Inhoud blog
  • Dat was het dan
  • 15. Martine
  • 14. Juni 2007
  • 13. François vertelt - deel 3
  • 13. François vertelt - deel 2
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Even niet meer mee?
    De meest recente tekst staat altijd bovenaan. Dus als je omlaag scrolt vind je de voorgaande hoofdstukken. Een hoofdstuk dat is opgedeeld is ook zo genummerd, je vindt dit bovenaan bij de titel.
    Je kan ook gericht zoeken op titel (links boven) of in het archief per week (rechts boven).


    Céline blogt een boek
    Martijn. Een kroniek.
    10-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.3. Anders

    Martijn was vijf jaar toen bleek dat hij anders was. Elisa had op dit moment gewacht sinds de eerste keer dat ze hem in haar armen had gesloten. Het was een woensdagmiddag en de school was uit. Op het bontgekleurde Perzische tapijt in de woonkamer van het oude herenhuis zat Martijn met een stoomtreintje te spelen die  nog van zijn opa, François, was geweest.  François zelf zat in zijn relax de krant te lezen terwijl op de achtergrond de zesde van Beethoven uit de stereoketen klonk.

    Zo brachten ze hun woensdagen vaak samen door. Henri en Elisa waren beiden uit werken. Elisa had een baan als kantoorklerk bij een notaris en Henri hield nog steeds de winkel open, hoewel hij, ondanks de smeekbedes van zijn moeder en zussen nooit meer in het oude woonhuis kwam. Meestal bakte de huishoudster wafels of pannenkoeken op woensdag en als Elisa dan tegen vijf uur thuis kwam aten ze die samen op aan de grote kloostertafel in de keuken en niet in de eetkamer zoals op andere dagen. Martijn hield van woensdagen, omdat ze rustig en vrij waren. Hij zou voor de rest van zijn leven de geur van vers gebakken wafels en pannenkoeken associëren met zorgeloos geluk.

    Hij was een verstandig kereltje, wijs voor zijn leeftijd en met een scherp gevoel voor humor.  Hij had de blauwe ogen en blonde krullen van zijn mama die hem er fijn en bij momenten bijna meisjesachtig kwetsbaar uit deden zien. Elisa stapte de kamer binnen en bracht een zoete lucht met zich mee. Ze liet zich naast Martijn op haar knieën vallen en omhelsde het kleine ventje.

    “Mama!”, riep hij uit, terwijl hij stoer haar kussen van zijn wang afwreef.

    “Wat ben je aan het doen?”, vroeg ze. Ze nam een treintje en zette die op het spoor achter die van Martijn.

    “Mama!” zei hij streng, “ Jij bent een meisje, jij kan helemaal niet met treinen rijden!”

    Elisa pruilde: “Maar ik wil meespelen…” mompelde ze, gemaakt verdrietig.

    Martijn keek zijn mama vol medelijden aan. Hij voelde zich meteen schuldig. Hij kroop tegen Elisa aan en legde zijn kleine armpjes om haar nek. “Je moet niet verdrietig zijn, mama”, troostte hij haar, “je mag kijken!”

    Elisa schoot in de lach en gaf haar kleine man een dikke smakkerd op zijn wang. Hij bloosde. Alles was goed. Dus toen er gebeld werd keken François en Elisa elkaar verbaasd aan. “Verwacht jij iemand?”, vroeg Elisa aan François.

    “Neen, jij?”, antwoordde haar pleegvader.

    Elisa klauterde recht en streek haar kledij recht. Ze stapte in haar schoenen die ze bij het binnenkomen had uitgeschopt en voelde met haar handen of haar haren nog netjes waren. Er werd nogmaals gebeld.

    “Jaja, ik kom!”, riep ze. Ze deed de deur open en voelde toen hoe haar hart drie slagen oversloeg en hoe een hand zich rond haar slokdarm en luchtpijn heen klemde. Voor haar stond haar schoonmoeder.

    “Ik dacht dat jullie een huishoudster hadden?”, zei deze zuur, bij wijze van goedemiddag. Ze zette een stap vooruit en stond al binnen toen ze pro forma nog vroeg: “mag ik binnenkomen?”

    In haar kielzog volgden Maria en Elfride.

    “Henri is niet thuis…” stamelde Elisa, geschokt.

    “Dat weet ik toch, kind”, antwoordde moeder zuur, “hij is in de winkel, waar hij hoort.”

    “Waarom…”

    “Ik kom kijken hoe je mijn kleinkind opvoedt”, snauwde Elisa’s schoon moeder uit de hoogte. Zonder haar schoondochter de kans te geven om nog iets te zeggen liep ze haar voorbij de woonkamer in.

    Martijn had zijn grootmoeder nog nooit gezien. En hoewel ze er bij Henri vaak op aan hadden gedrongen om met hem langs te komen hadden ook de zussen het kind niet meer van dichtbij kunnen bewonderen sinds die rampzalige dag in het ziekenhuis. Het was een voortdurende strijd tussen Henri en zijn familie. Maar hij behield de afstand, hoe veel moeite het hem ook kostte, uit liefde voor Elisa.

    Met grote ogen keek Martijn naar het oude mens dat hier zijn veilige ruimte in gestormd kwam. Martijns grootvader stond recht. Zijn bril en krant vielen op de grond. Maar, zoals het een heer betaamd, vond hij snel zijn waardigheid terug. Met rechte rug en klare stem groette hij Henri’s moeder. Martijn was ondertussen weggekropen in de hoek achter de relax.

    “Waaraan hebben wij uw bezoek te danken?”, vroeg François beleefd. Henri had hem vaak in vertrouwen genomen over de kwestie. Maria had verschillende pogingen gedaan om François er bij te betrekken, maar hij had er zich wijselijk buiten gehouden.

    François slaagde erin om zijn ergernis omwille van dit onaangekondigde bezoek weg te stoppen achter goede manieren en opvoeding. Met een blik alsof ze iets heel smerigs rook keek moeder om zich heen, alsof een ze een plekje zocht waar ze kon zitten zonder haar nette mantel vuil te maken. Ze steunde op Marias arm en manoeuvreerde over het treinspoor dat op het tapijt lag uitgesteld. Een wagonnetje viel om bij de aanraking van haar gehakte hiel. Metaal en schoen krasten over elkaar. Martijn slaakte een duidelijk hoorbare kreet vanuit zijn schuilplaats.

    Met haar jas nog tot boven dicht geknoopt en met haar tas op haar schoot zette zijn grootmoeder zich op het randje van een grote lederen sofa die de woonkamer in twee leek te verdelen.

    “Gaat u zitten”, zei François, geheel overbodig. Zijn grijze haren vielen in een bles over zijn gezicht en in een nerveus gebaar veegde hij de lokken weg. Hij was beginnen grijzen sinds hij begin de veertig was. Nu hij bijna drieënvijftig was bleef er van zijn natuurlijk zwarte haar niets meer over. Hij had het nooit erg gevonden. “Grijze haren passen beter bij een antiquair”, lachte hij altijd als Elisa er een opmerking over maakte.

    Maria en Elfride gingen gehaast naast moeder op de bank zitten en bleven toen zwijgend voor zich uit staren. Elisa bekeek het gezelschap alsof er een troep buitenaardse wezens in de woonkamer was geland. Ze wist niet of ze nu moest lachen of janken. Ze overwoog om Henri op te bellen, maar besloot dat dan toch niet te doen: Henri had het zo al moeilijk genoeg om zijn positie tussen haar en zijn familie in leefbaar te houden. Martijn gluurde van achter de hoek van de relax naar de strenge vrouw die met haar boze blik en oude – mensjes - geur heel de ruimte leek in te nemen. 

    “Zoals ik daarnet al tegen uw pleegdochter zei...”, begon moeder, waarbij ze de nadruk duidelijk op ‘pleeg’ leek te leggen. Het was alsof ze wilde duidelijk maken dat dit Elisa minderwaardig maakte en hem als vader onbeduidend, “ben ik gekomen om mijn kleinkind te zien. In het teken van zijn toekomst heb ik er alle belang bij dat hij correct wordt opgevoed.”

    Elisa liep rood aan en hapte naar adem om in een woedeaanval uit te barsten, maar haar geliefde vader stak zijn hand sussend op, haar aanmanend om zich in te houden.

    “En wat mag die toekomst volgens u dan wel zijn? Als ik u vragen mag?”, vroeg hij, ijzig beleefd. Zijn grijze haarlok viel weer voor zijn ogen. Hij kantelde zijn hoofd een klein beetje naar de linkerkant en wachtte het antwoord geduldig af. Ergernis droop van moeders gezicht.

    “Martijn neemt later de winkel over, net zoals zijn vader”, stelde moeder met een absolute zekerheid. “De traditie én de naam wordt verder gezet.”

    “En hij wordt doodongelukkig! Net zoals Henri!”, barste Elisa uit.

    Moeder draaide haar hoofd met een schok en keek Elisa met een dodelijke blik aan.

    “Traditie is belangrijk. Familie is belangrijk”, vervolgde moeder. “Ik had beter moeten weten dan te verwachten dat iemand zoals jij dat zou begrijpen.”

    “Iemand zoals ik?”

    “Iedereen weet dat je op straat zou staan als je meneer François zich niet over je zou hebben ontfermd.”

    “U weet helemaal niets!”, riep François uit.

    “Vertel het ons dan! Wij willen heel graag weten hoe het zit. Waarom hebt u Elisa nooit geadopteerd? Is het niet omdat uw eigen familie tegen de adoptie is? Omdat het kapitaal moet beschermd worden tegen ongewenste invloeden? Wat ik overigens heel goed kan begrijpen?”

    “Hoor eens, mens!”, riep Elisa uit, “François heeft me altijd alles gegeven wat ik nodig had. Materieel en emotioneel. Liefde! Denk je nu echt dat ik op zijn geld zit te wachten?”

    “Dus ben je maar met mijn Henri getrouwd. Wetende dat hij een succesvolle zaak heeft. Wetende dat hij wel zou kunnen bieden wat in je eigen ‘kringen’ ondenkbaar zou zijn. We hadden je nooit met hem mogen laten trouwen.”

    “Henri en ik zijn gehuwd uit liefde! Maar ik verwacht niet dat jij en je verzuurde hart daar ook maar iets van begrijpen.”

    Het oude mens negeerde de uitbarsting van Elisa en ging onverstoorbaar verder: “Henri heeft de taak op zich genomen om de erfenis van zijn vader verder te zetten en zodoende in het levensonderhoud van mij en zijn zussen te voorzien. Hij beseft tenminste wat er verwacht wordt van iemand in onze kringen.”

    Om de mond van Martijns opa verscheen een geërgerd lachje. De jongen volgde de hele discussie mee vanuit zijn kamp, niet begrijpend waarover de grote mensen het hadden. Maar hij wist wel dat het over hem ging.

    “In mijn huis mogen kinderen zelf kiezen wat hun pad wordt”, zei François, terwijl hij Elisa een bemoedigend knikje gaf.

    “In uw huis zijn kinderen verwend”, beet moeder hem toe. “Ze zijn verwend en als ze op eigen benen moeten staan hebben ze niets! Het is niet eens je eigen bloed, ze houden er niets aan over, aan die eigen keuze. Jij weet niet wat familie is.”

    Bij die opmerking stond François recht. Hij hield zijn overbodige wandelstok stevig in zijn hand en liet hem met een grote knal neer komen op de vloer van de woonkamer. “Ik denk dat het tijd wordt dat u vertrekt.”

    De zussen sprongen geschrokken uit de zetel, maar moeder bleef koppig zitten. Ze stak haar kin omhoog en ging verder. “Er staat Verheye en zoon op het bord”, sprak ze voor zich uit, “het is altijd ‘en zoon’ geweest.”

    “Als u nu niet onmiddellijk dit huis verlaat, laat ik elke vorm van etiquette achterwege en gooi ik u zelf op straat!” François zei het zonder te roepen, maar Elisa kon aan de kloppende slagader in zijn nek zien dat hij alle moeite van de wereld deed om zich in te houden en niet te ontploffen.

    Elisa’s schoonmoeder nam Maria terug bij de arm en trok zich omhoog.

    Martijn kroop voorzichtig van achter de zetel en haakte zijn arm om zijn grootvaders been. “Opa?”, fluisterde hij.

    François keek omlaag in de bange ogen van zijn geliefde en enige kleinkind. Voor hem was hij nooit minder dan bloed geweest. Elisa was nooit minder dan een dochter voor hem geweest. Het maakte hem woedend als mensen dat in vraag stelden of hun band als tweederangs beschouwden omdat hij haar nooit had kunnen adopteren.

    “Waarom doet die mevrouw zo gemeen?” vroeg de jongen.

    Zijn stem klonk hoog en onvast. En toen voor iedereen hoorbaar zei hij: “is ze verdrietig omdat ze volgende week doodgaat?”

    De tweeling slaakte een kreet van verontwaardiging en sloeg simultaan een kruisteken. Moeders gelaatskleur evolueerde naar een intens hoogrood.

    “Wat een onbeleefd en eng kind!” riep Elfride uit.

    Geschokt en met de neuzen omhoog stompten de drie vrouwen de woonkamer en het huis uit. Elisa had haar hand voor haar mond geslagen en keek haar zoon met grote geschrokken ogen vol verdriet aan. François zette zich in de zetel en trok het kind op zijn schoot. Hij gaf Martijn een dikke knuffel en zijn pleegdochter een bemoedigend knikje. 

    En toen zuchtte hij: “het is zover.”

    Toen de oude weduwe Verheye de week na de voorspelling van de Martijn overleed, kwam dit voor iedereen als een verrassing, behalve dan voor zij die op woensdag bij Martijn in de woonkamer waren geweest. Martijn zelf lag er niet echt van wakker, hoewel hij het wel jammer vond voor zijn papa dat papa’s mama nu gestorven was. Maar Martijn zelf had zijn grootmoeder nooit gekend en de enige keer dat hij haar had gezien was ze behoorlijk gemeen geweest. Henri zelf wist niet wat er zich die dag precies had afgespeeld. Toen hij ’s avonds was thuisgekomen had hij zijn vrouw overstuur en wenend aangetroffen. Ook zijn schoonvader had behoorlijk bedrukt gekeken. Toen ze hem hadden verteld dat zijn moeder en zussen langs waren geweest was hij heel kwaad geworden. Hij had op het punt gestaan om naar hen toe te gaan om hen eens goed de waarheid te zeggen, maar Elisa had hem tegen gehouden. Ze had hem niet gezegd dat Martijn het overlijden van zijn moeder had voorspeld. Ze had hem ook niet verteld dat ze dit zelf ook al lang had voorzien.

    Henri regelde en doorstond nog een begrafenis. Elisa stond aan zijn zijde toen hij zijn moeders kist de grond in zag zakken. Het was een stralende lentedag, maar Maria en Elfride waren van top tot teen in het zwart gehuld, inclusief hoed. Ze stonden vanachter een zwarte kanten voile hoorbaar te snikken terwijl enkele kennissen hun medeleven kwamen tonen. Maria's zoon, Dirk, was er ook. Zijn gezin was thuis gebleven. Hij vond een begrafenis geen plaats voor zijn kleine Jacob, die net als Martijn net vijf was. Halverwege de dienst vertrok hij. “Werk”, was het excuus. Hoewel iedereen wist dat het notariaat op zaterdag gesloten was.

    Henri liet geen traan voor zijn moeder. Hij was kwaad om de ellendige tijd die ze hem had bezorgd, om de schuldgevoelens waarmee zij hem jarenlang aan haar had vast geketend.  Hij verafschuwde hoe ze hem had gedomineerd en hoe ze Elisa had behandeld. Hij hoopte vanuit het diepst van zijn hart dat ze zijn vader in het hiernamaals met rust zou laten. Hij wenste zelfs dat er geen hiernamaals was zodat hij haar nooit meer zou moeten zien.

    Na de plechtigheid schuifelde de tweeling half voorover gebogen en op elkaar steunend naar hun broer.  Ze negeerden Elisa die naast hem stond en barstten elk op een van zijn schouders in snikken uit. Henri reageerde koel en afstandelijk. Hij walgde van de vrouwen, die hun jaren hadden laten voorbij gaan zonder ooit iets van initiatief te hebben getoond, zonder ooit een persoonlijkheid te hebben ontwikkeld, of een wil die los stond van die van hun bezitterige moeder. Iets in hem zei hem dat ze het niet konden helpen, dat ze net als hij het product waren van een tirannieke moeder en een onderdanige vader. Och vader, was hij er nog maar geweest, hij zou eindelijk vrij geweest zijn. Hij keek de vrouwen meewarig aan, alsof ze schepsels waren van een andere dimensie.

    En toen, tot ieders verbazing, zei hij: “ik verkoop de winkel.”

    Hij zei het luidop en recht voor zich uit, schrok ook zelf van zijn besluit en herhaalde het.

    “Ik verkoop de winkel.”

    Alsof iemand een knop had uitgeschakeld stopte het toneel bij de zussen. Maria gooide haar sluier uit haar gezicht en keek haar broer geschokt aan. “Je … verkoopt… de winkel?” vroeg ze.

    “Ja, ik verkoop.” De woorden kwamen uit Henri’s mond met een zekerheid die hij in heel zijn leven nog nooit had gevoeld. “Ik ben het rotding beu. Ik ben de klanten beu. Ik ben jullie beu.”

    Bij elke zin werd Maria een beetje bleker en Elfride een beetje kleiner.

    “Maar Henri, dat… dat kun je toch niet maken?”, stamelde Elfride.

    “Ik zie niet in waarom niet”, zei Henri. “Ik weet niet wat jullie willen doen met jullie deel, maar ik verkoop het mijne. Het gebouw en de woning moet ik niet, daarmee doen jullie wat jullie willen. Ik wil het niet.”

    Maria, die in heel haar leven nooit een dag had gewerkt en besefte wat de implicaties waren van het besluit dat Henri zonet had geuit, hapte als een vis op het droge. Jarenlang had eerst vader en later Henri in het onderhoud voorzien van moeder en de zussen. Moeder had immers zorg nodig gehad en wie beter dan haar dochters konden dat voorzien. Moeder had altijd gezegd dat er geen mooier beroep bestond dan de zorg voor je zieke ouder. De zussen hadden zich hierin gewenteld.  Ooit, toen ze jonger en mooier waren, had Maria gedroomd van een sprookjeshuwelijk. In haar romannetjes had ze gelezen over knappe mannen die onervaren jonkvrouwen ontvoerden naar landen met zwoele klimaten en hen overlaadden met rijkdom en passie. De knappe piraat die Maria zou ontdooien was er nooit gekomen en de enige jongeman die het ooit had gewaagd om de strenge blikken van moeder te trotseren was voor Elfride gekomen. Het was een kippenboer geweest, die de eieren leverde voor de winkel. Vader had het snel in de gaten gehad dat Filip, want zo heette hij, een meer dan gezonde interesse vertoonde voor de jongste helft van de tweeling. Hij verdubbelde zijn assortiment en vroeg Elfride om op de dagen van de levering te komen helpen. Filip stopte Elfride briefjes toe waarin hij haar jeugdigheid en schoonheid bejubelde die zij met een gepast gevoel voor etiquette allemaal beantwoordde.   Elke dinsdag en vrijdag stond Elfride ongeduldig bij haar vader in de winkel te wachten tot Filip de eierboer zou arriveren met een nieuwe lading handelswaar en een liefdesbrief. Het duurde tot Maria jaloers werd en moeder een aanval kreeg van een mysterieuze ziekte die haar drie maand bedlegerig en hulpbehoevend maakte. Ze eiste Elfride aan haar zijde, want enkel zij kon haar moeders kussens zo goed opschudden zodat deze ondanks haar helse ziekte een beetje kon slapen en enkel zij kon haar huid zo goed insmeren zodat ze van doorligwonden gespaard zou blijven. Elfrides onmisbaarheid bij haar moeder maakte een einde aan het stille liaison. Filip kwam nog steeds op dinsdag en donderdag eieren brengen, maar de briefjes, die hij eerst nog met stille moed aan vader had gegeven, bleven na een tijdje uit. Toen moeder uiteindelijk weer beter werd van haar zoveelste ongedetermineerde aandoening, was Filip al verloofd met Maria. Toen ze het nieuws hoorde gooide Elfride alle brieven en kleine attenties die ze van Filip had gekregen en in een schoendoos onderin haar kleerkast bewaarde in het brandend haardvuur.  ’s Avonds in bed had ze in stilte geweend, bijtend in haar hoofdkussen zodat haar zuster, met wie ze al haar hele leven een kamer deelde, haar verdriet niet zou horen. Maria had geweten van haar pijn. Ze had het geweten en had zich verkneukeld om de prijs die Elfride betaalde voor haar ontrouw aan haar zuster en moeder. Er was nooit meer iemand geweest die Elfride op amoureuze wijze benaderde. Maria was net lang genoeg met de kippenboer gehuwd om zijn zoon en zijn kapitaal te krijgen. Dat kapitaal bewaakte ze angstvallig. Niemand wist ook precies hoeveel ze van hem had geërfd. Aan de wereld liet ze verstaan dat het nauwelijks genoeg was geweest om de schulden af te betalen.

    En nu was moeder dood en alles zou veranderen. Maria keek haar broer aan met ogen vol schrik en ongeloof. “Henri, je zet ons op straat?”

    Hij voelde wat ze probeerde, de schuld die ze hem poogde op te dringen zodat de vaste grond van onder zijn voeten weer weg zou brokkelen. Hij walgde van haar en van haar geveinsde hulpeloosheid. “Ik zeg je toch dat je met het huis mag doen wat je wil? Ik verkoop de handel en doe afstand van mijn deel van het huis. Als jullie een deel van de ruimte verhuren zouden jullie voldoende inkomen moeten hebben.” Hij zei het droog, zonder zijn zusters in de ogen te kijken. Hij wist dat één blik, één scheut schuldgevoel voldoende zou zijn om hem terug op andere gedachten te brengen. Elisa zag alles van op een kleine afstand gebeuren en bestudeerde haar Henri vol verbazing en bewondering.

     

    ’s Avonds, toen ze Martijn zoals elke dag in bed stopte, streelde Elisa zijn blonde krullen terwijl ze zachtjes hun slaapliedje neuriede. Martijn zong stil mee, met zijn hoge kinderstemmetje, het liedje van de lichtjes van de Schelde. Hij kende de woorden en was daar heel trots op. Hij hield zijn mama’s hand vast en streelde de rug ervan met zijn ene kleine vingertje.

    “Mama?”, vroeg hij toen het zingen gestopt was. “Is papa nu verdrietig?”

    Elisa keek de kleine jongen aan. Ze trok zijn donsdeken wat hoger zodat hij het warm zou hebben.

    “Ik denk het wel, lieverd”, antwoordde ze.

    “Waarom huilt hij dan niet?”, vroeg Martijn. “Ik ga huilen hoor als jij dood gaat! En ook als papa sterft, maar dat duurt wel nog heel lang…”

    Elisa moest even slikken. Hoe kon ze het uitleggen aan een jongen van vijf? En zeker aan hààr jongen die zo speciaal was? Martijn leek even afgeleid en Elisa haalde opgelucht adem. Ze gaf haar zoontje een nachtkus en knipte zijn nachtlampje uit dat op zijn met treintjes volgestouwde nachtkastje stond. Ze stond op en maakte aanstalten om de slaapkamer te verlaten toen Martijn plots zei: “Jij kan het ook zien hé mama?”

    Elisa bevroor en draaide zich terug om. Ze knipte het nachtlichtje terug aan en zette zich op de rand van het grote bed waarin Martijn bijna leek te verdwijnen. Ze zuchtte.

    “Ja lieverd, ik zie het ook.”

    “Die nare mevrouw noemde me een eng kind…” pruilde Martijn.

    “Lieverdje toch…” verzuchtte Elisa. “Wat jij bent, is speciaal. Jij bent niet eng!”

    “Ik ben speciaal?” herhaalde Martijn.

    “Ja, lieverd”, zei zijn moeder.

    “Is papa ook speciaal? Mag ik het hem zeggen?” vroeg het kind opgetogen.

    Hij had zijn deken tot aan zijn middel omlaag geslagen en zat nu rechtop, zijn blonde krulletjes in een warboel op zijn kleine hoofdje. Hij keek zijn mama aan met grote, vol pretlichtjes gevulde ogen. Elisa nam zijn kleine handjes in haar handen keek hem toen recht aan.

    “Martijn, je papa is speciaal. Maar niet zoals jij en ik. Hij is speciaal omdat hij ons liever ziet dan een bloem de zon of de oceaan het strand. Maar hij zal het nooit begrijpen. Hij zal alles doen om je te beschermen voor die dingen die volgens hem gevaarlijk zijn. En daarom mag je het hem niet zeggen.”

    “Tegen niemand?” vroeg Martijn.

    Elisa kon zo de teleurstelling in zijn stem horen. Als een superheld die net ontdekt heeft dat hij kan vliegen en het aan niemand mag tonen… “Je opa weet het, hij begrijpt het wel”, zei Elisa toen zachtjes. “Maar niemand anders, hoor je?” Nadat ze Martijn weer ingestopt had en het licht weer uitgedaan, stond ze op en verliet ze snel de kamer. Haar hart bonsde in haar keel.

    In de kinderkamer bleef Martijn naar de lichtgevende sterren tegen zijn plafond staren. Hij woelde en woelde, maar kon de slaap die nacht niet vatten. Hij snapte niet waarom hij het aan niemand mocht vertellen wat hij wist. Alsof je iemand zijn naam al kent, maar moet doen alsof je die persoon voor de eerste keer ontmoet.

    10-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    07-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2. 1980

    Op de materniteit van het Sint Franciscus Ziekenhuis zette Elisa haar zestiende uur arbeid in. Ze was moe en bezweet en de weeën volgden elkaar nu wel heel snel op. Henri vond het moeilijk om zijn lieve vrouw te herkennen in dat hijgende, logge schepsel dat daar op het ziekenhuisbed lag af te zien. Bij elke wee kermde ze van de pijn. Telkens opnieuw kneep ze zijn ondertussen gevoelloze hand tot moes. Haar blonde krullen kleefden tegen haar klamme voorhoofd. Het witte, vormeloze ziekenhuishemd was doorweekt van het zweet. Henri wilde het liefst van al wegrennen, de kamer en het ziekenhuis uit. Maar zijn trots en de liefde voor deze vrouw hielden hem tegen. Na een korte, krachtige klop vloog de deur open en stapte een verpleegster de kamer binnen. Ze was groot en grof gebouwd, met een strenge peper – en zoutkleurige haarwrong en ruwe handen. Als Henri nu een vluchtpoging zou ondernemen zou ze hem zeker getackeld hebben nog voor hij de deur kon bereiken. ‘Marion’ was de naam die ze samen met haar titel en duidelijke trots op haar linkerborst droeg. “Marion – matrone”, dacht Henri. De zelfbedachte woordspeling deed hem even glimlachen. De vroedvrouw keek hem streng en beschuldigend aan en dwong zijn mondhoeken terug omlaag. Henri sloeg zijn ogen met enige schaamte omlaag.  In een flashback zag hij de blikken van zijn moeder en zijn twee oudere zussen toen hij hen vertelde dat zijn lieve Elisa in blijde verwachting was. Ze was net achttien. Ze hadden hem aangekeken alsof hij net had verklapt dat hij in het geheim in de wijnkelk van de lokale kerk had geürineerd. Alsof Elisa een relikwie was dat door Henri en zijn lusten was ontheiligd. De vreugde die Henri had gevoeld had direct plaats gemaakt voor schaamte, vooral toen zijn zusters zich als moederkloeken op Elisa hadden gestort om haar bij te staan nu Henri haar in dergelijke gezondheid- ondermijnende toestand had gebracht. De vrouwen in zijn leven slaagden er altijd met het grootste gemak in om gevoelens van schuld en nood aan boetedoening op te roepen.

    De vroedvrouw manoeuvreerde zich tussen het bed en de stoel waarop Henri zat in, waardoor hij in de gordijnen werd gedrukt. Ze droeg een spierwit verpleegstersuniform en witte klompen. Haar hielen vertoonden een vereelte rand die gelig en gekloofd was. Zo ijzig als ze Henri had aangekeken, zo warm en vriendelijk richtte ze zich nu naar Elisa. “Gaat het nog mevrouwtje?” vroeg ze poeslief.

    Zonder het antwoord af te wachten sloeg ze de spierwitte lakens die gekreukt om Elisa’s slanke benen lagen gedrapeerd omlaag. Elisa knikte in een halve bevestiging en moest alweer een wee weg puffen.

    “Blijven ademen, mevrouwtje”, zei de matrone, “het is zo weer over.”

    Henri vroeg zich af hoeveel geboortes ze al had meegemaakt, hoe vaak ze die zin al had gezegd. Ze nam een paar latex handschoenen uit een doos die op het kastje naast Elisa’s bed stond en zei toen, tegen niemand in het bijzonder: “ we gaan eens kijken hoe ver we al zijn. Laat je benen maar open vallen, ontspannen…”

    Henri was even blij dat de brede rug van de vrouw het zicht blokkeerde. Hij vond het vreselijk dat vreemde handen zijn meisje zo intiem betastten, alsof ze de schade opnamen die hij daar had aangericht. Henri hoorde hoe Elisa haar adem inhield en bleef als bevroren in zijn stoel zitten. Allebei voelden ze zich ongemakkelijk. Allebei hoopten ze dat het snel voorbij zou zijn. De vroedvrouw Marion richtte zich op van haar karwei en zei toen heel zelfgenoegzaam: “we zijn er bijna!”

    “Alsof zij, en niet mijn Elisa, al het werk heeft gedaan…” dacht Henri bij zichzelf. Zoals altijd slikte hij zijn woorden in en schonk haar een beleefd lachje. Hij slikte de droge lucht in zijn keel weg en wriemelde zenuwachtig aan de blauwe stof van zijn vloeren broek.

    “De ontsluiting is bijna volledig”, zei het uniform tevreden, “nog eventjes en we kunnen de dokter roepen en naar de verloskamer verhuizen.”

    Met een geroutineerde beweging en de bijhorende ‘pets’ trok ze de latex handschoenen uit. In een vlotte beweging mikte ze de dingen in de vuilnismand. In gedachten zag Henri haar op een basketbalveld hetzelfde doen. Zonder nog iets te zeggen wrong ze zich van tussen Henri en Elisa in. Met stevige tred verliet ze de kamer. De kleine bleke hand van Elisa die de zijne weer omklemde haalde Henri uit zijn dagdroom.

    “Henri…”, fluisterde ze. “Henri, ik ben bang.”

    Er kwam weer een wee en het mooie ronde gezichtje waar hij zo verliefd op was geworden vertrok in een grimas. Henri schoot recht uit zijn stoel. Hij kon haar niet geruststellen. Hij kon haar niet geven wat ze nodig had. Hij was zelf overmand door de meest overweldigende castrerende angst die hij ooit had gevoeld. Zijn oerinstinct om te vluchten trok als een koppig kind aan de slip van zijn hemd, dat na de vele uren van spanning en bezorgdheid uit zijn broek was gaan hangen. “Moet Maria komen?”, vroeg hij haar. Hij dwong zijn trillende benen om niet doormidden te plooien bij de knieën en met zijn rechter hand streelde hij de vochtige krullen uit haar gezicht. “Of Elfride? Moet ik Elfride roepen? Ze zitten op de gang, ik weet zeker dat…” Henri maakte aanstalten om zich om te draaien en alles aan de hulptroepen over te laten, maar Elisa verstevigde haar greep om zijn hand.

    “Ik wil je zussen hier niet”, fluisterde ze tussen haar tanden en twee weeën door. “Ik heb jou nodig.”

    Hij zag de smekende blik in haar grote ogen en gaf zich gewonnen.

     

    Het waren die grote ogen die hem op acht juni 1978 het eerst waren opgevallen. Ze hadden hem verbaasd en verwachtingsvol aangekeken. Op de achtergrond had de verslaggeving geklonken van het wereldkampioenschap voetbal dat op dat moment plaats vond in Argentinië. Er werd uitgebreid gepalaverd over de 6-0 nederlaag van Mexico tegen West-Duitsland, maar Henri had er nauwelijks aandacht voor. Hij had Elisa beschaamd moeten verzoeken om te herhalen wat ze hem net had gevraagd. Zes eieren en een kilo bloem was het geweest, want Henri hield de buurtwinkel van zijn vader open sinds die zes jaar eerder onverwachts was overleden. Henri zat toen op de universiteit. Hij was negentien jaar en studeerde literatuur. Op een avond was de kotbazin zijn kamer binnengekomen om hem bij de telefoon te laten komen. Hij had Maria aan de lijn gehad, de oudste van zijn zussen. Ze had hem heel kort meegedeeld dat vader in zijn winkel was ingestort.

    “Een hartaderbreuk”, zei ze kort en droog. “Een snelle dood.”

    “Een mooie uitweg”, dacht Henri bij zichzelf.

    “Je moet naar huis komen, Henri”, vervolgde zijn zuster, terwijl hij in stilte voor zich uitstaarde en de kotbazin haar hand op zijn schouder hield. “Moeder heeft je nodig.” “Maar… maar mijn studies dan?”, probeerde Henri nog voorzichtig tegen te brengen. Hij hoorde Maria geërgerd zuchten.  Zelfs door de telefoon kon hij haar priemende blik voelen.

    “Je hebt nu genoeg gespeeld, Henri. Vader is dood en iemand moet de winkel over nemen. Ik zie je morgen.”

    “En Dirk? Kan hij niet…” Dirk was de zoon van Maria.

    “Dirk werkt op het notariaat, Henri. We hebben allemaal ons werk te doen.”

    Voor hij nog iets kon zeggen hoorde hij hoe ze de hoorn inlegde. Henri bleef verdoofd voor zich uitkijken. De kotmadam keek hem met grote medelijdende ogen aan. Nog voor ze iets kon zeggen barstte hij in een ongecontroleerd snikken uit.

    “Ocharme, jongen toch”, mompelde de oude vrouw terwijl ze hem zachtjes op zijn schouder klopte.

    Ze dacht dat hij treurde om zijn pas gestorven vader. Gedeeltelijk was dat ook zo. Maar hij weende vooral om zijn toekomst die vanaf nu helemaal uitgestippeld zou zijn, zonder ruimte voor keuze of vrijheid.

    De hele nacht lag Henri wakker, te piekeren en te woelen. Enkele keren overwoog hij serieus om niet naar huis te keren, zelfs niet voor de begrafenis. Maar hij wist dat hij, zonder de sponsoring van zijn vader, zijn studies niet meer zou kunnen betalen. Zijn moeder zou het niet toelaten. De volgende morgen vertrok hij naar huis per trein, waarbij hij alles meenam wat hij in één keer kon dragen. Hij nam afscheid van zijn huisbazin en liet de meeste van zijn boeken achter, wetende dat hij de confrontatie met zijn stukgelopen droom in de toekomst niet meer zou kunnen verdragen.

    Op het perron stond niemand te wachten. Henri riep een taxi, als een laatste decadente uitspatting voor hij in gevangenschap ging, en reed naar zijn ouderlijk huis. Het was een zwarte Mercedes W123 met een beige lederen interieur. De chauffeur rookte de ene sigaret na de andere en neuriede mee met de radio. Henri liet de wagen om de hoek stoppen. Gaf een gulle fooi. De laatste zestig meter deed hij te voet.

     

    De woning bevond zich aan de achterkant van de winkel. De ingang was volledig afgescheiden van de zaak. ‘Verheye’s groenten en fruit’, heette de zaak. Het was het enige grootwarenhuis dat het dorp rijk was.  Henri’s vader verkocht er zowat alles: groenten en fruit, maar ook zuivel, vlees en toiletartikelen. Hij was voortdurend op zoek naar manieren om de zaak te moderniseren. Hij had een voor de tijd moderne elektronische kassa en speelde muziek op een cassette -recorder. Henri had als kind snel doorgehad dat de winkel één van de laatste pogingen van zijn vader was geweest om enige vorm van eigen ruimte voor zichzelf te creëren.

    Vandaag was de winkel gesloten. ‘Wegens overlijden’, stond er op een stuk karton dat met twee stukjes plakband tegen de glazen inkomdeur was gekleefd. Henri liep er voorbij. Hij raapte zijn moed samen en duwde de zware eikenhouten voordeur van het woonhuis open. In de hal liet hij zijn koffers staan. Aan de linker kant, was een kantoorruimte. Recht daar tegenover was een grote zitkamer, met een dubbele deur die nu open stond. De meubels waren oud, maar degelijk. Het hele huis had over een periode van verschillende decennia een bruinige tint gekregen en de muren hingen vol met goedkope schilderijen. In de zitkamer zat zijn moeder. Ze had zich in een robuuste eiken eenpersoonszetel geplaatst. Ooit was deze salon heel duur geweest, maar nu oogde hij enkel nog donker en versleten.

    Moeder zat rechtop, met haar voeten bij de enkels over elkaar geslagen. Op haar geplooide, knokige knieën, rustten haar handen met haar spinnenpoot-achtige vingers in elkaar vestrengeld. Ze was voor de gelegenheid helemaal in het zwart gekleed en droeg haar grijze haren in een knot achterop haar smalle hoofd. Haar strenge mond vertoonde de typische verticale rimpels die je krijgt door stiekem te roken en een leven lang zuur te kijken. Haar onderlip trilde bij momenten terwijl ze theatraal zuchtte. Ze hield een witte zakdoek vast, die ze geregeld ostentatief en met het nodige gevoel voor drama naar haar ooghoeken bracht. Ze snikte droge tranen weg.

    Ooit was ze een heel mooie dame geweest. Blond en rijzig. Vader had haar de vrijheid en de weelde moeten brengen die ze naar ze zelf vond verdiende en die paste bij een vrouw van haar stand. Ze had nooit van hem gehouden. Hij zelf had al gauw door dat haar grote grijze ogen niet mysterieus of diep waren, maar een weerspiegeling waren van haar koude en bittere hart. Maar het waren andere tijden toen en de enige vlucht die vader had gehad was zijn winkel. Hij begon er mee net na de oorlog, toen de tweeling een jaar of elf was.

    Toen Henri jaren later onverwacht zijn aanwezigheid kenbaar maakte was moeder al zesenveertig.  De zussen waren op dat moment al twintigers. Elfride was nooit getrouwd en had de zorg voor moeder steeds gecombineerd met een baan als kleuterleidster in de plaatselijke basisschool. Maria was na een kort huwelijk met een boer weduwe geworden. Haar echtgenoot was bij een bizar ongeval met een pikdorser om het leven gekomen. Hij liet haar achter met een zoon en een erfenis waar ze comfortabel mee verder kon. Ze verkocht de boerderij en trok terug in bij haar moeder. Henri was acht jaar jonger dan het kind waar hij in theorie de oom van was. Ze zagen elkaar enkel tijdens de vakanties en hadden geen band. Maria stuurde Dirk van zodra ze kon op internaat en drong er bij haar moeder op aan om met Henri hetzelfde te doen. Zijn vader weigerde.

    Toen Henri kind was had hij vele uren met zijn vader in de winkel doorgebracht. Hij was een slim kereltje en vader liet hem achter de toonbank alle boeken lezen die hij kon vinden. Samen maakten ze plannen. Henri zou studeren en de wereld zien. Vader besefte dat hij Henri weg moest krijgen uit het dorp en vanuit de verstikkende grip van moeder en de zussen. Hij spaarde en spaarde en stuurde Henri van zodra hij oud genoeg was weg naar de stad om te studeren.

     

    De tweeling Maria en Elfride zat bij Henri’s thuiskomst identiek te wezen in de lange driepersoonssofa. Dirk, ondertussen 27, werkte bij de plaatselijke notaris. Na zijn studies rechten en notariaat was hij daar door inmenging van zijn grootvader kunnen beginnen. Hij had werk gemaakt van de notarisdochter en hoopte met tijd op een benoeming. Hij meed zijn moeder als de pest.

    Ook de tweeling was druk bezig met treuren. Hoewel ze fysiek meer op hun vader leken, grof gebouwd met brede schouders en met eerder donker haar, hadden ze de persoonlijkheid van hun moeder meegekregen. Ook zij droegen zwarte rouwkledij en een strenge knot. Henri vroeg zich af hoe lang ze hier al zaten. Even verdacht hij hen ervan dat ze zich vlug in deze opstelling hadden geïnstalleerd toen ze hem de hoek zagen omkomen. 

    “Och, mijn zoon!” riep moeder huilerig uit toen ze hem zag. Ze stak haar magere armen met een grote dosis gevoel voor drama voor zich uit. “Eindelijk ben je er! Vader heeft ons in de steek gelaten! Wat moeten wij nu beginnen?”

    Henri voelde een steek door zijn hart gaan, maar stapte toch vooruit. Hij liet zich door zijn moeder omhelzen. Zijn armen hingen slap langs zijn lijf.  Ze huilde nu luid en met haperende snikken terwijl ze van alles uitkraamde wat Henri zelfs als hij heel hard zou proberen toch niet kon begrijpen.

    Die nacht, in zijn eigen oude jeugdkamer, jankte Henri dikke tranen. Tranen om zijn vader, tranen om zijn studies, tranen van wanhoop en tranen van eenzaamheid.

    Twee dagen later was de begrafenis. Er waren veel mensen, vader had immers veel volk gekend. Met de kist zag Henri ook zijn eigen toekomst en de plannen die hij met vader had gemaakt  in de grond verdwijnen.  Hij nam de winkel over en bracht vanaf dan bijna al zijn tijd daar door.  Hij woonde weer in zijn oude kamer en zijn leven werd, net als voor de universiteit, volledig ingevuld door de verlangens van zijn moeder en zusters. Hij moest de winkel in eer houden en voor het gezinsinkomen zorgen , net zoals vader dat altijd had gedaan. Zijn moeder controleerde alles, zoals ze ook bij vader had gedaan. Elke rekening, elke leverancier, elke factuur, werd door haar nagekeken en becommentarieerd, hoewel Henri meer dan verstandig en capabel genoeg was om dit alleen te doen. Bij elke bespreking stond ze erop om aanwezig te zijn, meestal nog begeleid door de zussen.

    Maar haar echte carrière, had moeder gemaakt in het ziekelijk zijn. Elk lichaamsdeel was pijnlijk, elk orgaan was ziek, elk bot was ontstoken. Het meest bizarre aan moeders ziekte, was dat het zich nooit ergens leek vast te zetten. Neen, het versprong en dit gebeurde meestal wanneer er weer een arts had moeten verklaren dat er eigenlijk niets te vinden was. Gelukkig waren er de zussen die hun leven hadden opgeofferd om voor moeder te zorgen terwijl vader voor een inkomen zorgde. De tweeling vulde hun dagen dus met de ziekenzorg van moeder, gebed en geroddel. Soms alle drie door elkaar. Maar zo kwam het dus dat Henri dag na dag in een duffe buurtwinkel doorbracht. Elke poging tot enthousiasme of verandering werd door de vrouwen de kop ingedrukt. De modernisering die zijn vader was begonnen kwam tot een halt en terwijl er in de buurt nieuwere zaken bijkwamen, bleef ‘Verheye’s groenten en fruit’ vastzitten in de tijd. Elke dag opnieuw moest Henri producten verkopen waarvan hij vaak nauwelijks wist waarvoor ze dienden. Telkens weer moest hij praten met mensen die hem nooit konden boeien of meepraten over onderwerpen die hem nooit iets zouden kunnen schelen.

    Na het werk ruimde hij de winkel op, een karwei die hij zo lang mogelijk liet duren. Hij telde de kassa en noteerde alles, hoewel hij wist dat moeder alles nog eens zou natrekken en dubbel tellen. Hij sloot de winkel af en heel soms, als hij in een avontuurlijke bui was, deed hij eventjes het blokje om alvorens hij het woonhuis binnen ging. Elke avond zaten de vrouwen om de eettafel op hem te wachten, en telkens weer werd hij berispt omdat het eten koud ging zijn. Hij had, na de dood van vader, plaats moeten nemen aan het hoofd van de tafel. Maar deze positie, die de rol van gezinshoofd moest symboliseren, gaf hem meer het gevoel op het offerblok te liggen. Hij dacht met afgunst aan zijn neef, die er wonderlijk in was geslaagd om aan dit gedoe te ontsnappen.

    Moeder Verheye weigerde gewoonlijk te eten, hoewel ze er maar niet in leek te slagen om te verhongeren, terwijl zijn zusters op hem afgaven hoe zwaar moeder -en bijgevolg zij- het wel niet hadden. Wat had hij een geluk, dat hij daar kon wegvluchten in de winkel terwijl zij hier met de zorg voor een hulpbehoevende zaten. Henri doorstond het avondmaal door in gedachten weg te vliegen naar de verhalen die hij tijdens zijn studies had kunnen lezen. En van zodra hij de kans schoon zag, vluchtte hij naar zijn eigen, kleine kamer.

     

    Henri was duidelijk ongelukkig en verwachtte opnieuw een doodse, vreselijke, doordeweekse dag toen Elisa, ongeveer zes jaar na de dood van vader, haar bloem en eieren vroeg. Eigenlijk had ze die gewoon uit de rekken kunnen nemen, maar ze had de wanhoop op het gezicht van Henri herkend en had besloten dat ze hem zou redden. Dus terwijl hij met een duidelijk gepijnigde blik probeerde om een palet soepblikken van Liebig in een piramide te stapelen, stapte het meisje in haar wit met blauwe gebloemde zomerjurk en bijpassende blauwe ballerina’s op hem af. Ze had een vrolijke, bijna muzikale wandelgang, waarbij haar halflange blonde krullen ritmisch mee bewogen. Haar bruine armen zwierden langs haar slanke lijf en in haar rechterhand droeg ze een ronde, rieten boodschappenmand. Niet omdat ze die mooier of handiger vond dan een plastic tas, maar omdat ze vond dat die beter bij de zomer paste. Ze was net zeventien geworden.

    Henri zweette als een hond en probeerde de soepblikken netjes te stapelen. Fronsend vroeg hij zich af of hij daarvoor ter wereld was gekomen met een boven gemiddeld intelligentiequotiënt. En toen zag hij boven de verpakkingen tomaat- pompoen – met- balletjes de grootste, blauwste ogen verschijnen die hij ooit had gezien. “Euhm, excuseer?”, stamelde hij. Hij probeerde om zijn evenwicht te bewaren en niet clichématig in de stapel blikken te donderen.

    “Waar zou ik de bloem kunnen vinden, meneer?”, vroeg Elisa nogmaals. Met haar linkerhand stopte ze terloops een verdwaalde haarlok achter haar oor. “En ik zou ook nog zes eieren moeten hebben, meneer”, voegde ze er snel aan toe.

    Henri veegde zijn zweterige handen af aan zijn bordeaux met groene winkelschort en rechtte zijn schouders. “Ja zeker, juffrouw”, antwoordde hij vlug, “als u hier even wacht, breng ik u zo wat u nodig hebt.” Hij deed enkele stappen achteruit, viel bijna over zijn eigen voeten en beende toen weg. Hij stapte naar het rek met de bloem. toen hij wist dat ze hem niet meer kon zien bleef hij ter plaatse staan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij wist niet wat er met hem aan de hand was. Even dacht hij dat hij, net als zijn vader, ter plekke dood neer zou stuiken. Hij had vaak gehoopt dat dat zou gebeuren, maar op een moment als deze zou een plots overleden op z’n minst ongelegen komen. Hij keek naar het pak bloem in zijn handen en toen naar zijn reflectie in de glazen deur van het koelvak. Hij zag er bezweet en moe uit. Zijn donkerbruine haren waren keurig kort geknipt en hij was, zoals zijn moeder eiste, gladgeschoren. Zijn ogen waren van een onbestemde, eerder donkere kleur en op zijn voorhoofd werden de eerste diepe groeven zichtbaar. Henri schrok toen hij zijn spiegelbeeld zo zag. Hij was verouderd en zag er helemaal niet de vijfentwintig uit die hij eigenlijk was. Hij dacht aan het meisje en ging met zijn ene hand door zijn haar. Hij trok zijn schort recht. Dat was beter.

    Toen stapte hij met geveinsde zelfverzekerdheid terug naar de voorkant van de winkel. Elisa stond keurig te wachten. Ze keek naar de toppen van haar schoenen en wiegde van haar hielen naar haar tenen terwijl ze in gedachten iets leek te tellen. Ze keek op. Glimlachte toen ze hem zag naderen. Toen hij voorbij de zuivel stapte greep hij in één vlotte beweging een doosje met zes eieren en zette die bovenop de bloem. Hij plaatste alles op de toonbank en liep er toen helemaal omheen om af te rekenen. Hij dacht aan al die keren dat hij geforceerde gesprekjes had met klanten. Wildvreemden die hij toch wilde plezieren opdat ze zouden terug keren. Maar nu, op het moment dat hij nog nooit zo wanhopig had verlangd dat iemand zou terugkeren, nu vond hij niets om te zeggen. Hij staarde naar de kassa en tikte verdwaasd de aankopen in. Elisa zag hoe hard Henri aan het afzien was en barstte in lachen uit. Dit bracht Henri natuurlijk helemaal van zijn stuk. Hij werd knalrood. Elisa dwong zichzelf tot enige ernst en legde toen haar lange, gelakte wijsvinger op zijn trillende handen.

    Ze aaide verleidelijk over de harige handrug en zei toen heel beheerst: “als u dat leuk zou vinden, bak ik volgende week weer wafels.”

    Henri wist dat zijn moeder en zusters geschokt zouden zijn bij dergelijke vrijpostigheid en was heel even geneigd om te weigeren. Maar toen hij haar open blik zag van onder haar lange blonde wimpers, kon hij niet anders dan knikken.

    Ze lachte opnieuw en zei dan, heel spontaan: “Tot volgende week dan!” Ze stapte met haar unieke gang en de bloem en eieren in haar mandje de winkel uit.

    Toen moeder die avond de rekeningen controleerde en enkele euro’s miste besefte Henri dat het meisje niet betaald had. Hij liet de verwijten met een glimlach over zich heen gaan en ging voor het eerst in heel lange tijd naar bed met een vaag gevoel van positieve verwachting.

     

    Exact een week nadien stapte Elisa opnieuw net na de middag de winkel binnen. Dit keer droeg ze een lichtblauwe jurk die haar ogen accentueerde en witte ballerina’s. De rieten mand zwierde opnieuw langs haar zijde. Henri had al de hele dag reikhalzend naar haar uitgekeken. Hij had de bloem en eieren uren voorheen klaar gezet. Hij had speciaal voor haar een mooi hemd en een vers geperste broek aangetrokken. Toen hij haar de deur door zag komen hing hij vlug zijn winkelschort aan de haak achter de kassa. Hij trok zijn kledij recht en stapte op haar af. Hij voelde zich moediger dan de vorige keer, was gevoed door het beetje hoop dat ze hem had gegeven. 

    Hij was blij dat er niemand anders in de winkel was, anders zou hij vast niet gedurfd hebben wat hij vervolgens deed. “Juffrouw”, zei hij op plechtige toon, “u bent de vorige keer vergeten om uw aankopen te betalen. Maar ik ben bereid om die misstap door de vingers te zien indien u mij zou kunnen zeggen wat uw naam is.”

    Elisa, meer geschrokken door de toon waarop hij haar aansprak dan door de inhoud, sloeg haar hand voor haar mond. Ze begon te schaterlachen. Henri wist niet of hij moest mee lachen of blozen. Hij deed het dus maar allebei een beetje. En toen ze beide hun adem en spraakvermogen enigszins terug hadden, stelden ze zich aan elkaar voor.  Elisa zou die middag niet meer aan wafels bakken toekomen, want ze bleef voor de rest van de namiddag bij hem. Hij bediende de klanten en deed wat hij anders deed, en zij zat op een barkruk bij de toonbank en babbelde en luisterde. Eens Henri voorbij de schoonheid van haar ogen kon kijken, werd hij gefascineerd door haar levenslust, openheid en blijheid. Hij trok zich niets aan van de nieuwsgierige blikken die de klanten hen toe wierpen. Hij lag er ook helemaal niet van wakker welke roddels er die dag ontstonden en het dorp in gingen. De middag vloog voorbij en toen het tijd was om de winkel af te sluiten besloot Henri om niet rechtstreeks naar huis te gaan maar om Elisa te vergezellen in haar wandeling naar huis. Ze huppelde vrolijk naast hem met de nu overbodige boodschappen in de mand en vertelde honderduit. Af en toe stelde ze hem een vraag en dan wachtte ze aandachtig luisterend tot hij had geantwoord. Henri observeerde haar jeugdigheid en absorbeerde haar energie. Hij volgde haar tot aan het grote herenhuis waar ze samen met haar geliefde pleegvader woonde en liep keurig met haar mee tot aan de voordeur. Als een afgedraaide bobijn viel ze stil.

    “Ik wil je bedanken voor een fantastische dag”, zei Henri terwijl hij met een bang gevoel de diepe afgrond van haar blik ving.

    Ze draaide haar sleutel om in het sleutelgat en duwde de grote zwarte houten deur open. Toen gaf ze hem een vlugge zoen op zijn wang. Terwijl hij haar van zijn sokken geblazen aankeek en voor ze snel naar binnen liep zei ze nog: “dat is omdat ik weer niet betaald heb.”

    Bij het thuiskomen zaten moeder en de zussen al op hem te wachten. Hij verwachtte en kreeg een preek, maar het kon hem voor één keer helemaal niets schelen.

     

    Vanaf dan waren alle dagen een stuk dragelijker, zeker als Elisa langs kwam. Ze moest nog enkele weken school lopen voor ze zou afstuderen. Kantoor-talen volgde ze. Ze was goed in talen. Ze sprak vloeiend Frans, met een accent dat ze uit haar geboorteland Italië had meegenomen. Maar ze had ook een hekel aan de lessen en weigerde om verder te studeren. Henri was nog steeds zijn stille zelf, maar bij Elisa had hij het gevoel dat dit goed was. Elisa praatte genoeg voor hen beiden, maar als ze hem iets vroeg, dan luisterde ze ook echt naar zijn antwoord. Bij Elisa had Henri het gevoel dat wat hij dacht en zei van belang was.

    Al gauw werd hun liaison publiek en was Henri verplicht om haar aan zijn familie voor te stellen. Moeder en de zussen waren meteen gek op Elisa. Ze kenden de goede naam en het fortuin van haar pleegvader (wat vooral voor moeder een pluspunt was) en gaven zichzelf de missie om Elisa de moeder te geven die ze volgens hen nooit had gekend. Wisten zij veel. Ze mispakten zich aan haar frêle uiterlijk en zagen in haar een zwak schepsel dat moest beschermd worden. Als ze in huis was werd ze behandeld als een prinses. Henri ergerde zich eraan dat ze haar opeisten. Hij voelde zich jaloers als ze haar met zich mee sleurden om ‘meisjesdingen’ te bespreken. Op een keer kwam hij de zitkamer binnen en was Maria bezig met het uitkammen van Elisa’s krullen terwijl Elfride haar koekjes en thee voederde. Henri was geschokt, maar zei niets.

    Maria zou weldra grootmoeder worden, maar werd door haar eigen zoon radicaal uit zijn leven geweerd. Ze richtte haar pijlen dan maar op Elisa. Nog voor Henri de moed had gevonden om Elisa’s hand te vragen stond al vast dat ze bij hen in huis zouden wonen. Immers, zo stelde Maria vaak, Henri zou met zijn werk in de winkel nauwelijks tijd hebben om voor zijn Elisa te zorgen én het was wel duidelijk dat het kwetsbare meisje niet in staat zou zijn om een huishouden te leiden.  

     

    Op de dag van haar achttiende verjaardag huwden Henri en Elisa. Hij droeg een donkergrijs kostuum, zij een witte zijden jurk tot net onder de knie. Ze hield een klein boeketje met lichtroze tulpen vast. Terwijl ze hun geloften zeiden kneep ze hem bemoedigend in de hand. Hij sprak met een krop in zijn keel. De kerk zat afgelaten vol en nadien was er een groot feest waar nog jaren over zou gesproken worden. Moeder zei tegen iedereen die het maar horen wilde hoe jammer het wel niet was dat vader er niet bij was. Het had volgens haar trouwens  niet veel gescheeld of ze was er zelf ook niet bij. Met haar slechte gezondheid en zo. De zussen beleefden de dag alsof het hun bruiloft was. Ze waren allebei tot in de details opgetut en stonden voortdurend klaar om te zien of de bruid niets nodig had. Het scheelde niet veel of ze waren het kersverse bruidspaar gevolgd tot in de slaapkamer.

    En toen was Elisa zwanger en toen de eerste schok van die mededeling was weggeëbd omzwermden Maria en Elfride het meisje met zoveel aandacht dat Henri zich vaak vreemd voelde in zijn eigen huis. Maria overcompenseerde voor wat ze bij haar eigen zoon miste. Elfride wist gewoon niet beter. En Henri werd overal tactisch buiten gehouden. Hij trok zich opnieuw terug in zijn winkel. Hij had niet door dat Elisa zich opgesloten voelde in het oude huis, dat ze de dagen miste waarop ze op de barkruk in de winkel naar hem keek terwijl hij op zijn eigen slungelige manier de klanten bediende. Hij wist niet dat ze een hekel had gekregen aan zijn zussen, die haar behandelden als een invalide en haar nooit een momentje ademruimte gaven. Telkens ze kon vluchtte ze weg naar het huis van haar pleegvader, wat niet vaak gebeurde. In het huis van Henri vond men het immers onnatuurlijk dat een volwassen vrouw zoveel tijd doorbracht bij een man waarmee ze niet eens een bloedband had. Het feit dat hij de enige vader was die ze ooit had gekend was een detail dat ze graag over het hoofd zagen.

    Henri zag niet hoe veel verdriet het Elisa deed als hij tot ’s avonds laat in de winkel bleef om niet naar huis te moeten komen, omdat ze dacht dat hij van haar weg vluchtte. Elke dag opnieuw verbeet ze haar ergernis, omdat ze dacht dat hij het zo wilde. Elke dag onderging ze de strenge blikken van haar schoonmoeder. En als Henri ’s nachts pogingen deed om dichterbij te komen en de liefde met haar te bedrijven, kon ze zijn geremdheid voelen. Ze wist niet dat dit was omwille van de oren die overal in huis waren en dacht dat hij haar niet meer wilde.

     

    En nu stonden ze hier op het punt om hun eerste kindje in hun armen te sluiten en Henri wist niet wat hij moest doen. Hij had alles gemist.  Hij was ervan overtuigd geraakt dat Elisa de voorkeur gaf aan zijn zussen boven hem. Maar ze hield zijn hand zo stevig vast en keek hem zo wanhopig aan dat hij het niet aandurfde om haar tegen te spreken.

    Martijn kwam in stilte en met een frons op de wereld. Henri dankte God dat hij een zoon had en legde hem in de armen van zijn uitgeputte echtgenote. Ze keek naar het schepseltje en herkende zichzelf in zijn fijne trekken en zijn blonde haar. Ze wist niet of hij in alles op haar zou lijken, maar als dat zo was dan zou ze hem zo goed mogelijk voorbereiden op wat komen zou. Dat beloofde ze hem in stilte terwijl ze zijn zoete babygeur opsnoof en hem in slaap wiegde.

    En toen stormde de tweeling de kamer in. Ze hadden wel een dozijn geschenken mee en maakten genoeg lawaai om het hele moederhuis in beweging te brengen. Martijn schrok wakker en begon oorverdovend te huilen.

    “Geef hem maar hier”, zei Elfride meteen. Ze probeerde het kind uit de armen van zijn moeder te trekken. “Ik krijg hem wel stil, dat moet jij niet doen”, verzekerde ze haar jonge schoonzus.

    En toen zag Henri iets in zijn altijd zo zachtmoedige en vrolijke vrouw wat hij nog nooit had gezien. Haar ogen schoten vuur en waren vervuld met afkeer. “Laat hem los, Elfride”,  zei ze op een ijzige toon.

    Elfride schrok, maar bleef het kind vasthouden en richtte zich nu tot Martijn zelf. “Kom maar even hier bij tante Elfride, je moet je moeder niet zo tot last zijn”, mompelde ze in babytaal tegen haar pasgeboren neefje.

    Elisa verstevigde haar grip op Martijn en zei op ferme toon: “Laat hem los Elfride, hij blijft bij mij.”

    Geschokt liet Elfride los. Ze stamelde: “maar je moet nu toch wel vreselijk moe zijn, na een dergelijke lange bevalling.” Haar kleur was hoogrood, haar blik vol ongeloof.

    Maria zag wat er gebeurde en probeerde tussenbeide te komen. “Kom Elfride, je krijgt thuis nog genoeg de kans om voor hem te zorgen. Elisa zal wel zien dat ze ons nodig heeft.”

    Elisa hield Martijn beschermend tegen haar borst. Ze haalde even goed adem in een poging om haar kalmte te bewaren. En toen zei ze, heel duidelijk en met klare stem: “Ik heb jullie niet nodig. Martijn heeft jullie niet nodig. Ik ben het beu dat jullie me behandelen als een kind. Ik ben jullie kind niet. Martijn is jullie kind niet.” Ze beefde en druppels van inspanning liepen over haar voorhoofd. Henri kwam dichter bij zijn vrouw staan, hoewel hij niets durfde te zeggen.

    “Wel heb je ooit!”, sprak Maria verontwaardigd voor zich uit. “Na al wat we voor je hebben gedaan. Je bent gewoon ondankbaar. We hebben je in huis genomen! Een wees, met God weet welke achtergrond!” Ze richtte zich tot haar broer: “Henri, zeg ook eens wat. Laat je je vrouw ons zomaar buiten spel zetten? Ze beseft niet eens dat ze te zwak is om moeder te zijn. Het is zelf nog een kind!”

    Henri hapte als een vis op het droge. Elisa keek de zussen strak aan. “Martijn is het kind van mij en Henri en hij heeft enkel ons nodig”, zei ze. “Als Martijn het ziekenhuis mag verlaten gaan we terug bij mijn pleegvader inwonen.”

    Elfride’s ogen vielen bijna uit hun kassen. Maria stampte als een peuter dat zijn geliefde speelgoed wordt ontzegd. “Maar Henri!”, riep ze schril uit. Een verontwaardigde smeekbede.

    Henri zag de vastberaden blik van zijn echtgenote. Voor het eerst en het laatst in zijn leven verweerde hij zich tegen de tirannie van zijn zussen. “We komen niet meer terug”, was het enige wat hij zei, voor de tweeling met stampende voeten en het nodige gevoel voor tragedie de kamer uit stormde.


     

    07-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    03-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1. Vandaag - François

    Vandaag is de dag gekomen dat ik afscheid neem van dit leven. Ik heb de gezegende leeftijd bereikt van zes en negentig jaar en het is goed geweest. Ik kan je onmogelijk zeggen wat er zo bijzonder is aan vandaag. Mijn verjaardag heb ik enkele maanden geleden al gevierd, het is geen officiële feestdag en ik heb niets in de krant terug gevonden wat deze dag specialer maakt dan gisteren of de dag daar voor. Een gewone donderdag is het, met temperaturen die normaal zijn voor de lente en een hoeveelheid neerslag die je wel kan verwachten in april.

    Ik ben niet bijzonder. Ik heb niets bijgedragen aan de wereld of aan de mensheid. Ik heb de tweede wereldoorlog als kind meegemaakt van op de veilige afstand die mijn welgestelde vader zijn familie kon bieden. Ik heb gereisd en ik heb goed geleefd. Mijn verhaal is uiteindelijk slechts uitzonderlijk door de mensen die ik heb mogen kennen.

    Terwijl ik dit schrijf komt mijn verpleegster, Mia, mijn werkkamer binnen. Ze heeft mijn rolstoel tot bij het grote raam geduwd, zodat ik kan schrijven zonder mijn ogen te vermoeien. Een beetje verder, op mijn bureau, ligt een nagelnieuwe tablet. Ik gebruik het ding alleen om te communiceren. Mijn gedachten krijg ik enkel geordend met een vulpen op een blad papier, hoewel het na mijn beroerte een eeuwigheid heeft geduurd voor ik terug leesbaar kon schrijven zonder mijn papieren met inkt te besmeuren.

    Mia vraagt of ik nu al koffie wil of liever wacht tot de rest er is. Ik twijfel. Dat heb ik wel vaker de laatste dagen: nu mijn tijd op raakt weet ik niet meer goed hoe ik ze moet invullen. Ik besluit nu al een kop te drinken en straks nog één. Mia zegt dat ik dan niet goed zal slapen, maar ik sla haar raad in de wind. Ik weet dat ik zal slapen.

    Ik mijmer, zoals ik zo vaak heb gedaan de laatste jaren. Ik vraag me weer af of ik iets anders had moeten doen. Of ik niets vergeten ben? Of er niets is dat ik nog had willen doen, maar waar ik, door tijdgebrek of door mijn gebrekkige fysieke toestand, niet toe ben gekomen? Ik zoek en speur mijn herinneringen en gedachten af, maar ik vind niets.  

    Van zodra ik het wist heeft vandaag in mijn achterhoofd gezeten. In het begin was het slechts een verre gedachte, maar naarmate de jaren verstreken en de datum dichterbij kwam, verscheen ze steeds vaker in mijn bewustzijn. Doorheen dat weten heeft altijd een vraag vervlochten gezeten, een vraag die me bij momenten angst aan joeg en bezig hield. Een vraag waar op ik nu pas, wanneer het einde lonkt, het antwoord ken: als je weet hoe een verhaal zal eindigen, wil je dan nog het midden kennen? 

    03-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton




    Archief per week
  • 14/05-20/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Startpagina !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!