|
Op de
materniteit van het Sint Franciscus Ziekenhuis zette Elisa haar zestiende uur
arbeid in. Ze was moe en bezweet en de weeën volgden elkaar nu wel heel snel op.
Henri vond het moeilijk om zijn lieve vrouw te herkennen in dat hijgende, logge
schepsel dat daar op het ziekenhuisbed lag af te zien. Bij elke wee kermde ze
van de pijn. Telkens opnieuw kneep ze zijn ondertussen gevoelloze hand tot
moes. Haar blonde krullen kleefden tegen haar klamme voorhoofd. Het witte,
vormeloze ziekenhuishemd was doorweekt van het zweet. Henri wilde het liefst
van al wegrennen, de kamer en het ziekenhuis uit. Maar zijn trots en de liefde
voor deze vrouw hielden hem tegen. Na een korte, krachtige klop vloog de deur
open en stapte een verpleegster de kamer binnen. Ze was groot en grof gebouwd,
met een strenge peper en zoutkleurige haarwrong en ruwe handen. Als Henri nu
een vluchtpoging zou ondernemen zou ze hem zeker getackeld hebben nog voor hij
de deur kon bereiken. Marion was de naam die ze samen met haar titel en duidelijke
trots op haar linkerborst droeg. Marion matrone, dacht Henri. De
zelfbedachte woordspeling deed hem even glimlachen. De vroedvrouw keek hem
streng en beschuldigend aan en dwong zijn mondhoeken terug omlaag. Henri sloeg
zijn ogen met enige schaamte omlaag. In
een flashback zag hij de blikken van zijn moeder en zijn twee oudere zussen
toen hij hen vertelde dat zijn lieve Elisa in blijde verwachting was. Ze was
net achttien. Ze hadden hem aangekeken alsof hij net had verklapt dat hij in
het geheim in de wijnkelk van de lokale kerk had geürineerd. Alsof Elisa een
relikwie was dat door Henri en zijn lusten was ontheiligd. De vreugde die Henri
had gevoeld had direct plaats gemaakt voor schaamte, vooral toen zijn zusters
zich als moederkloeken op Elisa hadden gestort om haar bij te staan nu Henri
haar in dergelijke gezondheid- ondermijnende toestand had gebracht. De vrouwen
in zijn leven slaagden er altijd met het grootste gemak in om gevoelens van
schuld en nood aan boetedoening op te roepen.
De
vroedvrouw manoeuvreerde zich tussen het bed en de stoel waarop Henri zat in,
waardoor hij in de gordijnen werd gedrukt. Ze droeg een spierwit
verpleegstersuniform en witte klompen. Haar hielen vertoonden een vereelte rand
die gelig en gekloofd was. Zo ijzig als ze Henri had aangekeken, zo warm en
vriendelijk richtte ze zich nu naar Elisa. Gaat het nog mevrouwtje? vroeg ze
poeslief.
Zonder
het antwoord af te wachten sloeg ze de spierwitte lakens die gekreukt om
Elisas slanke benen lagen gedrapeerd omlaag. Elisa knikte in een halve
bevestiging en moest alweer een wee weg puffen.
Blijven
ademen, mevrouwtje, zei de matrone, het is zo weer over.
Henri
vroeg zich af hoeveel geboortes ze al had meegemaakt, hoe vaak ze die zin al
had gezegd. Ze nam een paar latex handschoenen uit een doos die op het kastje
naast Elisas bed stond en zei toen, tegen niemand in het bijzonder: we gaan
eens kijken hoe ver we al zijn. Laat je benen maar open vallen, ontspannen
Henri
was even blij dat de brede rug van de vrouw het zicht blokkeerde. Hij vond het
vreselijk dat vreemde handen zijn meisje zo intiem betastten, alsof ze de
schade opnamen die hij daar had aangericht. Henri hoorde hoe Elisa haar adem
inhield en bleef als bevroren in zijn stoel zitten. Allebei voelden ze zich ongemakkelijk.
Allebei hoopten ze dat het snel voorbij zou zijn. De vroedvrouw Marion richtte
zich op van haar karwei en zei toen heel zelfgenoegzaam: we zijn er bijna!
Alsof
zij, en niet mijn Elisa, al het werk heeft gedaan
dacht Henri bij zichzelf.
Zoals altijd slikte hij zijn woorden in en schonk haar een beleefd lachje. Hij
slikte de droge lucht in zijn keel weg en wriemelde zenuwachtig aan de blauwe
stof van zijn vloeren broek.
De
ontsluiting is bijna volledig, zei het uniform tevreden, nog eventjes en we
kunnen de dokter roepen en naar de verloskamer verhuizen.
Met
een geroutineerde beweging en de bijhorende pets trok ze de latex
handschoenen uit. In een vlotte beweging mikte ze de dingen in de vuilnismand.
In gedachten zag Henri haar op een basketbalveld hetzelfde doen. Zonder nog
iets te zeggen wrong ze zich van tussen Henri en Elisa in. Met stevige tred
verliet ze de kamer. De kleine bleke hand van Elisa die de zijne weer omklemde
haalde Henri uit zijn dagdroom.
Henri
,
fluisterde ze. Henri, ik ben bang.
Er
kwam weer een wee en het mooie ronde gezichtje waar hij zo verliefd op was
geworden vertrok in een grimas. Henri schoot recht uit zijn stoel. Hij kon haar
niet geruststellen. Hij kon haar niet geven wat ze nodig had. Hij was zelf
overmand door de meest overweldigende castrerende angst die hij ooit had
gevoeld. Zijn oerinstinct om te vluchten trok als een koppig kind aan de slip
van zijn hemd, dat na de vele uren van spanning en bezorgdheid uit zijn broek
was gaan hangen. Moet Maria komen?, vroeg hij haar. Hij dwong zijn trillende
benen om niet doormidden te plooien bij de knieën en met zijn rechter hand
streelde hij de vochtige krullen uit haar gezicht. Of Elfride? Moet ik Elfride
roepen? Ze zitten op de gang, ik weet zeker dat
Henri maakte aanstalten om
zich om te draaien en alles aan de hulptroepen over te laten, maar Elisa
verstevigde haar greep om zijn hand.
Ik
wil je zussen hier niet, fluisterde ze tussen haar tanden en twee weeën door.
Ik heb jou nodig.
Hij zag
de smekende blik in haar grote ogen en gaf zich gewonnen.
Het
waren die grote ogen die hem op acht juni 1978 het eerst waren opgevallen. Ze
hadden hem verbaasd en verwachtingsvol aangekeken. Op de achtergrond had de
verslaggeving geklonken van het wereldkampioenschap voetbal dat op dat moment
plaats vond in Argentinië. Er werd uitgebreid gepalaverd over de 6-0 nederlaag
van Mexico tegen West-Duitsland, maar Henri had er nauwelijks aandacht voor.
Hij had Elisa beschaamd moeten verzoeken om te herhalen wat ze hem net had
gevraagd. Zes eieren en een kilo bloem was het geweest, want Henri hield de
buurtwinkel van zijn vader open sinds die zes jaar eerder onverwachts was
overleden. Henri zat toen op de universiteit. Hij was negentien jaar en
studeerde literatuur. Op een avond was de kotbazin zijn kamer binnengekomen om
hem bij de telefoon te laten komen. Hij had Maria aan de lijn gehad, de oudste
van zijn zussen. Ze had hem heel kort meegedeeld dat vader in zijn winkel was
ingestort.
Een
hartaderbreuk, zei ze kort en droog. Een snelle dood.
Een
mooie uitweg, dacht Henri bij zichzelf.
Je
moet naar huis komen, Henri, vervolgde zijn zuster, terwijl hij in stilte voor
zich uitstaarde en de kotbazin haar hand op zijn schouder hield. Moeder heeft
je nodig. Maar
maar mijn studies dan?, probeerde Henri nog voorzichtig
tegen te brengen. Hij hoorde Maria geërgerd zuchten. Zelfs door de telefoon kon hij haar priemende
blik voelen.
Je
hebt nu genoeg gespeeld, Henri. Vader is dood en iemand moet de winkel over
nemen. Ik zie je morgen.
En
Dirk? Kan hij niet
Dirk was de zoon van Maria.
Dirk
werkt op het notariaat, Henri. We hebben allemaal ons werk te doen.
Voor
hij nog iets kon zeggen hoorde hij hoe ze de hoorn inlegde. Henri bleef
verdoofd voor zich uitkijken. De kotmadam keek hem met grote medelijdende ogen
aan. Nog voor ze iets kon zeggen barstte hij in een ongecontroleerd snikken
uit.
Ocharme,
jongen toch, mompelde de oude vrouw terwijl ze hem zachtjes op zijn schouder
klopte.
Ze
dacht dat hij treurde om zijn pas gestorven vader. Gedeeltelijk was dat ook zo.
Maar hij weende vooral om zijn toekomst die vanaf nu helemaal uitgestippeld zou
zijn, zonder ruimte voor keuze of vrijheid.
De
hele nacht lag Henri wakker, te piekeren en te woelen. Enkele keren overwoog
hij serieus om niet naar huis te keren, zelfs niet voor de begrafenis. Maar hij
wist dat hij, zonder de sponsoring van zijn vader, zijn studies niet meer zou
kunnen betalen. Zijn moeder zou het niet toelaten. De volgende morgen vertrok
hij naar huis per trein, waarbij hij alles meenam wat hij in één keer kon
dragen. Hij nam afscheid van zijn huisbazin en liet de meeste van zijn boeken
achter, wetende dat hij de confrontatie met zijn stukgelopen droom in de
toekomst niet meer zou kunnen verdragen.
Op het
perron stond niemand te wachten. Henri riep een taxi, als een laatste decadente
uitspatting voor hij in gevangenschap ging, en reed naar zijn ouderlijk huis.
Het was een zwarte Mercedes W123 met een beige lederen interieur. De chauffeur
rookte de ene sigaret na de andere en neuriede mee met de radio. Henri liet de
wagen om de hoek stoppen. Gaf een gulle fooi. De laatste zestig meter deed hij
te voet.
De
woning bevond zich aan de achterkant van de winkel. De ingang was volledig
afgescheiden van de zaak. Verheyes groenten en fruit, heette de zaak. Het
was het enige grootwarenhuis dat het dorp rijk was. Henris vader verkocht er zowat alles: groenten
en fruit, maar ook zuivel, vlees en toiletartikelen. Hij was voortdurend op
zoek naar manieren om de zaak te moderniseren. Hij had een voor de tijd moderne
elektronische kassa en speelde muziek op een cassette -recorder. Henri had als
kind snel doorgehad dat de winkel één van de laatste pogingen van zijn vader
was geweest om enige vorm van eigen ruimte voor zichzelf te creëren.
Vandaag
was de winkel gesloten. Wegens overlijden, stond er op een stuk karton dat
met twee stukjes plakband tegen de glazen inkomdeur was gekleefd. Henri liep er
voorbij. Hij raapte zijn moed samen en duwde de zware eikenhouten voordeur van
het woonhuis open. In de hal liet hij zijn koffers staan. Aan de linker kant,
was een kantoorruimte. Recht daar tegenover was een grote zitkamer, met een
dubbele deur die nu open stond. De meubels waren oud, maar degelijk. Het hele
huis had over een periode van verschillende decennia een bruinige tint gekregen
en de muren hingen vol met goedkope schilderijen. In de zitkamer zat zijn moeder.
Ze had zich in een robuuste eiken eenpersoonszetel geplaatst. Ooit was deze
salon heel duur geweest, maar nu oogde hij enkel nog donker en versleten.
Moeder
zat rechtop, met haar voeten bij de enkels over elkaar geslagen. Op haar
geplooide, knokige knieën, rustten haar handen met haar spinnenpoot-achtige
vingers in elkaar vestrengeld. Ze was voor de gelegenheid helemaal in het zwart
gekleed en droeg haar grijze haren in een knot achterop haar smalle hoofd. Haar
strenge mond vertoonde de typische verticale rimpels die je krijgt door stiekem
te roken en een leven lang zuur te kijken. Haar onderlip trilde bij momenten
terwijl ze theatraal zuchtte. Ze hield een witte zakdoek vast, die ze geregeld
ostentatief en met het nodige gevoel voor drama naar haar ooghoeken bracht. Ze
snikte droge tranen weg.
Ooit
was ze een heel mooie dame geweest. Blond en rijzig. Vader had haar de vrijheid
en de weelde moeten brengen die ze naar ze zelf vond verdiende en die paste bij
een vrouw van haar stand. Ze had nooit van hem gehouden. Hij zelf had al gauw
door dat haar grote grijze ogen niet mysterieus of diep waren, maar een
weerspiegeling waren van haar koude en bittere hart. Maar het waren andere
tijden toen en de enige vlucht die vader had gehad was zijn winkel. Hij begon
er mee net na de oorlog, toen de tweeling een jaar of elf was.
Toen
Henri jaren later onverwacht zijn aanwezigheid kenbaar maakte was moeder al
zesenveertig. De zussen waren op dat
moment al twintigers. Elfride was nooit getrouwd en had de zorg voor moeder
steeds gecombineerd met een baan als kleuterleidster in de plaatselijke
basisschool. Maria was na een kort huwelijk met een boer weduwe geworden. Haar
echtgenoot was bij een bizar ongeval met een pikdorser om het leven gekomen.
Hij liet haar achter met een zoon en een erfenis waar ze comfortabel mee verder
kon. Ze verkocht de boerderij en trok terug in bij haar moeder. Henri was acht
jaar jonger dan het kind waar hij in theorie de oom van was. Ze zagen elkaar
enkel tijdens de vakanties en hadden geen band. Maria stuurde Dirk van zodra ze
kon op internaat en drong er bij haar moeder op aan om met Henri hetzelfde te
doen. Zijn vader weigerde.
Toen
Henri kind was had hij vele uren met zijn vader in de winkel doorgebracht. Hij
was een slim kereltje en vader liet hem achter de toonbank alle boeken lezen
die hij kon vinden. Samen maakten ze plannen. Henri zou studeren en de wereld
zien. Vader besefte dat hij Henri weg moest krijgen uit het dorp en vanuit de
verstikkende grip van moeder en de zussen. Hij spaarde en spaarde en stuurde
Henri van zodra hij oud genoeg was weg naar de stad om te studeren.
De
tweeling Maria en Elfride zat bij Henris thuiskomst identiek te wezen in de
lange driepersoonssofa. Dirk, ondertussen 27, werkte bij de plaatselijke
notaris. Na zijn studies rechten en notariaat was hij daar door inmenging van
zijn grootvader kunnen beginnen. Hij had werk gemaakt van de notarisdochter en
hoopte met tijd op een benoeming. Hij meed zijn moeder als de pest.
Ook de
tweeling was druk bezig met treuren. Hoewel ze fysiek meer op hun vader leken,
grof gebouwd met brede schouders en met eerder donker haar, hadden ze de
persoonlijkheid van hun moeder meegekregen. Ook zij droegen zwarte rouwkledij
en een strenge knot. Henri vroeg zich af hoe lang ze hier al zaten. Even
verdacht hij hen ervan dat ze zich vlug in deze opstelling hadden geïnstalleerd
toen ze hem de hoek zagen omkomen.
Och,
mijn zoon! riep moeder huilerig uit toen ze hem zag. Ze stak haar magere armen
met een grote dosis gevoel voor drama voor zich uit. Eindelijk ben je er!
Vader heeft ons in de steek gelaten! Wat moeten wij nu beginnen?
Henri
voelde een steek door zijn hart gaan, maar stapte toch vooruit. Hij liet zich
door zijn moeder omhelzen. Zijn armen hingen slap langs zijn lijf. Ze huilde nu luid en met haperende snikken
terwijl ze van alles uitkraamde wat Henri zelfs als hij heel hard zou proberen
toch niet kon begrijpen.
Die
nacht, in zijn eigen oude jeugdkamer, jankte Henri dikke tranen. Tranen om zijn
vader, tranen om zijn studies, tranen van wanhoop en tranen van eenzaamheid.
Twee
dagen later was de begrafenis. Er waren veel mensen, vader had immers veel volk
gekend. Met de kist zag Henri ook zijn eigen toekomst en de plannen die hij met
vader had gemaakt in de grond verdwijnen. Hij nam de winkel over en bracht vanaf dan
bijna al zijn tijd daar door. Hij woonde
weer in zijn oude kamer en zijn leven werd, net als voor de universiteit,
volledig ingevuld door de verlangens van zijn moeder en zusters. Hij moest de
winkel in eer houden en voor het gezinsinkomen zorgen , net zoals vader dat
altijd had gedaan. Zijn moeder controleerde alles, zoals ze ook bij vader had
gedaan. Elke rekening, elke leverancier, elke factuur, werd door haar nagekeken
en becommentarieerd, hoewel Henri meer dan verstandig en capabel genoeg was om
dit alleen te doen. Bij elke bespreking stond ze erop om aanwezig te zijn,
meestal nog begeleid door de zussen.
Maar
haar echte carrière, had moeder gemaakt in het ziekelijk zijn. Elk lichaamsdeel
was pijnlijk, elk orgaan was ziek, elk bot was ontstoken. Het meest bizarre aan
moeders ziekte, was dat het zich nooit ergens leek vast te zetten. Neen, het
versprong en dit gebeurde meestal wanneer er weer een arts had moeten verklaren
dat er eigenlijk niets te vinden was. Gelukkig waren er de zussen die hun leven
hadden opgeofferd om voor moeder te zorgen terwijl vader voor een inkomen
zorgde. De tweeling vulde hun dagen dus met de ziekenzorg van moeder, gebed en
geroddel. Soms alle drie door elkaar. Maar zo kwam het dus dat Henri dag na dag
in een duffe buurtwinkel doorbracht. Elke poging tot enthousiasme of
verandering werd door de vrouwen de kop ingedrukt. De modernisering die zijn
vader was begonnen kwam tot een halt en terwijl er in de buurt nieuwere zaken
bijkwamen, bleef Verheyes groenten en fruit vastzitten in de tijd. Elke dag
opnieuw moest Henri producten verkopen waarvan hij vaak nauwelijks wist
waarvoor ze dienden. Telkens weer moest hij praten met mensen die hem nooit
konden boeien of meepraten over onderwerpen die hem nooit iets zouden kunnen
schelen.
Na het
werk ruimde hij de winkel op, een karwei die hij zo lang mogelijk liet duren.
Hij telde de kassa en noteerde alles, hoewel hij wist dat moeder alles nog eens
zou natrekken en dubbel tellen. Hij sloot de winkel af en heel soms, als hij in
een avontuurlijke bui was, deed hij eventjes het blokje om alvorens hij het
woonhuis binnen ging. Elke avond zaten de vrouwen om de eettafel op hem te
wachten, en telkens weer werd hij berispt omdat het eten koud ging zijn. Hij
had, na de dood van vader, plaats moeten nemen aan het hoofd van de tafel. Maar
deze positie, die de rol van gezinshoofd moest symboliseren, gaf hem meer het
gevoel op het offerblok te liggen. Hij dacht met afgunst aan zijn neef, die er
wonderlijk in was geslaagd om aan dit gedoe te ontsnappen.
Moeder
Verheye weigerde gewoonlijk te eten, hoewel ze er maar niet in leek te slagen
om te verhongeren, terwijl zijn zusters op hem afgaven hoe zwaar moeder -en
bijgevolg zij- het wel niet hadden. Wat had hij een geluk, dat hij daar kon
wegvluchten in de winkel terwijl zij hier met de zorg voor een hulpbehoevende
zaten. Henri doorstond het avondmaal door in gedachten weg te vliegen naar de
verhalen die hij tijdens zijn studies had kunnen lezen. En van zodra hij de
kans schoon zag, vluchtte hij naar zijn eigen, kleine kamer.
Henri
was duidelijk ongelukkig en verwachtte opnieuw een doodse, vreselijke,
doordeweekse dag toen Elisa, ongeveer zes jaar na de dood van vader, haar bloem
en eieren vroeg. Eigenlijk had ze die gewoon uit de rekken kunnen nemen, maar
ze had de wanhoop op het gezicht van Henri herkend en had besloten dat ze hem
zou redden. Dus terwijl hij met een duidelijk gepijnigde blik probeerde om een
palet soepblikken van Liebig in een piramide te stapelen, stapte het meisje in
haar wit met blauwe gebloemde zomerjurk en bijpassende blauwe ballerinas op
hem af. Ze had een vrolijke, bijna muzikale wandelgang, waarbij haar halflange
blonde krullen ritmisch mee bewogen. Haar bruine armen zwierden langs haar
slanke lijf en in haar rechterhand droeg ze een ronde, rieten boodschappenmand.
Niet omdat ze die mooier of handiger vond dan een plastic tas, maar omdat ze
vond dat die beter bij de zomer paste. Ze was net zeventien geworden.
Henri
zweette als een hond en probeerde de soepblikken netjes te stapelen. Fronsend
vroeg hij zich af of hij daarvoor ter wereld was gekomen met een boven
gemiddeld intelligentiequotiënt. En toen zag hij boven de verpakkingen tomaat-
pompoen met- balletjes de grootste, blauwste ogen verschijnen die hij ooit
had gezien. Euhm, excuseer?, stamelde hij. Hij probeerde om zijn evenwicht te
bewaren en niet clichématig in de stapel blikken te donderen.
Waar
zou ik de bloem kunnen vinden, meneer?, vroeg Elisa nogmaals. Met haar linkerhand
stopte ze terloops een verdwaalde haarlok achter haar oor. En ik zou ook nog
zes eieren moeten hebben, meneer, voegde ze er snel aan toe.
Henri
veegde zijn zweterige handen af aan zijn bordeaux met groene winkelschort en
rechtte zijn schouders. Ja zeker, juffrouw, antwoordde hij vlug, als u hier
even wacht, breng ik u zo wat u nodig hebt. Hij deed enkele stappen achteruit,
viel bijna over zijn eigen voeten en beende toen weg. Hij stapte naar het rek
met de bloem. toen hij wist dat ze hem niet meer kon zien bleef hij ter plaatse
staan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij wist niet wat er met hem aan de hand
was. Even dacht hij dat hij, net als zijn vader, ter plekke dood neer zou
stuiken. Hij had vaak gehoopt dat dat zou gebeuren, maar op een moment als deze
zou een plots overleden op zn minst ongelegen komen. Hij keek naar het pak
bloem in zijn handen en toen naar zijn reflectie in de glazen deur van het
koelvak. Hij zag er bezweet en moe uit. Zijn donkerbruine haren waren keurig
kort geknipt en hij was, zoals zijn moeder eiste, gladgeschoren. Zijn ogen
waren van een onbestemde, eerder donkere kleur en op zijn voorhoofd werden de
eerste diepe groeven zichtbaar. Henri schrok toen hij zijn spiegelbeeld zo zag.
Hij was verouderd en zag er helemaal niet de vijfentwintig uit die hij
eigenlijk was. Hij dacht aan het meisje en ging met zijn ene hand door zijn
haar. Hij trok zijn schort recht. Dat was beter.
Toen
stapte hij met geveinsde zelfverzekerdheid terug naar de voorkant van de
winkel. Elisa stond keurig te wachten. Ze keek naar de toppen van haar schoenen
en wiegde van haar hielen naar haar tenen terwijl ze in gedachten iets leek te
tellen. Ze keek op. Glimlachte toen ze hem zag naderen. Toen hij voorbij de
zuivel stapte greep hij in één vlotte beweging een doosje met zes eieren en
zette die bovenop de bloem. Hij plaatste alles op de toonbank en liep er toen
helemaal omheen om af te rekenen. Hij dacht aan al die keren dat hij
geforceerde gesprekjes had met klanten. Wildvreemden die hij toch wilde plezieren
opdat ze zouden terug keren. Maar nu, op het moment dat hij nog nooit zo
wanhopig had verlangd dat iemand zou terugkeren, nu vond hij niets om te
zeggen. Hij staarde naar de kassa en tikte verdwaasd de aankopen in. Elisa zag
hoe hard Henri aan het afzien was en barstte in lachen uit. Dit bracht Henri
natuurlijk helemaal van zijn stuk. Hij werd knalrood. Elisa dwong zichzelf tot
enige ernst en legde toen haar lange, gelakte wijsvinger op zijn trillende
handen.
Ze
aaide verleidelijk over de harige handrug en zei toen heel beheerst: als u dat
leuk zou vinden, bak ik volgende week weer wafels.
Henri
wist dat zijn moeder en zusters geschokt zouden zijn bij dergelijke
vrijpostigheid en was heel even geneigd om te weigeren. Maar toen hij haar open
blik zag van onder haar lange blonde wimpers, kon hij niet anders dan knikken.
Ze
lachte opnieuw en zei dan, heel spontaan: Tot volgende week dan! Ze stapte
met haar unieke gang en de bloem en eieren in haar mandje de winkel uit.
Toen
moeder die avond de rekeningen controleerde en enkele euros miste besefte
Henri dat het meisje niet betaald had. Hij liet de verwijten met een glimlach
over zich heen gaan en ging voor het eerst in heel lange tijd naar bed met een
vaag gevoel van positieve verwachting.
Exact
een week nadien stapte Elisa opnieuw net na de middag de winkel binnen. Dit
keer droeg ze een lichtblauwe jurk die haar ogen accentueerde en witte
ballerinas. De rieten mand zwierde opnieuw langs haar zijde. Henri had al de
hele dag reikhalzend naar haar uitgekeken. Hij had de bloem en eieren uren
voorheen klaar gezet. Hij had speciaal voor haar een mooi hemd en een vers
geperste broek aangetrokken. Toen hij haar de deur door zag komen hing hij vlug
zijn winkelschort aan de haak achter de kassa. Hij trok zijn kledij recht en
stapte op haar af. Hij voelde zich moediger dan de vorige keer, was gevoed door
het beetje hoop dat ze hem had gegeven.
Hij
was blij dat er niemand anders in de winkel was, anders zou hij vast niet
gedurfd hebben wat hij vervolgens deed. Juffrouw, zei hij op plechtige toon,
u bent de vorige keer vergeten om uw aankopen te betalen. Maar ik ben bereid
om die misstap door de vingers te zien indien u mij zou kunnen zeggen wat uw
naam is.
Elisa,
meer geschrokken door de toon waarop hij haar aansprak dan door de inhoud,
sloeg haar hand voor haar mond. Ze begon te schaterlachen. Henri wist niet of
hij moest mee lachen of blozen. Hij deed het dus maar allebei een beetje. En
toen ze beide hun adem en spraakvermogen enigszins terug hadden, stelden ze
zich aan elkaar voor. Elisa zou die
middag niet meer aan wafels bakken toekomen, want ze bleef voor de rest van de
namiddag bij hem. Hij bediende de klanten en deed wat hij anders deed, en zij
zat op een barkruk bij de toonbank en babbelde en luisterde. Eens Henri voorbij
de schoonheid van haar ogen kon kijken, werd hij gefascineerd door haar
levenslust, openheid en blijheid. Hij trok zich niets aan van de nieuwsgierige
blikken die de klanten hen toe wierpen. Hij lag er ook helemaal niet van wakker
welke roddels er die dag ontstonden en het dorp in gingen. De middag vloog
voorbij en toen het tijd was om de winkel af te sluiten besloot Henri om niet
rechtstreeks naar huis te gaan maar om Elisa te vergezellen in haar wandeling
naar huis. Ze huppelde vrolijk naast hem met de nu overbodige boodschappen in
de mand en vertelde honderduit. Af en toe stelde ze hem een vraag en dan
wachtte ze aandachtig luisterend tot hij had geantwoord. Henri observeerde haar
jeugdigheid en absorbeerde haar energie. Hij volgde haar tot aan het grote
herenhuis waar ze samen met haar geliefde pleegvader woonde en liep keurig met
haar mee tot aan de voordeur. Als een afgedraaide bobijn viel ze stil.
Ik
wil je bedanken voor een fantastische dag, zei Henri terwijl hij met een bang
gevoel de diepe afgrond van haar blik ving.
Ze
draaide haar sleutel om in het sleutelgat en duwde de grote zwarte houten deur
open. Toen gaf ze hem een vlugge zoen op zijn wang. Terwijl hij haar van zijn
sokken geblazen aankeek en voor ze snel naar binnen liep zei ze nog: dat is
omdat ik weer niet betaald heb.
Bij
het thuiskomen zaten moeder en de zussen al op hem te wachten. Hij verwachtte
en kreeg een preek, maar het kon hem voor één keer helemaal niets schelen.
Vanaf dan
waren alle dagen een stuk dragelijker, zeker als Elisa langs kwam. Ze moest nog
enkele weken school lopen voor ze zou afstuderen. Kantoor-talen volgde ze. Ze
was goed in talen. Ze sprak vloeiend Frans, met een accent dat ze uit haar geboorteland
Italië had meegenomen. Maar ze had ook een hekel aan de lessen en weigerde om
verder te studeren. Henri was nog steeds zijn stille zelf, maar bij Elisa had
hij het gevoel dat dit goed was. Elisa praatte genoeg voor hen beiden, maar als
ze hem iets vroeg, dan luisterde ze ook echt naar zijn antwoord. Bij Elisa had
Henri het gevoel dat wat hij dacht en zei van belang was.
Al
gauw werd hun liaison publiek en was Henri verplicht om haar aan zijn familie
voor te stellen. Moeder en de zussen waren meteen gek op Elisa. Ze kenden de
goede naam en het fortuin van haar pleegvader (wat vooral voor moeder een
pluspunt was) en gaven zichzelf de missie om Elisa de moeder te geven die ze
volgens hen nooit had gekend. Wisten zij veel. Ze mispakten zich aan haar frêle
uiterlijk en zagen in haar een zwak schepsel dat moest beschermd worden. Als ze
in huis was werd ze behandeld als een prinses. Henri ergerde zich eraan dat ze
haar opeisten. Hij voelde zich jaloers als ze haar met zich mee sleurden om
meisjesdingen te bespreken. Op een keer kwam hij de zitkamer binnen en was Maria
bezig met het uitkammen van Elisas krullen terwijl Elfride haar koekjes en
thee voederde. Henri was geschokt, maar zei niets.
Maria
zou weldra grootmoeder worden, maar werd door haar eigen zoon radicaal uit zijn
leven geweerd. Ze richtte haar pijlen dan maar op Elisa. Nog voor Henri de moed
had gevonden om Elisas hand te vragen stond al vast dat ze bij hen in huis
zouden wonen. Immers, zo stelde Maria vaak, Henri zou met zijn werk in de
winkel nauwelijks tijd hebben om voor zijn Elisa te zorgen én het was wel
duidelijk dat het kwetsbare meisje niet in staat zou zijn om een huishouden te
leiden.
Op de
dag van haar achttiende verjaardag huwden Henri en Elisa. Hij droeg een
donkergrijs kostuum, zij een witte zijden jurk tot net onder de knie. Ze hield
een klein boeketje met lichtroze tulpen vast. Terwijl ze hun geloften zeiden
kneep ze hem bemoedigend in de hand. Hij sprak met een krop in zijn keel. De
kerk zat afgelaten vol en nadien was er een groot feest waar nog jaren over zou
gesproken worden. Moeder zei tegen iedereen die het maar horen wilde hoe jammer
het wel niet was dat vader er niet bij was. Het had volgens haar trouwens niet veel gescheeld of ze was er zelf ook niet
bij. Met haar slechte gezondheid en zo. De zussen beleefden de dag alsof het
hun bruiloft was. Ze waren allebei tot in de details opgetut en stonden
voortdurend klaar om te zien of de bruid niets nodig had. Het scheelde niet
veel of ze waren het kersverse bruidspaar gevolgd tot in de slaapkamer.
En
toen was Elisa zwanger en toen de eerste schok van die mededeling was weggeëbd
omzwermden Maria en Elfride het meisje met zoveel aandacht dat Henri zich vaak
vreemd voelde in zijn eigen huis. Maria overcompenseerde voor wat ze bij haar
eigen zoon miste. Elfride wist gewoon niet beter. En Henri werd overal tactisch
buiten gehouden. Hij trok zich opnieuw terug in zijn winkel. Hij had niet door
dat Elisa zich opgesloten voelde in het oude huis, dat ze de dagen miste waarop
ze op de barkruk in de winkel naar hem keek terwijl hij op zijn eigen
slungelige manier de klanten bediende. Hij wist niet dat ze een hekel had
gekregen aan zijn zussen, die haar behandelden als een invalide en haar nooit
een momentje ademruimte gaven. Telkens ze kon vluchtte ze weg naar het huis van
haar pleegvader, wat niet vaak gebeurde. In het huis van Henri vond men het
immers onnatuurlijk dat een volwassen vrouw zoveel tijd doorbracht bij een man
waarmee ze niet eens een bloedband had. Het feit dat hij de enige vader was die
ze ooit had gekend was een detail dat ze graag over het hoofd zagen.
Henri
zag niet hoe veel verdriet het Elisa deed als hij tot s avonds laat in de
winkel bleef om niet naar huis te moeten komen, omdat ze dacht dat hij van haar
weg vluchtte. Elke dag opnieuw verbeet ze haar ergernis, omdat ze dacht dat hij
het zo wilde. Elke dag onderging ze de strenge blikken van haar schoonmoeder.
En als Henri s nachts pogingen deed om dichterbij te komen en de liefde met
haar te bedrijven, kon ze zijn geremdheid voelen. Ze wist niet dat dit was
omwille van de oren die overal in huis waren en dacht dat hij haar niet meer
wilde.
En nu
stonden ze hier op het punt om hun eerste kindje in hun armen te sluiten en
Henri wist niet wat hij moest doen. Hij had alles gemist. Hij was ervan overtuigd geraakt dat Elisa de
voorkeur gaf aan zijn zussen boven hem. Maar ze hield zijn hand zo stevig vast
en keek hem zo wanhopig aan dat hij het niet aandurfde om haar tegen te
spreken.
Martijn
kwam in stilte en met een frons op de wereld. Henri dankte God dat hij een zoon
had en legde hem in de armen van zijn uitgeputte echtgenote. Ze keek naar het
schepseltje en herkende zichzelf in zijn fijne trekken en zijn blonde haar. Ze
wist niet of hij in alles op haar zou lijken, maar als dat zo was dan zou ze
hem zo goed mogelijk voorbereiden op wat komen zou. Dat beloofde ze hem in
stilte terwijl ze zijn zoete babygeur opsnoof en hem in slaap wiegde.
En
toen stormde de tweeling de kamer in. Ze hadden wel een dozijn geschenken mee
en maakten genoeg lawaai om het hele moederhuis in beweging te brengen. Martijn
schrok wakker en begon oorverdovend te huilen.
Geef
hem maar hier, zei Elfride meteen. Ze probeerde het kind uit de armen van zijn
moeder te trekken. Ik krijg hem wel stil, dat moet jij niet doen, verzekerde
ze haar jonge schoonzus.
En
toen zag Henri iets in zijn altijd zo zachtmoedige en vrolijke vrouw wat hij
nog nooit had gezien. Haar ogen schoten vuur en waren vervuld met afkeer. Laat
hem los, Elfride, zei ze op een ijzige
toon.
Elfride
schrok, maar bleef het kind vasthouden en richtte zich nu tot Martijn zelf.
Kom maar even hier bij tante Elfride, je moet je moeder niet zo tot last zijn,
mompelde ze in babytaal tegen haar pasgeboren neefje.
Elisa
verstevigde haar grip op Martijn en zei op ferme toon: Laat hem los Elfride,
hij blijft bij mij.
Geschokt
liet Elfride los. Ze stamelde: maar je moet nu toch wel vreselijk moe zijn, na
een dergelijke lange bevalling. Haar kleur was hoogrood, haar blik vol
ongeloof.
Maria
zag wat er gebeurde en probeerde tussenbeide te komen. Kom Elfride, je krijgt
thuis nog genoeg de kans om voor hem te zorgen. Elisa zal wel zien dat ze ons
nodig heeft.
Elisa
hield Martijn beschermend tegen haar borst. Ze haalde even goed adem in een
poging om haar kalmte te bewaren. En toen zei ze, heel duidelijk en met klare
stem: Ik heb jullie niet nodig. Martijn heeft jullie niet nodig. Ik ben het
beu dat jullie me behandelen als een kind. Ik ben jullie kind niet. Martijn is
jullie kind niet. Ze beefde en druppels van inspanning liepen over haar
voorhoofd. Henri kwam dichter bij zijn vrouw staan, hoewel hij niets durfde te
zeggen.
Wel
heb je ooit!, sprak Maria verontwaardigd voor zich uit. Na al wat we voor je
hebben gedaan. Je bent gewoon ondankbaar. We hebben je in huis genomen! Een
wees, met God weet welke achtergrond! Ze richtte zich tot haar broer: Henri,
zeg ook eens wat. Laat je je vrouw ons zomaar buiten spel zetten? Ze beseft
niet eens dat ze te zwak is om moeder te zijn. Het is zelf nog een kind!
Henri
hapte als een vis op het droge. Elisa keek de zussen strak aan. Martijn is het
kind van mij en Henri en hij heeft enkel ons nodig, zei ze. Als Martijn het
ziekenhuis mag verlaten gaan we terug bij mijn pleegvader inwonen.
Elfrides
ogen vielen bijna uit hun kassen. Maria stampte als een peuter dat zijn
geliefde speelgoed wordt ontzegd. Maar Henri!, riep ze schril uit. Een
verontwaardigde smeekbede.
Henri
zag de vastberaden blik van zijn echtgenote. Voor het eerst en het laatst in
zijn leven verweerde hij zich tegen de tirannie van zijn zussen. We komen niet
meer terug, was het enige wat hij zei, voor de tweeling met stampende voeten
en het nodige gevoel voor tragedie de kamer uit stormde.
07-02-2018 om 00:00
geschreven door Céline Berton
|