aan de jongen die hem de kans had gegeven om alles in schoonheid af te sluiten. Hij kon niet anders dan glimlachen terwijl hij het einde verwelkomde.


     

    10-03-2018 om 18:01 geschreven door Céline Berton


    03-03-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.6.Ondergaan

    De volgende ochtend nam François om acht uur afscheid van zijn opgeschoten kleinzoon die zoals elke dag te voet naar school stapte. Leunend op zijn wandelstok stond hij in het portaal van zijn statige herenhuis terwijl hij de jongen na keek die met zijn rugzak over één schouder wegslenterde. Hij zag er uit als vele tieners toen. Een te nauwe jeansbroek. Een zwart T shirt met de afbeelding van de één of andere band op. Een wijde jeansvest en legerbottines. Haar dat in lange krullen langs zijn gezicht hing. 

    François maakte zich zorgen om het kind, dat steeds stiller en meer teruggetrokken werd en niet over zijn moeder leek te kunnen praten. Hij piekerde ook over zijn schoonzoon, die zijn verdriet probeerde te verdrinken en bijna nooit aanwezig was, tenzij om zijn roes uit te slapen. François had al geprobeerd om hem te rede te brengen, maar werd onbegrip verweten. Hij wist dat Henri het hem kwalijk nam dat hij niet meer gedaan had om Elisa te overtuigen om zich toch te laten behandelen. Hij maakte zich zorgen om de man, die hij als familie beschouwde. De antiekhandel slabakte, maar François had voldoende financiële reserve om deze periode te overbruggen en had zijn contacten om begrip gevraagd omwille van de situatie. Hij wist dat dit begrip eens zou op geraken, maar hoopte dat Henri tegen die tijd genoeg gerouwd zou hebben en de dingen terug zou opnemen.

    François zelf was met het verlies van zijn pleegdochter eensklaps jaren ouder geworden. Hij merkte dat hij het steeds moeilijker kreeg om zich vrij te bewegen. Alles leek stijver en pijnlijker. Opstaan was elke morgen een karwei en het duurde nu veel langer dan vroeger voor hij zich gewassen en aangekleed had. Soms betrapte hij zich er op dat hij de krant van de dag voordien aan het lezen was en niet eens had opgemerkt dat hij de berichten al eens had gelezen. Hij werd oud, maar zoals zowel Elisa als Martijn hem hadden verzekerd: hij had nog jaren te leven. Af en toe besloop hem de angst dat hij helemaal zou aftakelen en gevangen zou blijken in een lichaam dat niet meer zou doen wat hij wilde. Hij besefte dat hij niet kon blijven voor Martijn zorgen, hoe graag hij de jongen ook zag. Hij wist echter niet dat er op dat eigenste moment gebeurtenissen aan de gang waren die het lot van de jongen voor altijd zouden veranderen.

     

    Maria was die ochtend voor dag en dauw opgestaan. Ze had de donsdeken energiek van zich afgegooid en had daarna haar zus die nog vast lag te slapen met evenveel energie uit haar bed gejaagd. “Opstaan luiwammes!”, had ze geroepen, terwijl ze het licht in de kamer liet knipperen. Elfride voelde haar ogen prikken en was gedurende een drietal minuten verblind terwijl ze haar kamerjas zocht en uit haar warme nest strompelde. Nog voor het ontbijt was Maria, tot Elfride’s verbazing, het huis uit gegaan. Ze had haar beige zomerjas aangetrokken en een hoed opgezet en met stevige stappen wandelde ze richting kerkhof. Zelfverzekerd en met een doel voor ogen marcheerde ze tussen de graven in tot ze bij het graf aankwam van haar overleden schoonzuster. Ze wist perfect waar die zich bevond, ze was immers daags na de begrafenis al gaan kijken waar ze de jonge vrouw hadden begraven. Het graf had vol gelegen met bloemen. Maria vond het bijzonder smakeloos dat het er zoveel waren dat het geheel er bijna vrolijk uit zag.

    In overeenstemming met de roddels trof ze daar vandaag, bovenop de grafsteen en in een dronkenmanslaap, haar jongere broer aan. Hij had zich duidelijk al dagen niet meer geschoren en miste een schoen. Hij sliep met zijn hoofd op zijn jas die hij tot een bolletje had gerold en uit zijn rechter mondhoek liep een klein beetje speeksel.

    Zelfvoldaan keek ze naar Henri, die opgekruld zijn roes uit sliep. Met de top van haar linkervoet duwde ze hem voorzichtig in de zijde. Ze was vies van hem en wilde hem verder vooral niet aanraken. Hij verspreidde een vreselijke dranklucht. Maria haalde haar kanten zakdoek uit haar jaszak en hield die voor haar gezicht. “Henri!” zei ze streng, terwijl ze hem nog eens porde met haar lederen mocassin. “Henri, word wakker, je maakt jezelf tot schande!”

    Moeizaam opende Henri één oog. Hij zag zijn zuster en trok zijn jas over zijn hoofd. “Ga weg. Laat me met rust”, mompelde hij.

    “Henri!”, herhaalde zijn zus. “Dit kan zo niet verder! Moeder zou je zo moeten zien, ze sterft van verdriet.”

    “Kan me geen reet schelen”, gromde Henri. “Ze ligt toch al onder de zoden. Gelukkig.”

    Geschokt hapte Maria naar adem. “Hoe kun je zo iets zeggen!? Sta op!” Terwijl ze met haar ene hand de zakdoek voor haar mond bleef houden, probeerde ze met haar andere hand haar broer aan zijn hemdsmouw recht te trekken.

    Weerspannig ging hij recht zitten. Hij rustte met zijn armen op zijn knieën en liet zijn hoofd hangen. Hij zag er grauw uit, zijn haren waren veel te lang en zijn nagelriemen zagen zwart. Maria voelde geen medelijden, die emotie was haar vreemd, ze kende enkel trots en ergernis.

    “Henri, ik heb besloten dat we het je vergeven”, zei Maria met het haar kenmerkende gevoel voor drama. Henri leek nauwelijks te reageren. Met haar zakdoek veegde ze de hand schoon waarmee ze haar broer had aangeraakt. Ze keek hem niet aan, alsof ze bang was dat zijn aanblik haar zou bezoedelen. “Het is duidelijk dat je het niet aan kan. Ik begrijp het, een kind heeft een moeder nodig.” Even keek Henri verbaasd op. Onverstoord ging Maria verder. “Ik heb besloten dat Martijn bij ons mag komen wonen. Meneer François is te oud om nog voor hem te zorgen en jij,… tja.”

    “Is dat alles wat je komt zeggen?”, vroeg Henri met een krakende stem. In de zak van zijn jas zocht hij naar een fles sterke drank. Hij vond de fles snel en zette hem meteen aan zijn mond. Walgend aanschouwde Maria de man die haar in heel zijn leven maar één keer had tegen gesproken, die voor zijn moeder had gekropen en voor zijn zusters had gebeefd. Ze vervloekte Elisa die hem van hen had weggenomen en hun perfecte wereld had verstoord. Vol walging spuugde ze op haar grafsteen.

    Henri trok onverschillig zijn schouders op. Hij liet zich terug op zijn zij zakken en viel met de fles nog in zijn hand terug in slaap. Maria draaide zich op haar hielen en stapte weg van haar broer en haar dode schoonzus. Bij de uitgang van het kerkhof stopte ze bij de wacht. “Er ligt een dronkaard op één van de graven”, zei ze tegen de man. “Het is werkelijk een schande. Ik denk dat je beter de politie belt.”

    De jongeman keek haar verbaasd aan, wetend dat ze over haar broer sprak. Maria volgde hem tot in zijn kleine wachtlokaaltje en keek toe terwijl hij met enigszins bevende handen de zes toetsen op het telefoontoestel indrukte om de wijkagent te bellen.  Toen ze zeker was dat het was gebeurd, stapte Maria zonder verder nog om te kijken van de gemeentelijke begraafplaats en naar het plaatselijke atheneum waar Martijn les had. Ze stapte rechtstreeks naar het bureau van de directeur en eiste een gesprek. Ze passeerde ook nog bij de pastoor en bij een jeugdrechter die in het dorp woonde en van wie Maria op de hoogte was van enkele pittige feiten over diens dochter. Tegen de tijd dat ze langs de achterdeur de keuken binnenstapte en haar zus betrapte die luidkeels “Chanson d’amour’ van The Manhattan Transfer met de radio stond mee te zingen terwijl ze de in de potten stond te draaien, had de directeur de instanties ingelicht over de zorgwekkende opvoedingssituatie waarin Martijn zich volgens hem en zijn tante bevond. Met François werd op haar aanraden, geen rekening gehouden. Hij was immers te oud en ziekelijk en bovendien eigenlijk niet echt familie. Niet zoals zijn tantes.

     

    De zussen en drie van hun gasten zaten aan de eettafel soep te eten toen er werd aangebeld. Maria sprong recht uit haar stoel en haastte zich naar de voordeur. Nadat ze haar donkerblauwe wollen rok had rechtgetrokken en haar lichtblauwe katoenen blouse gefatsoeneerd, draaide ze het slot over en opende ze de deur. Voor haar stonden twee agenten in uniform. De één een grote twintig centimeter groter dan de andere, de andere een goede drie maten dikker dan de ene. Tussen hen in stond, met gebogen hoofd en een grote bos verwarde krullen, Martijn. Hij keek verslagen naar de grond en droeg, over zijn linkerschouder, een grijze rugzak die volgestouwd leek met alles wat hij in een beperkte tijd had kunnen vinden. Zijn gezicht zat onder de rode vlekken en af en toe veegde hij met zijn rechtermouw tranen en snot uit zijn gezicht. De kleine agent schraapte zijn keel. “Mevrouw Verheye?”, begon hij.

    Maria keek hem aandachtig en gemaakt verbaasd aan.

    “Wij hebben de vader van deze jongeman, uw broer, deze morgen opgepakt voor openbare dronkenschap. Op zich niet zo’n drama, maar kort daarna kregen wij ook nog bericht van de directeur van het atheneum, meneer Verman, dat er niet wordt voldaan aan de basisnoden van dit kind. Wij hebben begrepen dat de …” de agent keek even in zijn notities “grootvader? De zorg tijdelijk voor zich heeft opgenomen, maar dat die nu niet meer in staat is om die zorg verder te zetten.”

    “Het is zijn grootvader niet”, snauwde Maria. “Er is niet eens een bloedband. Hij heeft voor de moeder van het kind gezorgd, maar die was een beetje…” Ze rolde met haar ogen en maakte een draaibeweging met haar rechtervinger rond haar oor.

    “Tja,” zei de agent, terwijl hij verder bladerde door zijn papieren. “In huidige omstandigheden lijkt het ons beter om de jongen tijdelijk bij u onder te brengen.”

    Maria glimlachte innerlijk voor de vruchten van de zaadjes die ze zorgvuldig had gepland en die ze nu zou gaan plukken, maar dit liet ze naar de agenten toe niet blijken. “U begrijpt dat dit zeer ongelegen valt, agent”, zuchtte ze. “Wij zijn hardwerkende vrouwen, u weet niet wat dat kost, voor een kind zorgen.”

    “Ik ga wel terug naar Opa! Laat me niet bij dat mens!”, snikte Martijn, terwijl hij zich probeerde los te maken van tussen de agenten in. De dunne agent greep hem bij zijn kraag en duwde hem zonder iets te zeggen door de deur naar binnen.

    “Wij vertrouwen er op dat u deze jongen de nodige zorg biedt?”, vroeg de kleinste politieman.

    “Vanzelfsprekend, meneer de agent”, zei Maria. “Ik zal mijn goede hart maar weer eens laten spreken, mijn plicht doen als godvruchtige vrouw en mij over dit arme schaap ontfermen.” Terwijl ze het zei legde ze haar hand op haar hart en veinsde ze ontroering. De acteerprestatie was absoluut een Academy Award waard. De agenten namen afscheid en vertrokken.

     

    Daar stond Martijn dan. Hij wist niet wat hem overkwam toen de politie hem kwam halen. En hoe François ook gepleit had, hij mocht niet blijven. “Ik doe hier iets aan, Martijn! Ik beloof het je!”, had hij nog geroepen voor ze hem in de combi duwden en naar zijn tantes brachten. Hij snapte niet waarom hij hier nu was. Hij kende die vrouw die zich zijn tante noemde niet eens, al had hij wel de indruk dat hij haar al eens ergens had gezien. Martijn kon haar niet aan kijken. Het bewegen was heel sterk in haar gezicht, hij kon het verval zo van haar aflezen. Groeven die per milliseconde dieper werden, schaduwen die van moment tot moment leken te groeien en diepe, donkere dalen werden waar het licht niet meer bij kon. Hij bleef naar de toppen van zijn schoenen staan kijken en beet op zijn lip om niet in tranen uit te barsten.

    “Hou je hoofd recht, kind”, zei Maria streng.

    Martijn gehoorzaamde, maar keek haar nog steeds niet aan.

    “Kijk naar de mensen als ze tegen je praten”, snauwde zijn tante. Ze nam zijn kin en duwde zijn hoofd omhoog, hem dwingend om in haar ogen te kijken. “Je mag blij zijn dat je hier bent”, siste ze, haar vingers pijnlijk duwend in de lichte huid van zijn kin. “Nu ga je eerst je gezicht en die vuile poten van je wassen en dan kan je in de keuken iets eten.”

    Ze draaide zich om en liep terug naar de eetkamer. Even overwoog Martijn serieus om het hazenpad te kiezen, maar de moed ontbrak hem om dergelijke daad te stellen. Nadat Martijn de badkamer op het eerste verdiep had gevonden en zich wat had opgefrist, zocht hij de weg naar de keuken. Daarbij liep hij per ongeluk de eetkamer in, waarbij hij meteen werd weggejaagd door zijn tante. Geschrokken en onder de verbaasde blikken van de andere eters, sloot hij de deur terug en opende de volgende, die de keuken bleek te zijn. Hij liet zijn rugzak op de grond vallen en plofte neer op een keukenstoel. De potten die op de tafel stonden waren leeg en Martijn durfde het niet aan om in de kasten naar eten te zoeken. Ach, hij had eigenlijk toch geen honger.


     

    Maar wat waren nu de motieven van de koele, berekende Maria om haar neefje in huis te nemen. Voor de buitenwereld, zijnde de kleine dorpsgemeenschap en haar aanzienlijk segment van koffiekrans- dames, was het een act van zuiver altruïsme. Iedereen was wel op de hoogte van de opoffering die de zussen hadden gedaan voor hun moeder. Men sprak met bewondering over de toewijding die ze hadden gehad voor de weduwe Verheye en met even grote afkeer werd er in het dorp geroddeld over de afvallige Henri en zijn geschifte vrouw. Dat Maria, die nu toch wel al een dame op leeftijd was, hun duivelsgebroed onder haar eigen dak liet verblijven werd met even grote verbazing als ontzag besproken op de diverse theekransjes die wekelijks de verveling moesten doorbreken van de plaatselijke oude vrijsters. Maria liet iedereen op tijd en stond weten dat de enveloppe die ze op zondag in de schaal wierp niet dunner zou worden, maar dat ze zelf zuiniger zouden leven om het kind te kunnen voeden. “Het kind”, zo noemde ze Martijn als ze het over hem had. “Ga naar je kamer, kind”, snauwde ze tegen hem als ze hem op een ongeoorloofd moment op een ongeoorloofde plaats in huis tegen kwam. Wat er eigenlijk op neerkwam dat hij voortdurend naar de zolder werd verbannen. “Kijk me aan als er tegen je gesproken wordt, kind”, herhaalde ze duizend keren op een dag, niet begrijpend dat Martijn haar niet kon aankijken omdat hij het leven zo snel uit haar gelaat zag wegvloeien dat hij niet in staat was zich langer dan een moment op haar blik te concentreren. “Je bent al even gek als je moeder, kind”, beet ze hem tussen haar tanden toe als ze hem wilde kwetsen of hem uit zijn kot probeerde te lokken zodat ze een reden zou hebben om hem te straffen.

    De zolder was ondertussen ingericht met een eenvoudig ledikant en een klein bureau waar Martijn zijn huiswerk kon maken. Hij kreeg voldoende eten en ging netjes naar school. Niemand zou kunnen beweren dat Maria hem niet keurig behandelde. Martijn haatte het huis, hij haatte zijn tante Maria. Elfride kon bij momenten wel aardig zijn, vond hij, maar enkel als ze alleen was. Als de oudste er bij was, kroop Elfride in haar schulp en was ze een ander mens. Maria stelde belachelijke eisen aan iedereen om zich heen en Martijn werd extra geviseerd. Alle rotklusjes die de oude vrijster kon bedenken werden hem toebedeeld. Martijn stond als eerste op om zijn taken af te krijgen voor schooltijd, maar tegen de tijd dat hij terug kwam, lag er alweer een nieuwe lijst met opdrachten klaar op de tafel om af te werken. Als hij niet deed wat hij moest doen, of de manier waarop hij iets deed of gedaan had stond haar niet aan, dan strafte Maria de jongen op een volgens haar gepaste wijze. Ze maakte de lijst met opdrachten echter zo lang of zo bizar, dat hij bijna niet anders kon dan in de fout gaan. Eerst strafte ze hem door hem zonder eten naar bed te sturen. Toen bleek dat de jongen nauwelijks onderhevig was aan honger, veranderde ze haar tactiek en werd Martijn op zijn kamer opgesloten. Maar ook dat leek hem weinig te deren, gezien zijn voorkeur voor eenzaamheid en afzondering. Ze pakte zijn dekens af, en hoewel hij dagenlang nauwelijks kon slapen van de koude en er uiteindelijk bij liep als een levende dode waardoor de school zich vragen begon te stellen, klaagde hij niet. Maria gaf Elfride de opdracht om de dekens terug op het bed te leggen. Initieel maakte Maria er bijna een spel van, van het zoeken naar manieren waarop ze de jongen kon raken. Maar bij elke mislukte poging, bij elk uitblijven van reactie of rebellie die haar een reden kon geven om hem nog harder, nog meer te disciplineren, werd ze meer en meer gefrustreerd. Ze raakte er van overtuigd dat het kind geestesziek was, een erfenis van zijn al even zieke moeder. Enkel dat kon zijn bizarre gedrag verklaren.

    Ondertussen gingen er weken en maanden voorbij. Af en toe stond François na de schooltijd op Martijn te wachten op de hoek van de straat. Dan wandelde Martijn met zijn grootvader mee terwijl deze hem vertelde over de dingen waar hij mee bezig was. Hij vertelde over Elisa en over hoe erg hij haar wel miste en over Henri, die zich had laten opnemen om aan zijn alcoholprobleem te werken. Hij vertelde over de pogingen die hij ondernam om Martijn terug naar het grote herenhuis te laten komen en hoe die telkens opnieuw mislukten omdat François geen enkele wettelijke of biologische band met hem had. Martijn luisterde en knikte af en toe, maar keek vooral voor zich uit en haalde af en toe zijn schouders op. Bij het afscheid liet hij zich door zijn grootvader omhelzen, maar hij kon zich er niet toe brengen om zijn armen omhoog te brengen en François eveneens vast te nemen. Hij was verlamd. 

    Op dergelijke dagen stond Maria haar neef meestal op te wachten in het deurgat.

    “Wat moet je met die ouwe vent?”, vroeg ze dan. “Denk maar niet dat je daar terug naar toe kan.”

    Ze strafte hem, zonder resultaat, omdat hij te laat thuis kwam en voegde er altijd aan toe: “Hij is niet eens je echte grootvader, je moeder was een hoerenjong.”

    Martijn beet op zijn lippen en onderging elke straf en elke vernedering. Niet omdat hij graag gestraft werd en al helemaal niet omdat het hem niet raakte. Hij deed niets omdat hij wist dat het toch allemaal niet zo lang duren zou.


    03-03-2018 om 17:37 geschreven door Céline Berton


    24-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.5. Elfride

    In de zes jaar sinds de dood van hun moeder, hadden Maria en Elfride het, mede dankzij de financiële hulp van hun jongere broer, vrij goed gehad. De oude kruidenierswinkel was verhuurd aan een jonge schoenhandelaar die altijd stipt op tijd betaalde en het pand keurig onderhield. De vrijgekomen kamers in het woonhuis werden door de zussen verhuurd. Sommige van  hun gasten bleven gedurende lange tijd bij hen inwonen, anderen verbleven er slechts enkele nachten als ze op doorreis waren of tussen woningen in zaten. Op zijn volle capaciteit kon het huis onderdak bieden aan zes gasten. Soms waren er dat zeven en gingen de zusters zelf op matrassen op de zolder liggen om zo het extra huurgeld te kunnen incasseren. De rol van hospita lag Maria, die haar leven gewijd had aan het zorgen voor en vooral controleren van anderen, zeer goed. Elke nieuwe gast kreeg de huisregels bondig en duidelijk uitgelegd als ze hun kamer in trokken. Het was simpel. Geen lawaai. Geen rommel. Avondeten om 18.00 als je voor 12.00 verwittigd hebt. Betalen op voorhand. In ruil kregen de bewoners een kraaknette kamer, degelijke kost en een absoluut minimum aan privacy. De oude woonkamer, waar nog steeds dezelfde oude bruine meubels stonden, en de eetkamer waren gemeenschappelijk. De keuken en de zolder waren verboden terrein voor iedereen behalve Maria en Elfride. De oudste tweelingzus droeg een grote bos sleutels op haar heup met daar aan elke sleutel van elke kamer in het grote huis. De jongste had een loper laten maken voor zichzelf en Maria, maar die vond dat de grote bos haar meer status en reden tot ontzag gaf.

    De zussen hadden een mooi inkomen en konden in theorie comfortabel leven. Toch spendeerden ze niet meer dan wat absoluut nodig was om het huis te onderhouden en zelf bleven ze hun oude, telkens opnieuw verstelde en geperste kledij dragen.  Naar de buitenwereld toe gaven ze de indruk nauwelijks toe te komen. Dat was ook de boodschap die ze hun gasten gaven als die uitstel van betaling vroegen.

    Elke zondag trokken Maria en Elfride hun beste kleren aan om naar de kerk te gaan en onder het oog van iedereen in de parochie een dikke enveloppe in de schaal te leggen. Als Maria het ontzag in de ogen van haar medeparochianen zag en na de dienst de hand van de priester ging schudden om zijn dankwoorden voor de gulheid van de zusters Verheye in ontvangst te nemen, was haar opzet geslaagd. Niemand behalve Maria en de priester wisten dat de enveloppe gevuld was met een enkel stuk van twintig frank en steeds begeleid werd door een brief met aanwijzingen voor de preek van de week nadien. De pastoor was nog jong en relatief nieuw in de gemeente en wist niet goed hoe hij met de aandacht van de oude dames moest omgaan. In het geheim haatte hij de vrouwen, die hem ten pas en ten onpas opzochten in zijn pastorij en zich moeiden met de parochiezaken. Hij voelde zich hier schuldig over en vroeg God elke avond in zijn gebeden om vergiffenis.

     

    Op een dag kwam er in de oude woning achter de winkel een man aankloppen. Elfride was alleen in de keuken het avondmaal aan het voorbereiden toen hij met zijn benige kneukels op de achterdeur sloeg. Ze veegde haar handen af aan haar schort en deed open. Voor haar stond een zestiger, met grijze haren die uit zin hoed krulden en sjofele kleren. Een landloper, met al zijn bezittingen in één grote plastic tas aan zijn hand. Een doordringende, ranzige geur sloeg in haar gezicht. Elfride sloeg een hand voor haar mond. Ze wilde de deur dicht slaan maar de oude man zette die klem met zijn voet. “Ik zoek onderdak, mevrouw…”, zei hij. “Ik heb gehoord dat u kamers verhuurt…”

    Elfride deed onzeker een stap achteruit, instinctief keek ze achter zich, op zoek naar haar zuster die in dergelijke gevallen altijd wel een kordaat antwoord wist te fabriceren om ongewenst bezoek weg te jagen. Maar ze was alleen, achter haar bleef het stil en voor haar stond de landloper haar met een open blik en vragende ogen aan te kijken. “Ik weet niet of ik u kan helpen, meneer…”, stamelde ze onzeker.

    “Gewoon een boterham en een bad?” zei hij met de warmste en vriendelijkste stem die Elfride ooit had gehoord.

    Iets in haar binnenste dat jaren stil was gebleven sprong wakker en borrelde op van in de donkere diepten van haar buik. De man zag de ambivalentie in Elfrides gezicht en toverde de brede glimlach op zijn gezicht waarvan hij het effect op vrouwen al jaren kende en toepaste. Elfride voelde hoe ze in een fractie van een seconde een hoogrode kleur kreeg. Tegen elk gezond verstand in en met de absolute wetenschap dat Maria haar de volle laag zou geven als het uit zou komen zette ze de deur helemaal open en liet ze de sjofele man binnen. De man bedankte haar en stelde zichzelf voor als Yves Vanelders.

    En daar stond Elfride dan, onwennig aan haar schort te trekken in de keuken waar ze haar halve leven al had doorgebracht. Maria hield zich altijd bezig met de gasten. Elfride vulde haar dagen met poetsen, koken en dagdromen. Vaak wist ze nauwelijks wie er allemaal in het huis was.

    Yves zette zijn bruine vilten hoed af en gaf die samen met zijn donkerblauwe wollen overjas aan Elfride. Ze liep ermee naar de kapstok in de gang die zich aan de andere kant van het huis bevond, tegen de muur van de winkel. Onderweg vroeg ze zich hardop af waar ze in godsnaam mee bezig was.

    Er was geen enkel geluid in huis. Elfride leidde uit de stilte af dat iedereen gaan werken of elders was. Ze liep de trap op. Op het eerste tussenverdiep, waar zich een kleine badkamer bevond, draaide ze de warme kraan van het bad open. En zonder dat ze precies wist waarom ging ze naar haar slaapkamer en van uit de doos die zich in haar lade bevond haalde ze een kleine fles met jasmijngeurige badolie.  Ze had die ooit stiekem bij de apotheek gekocht, toen Maria ziek was en dagenlang niet naar buiten kon omwille van een zware aanval van buikloop. Maria zou dergelijke decadentie nooit tolereren en Elfride had de olie nog nooit gebruikt. Ze wist donders goed dat haar zus de dure geur meteen zou opmerken en haar een uitbrander zou geven.

    Nu liep ze met het flesje naar de badkamer en draaide de dop er af. De olie was paars en de geur verspreidde zich in een warme damp doorheen de badkamer. Toen ze terug in de keuken kwam zat Yves op een van de stoelen aan de grote tafel.

    “Als u wil kan u boven een bad nemen, meneer”, mompelde Elfride. Ze hield haar blik omlaag, op de tippen van haar schoenen gericht.

    “Alstublieft”, zei de man, “ik ben al lang geen meneer meer. Noemt u me alstublieft Yves.”

    Elfride veegde nerveus haar handen aan haar witte schort en voelde dat ze opnieuw diep scharlaken kleurde. “Dat kan ik niet, meneer”, zei ze stil. Terwijl ze omlaag bleef kijken gebaarde ze hem om haar te volgen. Ze liep hem voor de trap op en voelde zich vreselijk ongemakkelijk. Voor het eerst schaamde ze zich voor haar huis, voor het verkleurde behangpapier, voor de versleten trap en voor haar eigen, gewone uiterlijk. Ze begreep niet waarom ze zich zo voelde bij iemand die duidelijk veel minder gewoon was en al blij was met een wasbeurt en wat eten. Ze vervloekte zichzelf omwille van haar kinderachtige gedrag en het oncontroleerbare blozen. Ze toonde hem de badkamer. “Het is klein en de handdoeken zijn wat versleten”, verontschuldigde ze zich.

    Yves maakte bewust oogcontact met de bange vrouw, nam haar bevende rechterhand in zijn twee handen en zei toen bloedserieus en dodelijk oprecht: “Het is een koning waard.”

    Elfride trok haar hand los en veegde die onmiddellijk af aan haar schort. Met de rug van haar andere hand streek ze langs haar voorhoofd, waar zich kleine zweetdruppeltjes hadden gevormd. Ze strompelde achteruit de kleine badkamer uit, terwijl Yves al volop bezig was met zich te ontkleden. Niet wetend waar te kijken haastte ze zich uit de ruimte. Voor ze de deur sloot zag ze nog net hoe de naakte man zich in het hete bad liet zakken. Geschokt bedekte ze haar opengevallen mond. Ze snelde de trap af, terug de keuken in, waar ze zich in haar werk stortte om niet stil te hoeven staan bij de gebeurtenissen van het laatste uur. Ze schilde aardappelen en liet de soep nog eens doorkoken. Ze schilde en raspte wortelen en sneed het vlees klein om Vlaamse stoverij te maken. En toen ze daarmee klaar was poetste ze de hele keukenvloer met een schuurborstel en bruine zeep. Terwijl ze op haar knieën zat te schrobben viel haar oog op de plastic zak die Yves had meegebracht. Twijfelend reikte ze naar de rand van de tas en met dichtgeknepen ogen liet ze een halve blik vallen op de inhoud. Kleren. Allemaal oud en allemaal even vuil. “Dat zal dan toch niet volstaan”, dacht Elfride hardop. Met de moeizaamheid die paste bij een vrouw van haar leeftijd klauterde ze recht. Ze nam de zak en stapte ermee naar het washok, dat zich in een aanbouw aan de keuken bevond, waar ze de inhoud op de vloer uit strooide. Ze sorteerde alle spullen en stopte ze in de grote wasmachine die Maria had aangekocht toen ze net kamers begonnen te verhuren. Tegen betaling konden de kostgangers ook hun was laten doen, een dienst waar velen onder hen dankbaar gebruik van maakten. Terwijl ze zo hard bezig was betrapte ze zichzelf er op dat ze een liedje neuriede. “Gekke oude trien”, mompelde ze tegen zichzelf, waarop ze bijna onhoorbaar begon te giechelen.

    “Ik wist niet dat mijn kleren zo grappig waren”, zei een mannenstem achter haar.

    Elfride schrok. Ze draaide zich om en zag Yves, fris gewassen, met enkel een badhanddoek om zijn middel, in het midden van de keuken staan. Hij droeg zijn vuile kledij, waarmee hij was binnen gekomen over zijn arm en grijnsde. Elfride voelde hoe haar ogen buiten haar eigen wil om op zijn naakte borst bleven hangen. Hij was mager, maar nog steeds vrij gespierd. Grijs borsthaar tierde welig.

    “Ik dacht even wat spullen uit mijn tas te halen, maar ik vrees dat u daar anders over beslist hebt”, zei hij met zijn warme stem en een vriendelijkheid in zijn ogen die Elfride van streek bracht.

    “Het spijt me”, verontschuldigde Elfride zich vlug, “maar ze zagen er zo vuil uit en ik dacht…”

    Yves stak zijn hand op om haar te onderbreken. “Het is niet erg, integendeel. Ik kan de tijd niet zeggen dat iemand me nog zo gastvrij heeft ontvangen.”

    Elfride wist niet goed wat ze moest zeggen of waar ze moest kijken. Ze hoopte maar dat haar zuster niet opeens de keuken zou binnenstormen en haar hier zou aantreffen met een vreemde man die zich op verboden terrein (de keuken) bevond én hoogstwaarschijnlijk niet zou kunnen betalen. 

    “De eerste lading was zal bijna uit de droogkast mogen.” De woorden kwamen aarzelend uit Elfride’s keel. “Misschien kan ik u een kopje soep aanbieden terwijl u wacht?”

    Yves accepteerde het aanbod en nam plaats op een van de keukenstoelen. Terwijl Elfride hem een stevige portie groentesoep voorschotelde deed ze haar best om zich normaal te gedragen en niet opnieuw te gaan blozen bij de aanblik van deze halfnaakte man in haar keuken. Elfride kon moeilijk een leeftijd plakken op deze vreemde man, maar ze schatte hem een jaar of tien ouder dan zichzelf. En toch, voor een man van die leeftijd was hij nog vrij gespierd en mooi gebouwd. Maar wat wist zij ervan, ze had nauwelijks een punt van vergelijking. Ze dacht terug aan Filip, met wie ze nooit alleen was geweest. De herinnering was bitter. Had ze Maria ooit kunnen vergeven? Niemand had het haar ooit gevraagd. Ze vroeg zich af hoe Yves’ armen voelden en of die kleine haartjes op zijn borst even zacht waren als ze eruit zagen. De gedachten deden Elfrides wangen opnieuw gloeien en ze deed alsof ze heel druk bezig was om te vermijden dat hij opnieuw met haar zou beginnen praten. Toen de droogkast een piepsignaal gaf haalde Elfride de kleren er uit. Yves maakte aanstalten om recht te staan en zijn fris gewassen tenue aan te trekken, maar Elfride vond het niet kunnen dat hij ze ongestreken zou aantrekken en haalde haar strijkplank boven. En toen ze daarmee klaar was, vond ze dat ze even goed meteen alles wat hij bij zich had kon wassen, drogen en strijken.

    Hij maakte grapjes en vertelde over zijn wandelingen, want zo noemde hij zijn omzwervingen die al enkele jaren leken te duren. Zij luisterde, lachte af en toe luidop om zijn vertellingen en voelde zich voor het eerst in vele jaren niet meer zo eenzaam. Tegen de tijd dat alle was gedaan was, had Elfride Yves al uitgenodigd voor het eten en was ze bezig een slaapkamer voor hem klaar te maken.

    Toen Maria die avond thuis kwam, trof ze in het huis dus een nieuwe pensiongast aan. Het verbaasde haar dat Elfride alles had geregeld zonder dat zij erbij was, maar toen haar zuster haar het voorschot voor de kamer, dat ze zonder dat Yves ervan wist uit haar eigen geheime spaarpotje had genomen, overhandigde, liet ze de zaak rusten.

    Maria kwam thuis met nieuws. Ze was weer de hele dag op tocht geweest, van bij de pastorij naar de verschillende handelszaken in de stad tot op de koffie bij enkele bevriende oude dames. Deze dames hadden Maria op de hoogte gebracht van de geruchten die de ronde deden over haar jongere broer. Geschokt, maar ook met een meer dan gezonde dosis leedvermaak had de oudste tweelingzus de roddels aangehoord. Natuurlijk had ze gehoord dat haar schoonzus gestorven was. Toen ze de eerste berichten hoorde over haar ziekte had ze zich verkneukeld om de goddelijke voorzienigheid die de jonge vrouw leek te straffen omwille van haar gekke gedrag en haar afvalligheid ten aanzien van de tweeling en hun moeder. Ze vond het schandalig dat Elisa geen kerkelijke begrafenis kreeg. Kennelijk had ze dit geweigerd, maar Maria schaamde zich dat iemand van haar familie zelfs na haar dood nog zo’n schandelijk gedrag vertoonde. Maria had geweigerd om naar de burgerlijke plechtigheid te gaan. Ze had haar zus niet verboden om te gaan, maar had haar zoveel werk gegeven dat deze er gewoon niet kon geraken.

     

    Henri was kapot van verdriet en dat was in het hele dorp geweten. Er werd gefluisterd dat hij beginnen drinken was en die geruchten werden bevestigd door de vele waarnemingen van Henri die onder invloed op het kerkhof zwierf. De ene keer lag hij te janken op het graf van Elisa en smeekte hij haar om bij hem terug te keren. Andere keren schold hij haar woedend uit omdat zij hem had verlaten.

    De mensen fluisterden dat hij zijn zoon verwaarloosde en dat de jongen steeds meer bizar gedrag begon te stellen.

    “Kan ook niet anders, met zo’n geschifte moeder”, snoof Maria tegen haar zuster die met een gezonde blos op haar wangen het eten serveerde. “En dan te zeggen dat wij hem altijd alle kansen hebben gegeven…”, ging ze verder. Ze had er geen oog in dat Elfride in gedachten verzonken was en voortdurend haar oog liet vallen op de nieuwe tafelgast. Er zaten die avond, behalve de tweeling en Yves, geen andere logés bij om te eten.

    Yves zag er bijna uit als een heer. Fris gewassen en geschoren en met zijn gewassen en gestreken, doch versleten kleren aan. Ze zaten zoals gewoonlijk om de grote tafel in de eetkamer en Elfride schepte de borden op. Yves zei niet veel, maar bedankte haar met een glimlach die haar prompt opnieuw deed blozen. De oudste tweeling ging zodanig op in haar verhaal dat ze nauwelijks merkte dat haar twee minuten jongere zus niet in haar gewone doen was. Ze taterde maar door en bleef haar gal spuwen terwijl de maaltijd vorderde en de twee andere eters in stilte en in gedachten regelmatig blikken deelden.

    “En dat kind! Ze zeggen dat hij vreemde dingen zegt en mensen nooit aankijkt”, vervolgde Maria. “Maar wat wil je, zij heeft hem altijd over bemoederd en nu ze weg is blijft onze Henri natuurlijk met de problemen zitten.”

    Elfride ontwaakte even uit haar droomtoestand en waagde het om haar zus te interpelleren. “Maar ik veronderstel toch wel dat meneer François nog een oogje in het zeil houdt?”

    De ogen van Maria leken bijna uit hun kassen te rollen. “Phoe!” spuugde ze. “Die oude vent is al even gek als zijn pleegdochter. Je denkt toch niet dat die weet hoe je een kind moet opvoeden zoals het hoort? Zie maar hoe Elisa is geworden onder zijn zo gezegde zorg.”

    Elfride slikte haar woorden in terwijl Maria haar betoog vervolgde. “Neen, wat dat kind nodig heeft is een sterke hand, die hem leert wat werken is en welk gedrag wel wenselijk is in onze kringen.” Ze zei het terwijl ze voor zich uit keek, met haar kin omhoog en haar blik op oneindig. Yves verwachtte dat ze elk moment in een lied zou uitbarsten en keek glimlachend omlaag in zijn bord. Dit bleek niet onopgemerkt en Maria sprak hem aan. “U vindt dit kennelijk grappig, meneer…?”

    “Yves”, zei hij kordaat. “Geen meneer, gewoon Yves. En nee, ik vind het absoluut niet grappig. Absoluut zeker niet. Ik zie de ernst van de situatie wel degelijk in.” Hij zei het op een gemaakt eerbiedige toon waarvan de spot aan Maria voorbij ging  en Elfride moest op haar onderlip bijten om niet te giechelen.

    De oudste zus legde haar bestek neer en stond op. Met haar grote gestalte leek ze de hele ruimte te vullen. Het schemerlicht maakte dat haar huid een grauwe kleur had en de rimpels die zich om haar mond hadden vastgebeten gaven haar een verbitterd uiterlijk. De leeftijd maakte de verschillen tussen de anders identieke zussen steeds meer duidelijk. Ze waren nu midden de vijftig en waar Maria er met de jaren harder en strenger ging uitzien, werd Elfrides uiterlijk zachter. Zij werd wit, terwijl Maria grijs werd. Haar lichaam werd zachter, donzig, terwijl haar zuster beniger en knokiger werd. Haar ogen werden een lichter blauw, de blik van Maria werd met de dag donkerder en grijzer.

    Yves zat naar de zussen te kijken en vroeg zich af hoe het kon dat mensen die genetisch identiek waren toch zo van elkaar konden verschillen.

    “Goed”, zei de oudste zus terwijl ze op de andere eters neerkeek. “Ik ben doodop. Je kan niet geloven wat dit allemaal van mij vergt. Ik ga slapen.” Zonder iemand goedenacht te wensen verliet ze de kamer. Yves en Elfride bleven even naar elkaar zitten staren.

    “Het eten was heel lekker, Elfride”, zei Yves. “Het is een eeuwigheid geleden dat ik nog zo gesmuld heb.”

    “Het was maar gewone kost, meneer”, stamelde Elfride, terwijl ze haar schort weer om bond en aanstalten maakte om af te ruimen. Yves legde zijn hand op die van Elfride. Ze schrok en bleef als bevroren staan.

    “Yves, alstublieft, noem me Yves.”

    Elfride knikte. “Goed, meneer Yves.”

    “Elfride, ik weet niet hoe ik hier voor ga kunnen betalen. Je bent al veel te goed geweest voor me.”

    Terwijl ze naarstig de borden verzamelde, schudde Elfride haar hoofd. “Daar moet u niet wakker van liggen. Dat is al geregeld.”

    “Ik heb niet de indruk dat uw zus aan liefdadigheid doet, Elfride, ik wil niet dat jij in de problemen komt omwille van mij.”

    Yves bleef Elfride's pols vasthouden en keek haar strak in de ogen. Ze wist niet waar ze moest kijken, wist niet wat ze aan moest met al dat geweld dat zich in haar buik bewoog terwijl hij haar zo aansprak. Hij had, ondanks zijn leeftijd, nog een stevige grip en Elfride vroeg zich onwillekeurig af of hij sterk was en hoe het zou voelen als hij haar beide polsen zo zou vasthouden. Schaamte verdrong de gedachte en Elfride sloeg haar ogen neer. Yves liet haar los.

    “Sta me toe je te helpen”, zei hij, terwijl hij ook begon op te ruimen.

    “Dat gaat moeilijk. Meneer Yves”, mompelde Elfride, “de gasten mogen niet in de keuken van Maria. Huisregels.”

    “Ik denk niet dat je zus nog terug komt, Elfride.” Zei Yves. De manier waarop hij haar naam zei deed haar trillen.

    In stilte werkten ze verder. Elfride deed de vaat en Yves droogde met een schone vaatdoek, zorgvuldig en net traag genoeg om het proces wat te rekken. Yves gaf de borden en het bestek aan en Elfride stopte ze elk op hun plek in de keuken. Af en toe stootten ze met hun ellenbogen of raakte hij per ongeluk haar handen als ze iets van hem over nam. Telkens was het alsof er kleine stroomstootjes van hem op haar over gingen die haar meer en meer leken te wekken uit de diepe comateuze toestand waarin ze al die jaren had geleefd.

    Toen het servies was gewassen, de potten op hun plaats stonden, het tafelkleed weer op de eetkamertafel lag en de keuken blonk, was het na elven. Beiden waren moe, maar geen van hen wilde afscheid nemen. Ze schrokken op van de voordeur die dichtsloeg. Een late thuiskomer. Elfride keek in de gang en zag de jonge vrouw die in de rode kamer op het tweede verbleef op haar tenen de gang in lopen. Ze legde haar vinger op haar mond, gebarend dat ze stiller moest zijn. Ze merkte de blos op de wangen van de twintiger, haar verwarde haren en haar lipstick die buiten de fijne lijnen van haar mooie mond was gesmeerd. Ze glimlachte, begrijpend.

    “Goedenacht”, fluisterde ze tegen de vrouw die zich in stilte en met haar gehakte schoenen in haar hand de trap op haastte. Toen ze later die avond zelf in bed lag, kon Elfride de slaap niet vatten. In het bed aan de andere kant van de kamer lag haar zus luid te snurken terwijl zij zelf naar het vergrijsde plafond lag te staren. Door de gordijnen scheen het licht van een straatlantaarn die zich te dicht bij het huis bevond en zo de kamer in een vreemde gele schijn hulde. Onder de lakens streelde ze met haar hand over haar lichaam. Haar borsten waren nog vol. Haar buik had nooit kinderen gedragen en was zacht, maar vlak en warm. Ze vroeg zich af of Yves, die ze in de kamer op het verdiep er onder had gelegd, ook niet kon slapen en of hij ook aan haar dacht. Ze vroeg zich af hoe het kon zijn.

    24-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    17-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.4. Afscheid van een moeder

    Hoe groei je op als je van iedereen weet wanneer hij gaat sterven? Heel gewoon eigenlijk, als je die kennis met niet teveel mensen deelt. Mensen willen niet weten wanneer hun einde er aan komt, het neemt hun idee van vrije wil en de illusie van toeval weg.

    Henri hield woord en liet de handel overnemen. Hij begon te werken voor zijn schoonvader en was vaak weg. Henri reisde de wereld rond op zoek naar originele en kostbare stukken, die hij invoerde en verkocht aan lokale antiekhandelaars. Hij leefde op, kon eindelijk zijn dorst naar kennis en informatie laven door de contacten met de vreemde culturen. François eiste van hem dat hij op de hoogte was en Henri kon na al die jaren eindelijk weer studeren, hij verslond boeken en dompelde zich helemaal onder in dit boeiende, veeleisende vak.

    Elisa zag dat haar man gelukkig was. Hoewel ze hem vaak miste, had ze hem niet voortdurend aan haar zijde nodig om tevreden te zijn. En terwijl ze met haar zoon alleen was, probeerde ze hem zo goed mogelijk op te voeden en klaar te stomen voor een zo normaal mogelijk leven. Over de tantes werd niet meer gepraat. Als Elisa hen op straat tegen kwam, wat wel eens durfde gebeuren in de kleine gemeenschap waarin ze woonden, keken ze ostentatief de andere richting uit. Als ze haar man vroeg of hij nog iets van hen hoorde, haalde hij stilzwijgend zijn schouders op. Zij wist niet dat hij de boekhouder hen nog maandelijks een cheque liet opsturen om al hun vaste kosten te dekken. Hij wist niet dat zowel zijn vrouw als zijn zoon met hetzelfde geheim rondliepen. Iedereen was gelukkig in zijn eigen onwetendheid.

     

    De jaren gingen voorbij en Martijn werd groter. Opa François liet de groothandel in antiek helemaal aan Henri over en ging volledig op rust. Elisa merkte dat hij trager werd en zijn haren die al jaren  een stralend zilvergrijs waren, verloren beetje bij beetje aan glans. Hij droeg nog steeds een zwarte houten wandelstok met zich mee als hij ging wandelen.  De stok deed hem er niet ouder, maar gedistingeerder uitzien en om te camoufleren dat hij kleiner en kaler werd begon hij terug een hoed te dragen. Elisa merkte vaak lachend op dat hij probeerde om een vrouw te vinden zodat hij niet alleen naar het rusthuis zou moeten als zij hem plots beu zou zijn. Martijn kroop nog dagelijks bij hem op schoot en dan vertelde hij over vroeger en speelden ze samen met de modeltreintjes. Soms praatten ze over Martijns gave en beiden wisten ze wanneer ze afscheid zouden moeten nemen van elkaar.

    Martijn slaagde er vrij goed in om zijn geheim te bewaren, hoewel zijn talent met ouder worden meer en meer voor hem tot openbaring kwam. In het begin had hij enkel gezien wanneer mensen hun einde naderden, zoals bij de weduwe Verheye. Maar naarmate hij ouder werd kon was het voor hem van meer en meer mensen duidelijk wanneer hun tijd er op zou zitten. Het was alsof iedereen een zandloper bij zich had die vroeg of laat leeg liep en waarvan Martijn wist wanneer de laatste korrel zou vallen. Zoals hij beloofd had aan zijn moeder, vertelde hij het aan niemand. Meestal toch.

    Op een keer, toen Martijn al in het vijfde studiejaar zat, werd Elisa naar school geroepen omdat Martijn had geweigerd om een opstel in te dienen. Toen de juf de reden had gevraagd, had Martijn heel droogjes geantwoord: “omdat u er toch niet lang genoeg meer zal zijn om mijn huiswerk te verbeteren.”

    Het had in zijn hoofd heel logisch geleken, maar de verschrikte blik van de vrouw was in zijn gedachten blijven hangen. Ze was geschokt geweest dat hij zoiets durfde zeggen, en de afkeer was van haar gezicht af te lezen. De juf was niet echt geliefd en eerst was Martijn door zijn klasgenootjes als een held onthaald. Maar toen de leerkracht een paar dagen later niet meer kwam opdagen op school veranderde de bewondering in angst. Nadat zijn moeder zo verdrietig en teleurgesteld was geweest dat hij zo slordig was omgegaan met zijn kennis, had hij het niet meer aangedurfd om haar te vertellen dat de andere kinderen van de klas nu niet meer naast hem wilden zitten. Het gerucht deed de ronde dat Martijn zelf iets te maken had met de dood van juffrouw Peer, hoewel zij ver van het klaslokaal en nog verder van Martijn was overleden aan de complicaties van een gescheurde appendix. Sommige kinderen zeiden dat hij haar had vergiftigd. Anderen fluisterden dat zijn grootvader, die toch wel heel invloedrijke vrienden had, haar had laten vermoorden omdat ze zijn zoon had berispt. Diegenen met de meeste fantasie spraken van toverkracht en beweerden dat Martijn een vloek over je uitsprak als je in zijn ogen keek. Het gevolg was dat de helft van de schoolkinderen Martijn niet meer durfde aan te kijken en de andere helft hem gewoon negeerde.

     

    En toen werd Elisa ziek. Net zoals haar zoon was ze geboren met de eigenschap dat ze van iedereen, inclusief zichzelf, wist wanneer de tijd er op zat. En toen ze die ochtend in de douche tijdens het wassen toevallig haar borsten aanraakte en aan de rechter kant een knobbeltje voelde dat ze niet eerder had opgemerkt, had ze meer dan een vermoeden wat dit betekende. Ze had er altijd vrede mee gehad, met die kennis, maar nu het zo tastbaar, zo reëel werd, sloeg de paniek haar om de keel. Verdoofd droogde ze zich af. Ze stapte uit de douche en ontmoette haar eigen blik in de spiegel. Angst, dat was wat ze zag en voelde. Ze bleef naar zichzelf kijken terwijl ze zich afdroogde en haar handen trilden toen ze de parelmoeren knoopjes van haar lichtroze blouse moest dichtknopen. Martijn was op school en Henri zat in Nepal, Oosters antiek was immers immens populair tegenwoordig. Hij zou nog zeker tot het eind van de week op zakenreis zijn. De huishoudster had een dag vrij.

    Elisa stapte uit haar kleine badkamer, die zich aan de slaapkamer bevond waarin ze al sliep sinds ze als zesjarige bij François was terechtgekomen en die ze nu deelde met Henri. Haar natte haren had ze zonder kammen met een lichtblauwe plastic haarknijper omhoog gestoken. Haar rok, een nette die ze had aangetrokken omdat ze nog langs haar werk moest passeren was eveneens lichtblauw, ze hield van pastelkleuren. Terwijl ze de deur achter zich sloot hoorde ze half gedempt de veertiende van Beethoven vanuit de werkkamer van haar vader komen. Hoewel François nu met pensioen was, bracht hij nog zeer veel tijd in zijn bureau door. Het bureau was ingericht in warme mannenkleuren. Het rook er naar leder, sigarenrook en het frisse mannenparfum dat François altijd droeg.

    Elisa liep gecontroleerd maar gehaast naar zijn deur en zonder kloppen viel ze binnen. François, die een ingebeeld orkest stond te dirigeren met een kristallen glas met teveel whisky in zijn linkerhand, draaide zich geschrokken om. Hij maakte een buiging en zei toen glimlachend: “Betrapt.”

    “Je weet dat alcohol niet goed is voor je”, zei Elisa streng. “En ik ruik je Havanna’s.”

    “Lieverd, we weten allebei dat die me nog niet binnen afzienbare tijd aan een vervroegd einde zullen helpen”, antwoordde François terwijl hij zijn dochter op haar voorhoofd kuste. Hij zag dat ze op haar onderlip beet en een traan wegduwde. “Scheelt er iets lieverd?” vroeg hij, zijn grappige frivoliteit in een fractie van een seconde omgeslagen in ernst en bezorgdheid. “Heb ik misschien iets verkeerd gezegd?” Uit de linker broekzak van zijn grijze wollen broek haalde hij een verse gestreken zakdoek, die hij altijd bij zich droeg voor noodgevallen en tranen. Elisa nam de zakdoek aan en begon te huilen, met lange halen en tranen die als dikke slakken langs haar wangen gleden en natte sporen achterlieten.

    “Ik heb een knobbeltje gevoeld”, snikte ze, “hier.” Ze sloeg met haar rechterhand keihard op haar borst.

    François keek haar geschokt aan.

    “Je had nog een jaar, zei je. Is je datum dan veranderd? Dat gebeurde toch nooit?”

    Hij hield haar schouders vast terwijl hij vragend in haar ogen tuurde.

    “Nee, papa, de datum is niet veranderd”, stotterde Elisa tussen haar snikken door. “Maar ik had nooit gedacht dat ik ziek ging worden! Ik had gedacht dat ik tot die dag tijd ging hebben om alles te doen, om alles te regelen!”

    “Maar je weet toch nog niet wat het is?!”, riep François uit. “En als het…” hij slikte tweemaal duidelijk zichtbaar en bewoog zijn handen ongemakkelijk, twijfelend voor zich uit. “…als het… kanker… is kan je je toch laten behandelen?”

    Elisa schudde wild haar hoofd van links naar rechts en schreeuwde haar woorden nu bijna voor zich uit. “Ik … heb… geen… tijd… om ziek te zijn als ik te druk bezig ben met doodgaan!”

    François trok zijn dochter tegen zich aan en liet haar instorten tegen zijn borst. Voor het eerst sinds hij haar en haar geheim kende toonde ze angst voor het onvermijdelijke waar ze altijd van op de hoogte was geweest. Hij had altijd gedacht dat het net dat geheim was dat ervoor zorgde dat ze zo luchtig en levendig door het leven stapte. Ze maakte zich weinig zorgen omdat voor haar elk begin een feit was en elk einde onveranderlijk. Haar moeder, Gabriela was net zo geweest. Het begin en het einde stonden altijd vast, maar over alles wat er tussen gebeurde had je volgens haar wel zeggenschap. Terwijl er op het flanellen geruite hemd van François een grote, zoute, natte plek ontstond en hij zich afvroeg wat hij nu in godsnaam moest doen, werkte de pianomuziek die uit de luidsprekers galmde toe naar een crescendo dat de werkruimte vulde en de dramatische gedachten die door hun beider hoofden spookten leek te benadrukken.

     

    Tegen de tijd dat Henri terug was uit Nepal met een nieuwe lading antiek en verhalen, had de dokter Elisa’s enge vermoedens bevestigd. En hoewel hij heel hoopgevend en optimistisch was geweest met betrekking tot mogelijke behandelingen en overlevingskansen wist Elisa wel beter. Ze weigerde.

    Zoals altijd wanneer Henri terug kwam van een zakenreis, hadden ze met zijn vieren uitgebreid gedineerd. Hij had verteld en foto’s getoond en iedereen had vol aandacht geluisterd en mee gedroomd. Martijn had zijn vader honderduit gevraagd en was verrukt met de aandenkens die hij had gekregen. Na het eten was François opgestaan. Hij had zijn kleinzoon meegenomen om de souvenirs in zijn werkkamer van dichtbij te bekijken en had zijn dochter voor hij de kamer verliet nog even veelbetekenend aangekeken.

    En toen waren Henri en Elisa alleen in de grote eetkamer die enkel voor speciale gelegenheden zoals deze werd gebruikt. Het licht was gedempt en ze hadden kaarsen aangestoken en het beste servies uitgehaald. Het was wit porselein en er stonden blauwe Engelse kastelen op geschilderd, op elk bord een andere. Elisa vond het spuuglelijk, maar Martijn stond er op om zijn vader met gepaste toeters en bellen te verwelkomen en haalde bij elke terugkomst de kastelen boven. Henri schoof zijn stoel op zijn stoel naar zijn vrouw toe en begon haar in haar nek te kussen. “Ik heb je gemist…” fluisterde hij in haar haren.

    Ze bleef onbeweeglijk zitten en staarde naar haar vingers die ineen verstrengeld op haar schoot rustten. Henri plantte een spoor van lichte kusjes van onder haar linker oor tot bij haar linker mondhoek. Elisa kon niets zeggen, wist niet hoe ze het hem moest vertellen. Hij knoopte de bovenste knoopjes van haar blouse los en schoof zijn hand tot over haar borst. Die aanraking en de zweem van alcohol die zijn adem kleurde na het feestmaal deed haar opschrikken. Ze duwde zijn hand weg en hield hem aan de schouder van zich af. Met een blik vol verlangen en verwarring keek hij haar aan.

    “Toe Eli…” fluisterde hij, terwijl hij haar smekend in de ogen keek en probeerde om een blonde krul uit haar gezicht te strelen. Ze schoof haar stoel in één vlotte beweging achteruit en stond op. Henri schrok van haar abruptheid en gooide in zijn verbazing een half glas rode Sint Emilion om waar de rand van afbrak.  Elisa kruiste half haar armen, hield met haar ene arm haar andere ellenboog vast terwijl ze de losse haarlok achter haar oor frommelde. Vol verbazing gooide Henri zijn handen in de lucht: “maar wat is er toch?”, riep hij vragend uit. 

    Elisa staarde naar de bordeauxkleurige vlek die zich uitspreidde over het witte tafellaken. “Ik heb borstkanker”, zei ze voor zich uit. Ze vertelde het heel rustig en feitelijk, net zoals iemand zegt “het is woensdag.” Of “het regent.”

    Henri staarde vol ongeloof naar zijn geliefde Elisa. Zijn mond viel letterlijk open. Hij voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken en maakte zijn das los in een poging om meer lucht binnen te krijgen. Een onzichtbare hand bleef om zijn hals zitten en verhinderde de zuurstoftoevoer.  “Wat?” fluisterde hij, happend naar adem.

    “Ik heb borstkanker, Henri.” Elisa’s hart brak toen ze Henri op dat eigenste moment in één klap tien jaar ouder zag worden. Ze zag zijn haren doffer en grijzer worden en merkte de lijntjes op die zich op zijn voorhoofd vormden. En in zijn ogen verdween op dat ogenblik voorgoed een deel van het licht en de hoop die hij altijd in zijn blik had mee gedragen. Hij liet zijn hoofd in zijn handen vallen, zijn ellenbogen steunend op zijn knieën, en hoewel Elisa hem niet kon horen wenen, zag ze zijn schouders ritmisch en heftig schokken. Ze liep naar hem toe. Vanuit zijn zittende positie greep hij haar vast om haar middel en begroef zijn gezicht in haar buik. En terwijl hij zijn wanhopige tranen in haar blouse uit stortte streelde ze zijn weerbarstige korte haar en fluisterde troostende woordjes.

     

    Ze weigerde elke behandeling. Het leek haar gewoon niet nuttig. Ze wist wanneer ze zou sterven en ze zag niet in hoe enige vorm van behandeling daar iets aan zou kunnen veranderen. Dood ging ze toch. Huilen om het feit dat ze ziek werd deed ze na die dag nooit meer. Nadat ze in de studeerkamer van haar vader over haar ontdekking had verteld, was ze de controle over zichzelf nooit meer verloren. De vrede die ze had met haar einde was terug gekeerd nog voor ze het Henri had kunnen vertellen.

    Eerst zei ze tegen hem dat ze geen behandeling wilde omdat ze zich nog niet ziek voelde. Ze wilde wat tijd om er over na te denken. Later, toen de tijd van wachten echt wel voorbij was, vertelde ze hem dat ze toch ging sterven. Henri begreep er niets van en sleepte haar mee naar elke arts en professor oncologie dat het land rijk was in de hoop dat die haar zou kunnen overtuigen om toch iets te proberen. Hij smeekte en pleitte, huilde en maakte zich kwaad, maar niets leek Elisa te kunnen overtuigen. Uiteindelijk kwam ze hem een beetje tegemoet door maandelijks op controle te gaan om te zien hoe het maar algemene toestand was en hoe ver de kanker zich vorderde. Maar elke keer had de dokter slecht nieuws en begonnen de smeekbedes van voor af aan. Henri liet het reizen even voor wat het was om voltijds bij zijn vrouw te kunnen zijn. Ze begreep zijn bezorgdheid, maar ergerde zich ook aan zijn betuttelingen. Ze wilde haar ruimte terug, ze wilde de dingen kunnen doen die ze nog wilde doen in de tijd die haar restte. Tijd die ze niet wilde doorbrengen in ziekenhuizen en wachtzalen. Elke avond stopte ze Martijn in zijn bed, al was hij ondertussen al twaalf en zou hij in september naar het secundair onderwijs gaan. Dan praatten ze over zijn dag en bereidde ze hem voor op de dag dat hij niet meer op haar zou kunnen terugvallen.

    Henri ging zo op in de zorgen die hij had voor zijn vrouw dat hij niet zag dat zijn zoon het steeds moeilijker had. Op school loofden de leerkrachten hem voor zijn prestaties en zijn leergierigheid, maar telkens opnieuw kreeg hij opmerkingen om zijn bizarre en vermijdende gedrag. Henri wist hier niets van af, want Elisa schermde de problemen zo goed en zo hard het kon af, in de hoop dat Martijn met zijn probleem zou leren omgaan tegen de tijd dat zij er niet meer zou zijn. Met ouder worden kreeg Martijn het ook steeds moeilijker om met andere mensen om te gaan. Hoe verder zijn talent evolueerde, hoe meer hij zich begon te storen aan de voortdurende beweging van levenskracht die bij alles en iedereen constant leek weg te vloeien. Het maakte het Martijn nagenoeg onmogelijk om zich te concentreren op gelijk wat leefde. Het was alsof hij de aftakeling van elk levend wezen tot in detail kon mee volgen van op het moment van ontstaan. Alsof hij de celveroudering microscopisch uitvergroot op elk gezicht kon meevolgen. Soms wenste hij dat hij de tijd even kon stilzetten, zodat hij even tot rust kon komen en iets van dichtbij kon bekijken. Zonder de voortdurende ruis van verandering.

    Het enige waar Martijn langere tijd zijn aandacht op kon houden, dat waren boeken. Van zodra hij kon lezen werden zijn boeken een rustpunt. De letters stonden stil en Martijn kon zelf de snelheid controleren waarmee hij het verhaal in zich liet toekomen en ontwikkelen. Geschreven verhalen waren de enige dingen die hij tweemaal kon bekijken en waarbij hij, behalve aan het papier waarop het was gedrukt, geen verandering kon opmerken. Het enige wat aan variatie onderhevig was, waren de emoties die de verhalen bij hem opriepen. Martijn zag ook de aftakeling bij zijn moeder nog voor die voor Henri duidelijk werd, maar Elisa smeekte hem om er niets van tegen zijn vader te zeggen.

    Ondertussen gingen de maanden verder en weigerde Elisa nog steeds om zich te laten helpen door de medische wereld. Toen ze Henri op een avond probeerde te vertellen dat een behandeling geen nut zou hebben omdat het toch al vast stond wanneer ze zou sterven dacht hij dat ze helemaal gek was geworden. De wanhoop nabij begon hij haar ook mee te nemen naar psychiaters en psychologen die allemaal enkel konden vaststellen dat Elisa niet suïcidaal was, maar ook niet wenste geholpen te worden. Elke keer opnieuw ging Elisa gedwee mee en elke keer opnieuw liet ze hem eerst het woord doen waarna ze heel rustig en met duidelijke bewoordingen uitlegde dat ze geen behandeling wilde. Bij elk onderzoek, elk negatief resultaat en elk slechtnieuws - gesprek met weer een andere arts en een boodschap die nog onheilspellender was dan de vorige was het Elisa die Henri’s hand vast hield, niet omgekeerd.

    Binnen enkele maanden tijd begon Elisa zich ook echt slecht te voelen, ze kreeg pijn en was heel erg moe. Martijn wist dat zijn moeder steeds zieker werd, voor hem kon ze haar symptomen niet wegstoppen. Hij wist, net als zijzelf, dat haar zandloper bijna leeg gelopen was. Dat hadden ze samen besproken en hoewel Martijn het vreselijk vond dat zijn geliefde mama zo ziek werd, toch kon hij het feit dat ze er uiteindelijk niet meer ging zijn wel plaatsen. Ze praatten vaak over hoe het zou zijn en keer op keer beloofde Elisa dat ze er altijd voor hem zou zijn, zelfs al was ze niet bij hem. Martijn aanbad zijn moeder en geloofde haar. Hij was pas twaalf, waarom zou hij twijfelen aan de persoon die hij het allerliefste zag in de hele wereld?

    Dag na dag werd Elisa zieker en elke dag zag Martijn hoe het licht in haar ogen beetje bij beetje uitdoofde. Hij zag hoe haar haren niet meer zo stralend blond waren en hun leven leken te verliezen. Hij zag hoe de ziekte zijn moeder dag na dag meer op at. Hij wist dat hun afscheid onvermijdelijk zou zijn.

    Henri was verblind door de angst om zijn geliefde te verliezen en bleef als een gek zoeken naar manieren om haar te overtuigen om toch iets te proberen. Toen Elisa, een maand voor haar voorspelde sterfdatum, op haar ziekbed plots omringd was door geestelijken van vier verschillende strekkingen kreeg ze voor het eerst sinds de geboorte van Martijn en de daarop volgende uitval tegen Maria en Elfride een woedeaanval. Gesterkt door haar kwaadheid stapte ze uit bed en onder de verbaasde blikken van François en Henri gooide ze de priesters één voor één uit haar kamer.  Nadien installeerde ze zich terug tussen haar lakens, duidelijk uitgeput en hijgend van de inspanning. Toen Henri geschrokken en bezorgd de lakens terug over zijn vrouw wilde leggen, greep ze zijn pols vast. Haar grip was zwak, maar beheerst en duidelijk. Vastberaden dwong ze Henri om haar in de ogen te kijken. “Nu is het genoeg geweest”, zei ze met een stem die eerder stil maar toch zeker klonk.

    “Maar je probeert niet eens…”, fluisterde Henri, verslagen. “Wil je dan zo graag dood? Wil je dan zo snel bij me weg?” Hij zakte op zijn knieën naast het bed en liet zijn hoofd op haar schoot rusten.

    “Het staat al vast wanneer ik moet gaan van het moment dat ik ben aangekomen”, antwoordde Elisa rustig, “en niets wat ik doe of probeer kan daar iets aan veranderen…”

    “Wat is dat toch met jou?”, snikte Henri onbegrijpend, “ik heb je nooit in iets weten geloven, je hebt die priesters net als een ketter op straat gegooid. En toch is het alsof je gelooft dat alles al vast ligt.” Hij kruiste zijn handen en smekend zei hij: “Wat wil je dan dat ik doe? Wil je dat ik je zomaar laat gaan?”

    “Het enige wat ik wil is rust op de laatste dag die ik nog heb. Ik heb niets nodig, behalve jullie.” Leunend in een berg kussens stak Elisa haar hand uit naar Henri.

    Vol ongeloof en kwaadheid staarde hij haar aan. “Als je me toch achterlaat, wat had het dan voor zin? Wat had het verdomme allemaal voor zin?” Hij stond op en leek even te aarzelen, maar draaide zich toen op zijn hielen om en verliet de kamer. “Onzin!” Hoorde Elisa hem nog mompelen voor hij de deur met een klap achter zich dicht trok.

     

    In de gang stond Martijn te wachten. Hij had aan de deur staan luisteren en had alles gehoord. Henri schrok van zijn zoon, die zonder dat hij het gemerkt had een groeispurt had genomen en nu al tot bij zijn schouders kwam. Henri veegde gehaast met de rug van zijn hand zijn tranen uit zijn gezicht. “Wat doe je hier?”, snauwde hij tegen Martijn.

    “Papa?”, vroeg Martijn, “Mag ik vannacht bij mama slapen? Ik wil niet dat ze alleen is.”

    Van in het binnenste van Henri borrelde toen iets op. Hij pakte zijn zoon bij zijn trui en schudde hem door elkaar. “Je moeder gaat niet dood, hoor je dat? En als er al iemand bij mijn vrouw slaapt, dan ben ik het wel! Verdomme, met die gekke ideeën allemaal! Ze heeft je veel te veel verwend!”

    Henri liet Martijn los en het kind viel achteruit met zijn hoofd tegen een ladekast. Hij kromp ineen en begon luid te wenen met zijn handen om zijn hoofd. Geschrokken door het lawaai François zijn studeerkamer uitgelopen en trof zijn schoonzoon en kleinzoon zo aan. De ene snikkend en kermend op de grond en de ander verbijsterd en lijkbleek starend naar wat hij net had aangericht.

    “Henri, wat doe je nu?” riep François uit. Hij hurkte bij Martijn en trok hem tegen zich aan om zijn hoofd beter te kunnen bekijken.

    Henri keek omlaag naar zijn eigen trillende handen en stapte achteruit. “Ik… ik…” stamelde hij. “Ik moet hier weg, weg uit dit gekkenhuis!” Hij draaide zich om en rende de trap af, greep zijn jas uit de vestiaire en rende de straat op.

     

    Ze wachtten de hele avond op hem, maar hij kwam niet terug. Martijn ging steeds uit het raam kijken of hij zijn vader zag, maar zonder resultaat. Ondertussen ging het met Elisa steeds slechter. François en Martijn hielden eerst om beurt de wacht bij haar, maar bleven uiteindelijk samen aan haar bed zitten. Tegen half één viel François in slaap in zijn zetel. Martijn was ook uitgeput en kroop bij zijn mama onder de lakens. In het donker lag hij te luisteren naar haar oppervlakkige ademhaling, hij snoof haar geur van lentebloesems op en probeerde die in zijn hoofd te prenten. Hij streelde met zijn kleine handjes haar krullen en merkte voor het eerst verbaasd op dat die net hetzelfde aanvoelden als die van hem. Heel de nacht bleef hij zo bij haar liggen, wachtend tot zijn vader terug ging komen terwijl hij probeerde om alles wat hij wist van zijn moeder te herinneren en alle indrukken die hij had van haar veilig in zijn hoofd op te slaan. Tegen de ochtend maakte hij zijn grootvader wakker. “Opa?” fluisterde hij.

    François schrok wakker en sprong recht. Zijn bril die op zijn schoot had gelegen viel op de grond en het ene glas barstte. Het ochtendlicht scheen door de witte gordijnen en leek Elisa te doen glanzen.

    “Het is tijd, opa”, zei de jongen en hij nam de oude man bij zijn hand.

    François ging rechts van haar zitten, Martijn aan de andere kant en elk hielden ze een hand vast. En zo was Elisa niet alleen op haar laatste moment. Martijn voelde het moment waarop ze niet meer in de kamer was en keek zijn opa vragend aan.

    “Het is goed jongen”, zei die stil, “het is goed geweest.”

    Ze deden hun best om niet te huilen, want dat hadden ze Elisa beloofd. Toen Henri in de late ochtend riekend naar de drank het huis binnen stapte, kon hij enkel nog vaststellen dat hij te laat was.

    17-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    10-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3. Anders

    Martijn was vijf jaar toen bleek dat hij anders was. Elisa had op dit moment gewacht sinds de eerste keer dat ze hem in haar armen had gesloten. Het was een woensdagmiddag en de school was uit. Op het bontgekleurde Perzische tapijt in de woonkamer van het oude herenhuis zat Martijn met een stoomtreintje te spelen die  nog van zijn opa, François, was geweest.  François zelf zat in zijn relax de krant te lezen terwijl op de achtergrond de zesde van Beethoven uit de stereoketen klonk.

    Zo brachten ze hun woensdagen vaak samen door. Henri en Elisa waren beiden uit werken. Elisa had een baan als kantoorklerk bij een notaris en Henri hield nog steeds de winkel open, hoewel hij, ondanks de smeekbedes van zijn moeder en zussen nooit meer in het oude woonhuis kwam. Meestal bakte de huishoudster wafels of pannenkoeken op woensdag en als Elisa dan tegen vijf uur thuis kwam aten ze die samen op aan de grote kloostertafel in de keuken en niet in de eetkamer zoals op andere dagen. Martijn hield van woensdagen, omdat ze rustig en vrij waren. Hij zou voor de rest van zijn leven de geur van vers gebakken wafels en pannenkoeken associëren met zorgeloos geluk.

    Hij was een verstandig kereltje, wijs voor zijn leeftijd en met een scherp gevoel voor humor.  Hij had de blauwe ogen en blonde krullen van zijn mama die hem er fijn en bij momenten bijna meisjesachtig kwetsbaar uit deden zien. Elisa stapte de kamer binnen en bracht een zoete lucht met zich mee. Ze liet zich naast Martijn op haar knieën vallen en omhelsde het kleine ventje.

    “Mama!”, riep hij uit, terwijl hij stoer haar kussen van zijn wang afwreef.

    “Wat ben je aan het doen?”, vroeg ze. Ze nam een treintje en zette die op het spoor achter die van Martijn.

    “Mama!” zei hij streng, “ Jij bent een meisje, jij kan helemaal niet met treinen rijden!”

    Elisa pruilde: “Maar ik wil meespelen…” mompelde ze, gemaakt verdrietig.

    Martijn keek zijn mama vol medelijden aan. Hij voelde zich meteen schuldig. Hij kroop tegen Elisa aan en legde zijn kleine armpjes om haar nek. “Je moet niet verdrietig zijn, mama”, troostte hij haar, “je mag kijken!”

    Elisa schoot in de lach en gaf haar kleine man een dikke smakkerd op zijn wang. Hij bloosde. Alles was goed. Dus toen er gebeld werd keken François en Elisa elkaar verbaasd aan. “Verwacht jij iemand?”, vroeg Elisa aan François.

    “Neen, jij?”, antwoordde haar pleegvader.

    Elisa klauterde recht en streek haar kledij recht. Ze stapte in haar schoenen die ze bij het binnenkomen had uitgeschopt en voelde met haar handen of haar haren nog netjes waren. Er werd nogmaals gebeld.

    “Jaja, ik kom!”, riep ze. Ze deed de deur open en voelde toen hoe haar hart drie slagen oversloeg en hoe een hand zich rond haar slokdarm en luchtpijn heen klemde. Voor haar stond haar schoonmoeder.

    “Ik dacht dat jullie een huishoudster hadden?”, zei deze zuur, bij wijze van goedemiddag. Ze zette een stap vooruit en stond al binnen toen ze pro forma nog vroeg: “mag ik binnenkomen?”

    In haar kielzog volgden Maria en Elfride.

    “Henri is niet thuis…” stamelde Elisa, geschokt.

    “Dat weet ik toch, kind”, antwoordde moeder zuur, “hij is in de winkel, waar hij hoort.”

    “Waarom…”

    “Ik kom kijken hoe je mijn kleinkind opvoedt”, snauwde Elisa’s schoon moeder uit de hoogte. Zonder haar schoondochter de kans te geven om nog iets te zeggen liep ze haar voorbij de woonkamer in.

    Martijn had zijn grootmoeder nog nooit gezien. En hoewel ze er bij Henri vaak op aan hadden gedrongen om met hem langs te komen hadden ook de zussen het kind niet meer van dichtbij kunnen bewonderen sinds die rampzalige dag in het ziekenhuis. Het was een voortdurende strijd tussen Henri en zijn familie. Maar hij behield de afstand, hoe veel moeite het hem ook kostte, uit liefde voor Elisa.

    Met grote ogen keek Martijn naar het oude mens dat hier zijn veilige ruimte in gestormd kwam. Martijns grootvader stond recht. Zijn bril en krant vielen op de grond. Maar, zoals het een heer betaamd, vond hij snel zijn waardigheid terug. Met rechte rug en klare stem groette hij Henri’s moeder. Martijn was ondertussen weggekropen in de hoek achter de relax.

    “Waaraan hebben wij uw bezoek te danken?”, vroeg François beleefd. Henri had hem vaak in vertrouwen genomen over de kwestie. Maria had verschillende pogingen gedaan om François er bij te betrekken, maar hij had er zich wijselijk buiten gehouden.

    François slaagde erin om zijn ergernis omwille van dit onaangekondigde bezoek weg te stoppen achter goede manieren en opvoeding. Met een blik alsof ze iets heel smerigs rook keek moeder om zich heen, alsof een ze een plekje zocht waar ze kon zitten zonder haar nette mantel vuil te maken. Ze steunde op Marias arm en manoeuvreerde over het treinspoor dat op het tapijt lag uitgesteld. Een wagonnetje viel om bij de aanraking van haar gehakte hiel. Metaal en schoen krasten over elkaar. Martijn slaakte een duidelijk hoorbare kreet vanuit zijn schuilplaats.

    Met haar jas nog tot boven dicht geknoopt en met haar tas op haar schoot zette zijn grootmoeder zich op het randje van een grote lederen sofa die de woonkamer in twee leek te verdelen.

    “Gaat u zitten”, zei François, geheel overbodig. Zijn grijze haren vielen in een bles over zijn gezicht en in een nerveus gebaar veegde hij de lokken weg. Hij was beginnen grijzen sinds hij begin de veertig was. Nu hij bijna drieënvijftig was bleef er van zijn natuurlijk zwarte haar niets meer over. Hij had het nooit erg gevonden. “Grijze haren passen beter bij een antiquair”, lachte hij altijd als Elisa er een opmerking over maakte.

    Maria en Elfride gingen gehaast naast moeder op de bank zitten en bleven toen zwijgend voor zich uit staren. Elisa bekeek het gezelschap alsof er een troep buitenaardse wezens in de woonkamer was geland. Ze wist niet of ze nu moest lachen of janken. Ze overwoog om Henri op te bellen, maar besloot dat dan toch niet te doen: Henri had het zo al moeilijk genoeg om zijn positie tussen haar en zijn familie in leefbaar te houden. Martijn gluurde van achter de hoek van de relax naar de strenge vrouw die met haar boze blik en oude – mensjes - geur heel de ruimte leek in te nemen. 

    “Zoals ik daarnet al tegen uw pleegdochter zei...”, begon moeder, waarbij ze de nadruk duidelijk op ‘pleeg’ leek te leggen. Het was alsof ze wilde duidelijk maken dat dit Elisa minderwaardig maakte en hem als vader onbeduidend, “ben ik gekomen om mijn kleinkind te zien. In het teken van zijn toekomst heb ik er alle belang bij dat hij correct wordt opgevoed.”

    Elisa liep rood aan en hapte naar adem om in een woedeaanval uit te barsten, maar haar geliefde vader stak zijn hand sussend op, haar aanmanend om zich in te houden.

    “En wat mag die toekomst volgens u dan wel zijn? Als ik u vragen mag?”, vroeg hij, ijzig beleefd. Zijn grijze haarlok viel weer voor zijn ogen. Hij kantelde zijn hoofd een klein beetje naar de linkerkant en wachtte het antwoord geduldig af. Ergernis droop van moeders gezicht.

    “Martijn neemt later de winkel over, net zoals zijn vader”, stelde moeder met een absolute zekerheid. “De traditie én de naam wordt verder gezet.”

    “En hij wordt doodongelukkig! Net zoals Henri!”, barste Elisa uit.

    Moeder draaide haar hoofd met een schok en keek Elisa met een dodelijke blik aan.

    “Traditie is belangrijk. Familie is belangrijk”, vervolgde moeder. “Ik had beter moeten weten dan te verwachten dat iemand zoals jij dat zou begrijpen.”

    “Iemand zoals ik?”

    “Iedereen weet dat je op straat zou staan als je meneer François zich niet over je zou hebben ontfermd.”

    “U weet helemaal niets!”, riep François uit.

    “Vertel het ons dan! Wij willen heel graag weten hoe het zit. Waarom hebt u Elisa nooit geadopteerd? Is het niet omdat uw eigen familie tegen de adoptie is? Omdat het kapitaal moet beschermd worden tegen ongewenste invloeden? Wat ik overigens heel goed kan begrijpen?”

    “Hoor eens, mens!”, riep Elisa uit, “François heeft me altijd alles gegeven wat ik nodig had. Materieel en emotioneel. Liefde! Denk je nu echt dat ik op zijn geld zit te wachten?”

    “Dus ben je maar met mijn Henri getrouwd. Wetende dat hij een succesvolle zaak heeft. Wetende dat hij wel zou kunnen bieden wat in je eigen ‘kringen’ ondenkbaar zou zijn. We hadden je nooit met hem mogen laten trouwen.”

    “Henri en ik zijn gehuwd uit liefde! Maar ik verwacht niet dat jij en je verzuurde hart daar ook maar iets van begrijpen.”

    Het oude mens negeerde de uitbarsting van Elisa en ging onverstoorbaar verder: “Henri heeft de taak op zich genomen om de erfenis van zijn vader verder te zetten en zodoende in het levensonderhoud van mij en zijn zussen te voorzien. Hij beseft tenminste wat er verwacht wordt van iemand in onze kringen.”

    Om de mond van Martijns opa verscheen een geërgerd lachje. De jongen volgde de hele discussie mee vanuit zijn kamp, niet begrijpend waarover de grote mensen het hadden. Maar hij wist wel dat het over hem ging.

    “In mijn huis mogen kinderen zelf kiezen wat hun pad wordt”, zei François, terwijl hij Elisa een bemoedigend knikje gaf.

    “In uw huis zijn kinderen verwend”, beet moeder hem toe. “Ze zijn verwend en als ze op eigen benen moeten staan hebben ze niets! Het is niet eens je eigen bloed, ze houden er niets aan over, aan die eigen keuze. Jij weet niet wat familie is.”

    Bij die opmerking stond François recht. Hij hield zijn overbodige wandelstok stevig in zijn hand en liet hem met een grote knal neer komen op de vloer van de woonkamer. “Ik denk dat het tijd wordt dat u vertrekt.”

    De zussen sprongen geschrokken uit de zetel, maar moeder bleef koppig zitten. Ze stak haar kin omhoog en ging verder. “Er staat Verheye en zoon op het bord”, sprak ze voor zich uit, “het is altijd ‘en zoon’ geweest.”

    “Als u nu niet onmiddellijk dit huis verlaat, laat ik elke vorm van etiquette achterwege en gooi ik u zelf op straat!” François zei het zonder te roepen, maar Elisa kon aan de kloppende slagader in zijn nek zien dat hij alle moeite van de wereld deed om zich in te houden en niet te ontploffen.

    Elisa’s schoonmoeder nam Maria terug bij de arm en trok zich omhoog.

    Martijn kroop voorzichtig van achter de zetel en haakte zijn arm om zijn grootvaders been. “Opa?”, fluisterde hij.

    François keek omlaag in de bange ogen van zijn geliefde en enige kleinkind. Voor hem was hij nooit minder dan bloed geweest. Elisa was nooit minder dan een dochter voor hem geweest. Het maakte hem woedend als mensen dat in vraag stelden of hun band als tweederangs beschouwden omdat hij haar nooit had kunnen adopteren.

    “Waarom doet die mevrouw zo gemeen?” vroeg de jongen.

    Zijn stem klonk hoog en onvast. En toen voor iedereen hoorbaar zei hij: “is ze verdrietig omdat ze volgende week doodgaat?”

    De tweeling slaakte een kreet van verontwaardiging en sloeg simultaan een kruisteken. Moeders gelaatskleur evolueerde naar een intens hoogrood.

    “Wat een onbeleefd en eng kind!” riep Elfride uit.

    Geschokt en met de neuzen omhoog stompten de drie vrouwen de woonkamer en het huis uit. Elisa had haar hand voor haar mond geslagen en keek haar zoon met grote geschrokken ogen vol verdriet aan. François zette zich in de zetel en trok het kind op zijn schoot. Hij gaf Martijn een dikke knuffel en zijn pleegdochter een bemoedigend knikje. 

    En toen zuchtte hij: “het is zover.”

    Toen de oude weduwe Verheye de week na de voorspelling van de Martijn overleed, kwam dit voor iedereen als een verrassing, behalve dan voor zij die op woensdag bij Martijn in de woonkamer waren geweest. Martijn zelf lag er niet echt van wakker, hoewel hij het wel jammer vond voor zijn papa dat papa’s mama nu gestorven was. Maar Martijn zelf had zijn grootmoeder nooit gekend en de enige keer dat hij haar had gezien was ze behoorlijk gemeen geweest. Henri zelf wist niet wat er zich die dag precies had afgespeeld. Toen hij ’s avonds was thuisgekomen had hij zijn vrouw overstuur en wenend aangetroffen. Ook zijn schoonvader had behoorlijk bedrukt gekeken. Toen ze hem hadden verteld dat zijn moeder en zussen langs waren geweest was hij heel kwaad geworden. Hij had op het punt gestaan om naar hen toe te gaan om hen eens goed de waarheid te zeggen, maar Elisa had hem tegen gehouden. Ze had hem niet gezegd dat Martijn het overlijden van zijn moeder had voorspeld. Ze had hem ook niet verteld dat ze dit zelf ook al lang had voorzien.

    Henri regelde en doorstond nog een begrafenis. Elisa stond aan zijn zijde toen hij zijn moeders kist de grond in zag zakken. Het was een stralende lentedag, maar Maria en Elfride waren van top tot teen in het zwart gehuld, inclusief hoed. Ze stonden vanachter een zwarte kanten voile hoorbaar te snikken terwijl enkele kennissen hun medeleven kwamen tonen. Maria's zoon, Dirk, was er ook. Zijn gezin was thuis gebleven. Hij vond een begrafenis geen plaats voor zijn kleine Jacob, die net als Martijn net vijf was. Halverwege de dienst vertrok hij. “Werk”, was het excuus. Hoewel iedereen wist dat het notariaat op zaterdag gesloten was.

    Henri liet geen traan voor zijn moeder. Hij was kwaad om de ellendige tijd die ze hem had bezorgd, om de schuldgevoelens waarmee zij hem jarenlang aan haar had vast geketend.  Hij verafschuwde hoe ze hem had gedomineerd en hoe ze Elisa had behandeld. Hij hoopte vanuit het diepst van zijn hart dat ze zijn vader in het hiernamaals met rust zou laten. Hij wenste zelfs dat er geen hiernamaals was zodat hij haar nooit meer zou moeten zien.

    Na de plechtigheid schuifelde de tweeling half voorover gebogen en op elkaar steunend naar hun broer.  Ze negeerden Elisa die naast hem stond en barstten elk op een van zijn schouders in snikken uit. Henri reageerde koel en afstandelijk. Hij walgde van de vrouwen, die hun jaren hadden laten voorbij gaan zonder ooit iets van initiatief te hebben getoond, zonder ooit een persoonlijkheid te hebben ontwikkeld, of een wil die los stond van die van hun bezitterige moeder. Iets in hem zei hem dat ze het niet konden helpen, dat ze net als hij het product waren van een tirannieke moeder en een onderdanige vader. Och vader, was hij er nog maar geweest, hij zou eindelijk vrij geweest zijn. Hij keek de vrouwen meewarig aan, alsof ze schepsels waren van een andere dimensie.

    En toen, tot ieders verbazing, zei hij: “ik verkoop de winkel.”

    Hij zei het luidop en recht voor zich uit, schrok ook zelf van zijn besluit en herhaalde het.

    “Ik verkoop de winkel.”

    Alsof iemand een knop had uitgeschakeld stopte het toneel bij de zussen. Maria gooide haar sluier uit haar gezicht en keek haar broer geschokt aan. “Je … verkoopt… de winkel?” vroeg ze.

    “Ja, ik verkoop.” De woorden kwamen uit Henri’s mond met een zekerheid die hij in heel zijn leven nog nooit had gevoeld. “Ik ben het rotding beu. Ik ben de klanten beu. Ik ben jullie beu.”

    Bij elke zin werd Maria een beetje bleker en Elfride een beetje kleiner.

    “Maar Henri, dat… dat kun je toch niet maken?”, stamelde Elfride.

    “Ik zie niet in waarom niet”, zei Henri. “Ik weet niet wat jullie willen doen met jullie deel, maar ik verkoop het mijne. Het gebouw en de woning moet ik niet, daarmee doen jullie wat jullie willen. Ik wil het niet.”

    Maria, die in heel haar leven nooit een dag had gewerkt en besefte wat de implicaties waren van het besluit dat Henri zonet had geuit, hapte als een vis op het droge. Jarenlang had eerst vader en later Henri in het onderhoud voorzien van moeder en de zussen. Moeder had immers zorg nodig gehad en wie beter dan haar dochters konden dat voorzien. Moeder had altijd gezegd dat er geen mooier beroep bestond dan de zorg voor je zieke ouder. De zussen hadden zich hierin gewenteld.  Ooit, toen ze jonger en mooier waren, had Maria gedroomd van een sprookjeshuwelijk. In haar romannetjes had ze gelezen over knappe mannen die onervaren jonkvrouwen ontvoerden naar landen met zwoele klimaten en hen overlaadden met rijkdom en passie. De knappe piraat die Maria zou ontdooien was er nooit gekomen en de enige jongeman die het ooit had gewaagd om de strenge blikken van moeder te trotseren was voor Elfride gekomen. Het was een kippenboer geweest, die de eieren leverde voor de winkel. Vader had het snel in de gaten gehad dat Filip, want zo heette hij, een meer dan gezonde interesse vertoonde voor de jongste helft van de tweeling. Hij verdubbelde zijn assortiment en vroeg Elfride om op de dagen van de levering te komen helpen. Filip stopte Elfride briefjes toe waarin hij haar jeugdigheid en schoonheid bejubelde die zij met een gepast gevoel voor etiquette allemaal beantwoordde.   Elke dinsdag en vrijdag stond Elfride ongeduldig bij haar vader in de winkel te wachten tot Filip de eierboer zou arriveren met een nieuwe lading handelswaar en een liefdesbrief. Het duurde tot Maria jaloers werd en moeder een aanval kreeg van een mysterieuze ziekte die haar drie maand bedlegerig en hulpbehoevend maakte. Ze eiste Elfride aan haar zijde, want enkel zij kon haar moeders kussens zo goed opschudden zodat deze ondanks haar helse ziekte een beetje kon slapen en enkel zij kon haar huid zo goed insmeren zodat ze van doorligwonden gespaard zou blijven. Elfrides onmisbaarheid bij haar moeder maakte een einde aan het stille liaison. Filip kwam nog steeds op dinsdag en donderdag eieren brengen, maar de briefjes, die hij eerst nog met stille moed aan vader had gegeven, bleven na een tijdje uit. Toen moeder uiteindelijk weer beter werd van haar zoveelste ongedetermineerde aandoening, was Filip al verloofd met Maria. Toen ze het nieuws hoorde gooide Elfride alle brieven en kleine attenties die ze van Filip had gekregen en in een schoendoos onderin haar kleerkast bewaarde in het brandend haardvuur.  ’s Avonds in bed had ze in stilte geweend, bijtend in haar hoofdkussen zodat haar zuster, met wie ze al haar hele leven een kamer deelde, haar verdriet niet zou horen. Maria had geweten van haar pijn. Ze had het geweten en had zich verkneukeld om de prijs die Elfride betaalde voor haar ontrouw aan haar zuster en moeder. Er was nooit meer iemand geweest die Elfride op amoureuze wijze benaderde. Maria was net lang genoeg met de kippenboer gehuwd om zijn zoon en zijn kapitaal te krijgen. Dat kapitaal bewaakte ze angstvallig. Niemand wist ook precies hoeveel ze van hem had geërfd. Aan de wereld liet ze verstaan dat het nauwelijks genoeg was geweest om de schulden af te betalen.

    En nu was moeder dood en alles zou veranderen. Maria keek haar broer aan met ogen vol schrik en ongeloof. “Henri, je zet ons op straat?”

    Hij voelde wat ze probeerde, de schuld die ze hem poogde op te dringen zodat de vaste grond van onder zijn voeten weer weg zou brokkelen. Hij walgde van haar en van haar geveinsde hulpeloosheid. “Ik zeg je toch dat je met het huis mag doen wat je wil? Ik verkoop de handel en doe afstand van mijn deel van het huis. Als jullie een deel van de ruimte verhuren zouden jullie voldoende inkomen moeten hebben.” Hij zei het droog, zonder zijn zusters in de ogen te kijken. Hij wist dat één blik, één scheut schuldgevoel voldoende zou zijn om hem terug op andere gedachten te brengen. Elisa zag alles van op een kleine afstand gebeuren en bestudeerde haar Henri vol verbazing en bewondering.

     

    ’s Avonds, toen ze Martijn zoals elke dag in bed stopte, streelde Elisa zijn blonde krullen terwijl ze zachtjes hun slaapliedje neuriede. Martijn zong stil mee, met zijn hoge kinderstemmetje, het liedje van de lichtjes van de Schelde. Hij kende de woorden en was daar heel trots op. Hij hield zijn mama’s hand vast en streelde de rug ervan met zijn ene kleine vingertje.

    “Mama?”, vroeg hij toen het zingen gestopt was. “Is papa nu verdrietig?”

    Elisa keek de kleine jongen aan. Ze trok zijn donsdeken wat hoger zodat hij het warm zou hebben.

    “Ik denk het wel, lieverd”, antwoordde ze.

    “Waarom huilt hij dan niet?”, vroeg Martijn. “Ik ga huilen hoor als jij dood gaat! En ook als papa sterft, maar dat duurt wel nog heel lang…”

    Elisa moest even slikken. Hoe kon ze het uitleggen aan een jongen van vijf? En zeker aan hààr jongen die zo speciaal was? Martijn leek even afgeleid en Elisa haalde opgelucht adem. Ze gaf haar zoontje een nachtkus en knipte zijn nachtlampje uit dat op zijn met treintjes volgestouwde nachtkastje stond. Ze stond op en maakte aanstalten om de slaapkamer te verlaten toen Martijn plots zei: “Jij kan het ook zien hé mama?”

    Elisa bevroor en draaide zich terug om. Ze knipte het nachtlichtje terug aan en zette zich op de rand van het grote bed waarin Martijn bijna leek te verdwijnen. Ze zuchtte.

    “Ja lieverd, ik zie het ook.”

    “Die nare mevrouw noemde me een eng kind…” pruilde Martijn.

    “Lieverdje toch…” verzuchtte Elisa. “Wat jij bent, is speciaal. Jij bent niet eng!”

    “Ik ben speciaal?” herhaalde Martijn.

    “Ja, lieverd”, zei zijn moeder.

    “Is papa ook speciaal? Mag ik het hem zeggen?” vroeg het kind opgetogen.

    Hij had zijn deken tot aan zijn middel omlaag geslagen en zat nu rechtop, zijn blonde krulletjes in een warboel op zijn kleine hoofdje. Hij keek zijn mama aan met grote, vol pretlichtjes gevulde ogen. Elisa nam zijn kleine handjes in haar handen keek hem toen recht aan.

    “Martijn, je papa is speciaal. Maar niet zoals jij en ik. Hij is speciaal omdat hij ons liever ziet dan een bloem de zon of de oceaan het strand. Maar hij zal het nooit begrijpen. Hij zal alles doen om je te beschermen voor die dingen die volgens hem gevaarlijk zijn. En daarom mag je het hem niet zeggen.”

    “Tegen niemand?” vroeg Martijn.

    Elisa kon zo de teleurstelling in zijn stem horen. Als een superheld die net ontdekt heeft dat hij kan vliegen en het aan niemand mag tonen… “Je opa weet het, hij begrijpt het wel”, zei Elisa toen zachtjes. “Maar niemand anders, hoor je?” Nadat ze Martijn weer ingestopt had en het licht weer uitgedaan, stond ze op en verliet ze snel de kamer. Haar hart bonsde in haar keel.

    In de kinderkamer bleef Martijn naar de lichtgevende sterren tegen zijn plafond staren. Hij woelde en woelde, maar kon de slaap die nacht niet vatten. Hij snapte niet waarom hij het aan niemand mocht vertellen wat hij wist. Alsof je iemand zijn naam al kent, maar moet doen alsof je die persoon voor de eerste keer ontmoet.

    10-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    07-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2. 1980

    Op de materniteit van het Sint Franciscus Ziekenhuis zette Elisa haar zestiende uur arbeid in. Ze was moe en bezweet en de weeën volgden elkaar nu wel heel snel op. Henri vond het moeilijk om zijn lieve vrouw te herkennen in dat hijgende, logge schepsel dat daar op het ziekenhuisbed lag af te zien. Bij elke wee kermde ze van de pijn. Telkens opnieuw kneep ze zijn ondertussen gevoelloze hand tot moes. Haar blonde krullen kleefden tegen haar klamme voorhoofd. Het witte, vormeloze ziekenhuishemd was doorweekt van het zweet. Henri wilde het liefst van al wegrennen, de kamer en het ziekenhuis uit. Maar zijn trots en de liefde voor deze vrouw hielden hem tegen. Na een korte, krachtige klop vloog de deur open en stapte een verpleegster de kamer binnen. Ze was groot en grof gebouwd, met een strenge peper – en zoutkleurige haarwrong en ruwe handen. Als Henri nu een vluchtpoging zou ondernemen zou ze hem zeker getackeld hebben nog voor hij de deur kon bereiken. ‘Marion’ was de naam die ze samen met haar titel en duidelijke trots op haar linkerborst droeg. “Marion – matrone”, dacht Henri. De zelfbedachte woordspeling deed hem even glimlachen. De vroedvrouw keek hem streng en beschuldigend aan en dwong zijn mondhoeken terug omlaag. Henri sloeg zijn ogen met enige schaamte omlaag.  In een flashback zag hij de blikken van zijn moeder en zijn twee oudere zussen toen hij hen vertelde dat zijn lieve Elisa in blijde verwachting was. Ze was net achttien. Ze hadden hem aangekeken alsof hij net had verklapt dat hij in het geheim in de wijnkelk van de lokale kerk had geürineerd. Alsof Elisa een relikwie was dat door Henri en zijn lusten was ontheiligd. De vreugde die Henri had gevoeld had direct plaats gemaakt voor schaamte, vooral toen zijn zusters zich als moederkloeken op Elisa hadden gestort om haar bij te staan nu Henri haar in dergelijke gezondheid- ondermijnende toestand had gebracht. De vrouwen in zijn leven slaagden er altijd met het grootste gemak in om gevoelens van schuld en nood aan boetedoening op te roepen.

    De vroedvrouw manoeuvreerde zich tussen het bed en de stoel waarop Henri zat in, waardoor hij in de gordijnen werd gedrukt. Ze droeg een spierwit verpleegstersuniform en witte klompen. Haar hielen vertoonden een vereelte rand die gelig en gekloofd was. Zo ijzig als ze Henri had aangekeken, zo warm en vriendelijk richtte ze zich nu naar Elisa. “Gaat het nog mevrouwtje?” vroeg ze poeslief.

    Zonder het antwoord af te wachten sloeg ze de spierwitte lakens die gekreukt om Elisa’s slanke benen lagen gedrapeerd omlaag. Elisa knikte in een halve bevestiging en moest alweer een wee weg puffen.

    “Blijven ademen, mevrouwtje”, zei de matrone, “het is zo weer over.”

    Henri vroeg zich af hoeveel geboortes ze al had meegemaakt, hoe vaak ze die zin al had gezegd. Ze nam een paar latex handschoenen uit een doos die op het kastje naast Elisa’s bed stond en zei toen, tegen niemand in het bijzonder: “ we gaan eens kijken hoe ver we al zijn. Laat je benen maar open vallen, ontspannen…”

    Henri was even blij dat de brede rug van de vrouw het zicht blokkeerde. Hij vond het vreselijk dat vreemde handen zijn meisje zo intiem betastten, alsof ze de schade opnamen die hij daar had aangericht. Henri hoorde hoe Elisa haar adem inhield en bleef als bevroren in zijn stoel zitten. Allebei voelden ze zich ongemakkelijk. Allebei hoopten ze dat het snel voorbij zou zijn. De vroedvrouw Marion richtte zich op van haar karwei en zei toen heel zelfgenoegzaam: “we zijn er bijna!”

    “Alsof zij, en niet mijn Elisa, al het werk heeft gedaan…” dacht Henri bij zichzelf. Zoals altijd slikte hij zijn woorden in en schonk haar een beleefd lachje. Hij slikte de droge lucht in zijn keel weg en wriemelde zenuwachtig aan de blauwe stof van zijn vloeren broek.

    “De ontsluiting is bijna volledig”, zei het uniform tevreden, “nog eventjes en we kunnen de dokter roepen en naar de verloskamer verhuizen.”

    Met een geroutineerde beweging en de bijhorende ‘pets’ trok ze de latex handschoenen uit. In een vlotte beweging mikte ze de dingen in de vuilnismand. In gedachten zag Henri haar op een basketbalveld hetzelfde doen. Zonder nog iets te zeggen wrong ze zich van tussen Henri en Elisa in. Met stevige tred verliet ze de kamer. De kleine bleke hand van Elisa die de zijne weer omklemde haalde Henri uit zijn dagdroom.

    “Henri…”, fluisterde ze. “Henri, ik ben bang.”

    Er kwam weer een wee en het mooie ronde gezichtje waar hij zo verliefd op was geworden vertrok in een grimas. Henri schoot recht uit zijn stoel. Hij kon haar niet geruststellen. Hij kon haar niet geven wat ze nodig had. Hij was zelf overmand door de meest overweldigende castrerende angst die hij ooit had gevoeld. Zijn oerinstinct om te vluchten trok als een koppig kind aan de slip van zijn hemd, dat na de vele uren van spanning en bezorgdheid uit zijn broek was gaan hangen. “Moet Maria komen?”, vroeg hij haar. Hij dwong zijn trillende benen om niet doormidden te plooien bij de knieën en met zijn rechter hand streelde hij de vochtige krullen uit haar gezicht. “Of Elfride? Moet ik Elfride roepen? Ze zitten op de gang, ik weet zeker dat…” Henri maakte aanstalten om zich om te draaien en alles aan de hulptroepen over te laten, maar Elisa verstevigde haar greep om zijn hand.

    “Ik wil je zussen hier niet”, fluisterde ze tussen haar tanden en twee weeën door. “Ik heb jou nodig.”

    Hij zag de smekende blik in haar grote ogen en gaf zich gewonnen.

     

    Het waren die grote ogen die hem op acht juni 1978 het eerst waren opgevallen. Ze hadden hem verbaasd en verwachtingsvol aangekeken. Op de achtergrond had de verslaggeving geklonken van het wereldkampioenschap voetbal dat op dat moment plaats vond in Argentinië. Er werd uitgebreid gepalaverd over de 6-0 nederlaag van Mexico tegen West-Duitsland, maar Henri had er nauwelijks aandacht voor. Hij had Elisa beschaamd moeten verzoeken om te herhalen wat ze hem net had gevraagd. Zes eieren en een kilo bloem was het geweest, want Henri hield de buurtwinkel van zijn vader open sinds die zes jaar eerder onverwachts was overleden. Henri zat toen op de universiteit. Hij was negentien jaar en studeerde literatuur. Op een avond was de kotbazin zijn kamer binnengekomen om hem bij de telefoon te laten komen. Hij had Maria aan de lijn gehad, de oudste van zijn zussen. Ze had hem heel kort meegedeeld dat vader in zijn winkel was ingestort.

    “Een hartaderbreuk”, zei ze kort en droog. “Een snelle dood.”

    “Een mooie uitweg”, dacht Henri bij zichzelf.

    “Je moet naar huis komen, Henri”, vervolgde zijn zuster, terwijl hij in stilte voor zich uitstaarde en de kotbazin haar hand op zijn schouder hield. “Moeder heeft je nodig.” “Maar… maar mijn studies dan?”, probeerde Henri nog voorzichtig tegen te brengen. Hij hoorde Maria geërgerd zuchten.  Zelfs door de telefoon kon hij haar priemende blik voelen.

    “Je hebt nu genoeg gespeeld, Henri. Vader is dood en iemand moet de winkel over nemen. Ik zie je morgen.”

    “En Dirk? Kan hij niet…” Dirk was de zoon van Maria.

    “Dirk werkt op het notariaat, Henri. We hebben allemaal ons werk te doen.”

    Voor hij nog iets kon zeggen hoorde hij hoe ze de hoorn inlegde. Henri bleef verdoofd voor zich uitkijken. De kotmadam keek hem met grote medelijdende ogen aan. Nog voor ze iets kon zeggen barstte hij in een ongecontroleerd snikken uit.

    “Ocharme, jongen toch”, mompelde de oude vrouw terwijl ze hem zachtjes op zijn schouder klopte.

    Ze dacht dat hij treurde om zijn pas gestorven vader. Gedeeltelijk was dat ook zo. Maar hij weende vooral om zijn toekomst die vanaf nu helemaal uitgestippeld zou zijn, zonder ruimte voor keuze of vrijheid.

    De hele nacht lag Henri wakker, te piekeren en te woelen. Enkele keren overwoog hij serieus om niet naar huis te keren, zelfs niet voor de begrafenis. Maar hij wist dat hij, zonder de sponsoring van zijn vader, zijn studies niet meer zou kunnen betalen. Zijn moeder zou het niet toelaten. De volgende morgen vertrok hij naar huis per trein, waarbij hij alles meenam wat hij in één keer kon dragen. Hij nam afscheid van zijn huisbazin en liet de meeste van zijn boeken achter, wetende dat hij de confrontatie met zijn stukgelopen droom in de toekomst niet meer zou kunnen verdragen.

    Op het perron stond niemand te wachten. Henri riep een taxi, als een laatste decadente uitspatting voor hij in gevangenschap ging, en reed naar zijn ouderlijk huis. Het was een zwarte Mercedes W123 met een beige lederen interieur. De chauffeur rookte de ene sigaret na de andere en neuriede mee met de radio. Henri liet de wagen om de hoek stoppen. Gaf een gulle fooi. De laatste zestig meter deed hij te voet.

     

    De woning bevond zich aan de achterkant van de winkel. De ingang was volledig afgescheiden van de zaak. ‘Verheye’s groenten en fruit’, heette de zaak. Het was het enige grootwarenhuis dat het dorp rijk was.  Henri’s vader verkocht er zowat alles: groenten en fruit, maar ook zuivel, vlees en toiletartikelen. Hij was voortdurend op zoek naar manieren om de zaak te moderniseren. Hij had een voor de tijd moderne elektronische kassa en speelde muziek op een cassette -recorder. Henri had als kind snel doorgehad dat de winkel één van de laatste pogingen van zijn vader was geweest om enige vorm van eigen ruimte voor zichzelf te creëren.

    Vandaag was de winkel gesloten. ‘Wegens overlijden’, stond er op een stuk karton dat met twee stukjes plakband tegen de glazen inkomdeur was gekleefd. Henri liep er voorbij. Hij raapte zijn moed samen en duwde de zware eikenhouten voordeur van het woonhuis open. In de hal liet hij zijn koffers staan. Aan de linker kant, was een kantoorruimte. Recht daar tegenover was een grote zitkamer, met een dubbele deur die nu open stond. De meubels waren oud, maar degelijk. Het hele huis had over een periode van verschillende decennia een bruinige tint gekregen en de muren hingen vol met goedkope schilderijen. In de zitkamer zat zijn moeder. Ze had zich in een robuuste eiken eenpersoonszetel geplaatst. Ooit was deze salon heel duur geweest, maar nu oogde hij enkel nog donker en versleten.

    Moeder zat rechtop, met haar voeten bij de enkels over elkaar geslagen. Op haar geplooide, knokige knieën, rustten haar handen met haar spinnenpoot-achtige vingers in elkaar vestrengeld. Ze was voor de gelegenheid helemaal in het zwart gekleed en droeg haar grijze haren in een knot achterop haar smalle hoofd. Haar strenge mond vertoonde de typische verticale rimpels die je krijgt door stiekem te roken en een leven lang zuur te kijken. Haar onderlip trilde bij momenten terwijl ze theatraal zuchtte. Ze hield een witte zakdoek vast, die ze geregeld ostentatief en met het nodige gevoel voor drama naar haar ooghoeken bracht. Ze snikte droge tranen weg.

    Ooit was ze een heel mooie dame geweest. Blond en rijzig. Vader had haar de vrijheid en de weelde moeten brengen die ze naar ze zelf vond verdiende en die paste bij een vrouw van haar stand. Ze had nooit van hem gehouden. Hij zelf had al gauw door dat haar grote grijze ogen niet mysterieus of diep waren, maar een weerspiegeling waren van haar koude en bittere hart. Maar het waren andere tijden toen en de enige vlucht die vader had gehad was zijn winkel. Hij begon er mee net na de oorlog, toen de tweeling een jaar of elf was.

    Toen Henri jaren later onverwacht zijn aanwezigheid kenbaar maakte was moeder al zesenveertig.  De zussen waren op dat moment al twintigers. Elfride was nooit getrouwd en had de zorg voor moeder steeds gecombineerd met een baan als kleuterleidster in de plaatselijke basisschool. Maria was na een kort huwelijk met een boer weduwe geworden. Haar echtgenoot was bij een bizar ongeval met een pikdorser om het leven gekomen. Hij liet haar achter met een zoon en een erfenis waar ze comfortabel mee verder kon. Ze verkocht de boerderij en trok terug in bij haar moeder. Henri was acht jaar jonger dan het kind waar hij in theorie de oom van was. Ze zagen elkaar enkel tijdens de vakanties en hadden geen band. Maria stuurde Dirk van zodra ze kon op internaat en drong er bij haar moeder op aan om met Henri hetzelfde te doen. Zijn vader weigerde.

    Toen Henri kind was had hij vele uren met zijn vader in de winkel doorgebracht. Hij was een slim kereltje en vader liet hem achter de toonbank alle boeken lezen die hij kon vinden. Samen maakten ze plannen. Henri zou studeren en de wereld zien. Vader besefte dat hij Henri weg moest krijgen uit het dorp en vanuit de verstikkende grip van moeder en de zussen. Hij spaarde en spaarde en stuurde Henri van zodra hij oud genoeg was weg naar de stad om te studeren.

     

    De tweeling Maria en Elfride zat bij Henri’s thuiskomst identiek te wezen in de lange driepersoonssofa. Dirk, ondertussen 27, werkte bij de plaatselijke notaris. Na zijn studies rechten en notariaat was hij daar door inmenging van zijn grootvader kunnen beginnen. Hij had werk gemaakt van de notarisdochter en hoopte met tijd op een benoeming. Hij meed zijn moeder als de pest.

    Ook de tweeling was druk bezig met treuren. Hoewel ze fysiek meer op hun vader leken, grof gebouwd met brede schouders en met eerder donker haar, hadden ze de persoonlijkheid van hun moeder meegekregen. Ook zij droegen zwarte rouwkledij en een strenge knot. Henri vroeg zich af hoe lang ze hier al zaten. Even verdacht hij hen ervan dat ze zich vlug in deze opstelling hadden geïnstalleerd toen ze hem de hoek zagen omkomen. 

    “Och, mijn zoon!” riep moeder huilerig uit toen ze hem zag. Ze stak haar magere armen met een grote dosis gevoel voor drama voor zich uit. “Eindelijk ben je er! Vader heeft ons in de steek gelaten! Wat moeten wij nu beginnen?”

    Henri voelde een steek door zijn hart gaan, maar stapte toch vooruit. Hij liet zich door zijn moeder omhelzen. Zijn armen hingen slap langs zijn lijf.  Ze huilde nu luid en met haperende snikken terwijl ze van alles uitkraamde wat Henri zelfs als hij heel hard zou proberen toch niet kon begrijpen.

    Die nacht, in zijn eigen oude jeugdkamer, jankte Henri dikke tranen. Tranen om zijn vader, tranen om zijn studies, tranen van wanhoop en tranen van eenzaamheid.

    Twee dagen later was de begrafenis. Er waren veel mensen, vader had immers veel volk gekend. Met de kist zag Henri ook zijn eigen toekomst en de plannen die hij met vader had gemaakt  in de grond verdwijnen.  Hij nam de winkel over en bracht vanaf dan bijna al zijn tijd daar door.  Hij woonde weer in zijn oude kamer en zijn leven werd, net als voor de universiteit, volledig ingevuld door de verlangens van zijn moeder en zusters. Hij moest de winkel in eer houden en voor het gezinsinkomen zorgen , net zoals vader dat altijd had gedaan. Zijn moeder controleerde alles, zoals ze ook bij vader had gedaan. Elke rekening, elke leverancier, elke factuur, werd door haar nagekeken en becommentarieerd, hoewel Henri meer dan verstandig en capabel genoeg was om dit alleen te doen. Bij elke bespreking stond ze erop om aanwezig te zijn, meestal nog begeleid door de zussen.

    Maar haar echte carrière, had moeder gemaakt in het ziekelijk zijn. Elk lichaamsdeel was pijnlijk, elk orgaan was ziek, elk bot was ontstoken. Het meest bizarre aan moeders ziekte, was dat het zich nooit ergens leek vast te zetten. Neen, het versprong en dit gebeurde meestal wanneer er weer een arts had moeten verklaren dat er eigenlijk niets te vinden was. Gelukkig waren er de zussen die hun leven hadden opgeofferd om voor moeder te zorgen terwijl vader voor een inkomen zorgde. De tweeling vulde hun dagen dus met de ziekenzorg van moeder, gebed en geroddel. Soms alle drie door elkaar. Maar zo kwam het dus dat Henri dag na dag in een duffe buurtwinkel doorbracht. Elke poging tot enthousiasme of verandering werd door de vrouwen de kop ingedrukt. De modernisering die zijn vader was begonnen kwam tot een halt en terwijl er in de buurt nieuwere zaken bijkwamen, bleef ‘Verheye’s groenten en fruit’ vastzitten in de tijd. Elke dag opnieuw moest Henri producten verkopen waarvan hij vaak nauwelijks wist waarvoor ze dienden. Telkens weer moest hij praten met mensen die hem nooit konden boeien of meepraten over onderwerpen die hem nooit iets zouden kunnen schelen.

    Na het werk ruimde hij de winkel op, een karwei die hij zo lang mogelijk liet duren. Hij telde de kassa en noteerde alles, hoewel hij wist dat moeder alles nog eens zou natrekken en dubbel tellen. Hij sloot de winkel af en heel soms, als hij in een avontuurlijke bui was, deed hij eventjes het blokje om alvorens hij het woonhuis binnen ging. Elke avond zaten de vrouwen om de eettafel op hem te wachten, en telkens weer werd hij berispt omdat het eten koud ging zijn. Hij had, na de dood van vader, plaats moeten nemen aan het hoofd van de tafel. Maar deze positie, die de rol van gezinshoofd moest symboliseren, gaf hem meer het gevoel op het offerblok te liggen. Hij dacht met afgunst aan zijn neef, die er wonderlijk in was geslaagd om aan dit gedoe te ontsnappen.

    Moeder Verheye weigerde gewoonlijk te eten, hoewel ze er maar niet in leek te slagen om te verhongeren, terwijl zijn zusters op hem afgaven hoe zwaar moeder -en bijgevolg zij- het wel niet hadden. Wat had hij een geluk, dat hij daar kon wegvluchten in de winkel terwijl zij hier met de zorg voor een hulpbehoevende zaten. Henri doorstond het avondmaal door in gedachten weg te vliegen naar de verhalen die hij tijdens zijn studies had kunnen lezen. En van zodra hij de kans schoon zag, vluchtte hij naar zijn eigen, kleine kamer.

     

    Henri was duidelijk ongelukkig en verwachtte opnieuw een doodse, vreselijke, doordeweekse dag toen Elisa, ongeveer zes jaar na de dood van vader, haar bloem en eieren vroeg. Eigenlijk had ze die gewoon uit de rekken kunnen nemen, maar ze had de wanhoop op het gezicht van Henri herkend en had besloten dat ze hem zou redden. Dus terwijl hij met een duidelijk gepijnigde blik probeerde om een palet soepblikken van Liebig in een piramide te stapelen, stapte het meisje in haar wit met blauwe gebloemde zomerjurk en bijpassende blauwe ballerina’s op hem af. Ze had een vrolijke, bijna muzikale wandelgang, waarbij haar halflange blonde krullen ritmisch mee bewogen. Haar bruine armen zwierden langs haar slanke lijf en in haar rechterhand droeg ze een ronde, rieten boodschappenmand. Niet omdat ze die mooier of handiger vond dan een plastic tas, maar omdat ze vond dat die beter bij de zomer paste. Ze was net zeventien geworden.

    Henri zweette als een hond en probeerde de soepblikken netjes te stapelen. Fronsend vroeg hij zich af of hij daarvoor ter wereld was gekomen met een boven gemiddeld intelligentiequotiënt. En toen zag hij boven de verpakkingen tomaat- pompoen – met- balletjes de grootste, blauwste ogen verschijnen die hij ooit had gezien. “Euhm, excuseer?”, stamelde hij. Hij probeerde om zijn evenwicht te bewaren en niet clichématig in de stapel blikken te donderen.

    “Waar zou ik de bloem kunnen vinden, meneer?”, vroeg Elisa nogmaals. Met haar linkerhand stopte ze terloops een verdwaalde haarlok achter haar oor. “En ik zou ook nog zes eieren moeten hebben, meneer”, voegde ze er snel aan toe.

    Henri veegde zijn zweterige handen af aan zijn bordeaux met groene winkelschort en rechtte zijn schouders. “Ja zeker, juffrouw”, antwoordde hij vlug, “als u hier even wacht, breng ik u zo wat u nodig hebt.” Hij deed enkele stappen achteruit, viel bijna over zijn eigen voeten en beende toen weg. Hij stapte naar het rek met de bloem. toen hij wist dat ze hem niet meer kon zien bleef hij ter plaatse staan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij wist niet wat er met hem aan de hand was. Even dacht hij dat hij, net als zijn vader, ter plekke dood neer zou stuiken. Hij had vaak gehoopt dat dat zou gebeuren, maar op een moment als deze zou een plots overleden op z’n minst ongelegen komen. Hij keek naar het pak bloem in zijn handen en toen naar zijn reflectie in de glazen deur van het koelvak. Hij zag er bezweet en moe uit. Zijn donkerbruine haren waren keurig kort geknipt en hij was, zoals zijn moeder eiste, gladgeschoren. Zijn ogen waren van een onbestemde, eerder donkere kleur en op zijn voorhoofd werden de eerste diepe groeven zichtbaar. Henri schrok toen hij zijn spiegelbeeld zo zag. Hij was verouderd en zag er helemaal niet de vijfentwintig uit die hij eigenlijk was. Hij dacht aan het meisje en ging met zijn ene hand door zijn haar. Hij trok zijn schort recht. Dat was beter.

    Toen stapte hij met geveinsde zelfverzekerdheid terug naar de voorkant van de winkel. Elisa stond keurig te wachten. Ze keek naar de toppen van haar schoenen en wiegde van haar hielen naar haar tenen terwijl ze in gedachten iets leek te tellen. Ze keek op. Glimlachte toen ze hem zag naderen. Toen hij voorbij de zuivel stapte greep hij in één vlotte beweging een doosje met zes eieren en zette die bovenop de bloem. Hij plaatste alles op de toonbank en liep er toen helemaal omheen om af te rekenen. Hij dacht aan al die keren dat hij geforceerde gesprekjes had met klanten. Wildvreemden die hij toch wilde plezieren opdat ze zouden terug keren. Maar nu, op het moment dat hij nog nooit zo wanhopig had verlangd dat iemand zou terugkeren, nu vond hij niets om te zeggen. Hij staarde naar de kassa en tikte verdwaasd de aankopen in. Elisa zag hoe hard Henri aan het afzien was en barstte in lachen uit. Dit bracht Henri natuurlijk helemaal van zijn stuk. Hij werd knalrood. Elisa dwong zichzelf tot enige ernst en legde toen haar lange, gelakte wijsvinger op zijn trillende handen.

    Ze aaide verleidelijk over de harige handrug en zei toen heel beheerst: “als u dat leuk zou vinden, bak ik volgende week weer wafels.”

    Henri wist dat zijn moeder en zusters geschokt zouden zijn bij dergelijke vrijpostigheid en was heel even geneigd om te weigeren. Maar toen hij haar open blik zag van onder haar lange blonde wimpers, kon hij niet anders dan knikken.

    Ze lachte opnieuw en zei dan, heel spontaan: “Tot volgende week dan!” Ze stapte met haar unieke gang en de bloem en eieren in haar mandje de winkel uit.

    Toen moeder die avond de rekeningen controleerde en enkele euro’s miste besefte Henri dat het meisje niet betaald had. Hij liet de verwijten met een glimlach over zich heen gaan en ging voor het eerst in heel lange tijd naar bed met een vaag gevoel van positieve verwachting.

     

    Exact een week nadien stapte Elisa opnieuw net na de middag de winkel binnen. Dit keer droeg ze een lichtblauwe jurk die haar ogen accentueerde en witte ballerina’s. De rieten mand zwierde opnieuw langs haar zijde. Henri had al de hele dag reikhalzend naar haar uitgekeken. Hij had de bloem en eieren uren voorheen klaar gezet. Hij had speciaal voor haar een mooi hemd en een vers geperste broek aangetrokken. Toen hij haar de deur door zag komen hing hij vlug zijn winkelschort aan de haak achter de kassa. Hij trok zijn kledij recht en stapte op haar af. Hij voelde zich moediger dan de vorige keer, was gevoed door het beetje hoop dat ze hem had gegeven. 

    Hij was blij dat er niemand anders in de winkel was, anders zou hij vast niet gedurfd hebben wat hij vervolgens deed. “Juffrouw”, zei hij op plechtige toon, “u bent de vorige keer vergeten om uw aankopen te betalen. Maar ik ben bereid om die misstap door de vingers te zien indien u mij zou kunnen zeggen wat uw naam is.”

    Elisa, meer geschrokken door de toon waarop hij haar aansprak dan door de inhoud, sloeg haar hand voor haar mond. Ze begon te schaterlachen. Henri wist niet of hij moest mee lachen of blozen. Hij deed het dus maar allebei een beetje. En toen ze beide hun adem en spraakvermogen enigszins terug hadden, stelden ze zich aan elkaar voor.  Elisa zou die middag niet meer aan wafels bakken toekomen, want ze bleef voor de rest van de namiddag bij hem. Hij bediende de klanten en deed wat hij anders deed, en zij zat op een barkruk bij de toonbank en babbelde en luisterde. Eens Henri voorbij de schoonheid van haar ogen kon kijken, werd hij gefascineerd door haar levenslust, openheid en blijheid. Hij trok zich niets aan van de nieuwsgierige blikken die de klanten hen toe wierpen. Hij lag er ook helemaal niet van wakker welke roddels er die dag ontstonden en het dorp in gingen. De middag vloog voorbij en toen het tijd was om de winkel af te sluiten besloot Henri om niet rechtstreeks naar huis te gaan maar om Elisa te vergezellen in haar wandeling naar huis. Ze huppelde vrolijk naast hem met de nu overbodige boodschappen in de mand en vertelde honderduit. Af en toe stelde ze hem een vraag en dan wachtte ze aandachtig luisterend tot hij had geantwoord. Henri observeerde haar jeugdigheid en absorbeerde haar energie. Hij volgde haar tot aan het grote herenhuis waar ze samen met haar geliefde pleegvader woonde en liep keurig met haar mee tot aan de voordeur. Als een afgedraaide bobijn viel ze stil.

    “Ik wil je bedanken voor een fantastische dag”, zei Henri terwijl hij met een bang gevoel de diepe afgrond van haar blik ving.

    Ze draaide haar sleutel om in het sleutelgat en duwde de grote zwarte houten deur open. Toen gaf ze hem een vlugge zoen op zijn wang. Terwijl hij haar van zijn sokken geblazen aankeek en voor ze snel naar binnen liep zei ze nog: “dat is omdat ik weer niet betaald heb.”

    Bij het thuiskomen zaten moeder en de zussen al op hem te wachten. Hij verwachtte en kreeg een preek, maar het kon hem voor één keer helemaal niets schelen.

     

    Vanaf dan waren alle dagen een stuk dragelijker, zeker als Elisa langs kwam. Ze moest nog enkele weken school lopen voor ze zou afstuderen. Kantoor-talen volgde ze. Ze was goed in talen. Ze sprak vloeiend Frans, met een accent dat ze uit haar geboorteland Italië had meegenomen. Maar ze had ook een hekel aan de lessen en weigerde om verder te studeren. Henri was nog steeds zijn stille zelf, maar bij Elisa had hij het gevoel dat dit goed was. Elisa praatte genoeg voor hen beiden, maar als ze hem iets vroeg, dan luisterde ze ook echt naar zijn antwoord. Bij Elisa had Henri het gevoel dat wat hij dacht en zei van belang was.

    Al gauw werd hun liaison publiek en was Henri verplicht om haar aan zijn familie voor te stellen. Moeder en de zussen waren meteen gek op Elisa. Ze kenden de goede naam en het fortuin van haar pleegvader (wat vooral voor moeder een pluspunt was) en gaven zichzelf de missie om Elisa de moeder te geven die ze volgens hen nooit had gekend. Wisten zij veel. Ze mispakten zich aan haar frêle uiterlijk en zagen in haar een zwak schepsel dat moest beschermd worden. Als ze in huis was werd ze behandeld als een prinses. Henri ergerde zich eraan dat ze haar opeisten. Hij voelde zich jaloers als ze haar met zich mee sleurden om ‘meisjesdingen’ te bespreken. Op een keer kwam hij de zitkamer binnen en was Maria bezig met het uitkammen van Elisa’s krullen terwijl Elfride haar koekjes en thee voederde. Henri was geschokt, maar zei niets.

    Maria zou weldra grootmoeder worden, maar werd door haar eigen zoon radicaal uit zijn leven geweerd. Ze richtte haar pijlen dan maar op Elisa. Nog voor Henri de moed had gevonden om Elisa’s hand te vragen stond al vast dat ze bij hen in huis zouden wonen. Immers, zo stelde Maria vaak, Henri zou met zijn werk in de winkel nauwelijks tijd hebben om voor zijn Elisa te zorgen én het was wel duidelijk dat het kwetsbare meisje niet in staat zou zijn om een huishouden te leiden.  

     

    Op de dag van haar achttiende verjaardag huwden Henri en Elisa. Hij droeg een donkergrijs kostuum, zij een witte zijden jurk tot net onder de knie. Ze hield een klein boeketje met lichtroze tulpen vast. Terwijl ze hun geloften zeiden kneep ze hem bemoedigend in de hand. Hij sprak met een krop in zijn keel. De kerk zat afgelaten vol en nadien was er een groot feest waar nog jaren over zou gesproken worden. Moeder zei tegen iedereen die het maar horen wilde hoe jammer het wel niet was dat vader er niet bij was. Het had volgens haar trouwens  niet veel gescheeld of ze was er zelf ook niet bij. Met haar slechte gezondheid en zo. De zussen beleefden de dag alsof het hun bruiloft was. Ze waren allebei tot in de details opgetut en stonden voortdurend klaar om te zien of de bruid niets nodig had. Het scheelde niet veel of ze waren het kersverse bruidspaar gevolgd tot in de slaapkamer.

    En toen was Elisa zwanger en toen de eerste schok van die mededeling was weggeëbd omzwermden Maria en Elfride het meisje met zoveel aandacht dat Henri zich vaak vreemd voelde in zijn eigen huis. Maria overcompenseerde voor wat ze bij haar eigen zoon miste. Elfride wist gewoon niet beter. En Henri werd overal tactisch buiten gehouden. Hij trok zich opnieuw terug in zijn winkel. Hij had niet door dat Elisa zich opgesloten voelde in het oude huis, dat ze de dagen miste waarop ze op de barkruk in de winkel naar hem keek terwijl hij op zijn eigen slungelige manier de klanten bediende. Hij wist niet dat ze een hekel had gekregen aan zijn zussen, die haar behandelden als een invalide en haar nooit een momentje ademruimte gaven. Telkens ze kon vluchtte ze weg naar het huis van haar pleegvader, wat niet vaak gebeurde. In het huis van Henri vond men het immers onnatuurlijk dat een volwassen vrouw zoveel tijd doorbracht bij een man waarmee ze niet eens een bloedband had. Het feit dat hij de enige vader was die ze ooit had gekend was een detail dat ze graag over het hoofd zagen.

    Henri zag niet hoe veel verdriet het Elisa deed als hij tot ’s avonds laat in de winkel bleef om niet naar huis te moeten komen, omdat ze dacht dat hij van haar weg vluchtte. Elke dag opnieuw verbeet ze haar ergernis, omdat ze dacht dat hij het zo wilde. Elke dag onderging ze de strenge blikken van haar schoonmoeder. En als Henri ’s nachts pogingen deed om dichterbij te komen en de liefde met haar te bedrijven, kon ze zijn geremdheid voelen. Ze wist niet dat dit was omwille van de oren die overal in huis waren en dacht dat hij haar niet meer wilde.

     

    En nu stonden ze hier op het punt om hun eerste kindje in hun armen te sluiten en Henri wist niet wat hij moest doen. Hij had alles gemist.  Hij was ervan overtuigd geraakt dat Elisa de voorkeur gaf aan zijn zussen boven hem. Maar ze hield zijn hand zo stevig vast en keek hem zo wanhopig aan dat hij het niet aandurfde om haar tegen te spreken.

    Martijn kwam in stilte en met een frons op de wereld. Henri dankte God dat hij een zoon had en legde hem in de armen van zijn uitgeputte echtgenote. Ze keek naar het schepseltje en herkende zichzelf in zijn fijne trekken en zijn blonde haar. Ze wist niet of hij in alles op haar zou lijken, maar als dat zo was dan zou ze hem zo goed mogelijk voorbereiden op wat komen zou. Dat beloofde ze hem in stilte terwijl ze zijn zoete babygeur opsnoof en hem in slaap wiegde.

    En toen stormde de tweeling de kamer in. Ze hadden wel een dozijn geschenken mee en maakten genoeg lawaai om het hele moederhuis in beweging te brengen. Martijn schrok wakker en begon oorverdovend te huilen.

    “Geef hem maar hier”, zei Elfride meteen. Ze probeerde het kind uit de armen van zijn moeder te trekken. “Ik krijg hem wel stil, dat moet jij niet doen”, verzekerde ze haar jonge schoonzus.

    En toen zag Henri iets in zijn altijd zo zachtmoedige en vrolijke vrouw wat hij nog nooit had gezien. Haar ogen schoten vuur en waren vervuld met afkeer. “Laat hem los, Elfride”,  zei ze op een ijzige toon.

    Elfride schrok, maar bleef het kind vasthouden en richtte zich nu tot Martijn zelf. “Kom maar even hier bij tante Elfride, je moet je moeder niet zo tot last zijn”, mompelde ze in babytaal tegen haar pasgeboren neefje.

    Elisa verstevigde haar grip op Martijn en zei op ferme toon: “Laat hem los Elfride, hij blijft bij mij.”

    Geschokt liet Elfride los. Ze stamelde: “maar je moet nu toch wel vreselijk moe zijn, na een dergelijke lange bevalling.” Haar kleur was hoogrood, haar blik vol ongeloof.

    Maria zag wat er gebeurde en probeerde tussenbeide te komen. “Kom Elfride, je krijgt thuis nog genoeg de kans om voor hem te zorgen. Elisa zal wel zien dat ze ons nodig heeft.”

    Elisa hield Martijn beschermend tegen haar borst. Ze haalde even goed adem in een poging om haar kalmte te bewaren. En toen zei ze, heel duidelijk en met klare stem: “Ik heb jullie niet nodig. Martijn heeft jullie niet nodig. Ik ben het beu dat jullie me behandelen als een kind. Ik ben jullie kind niet. Martijn is jullie kind niet.” Ze beefde en druppels van inspanning liepen over haar voorhoofd. Henri kwam dichter bij zijn vrouw staan, hoewel hij niets durfde te zeggen.

    “Wel heb je ooit!”, sprak Maria verontwaardigd voor zich uit. “Na al wat we voor je hebben gedaan. Je bent gewoon ondankbaar. We hebben je in huis genomen! Een wees, met God weet welke achtergrond!” Ze richtte zich tot haar broer: “Henri, zeg ook eens wat. Laat je je vrouw ons zomaar buiten spel zetten? Ze beseft niet eens dat ze te zwak is om moeder te zijn. Het is zelf nog een kind!”

    Henri hapte als een vis op het droge. Elisa keek de zussen strak aan. “Martijn is het kind van mij en Henri en hij heeft enkel ons nodig”, zei ze. “Als Martijn het ziekenhuis mag verlaten gaan we terug bij mijn pleegvader inwonen.”

    Elfride’s ogen vielen bijna uit hun kassen. Maria stampte als een peuter dat zijn geliefde speelgoed wordt ontzegd. “Maar Henri!”, riep ze schril uit. Een verontwaardigde smeekbede.

    Henri zag de vastberaden blik van zijn echtgenote. Voor het eerst en het laatst in zijn leven verweerde hij zich tegen de tirannie van zijn zussen. “We komen niet meer terug”, was het enige wat hij zei, voor de tweeling met stampende voeten en het nodige gevoel voor tragedie de kamer uit stormde.


     

    07-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    03-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1. Vandaag - François

    Vandaag is de dag gekomen dat ik afscheid neem van dit leven. Ik heb de gezegende leeftijd bereikt van zes en negentig jaar en het is goed geweest. Ik kan je onmogelijk zeggen wat er zo bijzonder is aan vandaag. Mijn verjaardag heb ik enkele maanden geleden al gevierd, het is geen officiële feestdag en ik heb niets in de krant terug gevonden wat deze dag specialer maakt dan gisteren of de dag daar voor. Een gewone donderdag is het, met temperaturen die normaal zijn voor de lente en een hoeveelheid neerslag die je wel kan verwachten in april.

    Ik ben niet bijzonder. Ik heb niets bijgedragen aan de wereld of aan de mensheid. Ik heb de tweede wereldoorlog als kind meegemaakt van op de veilige afstand die mijn welgestelde vader zijn familie kon bieden. Ik heb gereisd en ik heb goed geleefd. Mijn verhaal is uiteindelijk slechts uitzonderlijk door de mensen die ik heb mogen kennen.

    Terwijl ik dit schrijf komt mijn verpleegster, Mia, mijn werkkamer binnen. Ze heeft mijn rolstoel tot bij het grote raam geduwd, zodat ik kan schrijven zonder mijn ogen te vermoeien. Een beetje verder, op mijn bureau, ligt een nagelnieuwe tablet. Ik gebruik het ding alleen om te communiceren. Mijn gedachten krijg ik enkel geordend met een vulpen op een blad papier, hoewel het na mijn beroerte een eeuwigheid heeft geduurd voor ik terug leesbaar kon schrijven zonder mijn papieren met inkt te besmeuren.

    Mia vraagt of ik nu al koffie wil of liever wacht tot de rest er is. Ik twijfel. Dat heb ik wel vaker de laatste dagen: nu mijn tijd op raakt weet ik niet meer goed hoe ik ze moet invullen. Ik besluit nu al een kop te drinken en straks nog één. Mia zegt dat ik dan niet goed zal slapen, maar ik sla haar raad in de wind. Ik weet dat ik zal slapen.

    Ik mijmer, zoals ik zo vaak heb gedaan de laatste jaren. Ik vraag me weer af of ik iets anders had moeten doen. Of ik niets vergeten ben? Of er niets is dat ik nog had willen doen, maar waar ik, door tijdgebrek of door mijn gebrekkige fysieke toestand, niet toe ben gekomen? Ik zoek en speur mijn herinneringen en gedachten af, maar ik vind niets.  

    Van zodra ik het wist heeft vandaag in mijn achterhoofd gezeten. In het begin was het slechts een verre gedachte, maar naarmate de jaren verstreken en de datum dichterbij kwam, verscheen ze steeds vaker in mijn bewustzijn. Doorheen dat weten heeft altijd een vraag vervlochten gezeten, een vraag die me bij momenten angst aan joeg en bezig hield. Een vraag waar op ik nu pas, wanneer het einde lonkt, het antwoord ken: als je weet hoe een verhaal zal eindigen, wil je dan nog het midden kennen? 

    03-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton




    Archief per week
  • 14/05-20/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Startpagina !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!