Inhoud blog
  • Dat was het dan
  • 15. Martine
  • 14. Juni 2007
  • 13. François vertelt - deel 3
  • 13. François vertelt - deel 2
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Foto
    Foto
    Even niet meer mee?
    De meest recente tekst staat altijd bovenaan. Dus als je omlaag scrolt vind je de voorgaande hoofdstukken. Een hoofdstuk dat is opgedeeld is ook zo genummerd, je vindt dit bovenaan bij de titel.
    Je kan ook gericht zoeken op titel (links boven) of in het archief per week (rechts boven).


    Céline blogt een boek
    Martijn. Een kroniek.
    07-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.2. 1980

    Op de materniteit van het Sint Franciscus Ziekenhuis zette Elisa haar zestiende uur arbeid in. Ze was moe en bezweet en de weeën volgden elkaar nu wel heel snel op. Henri vond het moeilijk om zijn lieve vrouw te herkennen in dat hijgende, logge schepsel dat daar op het ziekenhuisbed lag af te zien. Bij elke wee kermde ze van de pijn. Telkens opnieuw kneep ze zijn ondertussen gevoelloze hand tot moes. Haar blonde krullen kleefden tegen haar klamme voorhoofd. Het witte, vormeloze ziekenhuishemd was doorweekt van het zweet. Henri wilde het liefst van al wegrennen, de kamer en het ziekenhuis uit. Maar zijn trots en de liefde voor deze vrouw hielden hem tegen. Na een korte, krachtige klop vloog de deur open en stapte een verpleegster de kamer binnen. Ze was groot en grof gebouwd, met een strenge peper – en zoutkleurige haarwrong en ruwe handen. Als Henri nu een vluchtpoging zou ondernemen zou ze hem zeker getackeld hebben nog voor hij de deur kon bereiken. ‘Marion’ was de naam die ze samen met haar titel en duidelijke trots op haar linkerborst droeg. “Marion – matrone”, dacht Henri. De zelfbedachte woordspeling deed hem even glimlachen. De vroedvrouw keek hem streng en beschuldigend aan en dwong zijn mondhoeken terug omlaag. Henri sloeg zijn ogen met enige schaamte omlaag.  In een flashback zag hij de blikken van zijn moeder en zijn twee oudere zussen toen hij hen vertelde dat zijn lieve Elisa in blijde verwachting was. Ze was net achttien. Ze hadden hem aangekeken alsof hij net had verklapt dat hij in het geheim in de wijnkelk van de lokale kerk had geürineerd. Alsof Elisa een relikwie was dat door Henri en zijn lusten was ontheiligd. De vreugde die Henri had gevoeld had direct plaats gemaakt voor schaamte, vooral toen zijn zusters zich als moederkloeken op Elisa hadden gestort om haar bij te staan nu Henri haar in dergelijke gezondheid- ondermijnende toestand had gebracht. De vrouwen in zijn leven slaagden er altijd met het grootste gemak in om gevoelens van schuld en nood aan boetedoening op te roepen.

    De vroedvrouw manoeuvreerde zich tussen het bed en de stoel waarop Henri zat in, waardoor hij in de gordijnen werd gedrukt. Ze droeg een spierwit verpleegstersuniform en witte klompen. Haar hielen vertoonden een vereelte rand die gelig en gekloofd was. Zo ijzig als ze Henri had aangekeken, zo warm en vriendelijk richtte ze zich nu naar Elisa. “Gaat het nog mevrouwtje?” vroeg ze poeslief.

    Zonder het antwoord af te wachten sloeg ze de spierwitte lakens die gekreukt om Elisa’s slanke benen lagen gedrapeerd omlaag. Elisa knikte in een halve bevestiging en moest alweer een wee weg puffen.

    “Blijven ademen, mevrouwtje”, zei de matrone, “het is zo weer over.”

    Henri vroeg zich af hoeveel geboortes ze al had meegemaakt, hoe vaak ze die zin al had gezegd. Ze nam een paar latex handschoenen uit een doos die op het kastje naast Elisa’s bed stond en zei toen, tegen niemand in het bijzonder: “ we gaan eens kijken hoe ver we al zijn. Laat je benen maar open vallen, ontspannen…”

    Henri was even blij dat de brede rug van de vrouw het zicht blokkeerde. Hij vond het vreselijk dat vreemde handen zijn meisje zo intiem betastten, alsof ze de schade opnamen die hij daar had aangericht. Henri hoorde hoe Elisa haar adem inhield en bleef als bevroren in zijn stoel zitten. Allebei voelden ze zich ongemakkelijk. Allebei hoopten ze dat het snel voorbij zou zijn. De vroedvrouw Marion richtte zich op van haar karwei en zei toen heel zelfgenoegzaam: “we zijn er bijna!”

    “Alsof zij, en niet mijn Elisa, al het werk heeft gedaan…” dacht Henri bij zichzelf. Zoals altijd slikte hij zijn woorden in en schonk haar een beleefd lachje. Hij slikte de droge lucht in zijn keel weg en wriemelde zenuwachtig aan de blauwe stof van zijn vloeren broek.

    “De ontsluiting is bijna volledig”, zei het uniform tevreden, “nog eventjes en we kunnen de dokter roepen en naar de verloskamer verhuizen.”

    Met een geroutineerde beweging en de bijhorende ‘pets’ trok ze de latex handschoenen uit. In een vlotte beweging mikte ze de dingen in de vuilnismand. In gedachten zag Henri haar op een basketbalveld hetzelfde doen. Zonder nog iets te zeggen wrong ze zich van tussen Henri en Elisa in. Met stevige tred verliet ze de kamer. De kleine bleke hand van Elisa die de zijne weer omklemde haalde Henri uit zijn dagdroom.

    “Henri…”, fluisterde ze. “Henri, ik ben bang.”

    Er kwam weer een wee en het mooie ronde gezichtje waar hij zo verliefd op was geworden vertrok in een grimas. Henri schoot recht uit zijn stoel. Hij kon haar niet geruststellen. Hij kon haar niet geven wat ze nodig had. Hij was zelf overmand door de meest overweldigende castrerende angst die hij ooit had gevoeld. Zijn oerinstinct om te vluchten trok als een koppig kind aan de slip van zijn hemd, dat na de vele uren van spanning en bezorgdheid uit zijn broek was gaan hangen. “Moet Maria komen?”, vroeg hij haar. Hij dwong zijn trillende benen om niet doormidden te plooien bij de knieën en met zijn rechter hand streelde hij de vochtige krullen uit haar gezicht. “Of Elfride? Moet ik Elfride roepen? Ze zitten op de gang, ik weet zeker dat…” Henri maakte aanstalten om zich om te draaien en alles aan de hulptroepen over te laten, maar Elisa verstevigde haar greep om zijn hand.

    “Ik wil je zussen hier niet”, fluisterde ze tussen haar tanden en twee weeën door. “Ik heb jou nodig.”

    Hij zag de smekende blik in haar grote ogen en gaf zich gewonnen.

     

    Het waren die grote ogen die hem op acht juni 1978 het eerst waren opgevallen. Ze hadden hem verbaasd en verwachtingsvol aangekeken. Op de achtergrond had de verslaggeving geklonken van het wereldkampioenschap voetbal dat op dat moment plaats vond in Argentinië. Er werd uitgebreid gepalaverd over de 6-0 nederlaag van Mexico tegen West-Duitsland, maar Henri had er nauwelijks aandacht voor. Hij had Elisa beschaamd moeten verzoeken om te herhalen wat ze hem net had gevraagd. Zes eieren en een kilo bloem was het geweest, want Henri hield de buurtwinkel van zijn vader open sinds die zes jaar eerder onverwachts was overleden. Henri zat toen op de universiteit. Hij was negentien jaar en studeerde literatuur. Op een avond was de kotbazin zijn kamer binnengekomen om hem bij de telefoon te laten komen. Hij had Maria aan de lijn gehad, de oudste van zijn zussen. Ze had hem heel kort meegedeeld dat vader in zijn winkel was ingestort.

    “Een hartaderbreuk”, zei ze kort en droog. “Een snelle dood.”

    “Een mooie uitweg”, dacht Henri bij zichzelf.

    “Je moet naar huis komen, Henri”, vervolgde zijn zuster, terwijl hij in stilte voor zich uitstaarde en de kotbazin haar hand op zijn schouder hield. “Moeder heeft je nodig.” “Maar… maar mijn studies dan?”, probeerde Henri nog voorzichtig tegen te brengen. Hij hoorde Maria geërgerd zuchten.  Zelfs door de telefoon kon hij haar priemende blik voelen.

    “Je hebt nu genoeg gespeeld, Henri. Vader is dood en iemand moet de winkel over nemen. Ik zie je morgen.”

    “En Dirk? Kan hij niet…” Dirk was de zoon van Maria.

    “Dirk werkt op het notariaat, Henri. We hebben allemaal ons werk te doen.”

    Voor hij nog iets kon zeggen hoorde hij hoe ze de hoorn inlegde. Henri bleef verdoofd voor zich uitkijken. De kotmadam keek hem met grote medelijdende ogen aan. Nog voor ze iets kon zeggen barstte hij in een ongecontroleerd snikken uit.

    “Ocharme, jongen toch”, mompelde de oude vrouw terwijl ze hem zachtjes op zijn schouder klopte.

    Ze dacht dat hij treurde om zijn pas gestorven vader. Gedeeltelijk was dat ook zo. Maar hij weende vooral om zijn toekomst die vanaf nu helemaal uitgestippeld zou zijn, zonder ruimte voor keuze of vrijheid.

    De hele nacht lag Henri wakker, te piekeren en te woelen. Enkele keren overwoog hij serieus om niet naar huis te keren, zelfs niet voor de begrafenis. Maar hij wist dat hij, zonder de sponsoring van zijn vader, zijn studies niet meer zou kunnen betalen. Zijn moeder zou het niet toelaten. De volgende morgen vertrok hij naar huis per trein, waarbij hij alles meenam wat hij in één keer kon dragen. Hij nam afscheid van zijn huisbazin en liet de meeste van zijn boeken achter, wetende dat hij de confrontatie met zijn stukgelopen droom in de toekomst niet meer zou kunnen verdragen.

    Op het perron stond niemand te wachten. Henri riep een taxi, als een laatste decadente uitspatting voor hij in gevangenschap ging, en reed naar zijn ouderlijk huis. Het was een zwarte Mercedes W123 met een beige lederen interieur. De chauffeur rookte de ene sigaret na de andere en neuriede mee met de radio. Henri liet de wagen om de hoek stoppen. Gaf een gulle fooi. De laatste zestig meter deed hij te voet.

     

    De woning bevond zich aan de achterkant van de winkel. De ingang was volledig afgescheiden van de zaak. ‘Verheye’s groenten en fruit’, heette de zaak. Het was het enige grootwarenhuis dat het dorp rijk was.  Henri’s vader verkocht er zowat alles: groenten en fruit, maar ook zuivel, vlees en toiletartikelen. Hij was voortdurend op zoek naar manieren om de zaak te moderniseren. Hij had een voor de tijd moderne elektronische kassa en speelde muziek op een cassette -recorder. Henri had als kind snel doorgehad dat de winkel één van de laatste pogingen van zijn vader was geweest om enige vorm van eigen ruimte voor zichzelf te creëren.

    Vandaag was de winkel gesloten. ‘Wegens overlijden’, stond er op een stuk karton dat met twee stukjes plakband tegen de glazen inkomdeur was gekleefd. Henri liep er voorbij. Hij raapte zijn moed samen en duwde de zware eikenhouten voordeur van het woonhuis open. In de hal liet hij zijn koffers staan. Aan de linker kant, was een kantoorruimte. Recht daar tegenover was een grote zitkamer, met een dubbele deur die nu open stond. De meubels waren oud, maar degelijk. Het hele huis had over een periode van verschillende decennia een bruinige tint gekregen en de muren hingen vol met goedkope schilderijen. In de zitkamer zat zijn moeder. Ze had zich in een robuuste eiken eenpersoonszetel geplaatst. Ooit was deze salon heel duur geweest, maar nu oogde hij enkel nog donker en versleten.

    Moeder zat rechtop, met haar voeten bij de enkels over elkaar geslagen. Op haar geplooide, knokige knieën, rustten haar handen met haar spinnenpoot-achtige vingers in elkaar vestrengeld. Ze was voor de gelegenheid helemaal in het zwart gekleed en droeg haar grijze haren in een knot achterop haar smalle hoofd. Haar strenge mond vertoonde de typische verticale rimpels die je krijgt door stiekem te roken en een leven lang zuur te kijken. Haar onderlip trilde bij momenten terwijl ze theatraal zuchtte. Ze hield een witte zakdoek vast, die ze geregeld ostentatief en met het nodige gevoel voor drama naar haar ooghoeken bracht. Ze snikte droge tranen weg.

    Ooit was ze een heel mooie dame geweest. Blond en rijzig. Vader had haar de vrijheid en de weelde moeten brengen die ze naar ze zelf vond verdiende en die paste bij een vrouw van haar stand. Ze had nooit van hem gehouden. Hij zelf had al gauw door dat haar grote grijze ogen niet mysterieus of diep waren, maar een weerspiegeling waren van haar koude en bittere hart. Maar het waren andere tijden toen en de enige vlucht die vader had gehad was zijn winkel. Hij begon er mee net na de oorlog, toen de tweeling een jaar of elf was.

    Toen Henri jaren later onverwacht zijn aanwezigheid kenbaar maakte was moeder al zesenveertig.  De zussen waren op dat moment al twintigers. Elfride was nooit getrouwd en had de zorg voor moeder steeds gecombineerd met een baan als kleuterleidster in de plaatselijke basisschool. Maria was na een kort huwelijk met een boer weduwe geworden. Haar echtgenoot was bij een bizar ongeval met een pikdorser om het leven gekomen. Hij liet haar achter met een zoon en een erfenis waar ze comfortabel mee verder kon. Ze verkocht de boerderij en trok terug in bij haar moeder. Henri was acht jaar jonger dan het kind waar hij in theorie de oom van was. Ze zagen elkaar enkel tijdens de vakanties en hadden geen band. Maria stuurde Dirk van zodra ze kon op internaat en drong er bij haar moeder op aan om met Henri hetzelfde te doen. Zijn vader weigerde.

    Toen Henri kind was had hij vele uren met zijn vader in de winkel doorgebracht. Hij was een slim kereltje en vader liet hem achter de toonbank alle boeken lezen die hij kon vinden. Samen maakten ze plannen. Henri zou studeren en de wereld zien. Vader besefte dat hij Henri weg moest krijgen uit het dorp en vanuit de verstikkende grip van moeder en de zussen. Hij spaarde en spaarde en stuurde Henri van zodra hij oud genoeg was weg naar de stad om te studeren.

     

    De tweeling Maria en Elfride zat bij Henri’s thuiskomst identiek te wezen in de lange driepersoonssofa. Dirk, ondertussen 27, werkte bij de plaatselijke notaris. Na zijn studies rechten en notariaat was hij daar door inmenging van zijn grootvader kunnen beginnen. Hij had werk gemaakt van de notarisdochter en hoopte met tijd op een benoeming. Hij meed zijn moeder als de pest.

    Ook de tweeling was druk bezig met treuren. Hoewel ze fysiek meer op hun vader leken, grof gebouwd met brede schouders en met eerder donker haar, hadden ze de persoonlijkheid van hun moeder meegekregen. Ook zij droegen zwarte rouwkledij en een strenge knot. Henri vroeg zich af hoe lang ze hier al zaten. Even verdacht hij hen ervan dat ze zich vlug in deze opstelling hadden geïnstalleerd toen ze hem de hoek zagen omkomen. 

    “Och, mijn zoon!” riep moeder huilerig uit toen ze hem zag. Ze stak haar magere armen met een grote dosis gevoel voor drama voor zich uit. “Eindelijk ben je er! Vader heeft ons in de steek gelaten! Wat moeten wij nu beginnen?”

    Henri voelde een steek door zijn hart gaan, maar stapte toch vooruit. Hij liet zich door zijn moeder omhelzen. Zijn armen hingen slap langs zijn lijf.  Ze huilde nu luid en met haperende snikken terwijl ze van alles uitkraamde wat Henri zelfs als hij heel hard zou proberen toch niet kon begrijpen.

    Die nacht, in zijn eigen oude jeugdkamer, jankte Henri dikke tranen. Tranen om zijn vader, tranen om zijn studies, tranen van wanhoop en tranen van eenzaamheid.

    Twee dagen later was de begrafenis. Er waren veel mensen, vader had immers veel volk gekend. Met de kist zag Henri ook zijn eigen toekomst en de plannen die hij met vader had gemaakt  in de grond verdwijnen.  Hij nam de winkel over en bracht vanaf dan bijna al zijn tijd daar door.  Hij woonde weer in zijn oude kamer en zijn leven werd, net als voor de universiteit, volledig ingevuld door de verlangens van zijn moeder en zusters. Hij moest de winkel in eer houden en voor het gezinsinkomen zorgen , net zoals vader dat altijd had gedaan. Zijn moeder controleerde alles, zoals ze ook bij vader had gedaan. Elke rekening, elke leverancier, elke factuur, werd door haar nagekeken en becommentarieerd, hoewel Henri meer dan verstandig en capabel genoeg was om dit alleen te doen. Bij elke bespreking stond ze erop om aanwezig te zijn, meestal nog begeleid door de zussen.

    Maar haar echte carrière, had moeder gemaakt in het ziekelijk zijn. Elk lichaamsdeel was pijnlijk, elk orgaan was ziek, elk bot was ontstoken. Het meest bizarre aan moeders ziekte, was dat het zich nooit ergens leek vast te zetten. Neen, het versprong en dit gebeurde meestal wanneer er weer een arts had moeten verklaren dat er eigenlijk niets te vinden was. Gelukkig waren er de zussen die hun leven hadden opgeofferd om voor moeder te zorgen terwijl vader voor een inkomen zorgde. De tweeling vulde hun dagen dus met de ziekenzorg van moeder, gebed en geroddel. Soms alle drie door elkaar. Maar zo kwam het dus dat Henri dag na dag in een duffe buurtwinkel doorbracht. Elke poging tot enthousiasme of verandering werd door de vrouwen de kop ingedrukt. De modernisering die zijn vader was begonnen kwam tot een halt en terwijl er in de buurt nieuwere zaken bijkwamen, bleef ‘Verheye’s groenten en fruit’ vastzitten in de tijd. Elke dag opnieuw moest Henri producten verkopen waarvan hij vaak nauwelijks wist waarvoor ze dienden. Telkens weer moest hij praten met mensen die hem nooit konden boeien of meepraten over onderwerpen die hem nooit iets zouden kunnen schelen.

    Na het werk ruimde hij de winkel op, een karwei die hij zo lang mogelijk liet duren. Hij telde de kassa en noteerde alles, hoewel hij wist dat moeder alles nog eens zou natrekken en dubbel tellen. Hij sloot de winkel af en heel soms, als hij in een avontuurlijke bui was, deed hij eventjes het blokje om alvorens hij het woonhuis binnen ging. Elke avond zaten de vrouwen om de eettafel op hem te wachten, en telkens weer werd hij berispt omdat het eten koud ging zijn. Hij had, na de dood van vader, plaats moeten nemen aan het hoofd van de tafel. Maar deze positie, die de rol van gezinshoofd moest symboliseren, gaf hem meer het gevoel op het offerblok te liggen. Hij dacht met afgunst aan zijn neef, die er wonderlijk in was geslaagd om aan dit gedoe te ontsnappen.

    Moeder Verheye weigerde gewoonlijk te eten, hoewel ze er maar niet in leek te slagen om te verhongeren, terwijl zijn zusters op hem afgaven hoe zwaar moeder -en bijgevolg zij- het wel niet hadden. Wat had hij een geluk, dat hij daar kon wegvluchten in de winkel terwijl zij hier met de zorg voor een hulpbehoevende zaten. Henri doorstond het avondmaal door in gedachten weg te vliegen naar de verhalen die hij tijdens zijn studies had kunnen lezen. En van zodra hij de kans schoon zag, vluchtte hij naar zijn eigen, kleine kamer.

     

    Henri was duidelijk ongelukkig en verwachtte opnieuw een doodse, vreselijke, doordeweekse dag toen Elisa, ongeveer zes jaar na de dood van vader, haar bloem en eieren vroeg. Eigenlijk had ze die gewoon uit de rekken kunnen nemen, maar ze had de wanhoop op het gezicht van Henri herkend en had besloten dat ze hem zou redden. Dus terwijl hij met een duidelijk gepijnigde blik probeerde om een palet soepblikken van Liebig in een piramide te stapelen, stapte het meisje in haar wit met blauwe gebloemde zomerjurk en bijpassende blauwe ballerina’s op hem af. Ze had een vrolijke, bijna muzikale wandelgang, waarbij haar halflange blonde krullen ritmisch mee bewogen. Haar bruine armen zwierden langs haar slanke lijf en in haar rechterhand droeg ze een ronde, rieten boodschappenmand. Niet omdat ze die mooier of handiger vond dan een plastic tas, maar omdat ze vond dat die beter bij de zomer paste. Ze was net zeventien geworden.

    Henri zweette als een hond en probeerde de soepblikken netjes te stapelen. Fronsend vroeg hij zich af of hij daarvoor ter wereld was gekomen met een boven gemiddeld intelligentiequotiënt. En toen zag hij boven de verpakkingen tomaat- pompoen – met- balletjes de grootste, blauwste ogen verschijnen die hij ooit had gezien. “Euhm, excuseer?”, stamelde hij. Hij probeerde om zijn evenwicht te bewaren en niet clichématig in de stapel blikken te donderen.

    “Waar zou ik de bloem kunnen vinden, meneer?”, vroeg Elisa nogmaals. Met haar linkerhand stopte ze terloops een verdwaalde haarlok achter haar oor. “En ik zou ook nog zes eieren moeten hebben, meneer”, voegde ze er snel aan toe.

    Henri veegde zijn zweterige handen af aan zijn bordeaux met groene winkelschort en rechtte zijn schouders. “Ja zeker, juffrouw”, antwoordde hij vlug, “als u hier even wacht, breng ik u zo wat u nodig hebt.” Hij deed enkele stappen achteruit, viel bijna over zijn eigen voeten en beende toen weg. Hij stapte naar het rek met de bloem. toen hij wist dat ze hem niet meer kon zien bleef hij ter plaatse staan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij wist niet wat er met hem aan de hand was. Even dacht hij dat hij, net als zijn vader, ter plekke dood neer zou stuiken. Hij had vaak gehoopt dat dat zou gebeuren, maar op een moment als deze zou een plots overleden op z’n minst ongelegen komen. Hij keek naar het pak bloem in zijn handen en toen naar zijn reflectie in de glazen deur van het koelvak. Hij zag er bezweet en moe uit. Zijn donkerbruine haren waren keurig kort geknipt en hij was, zoals zijn moeder eiste, gladgeschoren. Zijn ogen waren van een onbestemde, eerder donkere kleur en op zijn voorhoofd werden de eerste diepe groeven zichtbaar. Henri schrok toen hij zijn spiegelbeeld zo zag. Hij was verouderd en zag er helemaal niet de vijfentwintig uit die hij eigenlijk was. Hij dacht aan het meisje en ging met zijn ene hand door zijn haar. Hij trok zijn schort recht. Dat was beter.

    Toen stapte hij met geveinsde zelfverzekerdheid terug naar de voorkant van de winkel. Elisa stond keurig te wachten. Ze keek naar de toppen van haar schoenen en wiegde van haar hielen naar haar tenen terwijl ze in gedachten iets leek te tellen. Ze keek op. Glimlachte toen ze hem zag naderen. Toen hij voorbij de zuivel stapte greep hij in één vlotte beweging een doosje met zes eieren en zette die bovenop de bloem. Hij plaatste alles op de toonbank en liep er toen helemaal omheen om af te rekenen. Hij dacht aan al die keren dat hij geforceerde gesprekjes had met klanten. Wildvreemden die hij toch wilde plezieren opdat ze zouden terug keren. Maar nu, op het moment dat hij nog nooit zo wanhopig had verlangd dat iemand zou terugkeren, nu vond hij niets om te zeggen. Hij staarde naar de kassa en tikte verdwaasd de aankopen in. Elisa zag hoe hard Henri aan het afzien was en barstte in lachen uit. Dit bracht Henri natuurlijk helemaal van zijn stuk. Hij werd knalrood. Elisa dwong zichzelf tot enige ernst en legde toen haar lange, gelakte wijsvinger op zijn trillende handen.

    Ze aaide verleidelijk over de harige handrug en zei toen heel beheerst: “als u dat leuk zou vinden, bak ik volgende week weer wafels.”

    Henri wist dat zijn moeder en zusters geschokt zouden zijn bij dergelijke vrijpostigheid en was heel even geneigd om te weigeren. Maar toen hij haar open blik zag van onder haar lange blonde wimpers, kon hij niet anders dan knikken.

    Ze lachte opnieuw en zei dan, heel spontaan: “Tot volgende week dan!” Ze stapte met haar unieke gang en de bloem en eieren in haar mandje de winkel uit.

    Toen moeder die avond de rekeningen controleerde en enkele euro’s miste besefte Henri dat het meisje niet betaald had. Hij liet de verwijten met een glimlach over zich heen gaan en ging voor het eerst in heel lange tijd naar bed met een vaag gevoel van positieve verwachting.

     

    Exact een week nadien stapte Elisa opnieuw net na de middag de winkel binnen. Dit keer droeg ze een lichtblauwe jurk die haar ogen accentueerde en witte ballerina’s. De rieten mand zwierde opnieuw langs haar zijde. Henri had al de hele dag reikhalzend naar haar uitgekeken. Hij had de bloem en eieren uren voorheen klaar gezet. Hij had speciaal voor haar een mooi hemd en een vers geperste broek aangetrokken. Toen hij haar de deur door zag komen hing hij vlug zijn winkelschort aan de haak achter de kassa. Hij trok zijn kledij recht en stapte op haar af. Hij voelde zich moediger dan de vorige keer, was gevoed door het beetje hoop dat ze hem had gegeven. 

    Hij was blij dat er niemand anders in de winkel was, anders zou hij vast niet gedurfd hebben wat hij vervolgens deed. “Juffrouw”, zei hij op plechtige toon, “u bent de vorige keer vergeten om uw aankopen te betalen. Maar ik ben bereid om die misstap door de vingers te zien indien u mij zou kunnen zeggen wat uw naam is.”

    Elisa, meer geschrokken door de toon waarop hij haar aansprak dan door de inhoud, sloeg haar hand voor haar mond. Ze begon te schaterlachen. Henri wist niet of hij moest mee lachen of blozen. Hij deed het dus maar allebei een beetje. En toen ze beide hun adem en spraakvermogen enigszins terug hadden, stelden ze zich aan elkaar voor.  Elisa zou die middag niet meer aan wafels bakken toekomen, want ze bleef voor de rest van de namiddag bij hem. Hij bediende de klanten en deed wat hij anders deed, en zij zat op een barkruk bij de toonbank en babbelde en luisterde. Eens Henri voorbij de schoonheid van haar ogen kon kijken, werd hij gefascineerd door haar levenslust, openheid en blijheid. Hij trok zich niets aan van de nieuwsgierige blikken die de klanten hen toe wierpen. Hij lag er ook helemaal niet van wakker welke roddels er die dag ontstonden en het dorp in gingen. De middag vloog voorbij en toen het tijd was om de winkel af te sluiten besloot Henri om niet rechtstreeks naar huis te gaan maar om Elisa te vergezellen in haar wandeling naar huis. Ze huppelde vrolijk naast hem met de nu overbodige boodschappen in de mand en vertelde honderduit. Af en toe stelde ze hem een vraag en dan wachtte ze aandachtig luisterend tot hij had geantwoord. Henri observeerde haar jeugdigheid en absorbeerde haar energie. Hij volgde haar tot aan het grote herenhuis waar ze samen met haar geliefde pleegvader woonde en liep keurig met haar mee tot aan de voordeur. Als een afgedraaide bobijn viel ze stil.

    “Ik wil je bedanken voor een fantastische dag”, zei Henri terwijl hij met een bang gevoel de diepe afgrond van haar blik ving.

    Ze draaide haar sleutel om in het sleutelgat en duwde de grote zwarte houten deur open. Toen gaf ze hem een vlugge zoen op zijn wang. Terwijl hij haar van zijn sokken geblazen aankeek en voor ze snel naar binnen liep zei ze nog: “dat is omdat ik weer niet betaald heb.”

    Bij het thuiskomen zaten moeder en de zussen al op hem te wachten. Hij verwachtte en kreeg een preek, maar het kon hem voor één keer helemaal niets schelen.

     

    Vanaf dan waren alle dagen een stuk dragelijker, zeker als Elisa langs kwam. Ze moest nog enkele weken school lopen voor ze zou afstuderen. Kantoor-talen volgde ze. Ze was goed in talen. Ze sprak vloeiend Frans, met een accent dat ze uit haar geboorteland Italië had meegenomen. Maar ze had ook een hekel aan de lessen en weigerde om verder te studeren. Henri was nog steeds zijn stille zelf, maar bij Elisa had hij het gevoel dat dit goed was. Elisa praatte genoeg voor hen beiden, maar als ze hem iets vroeg, dan luisterde ze ook echt naar zijn antwoord. Bij Elisa had Henri het gevoel dat wat hij dacht en zei van belang was.

    Al gauw werd hun liaison publiek en was Henri verplicht om haar aan zijn familie voor te stellen. Moeder en de zussen waren meteen gek op Elisa. Ze kenden de goede naam en het fortuin van haar pleegvader (wat vooral voor moeder een pluspunt was) en gaven zichzelf de missie om Elisa de moeder te geven die ze volgens hen nooit had gekend. Wisten zij veel. Ze mispakten zich aan haar frêle uiterlijk en zagen in haar een zwak schepsel dat moest beschermd worden. Als ze in huis was werd ze behandeld als een prinses. Henri ergerde zich eraan dat ze haar opeisten. Hij voelde zich jaloers als ze haar met zich mee sleurden om ‘meisjesdingen’ te bespreken. Op een keer kwam hij de zitkamer binnen en was Maria bezig met het uitkammen van Elisa’s krullen terwijl Elfride haar koekjes en thee voederde. Henri was geschokt, maar zei niets.

    Maria zou weldra grootmoeder worden, maar werd door haar eigen zoon radicaal uit zijn leven geweerd. Ze richtte haar pijlen dan maar op Elisa. Nog voor Henri de moed had gevonden om Elisa’s hand te vragen stond al vast dat ze bij hen in huis zouden wonen. Immers, zo stelde Maria vaak, Henri zou met zijn werk in de winkel nauwelijks tijd hebben om voor zijn Elisa te zorgen én het was wel duidelijk dat het kwetsbare meisje niet in staat zou zijn om een huishouden te leiden.  

     

    Op de dag van haar achttiende verjaardag huwden Henri en Elisa. Hij droeg een donkergrijs kostuum, zij een witte zijden jurk tot net onder de knie. Ze hield een klein boeketje met lichtroze tulpen vast. Terwijl ze hun geloften zeiden kneep ze hem bemoedigend in de hand. Hij sprak met een krop in zijn keel. De kerk zat afgelaten vol en nadien was er een groot feest waar nog jaren over zou gesproken worden. Moeder zei tegen iedereen die het maar horen wilde hoe jammer het wel niet was dat vader er niet bij was. Het had volgens haar trouwens  niet veel gescheeld of ze was er zelf ook niet bij. Met haar slechte gezondheid en zo. De zussen beleefden de dag alsof het hun bruiloft was. Ze waren allebei tot in de details opgetut en stonden voortdurend klaar om te zien of de bruid niets nodig had. Het scheelde niet veel of ze waren het kersverse bruidspaar gevolgd tot in de slaapkamer.

    En toen was Elisa zwanger en toen de eerste schok van die mededeling was weggeëbd omzwermden Maria en Elfride het meisje met zoveel aandacht dat Henri zich vaak vreemd voelde in zijn eigen huis. Maria overcompenseerde voor wat ze bij haar eigen zoon miste. Elfride wist gewoon niet beter. En Henri werd overal tactisch buiten gehouden. Hij trok zich opnieuw terug in zijn winkel. Hij had niet door dat Elisa zich opgesloten voelde in het oude huis, dat ze de dagen miste waarop ze op de barkruk in de winkel naar hem keek terwijl hij op zijn eigen slungelige manier de klanten bediende. Hij wist niet dat ze een hekel had gekregen aan zijn zussen, die haar behandelden als een invalide en haar nooit een momentje ademruimte gaven. Telkens ze kon vluchtte ze weg naar het huis van haar pleegvader, wat niet vaak gebeurde. In het huis van Henri vond men het immers onnatuurlijk dat een volwassen vrouw zoveel tijd doorbracht bij een man waarmee ze niet eens een bloedband had. Het feit dat hij de enige vader was die ze ooit had gekend was een detail dat ze graag over het hoofd zagen.

    Henri zag niet hoe veel verdriet het Elisa deed als hij tot ’s avonds laat in de winkel bleef om niet naar huis te moeten komen, omdat ze dacht dat hij van haar weg vluchtte. Elke dag opnieuw verbeet ze haar ergernis, omdat ze dacht dat hij het zo wilde. Elke dag onderging ze de strenge blikken van haar schoonmoeder. En als Henri ’s nachts pogingen deed om dichterbij te komen en de liefde met haar te bedrijven, kon ze zijn geremdheid voelen. Ze wist niet dat dit was omwille van de oren die overal in huis waren en dacht dat hij haar niet meer wilde.

     

    En nu stonden ze hier op het punt om hun eerste kindje in hun armen te sluiten en Henri wist niet wat hij moest doen. Hij had alles gemist.  Hij was ervan overtuigd geraakt dat Elisa de voorkeur gaf aan zijn zussen boven hem. Maar ze hield zijn hand zo stevig vast en keek hem zo wanhopig aan dat hij het niet aandurfde om haar tegen te spreken.

    Martijn kwam in stilte en met een frons op de wereld. Henri dankte God dat hij een zoon had en legde hem in de armen van zijn uitgeputte echtgenote. Ze keek naar het schepseltje en herkende zichzelf in zijn fijne trekken en zijn blonde haar. Ze wist niet of hij in alles op haar zou lijken, maar als dat zo was dan zou ze hem zo goed mogelijk voorbereiden op wat komen zou. Dat beloofde ze hem in stilte terwijl ze zijn zoete babygeur opsnoof en hem in slaap wiegde.

    En toen stormde de tweeling de kamer in. Ze hadden wel een dozijn geschenken mee en maakten genoeg lawaai om het hele moederhuis in beweging te brengen. Martijn schrok wakker en begon oorverdovend te huilen.

    “Geef hem maar hier”, zei Elfride meteen. Ze probeerde het kind uit de armen van zijn moeder te trekken. “Ik krijg hem wel stil, dat moet jij niet doen”, verzekerde ze haar jonge schoonzus.

    En toen zag Henri iets in zijn altijd zo zachtmoedige en vrolijke vrouw wat hij nog nooit had gezien. Haar ogen schoten vuur en waren vervuld met afkeer. “Laat hem los, Elfride”,  zei ze op een ijzige toon.

    Elfride schrok, maar bleef het kind vasthouden en richtte zich nu tot Martijn zelf. “Kom maar even hier bij tante Elfride, je moet je moeder niet zo tot last zijn”, mompelde ze in babytaal tegen haar pasgeboren neefje.

    Elisa verstevigde haar grip op Martijn en zei op ferme toon: “Laat hem los Elfride, hij blijft bij mij.”

    Geschokt liet Elfride los. Ze stamelde: “maar je moet nu toch wel vreselijk moe zijn, na een dergelijke lange bevalling.” Haar kleur was hoogrood, haar blik vol ongeloof.

    Maria zag wat er gebeurde en probeerde tussenbeide te komen. “Kom Elfride, je krijgt thuis nog genoeg de kans om voor hem te zorgen. Elisa zal wel zien dat ze ons nodig heeft.”

    Elisa hield Martijn beschermend tegen haar borst. Ze haalde even goed adem in een poging om haar kalmte te bewaren. En toen zei ze, heel duidelijk en met klare stem: “Ik heb jullie niet nodig. Martijn heeft jullie niet nodig. Ik ben het beu dat jullie me behandelen als een kind. Ik ben jullie kind niet. Martijn is jullie kind niet.” Ze beefde en druppels van inspanning liepen over haar voorhoofd. Henri kwam dichter bij zijn vrouw staan, hoewel hij niets durfde te zeggen.

    “Wel heb je ooit!”, sprak Maria verontwaardigd voor zich uit. “Na al wat we voor je hebben gedaan. Je bent gewoon ondankbaar. We hebben je in huis genomen! Een wees, met God weet welke achtergrond!” Ze richtte zich tot haar broer: “Henri, zeg ook eens wat. Laat je je vrouw ons zomaar buiten spel zetten? Ze beseft niet eens dat ze te zwak is om moeder te zijn. Het is zelf nog een kind!”

    Henri hapte als een vis op het droge. Elisa keek de zussen strak aan. “Martijn is het kind van mij en Henri en hij heeft enkel ons nodig”, zei ze. “Als Martijn het ziekenhuis mag verlaten gaan we terug bij mijn pleegvader inwonen.”

    Elfride’s ogen vielen bijna uit hun kassen. Maria stampte als een peuter dat zijn geliefde speelgoed wordt ontzegd. “Maar Henri!”, riep ze schril uit. Een verontwaardigde smeekbede.

    Henri zag de vastberaden blik van zijn echtgenote. Voor het eerst en het laatst in zijn leven verweerde hij zich tegen de tirannie van zijn zussen. “We komen niet meer terug”, was het enige wat hij zei, voor de tweeling met stampende voeten en het nodige gevoel voor tragedie de kamer uit stormde.


     

    07-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton


    03-02-2018
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1. Vandaag - François

    Vandaag is de dag gekomen dat ik afscheid neem van dit leven. Ik heb de gezegende leeftijd bereikt van zes en negentig jaar en het is goed geweest. Ik kan je onmogelijk zeggen wat er zo bijzonder is aan vandaag. Mijn verjaardag heb ik enkele maanden geleden al gevierd, het is geen officiële feestdag en ik heb niets in de krant terug gevonden wat deze dag specialer maakt dan gisteren of de dag daar voor. Een gewone donderdag is het, met temperaturen die normaal zijn voor de lente en een hoeveelheid neerslag die je wel kan verwachten in april.

    Ik ben niet bijzonder. Ik heb niets bijgedragen aan de wereld of aan de mensheid. Ik heb de tweede wereldoorlog als kind meegemaakt van op de veilige afstand die mijn welgestelde vader zijn familie kon bieden. Ik heb gereisd en ik heb goed geleefd. Mijn verhaal is uiteindelijk slechts uitzonderlijk door de mensen die ik heb mogen kennen.

    Terwijl ik dit schrijf komt mijn verpleegster, Mia, mijn werkkamer binnen. Ze heeft mijn rolstoel tot bij het grote raam geduwd, zodat ik kan schrijven zonder mijn ogen te vermoeien. Een beetje verder, op mijn bureau, ligt een nagelnieuwe tablet. Ik gebruik het ding alleen om te communiceren. Mijn gedachten krijg ik enkel geordend met een vulpen op een blad papier, hoewel het na mijn beroerte een eeuwigheid heeft geduurd voor ik terug leesbaar kon schrijven zonder mijn papieren met inkt te besmeuren.

    Mia vraagt of ik nu al koffie wil of liever wacht tot de rest er is. Ik twijfel. Dat heb ik wel vaker de laatste dagen: nu mijn tijd op raakt weet ik niet meer goed hoe ik ze moet invullen. Ik besluit nu al een kop te drinken en straks nog één. Mia zegt dat ik dan niet goed zal slapen, maar ik sla haar raad in de wind. Ik weet dat ik zal slapen.

    Ik mijmer, zoals ik zo vaak heb gedaan de laatste jaren. Ik vraag me weer af of ik iets anders had moeten doen. Of ik niets vergeten ben? Of er niets is dat ik nog had willen doen, maar waar ik, door tijdgebrek of door mijn gebrekkige fysieke toestand, niet toe ben gekomen? Ik zoek en speur mijn herinneringen en gedachten af, maar ik vind niets.  

    Van zodra ik het wist heeft vandaag in mijn achterhoofd gezeten. In het begin was het slechts een verre gedachte, maar naarmate de jaren verstreken en de datum dichterbij kwam, verscheen ze steeds vaker in mijn bewustzijn. Doorheen dat weten heeft altijd een vraag vervlochten gezeten, een vraag die me bij momenten angst aan joeg en bezig hield. Een vraag waar op ik nu pas, wanneer het einde lonkt, het antwoord ken: als je weet hoe een verhaal zal eindigen, wil je dan nog het midden kennen? 

    03-02-2018 om 00:00 geschreven door Céline Berton




    Archief per week
  • 14/05-20/05 2018
  • 30/04-06/05 2018
  • 23/04-29/04 2018
  • 16/04-22/04 2018
  • 09/04-15/04 2018
  • 02/04-08/04 2018
  • 26/03-01/04 2018
  • 19/03-25/03 2018
  • 12/03-18/03 2018
  • 05/03-11/03 2018
  • 26/02-04/03 2018
  • 19/02-25/02 2018
  • 12/02-18/02 2018
  • 05/02-11/02 2018
  • 29/01-04/02 2018

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Blog als favoriet !

    Startpagina !


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!