Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
Geraadpleegde bron: de Standaard weekblad [Simon Demeulemeester]
Jouw roodborstje in de tuin is niet de schattige goedzak waarvoor je hem aanziet. Een onthullend portret van de publiekslieveling en ook wel van hoe wij naar de natuur kijken, brengt duidelijkheid.
Het beestje is al een klassieker op kerstkaarten sinds de Britse Royal Mail ze in 1843 op de markt bracht, omdat de beestjes in de kale wintermaanden een uitzonderlijke kleurrijke verschijning zijn en omdat de Britten hun in felrode uniformen, gestoken postbodes, liefkozend ‘robins’ noemden.
Groot-Brittannië is gek op het vogeltje. Het werd verkozen tot nationaal symbool (1960) en nationale vogel (2015). Vier voetbalploegen en één rugbyploeg worden aangemoedigd met ‘Go robins!” en in 2016 ging een melig reclamespotje viraal waarin een roodborst, na een gevaarlijke tocht vanuit het Hoge Noorden, zich op een voedertafel in een Britse tuin tegoed deed aan een Christmas pudding.
Vogelbescherming Vlaanderen draagt het vogeltje al bijna 50 jaar in haar logo. Zoveel liefde en dat voor een vogeltje dat weliswaar belachelijk schattig is, maar bij kenners ook bekend staat als een teruggetrokken driftkikkertje. De roodborst zou, meer dan andere vogels, vechten tot de dood om het territorium te verdedigen.
Het zijn de ogen, die een stuk groter zijn dan die van andere zangvogels en die wat plompe vorm die het diertje haar grote aaibaarheidsfactor bezorgen. Die grote kijkers hebben echter vooral een anatomisch voordeel. Ze vangen veel licht op en daardoor kunnen roodborsten niet alleen onder dicht struikgewas foerageren, maar ook al heel vroeg ’s ochtends beginnen met eten zoeken en tot laat doorgaan. Ook zijn gedrag maakt de roodborst zo onweerstaanbaar. Vrijpostig is het beestje en ook nieuwsgierig. Wie tuiniert, weet dat je bij een spadesteek in de grond al gauw het gezelschap krijgt van een roodborst, verlekkerd op de wormen en insecten die je naar boven spit.
De Britse minister van Buitenlandse Zaken, sir Edward Grey, vond in de donkere dagen van de Eerste Wereldoorlog verlichting in het kijken en luisteren naar vogels. Een roodborst kan je in 2 of 3 dagen tijd leren om uit je hand te eten, schreef hij in ‘The charm of birds’ (1927), een klassieker. Lok de vogel met broodkruimels op de grond, werp hem dan een meelworm toe en zet later een doosje met meelwormen open op de grond. Dan volgt de moeilijkste horde, maar roodborsten wagen hun leven voor meelwormen. Je gaat op je knieën zitten en legt de rug van je hand plat op de grond met een doosje open op je handpalm, waarbij de vingers uitsteken. Het durvertje zal spoedig de vingers trotseren en erop gaan zitten. De roodborst zal ook tam blijven, verzekert Grey.
Roodborsten zijn weinig kieskeurige half-holenbroeders: ze verkiezen holtes of inhammen of de beschutting van dicht struikgewas. Lok ze dus naar je tuin met hagen en struiken, het liefst van de stekelige soort, zoals meidoorn en hulst. Het broedseizoen begint in maart-april en kan doorlopen tot september: roodborsten kunnen tot 3 legsels voortbrengen. Een hele prestatie, wetende dat een roodborstvrouwtje per nest tot 6 eitjes legt, elke dag één tot het nest vol is. Die eitjes wegen elk zo’n 2.5 g. Een bezet nest weegt 10 tot 15 g, de moeder zelf 16 à 22 g. Na 14 dagen is het nest uitgebroed, waarna vader roodborst aan een continue voedermarathon begint. Moeder houdt het nest schoon: de uitwerpselen van de zeer jonge jongen eet ze op, later voert ze die af, soms zelfs tot in het territorium van andere vogels. Een erg vuile klus is dat overigens niet: de poepjes zitten voorverpakt in een zakje. Soms voedert vader ook de moeder – maar nooit in het nest. Dat zou het katten al te gemakkelijk maken de nesten leeg te roven. In Groot-Brittannië doden huiskatten 1.5 miljoen roodborsten per jaar.
Nog eens 14 dagen later, de jongen zijn dan vertienvoudigd in gewicht, zijn ze klaar om uit te vliegen. Dan komt er een extra taak bij voor de vader: zingen alsof zijn leven ervan afhangt. Alvast het leven van zijn nageslacht. Als die niet goed leren zingen – om partners te lokken of vijanden weg te jagen – dan hebben ze minder overlevingskansen. Na een 20-tal dagen zijn ze zelfstandig.
Cultuurdrager
De Germanen zagen in de roodborst de kompaan van dondergod Thor, de drager van vuur en bliksem. Voor de Kelten was het een heilig vogeltje, omdat zijn rode borst afkomstig was van het bloed van Christus. Toen Christus aan het kruis hing, had niemand behalve het kleine vogeltje medelijden met hem. De roodborst pikte de spijkers uit het kruis of de doorns uit de doornenkrans op Christus hoofd en daarbij spatte diens bloed op zijn tot dan toe bruine borst. Opmerkelijk is dat de roodborst zowel positief als negatief te boek staat.
In Tirol beschermt zijn aanwezigheid je huis tegen brand en bliksem. Tegelijk zagen mensen in de roodborst ook een brenger van onheil. Een zingende roodborst op de dorpel – of erger nog: in huis – betekende in Wales een nakend sterfgeval. En gaat het bij ons in het bekende wijsje lieflijk van ‘Roodborstje tikt aan het raam, tintintin laat mij erin!’ dan geloofden Engelsen dat een roodborst die op het raam van een zieke tikte, diens doodvonnis bracht.
Die tweesnijdende symboliek zegt veel over onze relatie met de natuur. Ieder dier heeft zijn plek en zolang het daar blijft en geen grenzen overschrijdt en ook wij niet, is alles koek en ei. Maar zo gauw dieren de fysieke en metaforische grens overschrijden die wij mensen hebben getrokken, antwoorden wij ‘met angst en vijandigheid’, zelfs wanneer het over ons zo geliefde roodborstje gaat.
Toch werd door het Europees Forum voor Milieurechters in samenwerking met het Vlaams Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek een kader opgesteld om financiële compensaties te berekenen voor het toebrengen van schade aan de natuur. Met als resultaat dat een stroper voor het illegaal doden van een roodborst als natuurcompensatie 250 euro mag neertellen.
Er zijn 5 criteria om de waarde van een soort te bepalen. Het gevaar op uitsterven, de ecologische impact van de soort, haar culturele waarde, de bijdrage aan welvaart en de grootte en gemiddelde levensduur van het dier. De roodborst is een klein beestje, dat niet heel lang leeft, niet met uitsterven is bedreigd en geen bijzondere impact heeft op het ecosysteem. Dat het toch op 250 euro is gevaloriseerd, dankt het aan zijn hoge culturele waarde.
Uitgepikte oogjes
Roodborsten reageren heel agressief op soortgenoten of andere zangvogels tijdens het ringen bv. Wanneer ringers de gevangen vogels een poosje in een katoenen zakje stoppen, voorzien ze altijd een apart zakje als een roodborst in de mistnetten verstrikt is geraakt.
De roodborst is inderdaad een van de agressiefste tuinvogels. De Griekse filosoof Zenodotus vatte het in de 3de eeuw voor onze jaartelling zo samen: ‘Eén struik kan geen twee roodborsten herbergen’ ‘Een individueel territorium is een rode draad in het roodborstenverhaal, schreef gedragsecoloog, Jenny de Laet (UGent) in 1997 in het zeer lezenswaardige ‘De roodborst dichtbij en ver weg’
Hun obsessie met hun territorium verklaart veel van hun gedrag dat ons zo gesteld maakt op het beestje, zoals hun permanente gezang. Niet alleen zingen bij de roodborst mannetje en vrouwtje, ze doen het ook dag en nacht en zowat het hele jaar door. Dat eeuwige zingen is een alarmsysteem dat blijft hangen. Wat wij mensen dus als iets prettigs ervaren, is simpelweg survival of the fittest: als geen andere tuinvogel beschermt de roodborst zijn territorium.
Jenny De Laet beschrijft in haar boek bloedstollende waarnemingen van ‘grensconflicten’ die pas worden beslecht wanneer de ogen van de verliezer uit de kassen worden gepikt, pluimen worden uitgerukt en de schedel wordt ingeslagen. Heel soms gebeurt dat werkelijk, maar grotendeels gedragen roodborsten zich volgens de logische evolutionaire principes: om de haverklap een gevecht op leven of dood aangaan, is simpelweg niet bevorderlijk voor je overlevingskansen.
Net als het lied zijn oorlogskreet is, zijn de rode borstveren zijn oorlogskleuren en zang en verenkleed zijn er om te voorkomen dat een gevecht daadwerkelijk fysiek moet worden beslecht. Het rood op zijn borst heeft dus niet als doel de mannetjes mooi en aantrekkelijk te maken (ook vrouwtjes hebben die kleuren) maar eerder als afschrikking – misschien vergelijkbaar met de felle kleuren van giftige kikkers.
Dat wij geschandaliseerd zijn dat ‘onze roodborst’ een agressieve driftkikker is, zegt meer over ons dan over het vogeltje, vindt Gerald Driessens, vogelexpert bij Natuurpunt Studie. Wij bekijken dat te emotioneel. We hebben sympathie voor vogeltjes die zogezegd braaf en lief zijn en niet voor de stouteriken, zoals de ekster. Terwijl alle vogels net als wijzelf ‘moordenaars’ zijn. Alleen zijn de slachtoffers van de roodborst wormen en rupsen, beestjes die ons niet boeien en geen liefelijke kuikentjes zoals de ekster ze wel eens lust.
Die ekster werd pas nog verkozen als Vogel van het Jaar, een verkiezing georganiseerd door Vogelbescherming Vlaanderen. De drie andere kandidaten waren kauw, kraai en roek. Géén publieklievelingetjes zoals de roodborst, die in 2007 nog Vogel van het Jaar was.
En nét dat was de bedoeling, zegt directeur Agnes Wené. Alle kraaiachtigen zijn slimme, mooie en ongelooflijk nuttige dieren. Je moet ze niet afzetten tegen aaibare soorten als de roodborst, dat slaat nergens op. Elke soort heeft haar rol te spelen en elke soort is het waard om voor te vechten. Toen Vogelbescherming Vlaanderen onlangs haar huisstijl, visie en missie vernieuwde, dacht niemand erover om de roodborst te vervangen in het logo. Het is een iconisch beestje en het past perfect bij onze organisatie; ook wij zijn moedig en strijdlustig. En noem ons gerust territoriaal: wie aan de vogels en de natuur raakt, krijgt met ons te maken.
Tijdens het Grote Vogelweekend verscheen ongetwijfeld de roodborst meermaals op het telformulier. Voor veel mensen is dat dan ‘hun’ roodborst. Het kan dat je lang dezelfde roodborst in je tuin hebt, maar de vogeltjes leven gemiddeld maar 2 of 3 jaar. Roodborsten zijn wat heet gedeeltelijke trekvogels en die maken zeer fijn afgesteld kosten-baten-analyses: trekken of hier blijven overwinteren? Mocht het deze week sneeuwen, dan kunnen roodborsten nu nog beslissen om enkele honderden km naar het zuiden te trekken. Ongeveer de helft van onze roodborstjes trekt weg, vooral vrouwtjes en juvenielen (de niet geslachtsrijpe exemplaren). De mannetjes zijn honkvaster. Iemand moet het huis bewaken, toch?
De fazant houdt het hoofd koel tijdens knokpartijen met concurrenten
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel: de fazant [Dirk Draulans] – Vogelbescherming Vlaanderen [Free Van Rompaey] – VOC Heusden-Zolder [Rudi Oyen]
De fazant roept interessante vragen op. Zoals: hoe lang moet een exoot ingeburgerd zijn om officieel tot onze inheemse fauna te behoren? Onze fazant is van oorsprong een Aziatische soort. De Oude Romeinen zouden de eersten zijn geweest die fazanten in Europa importeerden. In onze contreien gebeurden de eerste introducties op het einde van de 16de eeuw, vooral voor de jacht. Het blijft merkwaardig dat mensen fazanten kweken en loslaten om ze vervolgens af te kunnen schieten. Je zou denken dat het makkelijker is om ze rechtstreeks van de kooi naar de keuken te brengen.
Vandaag zijn fazanten alomtegenwoordig in ons landschap. Toch doet de soort het de laatste tijd minder goed. De Vlaamse broedpopulatie wordt op 8 000 à 20 000 koppels geraamd. Die produceren elk 8 tot 15 kuikens per jaar, wat een totaalpopulatie van zo’n kwart miljoen exemplaren kan opleveren. Veel dieren sterven echter snel. De achteruitgang wordt geïllustreerd door afschotgegevens. Volgens het Agentschap voor Natuur en Bos werden er in 2011 in Vlaanderen meer dan 100 000 fazanten geschoten, maar 10 jaar later waren het er nog slechts 34 000. De afname wordt toegeschreven aan de intensivering van de landbouw, waardoor er minder geschikte fazantenbiotoop overblijft. Er is ook de toename van predatoren, zoals de vos en belangrijk, een verbod op het uitzetten van gekweekte fazanten sinds 2002, maar pas in 2020 werd het laatste achterpoortje in die wet gesloten.
Het uitzetverbod is een goede zaak, al was het maar uit dierenwelzijnsoverwegingen. Een studie in Ecology Letters toonde aan dat uitgezette fazanten bijna drie keer meer kans hebben dan wilde individuen om besmet te geraken met de borrelia-bacterie, die de ziekte van Lyme veroorzaakt.
Een studie in Nature Ecology & Evolution concludeerde dat niet alle fazanten even gevoelig zijn voor predatie door vossen. Een combinatie van intelligentietests (in gevangenschap) en tracking van verplaatsingen in een natuurlijk gebied wees uit dat de individuen met de grootste ruimtelijke vaardigheden ook het grootste territorium hebben. Dieren bleken kwetsbaarder voor vossen aan de rand van hun leefgebied dan in het hart ervan. De randen kennen ze minder goed, zodat ze er minder goed weten waar vossen in een hinderlaag kunnen liggen.
Een wat bizarre studie in Philosophical Transactions of the Royal Society B wees uit dat de kop van een fazant afkoelt vlak voor hij aan een knokpartij met een concurrent begint. Er vloeit dan bloed vanuit de extremiteiten van het lichaam naar het hart. De dieren moeten zichzelf ‘oppompen’ voor de strijd. Het geldt zowel voor aanvallers als voor verdedigers, voor winnaars en voor verliezers. Een paar minuten na het gevecht is alles weer bij het oude.
Uitzetten van fazanten voor de plezierjacht
Vorig jaar deed de Rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen uitspraak in een zaak waarin 8 beklaagden uit de regio Hoogstraten terecht stonden voor het houden van niet-reglementair geringde of on-geringd fazanten met het oog om ze uit te zetten voor de jacht.
Ondanks het wettelijk verbod worden fazanten nog te vaak illegaal uitgezet. Dat het in maart 2025 op zo’n grote schaal gebeurde en dan ook nog door personen van wie wordt verwacht dat ze een voorbeeldfunctie hebben, is gewoon wraakroepend, stelt beleidsmedewerker van Vogelbescherming Vlaanderen, Free Van Rompaey.
Leden van een wildbeheereenheid, die voor hun eigen jachtplezier stiekem fazanten kweken en uitzetten, maakt het misdrijf des te groter. Er moet ontegensprekelijk meer transparantie komen in de werking van de wildbeheereenheden, zodat dergelijk misbruik in de toekomst wordt vermeden. Als we mensen een mandaat geven om dieren te doden, dan moeten we er als samenleving vanuit kunnen gaan dat dit om de juiste redenen en op de juiste manieren gebeurt. Een stap in de goede richting zou zijn dat jachtplannen, afschotplannen, faunabeheerplannen en wildrapporten voortaan openbaar worden gemaakt.
Daarnaast is het essentieel dat het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) meer controle uitoefent op de uitvoering ervan. Rechtszaken als deze tonen helaas dat strikte handhaving nog steeds erg nodig is, want de jachtsector slaagt er zelf niet in om ervoor te zorgen dat alle leden de regelgeving secuur volgen.
Het verboden uitzetten van fazanten vormen een groter gevaar voor ons ecosysteem en onze biodiversiteit dan mensen denken. Om bedreigde wilde soorten maximale overlevingskansen te geven, is het belangrijk dat er geen genetische vervuiling ontstaat tussen gekweekte en natuurlijke wilde soorten. Vermenging zorgt immers voor een verzwakking van de wildpopulatie en het heeft bijgevolg een negatief effect op de stabiliteit ervan. Geweekte akkervogels, zoals fazanten en patrijzen zitten bovendien vaak erg dicht op elkaar in kwekerijen. Om ziektes te voorkomen wordt preventief antibiotica toegediend. En die residuen van antibiotica, of de mogelijke ziektes, wil je toch niet in de natuur binnenbrengen.
Op het terrein speuren de dienst Natuurinspectie van het ANB, het Voedselagentschap en andere diensten, zoals de lokale politie naar illegale fazantenkwekerijen. Deze overheidsdiensten verbaliseren en nemen de dieren in beslag, waarna zij beroep doen op het Vogel- en zoogdierenopvangcentrum in Heusden-Zolder om de dieren te ‘evacueren’.
In heel het land worden jaarlijks duizenden dieren opgehaald. Vermoedelijk ontdekken de toezichthouders maar het topje van de ijsberg. Op één locatie trof men eens 3 000 fazanten aan, maar wellicht worden er tienduizenden dieren, vooral fazanten, maar bv. ook wilde eenden en patrijzen uitgezet voor de plezierjacht.
Een illegale kwekerij opsporen, is behoorlijk lastig want de jagers die zich aan deze praktijk bezondigen, zijn op hun hoede. Wanneer de plaats van het delict toch wordt ontdekt, slaagt de overheid er meestal in om de clandestiene kweker en zijn handlangers te klissen. Oyen wil niet alle jagers stigmatiseren, maar dit aanhoudende probleem dient wel grondig aangepakt. Trouwens ook de consument die wild koopt, wordt bedot.
Geraadpleegde bron: Knack: Jaaroverzicht 2025: de lepelaar [Dirk Draulans]
De laatste 10 jaar schrijft de lepelaar een succesverhaal. De sneeuwwitte schoonheid met de opvallende snavel is met sneltreinvaart ons land aan het veroveren. Veel mooier vind je ze niet in onze contreien. De lepelaar heeft een voorkeur voor dynamisch natte milieus, vaak op de overgang van zoet naar zout. Ze broeden daar op eilanden, in duinvalleien en op kwelders en in het binnenland ook in uitgestrekte moerassen met veel waterriet. Met zijn sneeuwwitte verenkleed en grote lepelvormige snavel is de lepelaar, een watervogel uit de familie van de ibissen, een beauty. In het broedseizoen krijgen ze ook een witte afhangende kuif en een heldere gele vlek op bek, keel en borst – schoonheidsattributen om indruk te maken op potentiële partners. Lepelaars broeden doorgaans in kolonies. Ze zien er lieflijk uit, maar ze kunnen behoorlijk agressief zijn tegen elkaar, weliswaar kortstondig. Samenleven is prima, maar in het nest blijft privacy belangrijk.
De rand van de snavel, die de soort haar naam gaf, is hypergevoelig. Daardoor kan een lepelaar actief voedseldeeltjes uit het water oppikken. Hij gaat dus niet zomaar willekeurig met zijn snavel door het water waden. Lepelaars eten alles wat ze te pakken krijgen, vrij grote vissen inbegrepen.
De bek kan wel hinderlijk zijn bij wasbeurten. Hij is zo lang en breed dat lepelaars hem niet kunnen gebruiken om hun nek schoon te maken. Daar hebben ze iets op gevonden: de dieren houden elkaars nek schoon. Geregeld zie je twee lepelaars elkaar een wasbeurt geven.
Eieren rapen
Een Belgische vogelatlas uit 1972 meldt dat in de ruim halve eeuw die het boek beschrijft, er 160 keer lepelaars in ons land werden gezien en dan vooral aan de kust. Vogels kijken was toen lang niet zo populair als nu, maar het illustreert toch wel dat de lepelaar destijds een grote zeldzaamheid was. Zo goed als alle lepelaars die in België werden opgemerkt, zullen vogels uit Nederland zijn geweest. Daar heeft de soort altijd gebroed, vooral op de Waddeneilanden. In de 20ste eeuw kreeg ze er zware klappen, door de drooglegging van haar moerassige broedgebieden en door actieve verdelging, zoals het op grote schaal rapen van eieren uit nesten.
In 1900 zouden er nog zo’n 300 broedpaartjes zijn geweest, in 1968 was het broedbestand gezakt tot amper 160 koppeltjes. De grootschalige watervervuiling was een extra probleem voor de vogel. Het leek er zelfs even op dat de lepelaar uit West-Europa zou verdwijnen. Gelukkig daagde het net op tijd dat er moest worden ingegrepen. Er kwamen verregaande beschermingsmaatregelen voor zowel de vogels als hun biotoop. De populatie begon weer toe te nemen. In 1997 werd in Nederland de kaap van 1000 broedparen gerond. In 2024 waren het er ongeveer 4000. De soort lijkt op het nippertje uit de gevarenzone ontsnapt.
Bangeriken
Als het regent in Nederland, druppelt het bij ons. In 1999 was er een 1ste broedgeval tussen de parkvogels van het Zwin in Knokke. In 2003 broedde er een eerste koppeltje in het wild, op een hoop takken in een moerasgebied in de Waaslandpolder. Mogelijk waren de pioniers daar vogels uit een van de grootste Nederlandse lepelaarskolonies in de buurt van Bergen-op-Zoom, in vogelvlucht slechts 20 km ver.
Het aantal koppels op de takkenhoop nam gestaag toe. In 2010 waren het er 20; 41 in 2021 en 85 in 2024. In 2019 liep het even mis, toen een vos de kolonie kon bereiken. Lepelaars zijn bangeriken, die hun jongen niet verdedigen. Zelfs als die jongen de passage van een vos overleven, keren de ouders meestal niet terug naar het nest. Op veel plekken gaan lepelaars trouwens in bomen broeden om aan grondpredatoren te ontsnappen. Niet zelden nestelen ze in reigerkolonies.
Volgens de recentste gegevens van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) – in oktober 2026 verschijnt er een nieuwe Vlaamse vogelatlas – waren er in 2024 voor het eerst meer dan 100 broedkoppels in Vlaanderen, verspreid over 12 vooral kleine vestigingen van de IJzervlakte in het westen tot de Maasvallei in het oosten. De lepelaars konden ons land veroveren mede dankzij de verhoogde aandacht voor het belang van natte gebieden als buffer tegen de gevolgen van de klimaatopwarming.
In 2010 registreerde de waarnemingensite van Natuurpunt meldingen van zo’n 8500 lepelaars in 70 verschillende gemeenten. Voor 2025 zijn het er, nog voor het jaar helemaal is verstreken, al meer dan 106 000 voor 202 gemeenten, op een totaal van 285 Vlaamse gemeenten. Je kunt de lepelaar dus stilaan zo goed als overal zien. Af en toe vind je zelfs troepen van honderden pleisterende vogels.
Snelle vliegers
De meeste lepelaars zijn trekvogels. Vroeger overwinterden ze doorgaans in Mauritanië en Senegal. Een geringde vogel die geregeld in de Waaslandpolder passeert, reist nog altijd elk jaar naar hetzelfde wintergebied in Senegal, heen en terug een afstand van twee keer 4764 km. Maar steeds meer vogels blijven nu in Spanje en Portugal hangen.
Lepelaars zijn snelle vliegers. In 10 dagen tijd kunnen ze de 1800 km tussen het Waaslanden de Algarve overbruggen. Meestal doen ze onderweg enkele korte tussenstops, op vaste plekken, zoals de delta van de Somme in Frankrijk of de lagunes in de buurt van het Noord-Spaanse kuststadje Pontevedra (hoofdstad van het zogenaamde Rias Baixas gebied in Galicië én van de Camino Portugués naar pelgrimsoord Santiago de Compostela)
Een interessante tendens is dat er steeds meer lepelaars bij ons blijven overwinteren. Door de zachte winters zijn er zelden nog periodes met lange ijsbedekking, waardoor lepelaars hier ook in de winter kunnen foerageren. Het blijft een berekende gok. Maar als het lukt kunnen ze duizenden km minder ver vliegen en dat betekent een stevige energiebesparingen met mogelijk meer succes tijdens het volgende broedseizoen.
Vandaag is er een groeiend aantal honkvaste lepelaars, terwijl andere ver blijven reizen. Persoonlijkheden, karakters en gewoontes, je vindt ze niet alleen bij de mens, maar ook overal in het dierenrijk.
Stilaan is de vogelvlucht voor de wetenschap geen mysterie meer. Dankzij moderne hogesnelheidscamera’s, speciale technieken die luchtstromingen bij de vleugels zichtbaar maken, computermodellen en zelfs windtunnels waarin vogels vliegen, weten we al vrij goed hoe vogels door de lucht voortbewegen – al moet je eigenlijk ingenieursstudies volgen om het echt in detail te begrijpen.
Zo eenvoudig mogelijk verwoord: vleugels vangen lucht en zetten die om in draagkracht. Ze wekken die zogenaamde lift op door snel voorwaarts te bewegen. Als je het zelf eens wil ervaren, houd dan eens je hand uit het raam van een rijdende auto. Als je je hand vlak houdt, voel je al een licht opwaartse kracht. Draai je handpalm nu een beetje schuin naar de rijrichting en je hand wordt krachtig omhoog gedrukt.
Vleugels vergroten ook het oppervlak van een vogel ten opzichte van zijn gewicht, waardoor die langzaam als het ware uit de lucht valt. Dat principe kent zijn toepassing bij de valscherm: een groot doek, weinig gewicht en je daalt veilig naar beneden. Zelfs als 2 voorwerpen even zwaar zijn, zweeft het object met het grootste valschermoppervlak beter dan het object met een kleiner valschermoppervlak. Kleine vogels hebben van nature een groot oppervlak in verhouding tot hun gewicht, waardoor hun vleugels voldoende lucht vangen om te vliegen. Grotere vogels hebben een grotere oppervlakte nodig. Hun vleugels zijn buitenproportioneel groot.
Ook de vliegsnelheid speelt een rol. Hoe sneller een vogel vliegt, hoe meer lift elke cm² vleugeloppervlak produceert. Daarom hebben sommige snelle vogels relatief kleine vleugels. Bij hoge snelheid is het oppervlak efficiënt genoeg om het lichaam in de lucht te houden. Langzaam vliegende vogels of zwevers hebben juist grote vleugels nodig om voldoende draagkracht te creëren.
Veren vergroten de vliegmogelijkheden van vogels. Ze zijn dan ook vederlicht, maar toch stevig genoeg om het gewicht van de vogel te dragen, terwijl de botten in de vleugel kort blijven. De echte vleugelbotten reiken slechts tot halverwege de vleugel; de rest van het oppervlak bestaat uit de waaier veren. De veren zijn enorm soepel die de vogels kunnen aanpassen tijdens de vlucht. Bij het stijgen zetten ze de vleugels boller om er meer lucht onder te vangen. Bij een snelle voorwaartse vlucht houden ze de vleugels vlakker om snelheid te halen. Omdat hun vleugels zo buigzaam zijn, kunnen ze de lucht onder hun vleugels niet alleen naar beneden drukken om hun gewicht te dragen, maar ook naar achteren bewegen, waardoor de vogel vooruitkomt.
Hoewel de vleugels in de voortbeweging een voorname rol spelen, is de staart minstens zo belangrijk. Bij veel kleine vogels levert de staart tijdens korte glijfases ongeveer 10 tot 15% van de lift. Bovendien helpt de staart om de luchtstroom achter het lichaam te stabiliseren en zo de luchtweerstand te verminderen. Bij roofvogels is aangetoond dat de staart zelfs de efficiëntie van de vleugels verhoogt door de neerwaartse luchtstroom gelijkmatiger te verdelen.
Waarom vliegen vogels?
Biologisch gezien is vliegen voor vogels vooral een middel om te overleven en zo de kans op het nageslacht te vergroten. Het geeft vogels toegang tot voedselbronnen, die anders onbereikbaar zouden zijn: insecten in de lucht, vissen in het water, bessen in struiken of fruit in boomtoppen. Dankzij hun vleugels kunnen ze bovendien nesten bouwen hoog in bomen of op kliffen, ver weg van roofdieren.
Vliegen betekent ook snelheid maken. Voor roofvogels is het de sleutel om bliksemsnel toe te slaan, voor kleinere vogels een manier om aan vijanden te ontsnappen. Daarnaast opent de lucht een nieuwe dimensie: bergen, eilanden en verre continenten liggen binnen bereik. De Noordse stern bv. legt elk jaar 40 000 km af tussen de Noord- en Zuidpool, de langste migratie in het dierenrijk. Migratie is misschien wel de indrukwekkendste uiting van het vliegende bestaan. Vogels kunnen zo de beste omstandigheden volgen: zomers vol voedsel om te broeden en warmere winters om te overleven.
Met al die voordelen lijkt het wat vreemd dat sommige vogels niet vliegen, of niet meer. Veel loopvogels konden ooit vliegen, maar evolueerden naar een bestaan op de grond. Meestal gebeurde dat op eilanden zonder roofdieren, waar vogels ooit wel naartoe vlogen, maar daarna hun vliegvermogen gaandeweg verloren. Vliegen kost veel energie en als er geen vijanden zijn, is het eigenlijk overbodig. Die evolutie werd helaas ook hun ondergang toen mensen op die eilanden toekwamen en er hun jachtlust botvierden. Ook de katten, honden, hermelijnen en ratten aan boord van de ontdekkingsschepen zorgden voor de nodige ellende. Vogels die hun vleugels hadden verloren, konden zich nauwelijks verdedigen. De slachting onder de niet-vliegers was enorm. Van de 581 vogelsoorten die sinds het laat-pleistoceen (zo’n 126 000 jaar geleden) door menselijk toedoen uitstierven, waren er minstens 166 niet-vliegend. Dat is meer dan het drievoudige van het aantal loopvogels dat vandaag nog bestaat.
Enkele specimen, het kort beschreven
De Afrikaanse struisvogel is de grootste en snelste landvogel ter wereld, die met een lengte van 2.80 m en een gewicht van 150 kg een snelheid van 40 km / u gedurende een half uur kan volhouden en pieken kan bereiken van 75 km / u. Zijn gespierde poten stellen hem in staat om stappen van 5 m te maken, wat een niet te versmaden voordeel is wanneer hij moet ontsnappen aan jagende roofdieren, zoals leeuwen of cheeta’s (jachtluipaarden)
De kiwi, afkomstig uit Nieuw-Zeeland, ongeveer 3 kg zwaar en 65 cm hoog is uniek door zowel zijn uiterlijk als gedrag. De veren lijken meer op haren die de onontwikkelde vleugeltjes helemaal bedekt. De kiwi heeft geen staart maar wel een unieke, lange snavel (15 cm), waarin de neusgaten aan het uiteinde zitten. Dit geeft hem een sterk ontwikkeld reukorgaan ter compensatie van zijn beperkte zicht, waarmee hij in de grond woelt op zoek naar wormen en insecten.
De pinguïns zijn waarschijnlijk de meest populaire vleugelloze vogels. Deze in het zuidelijk halfrond (Antarctica) levende vogels tellen 18 soorten, allemaal perfect aangepast aan het leven in het water. Hun vleugels zijn getransformeerd tot vin-vormige ledematen waardoor ze pijlsnel kunnen zwemmen. Hun dicht opeengepakte, stijve veertjes die een waterdichte vacht vormen (glimmend en glad oppervlak), beschermen hen tegen de vrieskou (dikke isolerende laag). Een olieachtige stof uit een klier bij de staart zorgt voor de waterdichtheid (zie foto koningspinguïn).
De kakapo of uilenpapegaai (2 tot 4 kg zwaar) is de enige papegaai die niet kan vliegen. Hij onderscheidt zich door zijn geelgroen verenpak en rustige gedrag. Deze Nieuw-Zeelandse herbivoor staat bekend om zijn lange levensduur (90 jaar) en zijn neiging om stokstijf te blijven bij gevaar. Deze verdedigingsreflex, ongeschikt tegen geïntroduceerde roofdieren, heeft echter bijgedragen aan zijn achteruitgang. De vogel speelde een voorname rol in de Maori-mythologie en was ook economisch van belang als voedselbron en voor de veren (kleding).
De helmkasuaris is één van de gevaarlijkste vogels ter wereld. Met een lengte van 1.7 m en een gewicht tussen de 70 en 100 kg, leeft hij in de regenwouden van Australië en Nieuw-Zeeland. Deze vogel staat bekend om zijn vermogen hoog te springen en dodelijke trappen uit te delen. Om zijn kuikens of jongen te beschermen, gaat hij agressief in de aanval en kan hij met zijn 12 cm lange midden-klauw ernstige verwondingen toebrengen. Zijn krachtig gespierde poten laten hem toe snelheden van 50 km / u te halen en zijn botachtige helm helpt hem door de dichte vegetatie te navigeren.
De snelste zwever ter wereld benut niet de wind, maar de zwaartekracht om heel veel vaart te maken. In een gestroomde vrije val kan een slechtvalk meer dan 300 km / u halen om zich op een vliegende prooi te storten. De slechtvalk dankt die ongelooflijke prestatie aan een combinatie van factoren: smalle puntige vleugels voor minimale luchtweerstand, sterke borstspieren en een lichaam dat in een perfecte aerodynamische pijl kan worden omgevormd.
De Jan-van-Gent presteert iets gelijkaardigs om zich als een speer in de zee te boren. Hij laat zich vanop grote hoogte in het water storten, om een prooi onder het wateroppervlak te vangen en zich vervolgens te draaien en weer naar boven te zwemmen. De noordelijke Jan-van-Gent klimt tot wel 40 m hoog in de lucht en bereikt bijna 100 km / u wanneer hij door het wateroppervlak klieft. Dankzij die snelheid duikt hij wel tot 35 m diep om daar een sappige sardine uit het water te plukken. De vogels houden hun vleugels tijdens hun duikvlucht gespreid om ze pas in de laatste sec dicht tegen hun lijf te klemmen. Zo verliezen ze amper snelheid wanneer ze het water raken. Jan-van-Genten zijn perfect uitgerust voor deze uitzonderlijke duiktechniek. Ze ademen via dunne spleten in hun bovenkaak die sluiten wanneer de vogel duikt; hun schedel is verstevigd en in hun borst zitten luchtkussens die dienen als airbag. Het stuntwerk van de slechtvalk en de Jan-van-Gent is levensgevaarlijk. Allebei lopen ze het risico om hun nek te breken. Maar dat risico nemen ze, anders zouden ze verhongeren.
De torenvalk pakt die uitdaging iets rustiger aan. Hij blijft ter plaatse hangen in de lucht, flapperend met de vleugels en de blik aandachtig op de grond gericht. Tijdens dit ‘bidden’ vindt de torenvalk een volmaakte balans. Zijn fladderende vleugels bewaren de hoogte, terwijl zijn wijd uitgespreide staart werkt als een roer waarmee hij kleine sturingscorrecties maakt. Het meest verbluffende is misschien nog wel zijn kop: terwijl de rest van het lichaam voortdurend in beweging is om in de lucht te blijven, houden zijn nekspieren de kop bijna volledig stil. Zo kan de roofvogel met scherpe precisie de bodem afspeuren. Om ter plaatse te kunnen vliegen, heeft een torenvalk tegenwind nodig. Hij vliegt met dezelfde snelheid als de wind tegen hem in, waardoor hij ter plaatse blijft hangen. Vergelijk het met tegen de stroom in zwemmen of naar boven stappen op een dalende roltrap. Het bidden kost een torenvalk dan ook veel energie. Daarom doet hij dit meestal maar kort en alleen als er echt kans is om een prooi op te sporen. Zodra dit het geval is, duikt hij pijlsnel naar beneden.
Stilhangen in de lucht is een van de meest energieverslindende vormen van vliegen. De meeste vogels vermijden het daarom of missen zelfs de kracht om bij lage snelheden in de lucht te blijven. Kolibries kunnen het wel en hebben er zelfs hun handelsmerk van gemaakt. Ze kunnen aan hoge snelheid en met een perfecte beheersing ter plaatse, zijwaarts en achterwaarts vliegen, terwijl ze zich van bloem naar bloem bewegen. Hun hele lichaamsbouw is erop aangepast. Kolibries hebben kleine, lichte torso’s met relatief grote en stevig gespierde vleugels, waarmee ze een hoge slagfrequentie halen – tot wel 80 keer / sec bij sommige soorten. Ook de manier waarop kolibries met hun vleugels slaan is bijzonder: vanuit hun polsen in de vorm van een acht. Hierdoor kunnen kolibries in tegenstelling tot andere vogels zowel de neerwaartse als de opwaartse vleugelslag gebruiken om lift op te wekken. Bij de meeste vogels levert de opwaartse slag nauwelijks ondersteuning, maar met de ingenieuze rotatie van hun vleugels weten kolibries tijdens de opwaartse beweging extra lift te creëren. Hierdoor kunnen ze stabiel voor een bloem blijven hangen terwijl ze nectar drinken.
Ook de vleugelspieren van de kolibrie zijn uitzonderlijk. Waar de meeste vogels een kleine spier gebruiken om de vleugel omhoog te brengen, is deze spier bij kolibries ongewoon groot en krachtig, ongeveer de helft van de borstspier die de neerwaartse slag aandrijft. Beide spieren bestaan uit vezels met gigantische mitochondriën, de energiefabriekjes van dierlijke cellen, waardoor kolibries extreem hoge vleugelslagfrequenties aankunnen. Kolibries hebben dan ook een van de hoogste stofwisselingssnelheden van alle gewervelde dieren. Hun spieren kunnen schakelen tussen het verbranden van suikers en vetten, afhankelijk van de omstandigheden. Tijdens migraties vertrouwen ze op vetreserves, maar bij een intensieve vlucht gebruiken ze liever qlucose, die sneller wordt omgezet in energie.
Niet alleen de spieren, maar ook het skelet van de kolibrie is aangepast om als een helikopter stil in de lucht te blijven hangen. De bovenarm is kort en stevig en staat bijna haaks op de vleugel. Dit maakt een grote rotatie mogelijk, waardoor de vleugels net als kleine propellers functioneren. Bovendien hebben kolibries extreem lange handpennen (de buitenste slapennen), die meer dan 70 % van het vleugeloppervlak uitmaken. Door deze te draaien tijdens de opwaartse slag, ontstaat een bijna tegengesteld vleugelprofiel, waardoor ook die vleugelslag lift oplevert.
Hun vermogen om stil in de lucht te hangen en in elke richting te vliegen, is het resultaat van miljoenen jaren evolutie en een doorgedreven specialisatie in het speuren naar nectarrijke planten als energiebron. Inmiddels zijn er meer dan 300 soorten kolibries, die vaak een nauwe relatie hebben met specifieke planten. De manier waarop kolibries vliegen, lijkt trouwens sterk op die van insecten. Het meest opvallende beestje dat in bloemenrijke tuinen voorkomt, is met voorsprong de kolibrievlinder. Die lijkt op een dikke hommel met enorme vleugels en met een beetje fantasie ook op een echte kolibrie. De kolibrievlinder maakte een gelijkaardige evolutie door.
De rustgevende kalmte van zwevende gieren staat in schril contrast met de volgende vliegers. Denk maar aan de gierzwaluw, misschien wel de meest opvallende stuntpiloot in onze eigen regio. Gierzwaluwen schieten met duizelingwekkende snelheid door de lucht, tot soms wel 200 km / u en doen dat het liefst luid krijsend. De vlucht van gierzwaluwen is acrobatische gymnastiek van het allerhoogste niveau: ze combineren topsnelheid moeiteloos met halsbrekende manoeuvres, bij voorkeur rakelings langs de gebouwen en andere hoge hindernissen. Ze danken dat atletisch vermogen aan hun smal, gestroomlijnd lichaam dat de luchtweerstand tot een minimum beperkt. Hun sikkelvormige vleugels geven hen snelheid en wendbaarheid. Hun gevorkte staart werkt als een roer waarmee ze razendsnel kunnen bijsturen, remmen of een scherpe draai maken. Naast de sprint winnen de (gier)zwaluwen ook de marathon, door elk jaar duizenden km af te leggen tussen hun broedgebieden in Europa en hun overwinteringsplaatsen in Zuid-Afrika. De gierzwaluw brengt sowieso al het grootste deel van zijn leven in de lucht door. Jonge gierzwaluwen kunnen maandenlang onafgebroken vliegen, waarbij ze zelfs slapen tijdens korte zweefmomenten.
Een andere vogel die – ondanks zijn ‘banaliteit’ – toch ook opvalt tijdens zijn baltsvlucht is de houtduif. De doffer vliegt eerst omhoog, klappert dan met de vleugels en laat zich vervolgens in een opvallende glijvlucht naar beneden vallen. Het lijkt alsof hij de vleugels tegen elkaar slaat, maar eigenlijk zijn het de slagpennen die klappen, net zoals wij met onze vingers knipperen. De sowieso al zeer elegante kiekendieven tillen hun baltsvluchten nog een moeilijkheidsgraad hoger. Mannetje en vrouwtje buitelen, duiken en maken scherpe bochten. Soms laat het mannetje in de lucht een prooi vallen, die het vrouwtje vliegend opvangt.
Daar waar het bij gierzwaluwen, kiekendieven en houtduiven draait om showgehalte, houden kerkuilen het muisstil. Kerkuilen kunnen geruisloos vliegen. Dat merk je niet alleen wanneer je het geluk hebt om een exemplaar te zien vliegen, het is ook wetenschappelijk aangetoond. Onderzoekers lieten allerlei vogels over een rij microfoons vliegen. Slechtvalken bv. produceren bij elke vleugelslag een duidelijk hoorbaar geluid. Maar toen ze een kerkuilover de microfoons lieten vliegen, registreerden die helemaal niets. Het geheim van de stille uilenvlucht zit ‘m in bijzondere slagpennen, die aan de voorrand zijn voorzien van scherpe gekartelde randen. Die neutraliseren de luchtturbulentie die bij andere vogels vleugelgeruis veroorzaakt. De veren van uilen zijn ook niet glad en hard zoals bij veel andere vogels, maar bedekt met een soort donzige, zachte structuur. Wanneer de lucht naar de achterkant van de vleugel stroomt vermindert die gerafelde structuur het ruisen van de luchtstroom nog verder. Uilen hebben relatief, grote, brede vleugels vergeleken met hun lichaamsgewicht. Dat geeft ze veel draagkracht en laat hen traag en zwevend vliegen, zonder de snelle vleugelslagen die normaal lawaai maken. De combinatie van die 3 factoren zorgt voor een bijna onhoorbare en voor prooien dodelijke vlucht.
Opstijgende vale en monniksgieren die cirkeltjes in het luchtruim maken, het is een van de typische beelden waar vogelliefhebbers in Extremadura mee worden verwend. Maar er zijn nog wel meer vogels die met indrukwekkende vliegpatronen uitpakken.
De gieren gebruiken kolommen van opstijgende lucht of thermiek, die ontstaat wanneer de zon de aarde ongelijk verwarmt. Donkere oppervlakken, zoals rotsen of akkers, warmen sneller op dan bossen of water. De warme lucht boven zo’n plek wordt lichter en stijgt op, terwijl koelere lucht op de begane grond toestroomt en hetzelfde proces doorloopt.
Zo ontstaat een thermiekbel met opstijgende lucht waarin de gieren kunnen stijgen zonder met hun vleugels te slaan. De vogels hebben vleugels met een grote vleugelspanwijdte, soms wel 3 m van tip tot tip. Hierdoor hebben ze veel draagvermogen en kunnen ze zweven. Eenmaal in die thermiekkolom cirkelen ze langzaam omhoog. Eenmaal ze voldoende hoogte hebben, kunnen ze in glijvlucht naar een volgende thermiekbel zweven en van daaruit weer spiraalsgewijs opstijgen.
Zweven op thermiek stelt vogels in staat om grote afstanden af te leggen op zoek naar voedsel, zonder kostbare energie te verbruiken. Andescondors, met hun gewicht van meer dan 10 kg, zouden zonder thermiek zelfs amper kunnen vliegen. De energiekost van vleugelslagen is voor hun zware lijf gewoon te hoog. Dankzij kleine zenders die wetenschappers op hun rug bevestigden, weten we ook hoe ontzettend weinig vleugelslagen de condors uitvoeren. Ze vliegen gemiddeld zo’n 3 u per dag, maar slaan in totaal minder dan 2 min met hun vleugels. Zelfs in de winter bleken de vogels genoeg te hebben aan ongeveer 2 sec vleugelslagen per km. De grootste inspanningen dienen geleverd bij het opstijgen: 75% van de vleugelslagen gebeurt bij het opvliegen.
Glijden naar Afrika
Condors en gieren zijn uiteraard zijn niet de enige vogels die thermiek gebruiken. Ook bij ons zie je buizerds en andere roofvogels vaak cirkelen op warme luchtstromen. Ooievaars maken op een vergelijkbare manier gebruik van thermiek, maar bij hen speelt migratie een grote rol. Tijdens hun jaarlijkse trek tussen Europa en Afrika vermijden ooievaars lange stukken over zee, omdat daar geen thermiek ontstaat. In plaats daarvan volgen ze routes over land, waar ze thermiekbellen vinden boven warme vlaktes en landbouwgebieden. Daar cirkelen ze omhoog, om vervolgens naar de volgende thermiekbel af te glijden. Dit patroon – stijgen, glijden, opnieuw opklimmen – herhalen ze ontelbare keren, waardoor ze duizenden km afleggen zonder veel energie te verbruiken. Dat het doel verschilt (gieren zoeken voedsel, ooievaars willen reizen) zie je ook aan de vleugels van beide vogels. Gieren hebben vaak bredere vleugels voor maximale lift bij lage snelheden, terwijl ooievaars iets smallere vleugels hebben, die beter geschikt zijn voor combinatievluchten van passief glijden en actief klapwieken, wanneer nodig.
In 2018 ontdekten wetenschappers iets bijzonders over deze zwevende trektochten. Ze rusten een groep ooievaars met kleine gps-zenders en bewegingssensoren uit. Daarmee konden ze precies zien waar de vogels vlogen, hoe snel ze gingen en hoe vaak ze met hun vleugels sloegen. De onderzoekers ontdekten dat ooievaars wel in groepen vliegen, maar daarin hun eigen rol hebben. Er zijn leiders en volgers. De leiders verkennen als eersten een thermiekbel. Ze rijzen omhoog en kiezen de trekroute. De volgers doen hen na, maar moeten vaker klapwieken om bij te blijven. Dat kost meer energie waardoor de volgers uiteindelijk minder ver migreren. De leiders bereiken vaak Afrika; de volgers stoppen soms al in Zuid-Europa. Omdat de vogels hun eerste trektocht gebruiken om te leren, blijven ze later in hun leven vaak hetzelfde gedrag vertonen. Met andere woorden: als hun ouders leiders zijn, leren de jongen leiden. Zijn hun ouders volgers, dan zullen ook zij hun hele leven lang blijven volgen. Het onderzoek toonde aan dat vogeltrek niet alleen gaat over instinct of kracht, maar ook over sociale interactie.
Surfen boven de zee
Thermiek is handig, maar geen vereiste om te zweven. Heel wat zeevogels spelen met de wispelturige wind boven het wateroppervlak om te vliegen zonder te flapperen. De albatros is er een meester in. Hij gebruikt zijn reusachtige vleugels – de grootste hebben een spanwijdte van meer dan 3.4 m – om te zeilen op de wind. De vogel gebruikt natuurlijke windstoten boven de zee om draagkracht te zoeken of laat zich vanop grote hoogte met gestrekte vleugels met de wind meeslepen. Dankzij de zwaartekracht en rugwind bouwt hij zijn snelheid op. Beneden wendt de albatros zich lichtjes om zodat hij met zijwind in de vleugels terug omhoog wordt gestuwd. Daarna volgt opnieuw een glijvlucht met de wind mee. Dankzij die roetsjbaan-techniek kan de albatros, ondanks zijn 7 kg, honderden tot zelf duizenden km afleggen op amper een paar vleugelslagen. De vogels worden geholpen door een ‘schouderslot’, een pees die de enorme vleugels vergrendelt van zodra ze worden uitgestrekt. Hun buisvormige neusgaten doen ook dienst als windmeter, om veranderingen in de luchtsnelheid te meten en zo op de juiste hoogtes en bij de juiste windsnelheden de wind te ‘pakken’. Op het eind van zijn leven kan een albatros meer dan 1.6 miljoen km gevlogen – hoofdzakelijk gezweefd – hebben.
Samenleven met zeewinden en er zelfs afhankelijk van zijn, heeft ook nadelen. Terwijl wij beschutting zoeken bij slecht weer, brengen veel zeevogelsoorten de winter boven zee door, waar ze genadeloos worden blootgesteld aan zware winterstormen. Als bij wonder slagen zeevogels er meestal in om die te overleven, al spoelen op het strand soms duizenden dode en uitgemergelde zeevogels aan. In 1983 werden in Groot Brittannië 34 000 kadavers van alken aangetroffen.
Hoe het komt dat zeevogels soms wel en soms niet bestand zijn tegen winterstormen, weten we eigenlijk niet. Maar onderzoekers van de Swansea University in Wales, die met behulp van minuscule sensoren 1 500 vogels volgden, stelden recent vast dat het energieverbruik van onder meer papegaaiduikers, zeekoeten en kleine alken tijdens de storm niet uitzonderlijk hoog hoeft te zijn. Het echte probleem lijkt eerder dat vogels geen voedsel kunnen zoeken. Sterke golven maken duiken moeilijk of onmogelijk en troebel water belemmert het opsporen van prooien. Kleine vogels, zoals de 150 g wegende kleine alk, hebben nauwelijks vetreserves. Afhankelijk van de soort kunnen zeevogels in de winter slechts 2 tot 8 dagen zonder voedsel. In de koudste maanden is dat zelfs nog korter. Een paar dagen zonder eten tijdens of na een storm kan dus het verschil betekenen tussen overleven en sterven.
Zeevogels laten zich uiteraard niet zomaar verrassen. De meeste soorten slagen erin zware stormen te ontlopen. Pelikanen trekken naar de kust, sterns verlaten hun broedkolonies en grote fregatvogels gebruiken sterke winden om rond het stormgebied te vliegen. Toch lukt het veel Noord-Atlantische zeevogels niet om aan een cycloon te ontsnappen. Hun vliegvermogen is beperkt: soorten zoals alken zijn aangepast aan duiken, niet aan langdurig vliegen in harde wervelwind. Bovendien bestrijken stormen vaak een groot gebied en verplaatsen ze zich te snel. Dat zeevogels toch blijven overwinteren in stormgevoelige gebieden, suggereert dat de strategie op populatieniveau loont: voldoende individuen overleven, ook al vallen er soms grote aantallen slachtoffers.
Geraadpleegde bronnen: Vogels kijken: uitbraak van de vogelgriep – Animal Rights vzw – FAVV – Sciensano – wetenschappelijke review over HPAI
Over de herfstmigratie van de kraanvogels in de voorbije weken kunnen we kort zijn: er is nauwelijks beweging. De aanhoudende regen en vooral de stevige west- tot zuidwestenwinden – pure tegenwind – hebben de trek sterk afgeremd. Alleen wanneer de wind tijdelijk afnam, zoals afgelopen vrijdag, kwamen enkele honderden kraanvogels vanuit Noord-Duitsland in beweging. Dat toont aan dat de migratiedruk wel groot is en dat bij de eerstvolgende gunstige weersomstandigheden een massale trek vrijwel zeker op gang zal komen.
Toch meldt men vanuit Duitsland dat de verplaatsingen opvallend anders verlopen dan anders. Er worden op de migratieroute veel nachtelijke vluchten waargenomen, wat in de herfst eerder uitzonderlijk is. De groepen zijn kleiner dan gebruikelijk en vertrekken vaak pas in de namiddag, rond 13u30. Bovendien zijn er kraanvogels waargenomen die terugkeren van hun tussenstop in Nedersaksen naar het noordelijker gelegen eiland Rügen (Mecklenburg-Voor-Pommeren). Dankzij geringde en gezenderde vogels kon men deze ongewone bewegingen nauwkeurig opvolgen. Het lijkt erop dat de kraanvogels gedesoriënteerd raken.
De verklaring voor dit zonderlinge gedrag ligt vermoedelijk in de uitbraak van het vogelgriepvirus dat de kraanvogelpopulatie teistert van Noord-Duitsland tot Spanje. Alleen al in Duitsland werden minstens 5 000 dode vogels geruimd. In het Franse Lac du Der, een belangrijk kruispunt op de migratieroute, werden reeds 4 600 slachtoffers aangetroffen (en dat enkel binnen het meer zelf, niet op de omliggende akkers).
In Spanje bij de slaapplaatsen in La Sotonera en Gallocanta (beiden in Aragón) telt men al ruim 500 dode vogels. Ook uit Centraal- en Zuidwest-Frankrijk komen alarmerende berichten. Vermoedelijk zijn inmiddels al tienduizenden kraanvogels gestorven aan het hoog-pathogene vogelgriepvirus H5N1 en aan de ellende lijkt voorlopig geen einde te komen.
Een virus dat zich razendsnel verspreidt
Het is cruciaal dat kadavers snel worden verwijderd om verdere verspreiding te voorkomen. De besmetting blijft immers niet beperkt tot kraanvogels; ook knobbelzwanen, ooievaars en grote zilverreigers werden dood aangetroffen. Roofvogels, zoals buizerds, wouwen en zeearenden (aaseters), lopen eveneens risico.
Het virus, de hoog-pathogene H5N1-variant, is uiterst besmettelijk. Geïnfecteerde vogels vertonen al binnen enkele uren symptomen en sterven meestal binnen de drie dagen. Het tast ademhalingswegen, spijsvertering en zenuwstelsel aan, wat leidt tot verzwakking, coördinatieproblemen en vaak verdrinking.
Omdat het virus in uitwerpselen tot 45 dagen kan overleven bij 4°C (en slechts enkele dagen bij hogere temperaturen), blijft besmet water een belangrijke verspreidingsbron. Wie in besmette gebieden wandelt, moet dus voorzichtig zijn: uitwerpselen onder schoenzolen kunnen het virus ongewild verder verspreiden. Bij het vinden van dode of zieke vogels, is het essentieel om dit te melden bij officiële instanties (Sciensano 0800 / 99 777).
Hoewel mensen en andere zoogdieren doorgaans niet erg vatbaar zijn, blijft voorzichtigheid geboden, ook voor huisdieren die met dode of zieke vogels in contact kunnen komen.
In België zijn recent nieuwe gevallen van hoog-pathogene vogelgriep vastgesteld op commerciële pluimveebedrijven in Houthulst (West-Vlaanderen) en Ravels (Antwerpen) en bij een particuliere houder in Welkenraedt. Daardoor zijn opnieuw beperkingszones ingesteld en is de ophokplicht en afscherming voor professionele houders weer van kracht. Waakzaamheid blijft cruciaal, want het virus circuleert nog steeds bij wilde vogels.
Een vicieuze cirkel
De uitbraak van H5N1 is geen op zichzelf staand fenomeen. Steeds duidelijker wordt dat herhaalde opflakkeringen van vogelgriep niet alleen het gevolg zijn van natuurlijke migratiepatronen, maar ook van menselijke invloeden.
De intensieve pluimveehouderij creëert wereldwijd enorme concentraties van vogels die genetisch sterk op elkaar lijken – een ideale voedingsbodem voor virussen die zich razendsnel kunnen aanpassen. Wanneer zulke bedrijven besmet raken, worden miljoenen dieren geruimd. Toch blijft het virus circuleren, vaak via wilde vogels die in contact komen met besmette uitwerpselen of voer.
De meeste virologen zijn het er over eens dat hoog-pathogene vogelgriepvarianten (zoals H5N1 of H5N8) meestal ontstaan uit laag-pathogene voorlopers, die circuleren bij watervogels. Zolang het virus zich onder wilde vogels verspreidt, blijft de besmettingsgraad doorgaans relatief mild. Pas wanneer het virus via besmet water of mest in contact komt met gedomesticeerde vogels in hoge dichtheden (kippen, kalkoenen), kan het muteren tot een agressieve variant. In die overvolle stallen vindt het virus miljoenen gastheren, her-infecties en re-combinaties die de virulentie versterken. Dat maakt dat de intensieve pluimveehouderij een soort ‘versneller’ van evolutie is: een laboratorium zonder muren waar mutaties sneller ontstaan dan in de vrije natuur.
Zodra een agressieve variant ontstaat, kunnen migrerende wilde vogels die opnieuw opnemen en meedragen over lange afstanden. Recente studies tonen aan dat wilde vogels inderdaad een sleutelrol spelen bij de verspreiding van HPAI (highly pathogenic avian influenza), maar zelden de eerste veroorzakers zijn.
Hun rol is die van ‘vector’: ze pikken het virus op in besmette regio’s, vliegen duizenden kilometers en brengen het – vaak zonder zelf ziek te worden – naar nieuwe gebieden waar pluimvee opnieuw besmet geraakt. Het resultaat is een ingewikkeld netwerk van wederzijdse besmettingen: wilde vogels besmetten pluimvee, pluimvee besmet wilde vogels en zo ontstaat een cyclus die moeilijk te doorbreken is.
De recente uitbraken in West-Europa tonen aan dat het virus tegenwoordig zowel in de natuur als in landbouwsystemen circuleert. Volgens Sciensano en het FAVV (Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen) worden besmette wilde vogels geregeld aangetroffen, maar vaak in de buurt van intensieve pluimveeregio’s. Dat doet vermoeden dat de grens tussen ‘natuurvirus’ en ‘stalvirus’ vervaagt.
Critici – onder wie ook verschillende vogelliefhebbers en dierenwelzijnsorganisaties – vragen zich dan ook af of de focus op wilde vogels als schuldigen niet te kort door de bocht is. Hun redenering: zolang de vee-dichtheid en het transport van levende dieren zo hoog blijven, zal de kans op nieuwe mutaties en verspreiding altijd groot zijn.
Daarnaast spelen klimaatverandering en landgebruik (ruimtelijke ordening) een rol. Veranderende neerslagpatronen en temperaturen verschuiven de migratieroutes en verblijfsgebieden van trekvogels. Natte winters en zachte lentes zorgen voor langere overlevingsperiodes van het virus in water en modder. Tegelijk dringen menselijke activiteiten – landbouw, infrastructuur, toerisme – steeds verder door in de broed- en rustgebieden van wilde vogels.
Het resultaat is een vicieuze cirkel: intensieve veehouderij, milieudruk en natuurlijke migratie versterken elkaar in een complex web van overdracht.
Bioveiligheidsbeleid
Om die cirkel te doorbreken, is meer nodig dan noodmaatregelen en ruimen. Er is nood aan systeemdenken:
· - een landbouw die minder afhankelijk is van grootschalige productie-eenheden;
· - een beter beheer van natte natuurgebieden waar wilde vogels samenkomen;
· - internationale samenwerking om monitoring en preventie te versterken;
· - en vooral: een eerlijk debat over hoe onze voedselproductie samenhangt met de gezondheid en de ecosystemen.
Wat de recente wetenschappelijke discussies vooral duidelijk maken, is dat vogelgriep geen zuiver ‘natuurlijke‘ ramp is. Ze is een symptoom van hoe we met dieren, ruimte en landbouw omgaan. Of het virus nu in een waterplas of een stal begint, het verspreidt zich pas zo snel door de manier waarop mens en natuur elkaar raken.
Misschien moeten we niet enkel zoeken ‘waar’ het virus vandaan komt, maar vooral ‘waarom’ het steeds opnieuw zulke vruchtbare grond vindt.
Geraadpleegde bron: Knack: Beestenboel: de zwartkop [Dirk Draulans]
Hij is misschien wel de meest volhardende zanger in onze tuinen: de zwartkop. Wanneer andere vogels op het einde van het broedseizoen stoppen met zingen, gaat hij nog een tijdje door. In de vroege zomer is hij soms de enige soort die je geregeld hoort. De zang van een zwartkop is wondermooi. Hij wordt weleens de ‘Maartse nachtegaal’ genoemd.
Het gezang begint met een aarzelend, amper hoorbaar gefezel (zacht babbelend), maar dat gaat crescendo over in luide, heldere tonen die uitmonden in een uitbarsting van levensvreugde. En dat telkens opnieuw met variaties. Het is niet verwonderlijk dat de zwartkopzang een sleutelrol kreeg in een opera van de Franse componist, organist en ornitholoog, Olivier Messiaen (1908-1992) over het leven van de natuurminnende Sint Franciscus van Assisi. Een nagespeeld herkenbaar riedeltje uit de zang evoceert de heilig verklaarde man. (Réveil des oiseaux).
Zwartkopmannetjes zijn overwegend grijsbruin met een opvallend zwart petje. Vrouwtjes zijn bruinig met een kastanjebruin kapje. De ogen zijn diep zwart met een karakteristieke witte oog-ring en de zwarte snavel is puntig. De poten hebben een donkere grijstint.
Hoewel steeds meer van onze zwartkoppen de neiging hebben om in de winter hier te blijven, trekken de meeste in oktober nog altijd naar het zuiden, vaak in de buurt van het Middellands Zeegebied of soms verder Afrika in. Door de klimaatopwarming gebeurt de terugkeer in de lente wel steeds vroeger, nu al in de tweede helft van maart. Dat is een kleine maand eerder dan een halve eeuw geleden. In de weken voor hun vertrek uit hun wintergebied, beginnen mannetjes al hun zang te oefenen. Die moet vloeiend klinken als ze wat later hun broedterritorium moeten afbakenen en verdedigen.
Steeds meer Europese zwartkoppen gaan tegenwoordig wel overwinteren in het Verenigd Koninkrijk, waar ze vooral teren op vogelvoer dat er door vogelliefhebbers wordt verschaft. Eén vogel zou een groot deel van een winter zelfs exclusief hebben geleefd van Britse kerstmiscake (bereid met krenten en rozijnen).
De populatie van de zwartkop zit zo goed als overal in de lift. De soort trekt niet alleen voordeel uit het mainstream worden van natuurlijk bosbeheer, wat haar klassieke biotoop ten goede komt, maar ook van het natuurlijker worden van veel tuinen. In Vlaanderen nam de broedpopulatie, die nu op 70 000 koppels wordt geraamd, tussen 2007 en 2018 met 29% toe.
De vogel broedt graag in braamstruiken of netelstruwelen. Het nest wordt in een dichte struik gebouwd, dikwijls 1 tot 3 m boven de grond. Het is een uiterst licht, dunwandig kommetje van gevlochten plantenvezeIs vastgehecht met spinrag aan twijgjes en binnenin bekleed met spinsel en haren. In het broedseizoen teert hij vooral op insecten. Daarbuiten is hij een echte besseneter, waardoor hij een belangrijke rol speelt in het verspreiden van zaden in zijn leefgebied. Vooral vlier- en meidoornbessen vallen in zijn smaak, klimopbessen zijn een noodreserve.
Tijdens zijn trek wordt de zwartkop, zoals veel trekvogels, constant geviseerd door vogelvangers uit de mensenwereld, die hem belagen met vangnetten, lijmstokken en geweren. In onze tuinen zijn de kat en de steenmarter geduchte predators – tot 10% van een zwartkoppopulatie kan ten prooi vallen aan deze rovers. Vanuit de lucht zijn zwartkoppen niet veilig voor valken, sperwers en uilen. Toch lijkt het hun succes niet te hinderen.
De zwartkop is er ook in geslaagd te vermijden dat hij door koekoeken als waardvogel wordt gekozen. De gevlekte of gemarmerde eitjes in zijn nest lijken zo sterk op elkaar dat een vreemd ei gemakkelijk kan worden herkend en verwijderd. Het zwartkopsucces berust op meerdere gunstige aspecten.
Geraadpleegde bron: Knack: Beestenboel: de rode wouw [Dirk Draulans]
Het moet een van de succesvolste herintroductieprojecten uit de (korte) geschiedenis van het natuurbehoud zijn: de revival van de rode wouw in het Verenigd Koninkrijk.
Ooit was de soort er algemeen tot in de steden toe. Als aaseter maakte ze zich nuttig door kadavers op te ruimen, al dan niet achtergelaten door mensen.
Maar als aaseter was de wouw ook kwetsbaar voor verdelging, vooral door vergiftigd lokaas. Ondanks zijn nuttige functie werd hij, net als andere roofdieren, geframed als vijand van de mens en eeuwenlang vervolgd. Eierverzamelaars droegen hun steentje bij door nesten leeg te roven.
In de loop van de 19de eeuw verdween de rode wouw uit het Verenigd Koninkrijk, met een uitzondering van een bolwerkje in Wales waar hij moeizaam stand hield. In sommige periodes was er amper één vruchtbaar vrouwtje. Maar in de jaren 1980 schoten vogelbeschermingsorganisaties in actie. Er werden jonge vogels geïmporteerd uit gezonde populaties in Spanje en Zweden. Het eerste succesvolle broedgeval van uitgezette vogels werd in 1992 geregistreerd, het eerste broedgeval van jongen van ‘eigen kweek’ in 1994. De uitzetlocaties waren zorgvuldig gekozen, zoals een heuvelachtig gebied tussen Londen en Oxford, waar de vogels initieel vooral leefden van verkeersslachtoffers langs een drukke snelweg. Nu zie je er constant rode wouwen vliegen, ook opnieuw in de steden.
Het zijn grote en slanke dieren met lang vleugels en een gevorkte staart, een silhouet dat met niets anders te verwarren is. Er werd wat voor gevreesd dat het wouwensucces ten koste zou gaan van de buizerd, die ook grotendeels een aaseter is, maar ook dat bestand bleek toe te nemen.
Het aantal broedkoppels van de rode wouw in het Verenigd Koninkrijk wordt nu op 4400 geraamd, goed voor 17% van de totale populatie van de soort, die alleen in Europa voorkomt. De bedreigingen zijn niet weg – er worden nog altijd vogels geschoten en vergiftigd – maar de roofvogel lijkt wel uit de gevarenzone voor uitsterven.
In onze contreien blijft de wouw zeldzaam. In Nederland broeden elk jaar 10 tot 15 koppels. Volgens de laatste gepubliceerde cijfers van ons Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) broeden er in Vlaanderen jaarlijks één tot 6 koppels, vooral in de Voerstreek, waar vogels uit Wallonië of Duitsland terechtkomen. In Wallonië neemt de populatie wel toe: er zouden nu zo’n 350 broedkoppels zijn.
Maar ook in onze streken wordt de soort nog geviseerd. Een van de twee jongen uit een uitzonderlijk nest in het Oost-Vlaamse Moerbeke stierf in 2017. Hoewel er geen klassieke verdelgingsmiddelen in het kadaver werden gevonden, vertoonde het toch vergiftigingsverschijnselen. De strijd is dus nog niet helemaal gestreden.
De kleine plevier, kampioen van de vluchtige kansen
Geraadpleegde bron: Vogels kijken – editie 8 – mei – uitgelichte soort [Thomas van der Es]
Als ware opportunisten pakken kleine plevieren iedere kans die zich voordoet. Ze hebben een neusje voor het vinden van bouwplaatsen, braakliggende terreinen en depots voor baggerspecie, waar ze – als een van de weinige soorten in onze streken – zeer graag broeden. Hun natuurlijke broed- en leefgebieden zijn immers zeldzaam geworden in ons ‘aangeharkte’ stukje Europa. Een geschikt kiezelbed in een rivierloop of een zandige oever vind je nog maar zelden, als de mens ze al niet in gebruik heeft voor recreatie.
Voor een plevier is een nestje zo gemaakt. Even een paar keer tussen de kiezels een kuiltje draaien met kont en poten en het is geregeld. De eieren liggen feitelijk gewoon kaal op de grond. De vogels besparen zich de moeite om een extra nestbekleding aan te brengen. De eitjes hebben een ideale schutkleur, evenals de plevier zelf. Als deze plat op het nest zit, valt de zandbruine kleur vaak amper op.
Na enkele weken broeden lopende jonge plevieren als nestvlieders in de buurt rond. In een uitzonderlijk broedhabitat zoals een bouwterrein levert dat vaak ongemakkelijke situaties op. De vogel kan zijn begonnen in een periode dat het rustig was op het terrein, maar wat begon als een ideale broedplek kan zeer snel veranderen in een levensgevaarlijke werf voor de donzige pullen. Een terrein met ronddenderende machines waar permanent bouwmaterialen worden verplaatst, is geen veilige plek om op te groeien. Menig kleine plevier kent dan ook zeer spannende eerste weken.
Er zijn 3 plevierensoorten, die eigenlijk wel sterk op elkaar lijken: de kleine plevier, de bontbekplevier en de strandplevier. Als de vogels op grote afstand zitten, kan het nog weleens ingewikkeld zijn ze van elkaar te onderscheiden. Er zijn wel een aantal kenmerken die je vooraf kan bestuderen. In de winter op het strand of langs de kust is de kans dat je een kleine plevier of een strandplevier ziet, erg klein tot nihil. De belangrijkste merkwaardigheid van de kleine plevier is de duidelijke, markante gele oogring. Daarin wijkt de soort echt af van de bontbekplevier. Het wordt wel wat ingewikkelder bij juveniele vogels, waarbij de herkenningskenmerken wat minder uitgesproken zijn. Toch kan je merken dat ondanks de lichtere kleuren ook de jonge kleine plevieren een lichte gele oogring hebben.
Volwassen bontbekplevieren hebben oranje poten en een oranje snavel met een zwarte punt, terwijl kleine plevieren fletse, vleeskleurige poten en donkere snavels hebben. Strandplevieren tenslotte zijn verreweg de zeldzaamste van dit trio en hebben als belangrijkste onderscheidingskenmerk in alle kleden de ‘open borst’, zonder de donkere gesloten borstband dus. Zij vertoeven vooral in kustgebieden en verkiezen daarbij open zandige plaatsen als schelpenstranden, drooggevallen zandplaten, schorren en kwelders.
Kleine plevieren komen over het algemeen vooral voor in het binnenland. Een link met zoet water is daarbij van levensbelang, al kunnen ze wel op enige afstand van het water broeden. Diep in het binnenland, langs de Maas in Limburg, bij een zandwinplaats in Twente of bij een afgeplagd ven in Drenthe: allemaal potentiële plekken voor die fraaie kleine plevier.
De soort broedt vaak solitair, maar er zijn voorbeelden van een soort mini-kolonisatie. De afgelopen jaren vonden in en rondom het Dwingelderveld grootschalige natuurherstelmaatregelen plaats. Dit nationaal park is het grootste aaneengesloten natte heidegebied van West-Europa. Hiervoor werden stukken landbouwgrond omgevormd tot natte heidevegetaties, vennen werden hersteld en verruigde en grasrijke heidestukken werden geplagd. Deze reset bood direct broedkansen voor pioniers. Binnen de kortste keren doken er tientallen kleine plevieren op die er tot broeden kwamen – overigens met wisselend succes.
Kleine plevieren keren vroeg in het voorjaar terug naar onze streken. Een overwinterende kleine plevier is bij ons zeer uitzonderlijk. Verreweg de meeste vogels trekken weg richting Zuid-Europa. Eind februari, maar vooral begin maart kunnen we de vroegste vogels alweer verwelkomen. Net als kluten, grutto’s en witte kwikstaarten zijn kleine plevieren de eerste voorjaarsbodes.
Bij aankomst in een geschikt leefgebied en dat kan dus nogal uiteenlopend zijn, zal met wat geluk direct een bijzonder tafereel waarneembaar zijn. Het is een vleermuisachtig gefladder op grote hoogte waarmee een mannetje kleine plevier zijn unieke balts inzet. Hij draait en kantelt op grote hoogte en roept een luidruchtig trillend ‘tie-joe’. Bij het wentelen zijn de witte ondervleugels opvallend, in contrast met de zandbruine bovenvleugels. Deze spectaculaire capriolen zijn bedoeld om het vrouwtje te verleiden.
In tegenstelling tot de bontbekplevier en de strandplevier neem de kleine plevier in aantal toe. Eigenlijk is dat ook wel te begrijpen, want zeker in de afgelopen decennia is er in hoog tempo veel veranderd in ons landschap. Kleine plevieren hebben volop geprofiteerd van tijdelijke gunstige omstandigheden. Rondom dorpen en steden zijn veelvuldig bouwprojecten herrezen en dat bood broedkansen voor de soort.
Er zijn ook wat meer duurzame broedgebieden bijgekomen. Wat te denken van de Markerwadden of het Trintelzand, een nieuw natuurgebied van slib en zand, niet toegankelijk voor het publiek. De Houtribdijk tussen Lelystad en Enkhuizen begrenst het Markermeer van het IJselmeer. In 2019 moest de dijk worden versterkt, maar in plaats van stortstenen neer te leggen, werd de scheidingswand met zand afgedamd. Zo ontstond een 500 ha grote eilandengroep. Sommige eilanden zijn beschermd met dammen die begroeid mogen raken met plantjes; andere zijn bedekt met zand en zijn daardoor open en dynamisch. De broedvogeleilanden voorzien van schelpjes of kiezels bieden de meeste garanties voor de toekomst. We blijven het natuurlijk wel hebben over onderzoeksgebieden, waarbij de natuur toch veelal de drang heeft om zich spontaan zelf te ontwikkelen. Als de kale bodem begroeid raakt met kruiden en grassen, zullen kleine plevieren snel hun biezen pakken. Dus geregeld beheer en onderhoud is geboden.
De aankomst van kleine plevieren in het voorjaar merkt iedereen wel op. Ze trekken niet heel ver weg en zijn dus relatief vroeg weer terug en dan meestal direct erg vocaal en niet te missen. Later in de zomer wordt het allemaal steeds geheimzinniger. Na augustus worden ze opeens heel schaars. In stilte vertrekken kleine plevieren dan weer richting overwinteringsgebieden in Zuid-Europa.
Respectievelijk zie je foto's van bontbekplevier, strandplevier en kleine plevier.
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 71 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.