Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
De grote mantelmeeuw, een niets ontziende, roofzuchtige zeevogel Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Fauna & Flora – diverse vogelgidsen
De grote mantelmeeuw, de grootste meeuw ter wereld, is een kolossale maar toch fraaie zeevogel, al heeft hij zijn reputatie van klepto-parasiet en predator niet gestolen.
In prachtkleed heeft de grote mantelmeeuw een pikzwarte mantel en boven-vleugels, die omzoomd zijn met een brede witte rand en een grote witte vlek hebben aan de vleugeltoppen. De onderkant is wit en de witte kop vertoont een lichte tekening (overlangse fijne streepjes). De grote mantelmeeuw onderscheidt zich van de kleine door het grotere formaat: een grotere kop, een forsere gele snavel met een haakvormige punt en een rode vlek aan de onderkant, een dikkere hals en bredere vleugels. Als de zeevogel vliegt, oogt hij majestueus met zijn krachtige, langzame vleugelslagen. Een duidelijk opvallend onderscheidingskenmerk zijn de vaal-roze poten, die geel zijn bij de kleine mantelmeeuw. De lichaamslengte varieert tussen 64 en 78 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen 1.50 en 1.70 m en het lichaamsgewicht schommelt tussen 1.2 en 2.3 kg. De roep herken je aan de kenmerkende lage, blaffende, schorre klank: ‘aouk’, of aan een hese: ‘uh-uh-uh’.
Binnen Europa zijn grote mantelmeeuwen vooral te zien langs de kusten van de Noordzee, de Oostzee en de Atlantische Oceaan. Ze broeden in landen zoals IJsland, Scandinavië, de Britse eilanden, Ierland en langs de Franse kust. Gedurende het jaar verspreiden ze zich over de Europese kustlijnen, waarbij ze in de koudere maanden soms verder naar het zuiden vliegen tot aan Spanje en Portugal. Ze blijven meestal in de buurt van het zoute water en zijn te vinden op bijna alle noordelijke eilanden en kustgebieden van ons werelddeel.
In Nederland en België zijn ze het hele jaar door te vinden, waarbij ze vooral de kust opzoeken. Ze broeden in kleide aantallen op de Waddeneilanden en in de provincie Zeeland op rustige plekken in de natuur. Er zijn ook gevallen bekend in het IJsselmeergebied, doorgaans in de buurt van grote open wateren, in zowel zoute als zoete milieus. Tijdens de wintermaanden komen er veel vogels uit het hoge noorden bij, waardoor hun aantallen in onze regio’s flink toenemen. Ze rusten dan vaak uit op de zeestranden, zandplaten, pieren strekdammen en in grote havens, waar ze makkelijk voedsel kunnen vinden. Soms vliegen ze ook een stukje het binnenland in naar grote meren of rivieren, maar hun belangrijkste verblijfplaats blijft de kuststreek.
De grote mantelmeeuw heeft een beperktere broedhabitat dan de wijder verspreide zilvermeeuw. Waar ze samen nestelen is de zilvermeeuw meestal talrijker aanwezig langs de bovenrand van zee-kliffen op weidse, met gras omzoomde plateaus of steile kloven. Grote mantelmeeuwen verspreiden zich, waarbij ieder paar op een min of meer prominente plek zit, zoals boven op een steile rots of aan het uiteinde van een rotsachtige uitloper. Al kunnen paren ook wel op richels of op de vlakke grond nestelen, toch blijft hun eerste keuze een min of meer in het oog springende plek – zoals het de grootste, dominante meeuw betaamt. Ze vertoeven het liefst in open gebieden aan zee, waar ze goed het overzicht bewaren. Ook plekken waar rivieren uitmonden in zee zijn populair, omdat daar vaak veel voedsel te vinden is. Hoewel ze meestal bij zout water blijven, bezoeken ze soms ook grote meren in het binnenland of plaatsen waar mensen afval storten. Zolang er water en genoeg voedsel in de buurt is, kunnen ze op veel verschillende plekken langs de waterkant leven.
Het nest is een heuveltje van zeewier, gras, mos en andere vegetatie. De broedperiode start vanaf half april tot eind mei en levert één legsel per jaar op met meestal 3 donkerbruine en grijs gespikkelde of geel- tot olijfbruine eieren die 26 tot 28 dagen worden bebroed. De grote mantelmeeuw legt zijn eieren op de grond in open gebied tussen hoge grassen. In onze streken broeden ze solitair in het bijzijn van andere meeuwensoorten. In sommige buurlanden bestaan er losse kolonies van grote mantelmeeuwen. De jongen kunnen na 7 tot 8 weken vliegen.
Niet alle grote mantelmeeuwen trekken ver weg naar warme landen. Veel blijven het hele jaar in hetzelfde gebied, zolang er genoeg voedsel en open water is. Alleen de groepen uit de meest noordelijke en koude regionen vliegen ’s winters naar het zuiden om het dikke ijs te ontwijken. Tijdens hun reis volgen ze meestal de kustlijn en vermijden ze grote stukken land. In de winter spreiden ze zich uit langs de kusten van West- en Zuid-Europa om daar te overwinteren. Zodra het weer zachter wordt, keren de trekkende vogels terug naar hun vaste broedplaatsen in het noorden.
Grote mantelmeeuwen staan bovenaan de voedselketen en hebben als volwassen vogels nauwelijks natuurlijke vijanden. Vanwege hun enorme grootte en agressieve gedrag durven weinig roofdieren ze aan te vallen. De eieren en de kleine kuikens lopen echter wel gevaar wanneer de ouders het nest even niet bewaken. Roofdieren zoals vossen en marters proberen soms de nesten leeg te roven als die op het vasteland of op goed bereikbare eilanden liggen. Ook grote roofvogels, zoals de zeearend kunnen een bedreiging vormen voor zowel de jongen als de volwassen vogels. Om deze predatie tegen te gaan, broeden ze vaak in kleine ‘kolonies’ of op zeer afgelegen rotsen waar ze gezamenlijk indringers verjagen. Over het algemeen zijn ze door hun machtsvertoon en waakzaamheid zeer succesvol in het beschermen van hun nageslacht tegen de meeste vijanden.
Wereldwijd gezien worden grote mantelmeeuwen momenteel niet als een bedreigde vogelsoort beschouwd. De populatie is groot en ze verspreiden zich over een enorm gebied rond de noordelijke Atlantische Oceaan. Toch zijn er lokale zorgen, omdat de aantallen in sommige gebieden afnemen door een gebrek aan voedsel of door vervuiling van de zee. Ook het verlies van rustige broedplaatsen door menselijke activiteiten kan op lange termijn een probleem vormen voor deze dieren. Ondanks deze uitdagingen staat de soort op de internationale lijst als niet-bedreigde dieren, omdat ze zich gemakkelijk aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden.
Grote mantelmeeuwen doden veel meer vogels en andere dieren dan de meeste andere meeuwen. Ze beroven heel vaak andere zeevogels van hun prooi (zelfs van aalscholvers), maar evenzeer volgen zij bultruggen, haringhaaien en blauw-vin-tonijnen om te profiteren van de vissen, die deze kolossen opjagen naar het zeeoppervlak. Grote mantelmeeuwen zijn vooral berucht en beducht voor hun meedogenloze rooftochten in broedkolonies waar zij eieren en kuikens opvreten van papegaaiduikers, zeekoeten, zilvermeeuwen, kokmeeuwen, visdieven, Noordse pijlstormvogels en kuifduikers. Zij kunnen zelfs papegaaiduikers, sterns en zangvogels in volle vlucht vangen en durven kleine eenden aan te vallen en te verdrinken. Ze eten veel vis, krabben, weekdieren en grote groepen volgen trawlers (vissersschepen), waar ze op afkomen voor het overboord gegooide afval. Ze azen ook op allerlei dode dieren en op afval op stranden en op vuilnisbelten.
De zilvermeeuw zie je zowel in natuurlijke kustgebieden als in stedelijke omgevingen Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Fauna & Flora
In Europa vind je de twee ondersoorten van de zilvermeeuw (Larus Argenteus & Larus Argentatus) langs vrijwel alle kusten van de Atlantische Oceaan, de Noordzee en de Oostzee. Ze broeden van de noordelijke kusten van IJsland en Scandinavië tot aan de kustlijnen van Frankrijk en Groot-Brittannië. In de winter trekken veel vogels naar de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee om de strengste kou te ontlopen. Aan de rand van het verspreidingsgebied vermengt de zilvermeeuw zich overvloedig met verwante meeuwensoorten en krijgt hybride jongen.
De natuurlijke leefomgeving van deze vogels bestaat uit brede zandstranden, duinen en steile kliffen aan zee. Toch voelen ze zich ook prima thuis in door mensen gemaakte omgevingen, zoals havens, steden en industrieterreinen. Op zoek naar voedsel bezoeken ze vaak weilanden, akkers en riviermondingen nabij de kust. Ze hebben een sterke voorkeur voor open landschappen, waar ze goed om zich heen kunnen kijken om gevaar of voedsel op te merken.
De zilvermeeuw heeft een fors postuur en is een algemene vogel van de kust en het binnenland. De jonge zilvermeeuw is overwegend bruin en krijgt stap voor stap het verenkleed van de volwassene. De adulte zilvermeeuw heeft een witte kop, staart en onderzijde, grijze vleugels en rug. Zijn vleugelpunten zijn zwart met witte vlekken. De opvallende gele snavel vertoont een rode vlek op de onder-snavel, dicht bij het uiteinde. Die vlek heeft een signaalfunctie, die de jongere meeuwen stimuleert bij het ouderpaar om voedsel te bedelen door op die gevoelige zone te pikken. De iris is lichtgeel. De zilvermeeuw lijkt sterk op de geelpootmeeuw en de stormmeeuw en is vooral te onderscheiden door zijn lichtroze poten. Zit qua grootte tussen kleine en grote mantelmeeuw in. Ze bereikt een lichaamslengte van 55 tot 64 cm. Het lichaamsgewicht schommelt meestal tussen 750 en 1200 g. De vleugelspanwijdte varieert tussen de 130 en 160 cm. In de vrije natuur bereiken deze vogels vaak een leeftijd van 20 jaar of ouder, waarbij sommige exemplaren zelfs de 30 jaar passeren.
Het geluid van de zilvermeeuw is krachtig en doet vaak denken aan een lachende roep. De meest voorkomende roep is de lange, luide, heldere, keffende roep die ten gehore wordt gebracht met een diep gebogen kop (lage tonen), die daarna wordt opgericht met wijdgeopende snavel (hoge tonen): ‘auw - kjjAA - kjA - kjA - kjA - kjA - kjA - kjau’. Ze beschermen hun nestplaatsen fel tegen indringers met luide kreten 'ak-ak-ak-ak-ak' en dreigende houdingen. Jonge vogels produceren een zacht, hoog gefluit wanneer ze om voedsel vragen bij hun ouders.
Menu
De zilvermeeuw eet vrijwel alles. Van zeebanket – vis, schelpdieren (mosselen, krabben) – tot aan menselijke etensresten als friet, brood, ook aas, eieren en kuikens van andere kustvogels. In de weilanden voedt de meeuw zich ook met grote insecten en regenwormen. Doorgaans zoekt de zilvermeeuw eten in groepen, samen met andere meeuwensoorten.
De zilvermeeuw volgt vissersboten, bezoekt vuilnisbelten of haalt een maaltje op bij geploegde akkers. De vindingrijke kustvogel breekt schelpen open door ze van grote hoogte te laten vallen. Op het land eten ze graag regenwormen en insecten of vangen soms ook kleine zoogdieren, zoals muizen. Ze vullen hun dieet aan met planten en eten bv. granen van de akkers of bessen van de duindoorn en de vlier.
De jonge vogels zijn voor hun eten volledig afhankelijke van de ouders. De volwassen vogels slikken het voedsel eerst zelf in en spugen het daarna weer uit voor de kuikens. In de eerste dagen krijgen de jongen vooral zacht en makkelijk te verteren voedsel, zoals kleine vissen en wormen. Naarmate de jongen opgroeien, krijgen ze steeds vaker dezelfde brokken voedsel die de ouders ook zelf eten. Ze maken ook dankbaar gebruik van de aanwezigheid van mensen door voedselresten te zoeken in havens of bij afvalbakken.
Broedperiode
De zilvermeeuw broedt in kolonies in duingebieden, op kwelders, schorren en dijken. Omdat vossen nesten daar vaak leegroven, neemt de zilvermeeuw steeds vaker zijn toevlucht tot daken in steden. Daardoor treft men de soort ook landinwaarts aan op weilanden rond rivieren en meren. De voortplanting van de zilvermeeuw begint in het vroege voorjaar, wanneer de paartijd aanbreekt. Tijdens de balts maken de vogels indruk op elkaar door hun kop omhoog te gooien en luidruchtige kreten uit te slaan. Ze bieden elkaar ook vaak voedsel aan om de onderlinge band te versterken.
Wanneer een paar is gevormd, zoeken ze een geschikte plek voor het nest in de duinen, op rotsen of tegenwoordig veelal op platte daken. Het nest ziet eruit als een ondiepe kuil, die ze bekleden met gras, zeewier en andere plantenresten uit de omgeving. Tussen april en juni legt het vrouwtje meestal 3 eieren, die een groenachtige of bruine kleur met donkere vlekken hebben. Beide ouders wisselen elkaar af tijdens de broedtijd, die ongeveer 25 tot 33 dagen duurt. Nadat de jongen uit het ei komen, zorgen de ouders samen voor de bescherming en het voedsel. Het zijn nestvlieders, die al snel rond kruipen in de buurt van het nest, maar sterk afhankelijk blijven van hun ouders. De jonge vogels kunnen na ongeveer 6 weken vliegen, al blijven ze nog een tijdje in de kolonie rondhangen.
Trek
De vogeltrek van de zilvermeeuw hangt sterk af van de plek waar ze broeden. Veel populaties in West-Europa zijn standvogels en blijven het hele jaar in hetzelfde gebied wonen. De vogels die in het hoge noorden van Scandinavië of Rusland leven, trekken in de herfst wel weg, omdat het water daar bevriest. Ze vliegen dan naar het zuiden of westen om de winter door te brengen langs de kusten van de Noordzee of zelfs de Middellandse of Zwarte Zee. Tijdens deze tocht volgen ze vaak de kustlijnen en rusten ze uit op grote open wateren of in havens. Ze trekken meestal niet in hele grote strakke formaties, maar verplaatsen zich in lossere groepen.
Zodra het voorjaar begint en het ijs in het noorden smelt, keren ze terug naar hun vaste broedplaatsen. De jongere vogels dwalen in hun eerste levensjaren vaak verder rond dan de volwassen dieren, voordat ze zich ergens definitief vestigen.
Predatie
De zilvermeeuw heeft te maken met verschillende natuurlijke vijanden die een bedreiging vormen voor de eieren, de jongen en soms ook voor de volwassen vogels. Op de grond vormen vossen en marters een groot gevaar, omdat ze de nesten in de duinen of op de grond makkelijk kunnen bereiken. In de lucht moeten ze goed opletten voor grote roofvogels, zoals de zeearend en slechtvalk, die in staat zijn om een volwassen meeuw te overmeesteren. Ook grotere meeuwensoorten, zoals de grote mantelmeeuw, roven soms de eieren of de kleine kuikens uit het nest. Om zich tegen deze dreigingen te beschermen, broeden ze vaak in grote groepen, zodat ze gezamenlijk alarm kunnen slaan en de vijand kunnen wegjagen.
In de steden hebben ze minder last van natuurlijke roofdieren, al kunnen verwilderde katten en ratten daar soms een probleem vormen voor de jongen. Door hun waakzame gedrag en het felle verdedigen van het nest proberen ze de verliezen door predatie zo laag mogelijk te houden.
Stabiele populatie?
Wereldwijd gezien wordt de zilvermeeuw op dit moment niet direct met uitsterven bedreigd. Op de internationale rode lijst van kwetsbare soorten staat de vogel als veilig genoteerd, omdat hij in een enorm groot gebied voorkomt. Toch maken deskundigen zich wel zorgen over bepaalde regio’s waar de aantallen duidelijk achteruitgaan. In sommige landen in Noord- en West-Europa nemen de populaties af door een gebrek aan natuurlijk voedsel en het verdwijnen van rustige broedplaatsen. Ook ziektes en vervuiling van de oceanen vormen een risico voor de groepen die op open zee leven. Hoewel er miljoenen van deze vogels zijn, blijft een goede controle op hun leefgebieden noodzakelijk om de aantallen stabiel te houden.
In Nederland is de situatie van de zilvermeeuw zorgwekkend te noemen. Sinds het einde van de vorige eeuw zijn aan de aantallen broedparen in de duinen en op de Waddeneilanden flink afgenomen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de toename van roofdieren, zoals de vos en een tekort aan goed voedsel in de buurt van de kolonies. Veel vogels trekken daarom naar de stad om op de daken te broeden, maar dit weegt niet op tegen de verliezen in de natuurgebieden.
Opmerkelijk is de sterke achteruitgang in aantallen. Na een toename in de jaren 1970 bereikte de Nederlandse broedpopulatie een hoogtepunt in 1985 met ongeveer 90 000 broedparen. Daar bleven in 2018 nog amper 32 000 tot 35 000 paren over. In veel broedkolonies is het broedsucces te laag om de populatie in stand te houden (o.a. door vossenpredatie). Maar ook de winteroverleving lijkt aanzienlijk verminderd, wellicht als gevolg van een geringer voedselaanbod (sluiting vuilnisbelten en minder visserijafval).
Zilvermeeuwenpopulaties in Vlaanderen
Rond de eeuwwisseling is het aantal zilvermeeuwen in Vlaanderen gegroeid van 76 broedparen in 1990 naar een maximum van 2858 in 2010. Bijna de volledige populatie zat toen in de voor- en achterhaven van Zeebrugge, waar uitgebreide opgespoten terreinen tot hun beschikking stonden. Daarnaast ontstond er in Oostende een kleinere populatie die uitgroeide tot 358 paar in 2010.
Elders broedden er slechts heel beperkte aantallen. Rond 2013 had de vos zich definitief in Zeebrugge gevestigd en zorgde daar voor veel predatie en verstoring bij de grond-broedende meeuwen. De Zeebrugse meeuwen waren genoodzaakt te verhuizen. Enerzijds zochten ze hun toevlucht op de daken van bedrijfsloodsen in de voorhaven van Zeebrugge en anderzijds verplaatsten ze zich naar andere kuststeden (vooral Oostende) en naar het binnenland (vooral Brugge en Zedelgem).
Ook buiten België – in het noorden van Frankrijk, in het zuiden van Nederland en langs de oostkust van Engeland – werden vanaf 2013 in toenemende mate zilvermeeuwen met Belgische kleurringen waargenomen. Tegelijkertijd ontstond er in de Antwerpse haven een grote kolonie, maar die vogels waren niet afkomstig uit Zeebrugge, maar waarschijnlijk uit het nabijgelegen Land van Saeftinghe (Nederland) waar een grote kolonie door de vos was verjaagd.
In 2018 broedden er naar schatting 2255 paren in Vlaanderen. Mogelijk zijn de werkelijke aantallen nog wat hoger. Omdat de soort nu zeer verspreid voorkomt over vrijwel alle kustgemeenten en heel verspreid (vaak solitair) broedt op moeilijk toegankelijke plaatsen (vooral daken van gebouwen), blijven sommige nesten immers onopgemerkt.
Tot 2014 broedde altijd minder dan 30% van de Vlaamse populatie op daken van gebouwen, maar sinds 2015 is dat toegenomen tot 70-90%. In sommige kustgemeenten zorgt dat voor behoorlijk wat overlast en worden plaatselijke maatregelen genomen om het nestsucces te beperken. Buiten West-Vlaanderen broedden er (naast de genoemde kolonie in Antwerpen met 575 paren in 2018) ook zilvermeeuwen in en rond Gent (108 paren), in Beveren (20 paren) en Limburg (4 paren), telkens in 2018 opgetekend.
Aan persoonlijkheid heeft de grauwe gans geen gebrek
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel: de grauwe gans [Dirk Draulans] / Dierenbescherming Nederland
Dieren persoonlijkheid toekennen werd tot niet zo lang geleden gezien als een verregaande vorm van antropomorfisme, van dieren vermenselijken. Dieren waren gewoon kopieën van elkaar, die van dezelfde band rolden. Persoonlijkheid was iets van ons.
Dat idee-fixe behoort nu gelukkig tot de archieven van de lange geschiedenis van menselijke ijdelheid. Wij hebben uitzonderlijke eigenschappen, maar ook andere dieren kunnen gesofisticeerder zijn dan we denken.
De grauwe gans is samen met de zilvermeeuw de enige vogel die een onderzoeker een Nobelprijs heeft opgeleverd. De Oostenrijkse bioloog Konrad Lorenz kreeg hem in 1973 met twee andere wetenschappers, als gezamenlijke grondleggers van de ethologie. De studie van het gedrag bij sociale dieren. Hij ontdekte de ‘danstaal’ bij bijen en beschreef de ‘inprenting’ bij jonge ganzen. Als het eerste wat ganzenkuikens zien, nadat ze uit het ei zijn gekropen, een bebaarde bioloog is, zullen ze die hardnekkig blijven volgen als ‘ouder’. Ze weten niet beter. Lorenz deed zijn ontdekking in de jaren 1930. Maar de ganzenpopulatie die hij bestudeerde, bestaat nog altijd, in een onderzoekscentrum van de universiteit van Wenen. Ze levert geregeld nieuwe inzichten op, de laatste tijd vooral over de persoonlijkheid van individuele dieren.
Zo was er een publicatie in het vakblad ‘Animal Behaviour’ die illustreert hoe hechter een ganzenpaar is, hoe groter de kans dat het succesvol jongen grootbrengt. Ganzenkoppels blijven niet zelden een leven lang samen, zeker als ze het goed met elkaar kunnen vinden. Hoe vergelijkbaarder vader en moeder in karakter zijn, hoe groter hun gezinssucces.
In ‘Journal of Ornithology’ toonden onderzoekers aan dat grauwe ganzen foto’s van hun vaste partner herkennen. Ze reageren er veel vriendelijker op dan op foto’s van wildvreemden. Ze reageren zelfs pissig op foto’s van zichzelf, wat impliceert dat ze geen zelfbewustzijn hebben. Ganzen zijn simpele grazers met een kleine kop, wat niet meteen wijst op een hogere intelligentie.
Uit een artikel in ‘iScience’ bleek dat veel ganzen een voorkeur hebben voor stoutmoedige exemplaren in hun troep, zeker in vergelijking met agressieve individuen. Stoutmoedige dieren zijn wat wij ‘brutaaltjes’ zouden noemen: extra assertief, maar niet noodzakelijk agressief tegenover anderen. Als een gans opvliegt om te gaan foerageren, is de kans groter dat andere dieren volgen als het een stoer type is. Agressievelingen zijn wel dominant in een groep, maar worden niet courant gevolgd. Het is een karakteronderscheid dat ook in de mensenwereld lijkt te spelen.
De grauwe gans is de voorouder van de geheel witte gedomesticeerde boerengans. Ooit werd ze vereerd voor haar genezende en liefdes-stimulerende kracht (Egyptenaren en Romeinen). Maar vandaag wordt ze vooral als een pest beschouwd, omdat ze akkers en natuurgebieden teistert.
Sinds ze een migrerend bestaan heeft ingeruild voor een economisch voordeliger leven als standvogel staat er geen maat op haar succes. Maar je mag als dier niet te succesvol worden of mensen keren zich tegen je.
Het verenkleed van de forse grauwe gans is bruingrijs; hals en kop zijn iets lichter dan het lichaam. De vleugels zijn breed en krachtig. De onder-vleugels zijn tweekleurig: donker met een lichtgrijze voorkant. De buik is lichtgrijs en de staartbasis (stuit) wit. De stevige snavel en poten zijn oranjeroze. In de lucht vliegen ze in strakke V-formaties, waarbij je ze luid hoort ‘gakken’, een rauw en nasaal ‘ga-ga-ga-ga-ga’.
Het vrouwtje bouwt een nest op de grond, een groot slordig geheel van grassprieten, rietstengels en bladeren, rijk bekleed met donsveertjes dat het vrouwtje uit haar eigen borst trekt. Grauwe ganzen leggen eieren van eind februari tot in mei, met een piek in maart. Ze hebben één legsel per jaar, bestaande uit meestal 4 tot 9 eieren. Ze broeden 27 tot 29 dagen doorgaans in de nabijheid van soortgenoten in een losse kolonie en de jonge nestvlieders zijn vliegvlug na 45 tot 60 dagen. Roofdieren worden dan sneller opgemerkt en weggejaagd. De lichaamslengte varieert tussen 75 en 90 cm; de spanwijdte wisselt tussen 150 en 170 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen 2.9 en 3.7 kg.
Het vegetarisch menu bestaat uit gras, plantenwortels, zaden, waterplanten en jonge scheuten (onder meer van riet). In de winter treft men ze ook aan op akkers aangevuld met oogstresten van maïs, aardappelen en granen (tarwe en gerst).
Grauwe ganzen leven in allerlei gebieden, maar altijd in de nabijheid van water en open ruimten. De vogels overwinteren vooral op boerenland, meren en grote natte natuurgebieden. Oorspronkelijk was de grauwe gans een trekkende vogelsoort, maar de laatste decennia is er veel veranderd in het trekgedrag. In de jaren 1980 overwinterde nog zo’n 80% van de Europese grauwe ganzen in Spanje, maar inmiddels is Nederland het belangrijkste overwinteringsgebied. Sommige overwinterende populaties keren vanaf februari terug naar de Scandinavische broedgebieden, maar die aantallen nemen gestaag af, allicht ten gevolge van de klimaatopwarming.
In Vlaanderen is de grauwe gans tegenwoordig algemeen verspreid. Naast natuurgebieden zie je de vogel steeds vaker in landbouwgebieden en zelfs in stadsparken of recreatieplassen. Het succes is deels te danken aan zijn flexibiliteit: hij kan zowel in natuurlijke moerasgebieden als in sterk door mensen beïnvloede landschappen overleven.
Ontegensprekelijk ervaart de landbouw overlast van de ganzen, voornamelijk in de zomer wanneer de gewassen in volle bloei staan. De grote groepen ganzen kunnen schade veroorzaken aan grasland en groententeelt door veelvraat en vertrapping. In natuurgebieden kunnen talrijke ganzen riet weg eten en met hun uitwerpselen de voedselarme gebieden ‘vermesten’, waardoor plantjes, die daar goed gedijen, verdwijnen.
Jaarlijks worden er in Nederland 245 000 ganzen gedood om de overlast die zij veroorzaken terug te dringen. Het gaat om zo’n 105 000 trekganzen (die tijdens de winter in Nederland verblijven) en 135 000 zomerganzen (tijdens de zomer). Daarnaast worden rond de 5 000 ganzen in een straal van 20 km rondom Schiphol gevangen tijdens de rui (zomer) en vergast. Sinds 2015 is het wegvangen in de ruitijd en vergassen van ganzen ook buiten de 20-kmzone rondom de luchthaven toegelaten.
Dieronvriendelijk én allesbehalve effectief!
Het doden van dieren zal eindeloos moeten plaatsvinden, wil men de schade gedeeltelijk kunnen beperken. De leeggevallen plekken zullen namelijk snel weer door jonge dieren worden opgevuld. Het continu doden zal niet kunnen voorkomen dat schade niet meer optreedt. Het bejagen en verjagen van ganzen zorgt ervoor dat ganzen in grote(re) groepen gaan foerageren en broeden, waardoor de schade niet wordt verspreid en op een aanvaardbaar niveau voorkomt, maar – net andersom – sterk wordt geconcentreerd op bepaalde percelen. Hierdoor zal de averij nog aanzienlijk oplopen. Daarnaast verbruiken opgejaagde dieren meer energie doordat ze steeds weg moeten vluchten, wat resulteert in meer consumptie en dus nog meer schade berokkent.
De Dierenbescherming vindt dat ganzen met rust moeten worden gelaten en in algemene zin de natuur haar werk moet kunnen doen. Ingrijpen is pas gerechtvaardigd als het echt niet anders kan en er sprake is van onaanvaardbare overlast, zoals substantiële schade aan gewassen of verkeersonveiligheid.
De Dierenbescherming wil er samen met de overheid, agrariërs en natuurbeschermers, voor zorgen dat de schade veroorzaakt door ganzen beperkt blijft door naar preventieve, diervriendelijke en duurzame oplossingen te zoeken. Het inzetten en verder ontwikkelen van effectieve weermiddelen en het aanpassen van de omgeving, zoals minder beschikbaar stellen van voedsel en broedgelegenheden, zijn voorbeelden van duurzame alternatieven. Met behulp van de juiste landinrichting in combinatie met verstoring kan het gedrag van ganzen worden gestuurd en daarmee overlast worden voorkomen.
Maak de gebieden, waar niet mag worden gebroed, gerust en gefoerageerd, onaantrekkelijker, door variatie in waterstand, natuurlijke predatie (vos), aanpassing maaibeleid of verstoring door diervriendelijke werende middelen. Wijs gedooggebieden aan waar de ganzen, zowel in de winter als in de zomer, ongestoord hun gang kunnen gaan en niet worden verjaagd. Dit kunnen bv. naast natuurgebieden, ook dijken of braakliggende akkers en velden zijn. Hier kan men minder aanlokkelijk voedsel inzaaien, zoals witte klaver.
De top 5 beste alternatieven:
· - opvanggebieden voor ganzen aanwijzen en inrichten waar ze wél welkom zijn en niet worden bejaagd;
· - het gebied ongeschikt maken om er te broeden;
· - kuiken-werende rasters / prikkelstruiken;
· - landbouwgrond minder geschikt maken bv. door kruidenrijke graslanden en het gras langer te laten groeien;
· - i.v.m. het risico op vogelaanvaringen, inzetten op vogelradars, voertuigen en drones uitgerust met afschrikkingsgeluiden, knallende gaskanonnen en vogel-afweerpistolen.
Recent werd ‘Birdalert’ ingeschakeld op Schiphol. Dit is een autonoom werkende, intelligente vogelverschrikker, die onder meer met een smartphone op afstand kan worden bediend. De apparatuur kan binnen een straal van 250 m (20 ha) specifieke vogelsoorten detecteren en herkennen (een 20-tal, waaronder ganzen, meeuwen, kraaien) en ze vervolgens verjagen met angstgeluiden of de roep van roofvogels of via visuele effecten (laserstralen).
Hoe groot het vogel-aanvaringsrisico op de luchthaven van Zaventem is, valt moeilijk in te schatten, daar Bird Control Unit karig is met het vrijgeven van objectieve kwantitatieve indicatoren. De monitoring en rapporteringen van de vogelbewegingen binnen het luchthavengebied dienen wel jaarlijks in een grondig verslag aan het Agentschap Natuur en Bos overgemaakt.
Geraadpleegde bron: Vogels Kijken: editie 14 – mei 2026: de Pontische meeuw in de lift [Marcel Klootwijk]
Vroeger was het leven van de vogelaar op meeuwengebied heerlijk eenvoudig. Je had zilvermeeuwen en mantelmeeuwen. Grijze of zwarte rug, moeilijker was het niet. Maar toen bleken er heel veel verschillende ondersoorten van de zilvermeeuw te bestaan. Rond de Middellandse Zee bleken ze gele poten te hebben, maar ook in Scandinavië vlogen er meeuwen met gele poten rond. Verder oostelijk rond de Kaspische en Zwarte Zee, waren er ook kustbewoners met gele poten: de geelpootmeeuwen. En dan vloog er in Siberië nog een meeuw rond die verdacht veel op onze kleine mantelmeeuw lijkt, de Heuglins meeuw. Heel verwarrend allemaal en voer voor specialisten.
Maar na veel studies is er een duidelijke soortverdeling gemaakt. Tegenwoordig kan je in onze streken naast de zilvermeeuw ook de geelpootmeeuw en de Pontische meeuw zien.
Na de vogel in Zutphen (aan rechter oever van de IJsselrivier in Gelderland) werden er al snel meerdere (volwassen) Pontische meeuwen gemeld in Nederland, vooral in het oosten en langs grote rivieren. Dankzij een aantal goede determinatiegidsen nam het aantal meldingen eind jaren ’90 explosief toe. Al snel werd de soort ook aan de kust waargenomen en herkend. Op beroemde meeuwenlocaties zoals Westkapelle (Zeeland) en de 3 km lange Zuidpier van IJmuiden (ter hoogte van Velsen) doken er volwassen vogels op. Dat deed al vermoeden dat de soort flink aan het opschuiven was en misschien wel algemener was dan aanvankelijk werd gedacht.
Het aantal meldingen bleef maar toenemen, mede dankzij het verschijnen van betere naslagwerken en meer mensen die naar meeuwen gingen kijken. Steeds meer vogelaars wisten inmiddels ook vogels in het 1ste, 2de en 3de levensjaar te herkennen.
De piek lag qua waarnemingen duidelijk in het najaar en winter, met soms enkele tientallen bij elkaar op gezamenlijke slaapplaatsen of voedselrijke plekken. De vogels bleven geleidelijk steeds langer in het jaar aanwezig. Tot in het diepe voorjaar en de zomermaanden verbleven er Pontische meeuwen in Nederland.
In meer oostelijk gelegen landen was de soort zich al in een flink tempo aan het vestigen. Via rivieren, meren en zoetwatermoerassen hadden de vogels in de jaren ’80 vanuit Oekraïne Polen bereikt. In 2005 waren daar al 500 paren aanwezig. Deze groei zette zich voort tot 2000 à 3000 paar in 2018. Intussen had de soort ook Duitsland gekoloniseerd. Het eerste gedocumenteerde broedgeval was daar in 1992; in 2019 stond de teller al op 750 paar. Het was een kwestie van tijd alvorens de soort in onze streken tot broeden zou komen.
In Nederland gebeurde dat uiteindelijk in 2012, toen een volwassen Pontisch mannetje gepaard bleek te zijn met een vrouwtje zilvermeeuw. Ze hadden samen een nest met 3 eieren op het stuw- en sluizencomplex van Amerongen (tussen de provincies Gelderland en Utrecht). Niet lang daarna in 2014 broedde het eerste zuiver paar op eiland De Kreupel in het IJsselmeer. Vanaf dat moment werd het IJsselmeergebied het middelpunt van de kolonisatie. ‘Ponten’ bleken de voorkeur te hebben voor de strekdammen (dam evenwijdig aan een oever of aan de stroomrichting van een rivier) bij Lelystad (Flevoland), waar al een kolonie zilver- en kleine mantelmeeuwen zat. Tussen deze soorten werden in 2020 27 nesten gevonden. Het betrof veelal zuivere koppels, maar ook nog een aantal mengparen. Er zaten geringde vogels tussen, die zoals te verwachten was, uit Polen en Duitsland kwamen. Elders broeden Pontische meeuwen nu ook in de noordelijke Delta en langs grote rivieren. De totale Nederlandse populatie werd in 2025 al geschat op 220-250.
Pontische meeuwen zijn net als de meeste andere meeuwensoorten, echte opportunisten. Hun voedsel zoeken ze op vuilnisbelten, in steden, op meren en ver op zee. Alleen op graslanden zie je ze eigenlijk nauwelijks. Ze zijn vaak net wat groter dan zilvermeeuwen en een stuk agressiever in een groep met andere meeuwensoorten. De lichaamslengte varieert tussen de 55 en 60 cm en de spanwijdte wisselt tussen de 138 en 148 cm.
Ook broeden ze vroeger in het seizoen, wat ze voordeel oplevert ten opzichte van de zilvermeeuw. Ze komen niet alleen voor in zoete wateren, wat eerder werd gedacht, maar worden ook geregeld op zoute wateren waargenomen. Zelfs midden op zee, tot wel 85 km van de kust weg, daar waar de zilvermeeuw zich vaak niet verder dan enkele km uit de kust waagt. Ze profiteren duidelijk van hun grootte en agressieve gedrag ten opzichte van de kleine mantelmeeuwen. Zelfs de strijd aangaan met de grote mantelmeeuw, vrezen ze niet. Door hun kenmerkende klagende, afgeknepen roep haal je ze er op geluid gemakkelijk uit tussen honderden meeuwen. Tijdens die roep houden zij geregeld de vleugels volledig open en de kop verticaal omhoog gericht (albatroshouding).
Daarnaast verschillen Pontische meeuwen ook van zilvermeeuwen en geelpootmeeuwen in structuur. Ze hebben een slank en langgerekt lichaam met een hoge borst en een langere hals. Ook een veel langer bovenbeen (tibia), waardoor ze hoger op de opvallend lange, dunne poten staan. De snavel is over het algemeen langer, slanker en rechter dan bij de andere twee soorten. Dat laatste komt doordat hij de karakteristieke diepe ‘gonyshoek’ (de knik in de onder-snavel) mist die andere meeuwen wel hebben. Het voorhoofd is wat afgeplat en de vleugels zijn ook langer dan bij de zilvermeeuw. De Pontische meeuw heeft een donkerder oog, een lichtere mantelkleur en minder felgele snavel en poten dan de geelpootmeeuw.
Pontische meeuwen worden, zoals alle grote meeuwen, in ongeveer 5 jaar volwassen en hebben elk jaar een ander kleed. Voor een gedetailleerd overzicht van de verschillende verschijningsvormen, kan je een kijkje nemen in de Nederlandse meeuwengids van Merijn Loeve en Ruurd-Jelle van der Leij.
In België worden van de geelpootmeeuw en de Pontische meeuw jaarlijks redelijke aantallen waargenomen. Voor de geelpootmeeuw loopt dit in de honderdtallen (vooral in de nazomer) en voor de Pontische meeuw in tientallen (vooral in het winterhalfjaar).
Geraadpleegde bronnen: Vogels Kijken: editie 14 – mei 2026 [Thomas van der Es]
De kleine, snelle en nerveuze dwergstern is in onze streken een behoorlijk schaarse broedvogel. Hij broedt vooral aan de kust, elders in Europa soms ook landinwaarts, op de kiezels van een rivieroever bv. Dwergsterns kiezen broedplekken uit waar veel andere vogelsoorten het – terecht – niet aandurven. Het is de strategie van deze soort om zo dicht mogelijk bij het voedsel te gaan broeden, in dit geval op het strand en angstig dicht bij de branding (vloedlijn) van de gevaarlijke zee. De dwergstern is een dappere pionier in een risicogebied.
Mei is een perfecte maand om deze vogels te spotten. Ze zijn dan pas terug uit hun overwinteringsgebieden in West-Afrika (Golf van Guinee). De gehele zomerperiode zijn ze te vinden langs de kust op een incidentele dwaler langs de grote rivieren na. Door hun klein formaat vallen ze amper op, maar als je op een zonnige dag langs de kust het hoge en rauwe ‘krie-ik’ hoort en vervolgens in de versnelling ‘kirri-kirri’, dan weet je dat er een dwergstern in aantocht is. In zijn broedkolonies is hij best lawaaierig en agressief tegen indringers.
De dwergstern is veruit de kleinste stern van Europa. Het formaat maakt de vogel eigenlijk al onmiskenbaar, maar als je hem in de kijker krijgt, vallen ook direct de typische koptekening en de snavel op. In zomerkleed hebben dwergsterns een lichtgrijze rug, een gitzwarte kop met een opvallende witte vlek op het voorhoofd. De geeloranje snavel met zwart puntje sluit andere voorkomende sternsoorten uit. De kleine, korte pootjes zijn een beetje oranjegeel. De vleugels zijn lang en puntig, wat kenmerkend is voor alle sterns. De toppen van de vleugel ogen donkerder door de zwarte buitenste handpennen. In de vlucht vallen de korte, gevorkte staart op en de helderwitte onderkant. De lichaamslengte varieert tussen 22 en 24 cm; de spanwijdte wisselt tussen de 48 en 55 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen 50 en 65 g.
Karakteristiek voor de soort is de manier van jagen. Dwergsterns hangen enige tijd biddend boven het wateroppervlak. Met hun relatief korte vleugels maken ze snelle slaande bewegingen. Vervolgens plonsen ze met een felle stootduik in het water. Ze hebben het vooral gemunt op kleine visjes en garnaaltjes die net onder het wateroppervlak leven. Lukt het op die ene plek niet, dan flappen ze in hoog tempo verder door.
De zone net achter de branding aan de Noordzeekust is vaak populair, maar ook plekken waar kleinere vissen (jonge sprot en zandspiering) zich dichter onder de waterspiegel wagen zijn gegeerd. Dat is vaak in overgangsgebieden tussen zoet en zout water. Dat kan bv. de uitstroom van een gemaal zijn, maar ook in haven- en sluismondingen maak je een kans om dit druk jagend sterntje op te merken. Af en toe zie je je ze even rustend op een dammetje, een paaltje of een haakwal (een lang de kust afgezette zandrug haaks op de stroomrichting).
Wat betreft de broedlocaties hebben dwergsterns een sterke voorkeur voor zout- en brakwatermilieus. In Nederland zijn alle Waddeneilanden en de Zuidwestelijke Delta ideale broedgebieden. Het liefst kiezen ze voor buitendijkse locaties, zoals op het strand tussen de schelpen. Daar is broeden vaak gedoemd te mislukken. Bijna alle stranden zijn net tijdens het broedseizoen het domein van sporters, wandelaars en andere recreanten.
Soms lukt het een stukje strand af te zetten met touwlijnen en leidt dat tot daadwerkelijk succes. De laatste jaren zijn er ook succesvolle inrichtingen geweest van broedgebieden binnendijks. Afgelegen stranden zoals op ‘de Hors’ (een uitgestrekte ruige zandvlakte) op Texel, ‘de Vliehors’ (gigantisch grote zandvlakte van 24 km²) op Vlieland of ‘de Koffiebonenplaat’ (dynamische zandplaat in het natuurreservaat ‘de Boschplaat’) op Terschelling. Deze broedlocaties zijn vaak het minst kwetsbaar voor verstoring, maar een fysieke afbakening is altijd een extra noodzakelijke maatregel om de rust te waarborgen.
Binnendijkse broedplekken vinden we op een paar locaties in Nederland. Misschien de bekendste – in het Zeeuwse Walcheren, ten noorden van Westkapelle – is het omvangrijk plas-dras-gebied, ‘Noordervroon’ ingericht met lage eilandjes en droge schelpen.
In de winter wordt het waterpeil hoog gehouden om potentiële predatoren zoals de bruine rat op afstand te houden. Vanaf deze eilandjes kijken de vogels richting de zeedijk, waar ze slechts overheen hoeven te vliegen om op jacht te gaan. Dat is een belangrijke vereiste voor de dwergsterns; ze willen broeden op maximaal 2.5 km afstand van hun voornaamste voedselgebied. Als dat broeden dus niet op het strand kan, mag het ook binnendijks, maar dan wel op aanvaardbare afstand van de zee. In het Noordervroon halen de dwergsterns wisselend succes. Zeeland kent namelijk al enige jaren behoorlijk veel predatie door roofdieren, zoals de vos.
Bizar is het verhaal uit 2025, toen niet een vos, reiger, zwarte kraai of grote meeuw impact had op het broedsucces, maar een aantal meerkoeten, die de eieren om een onverklaarbare reden, stuk pikten. Of dit een eenmalig incident is of een nieuwe trend, moet nog blijken.
De afgelopen jaren broeden dwergsterns met wisselend succes in het zoete domein, de ‘Marker Wadden’. Ook hier in dit soort aangelegde natuurgebieden, moet je de omstandigheden uit het prille begin zien te handhaven, wens je het aantal broedende dwergsterns te behouden.
Voor dwergsterns in Nederland zijn er tal van zaken die bepalend zijn voor het slagen van het broedseizoen. In Texel ligt zo’n broedlocatie bv. in de monding van de Slufter. Tijdens najaarsstormenbuldert het zeewater binnen en uiteindelijk weer naar buiten. Dit is een landschapsvormend proces dat niet alleen goed is voor het hele getijdengebied, maar ook voor de pionierende dwergsterns. Het water zorgt voor de nodige ‘reset’ en maakt dat delen van het stroomgebied vrijwel permanent kaal blijven. Het zeewater brengt ook schelpdieren mee en zet die af op hoge zandruggen. De losse kleppen van kokkels, zaagjes en tapijtschelpen zijn het perfecte ‘broedbed’ voor dwergsterns.
Van eind april tot begin mei begint het broedseizoen. Met waarschuwingsbordjes, voorlichting en met gerichte handhavingsacties tracht men de menselijke betreding tot een minimum te beperken, ook om een kettingreactie te voorkomen. Als een wandelaar of een hond voor verstoring zorgt, grijpen de opportunistische meeuwen hun kans omdat de pulletjes of eieren dan voor het oprapen liggen.
Het spannendste zijn de dagen met een lente- of zomerstorm. Als die gepaard gaat met springtij, kan dit tot een regelrechte ramp leiden. Zeker als bij een late vestiging in mei er geen tweede broedpoging plaatsvindt, is het broedseizoen dat jaar totaal mislukt.
Meer dan eens hangt het leven van de nakomelingen aan een zijden draadje, maar wie de waaghalzerij van zijn ouders overleeft, zal later hetzelfde lef opbrengen en op zijn beurt in risicogebieden broeden.
In Vlaanderen spot je de dwergstern voornamelijk aan de kust. Het Zwin in Knokke-Heist is de bekendste vaste broedplaats. Ze broeden er op speciaal aangelegde broedeilanden. In het Vinne (Zoutleeuw) worden ze soms tijdens de vogeltrek waargenomen. In havengebieden duiken ze sporadisch op in industriële havendokken met geschikte zand- of grindvlaktes.
De kleine jager, een behendige, snel vliegende piraat
Geraadpleegde bron: Knack: Beestenboel: de kleine jager [Dirk Draulans]
Er is niet alleen een kleine jager, maar ook een grote. Meer zelfs, er zijn ook middelste en kleinste jagers. De grootteverschillen tussen de 4 soorten zijn wel minder opvallend dan hun namen suggereren. De kleine jager is als het ware de sleutelsoort om de andere soorten jagers te onderscheiden.
Het voornaamste onderscheid zit in de vorm van de staart. Bij de grote jager is die min of meer normaal. Bij de kleine zijn twee van de middelste spitse staartpennen een beetje verlengd. Bij de middelste zijn die nog wat langer én gedraaid en bij de kleinste zijn ze het langst.
De kleine jager, verreweg de meest voorkomende, komt vooral in twee kleurvormen voor: een donkere en een lichte. Hij heeft een bruine rug, een grijsbruine of gelige borstband, een donkere kap en een blauwige snavel met een zwarte punt. De onderkant is doorgaans vuilwit. In alle kleden heeft die opvallende, witte handpenvlekken, vooral op de onder-vleugels. De acrobatische vlucht waarbij de lange spitse vleugels snelle vleugelslagen en plotselinge koerswijzigingen toelaten, doen denken aan het vliegpatroon van de slechtvalk. De lichaamslengte varieert tussen 37 en 44 cm: de spanwijdte wisselt tussen 105 en 115 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 380 en 600 g. De meest gehoorde roep is een nasaal, miauwend ‘ie-ah’, die tijdens de balts meerdere keren wordt herhaald. Bij alarm weerklinkt de korte kreet, ‘pjoew’.
Jagers zijn meeuwachtige zeevogels en worden wel eens roofmeeuwen genoemd, vanwege hun kleptomane foerageertechniek. Ze vallen – vaak met z’n tweeën – visetende vogels, zoals meeuwen, sternen en alken, in de vlucht lastig totdat die de prooi, die ze net vingen, weer loslaten of uitbraken – om van hun gedoe verlost te zijn. De buit wordt doorgaans door de behendige jagers nog tijdens zijn val in de lucht opgepikt. Dit is stelend parasitisme dat zelfs menselijke waarnemers zenuwachtig kan maken door zijn hardnekkigheid. Zodra een jager een aanval heeft ingezet, lijkt er geen ontkomen meer aan. Vooral sternen zijn begeerde slachtoffers, omdat ze het sneller opgeven dan meeuwen.
Er zijn aanwijzingen dat het voorkomen van kleine jagers in ons deel van de Noordzee afhangt van het aantal pleisterende sternen, dat op zijn beurt wordt bepaald door de hoeveelheid beschikbare vis. De kleine jager is veruit de talrijkste in onze contreien. Hij wordt vooral tijdens de najaarstrek langs kuststroken en op zee gezien. De vogels kunnen voor hun overwintering tot boven de Zuidelijke Oceaan vliegen. Ze volgen daarbij sternen, die hetzelfde traject afleggen, zodat ze onderweg kunnen ‘picknicken’.
Op het menu staan naast geroofde vis, zoogdieren zoals lemmingen, woelmuizen, maar ook zangvogels, jongen van steltlopers, eieren. Uitzonderlijk zoeken ze wormen, insecten en bessen.
De kleine jager broedt op IJsland, in Scandinavië, Noord-Schotland op kustvlaktes en eilanden of op hoogvenen in het binnenland. Eens in zijn broedgebied maakt deze acrobatische vogel snelle, duikende baltsvluchten hoog in de lucht. Indien mogelijk maken jagers hun nest (een ondiep kuiltje in mos of veen) in de toendra of op noordelijke hoogvlakten met heide, in de buurt van meeuwen- en sternenkolonies. Het enige legsel, tussen mei en juni, levert meestal twee eieren op. De broedduur telt 26 tot 27 dagen en na 26 tot 30 dagen zijn de jongen vlieg-vlug.
De populaties van kleine jagers gaan achteruit. Plaatselijk is hun bestand zelfs al met 80 % gekelderd. Ze volgen daarmee de trend van andere zeevogels, die het door de klimaatopwarming moeilijk krijgen om voldoende vis te vinden, binnen redelijke afstand van hun broedkolonies. Als vispopulaties onder druk van de klimaatopwarming naar het noorden opschuiven, kunnen broedvogels niet altijd volgen omdat er niet overal kliffen of bruikbare broedplekken beschikbaar zijn.
Toch wordt, volgens het vakblad ‘Bird Conservation International’, de kleine jager globaal niet als bedreigd beschouwd. In onder meer Rusland zijn er grote toendrapopulaties, waar de vogels voldoende zoogdieren als prooi te pakken kunnen krijgen. Zoals voor veel predatoren bieden knaagdieren ook hier een reddingslijn voor overleving.
Geraadpleegde bronnen: Vogels kijken editie 10 sept 2025 [Thomas van der Es] – Knack Focus 2019 [Manu De Hauwere (FIR)]
In 2016 gebeurde waarover vogelaars en natuurbeschermers al decennia speculeerden: de visarend vestigde zich als broedvogel in Nederland. Inmiddels is de visarend terecht uitgegroeid tot een icoon van visrijk water langs de grote rivieren. Ook internationaal is het geen onbekende verschijning. Het is namelijk een soort die in alle werelddelen, behalve Antarctica tot broeden komt. In cactusbomen in Mexico, hoogspanningsmasten in Duitsland en langs klifkusten in Australië: het is een echte wereldburger.
In meerdere opzichten is de visarend een unieke roofvogel. Het is een superspecialist die eigenlijk alleen maar vis eet. Hij is geen directe familie van andere roofvogels of arenden. Er zijn wereldwijd 4 ondersoorten in het geslacht Pandion. Sinds 2008 wordt de oostelijke visarend Pandion cristatus door sommige wetenschappers als aparte soort beschouwd.
Het gedrag en uiterlijk van de soort zijn opvallend. De bovendelen van de vogel zijn donkerbruin en de onderdelen contrastrijk licht tot wit. De vleugels zijn behoorlijk ‘meeuwachtig’ slank, hoekig en spits. Aan de hand – de top van de vleugel – zijn markante ‘vingers’ te zien. De kop is relatief klein.
Als visarenden aan het jagen zijn, is dat overduidelijk. Ze hangen dan stil boven het water te bidden. De kop is daarbij vaak omlaag gericht en de klauwen hangen. Bij een jachtpoging duikt de vogel met zijn poten gestrekt en klauwen vooruit in het water. De poten zijn uitgerust met vlijmscherpe nagels die als vishaken de prooi doorboren. Voor het uit het water halen van de buit hebben de vogels baat bij de rubberachtige pootstructuur met stekels. Visarenden kunnen volledig onder water verdwijnen om grote prooien binnen te halen.
Het favoriete voedsel zijn windvoorns, brasems, ruisvoorns en baarzen. Volwassen vogels kunnen zware vissen uit het water torsen, maar soms verkijkt een visarend zich op het gewicht en moet hij de prooi loslaten. Als dat tenminste lukt, want die efficiënte grijptechniek is zo vernuftig dat er op internet filmpjes staan van visarenden die niet meer boven water komen en verdrinken. Ze worden dus slachtoffer van hun eigen perfect gereedschap.
Halverwege de vorige eeuw ging het heel slecht met de visarenden in Europa, een trend die overigens bij veel roofvogels speelde. Er was veel roofvogelhaat, wat gepaard ging met eierroof en jacht. Ook had deze soortgroep extra veel last van pesticiden uit de landbouw. Rond de jaren ’80 leverden een betere bescherming en het verbod op DDT directe winst op voor de Europese populatie.
Bovendien zetten natuurbeschermers zich in om visarenden in potentiële broedgebieden aan te trekken. Ze plaatsten grote korfvormige nesten op palen en hoogspanningsmasten. De nesten werden voorzien van nestvoering en takken. Daarna werden ze ‘beklad’ met wit krijt, alsof er recent een visarend op had zitten poepen. Vooral in Duitsland leverde dit grote successen op. Daarenboven zorgde het er ook voor dat visarenden niet zelf in gevaarlijke hoogspanningsmasten gingen bouwen. Voorkomen is beter dan …
Nog steeds kan je met name in Oost-Duitsland, in de omgeving van National Park Müritz (in het Mecklenburger-gebied, 160 km boven Berlijn) veel visarenden zien op kunstnesten. Rondom dit merengebied broeden tientallen vogels in een soort kolonieverband. Ze kunnen elkaar wel zien maar zitten soms wel op kilometers afstand van elkaar.
Ook in Nederland probeerden boswachters en natuurbeschermers de truc met de kunstnesten uit. Eind jaren ’90 plaatsten ze kunstnesten in hoogspanningsmasten in de Brabantse Biesbosch. Dat leverde helaas geen succes op, maar slechts één broedende aalscholver en een paartje Nijlganzen.
In het Nationaal Park de Biesbosch gebeurden de afgelopen decennia wel fantastisch nuttige ingrepen. Grote stukken polderland veranderden in wetlands, in het kader van ‘Ruimte voor de Rivier’. Ondiepe geulen en slenken zijn een paradijs voor grote vissen. Die trekken in het vroege voorjaar vanaf de rivieren die waterrijke gebieden in om te paaien. Vroeg in het voorjaar verschijnen eerst de brasems, maar later ook karpers. Roofvissen zoals snoekbaars zitten vaak wat dieper, maar komen mee met intrekkende vis de gebieden in. Toen het natuurgebied aantrekkelijker werd voor vissen, nam ook het aantal pleisterende, voorbijtrekkende en later zelfs overzomerende visarenden toe.
In 2014 werd het voor het eerst echt spannend. Toen ontdekte men in een lage hoogspanningsmast een druk bouwend paartje visarenden. Met hoge fluittonen trokken ze non-stop de aandacht. Er was duidelijk sprake van baltsgedrag. Het was echter al hoogzomer, dus dat jaar zou dat niet tot broeden leiden.
Het volgende jaar trof men opnieuw overzomerende visarenden aan, wat opnieuw voor hoge verwachtingen zorgde. Het was echter wachten tot 2016, toen in het voorjaar een vogel terugkeerde met een zwarte kleurring die als nestjong was geringd in het Duitse Maagdenburg. Deze Duitse visarend sloeg een vrouwtje aan de haak (figuurlijk dan) en samen zorgden ze voor het eerste Nederlandse broedgeval. Er vloog in augustus van dat jaar een jong uit. In datzelfde jaar vestigde zich een extra paar in het domein en de jaren daarop volgden er tot 5 verschillende broedparen.
Het mannetje dat sinds 2014 in de Biesbosch rondhangt, heeft een behoorlijk aandeel geleverd wat betreft de aanwas voor de Nederlandse populatie. De vogel kwam steevast rondom 25 maart in Nederland en was vaak ook een van de eerste visarenden die hoe dan ook werden gezien bij onze noorderburen. Vanaf 2016 tot en met 2025 heeft deze vogel maar liefst 23 jongen grootgebracht. De meeste jaren gebeurde dat in een boomnest, maar boomnesten in de Biesbosch kennen risico’s. Met een flinke storm kan zo’n nest makkelijk uit de boom waaien, wat overigens meermaals gebeurde.
Bovendien zit er recentelijk een behoorlijk grote populatie boommarters in het gebied. En een gevaar dat vroeger ook niemand zag aankomen: de laatste twee jaar pikte een brutale grote Canadese gans het nest in. Dit was allemaal te volgen via de camera’s van ‘Beleef de Lente’ van Vogelbescherming Nederland. Bovendien waren er rondom dit beroemde paartje visarend geregeld conflicten met andere roofvogels, want in de Biesbosch broeden sinds 2012 ook een aantal paartjes zeearend.
Komt de visarend ook in Vlaanderen?
Het Midden-Limburgs vijvergebied, ook bekend als de Wijers, lijkt uitermate geschikt voor visarenden daar het rijk is aan visvijvers. Al in 2001 werd er een kunstnest voor visarenden geplaatst op hoge palen. Het was een initiatief van de provincie Limburg in samenwerking met het Fonds voor de Instandhouding van Roofvogels (FIR).
Het is geleden van in 1946 dat er visarenden in Vlaanderen poogden te broeden. Dat was toen in het Oost-Vlaamse Aalter, waar beide nest-bouwende vogels zouden zijn afgeschoten. Verdelging van roofvogels was in die tijd schering en inslag.
Gelukkig zijn de tijden veranderd en staat het FIR symbool voor de nieuwe houding van de samenleving ten opzichte van roofdieren. Zo zorgde het FIR voor de geslaagde terugkeer van de slechtvalk door het plaatsen van broedbakken in vooral kerken en op industriële sites. Van overal in Vlaanderen komen en er nu meldingen binnen van jonge slechtvalkjes die uit het ei zijn gekropen en via webcams door geïnteresseerde burgers kunnen worden opgevolgd.
Het nest in Midden-Limburg is voor zover bekend, het enige dat tot dusver interesse van de soort heeft kunnen wekken. In 2014 was er een eerste kortstondige poging tot nestbouw maar de vogels waren ook toen al snel weer weg. In 2016 waren er net als in 2019 nestactiviteiten en paringen, maar ook toen hebben de vogels het nest ineens verlaten.
We weten uit ervaringen in Frankrijk dat het cruciaal is dat de vogels, als ze een nieuwe broedplek koloniseren, echt met rust dienen gelaten, zo merkt Manu De Hauwere op. Eenmaal ze ergens met succes hebben gebroed, worden ze minder gemakkelijk verstoord. Daarom verdienen de roofvogels van deze eerste broedpoging extra bescherming en extra rust. De Hauwere denkt niet aan een bewuste verstoring door viskwekers in de regio, omdat er geen aanwijzingen zijn dat die problemen zouden hebben met een koppel visarenden.
Hij maakt zich wel zorgen over de mogelijkheid dat natuurbeheerders de vogels – al dan niet bewust – hebben verstoord. Het gaat dan specifiek om mensen die werken voor het Agentschap Natuur en Bos (ANB), dat het Vlaamse natuurbeleid te velde moet concretiseren. Iemand van ANB beweerde overigens dat de visarend voor hem geen doelsoort is. Zij zetten in het vijverlandschap alles op de roerdomp en het woudaapje, twee zeldzame kleine reigersoorten uit rietkragen. Daar heeft het FIR uiteraard geen probleem mee, maar het zou toch jammer zijn dat er als gevolg daarvan geen visarenden in de regio mogen broeden. Trouwen op geen enkele manier vormen visarenden een bedreiging voor de reigertjes.
Het FIR noemt het opvallend dat het ANB in 2014 net op het ogenblik dat de visarenden op het kunstnest waren toegekomen, vlak in de buurt beheerwerken begon uit te voeren. In 2019 stelde men vast dat iemand broedvogeltellingen uitvoerde op een voor bezoekers verboden pad dat bijna pal onder de broedlocatie van de visarenden liep. De dag na het vertrek van de visarenden, begon in opdracht van het ANB een mobiele kraan, niet ver van het nest, sloten vrij te maken van begroeiing.
Het zou niet de eerste keer zijn dat diverse groepen natuurbeheerders met elkaar in de clinch gaan over keuzes die moeten worden gemaakt. Maar het zou verontrustend zijn, mochten sommige mensen in de natuurbeweging niet bereid zijn inspanningen te leveren om de visarend opnieuw als broedvogel naar Vlaanderen te halen. Daarvoor is de soort véél te iconisch. Het is natuurlijk evenmin uitgesloten dat individuen – vissers bv. – actie tegen de dieren hebben ondernomen. Er zijn veel visarendenhaters in de wereld van de vissers, die alles wat (ook) vist als concurrenten beschouwen.
Er wordt overwogen om voortaan permanente camerabewaking van het nest en zijn omgeving te voorzien. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) publiceerde in 2025 zelf nog een advies over geschikte nestpalen langs de Schelde, Durme en Rupel, wat aangeeft dat men de komst van een broedpaar realistisch acht.
De bosrietzanger, determineer je gemakkelijker op zang dan op visuele kenmerken
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Readers Digest Veldgids – ANWB Vogelgids – Vogels van Europa (Capitool Natuurgids) – Alle vogels van Europa
Als een van de laatste zomervogels arriveert in onze regio’s de bosrietzanger. Hij komt pas vanaf half mei binnen uit Oost-Afrikaanse overwinteringsgebieden. Denemarken vormt de uiterste noordwestengrens van zijn verspreidingsgebied. In het Verenigd Koninkrijk komt de soort enkel in het uiterste zuiden van Engeland voor.
Zoek de bosrietzanger vooral in vochtige ruigten met hoge wetlandvegetatie en in droge rietstroken met veel brandnetels en wilgenroosjes, dichte bedden met schermbloemigen, doorgaans wel in de buurt van water (sloten). De bosrietzanger is een uiterlijk sterk op de kleine karekiet gelijkende vogelsoort, die wel minder gebonden is aan rietkragen.
De soort heeft ongeveer het hoogste broedsucces van alle zangvogels (65%). Uit onderzoek is gebleken dat bosrietzangers veel Afrikaanse vogelsoorten imiteren, waarvan ze de zang hebben opgepikt tijdens hun eerste overwintering in Afrika.
Van dichtbij zijn subtiele kenmerken: de kortere, dikke, bleke snavel met donkere bovenrand, de duidelijke dunne, witte oogring; de bleke wenkbrauwstreep, de iets meer olijfbruine bovendelen (ten opzichte van de geelrode tint bij kleine karekiet), de lange, donkere vleugelveren met scherpe, bleke rand, de lichtgele tot vuilwitte getinte onderzijde en flanken, de iets rondere kopvorm met een hoekig achterhoofd, de afgeronde grijsbruine staart en de geel-roze poten (grijs bij de kleine karekiet). De lichaamslengte (van kop tot staart) reikt tot 13 cm; de spanwijdte varieert tussen 18 en 21 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 11 en 15 g
Mannetjes zingen meestal vanuit verborgen zangposten in de struiken of vanop hoge, dichte gewassen, vaak tijdens de avondschemering. Het basispatroon van de zang is vloeiend, soepel en energiek. Het lied is zeer gevarieerd en bestaat uit lange zangstrofen met kanarieachtige rollers en trillers, doorspekt met tal van imitaties en in een hoog tempo geproduceerde ratels en fluittonen. Tempowisselingen en versnellingen zijn typisch. Sommige bosrietzangers kunnen tot 100 andere vogelsoorten nabootsen.
Op een acrobatische wijze foerageert de bosrietzanger in de dichte vegetatie. Hij klimt naar boven om insecten, spinnen en wat slakjes en soortgelijke prooitjes op stengels weg te pikken om zich dan prompt verticaal uit het zicht te laten vallen. De vlucht is direct, licht en zelfverzekerd, soms met behendige manoeuvres, van links naar rechts zwaaiend.
De bosrietzanger broedt in natte struikachtige gebieden, speciaal bij of boven water, maar ook in vochtige en overwoekerde sloten en heggen bij groeiend gewas, zoals koninginnenkruid, kattenstaart, fluitenkruid, moerasspirea, riet en enkele (wilgen)bosjes.
Bosrietzangers bouwen een diep komvormig nest van gras en slanke twijgen, dat met een soort ‘hengsels’ aan riet-, wilgenroosje- of brandnetelstengels hangt. De ondersteunende stengels steken niet door het nest heen, maar zitten er wel stevig aan vastgebonden via plantenvezels.
Eind mei, begin juni tot en met juli wordt één legsel van 4-5 eieren geproduceerd. De jongen verschijnen na circa 12 dagen. Ze worden door beide ouders met insecten gevoerd en vliegen na 12-14 dagen uit.
Deze soort wordt soms door de koekoek geparasiteerd.Elk jaar begin juli worden door mama koekoek wel 10 tot 25 eieren rondgebracht. In elk nest legt ze er maar één, dat meestal een beetje op de eieren lijkt, die reeds in het nest liggen. Wellicht de reden waarom de pleegmoeder vaak onverstoorbaar het legsel blijft bebroeden. Omdat de koekoek gebruikt maakt van een ander nest ten koste van andere vogeltjes, krijgt die de stempel ‘broedparasiet’. De gastouder die het vreemde ei in haar nestje aantreft, het uitbroedt en daarna het kuiken voedt, is de waardvogel. Het lijkt erop dat moeder koekoek het vaakst de kleine karekiet en de heggenmus als waardvogel uitkiest. Andere zangvogels die nogal eens een koekoeksei cadeau krijgen, zijn bv. de bosrietzanger, de gekraagde roodstaart, de graspieper, de rietzanger, de tuinfluiter en de witte kwikstaart.
Omdat spotvogel en bosrietzanger beiden zo’n talentrijke imitators zijn van zoveel diverse vogelzangriedels, kunnen de volgende markantste verschilpunten je wegwijs helpen om ze toch proberen uit elkaar te houden.
De bosrietzanger heeft een warm bruin tot grijsbruin, vrij egaal verenpak, een KBV zeg maar. De spotvogel daarentegen heeft een duidelijk olijfgroene bovenzijde en een citroengele onderzijde. Vaak opvallend frisser van kleur, dus.
De bosrietzanger heeft een relatief kortere, dikkere en stevigere snavel. De spotvogel heeft een langere, spitsere snavel, die wat eleganter oogt.
De bosrietzanger heeft een compacte bouw, een ronde kop en lijkt wat gedrongener. De spotvogel is langer en slanker en neemt vaak een iets horizontalere houding aan.
De bosrietzanger heeft vaak licht geel-roze of vleeskleurige poten. De spotvogel heeft doorgaans grijze poten.
De bosrietzanger heeft kortere vleugels. De spotvogel heeft opvallende langere vleugelpunten (lange handpenprojectie).
Wat de zang betreft heeft de bosrietzanger een snelle, vloeiende bijna ‘sprankelende’ aaneenschakeling van imitaties; bij de spotvogel klinkt de zang luider, steviger met typische wat schurende of ketsende uithalen.
Nog een kleine veld-tip: wanneer je in mei-juni langs ruige struwelen in een vochtige biotoop loopt en je hoort een waterval van geluiden zonder veel pauzes, denk dan eerder aan een bosrietzanger. Zit er tussendoor een wat harder, scherper of schurender accent en oogt de vogel frisser geelgroen, dan komt spotvogel snel in beeld.
Geraadpleegde bronnen: Vogels van Europa – Readers Digest veldgids – ANWB Vogelgids – Vogelbescherming Nederland – Vogels Kijken – Ecopedia
Het leefgebied van de spotvogel strekt zich uit van de Noordzee oostwaarts tot in Centraal Siberië. Het broedgebied wordt begrensd door de 50°- 60° NB-meridianen. De spotvogel ontbreekt in Groot-Brittannië, Ierland en Zuidwest-Europa. De grootste populatie-aantallen treft men aan in Wit-Rusland, waar veel geschikt leefgebied te vinden is. De spotvogel is bij ons een talrijke broedvogel en zomergast. Hij komt pas laat – mei of begin juni – van zijn winterkwartieren in tropisch Afrika terug en eind juli vertrekken de eerste alweer.
De spotvogel heeft een vrij grote, platte kop (vaak met opgerichte kruinveren), een korte, recht afgesneden staart en een brede snavelbasis, die alleen onderaan goed te zien is. Van opzij ziet de oranjeroze snavel met donkere rand er sterk, lang en recht uit. De vage geelwitte wenkbrauwstreep is weinig opvallend. De bovenkant is grijsgroen met donkerdere vleugels en staart. Lichte veerzomen aan de handpennen, die ver voorbij de tertials (de binnenste armpennen) uitsteken, zorgen voor een licht vleugelveld op de lange vleugels. Aan de onderkant is de vogel bleek citroengeel van kin tot staart (wel witte onder-staart) en zijn de poten loodgrijs. De lichaamslengte reikt tot 13.5 cm; de spanwijdte varieert tussen 20 en 24 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 10 en 14 g.
De roep is een levendig drielettergrepige ‘da-da-LUUIET’ of een smakkend ‘tek’ en bij opwinding ‘te-te-te-te’ in korte reeksen. De karakteristieke uitbundige en krasserige zang, die lijkt op deze van de bosrietzanger is een luid, snel, langgerekt en gevarieerd kwelen, doorspekt met imitaties van andere vogelsoorten. Toch zijn het niet zomaar identieke nabootsingen. Hij bewerkt en varieert de motieven, nu eens versnellend, dan weer combinerend. Frappant is dat de typische roep ‘da-da-LUUIET’ geregeld in de zang wordt verweven. Kenmerkend ook zijn de steeds terugkerende nasale, schrille tonen, zoals bv. ‘ghèh-glèh-glèh’. De herhalingen (vaak 2-4) komen vaker voor dan bij de bosrietzanger en het tempo is beduidend lager.
De typische broedhabitat van de soort omvat halfopen biotopen met struiken, boomgroepjes en enkele verspreide bomen of oude aanplantingen met rijke ondergroei in vochtige veengronden (zompige gebieden). De spotvogel broedt vanaf begin – half mei tot juli. Het stevig gebouwd nest is een diepe kom, omhuld door korstmossen en sterk verweven stengels en twijgjes, binnenin bezet met wol en bloemetjes. Het bevindt zich meestal verborgen tussen de bladeren in een boom of dichte struik, hangend aan een gevorkte boomtak.
Er is slechts één legsel per jaar met 4 tot 5 glanzende, licht of dof purperachtige-roze eieren, schaars gespikkeld en gevlekt, die beide ouders bebroeden. De jongen verschijnen na 12-14 dagen en 2 weken later kunnen ze vliegen. De jongen worden nog 2 tot 3 weken gevoerd.
Spotvogels voeden zich vooral met kleine insecten, hun larven en spinnen, maar ze pikken ook graag aan zacht fruit en eten in de herfst tevens bessen. De jongen worden voornamelijk gevoed met rupsen, die de ouders van de bladeren plukken, maar ook in vlucht kunnen ze insecten vangen.
De beschikbaarheid van het ‘vroegere’ landbouwgebied, met hagen en houtwallen, bosranden met mantel- en zoomvegetatie neemt steeds verder af. Of dit ook de reden is voor de terugloop van het aantal broedende spotvogels, kan nog niet met zekerheid worden bepaald.
De spotvogel is een lange-afstand- en nachttrekker. Hij vertrekt al eind juli, begin augustus en aan het einde van de oogstmaand zijn bijna alle spotvogels uit onze streken vertrokken. Hij overwintert ten zuiden van de evenaar tot in het zuidelijke Afrika toe. Eind februari – begin maart vertrekt hij opnieuw naar het noorden om hier begin mei aan te komen.
De aantallen spotvogels in Vlaanderen zijn al sinds de jaren ’80 in vrije val en bij de herziening van de Rode Lijst werd de soort dan ook onder de categorie ‘Bijna in gevaar’ geplaatst. Hoewel de afname na 2004 aanvankelijk leek door te zetten, ontbreekt het in Vlaanderen momenteel aan goede cijfers om dit te staven. De soort is namelijk te schaars geworden om nog te worden opgepikt in het ABV-meetnet. Het ABV-project (Algemene Broedvogels Vlaanderen) is een meetnet van 1200 kilometerhokken verspreid over het Vlaams Gewest. Die vaste hokken worden 3 keer per jaar geïnventariseerd tijdens het broedseizoen. De coördinatie van het project en de rapportering naar regionale, nationale en internationale overheden gebeurt door het INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) terwijl Natuurpunt instaat voor de coördinatie van het vrijwilligersnetwerk. Tot 2017 was hiervoor een aparte broedvogeldatabank en webapplicatie beschikbaar, maar vanaf 2018 werd het project geïntegreerd in www.meetnetten.be (als apart meetnet).
Erg recent wijzen de weinige regionale gegevens tenminste lokaal op een voorzichtig herstel. Op het Groot Schietveld te Brecht / Wuustwezel nam de soort toe van 17 broedparen tot 29 in de periode 2018-2019. Nochtans slaagt de spotvogel er voorlopig niet in om zich te vestigen in grootschalige natuurontwikkeling zoals in het kader van het Sigma-plan te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde. Ook elders in Europa vergaat het de soort overwegend slecht. In het zuidelijke deel van z’n areaal is concurrentie met de naar het noorden opschuivende Orpheusspotvogel mogelijk deels een verklaring, maar in Vlaanderen speelt die concurrentie nog nauwelijks.
De bosruiter, de kleinste ruiter onder de steltlopers
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming NL – Alle vogels van Europa – ANWB-gids – Vogels kijken – Ecopedia
Buiten de broedtijd vertoeft de bosruiter het liefst in ondiepe zoetwaterplassen en in lage moerasvegetaties met plasjes langs meren, natte heide en hoogvenen, vennen, ondergelopen grasvelden, drinkpoelen voor vee.
In de broedtijd verkiest hij natte heiden en vennen in bosrijke gebieden, open taiga, struiktoendra. Je treft hem nooit aan op een open wad, wel in zoute kreken. Dan verblijft hij in Noord- en Centraal Europa: Schotland, Scandinavië, Baltische staten, Wit-Rusland, Oekraïne en verder in het oostelijk Siberië en het noordoostelijke China.
De soort verschijnt in ons land uitsluitend op de doortrek. Hij is duidelijk minder gedrongen dan de grotere tureluur en groenpootruiter. Bosruiters zijn nooit in grote groepen te zien, zoals bv. wel grutto’s en kemphanen die soms met honderden bij elkaar rusten of samen foerageren.
Het is een vrij kleine maar fraaie steltloper met lange, okergele tot geelgroene poten. De lichaamslengte reikt tussen de 19 en 21 cm; de spanwijdte varieert tussen de 36 en 40 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 50 en 90 g. De nerveuze, rumoerige steltloper heeft een rond lichaam en een slanke nek. Bij opwinding wipt hij als de oeverloper de kop en staart op en neer, maar minder opvallend dan de witgat. Het kenmerkend gevlekt, donkerbruin patroon op de bovendelen vertoont witte stippen, die vooral bij fel zonlicht goed opvallen. Markant ook is het vaag patroon op de onderzijde met fijne grijze strepen op de keel en borst die overgaan in een witte buik, met nog enige tekening op de flanken. De bosruiter heeft een witte stuit met een fijn gebandeerd staarteinde. Karakteristiek ook is het krachtig koppatroon met een lange witte wenkbrauwstreep vanaf de middellange snavel (teugel), boven en tot achter het oog (oorstreek). Hij vliegt doorgaans in schijnbaar willekeurige richting op en bereikt snel een grote hoogte, waarbij hij scherp roept ‘tjief-ief-ief …’ In de vlucht zie je zijn voeten voorbij de staart steken en merk je de lichtgrijze ondervleugels. Bij de alarmroep hoor je een langdurig, scherp‘ghip-ghip-ghip’. Tijdens de balts cirkelen beide geslachten boven hun nestgebied met een ritmische, fluitende en jodelende zang, die klinkt als ‘tieLUUL-rieLUUL-tieLUUL-tieLUUL’
Hij foerageert langs de rand van ondiep zoet water of in moerassen en eet wormen en insecten(kevers, wanten, muggen). Buiten de broedtijd is het menu gevarieerder en worden ook spinnen, kreeftjes, slakjes, kleine visjes, kikkertjes, ook zaden gegeerd. Eigenlijk is hij een zoetwatervogel die niet op open zeekusten voorkomt.
De bosruiter is territoriaal en monogaam. De legtijd vindt plaats in mei tot midden juli. De nesten, kuiltjes in de grond en spaarzaam bekleed, liggen tussen verspreide bomen of op open hoogvenen, vaak op een lichte verhoging. Soms kiest de steltloper voor oude nesten van lijsters. Het gebruikelijke legsel van 4 eieren komt uit in 22 – 23 dagen. De jongen worden aanvankelijk door beide ouders verzorgd, maar het vrouwtje verlaat het gezin meestal vóór het uitvliegen van de juvenielen, die na 28 tot 30 dagen vliegvlug zijn.
De bosruiter is een lange-afstand- en breedfronttrekker met bestemming Afrika ten zuiden van de Sahara. Kleinere aantallen overwinteren rondom de Middellandse Zee. De najaarstrek naar de overwinteringsgebieden grijpt plaats van juli tot september; de voorjaarstrek tussen april en mei, vooral ’s nachts en vaak in groep.
Bosruiters profiteren van de ontwikkeling van natte natuurgebieden, van plasdras en hoogwatersloten en van de natuurlijke dynamiek van riviersystemen. Een gunstige beheermaatregel voor de soort is het in stand houden van ondiepe plassen, bv. door overstromingsgebieden te creëren in weiland. Ook het herstel van natuurlijke oevers (met veel slik) of het in stand houden ervan langs rivieren komt deze soort ten goede.
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 72 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.