Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
De geelpootmeeuw, een zuiderse meeuw die ook hier vaker opdaagt
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Sovon vogelonderzoek – Ecopedia – diverse vogelgidsen – Vogelskijken
Bij het herkennen van meeuwen is het bepalen van de leeftijd erg belangrijk: er zijn 4 leeftijdscategorieën, verdeeld in ‘kalenderjaren’ van januari tot december. Vermits er telkens een ander karakteristiek verenkleed bij hoort, maakt dat het determineren van de soort er niet eenvoudiger op. Zo zijn eerstejaars-geelpootmeeuwen dof bruin gevlekt en duurt het 4 jaar alvorens zij het zomerkleed, zoals hieronder beschreven, dragen.
De geelpootmeeuw is van oorsprong de Zuid-Europese tegenhanger van de zilvermeeuw, die lang ten onrechte als een ondersoort ervan werd beschouwd. Door voortschrijdend inzicht en door de groeiende toename van de soort worden er steeds vaker geelpootmeeuwen ook in onze streken waargenomen. Inmiddels heeft de meeuw de status van volwaardige en zelfstandige soort, die ook niet nauw verwant is met de Pontische meeuw, zoals oorspronkelijk gedacht. De geelpootmeeuw komt voor rond de Zwarte Zee, in het Middellands Zeegebied, langs de Atlantische kust van Noordwest-Afrika (Marokko) en Zuidwest-Europa (West-Frankrijk en Zuidwest-Iberisch Schiereiland) en in delen van Centraal Europa (o.a. Zwitserland).
Oppervlakkig lijken ze op zilvermeeuwen of Pontische meeuwen, zeker vanop grote afstand, maar de geelpootmeeuw is forser en atletischer gebouwd. De volwassen vogel in zomerkleed is een fraaie vogel met relatief donkere, leigrijze rug en heldergele poot- en snavelkleur (de zilvermeeuw heeft roze poten). De rug van de geelpootmeeuw is donkerder dan die van de zilvermeeuw maar lichter dan die van de kleine (of grote) mantelmeeuw. Een subtiel onderscheid in de robuuste snavel, die soms dienst doet als zware moker, is de flinke gonys (het naar de keel toelopende en smaller wordende deel van de onder-snavel) en de grotere rode vlek, die uitloopt tot op de boven-snavel. Pasgeboren dons-kuikens pikken instinctief op die ‘signaalvlek’ om de ouders te stimuleren halfverteerd visvoedsel op te braken. In de late zomer en herfst is de kop wit, variabel getekend met zachte strepen rond en achter het oog, maar opvallend spierwit in de winter. De doordringende, strenge blik wordt geaccentueerd door de felle rode oogrand.
Een anderkenmerk is het vele wit op de buitenste twee handpennen, waardoor een tamelijk groot wild veld in de zwarte vleugelpunt te zien is, die scherp contrasteert met de rest van de onder-vleugel. De vlucht is krachtig en elegant met machtige ondiepe vleugelslagen. De lichaamslengte varieert tussen 58 en 68 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 130 en 150 cm en het lichaamsgewicht schommelt rond de 750 – 1200 g
De territorium- en alarmroep klinkt als een luid, diep en lachend gekrijs. Heel kenmerkend is de ‘long call’; hierbij werpt de vogel zijn kop ver achterover in de nek om vervolgens met wijdgeopende snavel een felle reeks, diepe giechelende klanken uit te stoten, rauwer en dieper klinkend als bij de zilvermeeuw.
Net als de zilvermeeuwen eet deze soort vis, garnalen, krabben, zee-egels en tweekleppige schelpdieren, afval en menselijke etensresten. De harde schelpen van kokkels en mosselen worden gemakkelijk stuk geslagen met de ‘moker-snavel’. Hij foerageert ook langdurig op vuilnisbelten en in vissershavens. Op akkers in agrarische polders doet hij zich te goed aan insecten en regenwormen. Daarenboven berooft ook de dominante geelpootmeeuw visdieven en kokmeeuwen van hun prooien of graait hij eieren en kuikens mee. Evenzeer durft hij volwassen duiven en spreeuwen te doden en te verscheuren.
Het broedseizoen start vroeg, vaak al begin april (weken eerder dan de zilvermeeuw). Ze broeden in kolonies, gewoonlijk op rotsige eilanden, maar in West-Europa hebben ze zich aangepast en bouwen zij omvangrijke nesten van gras, zeewier en veren op platte grinddaken van industriële complexen, fabriekshallen en havens of simpelweg op kale zandplaten. De 2 à 3 olijfgroene tot bruine eieren met donkere camouflagevlekken worden 27 tot 31 dagen bebroed. De jongen vliegen na 35-40 dagen uit. Na het broedseizoen trekt een deel van de populatie kennelijk naar het noorden, zodat ze de kusten van de Noordzee bereiken en via de grote rivieren ook streken in Midden-Europa. Populaties in Marokko daarentegen zijn het hele jaar standvogel en ook elders in het Middellands Zeegebied blijven geelpootmeeuwen het hele jaar ter plekke.
In Nederland en België wordt de geelpootmeeuw geregeld waargenomen, maar er zijn heel weinig broedgevallen. In 2002 kwamen in de voorhaven van Zeebrugge, 2 zuivere paren geelpootmeeuw tot broeden. In de directe omgeving van beide koppels broedden tevens 2 geelpootmeeuwen die waren gepaard met respectievelijk, zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw. Tot 2010 broedde er behalve in 2007 altijd wel 1 zuiver paar in de voorhaven en in 2009 opnieuw 2. Door infrastructuurwerken in het havengebied verdween de broedplaats waardoor de soort na 2010 niet meer tot broeden kwam.
In 2018 werd dan weer een zuiver paar opgemerkt in een gemengde broedkolonie van kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw op het dak van een bedrijf langs de Pathoekeweg (Boudewijnkanaal) in Brugge. In 2019 werd op de brandweerdienst beroep gedaan om alle eieren uit de nesten te halen. Het jaar daarop werd hetzelfde koppel geelpootmeeuwen nog even bij het verfrommeld nest zonder eieren opgemerkt. Maar intussen was er op het dak een laserinstallatie geplaatst om er de meeuwen permanent te verjagen.
Ook in Nederland blijft het aantal zuivere broedparen van geelpootmeeuw beperkt tot hooguit een 16-tal. Mengparen met zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw komen daarentegen iets talrijker voor. Het broedvoorkomen is matig bekend. Bovendien is de soort in grote meeuwenkolonies niet gemakkelijk te vinden. Daarbij zijn lang niet alle broedgevallen goed gedocumenteerd. Wel is duidelijk dat de soort nog steeds zeldzaam is. Het merendeel van de broedgevallen vindt plaats in het Deltagebied inclusief de Europoort-Maasvlakte. In het binnenland zijn broedgevallen zeldzaam, al zijn er bekend rond het IJsselmeer, de Grote Rivieren en langs de Maas. De aantallen nemen toe vanaf juni en bereiken een gemiddelde piek van 120 individuen in augustus. Dit vormt een deel van de noordwaartse zwerfbewegingen van Zuid- en Midden-Europese geelpootmeeuwen. Vervolgens trekt een deel weer terug en dalen de aantallen naar een stabiel niveau in winter en voorjaar.
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – diverse vogelgidsen – Vogels Kijken – Ecopedia – Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Een zwartkopmeeuw – een fractie groter dan de kokmeeuw – is in zomerkleed een verbazingwekkende mooie meeuw. Vergeleken met de kokmeeuw heeft ze een inktzwarte kopkap, die verder doorloopt tot in de nek, grote witte oogleden (met een fronsende uitdrukking), een felrode dikkere, maar kortere en stompere snavel met zwarte ring, langere rode tot zwarte poten, parelgrijze bredere en kortere boven-vleugels en geheel witte onder-vleugels met witte vleugelpunten (zonder zwart, zoals dat het geval is bij de meeste andere meeuwen). In de winter wijzigt die zwarte kopkap in een zwarte veeg rond oog- en oor-streek, het zogenaamde ‘boevenmasker’ met grijsbruine, gestreepte kruin. De vlucht is snel en sierlijk, maar met stijve vleugelslagen; de zwartkopmeeuw glijdt en zweeft weinig. De lichaamslengte varieert tussen 36 en 38 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen de 98 en 105 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 200 en 350 g. Pas na 3 jaar hebben ze het volledig volwassen kleed.
Van zwartkopmeeuwen werd aanvankelijk gedacht dat ze hard achteruitgingen en zelfs zouden uitsterven, maar in de laatste jaren zijn ze juist toegenomen en verspreiden ze zich naar het noorden. Alvorens hun aantallen hoog genoeg waren om een eigen kleine populatie op te bouwen, waren ze in delen van West-Europa zo schaars dat afzonderlijke vogels soms paarden met kokmeeuwen. Nu zijn er voldoende exemplaren in herfst en winter aan beide zijden van het Kanaal, hoewel het aantal broedgevallen nog laag en grillig is in een groot deel van het verspreidingsgebied.
De zwartkopmeeuw is sterk gebonden aan kustgebieden en grote ondiepe binnenwateren. Hij foerageert voornamelijk op stranden of eilandjes met zand- en schelpenbanken, bij rioolwaterzuiveringsinstallaties en op zee, waar hij altijd wel afval, ongewervelden, visjes en schelpdieren vindt. In het broedgebied leeft hij vooral van insecten, slakken en aardwormen.
De zwartkopmeeuw gebruikt zijn zwarte kap om te imponeren tijdens de balts en territoriale disputen. ’s Winters is hij zwijgzaam, maar in het voorjaar weerklinkt een nasale geknepen roep met een doordringend ‘whaa-whaa-whaa-whaa-oo-ah’ en een meer sternachtig ‘kie-er’.
Geïsoleerde paren nestelen tussen kokmeeuwen, maar grotere kolonies in Oost-Europa bestaan uitsluitend uit zwartkopmeeuwen. Vanaf april-mei worden 2 tot 3 gespikkelde eieren, goed gecamoufleerd in een met gras beklede nest (kuiltje in zand of schelpen) gelegd. Over het algemeen vermijden ze kale grond en dus tref je het nest ook aan op intensief bewerkte graslanden of op kwelders in kustgebieden. Beide ouders broeden en wisselen elkaar geregeld af. Na zo’n 3 weken komen de kuikens uit. Net als bij de kokmeeuw zijn het nestvlieders; ze lopen al snel rond, maar blijven nog een 5-tal weken afhankelijk van hun ouders die hen met kleine prooien voeren, vaak insecten of kleine visjes. Na 3 tot 4 weken zijn de jongen vliegvlug.
In de kolonie heerst in die periode een levendige drukte; overal roepende en bedelende jongen, ouders die voedsel aanbrengen en vogels die samen de kolonie fel verdedigen tegen ongewenste indringers. Na het grootbrengen van de jongen trekken vanaf half juli de adulten en juvenielen weg richting zee en wordt de kolonie verlaten. De broedvogels die er niet in slaagden jongen groot te brengen, vertrokken al eerder. De Atlantische noordwestkust van Frankrijk en de zuidkust van Engeland zijn belangrijke verblijf- en ruiplaatsen voor de meeste vogels vanaf midden juli tot oktober.
Ringterugmeldingen tonen aan dat de Belgische en Nederlandse broedvogels eveneens in deze gebieden ruien en overwinteren. Maar al 15 jaar lang stelt men vast dat een aanzienlijk deel van de zwartkopmeeuwen opvallend lang ter plaatse blijven op de Rechter Scheldeoever na het verlaten van de broedkolonies, terwijl deze vroeger systematisch wegtrokken naar de kustgebieden.
De zwartkopmeeuw broedt zeer lokaal en vaak onregelmatig in ondiepe inhammen, kustmoerassen en in open laagland, bij voorkeur met enige vegetatie in Griekenland, Midden-Europa, Oostzee- en Noordzeekusten, schaars in Engeland, Nederland, Frankrijk en Spanje. De zwartkopmeeuw komt nog steeds algemener voor in het zuidoosten.
De broedvogels van de Zwarte Zee trekken ’s winters naar de Middellandse Zee. Toenemende aantallen trekken westelijk naar de Noordzee en de Atlantische kusten van Frankrijk, Groot Brittannië en incidenteel ook Spanje en Noord-Afrika. Sommigen blijven daar om te broeden. In de winter vertoeft de soort op riviermondingen, stranden, meren, havens en soms op vuilnisbelten, maar zelden ver landinwaarts. De meeste adulte vogels keren in maart terug, terwijl de onvolwassen vogels het hele jaar in het westen blijven.
De zwartkopmeeuw zit duidelijk in de lift in Vlaanderen. Tot 1990 kwam de totale Vlaamse populatie niet of nauwelijks boven de 20 broedparen uit, maar vanaf halverwege de jaren 1990 nemen de aantallen gestaag toe. Met 2 500 paar in 2018 bereikte de Vlaamse populatie haar hoogste niveau ooit. Die toename komt grotendeels op het conto van het Antwerps havengebied. De soort maakt hier opportuun gebruik van verschillende bedrijventerreinen en speciaal ingerichte gebieden, die vaak tijdelijk bezet zijn door grotere aantallen zwartkopmeeuwen.
In eerste instantie vooral op Linkeroever (met als grootste trekpleisters de Verrebroekse Plassen, de Doelpolder Noord, het Deurganckdok, de Putten West, de Prosperpolder Noord), maar sinds 2009 broedt de soort almaar meer op Rechteroever tussen Zandvliet en Ekeren (Total-site en Potpolder). De kolonie op de Total-site in Antwerpen telde 1 700 paar in 2017 en was daarmee de grootste tijdens de onderzoeksperiode 2013-2018 en wellicht ook de omvangrijkste kolonie van Europa.
Ook de broedeilanden in het Zwin zijn de laatste jaren in trek (max 190 paar in 2016), terwijl de haven van Zeebrugge nog maar heel weinig wordt gebruikt (max 4 paar op het Sternenschiereiland in 2013). Rond de eeuwwisseling was de voorhaven van Zeebrugge een belangrijke broedplaats voor zwartkopmeeuwen, maar vandaag is dat sterk afgenomen. In diezelfde onderzoeksperiode werden amper 2 paar in het Molsbroek in Lokeren, 4 paar in het Limburgse Vijvergebied en ook slechts 2 paar op de terreinen van de voormalige suikerfabriek te Veurne aangetroffen.
Eveneens in Nederland gaan de aantallen al enkele jaren over de 2 000 broedparen, in 2017 zelfs ineens tot ca 5 000. Het leeuwendeel broedt daar in het Deltagebied met bv. een grote kolonie op de Hooge Platen in de Westerschelde. Van jaar tot jaar vinden er soms grote verschuivingen tussen de broedlocaties plaats, vaak ook grensoverschrijdend tussen het Deltagebied en het havengebied van Antwerpen.
Er waren eerder al ook belangrijke geografische verschuivingen. In 1985 zaten vrijwel alle kustbroedvogels in het Zwin. Geleidelijk aan nam het belang van Zeebrugge en de Baai van Heist toe, tot iets meer den 96% in 2004. In de periode 2002-2013 lag dat aandeel telkens boven de 80%, maar daarna daalde dat tot minder dan 50%. De sternen uit Zeebrugge zijn toen deels uitgeweken naar de Spuikom in Oostende en de nieuwe broedeilanden in het Zwin, terwijl de zilver- en kleine mantelmeeuw zich hebben verspreid over de gehele kust.
Sinds 2023 is Zeebrugge weer belangrijker geworden, vooral door een sterke toename van de grote stern, maar ook door de achteruitgang van het aantal broedparen in het Zwin en de Spuikom van Oostende. Het aandeel van Zeebrugge bedraagt vanaf 2023 meer dan 60% van de totale kustpopulatie. De Baai van Heist wordt tegenwoordig niet meer gebruikt als broedgebied.
De achteruitgang van het aantal kustbroedvogels tussen 2004 en 2014 is het gevolg van een toegenomen druk door landroofdieren in combinatie met habitatverlies. Verwilderde katten, ratten en vossen bedreigden de broedkolonies op het Sternenschiereiland en op de Baai van Heist, die tegenwoordig niet meer wordt gebruikt als broedgebied. Ook de nieuwe aangelegde eilanden in het Zwin kregen in 2020 en 2021 te maken met de vos. Door de predatiedruk zijn zilver- en kleine mantelmeeuw meer en meer op daken van gebouwen gaan broeden, verspreid over de kuststrook. Visdief, kokmeeuw en zwartkopmeeuw bleven wel gespaard op de eilanden in Oostende en in het merendeel van de jaren ook in het Zwin. In Zeebrugge hielp bescherming tegen vossen bij het herstel van visdief, de terugkeer van de grote stern en het gedeeltelijk behoud van grond-broedende zilver- en kleine mantelmeeuwen.
Toch blijven er zorgen, zoals de impact van de vogelgriep in 2022 en 2023, het nagenoeg verdwijnen van broedgelegenheid voor dwergstern, de slechte staat van broedeilanden in het Zwin en op de Spuikom van Oostende. De oppervlakte die de sternen ter beschikking hebben op het Sternenschiereiland in Zeebrugge is te beperkt.
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel [Dirk Draulans] – diverse vogelgidsen – Vogels kijken – Vogelbescherming Nederland – Ecopedia
In de jaren 1970 was het natuurreservaat Snepkensvijver in de Antwerpse Kempen een soort attractie. Het is een veenmoeras, dat ontstaan is door zijn ligging naast de Kempense heuvelrug, de landduin tussen Herentals en Retie. In het lagere gedeelte naast de heuvelrug blijft het water lange tijd staan en vormt ze een ven met een grote moerassige strook. Daar verbleef toen een kokmeeuwenkolonie met liefst 25 000 nesten. Dat waren 50 000 constant krijsende vogels, die samen een enorm kabaal maakten.
In die tijd bedroeg de totale Vlaamse broedpopulatie zo’n 32 000 koppels. Kokmeeuwen kwamen van heinde en ver om in de Snepkensvijver te broeden; het zijn immers echte zwervers. In de winter vliegen ze soms tot in het zuiden van Spanje en Portugal. Ze broeden doorgaans wel steeds in dezelfde kolonie, niet zelden elk jaar ook op hetzelfde plekje in het broedgebied.
Conservator van de Snepkensvijver was destijds de legendarische natuurbehoudspionier, Jos Cuypers, altijd piekfijn uitgedost in een boswachterskostuum. Jos leidde bezoekers graag rond het moeras. Op een vaste plek trok hij een smetteloze, witte zakdoek uit een broekzak, waarmee hij wat in de lucht wapperde. Het gevolg was dat de witte meeuwenwolk eventjes nóg meer herrie maakte.
Meeuwen moeten wel lawaai maken willen ze gehoord worden, zoals mensen in luidruchtig gezelschap nog luider gaan praten. Ze krijsen dag en nacht, maandenlang. Eerst moeten ze indruk maken op potentiële partners, later een nestplek verdedigen, nog later contact leggen met hun kuikens. Zodra die op wandel gaan, moeten de ouders ze in de massa zien terug te vinden. Hun diverse kreten spelen daarbij een grote rol. De meeuwen zelf worden niet horendol van hun gekrijs. Ze hebben geen oorschelpen zoals wij, zodat er geen kanalisatie van lawaai naar hun gehoororganen is. De haartjes in hun oren worden continu vervangen, zodat eventuele schade snel wordt hersteld. Ze lijken goed aangepast aan het voor ons oorverdovend geschreeuw.
Vandaag is de Snepkensvijver een oase van rust. Mensen komen er voor dophei, kleine zonnedauw, veenmos, veenbes, veenpluis, de geurige gagel (inheemse struik met aromatische, lancetvormige, getande bladeren) en de middelgrote heivlinder, soorten die aangeven hoe veenmoerassen er vroeger uitzagen. Inmiddels zijn de meeuwen weg, die in 1980 verdwenen. De eerste broedende kokmeeuwen in de Snepkensvijver werden in 1940 geregistreerd.
De laatste beschikbare cijfers van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek geven aan dat er nu in Vlaanderen maximaal 13 000 koppels kokmeeuwen broeden. Echt grote kolonies zijn er niet meer. De vogels verplaatsen zich van natuurlijke naar kunstmatige broedgebieden, zoals opgespoten terreinen in havens. Slechts 19% broedt nog in natuurgebieden.
Over de oorzaken van de achteruitgang heerst geen duidelijkheid. Waarschijnlijk betreft het een amalgaam aan factoren, zoals broedbiotoopverlies, het afdekken van afvalstortplaatsen (meeuwen waren fervente stortplaatsbezoekers, ook in de buurt van de Snepkensvijver), overbemesting van graslanden, toenemende predatie van eieren en kuikens en ziektes, zoals de vogelgriep. Maar het is niet uitgesloten dat de kokmeeuw bij ons een tijdlang boven haar stand leefde. Ze is trouwens nog altijd alomtegenwoordig in onze leefomgeving én ze krijst nog steeds even luid.
De kokmeeuw, ook bekend als de ‘kapmeeuw’, broedt in Europa van IJsland en Ierland in het westen tot aan het oostelijke deel van Rusland. In mildere streken van West-Europa, zoals Groot-Brittannië blijven veel vogels het hele jaar door ter plekke. Hun aantallen worden tijdens de winter aangevuld met trekvogels uit koudere regionen. In Nederland en België is de kokmeeuw een algemene soort, die vrijwel overal voorkomt. Ook bij ons blijven de aantallen ongeveer stabiel omdat de populaties in noordelijke en oostelijke gebieden, zoals Scandinavië en de Baltische Staten, in de winter massaal naar het zuiden of het westen trekken.
De kokmeeuw is wereldwijd te vinden omdat ze zich moeiteloos aan uiteenlopende leefomgevingen aanpast, zolang er water in de buurt is. Ze verblijven in moerassen, bij meren en rivieren, op akkers en weilanden. Ook zie je ze vaak in steden, havens en op vuilnisbelten, waar ze gemakkelijk aan voedsel geraken. Ze broedt meestal in grote groepen op de grond, vaak in gebieden, die moeilijk te bereiken zijn, zoals eilandjes in meren of in moerassen, wat hen beschermt tegen roofdieren. De kokmeeuw is een relatief kleine meeuw met een lengte van 34 tot 38 cm en een vleugelspanwijdte van 100 tot 110 cm; het lichaamsgewicht van een volwassen vogel varieert van 225 tot 350 g.
In het broedseizoen heeft de kokmeeuw een kenmerkend uiterlijk met een chocoladebruine kopkap, die vanop afstand zwart lijkt. De rest van het lichaam is wit met een bleek blauwgrijze rug en bovenkant van de vleugels. Op de onder-vleugels zijn de donkere handpennen met een witte voorrand (scherp afgetekende, witte streep) kenmerkend. De poten en de snavel hebben een opvallende dieprode kleur. In het zomerkleed is ook een halvemaanvormige dunne, witte oog-ring te zien.
Tijdens de winterperiode verdwijnt de donkerbruine kop en wordt deze wit, op enkele kleine, donkere vlekjes achter het oog na (oorstreek), alsof dan de kokmeeuw een ‘koptelefoontje’ draagt. De poten en snavel zijn dan ook minder felrood. De kokmeeuw brengt naast een luide, lachende kreet ‘krriearr’ met veel variaties, nog een kort, scherp ‘kek’ of trillend ‘kie-kekkekkek’.
Deze meeuw heeft een zeer breed en gevarieerd dieet en past zijn eetgewoonten aan aan wat er in de omgeving beschikbaar is. De kokmeeuw jaagt op een breed scala aan ongewervelde dieren, waaronder regenwormen (in vers omgeploegde akkers) en diverse insecten, zoals kevers, vliegen en mieren. Daarnaast vangt die kleine vissen en schaaldieren. Als opportunistische eter is hij tevens vaak te vinden op vuilnisbelten in steden, waar hij afval en voedselresten zoekt.
De voortplanting valt in het voorjaar en vangt aan met een baltsritueel. Het mannetje voert dan een paringsdans uit en biedt het vrouwtje voedsel aan. Het nest bestaat doorgaans uit een ondiep kuiltje op de grond, gemaakt van plantenmateriaal, zoals twijgjes, rietstengels en grashalmen. Het vrouwtje legt meestal 3 eieren. De broedtijd duurt 22 tot 26 dagen. De jongen kunnen na ongeveer 35 dagen vliegen.
Tijdens het kwetsbare broedseizoen worden ze ook geconfronteerd met predatie. Eieren en jonge kuikens zijn vaak het doelwit van kraaiachtigen, reigers en andere meeuwensoorten, die de nesten plunderen. Ook landroofdieren, zoals vossen en marterachtigen vormen een bedreiging, vooral wanneer de kolonies zich op het vasteland bevinden. In stedelijke omgevingen is ook de slechtvalk een geduchte predator. Ondanks al deze bedreigingen, helpt het sociale gedrag (solidariteit) van de kokmeeuw om de predatiedruk te verminderen door in grote kolonies te broeden.
Hoewel de database niet helemaal volledig is, is na een reconstructie de trend van de kokmeeuw in Vlaanderen in grote lijnen wel duidelijk. In de periode 1994-2004 nam de populatie in gestaag tempo af, een korte heropleving in 2000-2001 niet ten na gesproken. In die tijd broedden er in de meeste jaren meer dan 15 000 paar in Vlaanderen, soms zelfs meer dan 20 000.
Rond 2004 stortten aan de Oostkust de grote kolonies in Zeebrugge en het Zwin in elkaar en ook in Limburg ging het snel bergafwaarts. In de provincie Antwerpen waren het de kolonies in Polderbos-Krabbelshof en de Ronde Put in Mol-Postel die sterk achteruitgingen en ook in de Gentse Kanaalzone kon de soort zich niet langer handhaven. Alleen de kolonies in Zoutleeuw (het Vinne), rond de Antwerpse haven (Linker- en Rechteroever) en in Lokeren (Molsbroek) wisten zich in stand te houden.
Vanaf 2004 lijkt de populatie redelijk stabiel en schommelt het aantal broedparen meestal rond de 10 000. In de periode 2013-2018 broedden er 10 500-13 000 paar in Vlaanderen. De populatie in de kustregio’s herstelde zich enigszins door de creatie van nieuwe broedeilanden in het Zwin en in de Spuikom van Oostende. Ook op verschillende plaatsen in de Oostkustpolders (Lissewege, Wenduine en Oudenburg) werd gebroed, maar de huidige aantallen zijn peanuts in vergelijking met die in het Zwin en de haven van Zeebrugge van eind vorige eeuw. Eveneens aan de Westkust (met als voornaamste broedplaats de suikerfabriek in Veurne) blijft het aantal koppels beperkt tot enkele honderden, net zoals in het Limburgse Vijvergebied.
Grotere aantallen bevinden zich in het Vinne te Zoutleeuw, hoewel deze kolonie op basis van de schaarse gegevens waarover we beschikken, achteruit lijkt te gaan (3 000-4 000 nesten aan het begin van deze eeuw naar 2 000-2 500 in de voorbije periode. In het Lokerse Molsbroek broeden al jaren 1 500 tot 1 600 koppels. Het geheel aan geschikte gebieden in en rond de haven van Antwerpen (zowel Linker- als Rechteroever) is verreweg de belangrijkste zone voor deze soort. Hier broedden in de periode 2013-2018 in totaal 7 000 paar.
De grote jager, de brutale bullebak van de Noordzee
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – diverse veldgidsen – Vogels Kijken – Sovon – Ecopedia
De grote jager is een robuuste zeevogel, bekend als een angstaanjagende en opportunistische roofmeeuw, die andere vogels belaagt en een gevarieerd dieet heeft. Onze contreien maken geen deel uit van hun broedgebied. De soort broedt voornamelijk rond Schotland, de Faeröer, IJsland, de Noorse kust, Spitsbergen en andere kleine gebieden in Noord-Rusland op afgelegen veengebieden en heuvels, soms ook op vochtige, hoger gelegen kustvlakten. Bij ons is het een echte kustvogel, die vooral in de herfst (september-oktober) bij hevige westen- en noordwestenwind naar de West-Europese rotskusten wordt gedreven en opgemerkt.
Alle jagers zijn rovers en geen enkele is hiervoor beter toegerust dan de grote jager. Deze geweldenaar is niet alleen stevig gebouwd (formaat van een zilvermeeuw) en agressief, maar tevens in staat van zelfs grote gezonde vogels van hun maal te beroven. Favoriete slachtoffers van de grote jager zijn Jan-van-Genten. Al zijn die een paar maten groter met een indrukwekkende dolksnavel, toch weerhoudt het de grote jager er niet van de achtervolging in te zetten. Deze worden in volle vlucht bij de vleugelpunt gegrepen, waardoor ze hun evenwicht verliezen en in zee vallen. Ze braken dan hun laatste maaltijd uit, die dankbaar door de belager wordt opgeslokt.
Indringers in hun broedterritoria worden door de jagers in duikvlucht woedend aangevallen, waarbij ze met de poten trappelen en met de snavel flinke slagen toebrengen. Ze landen zelfs op de kop van een langslopend schaap, slaan het met de vleugels en jagen het zo uit de broedkolonie. De karakteristieke agressieve houding herken je aan de lange, brede vleugels die de grote jager omhoog en naar achteren houdt met de wijd open gesperde snavel.
Op het menu staan zeevogels als alken, drieteenmeeuwen en papegaaiduikers. Daarnaast vangt hij ook zelf vis (onder meer spiering), pijlinktvis en aas. Buiten het broedseizoen zoekt hij vaak vissersschepen op, begerig op zoek naar visafval, waaronder schelvis, wijting, kever (kabeljauwachtige).
Volwassen vogels hebben een donkere kap, de grof geelbruine gestreepte nek en mantel en een gestreepte donkere bruine bovenkant. De onderkant is egaal donkerbruin en de dikke poten zijn zwart. De zeevogel heeft opvallende, flitsende witte vlekken op boven- en onder-vleugels (vooral de handpennen aan de onderzijde zijn vanop grote afstand te zien), waarmee die pronkt tijdens de baltsvluchten boven zijn broedgebied.
De roofzuchtige meeuw heeft een stevige, puntige haaksnavel. Al lijkt die in de langzame, directe vlucht vrij slank is hij goed herkenbaar aan het silhouet met een fors lichaam, de tamelijk ver uitstekende kop met krachtige hals en de korte, rechte of wigvormige staart, alsook aan de spitse vleugeltippen. In tegenstelling tot bij de andere jagers hebben ze geen verlengde staartveren. De grote jager kan wel plotseling versnellen als hij achter een meeuw of Jan-van-Gent aanzit. Hij is zeer krachtig en wendbaar in korte achtervolgingen. De lichaamslengte varieert tussen 52 en 58 cm; de vleugelspanwijdte haalt 1.25 tot 1.40 m; het lichaamsgewicht schommelt rond 1.2 tot 2 kg. Het vocale repertoire is beperkt tot korte, lage, grommende klanken en een lage, nasale ‘ghok’-roep en tijdens de balts weerklinkt een rollend ‘tsjierr’
Grote jagers broeden in losse kolonies op eilanden met weinig menselijke verstoring, vaak op vlakke grond met lage vegetatie en nabij andere zeevogelkolonies. Ze zijn monogaam en heel territoriaal. Ze leggen doorgaans 2 eieren in een schaars met dood gras of mos bekleed kuiltje in heidevelden of op een vrijwel kaal terrein. De broedduur is 28 tot 32 dagen en de jongen zijn nestvlieders die vliegvlug zijn na 40 tot 50 dagen.
De grote jager trekt van de broedgebieden vooral naar de Atlantische Oceaan ten noorden en ten westen van het Iberisch Schiereiland, maar kan op de hele noordelijke Atlantische Oceaan tot aan de Noordelijke IJszee worden aangetroffen. In de herfst trekken alle grote jagers zuidwaarts, vaak over de Noordzee en het Kanaal naar Zuidwest-Europese en Noordwest-Afrikaanse overwinteringsgebieden.
De grote jager kende in 2022-2023 een dramatisch seizoen. De soort had sterk te lijden onder de heersende vogelgriep. In het Verenigd Koninkrijk was veel sterfte vastgesteld; in Schotland betrof dit naar schatting zo’n 13% van de populatie, waarvan alleen al 1400 adulte vogels op het eiland Foula. Overigens kende de grote jager hiervoor ook al enkele slechte jaren. In de laatste 12 jaar is dan ook sprake van een significante afname (- 8% per jaar). Helaas zijn er geen recente trendgegevens uit de Britse kolonies. Opvallend is dat sinds het begin van de zeetrektellingen nog steeds sprake is van een matige toename. Normaliter worden de meeste grote jagers gezien in september en vooral in oktober, waarna waarnemingen doorlopen tot in de winter. Maar gedurende het hele najaar van 2022 werden slechts met mondjesmaat grote jagers gezien. In het totaal werden aan de Nederlandse kust slechts 46 exemplaren geteld.
Het grootse deel van het jaar verblijven grote jagers op open zee. Hun gevoeligheid voor olie is dan ook relatief hoog. Zoals voor alle zeevogels is vervuiling van de zee met giftige stoffen die zich in de voedselketen ophopen een bedreiging. Indirect kunnen grote jagers last krijgen van de vermindering van ongewenste bijvangsten in de visserij, waardoor ze worden gedwongen over te schakelen op een dieet van zeevogels en hun kuikens.
De grote burgemeester, een zelden waargenomen wintergast
Geraadpleegde bronnen: diverse vogelgidsen – Vogels Kijken – Vogelbescherming Nederland
Deze meeuw is een charismatische, schaarse wintergast in Noordwest-Europa, die broedt in Arctische kustgebieden. Het is een krachtige vogel die in grootte tussen de zilvermeeuw en de grote mantelmeeuw zit. De lichaamslengte varieert tussen de 63 en 68 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen 140 en 180 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 1 en 2 kg. De grote burgemeester kan ondanks zijn formaat en omvang sierlijk en elegant zijn. In de vlucht maakt hij gebruik van krachtige vleugelslagen om daarna glijdend en zwevend door de lucht te klieven.
De grote burgemeester heeft redelijk wat kenmerken gemeen met de zilvermeeuw, al zijn de bovendelen zilvergrijs. Door het ontbreken van de zwarte vleugelpunten en de brede witte toppen van de handpennen, vormt de buitenvleugel in vlucht een opvallend groot wit driehoekig vlak. In geen enkel verenkleed, dat tot het 4de levensjaar telkens van uitzicht wisselt, heeft deze meeuw zwart op de vleugelpunten. De lange hals en kop met vlak voorhoofd is ’s zomers wit, maar van de herfst tot de lente grijsbruin gevlekt tot op de borst. De handpentoppen steken voorbij de staartpennen (minder dan bij de kleine burgemeester). Ten opzichte van de kleine burgemeester zijn de lichtroze poten langer, de zware, lichtroze snavel langer, aanvankelijk met een kleine zwarte, scherp begrensde punt, maar als adult (geslachtsrijp als ze 4 jaar oud zijn) wordt die later geel met de typische rode vlek. De grote burgemeester heeft kleine ogen en een gele oog-ring; terwijl de kleine burgemeester een rode oog-ring heeft.
Onvolwassen vogels hebben onderaan een gelijkmatig, gespikkeld, okerbruin verenkleed (of ‘koffie-met-melk-kleurig’), met vagere en fijnere bandering op de bovendelen en vleugeldekveren, minder contrastrijk dan bij grote mantelmeeuw en zilvermeeuw het geval.
De balts is als van andere grote meeuwen, met langgerekte roepen met uitgestrekte hals. De roep gelijkt op de klagelijke, keffende tonen van de zilvermeeuw, maar grover.
De grote burgemeester broedt in losse paren of in verspreide kolonies in ondiepe nesten langs de kusten (rots-richels en kliffen) en op eilanden (oevers). Hierin leggen ze in de periode mei-juni 2 of 3 grijsgroene tot bruine eieren met donkerbruine vlekken, die in 27 tot 28 dagen worden uitgebroed. Gedurende de 2 volgende maanden helpt het ouderpaar de kuikens, die een paar dagen na het uitkomen al buiten het nest lopen, te voeden. De jongen vliegen na 7 weken uit.
De grote burgemeester hangt rond vissershavens, volgt vissersboten en sluit zich ook aan bij andere meeuwen die op afvalhopen foerageren en op waterreservoirs of meren rusten. Ook kan je hem op stranden aantreffen, waar hij leeft van aangespoelde dode vis, zeesterren en schelpdieren, vooral na een felle storm.
Grote burgemeesters zijn roofzuchtig en plunderen nestkolonies van andere vogels om eieren en kuikens weg te pikken. Ze staan erom bekend dat ze boven vossen of zelfs mensen vliegen in de hoop dat die de nestkolonie verstoren, zodat de meeuw tijdens de afleiding naar beneden kan duiken en tijdens het tumult een prooi kan pakken. Verder voedt deze meeuw zich met kleine zoogdieren en aas langs de vloedlijn, aangevuld met plantaardig materiaal, maar ook hij steelt voedsel van andere vogels.
Vogels uit Oost-Groenland trekken in de herfst naar IJsland. Variabele aantallen bereiken Ierland en Groot Brittannië. IJslandse vogels zijn standvogels. Noord-Europese vogels trekken met het winterijs zuidwaarts. Enkelen bereiken de Noordzee, soms tot aan de Noordwestelijke kust van Frankrijk.
Al is de grote burgemeester, een zeldzame bezoeker, die in het winterhalfjaar in zeer klein aantal wordt gezien, werd in januari 2017 in Nederland een duidelijke stijging van het aantal waarnemingen vastgesteld. Het leek erop dat een hevige storm in de Noorse Zee en de noordelijke Noordzee hier een rol in heeft gespeeld. Want vooral de dagen daarna werden op veel stranden grote burgemeesters opgemerkt door attente vogelaars, die er speciaal op uit getrokken waren om deze Arctische soort te spotten.
Vermoedelijk heeft de noordwestelijke stroming de burgemeesters een ferme lift gegeven uit het normale, noordelijker gelegen overwinteringsgebied. De stranden lagen immers vol met door de storm losgeslagen schelpdieren (mosselen, zwaardscheden, grote otterschelpen), maar ook zeesterren. Grote aantallen meeuwen, waaronder de grote burgemeester, stortten zich op dit feestmaal, alsook natuurfotografen en vogeltellers, die het schouwspel niet wilden missen.
Geraadpleegde bronnen: diverse vogelgidsen – Ecopedia – Vogelbescherming Nederland
Dwergmeeuwen broeden voornamelijk in Noordoost-Europa, voornamelijk in Scandinavië, de Baltische Staten en diep in Siberië. Hun voorkeur gaat uit naar moerassige gebieden, ondiepe binnenmeren en uitgestrekte veengebieden met veel vegetatie.
De dwergmeeuw is onze kleinste meeuw, die qua formaat en zwaluwachtige vliegstijl (snelle vleugelslagen en grillige vlucht) vaak meer weg heeft van een zwarte stern. Overigens broedt die zeer zelden in onze streken (7-16 broedgevallen in 2025 in Friesland en de IJsselmeerpolders). Ook zou je de dwergmeeuw als een verkleinde uitgave van de kokmeeuw kunnen bezien, maar dan met een zwarte kop in plaats van een donkerbruine.
Op doortrek (april-mei & augustus-oktober) worden ze in grotere aantallen waargenomen. Bij het neerstrijken, houdt de dwergmeeuw de vleugels net als een waadvogel omhoog. Volwassen vogels tonen in alle seizoenen een zwarte onder-vleugel met spierwitte achter-rand, die bij de vleugeltip breder is. Dat levert een unieke afwisseling van donker en lichtspel als hij laag over het water vliegt en is meteen ook een onmiskenbaar determinatiekenmerk. Noteer ook dat aan de afgeronde vleugeltippen de zwarte vleugelpunten ontbreken, die de meeste meeuwen wel hebben. Borst en buik vertonen een subtiele roze gloed.
De bovendelen zijn egaal lichtgrijs. De snavel is roodbruin met een zwart eindpunt. De korte poten zijn bloedrood. Tijdens de zomer is de gehele kop tot laag in de hals gitzwart; in de winter slinkt de zwarte koptekening tot een donkergrijze kruin (petje) en een zwarte ronde oor-vlek. De snavel kleurt dan helemaal zwart.
Dwergmeeuwen zijn vrij klein en maken daardoor niet veel indruk op een roofdier dat het nest nadert. Vandaar dat ze ook graag in de buurt van kokmeeuwen vertoeven, daar zij wél erg agressief reageren als een ongewenste bezoeker plots opdaagt. De lichaamslengte varieert van 25 tot 27 cm; de vleugelspanwijdte reikt van 70 tot 77 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 90 en 150 g.
De elegante en sierlijke vogel lijkt aan de genade van de wind en de golven te zijn overgeleverd. Toch is hij in staat om zelfs de zwaarste stormen op zee te overleven. De dwergmeeuw wordt ook vaak langs de kust gezien, duikend, draaiend en kerend boven de golven die tegen een pier slaan of vechtend om afval in het gewoel van verschillende meeuwensoorten bij een uitloop van een zuiveringsinstallatie.
Er zijn ook wel groepjes te zien boven grote waterbekkens in het binnenland, waar ze zich min of meer als zwarte sterns gedragen, tegen de wind in vliegend en voedsel van het water oppikkend. Tijdens het broedseizoen bestaat het grootste deel van het dieet uit insecten [libellen, (dans)muggen, kevers] en andere ongewervelden, vooral ’s zomers. Tijdens de acrobatische vlucht vangt hij met een verbluffende precisie insecten of larven van het wateroppervlak van ondiepe rivieren en meren.
Buiten het broedseizoen vangt hij ook visjes, kreeftachtigen, mariene wormen, vooral als hij ’s winters op zee verblijft. Hij zoekt door laag te vliegen, tegen de wind in, met zijn naar beneden gerichte snavel naar voedsel en weet netjes een prooi op te pikken dicht tegen het wateroppervlak. Soms strijkt hij even neer op het water en neemt hij een kijkje onder de waterspiegel. Wat later zie je hem dan weer snel watertrappelen om steil de lucht in te vliegen. Dit kenmerkend foerageergedrag helpt de dwergmeeuw te determineren, zelfs op grote afstand.
Vergeleken met de meeste meeuwen zijn dwergmeeuwen stille vogels, behalve bij een broedkolonie. De gebruikelijke roep is een kort, nasaal, herhaald ‘keik-keik-keik’; bij onraad verandert dit in een grover, sternachtig of piepend geluid. De balts is als die van de kokmeeuw met luide en ritmische ‘ke-KEI-ke-KEI-ke-KEI’. De vogels tonen hun zwarte kap door hun kop naar voren of naar boven te strekken. Een paar loopt zij aan zij en kijkt van elkaar weg zodat er minder zwart zichtbaar is. Dit lijkt de hoeveelheid agressie te verminderen die wordt opgeroepen door de zwarte kap. Immers om indringers af te dreigen, richten dwergmeeuwen hun kop op om hun kap te tonen.
Ze nestelen in kolonies in kuiltjes langs meren en nabij water in moerasgebieden op drijvende planten, maar ook wel op zandbanken. Paren broeden de 2 tot 3 geel- of groenachtige, bruine eieren met zwartbruine en grijze spikkels gedurende 23 tot 25 dagen uit. De jongen kunnen ongeveer 3 weken later vliegen.
De trekbewegingen zijn best wel gecompliceerd, maar de meeste Oost-Europese broedvogels trekken ’s winters westelijk naar de Noordzee en de Atlantische Oceaan of zuidelijk naar de Middellandse Zee.
De grote mantelmeeuw, een niets ontziende, roofzuchtige zeevogel Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Fauna & Flora – diverse vogelgidsen
De grote mantelmeeuw, de grootste meeuw ter wereld, is een kolossale maar toch fraaie zeevogel, al heeft hij zijn reputatie van klepto-parasiet en predator niet gestolen.
In prachtkleed heeft de grote mantelmeeuw een pikzwarte mantel en boven-vleugels, die omzoomd zijn met een brede witte rand en een grote witte vlek hebben aan de vleugeltoppen. De onderkant is wit en de witte kop vertoont een lichte tekening (overlangse fijne streepjes). De grote mantelmeeuw onderscheidt zich van de kleine door het grotere formaat: een grotere kop, een forsere gele snavel met een haakvormige punt en een rode vlek aan de onderkant, een dikkere hals en bredere vleugels. Als de zeevogel vliegt, oogt hij majestueus met zijn krachtige, langzame vleugelslagen. Een duidelijk opvallend onderscheidingskenmerk zijn de vaal-roze poten, die geel zijn bij de kleine mantelmeeuw. De lichaamslengte varieert tussen 64 en 78 cm; de vleugelspanwijdte reikt tussen 1.50 en 1.70 m en het lichaamsgewicht schommelt tussen 1.2 en 2.3 kg. De roep herken je aan de kenmerkende lage, blaffende, schorre klank: ‘aouk’, of aan een hese: ‘uh-uh-uh’.
Binnen Europa zijn grote mantelmeeuwen vooral te zien langs de kusten van de Noordzee, de Oostzee en de Atlantische Oceaan. Ze broeden in landen zoals IJsland, Scandinavië, de Britse eilanden, Ierland en langs de Franse kust. Gedurende het jaar verspreiden ze zich over de Europese kustlijnen, waarbij ze in de koudere maanden soms verder naar het zuiden vliegen tot aan Spanje en Portugal. Ze blijven meestal in de buurt van het zoute water en zijn te vinden op bijna alle noordelijke eilanden en kustgebieden van ons werelddeel.
In Nederland en België zijn ze het hele jaar door te vinden, waarbij ze vooral de kust opzoeken. Ze broeden in kleide aantallen op de Waddeneilanden en in de provincie Zeeland op rustige plekken in de natuur. Er zijn ook gevallen bekend in het IJsselmeergebied, doorgaans in de buurt van grote open wateren, in zowel zoute als zoete milieus. Tijdens de wintermaanden komen er veel vogels uit het hoge noorden bij, waardoor hun aantallen in onze regio’s flink toenemen. Ze rusten dan vaak uit op de zeestranden, zandplaten, pieren strekdammen en in grote havens, waar ze makkelijk voedsel kunnen vinden. Soms vliegen ze ook een stukje het binnenland in naar grote meren of rivieren, maar hun belangrijkste verblijfplaats blijft de kuststreek.
De grote mantelmeeuw heeft een beperktere broedhabitat dan de wijder verspreide zilvermeeuw. Waar ze samen nestelen is de zilvermeeuw meestal talrijker aanwezig langs de bovenrand van zee-kliffen op weidse, met gras omzoomde plateaus of steile kloven. Grote mantelmeeuwen verspreiden zich, waarbij ieder paar op een min of meer prominente plek zit, zoals boven op een steile rots of aan het uiteinde van een rotsachtige uitloper. Al kunnen paren ook wel op richels of op de vlakke grond nestelen, toch blijft hun eerste keuze een min of meer in het oog springende plek – zoals het de grootste, dominante meeuw betaamt. Ze vertoeven het liefst in open gebieden aan zee, waar ze goed het overzicht bewaren. Ook plekken waar rivieren uitmonden in zee zijn populair, omdat daar vaak veel voedsel te vinden is. Hoewel ze meestal bij zout water blijven, bezoeken ze soms ook grote meren in het binnenland of plaatsen waar mensen afval storten. Zolang er water en genoeg voedsel in de buurt is, kunnen ze op veel verschillende plekken langs de waterkant leven.
Het nest is een heuveltje van zeewier, gras, mos en andere vegetatie. De broedperiode start vanaf half april tot eind mei en levert één legsel per jaar op met meestal 3 donkerbruine en grijs gespikkelde of geel- tot olijfbruine eieren die 26 tot 28 dagen worden bebroed. De grote mantelmeeuw legt zijn eieren op de grond in open gebied tussen hoge grassen. In onze streken broeden ze solitair in het bijzijn van andere meeuwensoorten. In sommige buurlanden bestaan er losse kolonies van grote mantelmeeuwen. De jongen kunnen na 7 tot 8 weken vliegen.
Niet alle grote mantelmeeuwen trekken ver weg naar warme landen. Veel blijven het hele jaar in hetzelfde gebied, zolang er genoeg voedsel en open water is. Alleen de groepen uit de meest noordelijke en koude regionen vliegen ’s winters naar het zuiden om het dikke ijs te ontwijken. Tijdens hun reis volgen ze meestal de kustlijn en vermijden ze grote stukken land. In de winter spreiden ze zich uit langs de kusten van West- en Zuid-Europa om daar te overwinteren. Zodra het weer zachter wordt, keren de trekkende vogels terug naar hun vaste broedplaatsen in het noorden.
Grote mantelmeeuwen staan bovenaan de voedselketen en hebben als volwassen vogels nauwelijks natuurlijke vijanden. Vanwege hun enorme grootte en agressieve gedrag durven weinig roofdieren ze aan te vallen. De eieren en de kleine kuikens lopen echter wel gevaar wanneer de ouders het nest even niet bewaken. Roofdieren zoals vossen en marters proberen soms de nesten leeg te roven als die op het vasteland of op goed bereikbare eilanden liggen. Ook grote roofvogels, zoals de zeearend kunnen een bedreiging vormen voor zowel de jongen als de volwassen vogels. Om deze predatie tegen te gaan, broeden ze vaak in kleine ‘kolonies’ of op zeer afgelegen rotsen waar ze gezamenlijk indringers verjagen. Over het algemeen zijn ze door hun machtsvertoon en waakzaamheid zeer succesvol in het beschermen van hun nageslacht tegen de meeste vijanden.
Wereldwijd gezien worden grote mantelmeeuwen momenteel niet als een bedreigde vogelsoort beschouwd. De populatie is groot en ze verspreiden zich over een enorm gebied rond de noordelijke Atlantische Oceaan. Toch zijn er lokale zorgen, omdat de aantallen in sommige gebieden afnemen door een gebrek aan voedsel of door vervuiling van de zee. Ook het verlies van rustige broedplaatsen door menselijke activiteiten kan op lange termijn een probleem vormen voor deze dieren. Ondanks deze uitdagingen staat de soort op de internationale lijst als niet-bedreigde dieren, omdat ze zich gemakkelijk aanpassen aan uiteenlopende omstandigheden.
Grote mantelmeeuwen doden veel meer vogels en andere dieren dan de meeste andere meeuwen. Ze beroven heel vaak andere zeevogels van hun prooi (zelfs van aalscholvers), maar evenzeer volgen zij bultruggen, haringhaaien en blauw-vin-tonijnen om te profiteren van de vissen, die deze kolossen opjagen naar het zeeoppervlak. Grote mantelmeeuwen zijn vooral berucht en beducht voor hun meedogenloze rooftochten in broedkolonies waar zij eieren en kuikens opvreten van papegaaiduikers, zeekoeten, zilvermeeuwen, kokmeeuwen, visdieven, Noordse pijlstormvogels en kuifduikers. Zij kunnen zelfs papegaaiduikers, sterns en zangvogels in volle vlucht vangen en durven kleine eenden aan te vallen en te verdrinken. Ze eten veel vis, krabben, weekdieren en grote groepen volgen trawlers (vissersschepen), waar ze op afkomen voor het overboord gegooide afval. Ze azen ook op allerlei dode dieren en op afval op stranden en op vuilnisbelten.
De zilvermeeuw zie je zowel in natuurlijke kustgebieden als in stedelijke omgevingen Â
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming Nederland – Fauna & Flora
In Europa vind je de twee ondersoorten van de zilvermeeuw (Larus Argenteus & Larus Argentatus) langs vrijwel alle kusten van de Atlantische Oceaan, de Noordzee en de Oostzee. Ze broeden van de noordelijke kusten van IJsland en Scandinavië tot aan de kustlijnen van Frankrijk en Groot-Brittannië. In de winter trekken veel vogels naar de kusten van de Middellandse en Zwarte Zee om de strengste kou te ontlopen. Aan de rand van het verspreidingsgebied vermengt de zilvermeeuw zich overvloedig met verwante meeuwensoorten en krijgt hybride jongen.
De natuurlijke leefomgeving van deze vogels bestaat uit brede zandstranden, duinen en steile kliffen aan zee. Toch voelen ze zich ook prima thuis in door mensen gemaakte omgevingen, zoals havens, steden en industrieterreinen. Op zoek naar voedsel bezoeken ze vaak weilanden, akkers en riviermondingen nabij de kust. Ze hebben een sterke voorkeur voor open landschappen, waar ze goed om zich heen kunnen kijken om gevaar of voedsel op te merken.
De zilvermeeuw heeft een fors postuur en is een algemene vogel van de kust en het binnenland. De jonge zilvermeeuw is overwegend bruin en krijgt stap voor stap het verenkleed van de volwassene. De adulte zilvermeeuw heeft een witte kop, staart en onderzijde, grijze vleugels en rug. Zijn vleugelpunten zijn zwart met witte vlekken. De opvallende gele snavel vertoont een rode vlek op de onder-snavel, dicht bij het uiteinde. Die vlek heeft een signaalfunctie, die de jongere meeuwen stimuleert bij het ouderpaar om voedsel te bedelen door op die gevoelige zone te pikken. De iris is lichtgeel. De zilvermeeuw lijkt sterk op de geelpootmeeuw en de stormmeeuw en is vooral te onderscheiden door zijn lichtroze poten. Zit qua grootte tussen kleine en grote mantelmeeuw in. Ze bereikt een lichaamslengte van 55 tot 64 cm. Het lichaamsgewicht schommelt meestal tussen 750 en 1200 g. De vleugelspanwijdte varieert tussen de 130 en 160 cm. In de vrije natuur bereiken deze vogels vaak een leeftijd van 20 jaar of ouder, waarbij sommige exemplaren zelfs de 30 jaar passeren.
Het geluid van de zilvermeeuw is krachtig en doet vaak denken aan een lachende roep. De meest voorkomende roep is de lange, luide, heldere, keffende roep die ten gehore wordt gebracht met een diep gebogen kop (lage tonen), die daarna wordt opgericht met wijdgeopende snavel (hoge tonen): ‘auw - kjjAA - kjA - kjA - kjA - kjA - kjA - kjau’. Ze beschermen hun nestplaatsen fel tegen indringers met luide kreten 'ak-ak-ak-ak-ak' en dreigende houdingen. Jonge vogels produceren een zacht, hoog gefluit wanneer ze om voedsel vragen bij hun ouders.
Menu
De zilvermeeuw eet vrijwel alles. Van zeebanket – vis, schelpdieren (mosselen, krabben) – tot aan menselijke etensresten als friet, brood, ook aas, eieren en kuikens van andere kustvogels. In de weilanden voedt de meeuw zich ook met grote insecten en regenwormen. Doorgaans zoekt de zilvermeeuw eten in groepen, samen met andere meeuwensoorten.
De zilvermeeuw volgt vissersboten, bezoekt vuilnisbelten of haalt een maaltje op bij geploegde akkers. De vindingrijke kustvogel breekt schelpen open door ze van grote hoogte te laten vallen. Op het land eten ze graag regenwormen en insecten of vangen soms ook kleine zoogdieren, zoals muizen. Ze vullen hun dieet aan met planten en eten bv. granen van de akkers of bessen van de duindoorn en de vlier.
De jonge vogels zijn voor hun eten volledig afhankelijke van de ouders. De volwassen vogels slikken het voedsel eerst zelf in en spugen het daarna weer uit voor de kuikens. In de eerste dagen krijgen de jongen vooral zacht en makkelijk te verteren voedsel, zoals kleine vissen en wormen. Naarmate de jongen opgroeien, krijgen ze steeds vaker dezelfde brokken voedsel die de ouders ook zelf eten. Ze maken ook dankbaar gebruik van de aanwezigheid van mensen door voedselresten te zoeken in havens of bij afvalbakken.
Broedperiode
De zilvermeeuw broedt in kolonies in duingebieden, op kwelders, schorren en dijken. Omdat vossen nesten daar vaak leegroven, neemt de zilvermeeuw steeds vaker zijn toevlucht tot daken in steden. Daardoor treft men de soort ook landinwaarts aan op weilanden rond rivieren en meren. De voortplanting van de zilvermeeuw begint in het vroege voorjaar, wanneer de paartijd aanbreekt. Tijdens de balts maken de vogels indruk op elkaar door hun kop omhoog te gooien en luidruchtige kreten uit te slaan. Ze bieden elkaar ook vaak voedsel aan om de onderlinge band te versterken.
Wanneer een paar is gevormd, zoeken ze een geschikte plek voor het nest in de duinen, op rotsen of tegenwoordig veelal op platte daken. Het nest ziet eruit als een ondiepe kuil, die ze bekleden met gras, zeewier en andere plantenresten uit de omgeving. Tussen april en juni legt het vrouwtje meestal 3 eieren, die een groenachtige of bruine kleur met donkere vlekken hebben. Beide ouders wisselen elkaar af tijdens de broedtijd, die ongeveer 25 tot 33 dagen duurt. Nadat de jongen uit het ei komen, zorgen de ouders samen voor de bescherming en het voedsel. Het zijn nestvlieders, die al snel rond kruipen in de buurt van het nest, maar sterk afhankelijk blijven van hun ouders. De jonge vogels kunnen na ongeveer 6 weken vliegen, al blijven ze nog een tijdje in de kolonie rondhangen.
Trek
De vogeltrek van de zilvermeeuw hangt sterk af van de plek waar ze broeden. Veel populaties in West-Europa zijn standvogels en blijven het hele jaar in hetzelfde gebied wonen. De vogels die in het hoge noorden van Scandinavië of Rusland leven, trekken in de herfst wel weg, omdat het water daar bevriest. Ze vliegen dan naar het zuiden of westen om de winter door te brengen langs de kusten van de Noordzee of zelfs de Middellandse of Zwarte Zee. Tijdens deze tocht volgen ze vaak de kustlijnen en rusten ze uit op grote open wateren of in havens. Ze trekken meestal niet in hele grote strakke formaties, maar verplaatsen zich in lossere groepen.
Zodra het voorjaar begint en het ijs in het noorden smelt, keren ze terug naar hun vaste broedplaatsen. De jongere vogels dwalen in hun eerste levensjaren vaak verder rond dan de volwassen dieren, voordat ze zich ergens definitief vestigen.
Predatie
De zilvermeeuw heeft te maken met verschillende natuurlijke vijanden die een bedreiging vormen voor de eieren, de jongen en soms ook voor de volwassen vogels. Op de grond vormen vossen en marters een groot gevaar, omdat ze de nesten in de duinen of op de grond makkelijk kunnen bereiken. In de lucht moeten ze goed opletten voor grote roofvogels, zoals de zeearend en slechtvalk, die in staat zijn om een volwassen meeuw te overmeesteren. Ook grotere meeuwensoorten, zoals de grote mantelmeeuw, roven soms de eieren of de kleine kuikens uit het nest. Om zich tegen deze dreigingen te beschermen, broeden ze vaak in grote groepen, zodat ze gezamenlijk alarm kunnen slaan en de vijand kunnen wegjagen.
In de steden hebben ze minder last van natuurlijke roofdieren, al kunnen verwilderde katten en ratten daar soms een probleem vormen voor de jongen. Door hun waakzame gedrag en het felle verdedigen van het nest proberen ze de verliezen door predatie zo laag mogelijk te houden.
Stabiele populatie?
Wereldwijd gezien wordt de zilvermeeuw op dit moment niet direct met uitsterven bedreigd. Op de internationale rode lijst van kwetsbare soorten staat de vogel als veilig genoteerd, omdat hij in een enorm groot gebied voorkomt. Toch maken deskundigen zich wel zorgen over bepaalde regio’s waar de aantallen duidelijk achteruitgaan. In sommige landen in Noord- en West-Europa nemen de populaties af door een gebrek aan natuurlijk voedsel en het verdwijnen van rustige broedplaatsen. Ook ziektes en vervuiling van de oceanen vormen een risico voor de groepen die op open zee leven. Hoewel er miljoenen van deze vogels zijn, blijft een goede controle op hun leefgebieden noodzakelijk om de aantallen stabiel te houden.
In Nederland is de situatie van de zilvermeeuw zorgwekkend te noemen. Sinds het einde van de vorige eeuw zijn aan de aantallen broedparen in de duinen en op de Waddeneilanden flink afgenomen. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de toename van roofdieren, zoals de vos en een tekort aan goed voedsel in de buurt van de kolonies. Veel vogels trekken daarom naar de stad om op de daken te broeden, maar dit weegt niet op tegen de verliezen in de natuurgebieden.
Opmerkelijk is de sterke achteruitgang in aantallen. Na een toename in de jaren 1970 bereikte de Nederlandse broedpopulatie een hoogtepunt in 1985 met ongeveer 90 000 broedparen. Daar bleven in 2018 nog amper 32 000 tot 35 000 paren over. In veel broedkolonies is het broedsucces te laag om de populatie in stand te houden (o.a. door vossenpredatie). Maar ook de winteroverleving lijkt aanzienlijk verminderd, wellicht als gevolg van een geringer voedselaanbod (sluiting vuilnisbelten en minder visserijafval).
Zilvermeeuwenpopulaties in Vlaanderen
Rond de eeuwwisseling is het aantal zilvermeeuwen in Vlaanderen gegroeid van 76 broedparen in 1990 naar een maximum van 2858 in 2010. Bijna de volledige populatie zat toen in de voor- en achterhaven van Zeebrugge, waar uitgebreide opgespoten terreinen tot hun beschikking stonden. Daarnaast ontstond er in Oostende een kleinere populatie die uitgroeide tot 358 paar in 2010.
Elders broedden er slechts heel beperkte aantallen. Rond 2013 had de vos zich definitief in Zeebrugge gevestigd en zorgde daar voor veel predatie en verstoring bij de grond-broedende meeuwen. De Zeebrugse meeuwen waren genoodzaakt te verhuizen. Enerzijds zochten ze hun toevlucht op de daken van bedrijfsloodsen in de voorhaven van Zeebrugge en anderzijds verplaatsten ze zich naar andere kuststeden (vooral Oostende) en naar het binnenland (vooral Brugge en Zedelgem).
Ook buiten België – in het noorden van Frankrijk, in het zuiden van Nederland en langs de oostkust van Engeland – werden vanaf 2013 in toenemende mate zilvermeeuwen met Belgische kleurringen waargenomen. Tegelijkertijd ontstond er in de Antwerpse haven een grote kolonie, maar die vogels waren niet afkomstig uit Zeebrugge, maar waarschijnlijk uit het nabijgelegen Land van Saeftinghe (Nederland) waar een grote kolonie door de vos was verjaagd.
In 2018 broedden er naar schatting 2255 paren in Vlaanderen. Mogelijk zijn de werkelijke aantallen nog wat hoger. Omdat de soort nu zeer verspreid voorkomt over vrijwel alle kustgemeenten en heel verspreid (vaak solitair) broedt op moeilijk toegankelijke plaatsen (vooral daken van gebouwen), blijven sommige nesten immers onopgemerkt.
Tot 2014 broedde altijd minder dan 30% van de Vlaamse populatie op daken van gebouwen, maar sinds 2015 is dat toegenomen tot 70-90%. In sommige kustgemeenten zorgt dat voor behoorlijk wat overlast en worden plaatselijke maatregelen genomen om het nestsucces te beperken. Buiten West-Vlaanderen broedden er (naast de genoemde kolonie in Antwerpen met 575 paren in 2018) ook zilvermeeuwen in en rond Gent (108 paren), in Beveren (20 paren) en Limburg (4 paren), telkens in 2018 opgetekend.
Aan persoonlijkheid heeft de grauwe gans geen gebrek
Geraadpleegde bronnen: Knack: Beestenboel: de grauwe gans [Dirk Draulans] / Dierenbescherming Nederland
Dieren persoonlijkheid toekennen werd tot niet zo lang geleden gezien als een verregaande vorm van antropomorfisme, van dieren vermenselijken. Dieren waren gewoon kopieën van elkaar, die van dezelfde band rolden. Persoonlijkheid was iets van ons.
Dat idee-fixe behoort nu gelukkig tot de archieven van de lange geschiedenis van menselijke ijdelheid. Wij hebben uitzonderlijke eigenschappen, maar ook andere dieren kunnen gesofisticeerder zijn dan we denken.
De grauwe gans is samen met de zilvermeeuw de enige vogel die een onderzoeker een Nobelprijs heeft opgeleverd. De Oostenrijkse bioloog Konrad Lorenz kreeg hem in 1973 met twee andere wetenschappers, als gezamenlijke grondleggers van de ethologie. De studie van het gedrag bij sociale dieren. Hij ontdekte de ‘danstaal’ bij bijen en beschreef de ‘inprenting’ bij jonge ganzen. Als het eerste wat ganzenkuikens zien, nadat ze uit het ei zijn gekropen, een bebaarde bioloog is, zullen ze die hardnekkig blijven volgen als ‘ouder’. Ze weten niet beter. Lorenz deed zijn ontdekking in de jaren 1930. Maar de ganzenpopulatie die hij bestudeerde, bestaat nog altijd, in een onderzoekscentrum van de universiteit van Wenen. Ze levert geregeld nieuwe inzichten op, de laatste tijd vooral over de persoonlijkheid van individuele dieren.
Zo was er een publicatie in het vakblad ‘Animal Behaviour’ die illustreert hoe hechter een ganzenpaar is, hoe groter de kans dat het succesvol jongen grootbrengt. Ganzenkoppels blijven niet zelden een leven lang samen, zeker als ze het goed met elkaar kunnen vinden. Hoe vergelijkbaarder vader en moeder in karakter zijn, hoe groter hun gezinssucces.
In ‘Journal of Ornithology’ toonden onderzoekers aan dat grauwe ganzen foto’s van hun vaste partner herkennen. Ze reageren er veel vriendelijker op dan op foto’s van wildvreemden. Ze reageren zelfs pissig op foto’s van zichzelf, wat impliceert dat ze geen zelfbewustzijn hebben. Ganzen zijn simpele grazers met een kleine kop, wat niet meteen wijst op een hogere intelligentie.
Uit een artikel in ‘iScience’ bleek dat veel ganzen een voorkeur hebben voor stoutmoedige exemplaren in hun troep, zeker in vergelijking met agressieve individuen. Stoutmoedige dieren zijn wat wij ‘brutaaltjes’ zouden noemen: extra assertief, maar niet noodzakelijk agressief tegenover anderen. Als een gans opvliegt om te gaan foerageren, is de kans groter dat andere dieren volgen als het een stoer type is. Agressievelingen zijn wel dominant in een groep, maar worden niet courant gevolgd. Het is een karakteronderscheid dat ook in de mensenwereld lijkt te spelen.
De grauwe gans is de voorouder van de geheel witte gedomesticeerde boerengans. Ooit werd ze vereerd voor haar genezende en liefdes-stimulerende kracht (Egyptenaren en Romeinen). Maar vandaag wordt ze vooral als een pest beschouwd, omdat ze akkers en natuurgebieden teistert.
Sinds ze een migrerend bestaan heeft ingeruild voor een economisch voordeliger leven als standvogel staat er geen maat op haar succes. Maar je mag als dier niet te succesvol worden of mensen keren zich tegen je.
Het verenkleed van de forse grauwe gans is bruingrijs; hals en kop zijn iets lichter dan het lichaam. De vleugels zijn breed en krachtig. De onder-vleugels zijn tweekleurig: donker met een lichtgrijze voorkant. De buik is lichtgrijs en de staartbasis (stuit) wit. De stevige snavel en poten zijn oranjeroze. In de lucht vliegen ze in strakke V-formaties, waarbij je ze luid hoort ‘gakken’, een rauw en nasaal ‘ga-ga-ga-ga-ga’.
Het vrouwtje bouwt een nest op de grond, een groot slordig geheel van grassprieten, rietstengels en bladeren, rijk bekleed met donsveertjes dat het vrouwtje uit haar eigen borst trekt. Grauwe ganzen leggen eieren van eind februari tot in mei, met een piek in maart. Ze hebben één legsel per jaar, bestaande uit meestal 4 tot 9 eieren. Ze broeden 27 tot 29 dagen doorgaans in de nabijheid van soortgenoten in een losse kolonie en de jonge nestvlieders zijn vliegvlug na 45 tot 60 dagen. Roofdieren worden dan sneller opgemerkt en weggejaagd. De lichaamslengte varieert tussen 75 en 90 cm; de spanwijdte wisselt tussen 150 en 170 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen 2.9 en 3.7 kg.
Het vegetarisch menu bestaat uit gras, plantenwortels, zaden, waterplanten en jonge scheuten (onder meer van riet). In de winter treft men ze ook aan op akkers aangevuld met oogstresten van maïs, aardappelen en granen (tarwe en gerst).
Grauwe ganzen leven in allerlei gebieden, maar altijd in de nabijheid van water en open ruimten. De vogels overwinteren vooral op boerenland, meren en grote natte natuurgebieden. Oorspronkelijk was de grauwe gans een trekkende vogelsoort, maar de laatste decennia is er veel veranderd in het trekgedrag. In de jaren 1980 overwinterde nog zo’n 80% van de Europese grauwe ganzen in Spanje, maar inmiddels is Nederland het belangrijkste overwinteringsgebied. Sommige overwinterende populaties keren vanaf februari terug naar de Scandinavische broedgebieden, maar die aantallen nemen gestaag af, allicht ten gevolge van de klimaatopwarming.
In Vlaanderen is de grauwe gans tegenwoordig algemeen verspreid. Naast natuurgebieden zie je de vogel steeds vaker in landbouwgebieden en zelfs in stadsparken of recreatieplassen. Het succes is deels te danken aan zijn flexibiliteit: hij kan zowel in natuurlijke moerasgebieden als in sterk door mensen beïnvloede landschappen overleven.
Ontegensprekelijk ervaart de landbouw overlast van de ganzen, voornamelijk in de zomer wanneer de gewassen in volle bloei staan. De grote groepen ganzen kunnen schade veroorzaken aan grasland en groententeelt door veelvraat en vertrapping. In natuurgebieden kunnen talrijke ganzen riet weg eten en met hun uitwerpselen de voedselarme gebieden ‘vermesten’, waardoor plantjes, die daar goed gedijen, verdwijnen.
Jaarlijks worden er in Nederland 245 000 ganzen gedood om de overlast die zij veroorzaken terug te dringen. Het gaat om zo’n 105 000 trekganzen (die tijdens de winter in Nederland verblijven) en 135 000 zomerganzen (tijdens de zomer). Daarnaast worden rond de 5 000 ganzen in een straal van 20 km rondom Schiphol gevangen tijdens de rui (zomer) en vergast. Sinds 2015 is het wegvangen in de ruitijd en vergassen van ganzen ook buiten de 20-kmzone rondom de luchthaven toegelaten.
Dieronvriendelijk én allesbehalve effectief!
Het doden van dieren zal eindeloos moeten plaatsvinden, wil men de schade gedeeltelijk kunnen beperken. De leeggevallen plekken zullen namelijk snel weer door jonge dieren worden opgevuld. Het continu doden zal niet kunnen voorkomen dat schade niet meer optreedt. Het bejagen en verjagen van ganzen zorgt ervoor dat ganzen in grote(re) groepen gaan foerageren en broeden, waardoor de schade niet wordt verspreid en op een aanvaardbaar niveau voorkomt, maar – net andersom – sterk wordt geconcentreerd op bepaalde percelen. Hierdoor zal de averij nog aanzienlijk oplopen. Daarnaast verbruiken opgejaagde dieren meer energie doordat ze steeds weg moeten vluchten, wat resulteert in meer consumptie en dus nog meer schade berokkent.
De Dierenbescherming vindt dat ganzen met rust moeten worden gelaten en in algemene zin de natuur haar werk moet kunnen doen. Ingrijpen is pas gerechtvaardigd als het echt niet anders kan en er sprake is van onaanvaardbare overlast, zoals substantiële schade aan gewassen of verkeersonveiligheid.
De Dierenbescherming wil er samen met de overheid, agrariërs en natuurbeschermers, voor zorgen dat de schade veroorzaakt door ganzen beperkt blijft door naar preventieve, diervriendelijke en duurzame oplossingen te zoeken. Het inzetten en verder ontwikkelen van effectieve weermiddelen en het aanpassen van de omgeving, zoals minder beschikbaar stellen van voedsel en broedgelegenheden, zijn voorbeelden van duurzame alternatieven. Met behulp van de juiste landinrichting in combinatie met verstoring kan het gedrag van ganzen worden gestuurd en daarmee overlast worden voorkomen.
Maak de gebieden, waar niet mag worden gebroed, gerust en gefoerageerd, onaantrekkelijker, door variatie in waterstand, natuurlijke predatie (vos), aanpassing maaibeleid of verstoring door diervriendelijke werende middelen. Wijs gedooggebieden aan waar de ganzen, zowel in de winter als in de zomer, ongestoord hun gang kunnen gaan en niet worden verjaagd. Dit kunnen bv. naast natuurgebieden, ook dijken of braakliggende akkers en velden zijn. Hier kan men minder aanlokkelijk voedsel inzaaien, zoals witte klaver.
De top 5 beste alternatieven:
· - opvanggebieden voor ganzen aanwijzen en inrichten waar ze wél welkom zijn en niet worden bejaagd;
· - het gebied ongeschikt maken om er te broeden;
· - kuiken-werende rasters / prikkelstruiken;
· - landbouwgrond minder geschikt maken bv. door kruidenrijke graslanden en het gras langer te laten groeien;
· - i.v.m. het risico op vogelaanvaringen, inzetten op vogelradars, voertuigen en drones uitgerust met afschrikkingsgeluiden, knallende gaskanonnen en vogel-afweerpistolen.
Recent werd ‘Birdalert’ ingeschakeld op Schiphol. Dit is een autonoom werkende, intelligente vogelverschrikker, die onder meer met een smartphone op afstand kan worden bediend. De apparatuur kan binnen een straal van 250 m (20 ha) specifieke vogelsoorten detecteren en herkennen (een 20-tal, waaronder ganzen, meeuwen, kraaien) en ze vervolgens verjagen met angstgeluiden of de roep van roofvogels of via visuele effecten (laserstralen).
Hoe groot het vogel-aanvaringsrisico op de luchthaven van Zaventem is, valt moeilijk in te schatten, daar Bird Control Unit karig is met het vrijgeven van objectieve kwantitatieve indicatoren. De monitoring en rapporteringen van de vogelbewegingen binnen het luchthavengebied dienen wel jaarlijks in een grondig verslag aan het Agentschap Natuur en Bos overgemaakt.
Geraadpleegde bron: Vogels Kijken: editie 14 – mei 2026: de Pontische meeuw in de lift [Marcel Klootwijk]
Vroeger was het leven van de vogelaar op meeuwengebied heerlijk eenvoudig. Je had zilvermeeuwen en mantelmeeuwen. Grijze of zwarte rug, moeilijker was het niet. Maar toen bleken er heel veel verschillende ondersoorten van de zilvermeeuw te bestaan. Rond de Middellandse Zee bleken ze gele poten te hebben, maar ook in Scandinavië vlogen er meeuwen met gele poten rond. Verder oostelijk rond de Kaspische en Zwarte Zee, waren er ook kustbewoners met gele poten: de geelpootmeeuwen. En dan vloog er in Siberië nog een meeuw rond die verdacht veel op onze kleine mantelmeeuw lijkt, de Heuglins meeuw. Heel verwarrend allemaal en voer voor specialisten.
Maar na veel studies is er een duidelijke soortverdeling gemaakt. Tegenwoordig kan je in onze streken naast de zilvermeeuw ook de geelpootmeeuw en de Pontische meeuw zien.
Na de vogel in Zutphen (aan rechter oever van de IJsselrivier in Gelderland) werden er al snel meerdere (volwassen) Pontische meeuwen gemeld in Nederland, vooral in het oosten en langs grote rivieren. Dankzij een aantal goede determinatiegidsen nam het aantal meldingen eind jaren ’90 explosief toe. Al snel werd de soort ook aan de kust waargenomen en herkend. Op beroemde meeuwenlocaties zoals Westkapelle (Zeeland) en de 3 km lange Zuidpier van IJmuiden (ter hoogte van Velsen) doken er volwassen vogels op. Dat deed al vermoeden dat de soort flink aan het opschuiven was en misschien wel algemener was dan aanvankelijk werd gedacht.
Het aantal meldingen bleef maar toenemen, mede dankzij het verschijnen van betere naslagwerken en meer mensen die naar meeuwen gingen kijken. Steeds meer vogelaars wisten inmiddels ook vogels in het 1ste, 2de en 3de levensjaar te herkennen.
De piek lag qua waarnemingen duidelijk in het najaar en winter, met soms enkele tientallen bij elkaar op gezamenlijke slaapplaatsen of voedselrijke plekken. De vogels bleven geleidelijk steeds langer in het jaar aanwezig. Tot in het diepe voorjaar en de zomermaanden verbleven er Pontische meeuwen in Nederland.
In meer oostelijk gelegen landen was de soort zich al in een flink tempo aan het vestigen. Via rivieren, meren en zoetwatermoerassen hadden de vogels in de jaren ’80 vanuit Oekraïne Polen bereikt. In 2005 waren daar al 500 paren aanwezig. Deze groei zette zich voort tot 2000 à 3000 paar in 2018. Intussen had de soort ook Duitsland gekoloniseerd. Het eerste gedocumenteerde broedgeval was daar in 1992; in 2019 stond de teller al op 750 paar. Het was een kwestie van tijd alvorens de soort in onze streken tot broeden zou komen.
In Nederland gebeurde dat uiteindelijk in 2012, toen een volwassen Pontisch mannetje gepaard bleek te zijn met een vrouwtje zilvermeeuw. Ze hadden samen een nest met 3 eieren op het stuw- en sluizencomplex van Amerongen (tussen de provincies Gelderland en Utrecht). Niet lang daarna in 2014 broedde het eerste zuiver paar op eiland De Kreupel in het IJsselmeer. Vanaf dat moment werd het IJsselmeergebied het middelpunt van de kolonisatie. ‘Ponten’ bleken de voorkeur te hebben voor de strekdammen (dam evenwijdig aan een oever of aan de stroomrichting van een rivier) bij Lelystad (Flevoland), waar al een kolonie zilver- en kleine mantelmeeuwen zat. Tussen deze soorten werden in 2020 27 nesten gevonden. Het betrof veelal zuivere koppels, maar ook nog een aantal mengparen. Er zaten geringde vogels tussen, die zoals te verwachten was, uit Polen en Duitsland kwamen. Elders broeden Pontische meeuwen nu ook in de noordelijke Delta en langs grote rivieren. De totale Nederlandse populatie werd in 2025 al geschat op 220-250.
Pontische meeuwen zijn net als de meeste andere meeuwensoorten, echte opportunisten. Hun voedsel zoeken ze op vuilnisbelten, in steden, op meren en ver op zee. Alleen op graslanden zie je ze eigenlijk nauwelijks. Ze zijn vaak net wat groter dan zilvermeeuwen en een stuk agressiever in een groep met andere meeuwensoorten. De lichaamslengte varieert tussen de 55 en 60 cm en de spanwijdte wisselt tussen de 138 en 148 cm.
Ook broeden ze vroeger in het seizoen, wat ze voordeel oplevert ten opzichte van de zilvermeeuw. Ze komen niet alleen voor in zoete wateren, wat eerder werd gedacht, maar worden ook geregeld op zoute wateren waargenomen. Zelfs midden op zee, tot wel 85 km van de kust weg, daar waar de zilvermeeuw zich vaak niet verder dan enkele km uit de kust waagt. Ze profiteren duidelijk van hun grootte en agressieve gedrag ten opzichte van de kleine mantelmeeuwen. Zelfs de strijd aangaan met de grote mantelmeeuw, vrezen ze niet. Door hun kenmerkende klagende, afgeknepen roep haal je ze er op geluid gemakkelijk uit tussen honderden meeuwen. Tijdens die roep houden zij geregeld de vleugels volledig open en de kop verticaal omhoog gericht (albatroshouding).
Daarnaast verschillen Pontische meeuwen ook van zilvermeeuwen en geelpootmeeuwen in structuur. Ze hebben een slank en langgerekt lichaam met een hoge borst en een langere hals. Ook een veel langer bovenbeen (tibia), waardoor ze hoger op de opvallend lange, dunne poten staan. De snavel is over het algemeen langer, slanker en rechter dan bij de andere twee soorten. Dat laatste komt doordat hij de karakteristieke diepe ‘gonyshoek’ (de knik in de onder-snavel) mist die andere meeuwen wel hebben. Het voorhoofd is wat afgeplat en de vleugels zijn ook langer dan bij de zilvermeeuw. De Pontische meeuw heeft een donkerder oog, een lichtere mantelkleur en minder felgele snavel en poten dan de geelpootmeeuw.
Pontische meeuwen worden, zoals alle grote meeuwen, in ongeveer 5 jaar volwassen en hebben elk jaar een ander kleed. Voor een gedetailleerd overzicht van de verschillende verschijningsvormen, kan je een kijkje nemen in de Nederlandse meeuwengids van Merijn Loeve en Ruurd-Jelle van der Leij.
In België worden van de geelpootmeeuw en de Pontische meeuw jaarlijks redelijke aantallen waargenomen. Voor de geelpootmeeuw loopt dit in de honderdtallen (vooral in de nazomer) en voor de Pontische meeuw in tientallen (vooral in het winterhalfjaar).
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 72 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.