Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
De oude manier waarop we omgaan met de natuur, is failliet
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Vlaanderen: Mens & Vogel: editie herfst 2026: Linde De Vroey pleit voor meer wilde natuur in Vlaanderen [Stijn van Osch]
Linde De Vroey studeerde geschiedenis en filosofie en werkt aan een doctoraatsonderzoek aan de Universiteit Antwerpen over de culturele aspecten van rewilding, een innovatieve benadering van natuurbeheer die mens en natuur in een gedeeld landschap samenbrengt. In 2025 schreef ze het boek ‘Verwilderen’, een pleidooi voor biodiversiteit én een filosofische reflectie op onze verhouding met de natuur. Verderop lees je een uitvoerige boekbespreking.
Rewilding zet in de eerste plaats in op het herstel van natuurlijke processen na verstoring van een ecosysteem door de mens. Dat doet het door ruimte te maken voor de natuur, verbindingen aan te leggen, ontbrekende soorten te (her)introduceren en menselijke controle en verstoring te beperken. Dat laatste betekent natuurlijk niet dat de mens geen inbreng kan hebben, maar wel dat exploitatie plaatsmaakt voor dienstbaarheid aan de natuur.
De ‘re’ in rewilding suggereert een terugkeer naar een soort ‘wilder’ verleden, al hoeft het geen letterlijke terugkeer te zijn. Het is wel zo dat veel rewilding-projecten terugblikken op het verleden om een blauwdruk te ontwikkelen voor het ecosysteem dat men wil herstellen. Het verleden kan waardevolle informatie verschaffen over de ‘optimale’ staat van het ecosysteem of over een natuur die er ooit was en die we helemaal vergeten zijn. Het verleden is een uitstekende bron om ons uit te dagen ons idee van natuur in vraag te stellen.
Er zijn mensen die heel erg hunkeren naar een connectie die ze ergens wel kennen en voelen, maar die vaak wordt vergeten in ons hedendaagse, haastige en steeds meer digitale leven. De tomeloze, voortschrijdende verstedelijking en digitalisering leidt tot een soort van vervreemding waar velen niet gelukkig van worden. Die ‘natuurlijke’ samenhang herwinnen is in een tijd van enorme ecologische en politieke uitdagingen een extra essentiële betrachting.
Het is onmogelijk de hele wereld te redden, maar het kan wel hoop geven om een boom te redden van de hakbijl, een bever te zien terugkeren naar de plaatselijke rivier of een stukje natuur te herstellen in je eigen dorp of tuin. De natuur is een primaire bron van verwondering, van een verbinding met iets dat onszelf overstijgt. De eerste heiligdommen waren niet voor niets allemaal in de natuur, op plekken die ontroering oproepen. De natuur is ook gewoon verbluffend en in dat opzicht onuitputtelijk: hoe meer je erover leert, hoe meer verwondering ze oproept en hoe groter het mysterie wordt. Door het eigenzinnige aspect van de natuur centraal te stellen, daagt rewilding de mens uit om zijn bekrompen controlegedrag op te geven. Door die natuur te herstellen, zal ook de mens er baat bij hebben. Dat is het inzicht dat verwilderen ons geeft: natuur en mens staan enkele schijnbaar tegenover elkaar, maar delen in feite een gemeenschappelijk overkoepelend belang.
Wat verwondering oproept, zullen de meeste mensen respecteren en proberen te beschermen. Tegelijkertijd hebben we in ons gedrag tegenover de natuur nog te vaak last van een vorm van cognitieve dissonantie, omdat de gevolgen van veel van onze acties nu eenmaal zo indirect zijn. Het is bv. algemeen geweten dat (industriële) veeteelt nefast is voor landgebruik en dus ook voor natuurherstel, maar die kennis zorgt er niet voor dat we met z’n allen stoppen met vlees eten. Verwondering alleen leidt dus niet per se tot gedragswijziging, maar het kan wel een eerste stap zijn.
Vlaanderen heeft nood aan meer ruimte voor grotere en aaneengesloten natuurgebieden. Momenteel is slechts 3% van de Vlaamse oppervlakte een beschermd natuurgebied. Vooral natte natuur en bos kunnen in Vlaanderen zeker nog een duwtje in de rug gebruiken. Rivieren die weer meanderen, overstromingsgebieden en draslanden die watersnood kunnen opvangen, droogte tegengaan en tegelijkertijd de biodiversiteit bevorderen. Gezonde bossen met grote grazers en roofdieren in plaats van de veel te licht ontvlambare dennenplantages, die we nu nog steeds op veel plaatsen aantreffen.
Ook buiten die natuurgebieden moet het ruimtegebruik veel natuur-inclusiever. Denk aan tuinen, parken, bermen, lanen, speelplaatsen, stadspleinen en groengevels die de biodiversiteit ondersteunen in plaats van tegengaan. Ontharding zal daarin een sleutelrol spelen, maar landbouw is één van de grootste uitdagingen. In de landbouw zijn hervormingen broodnodig om de landbouwer en de natuur vooruit te helpen. Een natuur-inclusieve lokale landbouw met een eerlijk inkomen en levenskwaliteit voor de boer, moet kunnen. Waterkwaliteit is een ander pijnpunt dat idealiter sterk zou worden aangepakt, zodat er terug zalm en forel in onze rivieren kan zwemmen.
We moeten het schip nog kunnen keren. Klimaatontwrichting is geen ver-van-ons-bed-show meer. Veel mensen zitten er al middenin. We moeten een nieuw evenwicht zoeken, want het is duidelijk dat onze oude manier van met de natuur omgaan failliet is. Alléén maar meer technologie zal ons echt niet beschermen. Een nieuwe airco kan ons doen vergeten dat er buiten een hittegolf woedt, maar zal ons niet tegen overstromingen beschermen. Daarvoor moeten we de natuur weer leren kennen. Het besef dat veerkrachtiger ecosystemen ons kunnen helpen onszelf te beschermen kan hopelijk een stap in de goede richting zijn. Maar daarnaast moeten we oprecht weer empathie kunnen voelen en tonen voor de natuur, als een vorm van verwantschap. Op grote schaal deze doelstelling verwezenlijken is allesbehalve evident, maar er zijn heel wat mensen die wel vanuit die oprechte motivatie handelen en elke dag op hun manier strijden voor de natuur. Die groene beweging moeten we blijven aanmoedigen.
“VERWILDEREN” vertelt het bijzondere verhaal van ‘rewilding,’ een baanbrekende kijk op het herstel van natuur en biodiversiteit in een wereld in crisis. Historica en filosofe, Linde De Vroey gaat op zoek naar een visie voor rewilding in de Lage Landen en neemt de lezer mee naar plekken in binnen- en buitenland, waar mens en wildernis innig verstrengeld raakten. Gaandeweg wordt duidelijk dat verwilderen niet alleen een verhaal is over de natuur buiten onszelf, maar ook de mogelijkheid schept om ons eigen leven te verrijken. Een pleidooi voor rewilding, een zoektocht naar natuur binnen en buiten de mens en een oproep tot culturele transformatie. Verwilderen biedt hedendaagse inspiratie om de grens tussen natuur en cultuur te verleggen en de wildernis weer te integreren in het dagelijkse leven.
Een rosse franjepoot is een zeldzame verschijning in onze contreien, met gemiddeld zo’n 10 tot 20 waarnemingen per jaar, voornamelijk bij zware westerstormen langs de kust tijdens de doortrek naar het zuiden (tussen eind oktober en begin januari). Het is een steltloper die rondjes zwemt, zwemvliezen heeft en waarvan het vrouwtje opvallender is dan het mannetje. De rosse franjepoot is in vele opzichten een buitenbeentje.
Rosse franjepoten danken hun naam aan twee uiterlijke kenmerken. Ten eerste de rosse kleur in het prachtkleed, die we helaas in onze streken maar heel zelden zien. Ten tweede een unieke anatomische aanpassing die ze onderscheidt van de andere steltlopersoorten. In plaats van doorlopende zwemvliezen zoals je die bij een wilde eend ziet, heeft een franjepoot brede, lobvormige huidflappen aan weerszijden van de tenen, een beetje zoals we die ook van de meerkoet kennen.
In Nederland zijn er grofweg twee manieren waarop de soort zich laat zien: vliegend boven zee of foeragerend in de branding of aan een binnendijkse plas. Dat we rosse franjepoten in Nederland en Vlaanderen zeer zelden in zomerkleed zien, heeft een reden. De rui begint vaak al in juli. Ook de jonge vogels ruien hun donkere, warmgekleurde juveniele lichaamsveren al kort nadat ze in het Hoge Noorden vlieg-vlug zijn geworden. Tegen de tijd dat ze in West-Europa aankomen, hebben ze hun eerste verenkleed al grotendeels verruild voor de lichtgrijze en witte winterveren. Ook de perzikkleurige borst van het juveniele kleed is dan bij de meeste vogels al deels of helemaal verdwenen.
Het correct op naam brengen van een ver boven de zee vliegende rosse franjepoot vereist ervaring. Kenners determineren de soort op basis van een combinatie van kenmerken. Zie je een kleine, lichte steltloper met een relatief, trage, dwarrelende vlucht, die ook geregeld in hoogte varieert, dan kan het zomaar prijs zijn.Op afstand is een langs vliegende rosse franjepoot gemakkelijk te verwarren met een drieteenstrandloper. Deze vliegt echter opvallend rechtlijniger en is een fractie kleiner.
Wanneer een rosse franjepoot dichterbij vliegt, vallen vaak meer kenmerken op: een zo goed als volledig witte onderzijde, een grotendeels grijze rug, zwarte en witte delen in de staart, donkere vleugels met een opvallende, witte vleugelstreep, restjes van een donker petje op de kop, een donkere veeg achter het oog en een niet al te lange snavel. Soms landt een rosse franjepoot ook even op het water om te foerageren, meestal in de buurt van zeewierresten en takken (ook veek genoemd, het aanspoelsel dat bij eb langs de hoogwaterlijn op strand en dijken achterblijft). Ze pikken insecten van het wateroppervlak en zwemmen vaak als een dolle rondjes om hun eigen as. Zo creëren ze kleine draaikolkjes, waardoor larven en kleine waterdiertjes naar boven komen drijven. Deze pikken ze vervolgens vakkundig uit het water. Grappig om te zien is hoe rosse franjepoten tijdens deze foerageersessies heel soepeltjes over naderende golven heen springen.
Sporadisch zien vogelaars ook wel eens een andere soort franjepoot vliegend boven zee: de grauwe franjepoot. Waar een langs vliegende rosse franjepoot op het eerste gezicht grijswit is, oogt een grauwe eerder zwart-wit. Daarnaast is de grauwe iets slanker gebouwd en heeft hij een langere, dunne snavel. In de doortrektijd is een in de branding foeragerende franjepoot vrijwel altijd een rosse, terwijl een franjepoot die op een binnendijkse plas zwemt, meestal een grauwe is. De lichaamslengte van de rosse franjepoot varieert tussen 20 en 22cm; de vleugelspanwijdte reikt van 37 tot 40 cm, merkelijk groter dan de grauwe franjepoot
In volwassen zomerkleed is het vrouwtje beduidend mooier gekleurd dan het mannetje, in tegenstelling tot bij de meeste andere vogelsoorten. Een volwassen vrouwtje heeft een baksteenrode hals, borst, buik en anaalstreek. De vleugels en rug zijn versierd met zwarte veren met brede, goudgele zomen. Keel, voorhoofd, kruin en nek zijn asgrijs tot zwart en contrasteren opvallend met een forse, witte wangvlek, waarin het donker oog uitspringt. Ten slotte heeft het vrouwtje een gele snavel met een zwarte punt. De rode delen zijn bij volwassen mannetjes fletser van kleur en zowel de onderdelen als de bovendelen zijn minder scherp afgetekend. Qua geluid brengt de rosse franjepoot een korte, explosieve roep ‘wit’ uit. De zang, die enkel te horen is in het broedgebied, klinkt als een droge roller ‘drrrrrrrrrr’.
Die bijzondere kleurverdeling heeft alles te maken met een unieke rolverdeling tijdens het broedseizoen. De vrouwtjes strijden vanaf medio mei om de mannetjes. Het vrouwtje is initiatiefnemer bij de balts en moet het opnemen tegen andere concurrenten. Zij heeft de fellere kleuren nodig om indruk te maken op de mannetjes. Een bevrucht vrouwtje legt 2 tot 6 eieren in een door het mannetje gemaakt nest. Dat nest is feitelijk niet meer dan een ondiep kuiltje in de natte grond of in lage vegetatie, bekleed met plantenmateriaal. Vrouwtjes verlaten het nest al snel nadat de eieren zijn gelegd en zoeken vaak meteen een tweede en incidenteel zelfs een derde man.
(Vorige week hadden we het over het ontrouwe grasmusmannetje, weet je nog?).
Het mannetje broedt de eieren uit en brengt de jongen groot. Zijn doffere en minder opvallende verenkleed dient als camouflage tijdens het broeden op de grond. De broedduur is 17 tot 26 dagen en na 16 tot 20 dagen zijn de jongen vlieg-vlug. Het voedsel bestaat uit insecten, larven, kleine kreeftachtigen, weekdieren, wormen en plantenzaden.
De rosse franjepoot is een broedvogel van IJsland, Spitsbergen, Noord-Rusland, Alaska, Noord-Canada en Groenland. De vogels broeden in kleine groepjes op hoog-arctische natte toendra met veen, poeltjes en meren. De arctische verspreiding maakt het lastig de wereldpopulatie in exacte cijfers uit te drukken. Maar de gangbare schatting bedraagt één tot twee miljoen broedparen, waarvan 570 tot 1700 in Europa.
Rosse franjepoten vertrekken vanaf begin juni (vrouwtjes), eind juni (niet-broedvogels) of eind juli (mannetjes en de eerste juvenielen) naar hun overwinteringsgebied. De laatste juveniele vogels vertrekken pas in oktober. Ze overwinteren vaak in grote groepen op zee voor de kust van West- en Zuid-Afrika en de westkust van Zuid-Amerika. Aangezien rosse franjepoten over zee vliegen, zijn waarnemingen in Nederland bijzonder zeldzaam. Met name in het najaar maak je kans er eentje te zien. Dit gaat dan meestal om jonge, onervaren vogels die door slecht weer de weg kwijtraken of door harde aanlandige wind naar de Nederlandse kust worden geblazen. Voor tellers zijn het fijne krenten in de pap tijdens tellingen vanaf bekende zeetrektelposten als Westkapelle, de Maasvlakte, Scheveningen, Camperduin of Lauwersoog. Elk najaar worden langs de kust ook foeragerende vogels gezien, zwemmend tussen pieren, bij paalhoofden (houten golfbrekers) of onder aan een dijktalud en soms in de branding aan het strand.
Af en toe duikt er ook eentje op in een binnendijkse gelegen zoetwaterplas of natuurgebied. Met name Drenthe (3), Overijssel (2), Utrecht (1) en Limburg (1). Franjepoten zijn vaak bijzonder tam, omdat ze in hun broedgebied geen angst voor mensen hebben ontwikkeld. De terugtrek van overwinteringsgebied naar broedgebied verloopt snel en direct en ver van de Nederlandse kust vandaan. Rosse franjepoten willen immers op tijd zijn voor de korte arctische zomer, de vroege insectenpiek benutten en de beste broedlocaties claimen. Voorjaarsgevallen in Nederland zijn aldus nog veel zeldzamer.
Ook in ons land is de rosse franjepoot een schaars voorkomende vogelsoort, maar vrijwel een jaarlijkse bescheiden verschijning. De kuststreek is duidelijk de favoriete (kortstondige) verblijfplek. In het najaar van 2017 werd bv. één vogel in Kieldrecht gemeld, waarna alle verdere meldingen van dat najaar langs de kust kwamen; het maximum was 9 vogels op 29/10 bij Middelkerke. In het Zwin (Knokke) verbleef 1 rosse franjepoot in 2020 van 9 tot en met 31 oktober en in april 2021 werden 2 exemplaren waargenomen.In de voorhaven van Zeebrugge werd op 10/01 in de winter 2023 ook een rosse franjepoot opgemerkt en in oktober 2025 waren er opnieuw meldingen bij Wenduine en in de haven van Blankenberge. Je maakt dus kans de uitzonderlijke najaarsgast te ontdekken in beschutte wateren van zeekusthavens na stevige westerse stormwinden.
Binnen Europa is de grasmus een wijdverspreide vogelsoort die in vrijwel alle landen voorkomt. Het areaal strekt zich uit van de zuidelijke delen van Scandinavië tot aan de kusten van de Middellandse Zee. Alleen de meest noordelijke regio’s van Schotland, IJsland en de koudste gebieden van Noord-Noorwegen en Rusland blijven buiten bereik.
Nogal wat mensen zullen een grasmusje in hun buurt hebben zonder dat ze het beseffen. In beschrijvingen van het beestje, dat helemaal niet verwant is aan de huismus, lees je dat de mannetjes een opvallende witte keelvlek hebben onder een grijs kopje. Maar dat ‘opvallende’ is relatief. Je ziet het alleen als je het vogeltje met een verrekijker gedetailleerd kan bekijken. Een grasmus is vooral een onopvallend grijs en bruin vogeltje, dat wel veel gelijkenis vertoont met de braamsluiper (koestersoort in Zaventem). Ook de braamsluiper heeft een kenmerkende witte keel, maar een iets donkerdere grijze kop-kap. Hij heeft niet dat kastanjebruine vlak op de vleugels, de rug is eerder grijzig dan bruin, de onderzijde en de borst is wit (met een subtiele roze waas bij de grasmus) en de poten zijn donkergrijs, terwijl bleek oranjebruin bij de grasmus. De braamsluiper heeft ook geen witte oog-ring, wél een donkere -veeg over het oog (‘masker’). De vleugelspanwijdte van de braamsluiper (17-19 cm) is merkelijk kleiner dan deze van de grasmus (19-23 cm). Er zijn dus toch wel enkele verschillen al delen beide vogels ook ongeveer dezelfde biotoop.
Het hele jaar door zijn insecten, maar ook rupsen en spinnen een belangrijke voedselbron, maar tijdens de trek vormen bessen een groter deel van het menu. Ook de zang lijkt niet gemaakt om indruk mee te maken, toch niet op ‘niet-grasmussen’: de roep klinkt vaak als ‘tsjèrr’ en ‘tek’; kenmerkend is ook ‘wit-wit-wèhd-wèhd-wèhd’. De zang is melodieus en snel met knarsende en krassende tonen.
Doorgaans wordt het vanaf een struik te berde gebracht, soms in een opwaartse, korte, fladderende vlucht. Maar je moet er oor voor hebben om het op te pikken. Zelfs vogelkenners beseffen in de lente soms pas na een paar dagen dat de grasmussen uit hun Afrikaanse wintergebieden terugkeren als ze zich ineens bewust worden van het flauwe gezang. Een grasmus valt dus niet op, wat misschien net de bedoeling is. De vrouwtjes zijn immers nog saaier uitgedost dan de mannetjes.
De grasmus is typisch een vogel van de open ruimte met struiken, kreupelhout, dichte kruidenvegetatie en enkele bomen, die als zang- en uitkijkpost dienst doen. Hij houdt van begroeide taluds, spoordijken, heggen, braam- en doornstruiken (mei- en sleedoorns) rond heidevelden. Hij is vaak wat schuw en houdt zich schuil in dichte begroeiing, maar verraadt zichzelf door zijn roep en komt uiteindelijk tevoorschijn om toe te geven aan zijn onbedwingbare nieuwgierigheid.
In het begin van het broedseizoen bouwt een mannetje enkele nesten in zijn territorium, doorgaans vrij laag in struwelen van bv. bramen of brandnetels, twee plantensoorten die het goed doen als gevolg van stikstofoverlast in onze omgeving. Als een vrouwtje de fysieke kwaliteiten van een mannetje heeft beoordeeld en interesse toont, inspecteert ze de nesten. Als ze er eentje comfortabel vindt, werkt ze het verder af met zachte grassen en paardenharen. Daarin legt ze dan haar eitjes. Als ze wel in het mannetje is geïnteresseerd, maar zijn bouwsels haar niet bevallen, kan ze uitzonderlijk zelf een nest maken.
Mannetje en vrouwtje broeden allebei. De vrouwtjes draaien wel langere shiften, vooral ’s nachts. Beide ouders zorgen ook samen voor de jongen. En het kan vooruitgaan in het grasmussenbestaan, want het broeden neemt slechts 2 weken in beslag. Wanneer alles vlot verloopt, vliegen de jongen al na een 12-tal dagen uit en kan een 2de legsel komen. Maar na het leggen van de eitjes verlaten nogal wat mannetjes hun vrouwtje. Alsof ze in hun eerste broedsel investeerden in de hoop op een 2de, waarna ze eieren voor hun geld kiezen en het vrouwtje achterlaten. Het wijfje heeft evenwel ook energie in die eitjes gestokenen zal die inspanning niet zomaar opgeven omdat het mannetje is opgestapt. Het is natuurlijk mogelijk dat een mannetje vindt dat het genoeg heeft bijgedragen door nestjes te bouwen of dat er later in het seizoen voldoende insecten zijn, zodat een vrouwtje hem niet meer nodig heeft om haar jongen groot te krijgen. Excuses zijn er om gebruikt te worden. Grasmussen zouden trouwens elk jaar van partner wisselen.
Het bestand van de grasmus neemt de laatste tijd overal toe, maar het zou vooral een herstel zijn na een zware crash in de jaren ’60, toen het in de Sahel, waar de dieren doorheen moeten tijdens hun trek, uitzonderlijk droog was. De grasmussenpopulatie zou toen in enkele jaren tijd met 2/3 gekrompen zijn. Een grasmus wordt gemiddeld ook maar 2 tot 3 jaar oud. Wereldwijd geldt de grasmus als niet bedreigd. De soort heeft een enorm verspreidingsgebied en een populatie van vele miljoenen vogels. Toch is ze gevoelig voor veranderingen in het milieu, vooral buiten Europa. De grootste risico’s liggen in de Afrikaanse Sahel, waar ze overwinteren. Langdurige droogte leidt daar tot voedseltekorten, waardoor veel vogels de winter of de terugreis niet overleven. Hoewel sinds de crash de aantallen zich grotendeels hebben hersteld, blijft de soort kwetsbaar voor klimaatverandering en verschuivende regenpatronen in Afrika.
Predatie vormt voor de grasmus in alle levensfasen een constante dreiging, vooral tijdens het broedseizoen. Omdat de nesten laag in de struiken of tussen hoge kruiden liggen, zijn eieren en kuikens kwetsbaar. Op de grond vormen wezels, hermelijnen, vossen en egels een risico. In de struiken zoeken gaaien en eksters actief naar nesten. Ook sperwers grijpen geregeld volwassen vogels, vooral wanneer mannetjes zich tonen tijdens hun zangvluchten. In dorpen en tuinen komt daar een extra vijand bij: de huiskat, die veel pas uitgevlogen jongen weet te bemachtigen.
De grasmus is een lange-afstandstrekker die de winter doorbrengt ten zuiden van de Sahara, veelal in de Sahel van Senegal tot Ethiopië, maar verder zuidoostelijk ook Tanzania, Zambia, Zimbabwe en Botswana. ‘Onze’ grasmussen zitten voornamelijk in de westelijke Sahel. De trek naar de overwinteringsgebieden is in augustus-september en rond half april tot half mei komen ze terug. Ze vliegen vooral ‘s nachts om koelte te benutten en roofvogels te vermijden. Voor het vertrek bouwen ze grote vetreserves op, nodig voor lange etappes over de Middellandse Zee en de Sahara.
De aantallen zouden nog altijd niet opnieuw op de oorspronkelijke waarden zijn. Maar dat er tegenwoordig grasmussen in verwilderde tuinen in open landschap worden gezien, is een hoopgevend teken. De toename lijkt zich vooral af te spelen in heide- en duingebieden. Elders in Vlaanderen en dan met name in het landbouwgebied heeft de soort het moeilijker door de verdere intensivering van de landbouw en de nog steeds doorzettende verstedelijking. In tegenstelling tot de zwartkop lijkt de grasmus niet in staat zich daaraan aan te passen. De gemelde toename past in het Europese lange-termijnplaatje en sluit ook aan bij de aangroei diewerd gemeld in Vlaanderen in de periode 2000-2002. Er zijn slechts weinig regionale cijfers uit duin- en/of heidegebied beschikbaar om de Vlaamse trend te staven.
De visdief, kwetsbaar, maar toch niet meer bedreigd Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – diverse vogelgidsen – Ecopedia – Fauna & Flora
De visdief is de stern, die het vaakst boven Europa wordt gezien. De noordelijke grens van hun leefgebied in Europa ligt net boven de poolcirkel in Scandinavië, terwijl de vogel in het zuiden tot aan de Middellandse Zee te vinden is. Grote populaties bevinden zich vooral in Rusland, Finland, Oekraïne en Groot-Brittannië. De vogels broeden in kolonies van tientallen tot honderden koppels op korte afstand van elkaar in kustgebieden van West-Europa en op visrijke wateren in het binnenland (Midden- & Oost-Europa).
Bij voorkeur broeden ze op eilandjes, kiezelstranden of zandplaten en andere voor grondpredatoren moeilijk bereikbare plaatsen met een vrijwel kale tot spaarzaam, begroeide bodem. De visdief heeft te maken met verschillende natuurlijke vijanden, die het vooral op de eieren en de jongen hebben gemunt. In de lucht vormen grotere vogelsoorten, zoals zilver- en mantelmeeuwen en kraaien een constant gevaar voor de onbewaakte nesten in de kolonie. Op de grond zijn het vooral zoogdieren, zoals vossen, ratten en wezels die een bedreiging vormen. Ondanks de felle verdediging door middel van duikvluchten kan een enkel roofdier in een korte tijd een groot deel van de jaarlijkse aanwas van een kolonie vernietigen.
De visdief is direct herkenbaar aan zijn slanke en sierlijke, gestroomlijnde bouw. Rug en boven-vleugels zijn zilvergrijs en de onderdelen lichtgrijs. Kenmerkend is de zwarte kop-kap die doorloopt tot in de nek en de witte borst. De buitenste handpennen zijn iets donkerder, waardoor er – vooral in de zomer – een donkere wig op de boven-vleugel ontstaat. Vooral in de vlucht vallen de diep gevorkte staart en de zwartgrijze omrande vleugeltippen goed op. Visdieven lijken sterk op een Noordse stern, maar hebben een langere snavel en hals, bredere vleugels en langere, rode poten en meestal een zwarte eindpunt aan de felrode snavel. De lichaamslengte varieert tussen de 31 en 35 cm; de vleugelspanwijdte reikt tot 82 en 95 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 90 en 150 g. Het geluid dat de visdief voortbrengt, is erg luidruchtig en doordringend, vooral wanneer de vogels zich in de buurt van hun broedkolonie bevinden. Door de hoge tonen is het gekrijs zelfs boven het geluid van de branding of de harde wind uitstekend hoorbaar. De meest bekende roep is een scherp en neerwaarts klinkend geluid dat vaak wordt omschreven als een krassend ‘krie-èèèh’. Wanneer de vogel opgewonden of agressief is, maakt hij snelle en herhalende geluiden die klinken als ‘kik-kik-kik-kik’. Tijdens de baltsperiode maken de vogels een zachter en meer rollend geluid om met elkaar contact te houden ‘kirrikirrikirrik’.
Visdieven eten graag kleine rondvis (bv. haring, spiering, sprot), die meestal al duikend wordt bemachtigd na een korte biddende verkenningsvlucht. Ze zoeken hun voedsel in zoete en zoute milieus: in een intergetijdengebied, aan de kust, in moerassen, meren, rivieren en beken. Bij gebrek aan rondvis schakelen ze over op kleine platvis (schar, schol, tarbot), garnalen, kikkervisjes, kleine kreeftachtigen, weekdieren, insecten (kevers, libellen) … Als een dief duiken ze een klein visje op en zijn even snel weer uit het water verdwenen, waarna ze hun prooi meteen doorslikken of die in hun snavel meenemen naar hun partner of jongen in het nest.
De balts is een spectaculair tafereel, waarbij de vogels samen hoog in de lucht zweven en snelle duikvluchten maken. Een belangrijk onderdeel van dit ritueel is het aanbieden van een visje door het mannetje aan het vrouwtje, om te laten zien dat hij een geschikte partner en ouder is. Het koppel heeft een legsel per jaar met 2 tot 3 eieren in een nestkuiltje. Doorgaans vindt de broedperiode plaats vanaf mei tot begin juni. Beide ouders wisselen elkaar af tijdens de broedtijd, die ongeveer 21 tot 25 dagen duurt. Na 23 tot 27 dagen kunnen de jongen vliegen. Soms worden in het westen en noorden van Nederland ook platte grinddaken bewoond. Ook in natuurontwikkelingsgebieden langs de grote rivieren voorziet men geschikte broedgelegenheid (vlotjes) voor de visdief.
Ondanks zijn bescheiden gewicht legt de vogel elk jaar tienduizenden km af tussen zijn broedplaatsen in het noorden en zijn winterverblijven in het verre zuiden. Een visdief geboren en geringd in Finland werd een half jaar later in Australië teruggevonden: een tocht van maar liefst 22 500 km. Visdieven overwinteren voornamelijk langs de westkust van Zuid-Europa en Afrika, met name het kustgebied van Mauritanië en Nigeria. Een klein deel van de visdieven trekt helemaal door naar Zuid-Afrika. Dat doen ze via de kustroute maar ook over het binnenland, daarbij vooral het laagland opzoekend. Visdieven verschijnen reeds vanaf eind maart in onze regionen, maar de grootste voorjaarstrek vindt plaats tussen half april en eind mei. Vanaf begin juli gaan er weer groepen richting het zuiden, wat doorgaat tot september, begin oktober.
In de jaren ’50 van de vorige eeuw broedden er tot 40 000 paren in Nederland. In de jaren ’60 stortte de populatie in vooral door lozing van landbouwbestrijdingsmiddelen tot zo’n 5 000 broedparen. Na het verbod volgde een herstel van de soort. De laatste jaren neemt de soort weer licht in aantal af. Voedselgebrek kan ertoe leiden dat er jaren zijn waarbij jongen amper volwassen worden.
Verschillende oorzaken zorgen voor stagnatie in de comeback van de visdief. Ten eerste is er de nijpende voedselsituatie langs de kust en het IJsselmeer, veroorzaakt door overbevissing. In de binnenwateren speelt vertroebeling door toegenomen voedselrijkdom (eutrofiëring) waarschijnlijk een negatieve rol voor een oogjager als de visdief. De afname aan geschikte broedplaatsen is te wijten aan de toegenomen recreatie, predatie en begroeiing.
Verschillende natuurgebieden die door visdieven worden gebruikt als broedgebied, foerageergebied of slaapplaats, zijn afgebakend en beschermd als Natura 2000-gebied (Grevelingen, Oosterschelde en Waddenzee). Voor deze gebieden gelden strenge regels voor alle activiteiten die mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben op de natuurwaarden waarvoor het gebied is voorbestemd.
De aanwezigheid van de visdief is een duidelijke indicator voor de kwaliteit van de omgeving. Omdat hij sterk afhankelijk is van jonge visjes, is zijn komen en gaan een graadmeter voor de biodiversiteit en gezondheid van het water.
De populatieontwikkeling van de visdief in Vlaanderen is redelijk goed gedocumenteerd. De soort is van oudsher sterk kust-gebonden Vanaf 1990 werd het populatieverloop lange tijd gedomineerd door wat er in het Zeebrugse havengebied afspeelde, maar het voorbije decennium was dat niet langer het geval. De Zeebrugse populatie is na 2008 in elkaar geklapt als gevolg van verstoring door landroofdieren. Sindsdien zijn er in het Zwin en in Oostende nieuwe broedgebieden gecreëerd, waardoor de soort wat meer verspreid is gaan broeden. Ook elders in Vlaanderen was er het voorbije decennium veel aandacht voor een betere bescherming van bestaande broedgebieden en het creëren van nieuwe nestgelegenheid in de vorm van drijvende vlotjes, waardoor de soort weer in de lift zit.
In 2018 waren de nieuwe broedeilanden in het Zwin (195 paren) en vooral die in de Spuikom van Oostende (606 paren) nog altijd zeer succesvol. Op het Sternenschiereiland langs de Oostdam van de Zeebrugse haven en in de haven van Antwerpen werden met succes afrasteringen geplaatst om verstoring en predatie door landroofdieren tegen te gaan. In 2018 kwamen hier respectievelijk 560 en 232 paren tot broeden. Op de grindeilanden en –banken in de Limburgse Grensmaas kwamen in 2018 voor het eerst grotere aantallen (65 paren) tot broeden. Op veel binnenlandse wateren werden vlotjes gelegd die meestal kleinere, maar soms ook grotere aantallen broedvogels (97 nesten op de vlotjes in de Doelpolder Noord) aantrokken. Doordat het aantal broedlocaties is toegenomen en de toegankelijkheid voor roofdieren werd beperkt, is de Vlaamse populatie wat minder kwetsbaar geworden en zitten de aantallen sinds 2014 weer in stijgende lijn. In 2018 broedden er ongeveer 1550 paren in Vlaanderen, maar dat is nog altijd meer dan een halvering ten opzichte van de piekjaren.
De zwarte stern, de grijze koning van het moeras in gevaar
Geraadpleegde bronnen: Vogelskijken editie 15 [Corstiaan Beeke] – diverse vogelgidsen – Sovon vogelonderzoek – Animalia – Ecopedia
In de 19de eeuw was de zwarte stern in onze streken, in de waterrijke gebieden nog een algemene broedvogel, maar in België is hij nu vrijwel verdwenen. ’s Zomers komen er na broedtijd uit oostelijke gebieden nog vele exemplaren naar Nederland, waardoor er somszwermen van tienduizenden zwarte sterns te zien zijn. Door drooglegging van natte weilanden, moerassen en vennen is hun broedareaal sterk ingekrompen.
Moerassterns, waartoe ook de zwarte stern behoort, zijn het vaakst te vinden langs ondiep, met riet omzoomde rustige wateren, dichtgegroeide binnenmeren, slotenrijke polders, rivieroevers en soortgelijke wetlands met weelderige vegetatie. Ook in de Lage Landen heeft de zwarte stern het niet makkelijk. Ooit broedden er tienduizenden paren, tegenwoordig zijn het er nog slechts enkele duizenden. Desalniettemin is het spotten van deze elegante soort voor veel vogelaars een hoogtepunt van het voorjaar en de nazomer.
Net als zijn naaste familieleden – de witwangstern en de witvleugelstern – onderscheidt dit type stern zich van andere sterns door een trage, meer schommelende vlucht, kortere en bredere vleugels en een minder diep, gevorkte staart. Moerassterns zijn ten opzichte van andere (‘zee’)sterns minder aan de kust gebonden en broeden in losse kolonies in ondiepe binnenwateren en zoetwatermoerassen.
Toch kan je tijdens de doortrekperiode zwarte sterns ook zien op kleine en grote wateren en op zee. Moerassterns vliegen tegen de wind in – stijgend en dalend (niet biddend) – pikken hun voedsel op van het wateroppervlak (in plaats van in het water te duiken, zoals visdief en grote stern) of jagen behendig (net als zwaluwen) op vliegende insecten (muggenlarven, libellen of waterjuffers). Tot het menu behoren ook nog kleine vissen (jonge voorntjes of driedoornige stekelbaarsjes), amfibieën (kleine kikkervisjes) en regenwormen.
Een zwarte stern in zomerkleed is overwegend leigrijs met een zwarte kop. Buik en borst zijn eveneens donkergrijs; boven-staart, stuit, rug en puntige boven-vleugels zijn iets lichter grijs, de handpennen weer iets donkerder. De anaalstreek en onder-staartveren zijn helder wit. De korte, slanke, vlijmscherpe snavel is zwart en de korte pootjes erg donker. De lichaamslengte varieert tussen 22 en 26 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 56 en 62 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 50 en 75 g. De roep in vlucht is een rauw: ‘k‘sjlett’ en een kort nasaal ‘klit’ en ‘KLIE-a’; de alarmroep is een energiek ‘ki-ki-ki-…’
In volwassen zomerkleed zijn witwangstern en witvleugelstern vrij eenvoudig van zwarte stern te onderscheiden. Een witwangstern heeft, zoals de naam al aangeeft, duidelijk zichtbare witte wangen, maar ook een dikkere, donkerrode snavel en vooral in vlucht opvallende, zilvergrijze vleugels. Een witvleugelstern in zomerkleed heeft naast een duidelijk zichtbare witte vleugelboeg (voorste hoek van de vleugel bij de schouders) ook zwarte onder-staartdekveren en een opvallende, witte stuit. Hierdoor ogen witvleugelsterns in vlucht eerder zwartwit dan grijs. In de loop van de zomer beginnen volwassen moerassterns al naar het winterkleed te ruien. De meeste donkere delen worden lichter, maar in dit kleed blijft bij de zwarte stern wel een donkere zijborstvlek zichtbaar, die bij de beide andere soorten ontbreekt.
Zwarte sterns broeden van West-Europa tot in Aziatisch Rusland. In Polen, de Baltische Staten, Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland broeden bij elkaar opgeteld momenteel zo’n 69 000 paren, wat ongeveer 95 % van de huidige Europese populatie is. In de afgelopen 30 jaar is deze populatie met ongeveer 15 % geslonken. De soort ontbreekt als broedvogel op de Britse Eilanden, alsook in grote delen van Noord-Europa en is erg schaars in Zuid-Europa. In Midden-Europa is de soort recent behoorlijk achteruitgegaan, terwijl in Finland en Oost-Europa de aantallen juist zijn gestegen. In het begin van de 20ste eeuw broedden vermoedelijk tot wel 20 000 paren in Nederland. Dit aantal was rond 1990 afgenomen tot 1 300, bleef een poosje redelijk stabiel tot men in 2023 een nieuw dieptepunt bereikte met slechts 4 000 getelde individuen op de verschillende rui-, foerageer- en slaapplaatsen. In Nederland treft men de zwarte sterns hoofdzakelijk aan in de laagveengebieden van Zuidoost- en Midden-Friesland, Noordwest-Overijssel, het Groene Hart (uitgestrekt, waterrijk veenweidegebied omringd door grote steden zoals Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Zoetermeer en Leiden) en in delen van het oostelijk rivierengebied.
De zwarte stern broedt het liefst op drijvende watervegetatie, zoals gele plomp, waterlelie, waterviolier, fonteinkruiden, maar bij voorkeur op krabbenscheer (waterplant uit de waterkaardefamilie, waarvan de getande, zwaardvormige bladeren uit het water steken). De beschikbaarheid van deze vegetatie staat al tientallen jaren onder druk, onder meer door de uitbreiding van de invasieve Amerikaanse rivierkreeft. Die knipt en woelt de waterplanten los, waardoor ze sterven.
Andere genoemde oorzaken van de achteruitgang zijn de verslechterde waterkwaliteit (eutrofiëring), verminderde dynamiek van het oppervlaktewater (waterpeilfluctuaties), verstoring door recreatie en het gebrek aan geschikt voedsel voor de jongen. In een poging deze achteruitgang een halt toe te roepen, bieden verschillende organisaties al enkele tientallen jaren kunstmatige, houten vlotjes aan op geschikte locaties, waar een groot deel, in Nederland broedende sterns, gebruik van maken.
Heel af en toe laat de eerste zwarte stern van het jaar zich eind maart al zien, maar de echte voorjaarstrek vindt plaats tussen half april, half mei met een absolute piek in de laatste 10 dagen van april en de eerste van mei. In het voorjaar gaat de trek noordwaarts sneller en sommigen vliegen over de Sahara in plaats van er via het westen omheen te vliegen. Grote groepen die bij een meer aankomen, zijn na een paar uur al weer vertrokken.
Eenmaal een optimaal broedterrein is gevonden, maken de zwarte sterns baltsvluchten bestaande uit een groepje dat zich cirkelend hoog in de lucht bevindt en daarna plotseling uiteenvalt en sierlijk in glijvlucht daalt. Na de demonstratie vliegt het mannetje met een glanzend visje of een dikke libel in zijn snavel over de kolonie om een vrouwtje te imponeren. Zodra zij de buit aanvaardt, is het paar gevormd. Doorgaans wordt het nest gemaakt op een drijvend platform van waterplanten. Vanaf half mei worden daarop meestal 3 eieren gelegd. Ze zijn bruin- tot groenachtig, met een zwartbruine stippentekening. De eieren komen na 21 tot 22 dagen uit. Na twee weken verlaten de kuikens het nest. Zwarte sterns nestelen graag in de buurt van kokmeeuwen en visdieven. Deze grotere en agressievere vogelsoorten verdedigen hun kolonie hardnekkig tegen predatoren zoals bruine kiekendieven en reigers. Zo benutten de moerassterns een veilige bescherming.
Na het broedseizoen verzamelt een groot deel van de Europese en West-Aziatische broedpopulatie zich in het voedselrijke IJsselmeergebied. Daar kunnen de vogels op-vetten alvorens zuidwaarts naar de overwinteringsgebieden te vliegen. In de jaren ’80 en ’90 liepen de aantallen op het Balgzand (grote wadplaat en natuurgebied van 6 000 ha tussen Den Helder en Wieringen) op tot boven de 100 000 vogels, maar recenter verzamelen de sterns zich op het eiland De Kreupel (kunstmatig aangelegd eiland voor broedvogels) en het Trintelzand (natuurgebied gelegen aan de noordkant van het Markermeer) en gaat het in het totaal nog slechts om maximaal 10 000 vogels. Kenners wijten die afname aan de forse daling van de spieringpopulatie in het gebied, die zelf mogelijk een gevolg is van de opwarming van het IJsselmeer.
Het overgrote deel van de zwarte sterns trekt weg tussen half juli en half september met een duidelijke piek rond half augustus. Enorme aantallen verzamelen zich in Nederland alvorens ze over zee naar het zuiden trekken: adulte vogels vertrekken een maand eerder dan de juveniele. Vele stoppen een paar dagen bij reservoirs en meren in het binnenland. Zwarte sterns overwinteren in West-Afrika, vooral op zee voor de kust tussen Mauritanië en Namibië. De wegtrek vanuit het IJsselmeergebied vindt vooral ’s nachts plaats en mogelijk in één lange, ononderbroken vlucht.
Vlaanderen ligt nabij de noordwestgrens van het areaal. België is erg belangrijk voor de zwarte stern omdat bijna de gehele Oost-Europese populatie (o.m. Balkan- en Kaukasusgebieden) in het najaar grotendeels via de kustregio of op grote meren door ons land trekt. In het voorjaar is de doortrek algemeen verspreid over het gehele land. De broedpopulaties zijn vanaf het begin van de jaren ’70 sterk in aantal afgenomen op de Kempense vennen, zoals in de meeste landen van West-Europa. In 1984 broedde deze stern voor het laatst in Vlaanderen, meer bepaald in de Antwerpse Kempen.
Geraadpleegde bronnen: Vogelskijken editie 15 – Vogelbescherming Nederland – roofvogelgids – VRT-Nieuws (13/08/2026) – diverse vogelgidsen
Als je het hebt over een soort in de lift, dan is de grijze wouw daarvan een schoolvoorbeeld. Stond de teller aan het begin van dit millennium nog op 2 gevallen in Nederland, dan is die inmiddels de 120 al gepasseerd en komen er, zeker in de warme maanden, bijna wekelijks vogels bij. De allereerste vogel werd ontdekt in Flevoland, in de avond van 31 mei 1971 tijdens een kiekendievenonderzoek. De soort was toen in Europa ook nog erg zeldzaam en broedde alleen in Zuid-Portugal. Pas in 1998 volgde een tweede Nederlandse waarneming op Texel. Die keer bleef de vogel langer (de laatste drie dagen van maart) ter plekke en konden veel vogelaars van diens magische verschijning volop genieten. Diezelfde dag werd ook een grijze wouw in Skagen (het noordelijkste punt van Jutland in Denemarken) gesignaleerd, de eerste voor dat land. De aanname was dat de vogels uit Zuidwest-Europa afkomstig waren, waar de populatie zich gestaag aan het uitbreiden was.
Deze van origine (Zuid-Aziatische en) Afrikaanse soort (in Zuid-Afrika de ‘Devil Pigeon’ genoemd) heeft de oversteek gemaakt naar Zuidwest-Europa. Een stevige populatie vertoeft in de smalle, groene strook langs de Nijl in Egypte. Vanaf de jaren ’70 begon de grijze wouw langzaam terrein te winnen op het Europese vasteland. Het zwaartepunt lag en ligt nog steeds op het Iberisch Schiereiland. Vooral in Spanje en Portugal namen de aantallen gevoelig toe, mede dankzij extensieve landbouw, een rijk aanbod aan muizen en minder vervolging. Waar de soort in de jaren ’60 nog kwetsbaar was, werd hij vanaf de jaren ’80 steeds algemener in Zuid- en West-Spanje.
Het eerste broedgeval werd daar in 1973 vastgesteld. In 1995 ging het nog steeds maar om ongeveer 10 paren, maar in een kwart eeuw tijd schoot het aantal omhoog naar 1 500. De aantallen in Portugal volgden een vergelijkbare, zij het iets bescheidener, trend. Hier groeide het aantal broedparen van enkele tientallen in de jaren ’70 naar ongeveer 800 tot 1 000 paren in 2020. In Frankrijk bleef de grijze wouw aanvankelijk nog een zeldzaamheid, maar vanaf 1990 werd er voor het eerst gebroed en begon ook daar een bestendigeuitbreiding. Eerst als doortrekker, later met broedparen in het zuidwesten. Inmiddels broedt de soort zelfs in delen van Midden-Frankrijk. Ook Italië, met name op Sardinië en soms ook het vasteland, kreeg geregeld bezoek. In 2023 werd als dwaalgast de soort zelfs in Engeland opgemerkt.
De grijze wouw is niet moeilijk te herkennen. Het is een kleine, gedrongen, maar extreem levendige roofvogel met spitse, brede vleugels en korte, witte, vaak gespreide staart. De lichaamslengte reikt tussen de 31 en 36 cm; de vleugelspanwijdte varieert tussen de 76 en 88 cm en het lichaamsgewicht schommelt rond de 230 g. Los van het unieke silhouet, is de kleurverdeling van het verenkleed opvallend. In de vluchtigheid zou je hem nog kunnen verwarren met een mannetje blauwe kiekendief of zelfs met een stormmeeuw.
Maar zodra je de vogel goed in de kijker hebt, is er geen twijfel meer mogelijk. De onderzijde is heel wit en doet, vooral door de zwarte vleugelpunten, bijna meeuwachtig aan. De bovenzijde is grijs met grote zwarte schoudervlekken. In zit is de vrij grote kop van de vogel een ware ‘eyecatcher’. Grijze wouwen hebben prachtige, grote, bloedrode – uilachtige ogen – die aan de bovenkant zijn begrensd met een dikke, zwarte wenkbrauw, waardoor het lijkt of de roofvogel een ‘masker’ draagt. De snavel is zwart met een was-huid, die felgeel gekleurd is, net zoals de poten. Jonge vogels verschillen niet heel erg veel van de volwassenen, maar hebben vaak lichtere, oranje ogen en lichtere veerranden aan de mantel en slagpennen. Ook tonen ze nog weleens een gelige zweem met smalle strepen op de borst en kop. Overigens is de grijze wouw geen familie van de rode of zwarte wouwen, maar behoren tot een aparte groep binnen de roofvogels.
De grijze wouw is geen uitgesproken trekvogel, maar ook zeker geen standvogel. Als in hun broedgebied de levensomstandigheden goed zijn, blijven ze daar wel het hele jaar. Maar de soort heeft ook een sterk nomadisch bestaan. Zo kunnen ze tijdens muizenplagen enorme afstanden afleggen, waarbij ze soms België, Duitsland en Nederland bereiken. Jonge vogels zwerven vaak over grote afstand op zoek naar nieuw broedgebieden.
Uniek voor grijze wouwen is dat bij ideale levensomstandigheden ze meermaals per jaar tot broeden kunnen komen. In tegenstelling tot veel andere Europese roofvogels zijn ze niet strikt gebonden aan de lenteperiode. Bij een enorme muizenplaag kunnen ze het hele jaar door broeden. Tijdens de balts vliegt het mannetje op in hoge spiralen met snelle vleugelslag; dan duikt of glijdt hij naar beneden met zijn vleugels geheven in een V-vorm, vaak met bengelende poten. Zijn luchtige vliegwijze met schuin opgeheven vleugels creëert zowat het effect van een ‘papieren vliegertje’. Het paartje bouwt samen een relatief klein, slordig platform van dunne takjes en twijgen, gevoerd met fijne grassprieten en pluisjes. Het nest wordt hoog gebouwd in de vork van een solitaire boom (zoals een eik, den of in het zuiden kurkeik) met vrij zicht over de jachtvelden.
Het vrouwtje legt 3 tot 5 eieren, die romig wit zijn met dichte, diep paarsbruine marmeringvlekken. Ze worden gedurende 30 tot 35 dagen bijna uitsluitend door het vrouwtje bebroed. De jongen vliegen uit na 30 tot 40 dagen, maar zijn nog ongeveer anderhalve maand afhankelijk van de ouders. In een goed muizenjaar kunnen er dus 4 legsels zijn! Dat maakt het soms best lastig een exacte leeftijdsbepaling aan een jonge vogel te hangen. Deze hoeft dus niet perse in het voorjaar geboren te zijn. Zolang de condities gunstig blijven, valt de uitbreiding van de grijze wouw ongetwijfeld samen met hun grote aantal broedsels. De soort profiteert van zachtere winters, langere groeiseizoenen en veranderingen in landbouwgebruik. De favoriete habitat – open landschappen met akkers, graslanden en verspreide bomen – is in Europa ruimschoots voor handen en ook dat helpt, hoewel voedselbeschikbaarheid altijd de doorslaggevende factor blijft.
Grijze wouwen zoeken hun voedsel vanuit de lucht. Ze zweven dan soms op grote hoogte, speurend naar kleine knaagdieren (veld- en bosmuizen, jonge ratten), reptielen (hagedissen) en grote insecten (krekels en sprinkhanen). Als ze een prooi in het vizier hebben, dalen ze snel en gebruiken ze dezelfde jachttechniek als de torenvalk: het ‘bidden’. Behalve vanuit de lucht jagen ze ook geregeld vanaf uitkijkposten. Elektriciteitsdraden, palen, topjes in struiken en dode bomen krijgen de voorkeur. Ook vogels en zelfs vleermuizen behoren tot het dieet. De grijze wouw jaagt vooral in de ochtend- en avondschemering. Dat verklaart ook de relatief grote ogen. De alarmroep is een vrij hoge fluittoon ‘kwoe-ieie’. Daarna weerklinkt een lager, raspend ‘tjie-ark-tjie-ark-tjie-ark’
Voor het eerst heeft een grijze wouw succesvol gebroed in Vlaanderen. Begin augustus dit jaar (2026) vlogen 4 jongen van het broedpaar uit in de IJzervallei. Dat bevestigt het Agentschap voor Natuur en Bos. De grijze wouw werd de voorbije jaren geregeld waargenomen in de IJzervallei en elders in Vlaanderen, maar de roofvogel broedde nooit eerder in onze regio. De eerste waarneming in België dateert uit 1992. Tot 2005 duurde het voor de soort opnieuw in ons land werd gezien. Sinds 2012 waren er jaarlijks waarnemingen, met in 2025 een piek van meer dan 500.
Boswachter Koen Vandepitte is blij met de nieuwkomer. Dat de grijze wouw onze IJzervallei uitkiest als een eerste plek in Vlaanderen om te broeden stemt hoopvol. Het toont dat volgehouden ingrepen aan meer en betere natuur in Vlaanderen, natuur herstellen en ze vervolgens zorgvuldig beheren en beschermen, echt werkt. De geleverde inspanningen hebben voor deze bijzondere nieuwkomer voor een geschikt leef- en broedgebied gezorgd. De grijze wouw vindt in de IJzervallei ook bijzonder veel voedsel dit jaar. De permanent aanwezige grasvelden in de vallei herbergen grote muizenpopulaties. Trouwens dit jaar lijkt een extra goed ‘muizenjaar’ te zijn.
Geraadpleegde bronnen: diverse veldgidsen – Vogelbescherming Nederland – Ecopedia – Sovon
De Nederlandse naam stormmeeuw dateert uit de 18de eeuw of eerder. In oude bronnen vindt men de volkse bijnaam ‘onweersvogel’. Bij onstuimig weer heeft de meeuw de gewoonte langs de kust of landinwaarts te trekken. Volgens een oude overlevering werd het verschijnen van een groep stormmeeuwen als een voorteken gezien van stormachtig weer op zee.
De middelgrote, elegante meeuw met het basispatroon van een zilvermeeuw, maar kleiner, slanker met een vriendelijker uiterlijk heeft geen roze, maar geelgroene poten, geen rode vlek op de kleinere en dunnere, geelgroene snavel en donkerbruine tot zwarte in plaats van felgele ogen in de ronde kop. De stormmeeuw heeft behoorlijk lange, grijze vleugels, maar zweeft nooit zo meesterlijk als de grotere meeuwen. De adulte vogel heeft blauwgrijze bovendelen en witte onderdelen en zwarte vleugelpunten met twee grote witte vlekken bij het vleugeluiteinde, alsook een brede witte achter-rand op de grijze boven-vleugel. Kenmerkend ook is de witte halve maan tussen de rug en de zwarte vleugelpunten met witte stippen, die verder uitsteken dan de staartpennen. Tijdens de winter vertoont de stormmeeuw een bruine tekening op de kruin en achteraan in de nek met een grijze schaduw.
De lichaamslengte varieert tussen de 40 en 46 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 110 en 125 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 300 en 500 g. De meeste klanken hebben een herkenbare hoge, schelle, nasale toon, hoewel met een vorm die veel lijkt op dat van een zilvermeeuw: ‘keeja-keeja-keeja-keh-keh-keh’. Bij de aanwezigheid van een roofvogel weerklinkt een aanhoudende alarmroep ‘klie-UU-klie-UU-klie-UU’. Hun geluid klinkt doorgaans scheller en miauwender dan dat van grotere meeuwen.
Hun verspreidingsgebied is merkwaardig fragmentarisch; zo kunnen ze in het ene deel van het land met honderden op akkers worden gezien en niet ver daar vandaan helemaal niet voorkomen. De meeste stormmeeuwen zijn trekvogels, die in de herfst naar het zuiden en het westen trekken, maar niet ver het Europese continent binnendringen (zeker niet tot aan het Middellands Zeegebied). Dit is de soort van landen met een kust langs de Noordzee of de Atlantische Oceaan: Ierland, Groot-Brittannië, Nederland, België en Scandinavië. In het binnenland geeft de soort de voorkeur aan moerassen, oevers van meren en zelf op akkers in de onmiddellijke omgeving van water. Zoals andere meeuwen vliegen ze ’s avonds naar grote waterplassen, zoals spaarbekkens, om er te slapen.
De stormmeeuw foerageert vaak in groepen op akkers of stranden. Tot het favoriete voedsel behoren aardwormen, insectenlarven en andere ongewervelden, die uit de grond worden getrokken of gestolen van andere meeuwen of kieviten. Stormmeeuwen foerageren veelal op de grond, maar ze pikken ook wel afval of vis, schaal- en weekdieren, zeepieren en -sterren op in het water, bessen uit een struik en vangen insecten in de lucht.
De meeste stormmeeuwen trekken in het voorjaar weg naar het noorden om daar in paren, groepjes of kleine kolonies te broeden. In de zomer is de stormmeeuw te vinden op hoogvlaktes en langs beschutte kusten. Ze geven de voorkeur aan strandjes en baaien tussen rotsachtige kapen en eilanden bovenop door de wind geteisterde rotsen. ’s Winters zijn ze te vinden op brede zandstranden en in mondingen, alsook in agrarische gebieden met oude weilanden of op pas geploegde akkers. Pas de laatste decennia zijn stormmeeuwen doorgedrongen tot de steden en bezoeken ze ook tuinen.
De broedperiode vangt aan eind april tot begin juni met een piek begin mei. De balts lijkt ook erg op die van de zilvermeeuw; het vrouwtje bedelt en wordt gevoerd door het mannetje en beide vogels schudden met hun kop en roepen met hun snavel verticaal naar boven gericht. Er worden ook allerlei baltshoudingen aangenomen met hun kop naar voren gestrekt of naar beneden gebogen, waarbij de vleugels in het polsgewricht naar buiten worden gedrukt. Komvormige nesten worden gebouwd van zeewier, grassen en plantenstengels en geplaatst in een ondiepe kuil tussen de rotsen, op stronken of aarden wallen of op muurtjes, op pieren en soms ook op gebouwen. Er worden doorgaans 3 olijfgroene eieren met donkere, oranjebruine vlekken en spikkels gelegd. Ze komen na 22-28 dagen uit.
Bij ons in België is de stormmeeuw eerder een zeldzame broedvogel. Tot 1995 broedden er nooit meer dan 2 paar stormmeeuwen in Vlaanderen. Sindsdien zijn er in de haven van Zeebrugge en op verschillende plaatsen in Limburg kleine populaties ontstaan. In de periode 2013-2018 schommelde de Vlaamse populatie meestal tussen 20 en 30 paar. In de Voorhaven van Zeebrugge werden in deze periode 6-12 paar geteld en in Limburg 1-12 paar. In Kallo werden in 2017 eerst 8 en in 2018 een dozijn broedparen waargenomen op een ontoegankelijk bedrijventerrein. Vermoedelijk waren die daar al enkele jaren aanwezig, maar werden de nesten niet eerder opgemerkt. Uitzonderlijk werden ook elders een karig aantal nesten ontdekt in de Achterhaven van Zeebrugge, de Uitkerkse Polder, de Verrebroekse Plassen en in de Gentse Kanaalzone. In Wallonië doet de stormmeeuw het relatief goed met vooral in Henegouwen meerdere broedplaatsen. Tijdens de atlasperiode 2001-2007 werd de populatie er geraamd op 82-94 paar.
In Nederland, waar deze soort zich in 1908 (op het eiland Rottum in Groningen) vestigde, is hij nu vrijwel een algemene broedvogel van het binnenduin, schorren, strandvlakten, bouwland en opgespoten terrein, alhoewel het aantal broedparen sinds 1985 (11 000 paren) jaarlijks met 5 % afnam. Oorspronkelijk lag het zwaartepunt van de broedpopulatie in duin- en kweldergebieden, maar na de komst van de vos zijn veel kolonies verdwenen. Er rest nog één derde van de populatieomvang, die destijds werd geregistreerd, namelijk 3 500-3 650 broedparen in 2024.
In 2023 werden 911 paren geteld in het Waddengebied en 698 in de Zuidwestelijke Delta. Kleine aantallen – deels op al jaren bezette locaties – werden gemeld uit alle provincies, uitgezonderd Utrecht en Drenthe. Dat stormmeeuwen ook in stedelijk gebied tot broeden komen, blijkt uit de tellingen in het goed onderzochte Alkmaar waar 292 paren werden geteld. De meeste meeuwen broeden hier op daken, een verschijnsel dat elders in Europa vaker voorkomt, zoals bij kleine mantel- en zilvermeeuw al langer het geval is. Buiten de broedtijd is de verspreiding veel ruimer en telt tienduizenden exemplaren langs de Noorzeekust die massaal foerageren in weilanden in Noord- en West-Nederland. Strenge vorst drijft ze naar kust en steden. De Nederlandse populatie bestaat grotendeels uit standvogels en overwinteraars, aangevuld met trekvogels uit Scandinavië en Rusland in de herfst en lente.
De geelpootmeeuw, een zuiderse meeuw die ook hier vaker opdaagt
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Sovon vogelonderzoek – Ecopedia – diverse vogelgidsen – Vogelskijken
Bij het herkennen van meeuwen is het bepalen van de leeftijd erg belangrijk: er zijn 4 leeftijdscategorieën, verdeeld in ‘kalenderjaren’ van januari tot december. Vermits er telkens een ander karakteristiek verenkleed bij hoort, maakt dat het determineren van de soort er niet eenvoudiger op. Zo zijn eerstejaars-geelpootmeeuwen dof bruin gevlekt en duurt het 4 jaar alvorens zij het zomerkleed, zoals hieronder beschreven, dragen.
De geelpootmeeuw is van oorsprong de Zuid-Europese tegenhanger van de zilvermeeuw, die lang ten onrechte als een ondersoort ervan werd beschouwd. Door voortschrijdend inzicht en door de groeiende toename van de soort worden er steeds vaker geelpootmeeuwen ook in onze streken waargenomen. Inmiddels heeft de meeuw de status van volwaardige en zelfstandige soort, die ook niet nauw verwant is met de Pontische meeuw, zoals oorspronkelijk gedacht. De geelpootmeeuw komt voor rond de Zwarte Zee, in het Middellands Zeegebied, langs de Atlantische kust van Noordwest-Afrika (Marokko) en Zuidwest-Europa (West-Frankrijk en Zuidwest-Iberisch Schiereiland) en in delen van Centraal Europa (o.a. Zwitserland).
Oppervlakkig lijken ze op zilvermeeuwen of Pontische meeuwen, zeker vanop grote afstand, maar de geelpootmeeuw is forser en atletischer gebouwd. De volwassen vogel in zomerkleed is een fraaie vogel met relatief donkere, leigrijze rug en heldergele poot- en snavelkleur (de zilvermeeuw heeft roze poten). De rug van de geelpootmeeuw is donkerder dan die van de zilvermeeuw maar lichter dan die van de kleine (of grote) mantelmeeuw. Een subtiel onderscheid in de robuuste snavel, die soms dienst doet als zware moker, is de flinke gonys (het naar de keel toelopende en smaller wordende deel van de onder-snavel) en de grotere rode vlek, die uitloopt tot op de boven-snavel. Pasgeboren dons-kuikens pikken instinctief op die ‘signaalvlek’ om de ouders te stimuleren halfverteerd visvoedsel op te braken. In de late zomer en herfst is de kop wit, variabel getekend met zachte strepen rond en achter het oog, maar opvallend spierwit in de winter. De doordringende, strenge blik wordt geaccentueerd door de felle rode oogrand.
Een anderkenmerk is het vele wit op de buitenste twee handpennen, waardoor een tamelijk groot wild veld in de zwarte vleugelpunt te zien is, die scherp contrasteert met de rest van de onder-vleugel. De vlucht is krachtig en elegant met machtige ondiepe vleugelslagen. De lichaamslengte varieert tussen 58 en 68 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 130 en 150 cm en het lichaamsgewicht schommelt rond de 750 – 1200 g
De territorium- en alarmroep klinkt als een luid, diep en lachend gekrijs. Heel kenmerkend is de ‘long call’; hierbij werpt de vogel zijn kop ver achterover in de nek om vervolgens met wijdgeopende snavel een felle reeks, diepe giechelende klanken uit te stoten, rauwer en dieper klinkend als bij de zilvermeeuw.
Net als de zilvermeeuwen eet deze soort vis, garnalen, krabben, zee-egels en tweekleppige schelpdieren, afval en menselijke etensresten. De harde schelpen van kokkels en mosselen worden gemakkelijk stuk geslagen met de ‘moker-snavel’. Hij foerageert ook langdurig op vuilnisbelten en in vissershavens. Op akkers in agrarische polders doet hij zich te goed aan insecten en regenwormen. Daarenboven berooft ook de dominante geelpootmeeuw visdieven en kokmeeuwen van hun prooien of graait hij eieren en kuikens mee. Evenzeer durft hij volwassen duiven en spreeuwen te doden en te verscheuren.
Het broedseizoen start vroeg, vaak al begin april (weken eerder dan de zilvermeeuw). Ze broeden in kolonies, gewoonlijk op rotsige eilanden, maar in West-Europa hebben ze zich aangepast en bouwen zij omvangrijke nesten van gras, zeewier en veren op platte grinddaken van industriële complexen, fabriekshallen en havens of simpelweg op kale zandplaten. De 2 à 3 olijfgroene tot bruine eieren met donkere camouflagevlekken worden 27 tot 31 dagen bebroed. De jongen vliegen na 35-40 dagen uit. Na het broedseizoen trekt een deel van de populatie kennelijk naar het noorden, zodat ze de kusten van de Noordzee bereiken en via de grote rivieren ook streken in Midden-Europa. Populaties in Marokko daarentegen zijn het hele jaar standvogel en ook elders in het Middellands Zeegebied blijven geelpootmeeuwen het hele jaar ter plekke.
In Nederland en België wordt de geelpootmeeuw geregeld waargenomen, maar er zijn heel weinig broedgevallen. In 2002 kwamen in de voorhaven van Zeebrugge, 2 zuivere paren geelpootmeeuw tot broeden. In de directe omgeving van beide koppels broedden tevens 2 geelpootmeeuwen die waren gepaard met respectievelijk, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. Tot 2010 broedde er behalve in 2007 altijd wel 1 zuiver paar in de voorhaven en in 2009 opnieuw 2. Door infrastructuurwerken in het havengebied verdween de broedplaats waardoor de soort na 2010 niet meer tot broeden kwam.
In 2018 werd dan weer een zuiver paar opgemerkt in een gemengde broedkolonie van kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw op het dak van een bedrijf langs de Pathoekeweg (Boudewijnkanaal) in Brugge. In 2019 werd op de brandweerdienst beroep gedaan om alle eieren uit de nesten te halen. Het jaar daarop werd hetzelfde koppel geelpootmeeuwen nog even bij het verfrommeld nest zonder eieren opgemerkt. Maar intussen was er op het dak een laserinstallatie geplaatst om er de meeuwen permanent te verjagen.
Ook in Nederland blijft het aantal zuivere broedparen van geelpootmeeuw beperkt tot hooguit een 16-tal. Mengparen met zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw komen daarentegen iets talrijker voor. Het broedvoorkomen is matig bekend. Bovendien is de soort in grote meeuwenkolonies niet gemakkelijk te vinden. Daarbij zijn lang niet alle broedgevallen goed gedocumenteerd. Wel is duidelijk dat de soort nog steeds zeldzaam is. Het merendeel van de broedgevallen vindt plaats in het Deltagebied inclusief de Europoort-Maasvlakte. In het binnenland zijn broedgevallen zeldzaam, al zijn er bekend rond het IJsselmeer, de Grote Rivieren en langs de Maas. De aantallen nemen toe vanaf juni en bereiken een gemiddelde piek van 120 individuen in augustus. Dit vormt een deel van de noordwaartse zwerfbewegingen van Zuid- en Midden-Europese geelpootmeeuwen. Vervolgens trekt een deel weer terug en dalen de aantallen naar een stabiel niveau in winter en voorjaar.
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – diverse vogelgidsen – Vogels Kijken – Ecopedia – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Een zwartkopmeeuw – een fractie groter dan de kokmeeuw – is in zomerkleed een verbazingwekkende mooie meeuw. Vergeleken met de kokmeeuw heeft ze een inktzwarte kopkap, die verder doorloopt tot in de nek, grote witte oogleden (met een fronsende uitdrukking), een felrode dikkere, maar kortere en stompere snavel met zwarte ring, langere rode tot zwarte poten, parelgrijze bredere en kortere boven-vleugels en geheel witte onder-vleugels met witte vleugelpunten (zonder zwart, zoals dat het geval is bij de meeste andere meeuwen). In de winter wijzigt die zwarte kopkap in een zwarte veeg rond oog- en oor-streek, het zogenaamde ‘boevenmasker’ met grijsbruine, gestreepte kruin. De vlucht is snel en sierlijk, maar met stijve vleugelslagen; de zwartkopmeeuw glijdt en zweeft weinig. De lichaamslengte varieert tussen 36 en 38 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 98 en 105 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 200 en 350 g. Pas na 3 jaar hebben ze het volledig volwassen kleed.
Van zwartkopmeeuwen werd aanvankelijk gedacht dat ze hard achteruitgingen en zelfs zouden uitsterven, maar in de laatste jaren zijn ze juist toegenomen en verspreiden ze zich naar het noorden. Alvorens hun aantallen hoog genoeg waren om een eigen kleine populatie op te bouwen, waren ze in delen van West-Europa zo schaars dat afzonderlijke vogels soms paarden met kokmeeuwen. Nu zijn er voldoende exemplaren in herfst en winter aan beide zijden van het Kanaal, hoewel het aantal broedgevallen nog laag en grillig is in een groot deel van het verspreidingsgebied.
De zwartkopmeeuw is sterk gebonden aan kustgebieden en grote ondiepe binnenwateren. Hij foerageert voornamelijk op stranden of eilandjes met zand- en schelpenbanken, bij rioolwaterzuiveringsinstallaties en op zee, waar hij altijd wel afval, ongewervelden, visjes en schelpdieren vindt. In het broedgebied leeft hij vooral van insecten, slakken en aardwormen.
De zwartkopmeeuw gebruikt zijn zwarte kap om te imponeren tijdens de balts en territoriale disputen. ’s Winters is hij zwijgzaam, maar in het voorjaar weerklinkt een nasale geknepen roep met een doordringend ‘whaa-whaa-whaa-whaa-oo-ah’ en een meer sternachtig ‘kie-er’.
Geïsoleerde paren nestelen tussen kokmeeuwen, maar grotere kolonies in Oost-Europa bestaan uitsluitend uit zwartkopmeeuwen. Vanaf april-mei worden 2 tot 3 gespikkelde eieren, goed gecamoufleerd in een met gras beklede nest (kuiltje in zand of schelpen) gelegd. Over het algemeen vermijden ze kale grond en dus tref je het nest ook aan op intensief bewerkte graslanden of op kwelders in kustgebieden. Beide ouders broeden en wisselen elkaar geregeld af. Na zo’n 3 weken komen de kuikens uit. Net als bij de kokmeeuw zijn het nestvlieders; ze lopen al snel rond, maar blijven nog een 5-tal weken afhankelijk van hun ouders die hen met kleine prooien voeren, vaak insecten of kleine visjes. Na 3 tot 4 weken zijn de jongen vliegvlug.
In de kolonie heerst in die periode een levendige drukte; overal roepende en bedelende jongen, ouders die voedsel aanbrengen en vogels die samen de kolonie fel verdedigen tegen ongewenste indringers. Na het grootbrengen van de jongen trekken vanaf half juli de adulten en juvenielen weg richting zee en wordt de kolonie verlaten. De broedvogels die er niet in slaagden jongen groot te brengen, vertrokken al eerder. De Atlantische noordwestkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland zijn belangrijke verblijf- en ruiplaatsen voor de meeste vogels vanaf midden juli tot oktober.
Ringterugmeldingen tonen aan dat de Belgische en Nederlandse broedvogels eveneens in deze gebieden ruien en overwinteren. Maar al 15 jaar lang stelt men vast dat een aanzienlijk deel van de zwartkopmeeuwen opvallend lang ter plaatse blijven op de Rechter Scheldeoever na het verlaten van de broedkolonies, terwijl deze vroeger systematisch wegtrokken naar de kustgebieden.
De zwartkopmeeuw broedt zeer lokaal en vaak onregelmatig in ondiepe inhammen, kustmoerassen en in open laagland, bij voorkeur met enige vegetatie in Griekenland, Midden-Europa, Oostzee- en Noordzeekusten, schaars in Engeland, Nederland, Frankrijk en Spanje. De zwartkopmeeuw komt nog steeds algemener voor in het zuidoosten.
De broedvogels van de Zwarte Zee trekken ’s winters naar de Middellandse Zee. Toenemende aantallen trekken westelijk naar de Noordzee en de Atlantische kusten van Frankrijk, Groot Brittannië en incidenteel ook Spanje en Noord-Afrika. Sommigen blijven daar om te broeden. In de winter vertoeft de soort op riviermondingen, stranden, meren, havens en soms op vuilnisbelten, maar zelden ver landinwaarts. De meeste adulte vogels keren in maart terug, terwijl de onvolwassen vogels het hele jaar in het westen blijven.
De zwartkopmeeuw zit duidelijk in de lift in Vlaanderen. Tot 1990 kwam de totale Vlaamse populatie niet of nauwelijks boven de 20 broedparen uit, maar vanaf halverwege de jaren 1990 nemen de aantallen gestaag toe. Met 2 500 paar in 2018 bereikte de Vlaamse populatie haar hoogste niveau ooit. Die toename komt grotendeels op het conto van het Antwerps havengebied. De soort maakt hier opportuun gebruik van verschillende bedrijventerreinen en speciaal ingerichte gebieden, die vaak tijdelijk bezet zijn door grotere aantallen zwartkopmeeuwen.
In eerste instantie vooral op Linkeroever (met als grootste trekpleisters de Verrebroekse Plassen, de Doelpolder Noord, het Deurganckdok, de Putten West, de Prosperpolder Noord), maar sinds 2009 broedt de soort almaar meer op Rechteroever tussen Zandvliet en Ekeren (Total-site en Potpolder). De kolonie op de Total-site in Antwerpen telde 1 700 paar in 2017 en was daarmee de grootste tijdens de onderzoeksperiode 2013-2018 en wellicht ook de omvangrijkste kolonie van Europa.
Ook de broedeilanden in het Zwin zijn de laatste jaren in trek (max 190 paar in 2016), terwijl de haven van Zeebrugge nog maar heel weinig wordt gebruikt (max 4 paar op het Sternenschiereiland in 2013). Rond de eeuwwisseling was de voorhaven van Zeebrugge een belangrijke broedplaats voor zwartkopmeeuwen, maar vandaag is dat sterk afgenomen. In diezelfde onderzoeksperiode werden amper 2 paar in het Molsbroek in Lokeren, 4 paar in het Limburgse Vijvergebied en ook slechts 2 paar op de terreinen van de voormalige suikerfabriek te Veurne aangetroffen.
Eveneens in Nederland gaan de aantallen al enkele jaren over de 2 000 broedparen, in 2017 zelfs ineens tot ca 5 000. Het leeuwendeel broedt daar in het Deltagebied met bv. een grote kolonie op de Hooge Platen in de Westerschelde. Van jaar tot jaar vinden er soms grote verschuivingen tussen de broedlocaties plaats, vaak ook grensoverschrijdend tussen het Deltagebied en het havengebied van Antwerpen.
Er waren eerder al ook belangrijke geografische verschuivingen. In 1985 zaten vrijwel alle kustbroedvogels in het Zwin. Geleidelijk aan nam het belang van Zeebrugge en de Baai van Heist toe, tot iets meer den 96% in 2004. In de periode 2002-2013 lag dat aandeel telkens boven de 80%, maar daarna daalde dat tot minder dan 50%. De sternen uit Zeebrugge zijn toen deels uitgeweken naar de Spuikom in Oostende en de nieuwe broedeilanden in het Zwin, terwijl de zilver- en kleine mantelmeeuw zich hebben verspreid over de gehele kust.
Sinds 2023 is Zeebrugge weer belangrijker geworden, vooral door een sterke toename van de grote stern, maar ook door de achteruitgang van het aantal broedparen in het Zwin en de Spuikom van Oostende. Het aandeel van Zeebrugge bedraagt vanaf 2023 meer dan 60% van de totale kustpopulatie. De Baai van Heist wordt tegenwoordig niet meer gebruikt als broedgebied.
De achteruitgang van het aantal kustbroedvogels tussen 2004 en 2014 is het gevolg van een toegenomen druk door landroofdieren in combinatie met habitatverlies. Verwilderde katten, ratten en vossen bedreigden de broedkolonies op het Sternenschiereiland en op de Baai van Heist, die tegenwoordig niet meer wordt gebruikt als broedgebied. Ook de nieuwe aangelegde eilanden in het Zwin kregen in 2020 en 2021 te maken met de vos. Door de predatiedruk zijn zilver- en kleine mantelmeeuw meer en meer op daken van gebouwen gaan broeden, verspreid over de kuststrook. Visdief, kokmeeuw en zwartkopmeeuw bleven wel gespaard op de eilanden in Oostende en in het merendeel van de jaren ook in het Zwin. In Zeebrugge hielp bescherming tegen vossen bij het herstel van visdief, de terugkeer van de grote stern en het gedeeltelijk behoud van grond-broedende zilver- en kleine mantelmeeuwen.
Toch blijven er zorgen, zoals de impact van de vogelgriep in 2022 en 2023, het nagenoeg verdwijnen van broedgelegenheid voor dwergstern, de slechte staat van broedeilanden in het Zwin en op de Spuikom van Oostende. De oppervlakte die de sternen ter beschikking hebben op het Sternenschiereiland in Zeebrugge is te beperkt.
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel [Dirk Draulans] – diverse vogelgidsen – Vogels kijken – Vogelbescherming Nederland – Ecopedia
In de jaren 1970 was het natuurreservaat Snepkensvijver in de Antwerpse Kempen een soort attractie. Het is een veenmoeras, dat ontstaan is door zijn ligging naast de Kempense heuvelrug, de landduin tussen Herentals en Retie. In het lagere gedeelte naast de heuvelrug blijft het water lange tijd staan en vormt ze een ven met een grote moerassige strook. Daar verbleef toen een kokmeeuwenkolonie met liefst 25 000 nesten. Dat waren 50 000 constant krijsende vogels, die samen een enorm kabaal maakten.
In die tijd bedroeg de totale Vlaamse broedpopulatie zo’n 32 000 koppels. Kokmeeuwen kwamen van heinde en ver om in de Snepkensvijver te broeden; het zijn immers echte zwervers. In de winter vliegen ze soms tot in het zuiden van Spanje en Portugal. Ze broeden doorgaans wel steeds in dezelfde kolonie, niet zelden elk jaar ook op hetzelfde plekje in het broedgebied.
Conservator van de Snepkensvijver was destijds de legendarische natuurbehoudspionier, Jos Cuypers, altijd piekfijn uitgedost in een boswachterskostuum. Jos leidde bezoekers graag rond het moeras. Op een vaste plek trok hij een smetteloze, witte zakdoek uit een broekzak, waarmee hij wat in de lucht wapperde. Het gevolg was dat de witte meeuwenwolk eventjes nóg meer herrie maakte.
Meeuwen moeten wel lawaai maken willen ze gehoord worden, zoals mensen in luidruchtig gezelschap nog luider gaan praten. Ze krijsen dag en nacht, maandenlang. Eerst moeten ze indruk maken op potentiële partners, later een nestplek verdedigen, nog later contact leggen met hun kuikens. Zodra die op wandel gaan, moeten de ouders ze in de massa zien terug te vinden. Hun diverse kreten spelen daarbij een grote rol. De meeuwen zelf worden niet horendol van hun gekrijs. Ze hebben geen oorschelpen zoals wij, zodat er geen kanalisatie van lawaai naar hun gehoororganen is. De haartjes in hun oren worden continu vervangen, zodat eventuele schade snel wordt hersteld. Ze lijken goed aangepast aan het voor ons oorverdovend geschreeuw.
Vandaag is de Snepkensvijver een oase van rust. Mensen komen er voor dophei, kleine zonnedauw, veenmos, veenbes, veenpluis, de geurige gagel (inheemse struik met aromatische, lancetvormige, getande bladeren) en de middelgrote heivlinder, soorten die aangeven hoe veenmoerassen er vroeger uitzagen. Inmiddels zijn de meeuwen weg, die in 1980 verdwenen. De eerste broedende kokmeeuwen in de Snepkensvijver werden in 1940 geregistreerd.
De laatste beschikbare cijfers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek geven aan dat er nu in Vlaanderen maximaal 13 000 koppels kokmeeuwen broeden. Echt grote kolonies zijn er niet meer. De vogels verplaatsen zich van natuurlijke naar kunstmatige broedgebieden, zoals opgespoten terreinen in havens. Slechts 19% broedt nog in natuurgebieden.
Over de oorzaken van de achteruitgang heerst geen duidelijkheid. Waarschijnlijk betreft het een amalgaam aan factoren, zoals broedbiotoopverlies, het afdekken van afvalstortplaatsen (meeuwen waren fervente stortplaatsbezoekers, ook in de buurt van de Snepkensvijver), overbemesting van graslanden, toenemende predatie van eieren en kuikens en ziektes, zoals de vogelgriep. Maar het is niet uitgesloten dat de kokmeeuw bij ons een tijdlang boven haar stand leefde. Ze is trouwens nog altijd alomtegenwoordig in onze leefomgeving én ze krijst nog steeds even luid.
De kokmeeuw, ook bekend als de ‘kapmeeuw’, broedt in Europa van IJsland en Ierland in het westen tot aan het oostelijke deel van Rusland. In mildere streken van West-Europa, zoals Groot-Brittannië blijven veel vogels het hele jaar door ter plekke. Hun aantallen worden tijdens de winter aangevuld met trekvogels uit koudere regionen. In Nederland en België is de kokmeeuw een algemene soort, die vrijwel overal voorkomt. Ook bij ons blijven de aantallen ongeveer stabiel omdat de populaties in noordelijke en oostelijke gebieden, zoals Scandinavië en de Baltische Staten, in de winter massaal naar het zuiden of het westen trekken.
De kokmeeuw is wereldwijd te vinden omdat ze zich moeiteloos aan uiteenlopende leefomgevingen aanpast, zolang er water in de buurt is. Ze verblijven in moerassen, bij meren en rivieren, op akkers en weilanden. Ook zie je ze vaak in steden, havens en op vuilnisbelten, waar ze gemakkelijk aan voedsel geraken. Ze broedt meestal in grote groepen op de grond, vaak in gebieden, die moeilijk te bereiken zijn, zoals eilandjes in meren of in moerassen, wat hen beschermt tegen roofdieren. De kokmeeuw is een relatief kleine meeuw met een lengte van 34 tot 38 cm en een vleugelspanwijdte van 100 tot 110 cm; het lichaamsgewicht van een volwassen vogel varieert van 225 tot 350 g.
In het broedseizoen heeft de kokmeeuw een kenmerkend uiterlijk met een chocoladebruine kopkap, die vanop afstand zwart lijkt. De rest van het lichaam is wit met een bleek blauwgrijze rug en bovenkant van de vleugels. Op de onder-vleugels zijn de donkere handpennen met een witte voorrand (scherp afgetekende, witte streep) kenmerkend. De poten en de snavel hebben een opvallende dieprode kleur. In het zomerkleed is ook een halvemaanvormige dunne, witte oog-ring te zien.
Tijdens de winterperiode verdwijnt de donkerbruine kop en wordt deze wit, op enkele kleine, donkere vlekjes achter het oog na (oorstreek), alsof dan de kokmeeuw een ‘koptelefoontje’ draagt. De poten en snavel zijn dan ook minder felrood. De kokmeeuw brengt naast een luide, lachende kreet ‘krriearr’ met veel variaties, nog een kort, scherp ‘kek’ of trillend ‘kie-kekkekkek’.
Deze meeuw heeft een zeer breed en gevarieerd dieet en past zijn eetgewoonten aan aan wat er in de omgeving beschikbaar is. De kokmeeuw jaagt op een breed scala aan ongewervelde dieren, waaronder regenwormen (in vers omgeploegde akkers) en diverse insecten, zoals kevers, vliegen en mieren. Daarnaast vangt die kleine vissen en schaaldieren. Als opportunistische eter is hij tevens vaak te vinden op vuilnisbelten in steden, waar hij afval en voedselresten zoekt.
De voortplanting valt in het voorjaar en vangt aan met een baltsritueel. Het mannetje voert dan een paringsdans uit en biedt het vrouwtje voedsel aan. Het nest bestaat doorgaans uit een ondiep kuiltje op de grond, gemaakt van plantenmateriaal, zoals twijgjes, rietstengels en grashalmen. Het vrouwtje legt meestal 3 eieren. De broedtijd duurt 22 tot 26 dagen. De jongen kunnen na ongeveer 35 dagen vliegen.
Tijdens het kwetsbare broedseizoen worden ze ook geconfronteerd met predatie. Eieren en jonge kuikens zijn vaak het doelwit van kraaiachtigen, reigers en andere meeuwensoorten, die de nesten plunderen. Ook landroofdieren, zoals vossen en marterachtigen vormen een bedreiging, vooral wanneer de kolonies zich op het vasteland bevinden. In stedelijke omgevingen is ook de slechtvalk een geduchte predator. Ondanks al deze bedreigingen, helpt het sociale gedrag (solidariteit) van de kokmeeuw om de predatiedruk te verminderen door in grote kolonies te broeden.
Hoewel de database niet helemaal volledig is, is na een reconstructie de trend van de kokmeeuw in Vlaanderen in grote lijnen wel duidelijk. In de periode 1994-2004 nam de populatie in gestaag tempo af, een korte heropleving in 2000-2001 niet ten na gesproken. In die tijd broedden er in de meeste jaren meer dan 15 000 paar in Vlaanderen, soms zelfs meer dan 20 000.
Rond 2004 stortten aan de Oostkust de grote kolonies in Zeebrugge en het Zwin in elkaar en ook in Limburg ging het snel bergafwaarts. In de provincie Antwerpen waren het de kolonies in Polderbos-Krabbelshof en de Ronde Put in Mol-Postel die sterk achteruitgingen en ook in de Gentse Kanaalzone kon de soort zich niet langer handhaven. Alleen de kolonies in Zoutleeuw (het Vinne), rond de Antwerpse haven (Linker- en Rechteroever) en in Lokeren (Molsbroek) wisten zich in stand te houden.
Vanaf 2004 lijkt de populatie redelijk stabiel en schommelt het aantal broedparen meestal rond de 10 000. In de periode 2013-2018 broedden er 10 500-13 000 paar in Vlaanderen. De populatie in de kustregio’s herstelde zich enigszins door de creatie van nieuwe broedeilanden in het Zwin en in de Spuikom van Oostende. Ook op verschillende plaatsen in de Oostkustpolders (Lissewege, Wenduine en Oudenburg) werd gebroed, maar de huidige aantallen zijn peanuts in vergelijking met die in het Zwin en de haven van Zeebrugge van eind vorige eeuw. Eveneens aan de Westkust (met als voornaamste broedplaats de suikerfabriek in Veurne) blijft het aantal koppels beperkt tot enkele honderden, net zoals in het Limburgse Vijvergebied.
Grotere aantallen bevinden zich in het Vinne te Zoutleeuw, hoewel deze kolonie op basis van de schaarse gegevens waarover we beschikken, achteruit lijkt te gaan (3 000-4 000 nesten aan het begin van deze eeuw naar 2 000-2 500 in de voorbije periode. In het Lokerse Molsbroek broeden al jaren 1 500 tot 1 600 koppels. Het geheel aan geschikte gebieden in en rond de haven van Antwerpen (zowel Linker- als Rechteroever) is verreweg de belangrijkste zone voor deze soort. Hier broedden in de periode 2013-2018 in totaal 7 000 paar.
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 72 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.