Startdatum: om meteen de drempelvrees te verlagen stel ik voor dat iedereen een reactie ventileert over het wegblijven van een birdyreünie; het kan kort in de 'poll'-rubriek en wat uitgebreider in dit communicatievenstertje. Het was Oswald die mij ooit voorstelde ons wat dieper in het internet te nestelen, wat nu via deze blog is gebeurd, weliswaar zonder een referendum te houden. Bij deze nodig ik jullie uit je mening te ventileren, want de bedoeling is een handig alternatief aan te bieden. Tot heel binnenkort …
04/07/08
Happy Birdyday …
Temidden van een levendige en warmhartige woonwijk, ligt een door menselijke bebouwing omzoomde biotoop … een fraaie frisgroene weelderige oase, waar de birdyfans de gevederde tuinbezoekers graag welkom heten en gul onthalen.
Die verwennende gastvrijheid in een gezellig en veilig rustoord, bekoorlijk door landelijke eenvoud en liefelijkheid, prikkelt de vertrouwenwekkende aanhang, de nesteldrang met vrolijk vogelgezang en feestelijke voortgang. We hopen volgend jaar nog meer ‘straatketten’ naar de Kille Meutel te lokken …
04/07/09
Je zoekt, vindt en kiest
een levensweg, die je deelt
met trouwe vrienden …
Precies vandaag bestaat ons“Kille Meutel”Forumpje 2 jaar.
Sinds de wondermooie opnames van onze huisfotografen het “Blogscherm” sieren, loopt het aantal bezoekers gevoelig op.
Een verheugende en hartverwarmende vaststelling, daar eveneens destijds de voor natuurliefhebbers en vogelbeschermers bedoelde nieuwsbrieven, geïllustreerd met tekeningen, een educatieve waarde beoogden.
Sedert kort werd de rubriek“Birdywatch”gelanceerd, initieel opgevat als verzamelbox voor (tuin)observaties van vogelspotters.
Momenteel is een gebruiksvriendelijke observatiefiche, waarin de waarnemer zijn vaststellingen optekent, nog niet beschikbaar.
Met een klik op“Vogelwaarnemingen” nodigt de rubriekenindeling de bezoeker uit een pittige anekdote,een blikvanger,een weetje of een suggestie neer te pennen.
Af en toe duikt over een verschenen artikel een leuke en spontane “Reactie” op of laat men een indruk na in het “Gastenboek”.
In de speurtocht naar kennisdeling en verwondering wekken, blijft de drijfveer“Alles kan altijd beter”…
04/07/10
Vandaag hebben we weer wat te vieren want de blog bestaat 3 jaar.
Onze trouwe huisfotografen Jo en Wim blijven voor merkwaardig beeldmateriaal zorgen en dan is het ook niet verwonderlijk dat het bezoekersaantal gestaag aangroeit.
Met vereende krachten hebben we met ons klein, maar niet minder enthousiast clubje vogelvrienden een mussenteltraject uitgezet om in de streek (Zaventem, Nossegem, Sterrebeek, Kraainem) op 17 verschillende telpunten onze geliefde‘straatketjes’ te tellen.
Hierdoor maken we deel uit van de mussenwerkgroep Vlaanderen die naast het jaarlijks weerkerend mussentelweekend in samenwerking met de universiteit Gent een grootschalig huismussenonderzoek coördineert.
Wij blijven uiteraard ook gefocust op de vliegbewegingen binnen onze tuinenbiotoop. Tijdens de jongste reünie gaven enkele haiku’s mooi weer hoe fel we gehecht zijn aan onze gevederde levensgezel; meteen ook een gelegenheid om de loyale vogelliefhebbers een welverdiendehuismuspin op te spelden …
Dakpan of dakgoot,
voor de huismus is een nest
in Kille Meutel – Georges
Tjilpende huismus,
nest in de Kille Meutel
welkom bij ons hier – Arlette
Kijk Kille Meutel,
veel parende huismussen,
hemel op aarde – Oswald
Kille Meutel vriend,
huismus breng ons samen en
laat het blijven zijn – Chris
Groene oase,
paradijs voor de huismus,
dé Kille Meutel – Franz
04/07/11
Drukke en woelige tijden tasten al eens vaker de drang aan om over de fascinatie voor het vedervolkje te communiceren.Immers in de Brusselse betonnen biotoop beter bestuurlijk beleid geldt de regel: first things first and don't feel free as a bird! Toch is het bezoekersaantal op jaarbasis weer gevoelig toegenomen dit jaar, een eerbetoon dat vooral de huisfotografen toekomt, die voor kwalitatief hoogstaande visuele impressies zorgen.In de loop van volgend jaar zal de Kille Meutel een bijdrage leveren aan de geplande acties van de mussenwerkgroep Vogelbescherming Vlaanderen.
04/07/12
Inmiddels hebben ruim 51 000 bezoekers op de blog 275 artikels en 125 vogelportretten geraadpleegd, alsook 1 100 foto's, waarvan de helft door onze huisfotografen werd aangeleverd. Uit statistieken ter beschikking gesteld door de providers kunnen we afleiden dat 54% Nederlanders en 41% Vlamingen geregeld de blog raadplegen en dan het vaakst gedurende de weekdagen (70%), voornamelijk tussen 13.00 en 18.00 u en 30% tijdens het weekend. Tijdens de maanden juli, augustus en september heeft de blog 'begrijpelijk' minder succes.De Kille Meuel blijft zich samen met Vogelbescherming Vlaanderen inzetten voor het behoud van de huismus.
Geraadpleegde bronnen: Vogels van Europa – Readers Digest veldgids – ANWB Vogelgids – Vogelbescherming Nederland – Vogels Kijken – Ecopedia
Het leefgebied van de spotvogel strekt zich uit van de Noordzee oostwaarts tot in Centraal Siberië. Het broedgebied wordt begrensd door de 50°- 60° NB-meridianen. De spotvogel ontbreekt in Groot-Brittannië, Ierland en Zuidwest-Europa. De grootste populatie-aantallen treft men aan in Wit-Rusland, waar veel geschikt leefgebied te vinden is. De spotvogel is bij ons een talrijke broedvogel en zomergast. Hij komt pas laat – mei of begin juni – van zijn winterkwartieren in tropisch Afrika terug en eind juli vertrekken de eerste alweer.
De spotvogel heeft een vrij grote, platte kop (vaak met opgerichte kruinveren), een korte, recht afgesneden staart en een brede snavelbasis, die alleen onderaan goed te zien is. Van opzij ziet de oranjeroze snavel met donkere rand er sterk, lang en recht uit. De vage geelwitte wenkbrauwstreep is weinig opvallend. De bovenkant is grijsgroen met donkerdere vleugels en staart. Lichte veerzomen aan de handpennen, die ver voorbij de tertials (de binnenste armpennen) uitsteken, zorgen voor een licht vleugelveld op de lange vleugels. Aan de onderkant is de vogel bleek citroengeel van kin tot staart (wel witte onder-staart) en zijn de poten loodgrijs. De lichaamslengte reikt tot 13.5 cm; de spanwijdte varieert tussen 20 en 24 cm; het lichaamsgewicht schommelt tussen de 10 en 14 g.
De roep is een levendig drielettergrepige ‘da-da-LUUIET’ of een smakkend ‘tek’ en bij opwinding ‘te-te-te-te’ in korte reeksen. De karakteristieke uitbundige en krasserige zang, die lijkt op deze van de bosrietzanger is een luid, snel, langgerekt en gevarieerd kwelen, doorspekt met imitaties van andere vogelsoorten. Toch zijn het niet zomaar identieke nabootsingen. Hij bewerkt en varieert de motieven, nu eens versnellend, dan weer combinerend. Frappant is dat de typische roep ‘da-da-LUUIET’ geregeld in de zang wordt verweven. Kenmerkend ook zijn de steeds terugkerende nasale, schrille tonen, zoals bv. ‘ghèh-glèh-glèh’. De herhalingen (vaak 2-4) komen vaker voor dan bij de bosrietzanger en het tempo is beduidend lager.
De typische broedhabitat van de soort omvat halfopen biotopen met struiken, boomgroepjes en enkele verspreide bomen of oude aanplantingen met rijke ondergroei in vochtige veengronden (zompige gebieden). De spotvogel broedt vanaf begin – half mei tot juli. Het stevig gebouwd nest is een diepe kom, omhuld door korstmossen en sterk verweven stengels en twijgjes, binnenin bezet met wol en bloemetjes. Het bevindt zich meestal verborgen tussen de bladeren in een boom of dichte struik, hangend aan een gevorkte boomtak.
Er is slechts één legsel per jaar met 4 tot 5 glanzende, licht of dof purperachtige-roze eieren, schaars gespikkeld en gevlekt, die beide ouders bebroeden. De jongen verschijnen na 12-14 dagen en 2 weken later kunnen ze vliegen. De jongen worden nog 2 tot 3 weken gevoerd.
Spotvogels voeden zich vooral met kleine insecten, hun larven en spinnen, maar ze pikken ook graag aan zacht fruit en eten in de herfst tevens bessen. De jongen worden voornamelijk gevoed met rupsen, die de ouders van de bladeren plukken, maar ook in vlucht kunnen ze insecten vangen.
De beschikbaarheid van het ‘vroegere’ landbouwgebied, met hagen en houtwallen, bosranden met mantel- en zoomvegetatie neemt steeds verder af. Of dit ook de reden is voor de terugloop van het aantal broedende spotvogels, kan nog niet met zekerheid worden bepaald.
De spotvogel is een lange-afstand- en nachttrekker. Hij vertrekt al eind juli, begin augustus en aan het einde van de oogstmaand zijn bijna alle spotvogels uit onze streken vertrokken. Hij overwintert ten zuiden van de evenaar tot in het zuidelijke Afrika toe. Eind februari – begin maart vertrekt hij opnieuw naar het noorden om hier begin mei aan te komen.
De aantallen spotvogels in Vlaanderen zijn al sinds de jaren ’80 in vrije val en bij de herziening van de Rode Lijst werd de soort dan ook onder de categorie ‘Bijna in gevaar’ geplaatst. Hoewel de afname na 2004 aanvankelijk leek door te zetten, ontbreekt het in Vlaanderen momenteel aan goede cijfers om dit te staven. De soort is namelijk te schaars geworden om nog te worden opgepikt in het ABV-meetnet. Het ABV-project (Algemene Broedvogels Vlaanderen) is een meetnet van 1200 kilometerhokken verspreid over het Vlaams Gewest. Die vaste hokken worden 3 keer per jaar geïnventariseerd tijdens het broedseizoen. De coördinatie van het project en de rapportering naar regionale, nationale en internationale overheden gebeurt door het INBO (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek) terwijl Natuurpunt instaat voor de coördinatie van het vrijwilligersnetwerk. Tot 2017 was hiervoor een aparte broedvogeldatabank en webapplicatie beschikbaar, maar vanaf 2018 werd het project geïntegreerd in www.meetnetten.be (als apart meetnet).
Erg recent wijzen de weinige regionale gegevens tenminste lokaal op een voorzichtig herstel. Op het Groot Schietveld te Brecht / Wuustwezel nam de soort toe van 17 broedparen tot 29 in de periode 2018-2019. Nochtans slaagt de spotvogel er voorlopig niet in om zich te vestigen in grootschalige natuurontwikkeling zoals in het kader van het Sigma-plan te Kruibeke-Bazel-Rupelmonde. Ook elders in Europa vergaat het de soort overwegend slecht. In het zuidelijke deel van z’n areaal is concurrentie met de naar het noorden opschuivende Orpheusspotvogel mogelijk deels een verklaring, maar in Vlaanderen speelt die concurrentie nog nauwelijks.
De bosruiter, de kleinste ruiter onder de steltlopers
Geraadpleegde bronnen: Vogelbescherming NL – Alle vogels van Europa – ANWB-gids – Vogels kijken – Ecopedia
Buiten de broedtijd vertoeft de bosruiter het liefst in ondiepe zoetwaterplassen en in lage moerasvegetaties met plasjes langs meren, natte heide en hoogvenen, vennen, ondergelopen grasvelden, drinkpoelen voor vee.
In de broedtijd verkiest hij natte heiden en vennen in bosrijke gebieden, open taiga, struiktoendra. Je treft hem nooit aan op een open wad, wel in zoute kreken. Dan verblijft hij in Noord- en Centraal Europa: Schotland, Scandinavië, Baltische staten, Wit-Rusland, Oekraïne en verder in het oostelijk Siberië en het noordoostelijke China.
De soort verschijnt in ons land uitsluitend op de doortrek. Hij is duidelijk minder gedrongen dan de grotere tureluur en groenpootruiter. Bosruiters zijn nooit in grote groepen te zien, zoals bv. wel grutto’s en kemphanen die soms met honderden bij elkaar rusten of samen foerageren.
Het is een vrij kleine maar fraaie steltloper met lange, okergele tot geelgroene poten. De lichaamslengte reikt tussen de 19 en 21 cm; de spanwijdte varieert tussen de 36 en 40 cm en het lichaamsgewicht schommelt tussen de 50 en 90 g. De nerveuze, rumoerige steltloper heeft een rond lichaam en een slanke nek. Bij opwinding wipt hij als de oeverloper de kop en staart op en neer, maar minder opvallend dan de witgat. Het kenmerkend gevlekt, donkerbruin patroon op de bovendelen vertoont witte stippen, die vooral bij fel zonlicht goed opvallen. Markant ook is het vaag patroon op de onderzijde met fijne grijze strepen op de keel en borst die overgaan in een witte buik, met nog enige tekening op de flanken. De bosruiter heeft een witte stuit met een fijn gebandeerd staarteinde. Karakteristiek ook is het krachtig koppatroon met een lange witte wenkbrauwstreep vanaf de middellange snavel (teugel), boven en tot achter het oog (oorstreek). Hij vliegt doorgaans in schijnbaar willekeurige richting op en bereikt snel een grote hoogte, waarbij hij scherp roept ‘tjief-ief-ief …’ In de vlucht zie je zijn voeten voorbij de staart steken en merk je de lichtgrijze ondervleugels. Bij de alarmroep hoor je een langdurig, scherp‘ghip-ghip-ghip’. Tijdens de balts cirkelen beide geslachten boven hun nestgebied met een ritmische, fluitende en jodelende zang, die klinkt als ‘tieLUUL-rieLUUL-tieLUUL-tieLUUL’
Hij foerageert langs de rand van ondiep zoet water of in moerassen en eet wormen en insecten(kevers, wanten, muggen). Buiten de broedtijd is het menu gevarieerder en worden ook spinnen, kreeftjes, slakjes, kleine visjes, kikkertjes, ook zaden gegeerd. Eigenlijk is hij een zoetwatervogel die niet op open zeekusten voorkomt.
De bosruiter is territoriaal en monogaam. De legtijd vindt plaats in mei tot midden juli. De nesten, kuiltjes in de grond en spaarzaam bekleed, liggen tussen verspreide bomen of op open hoogvenen, vaak op een lichte verhoging. Soms kiest de steltloper voor oude nesten van lijsters. Het gebruikelijke legsel van 4 eieren komt uit in 22 – 23 dagen. De jongen worden aanvankelijk door beide ouders verzorgd, maar het vrouwtje verlaat het gezin meestal vóór het uitvliegen van de juvenielen, die na 28 tot 30 dagen vliegvlug zijn.
De bosruiter is een lange-afstand- en breedfronttrekker met bestemming Afrika ten zuiden van de Sahara. Kleinere aantallen overwinteren rondom de Middellandse Zee. De najaarstrek naar de overwinteringsgebieden grijpt plaats van juli tot september; de voorjaarstrek tussen april en mei, vooral ’s nachts en vaak in groep.
Bosruiters profiteren van de ontwikkeling van natte natuurgebieden, van plasdras en hoogwatersloten en van de natuurlijke dynamiek van riviersystemen. Een gunstige beheermaatregel voor de soort is het in stand houden van ondiepe plassen, bv. door overstromingsgebieden te creëren in weiland. Ook het herstel van natuurlijke oevers (met veel slik) of het in stand houden ervan langs rivieren komt deze soort ten goede.
Hij is een van de weinig courante vogels in onze leefomgeving die niet voorkomen in de Belgische Vogelatlas van 1972 van graaf Léon Lippens en Henri Wille. Het zegt veel over het succesverhaal dat de Cetti’s zanger de voorbije halve eeuw heeft geschreven.
In de 18de eeuw was het gebruikelijk om nieuw beschreven soorten te vernoemen naar wetenschappers of ontdekkers. Het vogeltje ontleende haar naam aan de Italiaanse natuuronderzoeker en jezuïet, Francesco Cetti (1726 – 1778) die de na tuur in Sardinië bestudeerde. Zijn verovering van West-Europa vanuit het Middellandse Zeegebied ging echter niet zonder slag of stoot. Hij had meerdere pogingen nodig om hier poot aan de grond te krijgen.
De eerste waarnemingen in ons land dateren van eind jaren 1960. In de jaren 1970 kwam er een kleine broedpopulatie, met finaal een 150-tal koppels voor heel België. De Cetti’s zanger is een vogeltje van ruigtes met riet, wilgenstruiken en brandnetels, als kenmerkende begroeiing.
De beestjes zijn uitgesproken standvogels: ze blijven zomer en winter in hun territorium. Daardoor zijn ze kwetsbaar. De extreem harde winter van 1978-’79 was er teveel aan. De meeste Cetti’s zangers in onze contreien redden het toen niet. Enkele koude-opstoten in de jaren 1980 gaven de soort de genadeslag. Ze verdween opnieuw uit onze natuur.
In een vogelatlas van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) uit 2004 staat over de Cetti’s zanger te lezen: “Het is afwachten of de verwachte klimaatveranderingen in onze regio, met zachtere en nattere winters, in het voordeel van de soort zullen spelen.” Dat bleek uiteindelijk toch wel het geval.
In 2000 werden opnieuw enkele broedgevallen geregistreerd. Nadien ging het snel. Een online verslag van het INBO uit 2020 heeft het over 60 broedparen in Vlaanderen in 2013 en 500 in 2018. In oktober verschijnt een nieuwe Vlaamse vogelatlas van het INBO. Coördinator, Glenn Vermeersch laat weten dat er in 2024 al 3000 broedparen van de Cetti’s zanger waren.
Ook in Nederland is er sinds 2010 een exponentiële toename van de soort met in 2023 meer dan 6000 koppels. Jonge vogels zorgen voor een snelle verspreiding naar nieuwe territoria. De soort lijkt nu ook minder gevoelig te zijn voor de occasionele winterse koude-uitbraken.
De kans is wel klein dat je een Cetti’s zanger te zien krijgt. Het is een onbenullig bruin vogeltje met een ronde, vaak opgewipte staart, dat doorgaans goed verstopt zit in de vegetatie. De rug is roestbruin, de onderzijde grijsachtig. Het opvallend koppatroon heeft een donkere oogstreep, lichte wenkbrauwstreep en 2 witte halve maantjes juist boven en onder het oog.
Hij kan worden verward met de kleine karekiet of snor, maar heeft een compacter lichaam en een meer rossig warmbruine kleur. Maar de kans is héél groot dat je hem hoort, in een luide uitbarsting van uitbundige tonen, weliswaar zonder veel melodie. Zelfs zingende winterkoninkjes – toch ook niet van de stilste – etaleren ingetogenheid in vergelijking met Cetti’s zangers. Het is onwaarschijnlijk hoeveel decibels ze uit hun kleine lijf gepompt krijgen. Als je gehoorvermogen het met het ouder worden stilaan laat afweten, zal de Cetti’s zanger de laatste vogel zijn die je nog probleemloos kan horen.
Mannetjes maken kabaal om hun territorium te beveiligen en vrouwtjes te lokken. Ze moeten wel, want van hun monotone kleuren zal het niet komen. Het lijkt erop dat de grootste lawaaimakers de beste territoria inpalmen en het makkelijkst vrouwtjes lokken. Zorg voor eieren en jongen is er helaas niet bij, daarvoor hebben de vaders het te druk met lawaai maken. Luidruchtige venten en zorgzame vrouwen: waar hebben we dat nog gehoord?
Geraadpleegde bron: Vogels kijken: editie 12 – januari 2026: de klapekster [Corstiaan Beke]
Een klapekster is een typische klauwier, met een lange staart en een haaksnavel. Bij een volwassen vogel zijn de bovendelen en kruin lichtgrijs en de onderdelen wit. Verder heeft een adulte klapekster een opvallend ‘bandietenmasker’, zwarte vleugels met witte handpenvlek en een zwarte staart met een witte rand. Vergelijkbaar met een merel heeft de klapekster een lichaamslengte van 21 tot 26 cm; een spanwijdte, die reikt tot 30 cm en een lichaamsgewicht dat schommelt rond de 30 g.
Onvolwassen klapeksters onderscheiden zich op details van oudere vogels. De zwarte delen zijn bij jonge vogels doorgaans minder diepzwart en de zwarte dekveren en handpennen hebben vaak subtiele lichte randjes. Daarnaast is bij jonge vogels met name op de flank en borst enigszins variabele schubtekening te zien en is de basis van de onder-snavel licht. Een langs vliegende klapekster kan door de slanke bouw, lange staart en golvende vlucht wel wat op een XXL witte kwikstaart lijken.
De soort kent tot wel 12 ondersoorten, die echter vaak als volwaardige soort worden beschouwd. De klapekster (Lanius excubitor) is in een groot deel van Europa de ‘standard klapekster’.
Gedrag en voedsel
Een klapekster zit, net als andere klauwieren, graag op de uitkijk in toppen van bomen of struiken van licht beboste, open terreinen. Denk dan aan heide- en weidegebieden, moerassen met rietkragen en weiden met fruitbomen of omzoomd door houtkanten.
Officieel hoort de klapekster tot de zangvogels, maar van nature is het eerder een roofvogel. Als er eenmaal een prooi in beeld is, vliegt de klapekster daar doelgericht op af en duikt dan meestal naar de grond. Soms hangt een klapekster voorafgaand aan die beslissende duik enkele seconden, als een torenvalk, biddend in de lucht. Na die duikvlucht, doodt hij zijn slachtoffer met een beet in de nek of een klap op de schedel. Prooien worden niet altijd meteen opgepeuzeld, maar geregeld op scherpe takjes, doorns of prikkeldraad gespiest. Op die manier leggen klapeksters, evenals andere klauwieren, voedselvoorraden, net als veel roofvogels en uilen.
Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de inhoud van die braakballen. Mede daardoor weten we dat klapeksters vooral mestkevers, amfibieën, kleine zoogdieren en zangvogels eten. Van overwinterende klapeksters weten we dat er een duidelijk verband bestaat tussen het dieet en het habitattype. Zo eten de vogels op de droge heiden en stuifzanden, als je naar de aantallen kijkt, voor het grootste deel mestkevers, maar in de natte heide en hoogvenen meer muizen. Uit de broedgebieden in Scandinavië is bekend dat klapeksters, wanneer muizen door sneeuwbedekking minder goed bereikbaar zijn, relatief veel vogels eten.
Voormalige broedvogel
De klapekster broedt in grote delen van Europa, Azië en Noord-Afrika. Zuidelijke populaties trekken niet of nauwelijks. Noordelijke populaties overwinteren zuidelijk van de broedgebieden. De nominaat-vorm broedt in Noord-, Midden- en Oost-Europa en Noordwest-Siberië. De Europese populatie wordt geschat op zo’n 69 000 – 176 000 broedparen.
De klapekster, bij ons vooral een wintergast, doet het in België en specifiek in Vlaanderen, slecht als broedvogel. Het is een doortrekker, die net zoals de roodborst, ’s winters niet noodzakelijk tot trekken overgaat. Een deel van de vogels zoekt wel andere oorden op en komt zo in onze contreien terecht. In Wallonië leeft een stabiele broedpopulatie van enkele honderden vogels. In Vlaanderen broedde het laatste klapeksterpaar in 1996.
Dat de klapekster als broedvogel is verdwenen in Vlaanderen, is heel waarschijnlijk te wijten aan de intensivering van de landbouw. Door op grotere schaal gewassen te verbouwen en door een stijgend gebruik van pesticiden, waren er toen reeds steeds minder insecten beschikbaar. Die staan op het menu van de klapekster, maar ook veel van zijn prooien. Geleidelijk aan werd de druk op deze grote klauwierensoort te groot en moest hij uitwijken. Ondertussen blijft het hopen dat de Waalse broedpopulatie groeit en uiteindelijk zal uitbreiden naar geschikte leefgebieden in Vlaanderen.
Tijdens het voortplantingsseizoen komt de voorraadkast van de klapekster goed van pas. Het mannetje stalt z’n satés uit op opvallende plekken. Wie de best gevulde trofeeënkast heeft, verovert het vrouwtje. De klapekster is erg territoriaal en bestrijkt in het broedseizoen een terrein tot zelfs 100 hectare groot. Het vrouwtje bouwt een nest in dichte struiken of bomen en legt 4 tot 7 eieren. Terwijl het vrouwtje haar legsel warm houdt, draagt het mannetje het voedsel aan. Na 14 tot 18 dagen komen de jongen uit. Beide partners voeden de jongen; 2 à 3 weken later beginnen de jongen te vliegen, waarna ze nog 3 weken kunnen rekenen op voedselaanvoer door de ouders.
Na het broedseizoen worden de eerste klapeksters doorgaans vanaf eind september weer gezien. De najaarstrek voor deze soort loopt door tot halverwege november. In de maanden maart en april vindt weer doortrek plaats, richting de broedgebieden.
Stijn Leestmans ijvert voor systematische verandering in de landbouw
Geraadpleegde bron: Vogelbescherming Vlaanderen: Mens en Vogel: editie lente 2026 [Stijn van Osch]
Het Vlaamse boerenland is de voorbije decennia ingrijpend veranderd. Akkers met hagen, bloemenranden en ruige hoekjes maakten plaats voor strak beheerde en eentonige landschappen. Door schaalvergroting, overmatig pesticidengebruik en dichte moderne stallen blijft er weinig over van het landschapsmozaïek waarin boerenlandvogels floreerden. Toch zijn boerenlandvogels heel nuttig. Ze verspreiden zaden en houden insectenplagen onder controle. De landschapselementen waarin ze leven, houden water vast, voeden de bodem en brengen leven in het veld. Er staan ook steeds meer landbouwers op die tonen dat het anders kan. Met bloemenranden, nestgelegenheid en ruimte voor biodiversiteit herstellen zij de natuurlijke balans. Wat goed is voor de vogels, is ook goed voor de bodem, het water, de oogst én de omgeving. En dus voor onze gezondheid en economie.
Al sinds zijn tienerjaren houdt Stijn Leestmans (46) zich bezig met weidevogels. In de loop der jaren is hij uitgegroeid tot één van dé weidevogelexperten in Vlaanderen. Hij volgt samen met de collega’s de soortbeschermingsprogramma’s op rond boerenlandvogels (weide- en akkervogels, grauwe kiekendief en zomertortel). Sinds 2001 monitort hij elk jaar een aantal weidevogelgebieden in het noorden van de provincie Antwerpen en in samenspraak met landbouwers en de overheid regelt hij ook het beheer.
Eigenlijk houdt Stijn niet van de term akker- en weidevogels, want die tweedeling is achterhaald. Neem nu de kievit. Oorspronkelijk broedden kieviten op graslanden, maar tegenwoordig broedt in de Kempen vermoedelijk 90% van alle kieviten in landbouwgebied of akkerpercelen. Agrarische vogelsoorten of boerenlandvogels is dan een veel betere benaming.
Oorzaken van de achteruitgang van boerenlandvogels
Veruit de belangrijkste oorzaak is het huidige intensieve landbouwmodel, waardoor er onvoldoende voedsel en nestgelegenheid is voor onze boerenlandvogels. Een bijkomend effect van landschaps- en habitatdegradatie is de grotere impact van predatie op de populaties van weidevogels. Toen het aantal weidevogels in de jaren ’60, begin ’70 piekte, waren er bijna geen predatoren, want vossen, roofvogels, … werden massaal bestreden. Gelukkig is dat verleden tijd. In een gezond ecosysteem houden roofdier- en prooidierpopulaties elkaar in evenwicht. Deze balans is nu zoek doordat het landschap veel te sterk is versnipperd en aangetast. Een structuurrijk, biodivers landschap is noodzakelijk om voldoende voedsel en schuilgelegenheid te bieden, waardoor de jongen meer kans op overleven zullen hebben.
Ook klimaatverandering is een groeiend probleem. In droge voorjaren, zoals we de laatste 10 jaar, enkele hebben meegemaakt, drogen percelen zeer snel uit en dat is nefast voor de overleving van onder andere kievit-kuikens. Die vinden hun voedsel doorgaans op natte plekken. Door de klimaatverandering en in combinatie met grachten, drainage en egalisatie van percelen drogen landbouwgronden te snel uit. Als er in de maand mei alarmroepen weerklinken en kievit-kuikens rondlopen, dan tref je ze vaak in de grachten aan.
Petitie om de jacht op patrijs definitief te stoppen
Zulke acties zijn broodnodig. Het is ecologische nonsens om te stellen dat je een soort kan helpen door ze af te knallen. De patrijs staat als ‘kwetsbaar’ op de Vlaamse Rode Lijst, wat een volledige jachtstop rechtvaardigt. Hoewel vanuit de jachtsector soms habitatmaatregelen worden uitgerold, die de soort ten goede moeten komen, is het koppelen van deze regelingen aan de jacht, een kwetsbaar model. Het getuigt immers van een lage wezenlijke motivatie, wanneer er enkel in een leefgebied van een soort wordt geïnvesteerd, op voorwaarde dat die soort dan ook mag worden bejaagd. Gezien de Rode Lijst-status van de patrijs, is een strikt jachtverbod essentieel om de soort te beschermen via duurzame acties. De meest kwetsbare grondbroeders, zoals de kievit, wulp en grutto vereisen de grondigste ingrepen aan hun leefomgeving. Maar ook akkersoorten, zoals veldleeuwerik, ringmus en zomertortel, waarvan de populatie sinds de jaren ’80 met 90 % is afgenomen.
Intensieve landbouw is nefast
We zijn er als maatschappij heel goed in geslaagd om massaal veel voedsel te produceren per hectare grond, maar de agrarische natuur betaalt daar wel een gigantische hoge prijs voor. Sinds de jaren ’70 zijn we in Vlaanderen begonnen met ruilverkavelingen. Tot begin jaren ’90 waren dit rechttoe-rechtaan ruilverkavelingen, zonder aandacht voor landschap en natuur. Houtkanten en hagen werden opgeruimd, rivieren rechtgetrokken en percelen geëgaliseerd. Er werd massaal drainage aangelegd. Nieuwe grachten werden gegraven en uitgediept; wegen werden aangelegd en verhard. Alles stond in functie van de landbouw, maximale productie en het zo snel mogelijk afvoeren van water. De grondwaterstanden stonden toen veel hoger dan nu. Het natte voorjaar van 2024 zorgde voor een hoge grondwaterstand, maar 50 jaar geleden, was die grondwaterstand volkomen normaal.
Het gevolg van al deze ingrepen is dat percelen eerder kunnen worden gemaaid of bewerkt. Door de droge zonnige voorjaren, bewerken landbouwers akkers en velden almaar vroeger. Zelfs het maaien vindt soms al plaats eind maart, nog vóór de ei-leg-fase van de grond-broedende boerenlandvogels, dus. In gunstige jaren maaien landbouwers nu 6 tot 8 keer per jaar. Dat maakt het voor soorten als grutto en wulp onmogelijk om nog jongen groot te brengen. Door het nivelleren en draineren verdwijnen natte plekken in percelen, die dan weer cruciaal zijn om eten te vinden voor kuikens van weidevogels. Houtkanten, ruige hoeken en permanente graslanden verdwijnen ook steeds vaker in het landschap, waardoor soorten die daar afhankelijk van zijn, zoals patrijs, ringmus of zomertortel geen nestgelegenheid en eten meer vinden. Door de uitkleding van het landschap kunnen soorten zich ook slechter ‘verbergen’ voor predatoren.
Als we de boerenlandvogels willen beschermen, dan zullen we voor een systeemaanpak moeten zorgen. De natuurherstelwet biedt hiervoor kansen, maar dan moet het beleid wel volgen en voor een voldoende ambitieus natuurherstelplan durven gaan.
Concreet
Landbouwers kunnen best stoppen met roekeloos pesticiden te spuiten en enkel in uiterste nood gebruik te maken van chemische bestrijdingsmiddelen. Ze kunnen bijkomende houtkanten, hagen en poelen aanleggen, die noodzakelijk zijn voor patrijs, grasmus en roodborsttapuit. Ze kunnen zorgen voor plasdrasplekken (plasdras = weideland, waar de waterstand gedurende een bepaalde periode nagenoeg gelijk is aan het maaiveld) voor soorten als de kievit. En ze kunnen grondbewerkingen uitstellen tot half mei en pas maaien na half juni. Zo geven ze de grondbroeders de kans om nesten te maken.
De huidige regering schafte de ecoregeling voorjaarsbraak af. Dankzij die overeenkomst konden landbouwers een vergoeding van 350 euro per hectare krijgen voor akkerpercelen die tussen 20 maart en 10 mei onbewerkt werden gelaten. Doodzonde dat die verbintenis werd afgeschaft, want zo wordt bv. de kievit nog meer onder druk gezet. In uitvoering van de natuurherstelwet zou tegen 2030 de broedvogelindex met 5 % moeten stijgen. Momenteel daalt die! Het schrappen van een simpele en weloverwogen maatregel, zoals deze ecoregeling maakt het nog alleen maar moeilijker om dat doel te bereiken. Het is bovendien erg pijnlijk voor de vrijwilligers en de landbouwers die zich hard inzetten voor het beschermen van de kievitsnesten en zo op het terrein bijdragen aan de depolarisatie tussen natuur en landbouw.
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie (GLB) is gericht op maximale productie. Het blijft de belangrijkste financiële motor van de landbouwintensivering. In Oost-Europese landen gaan de mooie landbouwlandschappen zeer snel achteruit dankzij die Europese geldmiddelen. Men probeert deze verderfelijke evolutie te milderen met ecoregelingen en beheerovereenkomsten, maar die zijn meestal niet meer dan een druppel op een hete plaat. Er zijn voldoening schenkende acties, maar die zijn te vrijwillig en te kleinschalig. Daardoor is het effect te klein om de dalende trend van boerenlandvogels te keren. Willen we met die vrijwillige maatregelen iets wezenlijks betekenen voor de boerenlandvogels, dan moet dat op grote schaal, in voldoende dichtheden, op de juiste plaatsen in het landschap en met het juiste beheer gebeuren. Momenteel halen we dit niet in geen enkel gebied in Vlaanderen.
Het verouderd landbouwsysteem is aan vernieuwing toe
Het huidige intensieve landbouwsysteem zelf is quasi niet verenigbaar met het behoud van boerenlandvogels. We moeten naar een systemische verandering, waarbij structurele en fundamentele aannames in vraag dienen gesteld. Een eerste stap is regeneratieve landbouw, waarbij de bodem terug wordt hersteld en versterkt, waardoor er weer een levende voedingsbodem ontstaat. Dit zal veel meer voedsel genereren voor vogels, die wormen en andere bodemdiertjes eten. Maar zelfs met deze geoptimaliseerde landbouwmethode wordt er nog steeds gemaaid in april en mei, waardoor er veel nesten en kuikens verloren gaan. Natuur-inclusieve landbouw moet dat kunnen opvangen, maar dan moet het huidige landbouwsysteem zo goed als volledig overschakelen naar dit businessmodel. Het probleem is de rendabiliteit voor deze landbouwbedrijven. Ze moeten een alternatieve financiering halen uit het minder intensief gebruiken van hun percelen.
Daarom denkt Stijn dat je niet buiten het feit kan dat er ook bijkomende weidevogelreservaten nodig zijn in landbouwgebied. Die zorgen voor een echte duurzame groene ruggengraat in landbouwgebied. Maar nieuwe weidevogelreservaten worden quasi onmogelijk gemaakt door de Vlaamse regering en vrijwillige maatregelen blijken niet duurzaam genoeg. Gelukkig zijn er heel veel vrijwilligers die zich inzetten om bv. kievitnesten te zoeken en te beschermen met het actieplan Kievit van de werkgroep Weide- en Akkervogels van Natuurpunt. En er zijn ook successen: in echte weidevogelreservaten zoals de Uitkerkse polders zie je dat de juiste interventies ervoor zorgen dat populaties stand houden of zelfs opnieuw toenemen.
Geraadpleegde bron: Vogels Kijken: Editie 5 – november 2024: Soort in de lift: de slechtvalk [Marcel Klootwijk] – cursus roofvogels & uilen 2026 – Vogelwerkgroep Oost-Brabant
De slechtvalk heeft de eer de snelste vogel ter wereld te zijn. Zijn grootste snelheid haalt hij in de lucht en dan met name in duikvlucht. De horizontale achtervolgingsvlucht is energiek en krachtig met een reeks snelle vleugelslagen met weinig glijperioden tussendoor, maar de verticale duiken zijn nog duizelingwekkender. De snelheden die worden gehaald, liggen dan boven de 300 km / u en het record dat is gemeten bij een valkeniersvogel, ligt zelfs op 389 km / u. Om zulke snelheden te halen heeft de slechtvalk een aantal bijzondere lichaamseigenschappen en kwaliteiten. De gestroomlijnde lichaamsvorm met samengevouwen vleugels tijdens de spectaculaire stootduik is volledig aerodynamisch.
In het neusgat in de snavel zit een rond staafje, wat ervoor zorgt (zoals bij een windscherm) dat de lucht, die met enorme snelheid (druk) langs het lichaam stroomt, deels wordt afgewend en verhindert dat de sterk instromende lucht via de neusgaten de longen opblaast. Zo kan de roofvogel blijven ademen tijdens de duikvlucht. Ook heeft het oog een 3de vlies, het knipvlies, wat het beschermt tegen uitdroging bij zo’n wervelwind in de steile daalvlucht.
Markant bij deze middelgrote valk zijn het krachtige lichaam, de zware borst, de spitse vleugels met brede arm en de middellange staart. Het prachtkleed wordt gekenmerkt door leigrijze bovendelen; de lichter blauwgrijze beneden-rug, stuit en boven-staartdekveren. De onderdelen zijn wit; beneden-borst en buik vertonen een smalle dwarsbandering. De ‘wangen’, keel en boven-borst zijn eveneens wit, sterk contrasterend met de zwarte kop-kap en opvallende brede baardstrepen. De was-, oog- en poothuid zijn geel gekleurd.
Dramatische achteruitgang
Het is nu bijna niet meer voor te stellen dat de slechtvalk, die de wijdst verspreide roofvogel ter wereld is, haast was uitgestorven. Al sinds het bestaan van de mens worden roofvogels vervolgd en vergiftigd, omdat ze worden gezien als concurrenten. In de 18de, 19de eeuw en zelfs 20ste eeuw tot het jaar 1970 werden voor gedode roofvogels vergoedingen betaald. Maar de echte klap kwam door het gebruik van het landbouwgif DDT (beruchte, synthetische insecticide). In de jaren ’60 van de 20ste eeuw werd deze pesticide veelvuldig gebruikt. Insecten aten dit gif en werden opgegeten door muizen en vogels. Deze vielen op hun beurt weer ten prooi aan onder andere de slechtvalken. Door de ophoping van het gif kregen toppredatoren hoge concentraties binnen. De eischalen werden aangetast door de DDT. Ze werden er zacht en broos van, waardoor er geen jongen meer werden geboren.
Gelukkig kwam dit na jarenlang onderzoek aan het licht en werd het landbouwgif in de meeste landen verboden. Rond 1960 begon de dramatische achteruitgang van de populatie in Europa. In veel landen verdween de slechtvalk zelfs als broedvogel en ook in het winterhalfjaar waren de vogels in ons land bijna verdwenen. In Scandinavië daalde het aantal broedvogels zelfs van 2000 – 3500 paren vóór 1950 tot een historisch laag aantal van 65 in 1975.
Herstel
Na het verbod op het landbouwgif begon de populatie zich langzaam te herstellen, het eerst in Engeland en Midden-Europa. Vlaanderen volgde vanaf 1985 in eerste instantie door aanwas vanuit Duitsland. Beetje bij beetje kwam de soort terug in onze streken, al ging het in het begin erg traag. Overal waar paartjes slechtvalken verbleven, werden nestkasten opgehangen en daarvan werd dankbaar gebruik gemaakt. Het meest werd er gebroed in de buurt van stedelijk gebied, in nestkasten op hoge bouwwerken of in kunstmatige nissen op deze bouwwerken. Vaak zijn dit koeltorens, schoorstenen en kerktorens. Maar er wordt ook gebroed op bruggen en in hoogspanningsmasten. De hoge gebouwen fungeren als een surrogaatrots en bieden naast een veilige broedplaats ook een geweldig uitzichtpunt over de jachtgebieden.
In België hadden we het laatste broedend paar in 1969 in Dinant. Voorheen telde men in de Ardennen 30 à 35 broedparen. Pas in 1995 kende Vlaanderen een eerste broedgeval op een hoge schoorsteen, namelijk in Langerlo (Genk). Er waren 3 eieren, maar mogelijk onbevrucht of onderkoeld. Het vrouwtje verhuisde kort daarna naar Nederlands Limburg. In onze streken werd met de steun van onder meer de Electrabel-groep een interventiefonds voor roofvogels gefinancierd om een netwerk van nestkasten (inox boxen van wel 50 kg) te installeren op de koeltorens van hun elektriciteitscentrales.
In 1966 kende men eindelijk weer een eerste geslaagd broedgeval op een koeltoren in Doel, waar in een nestkast – 90 m hoog – het eerste jong op 5 mei werd geboren. Een jaar later telde men reeds 14 nestkasten in België, allemaal geplaatst in elektrische centrales. In 1998 trof men in Val Saint-Lambert een nest met 3 jongen aan. Andere koppels vestigden zich in Tihange, Rodenhuize, Drogenbos, Genk, Lier … De populatie was dan al groter dan in de jaren ’50 en blijft elk jaar nog toenemen. Inmiddels duikt de slechtvalk ook op in steden, waar webcams het leven in de nestkasten veraanschouwelijkt: Gent (Sint Baafskathedraal) – Brussel (Sint Michiels- en Sint Goedelekathedraal) – Antwerpen (Boerentoren) – Mechelen (Sint Romboutstoren) – Leuven (Sint Geertruikerk en Sint Maartensdal) – Tienen (Sint Germanuskerk en watertoren) – Aarschot – Zoutleeuw – Hoegaarden – Landen – Heverlee … In 2005 waren er 41 broedparen en 69 uitgevlogen jongen; in 2014 telde men 69 broedparen en 115 uitgevlogen jongen.
Eten en gegeten worden
Slechtvalken jagen bijna uitsluitend op vogels en dan vaak op watervogels. In een stedelijke omgeving kan hun dieet voor het overgrote deel bestaan uit postduiven, die vlak in de buurt van hun nest kunnen worden gevangen. Opvallend is dat bij prooionderzoek uit nestkasten in stedelijk gebied relatief veel nachttrekkende vogelsoorten worden gevonden. Deze worden waarschijnlijk in het licht van de stad direct rond de nestkast gevangen. Zo worden wel vaker resten van kramsvogels, koperwieken en houtsnippen in het nest aangetroffen. De slechtvalk is dan ook een toppredator pur sang en heeft naast de mens eigenlijk geen natuurlijke vijanden. Althans, dat leek zo, tot de komst van de oehoe in ons land. Oehoes zijn dusdanig groot en sterk dat ze veel roofvogels aankunnen en daar ook niet voor terugdeinzen. Een paartje uit de groeve van Maastricht deelde deze locatie met een aantal slechtvalken. Binnen de 2 dagen hadden de oehoes alle drie de jongen van het legsel in 2017 gedood en opgegeten. Dit zal waarschijnlijk nog geen directe bedreiging vormen voor de populatie. Ondanks dat ook de oehoe ‘in de lift’ zit, zijn de aantallen nog niet overdreven groot en daarnaast delen beide soorten niet zo vaak elkaars territorium. Het is echter wel aangewezen om dit in de toekomst in de gaten te blijven houden.
De zwarte ooievaar, in tegenstelling tot zijn witte neef, een schuchtere steltloper
Geraadpleegde bron: Knack: Beestenboel; de zwarte ooievaar [Dirk Draulans]
Zo opvallend als de witte ooievaar is, zo discreet is de zwarte. Witte ooievaars broeden graag open en bloot in de buurt van mensen, soms op daken of elektriciteitspylonen. De zwarte daarentegen is een schaarse broedvogel van uitgestrekte, oude, rustige bossen in nabijheid van moerassen, poelen, beken of rivieren, bij voorkeur in heuvelachtig gebied. Hij hoedt zich ervoor om dicht bij mensen te komen. Genetisch onderzoek wees uit dat hij niet sterk verwant is aan de witte – ze staan in de ooievaarsfamilie zelfs vrij ver van elkaar. Het uit zich in de geluiden die ze produceren. Op hun nest vallen witte ooievaars op door het vele klepperen met hun snavels om toenadering tot elkaar te zoeken. De zwarte ooievaar doet dat zo goed als nooit. Hij heeft wel een breder repertorium aan andere klanken om contact te maken en te bestendigen. In de vlucht weerklinkt zelden een buizerdachtig ‘pioe’. Vlakbij het nest roept hij ‘hi-lih’ of brengt hij een reeks raspende klanken uit ‘shi-luu-shi-luu-shi-luu’ uit,waarbij de 1ste lettergreep hees en de 2dehelder klinkt.
Volwassen zwarte ooievaars zijn pareltjes van de natuur. Kop, hals, borst en bovenzijde zijn integraal zwart met groene tot paarse metaalglans, die prachtig schittert in het zonlicht. Hun iets opgewipte snavel en poten zijn knalrood. Ook rondom het oog is de huid rood. Alleen hun buik en een klein deel van hun vleugels zijn wit. Jonge vogels zijn fletser; hun verenkleed is bruin met een olijfkleurige zweem; de poten zijn grijsgroen. Ze worden mooier met het verouderen. De lichaamslengte varieert tussen 95 en 105 cm; de spanwijdte tussen 175 en 205, wat nauwelijks kleiner is dan de (witte) Ooievaar. De typische ooievaarsvlucht eindigt in een lange, dalende glijvlucht op uitgestrekte vleugels, die bewegen om de draagkracht te verminderen. In vlucht kan hij minutenlang zeilen op thermiek, zonder zijn vleugels te hoeven bewegen.
In onze contreien is de zwarte ooievaar een zeldzame verschijning, vooral in de zomer en vroege herfst. Bij de meeste waarnemingen gaat het om zwervende jonge vogels, maar men hoopt vurig op een broedgeval. Het zou een zoveelste mooie aanwinst voor onze natuur zijn, die kan illustreren dat natuurherstel werkt. Investeringen in zowel natte natuur als oude bossen kunnen het mogelijk maken dat de zwarte ooievaar, als bosbewoner én viseter, bij ons komt broeden. Het favoriete gerecht van de zwarte ooievaar is vis, die hij zoekt in ondiep water. Om te jagen strekt hij zijn vleugels uit of wandelt hij stilletjes door het water met zijn kop naar beneden. Wanneer hij een prooi in het vizier krijgt, doodt hij die met een snelle steek van zijn puntige snavel. Naast vis lust hij ook graag amfibieën, insecten, krabben, slakken, maar ook kleine zoogdieren of jonge vogels.
Het broedareaal omvat Centraal- en Oost-Europa tot in de Balkan en het Iberisch schiereiland. Na een afname in de 20ste eeuw is het aantal de laatste jaren, en dan vooral in Polen, weer toegenomen. Het is een zomergast die in april tot in mei toekomt en ongeveer een maand later dan de (witte) ooievaar naar West-Afrika (Senegal en Mali) terugkeert om te overwinteren, vaak in familieverband. België ligt aan de noordwestelijke rand van het verspreidingsgebied. De zwarte ooievaars die bij ons voorkomen zijn vermoedelijk afkomstig uit de broedgebieden van Duitsland, Polen en Noord-Frankrijk.
In de bossen van Wallonië is de soort sinds 1990 opnieuw broedvogel, na een afwezigheid van meer dan een eeuw. Er zijn al een tiental broedparen. Ook in West-Duitsland rukt ze op. In Vlaanderen en Nederland zijn er vooralsnog uitsluitend hoopgevende indicaties op een broedpoging. Het is natuurlijk niet makkelijk om nesten van zwarte ooievaars te vinden, hoe groot ze ook kunnen zijn, omdat ze doorgaans hoog in oude bomen midden in een bos worden gebouwd.
Anders dan witte ooievaars hebben zwarte wel de neiging om als koppel baltsvluchten in de lucht boven hun nestplek uit te voeren. Meestal vallen die niet op, omdat ze boven dicht bosgebied gebeuren, maar bij ons zou het eventueel de eerste indicaties van broeden kunnen geven. Er zijn al meldingen uit de Kempen geweest die in die richting gaan.
Het nest, een groot platform, gemaakt van takken, wordt hoog in de boomkroon gebouwd. Zwarte ooievaars werken als koppel aan het grootbrengen van hun 3 tot 5 jongen. Ze beginnen te broeden vanaf het eerste ei, wat impliceert dat er grootteverschillen zijn tussen de jongen in een nest: de laatste die uitkomt, blijft doorgaans de kleinste, omdat hij het minst makkelijk aan voedsel kan. Bij reigers pikken hongerige oudste jongen hun jongere nestgenoten bij voedseltekort soms dood, maar bij zwarte ooievaars gebeurt dat niet. Daar zijn het blijkbaar de ouders zelf, die af en toe ingrijpen en hun jongste kuiken liquideren, als ze voelen dat ze niet genoeg vis voor de hele kroost kunnen vinden. Liever maar een of twee jongen grootbrengen dan geen is een aanvaardbaar oudermotto. Voor een vogel toch.
Polders van Kruibeke, het grootste overstromingsgebied van Vlaanderen
Geraadpleegde bron: Vogels Kijken: editie 13 – maart 2026: Uitgelicht gebied [Joachim Pintens]
Vrolijk miauwend scheren zwartkopmeeuwen in piekfijn zomerkleed over het polderlandschap, pronkt een blauwborst vanop de hoogste rietstengel met zijn hemelsblauwe keel en buitelen kleine plevieren met speelse capriolen door het luchtruim.
De lente is in het land en dat vertaalt zich in de Polders van Kruibeke in fleurige weilanden en plassen vol kleurige watervogels, die baden in de weerspiegeling van een staalblauwe lucht. De winterse stilte maakt plaats voor de opgewekte deuntjes van de eerste zangvogels die uit het zuiden komen aangewaaid.
Dit Vlaams poldergebied strekt zich uit langs de westelijke oever van de Schelde, ruwweg tussen de charmante dorpjes Kruibeke en Rupelmonde. Het gebied omvat in het totaal maar liefst 600 ha en bestaat van noord naar zuid uit 3 delen: de eigenlijke Kruibeekse Polder, de Bazelse Polder en de Rupelmondse Polder. De Polders van Kruibeke fungeren als een gecontroleerd overstromingsgebied, netjes omlijst door stevige dijken. Bij hoogtij stroomt het brakke water van de rivier via 8 sluizen de polders binnen; bij de grootste sluis zelfs met spectaculaire watervallen. Daar wordt het water met een geweldige kracht door een brede slenk gejaagd die door het volledige Kruibeekse deel van de polders stroomt. Het landschap wordt er getekend door brede rietkragen, indrukwekkende afgestorven bomen, hier en daar schorrenvegetaties en bij laag water ook slikplaten.
Verder lopen er 2 kreken door het gebied, de Bazelse en de Rupelmondse Kreek, die eveneens via een sluis worden gevoed met water van de rivier. Langs de overige sluizen, bij de Bazelse en Rupelmondse Polders, stroomt het water binnen in kommen en verspreidt het zich iets voorzichtiger via sloten doorheen het gebied. Zo ontstonden er natte graslanden en uitgestrekte elzenbroekbossen. Dankzij de enorme variatie aan biotopen en de dynamiek van de getijdenwerking maakt dit unieke natuurgebied inmiddels een volwaardig deel uit van het Natura 2000-netwerk.
30 jaar Sigmawerken
Een halve eeuw geleden was er hoegenaamd geen sprake van een vernuftig getijdengebied en vond je hier een weinig inspirerend landbouwlandschap. In 1976 echter werd de ruime regio getroffen door zware overstromingen waarbij volledige woonwijken onder water kwamen te staan. Het jaar nadien werd besloten actie te ondernemen en werd het Sigmaplan opgemaakt. Dit plan zou de meest overstromingsgevoelige gemeenten in Vlaanderen moeten beschermen tegen wateroverlast door dijkverstevigingen en de inrichting van overstromingsgebieden. Later werd er ook ingezet op buitendijkse slikken en schorrengebieden om het stroomgebied van de rivieren te verbreden.
In 1994 gingen de Sigmawerken van start in de Polders van Kruibeke en maar liefst 30 jaar later werd het project afgerond. Nu stroomt er twee keer per dag een enorme hoeveelheid water de polders binnen, al wordt het belang van het gebied pas echt duidelijk bij springtij. Jaarlijks wordt bij een zware noordwesterstorm namelijk zodanig veel zeewater de Schelde ingeblazen, dat het waterpeil bij vloed gevaarlijk hoog wordt. Tegenwoordig kan het Scheldewater meteen over de verlaagde delen van de dijk de Polders van Kruibeke rechtstreeks binnenstromen, waardoor stroomopwaarts het waterpeil tot wel 40 cm lager gehouden kan worden.
Enorme vogelrijkdom
Je kan de Polders van Kruibeke prachtig overzien vanaf de dijken, maar het gebied écht beleven doe je van binnenuit. De fiets- en wandelpaden begeleiden je langs kronkelende kreken en dichte moerasbossen via een vlonderpad dwars over de hoofdslenk heen en voeren je voorbij frisgroene weilanden naar de mooiste verborgen plekjes. Je komt terecht in een lappendeken van habitats waar water centraal staat en een enorme vogelrijkdom zich ontrolde. Zeker in het prille voorjaar kan je hier met gemak een volledige dag doorbrengen en van de ene ontdekking in de andere tuimelen. Vanuit de uitgestrekte rietvelden weerklinken het aarzelende deuntje van de rietgors en het snelle gekras van de rietzanger, terwijl een blauwborst de apotheose van zijn zang benadrukt door in zangvlucht zijn oranje staartzijden te tonen. Je kan er met wat geluk wel tientallen tegenkomen. De Cetti’s zanger of toch zijn explosieve zang, is niet meer weg te denken uit het landschap en ook de waterral levert al krijsend zijn bijdrage. De snor is een zeldzame broedvogel die zich hier definitief heeft gevestigd en een mooie troef vormt voor het gebied. Over de rietpluimen heen scheert een bruine kiekendief op zoek naar lekkers en kijk zeker ook uit naar de roerdomp. Die zit hier wel, maar is natuurlijk lastig te vinden.
De dagelijkse invloed van water geeft een uniek leefgebied vorm voor heel wat watervogels, men een wirwar van slenken en plasjes, die vaak aan het zicht onttrokken worden door wilgenvloedbossen en weelderige oevervegetaties. De ijsvogel schiet vluchtig over de waterpartijen heen terwijl een grote zilverreiger stokstijf staat te loeren naar een visje. De koekoek luidt het voorjaar in en vult het landschap met zijn hartverwarmende roep. Een paartje futen maakt elkaar het hof met op de achtergrond het luide gegrinnik van dodaarsjes, verscholen tussen de ondergelopen wilgenkoepels. Ieder jaar wordt hier ook de zeldzame kwak waargenomen, overdag verstopt in het dichte struweel maar ’s avonds vaak luid roepend, rondvliegend. Ook het woudaapje wordt door zijn verborgen levensstijl maar weinig gezien, maar is hier wel als broedvogel vastgesteld. Bij laag water komen heel wat vogels foerageren op het slik. Bergeenden slobberen met hun snavel door het slib op zoek naar allerlei ongewervelden, terwijl wulpen met hun lange snavel de meest onbereikbare wormpjes listig boven weten te halen. Enkele lepelaars jagen druk hun snavels door het water heen om er waterdiertjes uit te filteren en de oeverloper, die doet hier moeiteloos zijn naam eer aan.
Voor heel wat trekvogels vormen de Polders van Kruibeke een veilige haven om uit te rusten en op kracht te komen. Daarnaast worden ze ook nog eens dankzij de Schelde – een belangrijke baken in het landschap – netjes naar het gebied toe geleid. De vogeltrek wordt hier al decennialang opgevolgd en dat levert jaarlijks indrukwekkende resultaten op. Zo werden hier ooit op één dag 3 777 gaaien geteld, die moedig in grote groepen oostwaarts de Schelde overstaken. Bijna 2 decennia geleden werden hier ook eens laat in de namiddag maar liefst 90 bruine kiekendieven, 36 wespendieven, 13 visarenden en één zwarte ooievaar geteld voor een breed onweersfront uit geduwd. Hou dus zeker goed de hemel in het oog, want de verrassingen komen hier geregeld uit de lucht vallen. Dat mag je in het geval van de visarend letterlijk nemen, want die laat zich hier wel eens met een spectaculaire stootduik vallen om met vooruit gestrekte klauwen een sappige karper uit het water te plukken. Een snelle hap voor onderweg.
Otter als boegbeeld?
De uitgestrekte weilanden in de Bazelse en Rupelmondse Polders liggen er in het voorjaar vaak nog erg nat bij en vormen dan een trekpleister voor bijzonder veel vogels. Het is hier soms een komen en gaan van steltlopers, met afwisselend onder meer kemphanen, groenpootruiters, tureluurs, bosruiters, kluten, kleine plevieren, watersnippen en zwarte ruiters. De laatste smienten en pijlstaarten maken stilaan plaats voor de eerste zomertalingen die hier komen bijtanken tijdens de trek. In het verleden doken hier ook zeldzaamheden op zoals steltkluut en zwarte ibis, maar ook echte dwaalgasten zoals de terekruiter. Is er van al dit geweld niet veel te bespeuren, dan maak je langs de dijk nog steeds kans op een paapje of een tapuit, fier postvattend op een paaltje. Daarenboven worden er ieder jaar wel beflijsters gezien, foeragerend in het gras onderaan de dijk.
De graslanden worden aan de westkant beschermd door zowel elzenbroekbossen als de Bazelse en Rupelmondse Kreken. Hier kan je wegdromen bij de melodieuze zang van de nachtegaal terwijl een vroege boomvalk gezwind een juffer van boven het wateroppervlak wegplukt. De zanglijnen van tuinfluiters en zwartkoppen vermengen zich terwijl de grasmus zijn riedeltje fier van boven op een meidoornstruik laat horen. Gracieus komt een visdief voorbijgevlogen en de knaagsporen en omgevallen boomstammen verraden al dat hier ook af en toe een bever ten tonele verschijnt.
Helemaal aan het zicht onttrokken maar met behulp van wildcamera’s reeds enkele keren vastgesteld in het gebied, is de otter. Deze soort staat nog maar aan het begin van zijn opmars in Vlaanderen, maar zulke waarnemingen zijn erg veelbelovend. Het betekent dat de waterkwaliteit en de waarde van dit natuurgebied erg hoog scoren, waardoor de otter misschien wel het boegbeeld van dit indrukwekkende project zou kunnen zijn. Een mooi voorbeeld van hoe maatschappelijke en ecologische belangen niet lijnrecht tegenover elkaar hoeven te staan, maar met de juiste aanpak kunnen resulteren in een topgebied zoals de Polders van Kruibeke.
Geraadpleegde bronnen: Vogels Kijken: editie 13 – maart 2026: Soort in de lift [Marcel Klootwijk] – Vogelnieuws in het Groene Waasland
Het is vaak het geluid dat de aanwezigheid van de middelste bonte specht verraadt. In het vroege voorjaar beginnen ze actief te worden en de roep is heel kenmerkend. De zogenaamde ‘kiek’-roep is de meest gehoorde. Deze klinkt heel anders dan die van de grote en kleine bonte specht. De roep wordt veel en snel herhaald, maar lang niet zo snel en regelmatig als die van de kleine bonte specht. De roep gaat wat meer op en neer in frequentie en toonhoogte, waar bv. de kleine bonte specht meer wegheeft van een draaihals of boomvalk.
De baltsroep in het voorjaar is een klaaglijke, gaai-achtige roep. Die wordt langzaam om de 2 seconden herhaald en vaak ten gehore gebracht vanuit een hoge, kale boomtop. In tegenstelling tot de andere twee bonte spechten roffelt de middelste nauwelijks. In vergelijking met de grote gedraagt de middelste bonte specht zich wat heimelijker, waardoor deze wat minder opvalt. Ze foerageren graag in oude eiken en kiezen dan liefst de horizontale takken. Daar zoeken ze naar insecten en spinnen onder de bast, waarbij ze veel minder luidruchtige hakgeluiden maken dan de grote bonte specht.
Vanaf april hakt het spechtenpaar samen een nestholte in een oude, zachte boom. Het vrouwtje legt 4 tot 7 eieren (één legsel doorgaans), die door beide ouders worden bebroed. Na ongeveer een dozijn dagen komen de kuikens uit. Beide ouders voeren de jongen, die na 3 tot 4 weken uitvliegen.
Pas halverwege de jaren ’70 kreeg de middelste bonte specht echt voet aan de grond in onze streken (vooral in de Ardennen en Limburg). De eerste zekere Vlaamse broedgevallen werden vanaf 2000 vastgesteld in het Meerdaalwoud en in het Zoniënwoud. Het feit dat bossen steeds ouder worden, met steeds meer natuurlijk beheer, heeft bijgedragen aan de snelle opmars. Tot 2010 was het mogelijk de uitbreiding van de middelste bonte specht in Vlaanderen nog gebiedsdekkend op te volgen. In die periode werd de Vlaamse populatie geschat op een 100 tot 150 broedparen. Sindsdien is het verspreidingsareaal echter nog gevoelig toegenomen en werden nagenoeg alle potentiële geschikte loofbossen en parken verder gekoloniseerd. De soort broedt ondertussen in alle Vlaamse provincies.
Het inventariseren van deze specht is geen sinecure. In geval van lage dichtheden wordt er weinig geroepen en/of geroffeld en gebeurt dit bovendien reeds erg vroeg in het voorjaar en gedurende korte tijd. De forse toename in combinatie met de moeilijkheden die men ondervindt bij het inventariseren, heeft ertoe geleid dat de Vlaamse populatieschatting steeds onnauwkeuriger werd. De ruwe schatting van 150 tot 430 broedparen in 2018 was wellicht nog aan de lage kant en de voorlopige resultaten van de nieuwe Vlaamse Vogelatlas (periode 2020-2024) tonen een spectaculaire toename van ongeveer 800 tot 1600 broedparen.
Vooral sinds 2015 zien we in de regio van het Waasland en het Durme- en Scheldeland een duidelijke aangroei van het aantal waarnemingen. Momenteel zijn er ruim 15 broedterritoria bekend in de regio: enkele in Wachtebeke, Moerbeke en Lokeren (Puyenbroeck, Heidebos, Etbos, De Linie en Vettemeersbossen); enkele in Sint-Niklaas en Stekene (o.a. in de Fondatie, Belsele Gouden Leeuw en Stopersbos); in Waasmunster (o.a. De Vaag-Ketelbossen); mogelijk ook in Hamme en ook enkele in Berlare (bossen rond het Donkmeer en wellicht ook in het Berlarebroek)
Het favoriete biotoop van de middelste bonte specht verschilt van dat van de grote bonte. Middelste bonte spechten zijn veel kieskeuriger. Waar de grote bonte specht echt een opportunist is en bijna alles accepteert waar een paar bomen bij elkaar staan, is de middelste meer een specialist, specifiek op zoek naar oude afwisselende loofbossen of landgoederen met veel oude eiken of andere boomsoorten met een grove bast. De vogels zoeken op een veel subtielere manier in de kieren en spleten naar insecten en andere ongewervelden (rupsen), ook wel bessen en noten. Dat doen ze met hun slankere en puntigere snavel ten opzichte van de grote bonte. Ze kunnen ook als mezen aan dunne twijgen ondersteboven hangen en zelfs insecten in de vlucht vangen.
Ook al zijn de kleuren en de kleurverdeling grotendeels gelijk aan die van de grote bonte specht, toch merk je bij nader inzien dat dit totaal een ander spechtje is. Allereerst is hij merkelijk kleiner dan de grote bonte. Hij is maar 20-22 cm groot, heeft een spanwijdte van 35 cm en zijn lichaamsgewicht schommelt tussen 60 en 75 g en dat valt nog sterker op mede omdat hij er minder langgerekt uitziet. Het meest markante verschil zit hem in de koptekening. De middelste bonte specht heeft in alle kleden een volledige rode pet, waarbij die van het mannetje het felst is gekleurd en het verst doorloopt naar achteren. Als je enkel op dit kenmerk focust, kan er vlak na het broedseizoen even verwarring optreden omdat ook juveniele grote bonte spechten tijdelijk een rode kop-kap hebben.
Verder missen de middelste bonte spechten de zwarte brede snorstreep die niet doorloopt tot onder de snavel en de streep naar de achter-hals, waardoor het gezicht veel witter en opener oogt. Ook de fijne zwarte lengtestreepjes op de buik en flanken zijn kenmerkend voor de middelste bonte specht.. Tevens verschilt de onder-staart: die is rozerood in plaats van felrood. Het laatste verschil zit hem in de vleugel; de schoudervlek is iets kleiner en minder ovaal en er lopen meer witte strepen over de vleugel dan bij de grote.
De schattige kuikens van de dodaars zijn opdringerige profiteurs
Geraadpleegde bron: Knack: Beestenboel: de dodaars [Dirk Draulans]
Dodaarzen zijn onze kleinste futen. Ze danken hun naam aan hun wat plompe voorkomen met een flinke ‘dot vuilwitte veren op de aars’. Deze schuwe watervogel is zelfs nog een slag kleiner dan het meer bekende waterhoen. Hoewel het duikende watervogels zijn, zien ze er niet echt gestroomlijnd uit. Het lijkt hun succes niet te hinderen: de diertjes zwemmen uitstekend. Hun poten staan ver achter aan hun lichaam, als motortje en roer, waardoor ze aan land onbeholpen zijn. Je zal dodaarzen altijd op water zien. Op hun nest kruipen, vergt een heuse inspanning.
De dodaars is een broedvogel van ondiepe en beschutte wateren met een rijke oeverbegroeiing en onderwatervegetatie. Moerasgebieden bv., maar ook in vennen en grotere meren, waar ze dan de ondiepe, beschutte delen opzoeken (rietkragen of tussen lisdodde).
Buiten het broedseizoen tref je hen op allerlei soorten waterpartijen aan (duinmeren, vijvers, plassen, kreken, sloten) tot soms in stadsgrachten en stadsparken. Het nest is een platformpje van plantenresten, dat verankerd is aan watervegetatie om te vermijden dat het wegdrijft. Dodaarzen zijn territoriaal in het broedseizoen; dus een over het water reizend nest is geen optie. Trouwens ongeveer de helft van de nestelpogingen mislukt.
Mannetje en vrouwtje van de dodaars zien er identiek uit. Ze springen niet in het oog door uitbundige kleuren, maar in het broedseizoen hebben ze een opvallende roodrossige vlek op de wangen en hals. Aan de snavelbasis hebben ze een nog opvallender witgele vlek – buiten het broedseizoen valt die wel minder op. Het is niet duidelijk of ze ergens nuttig voor is. Het zou kunnen dat ze een signaalfunctie vervult. In winterkleed is hij veel soberder met grijzige tinten en een blekere kop, waardoor hij minder opvalt.
Een dodaarskoppel kan twee keer per jaar een 4-tal jongen grootbrengen. Ze zijn flexibel genoeg om het broeden uit te stellen als de waterstand aanvankelijk te hoog is voor de nestbouw. Zo kunnen er soms in de herfst nog jongen ronddobberen. De jongen zijn gestreepte verenbolletjes, die bijna onmiddellijk nadat ze uit het ei zijn geslopen al kunnen zwemmen. Ze gebruiken geregeld een ouderlijke rug als rustplek en drijven dan met vader of moeder mee. De eerste weken worden ze gevoed, waarbij ze hun ouders soms vrij agressief bejegenen als hij of zij een prooitje bij zich heeft. Dodaarskuikens confronteren de kindvriendelijke vogelkijker keihard met het feit dat kinderen profiteurs kunnen zijn. De ouders ondergaan het gelaten.
Dodaarsjes leven van waterdiertjes, (hoofdzakelijk insecten en larven, schelp- en schaaldieren, larven van amfibieën en kleine vis 5-7 cm lang) die ze onder water (tot 2 m diep) vangen. Ze jagen op zicht, dus hebben ze min of meer helder water nodig. Hierbij komt die na korte duikjes telkens weer ergens anders boven, vaak net te ver weg om hem goed te volgen. Hoe hun populatie recent evolueert, is niet duidelijk want ze vallen niet erg op. Tijdens het broedseizoen is hun hinnikende baltsroep vaak het beste bewijs van hun aanwezigheid.
Het is wel duidelijk dat ze in de loop van de 20ste eeuw profiteerden van minder jacht en watervervuiling. Natuurherstel creëerde nieuwe broedbiotopen. Ook de afname van het aantal zware winters zal hun bestand in de hand hebben gewerkt. Dodaarzen kunnen zich wel verplaatsen naar grotere wateren als kleine dichtvriezen, maar wegtrekken naar warmere oorden doen ze niet.
Bij invallende vorst in noordelijker gelegen gebieden (Zuid-Zweden, Denemarken, Duitsland en Baltische Staten) krijgen we hier al eens bezoek van wegtrekkende wintergasten. De dodaarzen behoren dus ongetwijfeld tot de winnaars van de klimaatopwarming. Vroeger werd van de gelooide huid een tasje gemaakt, soms gebruikt als geldbeugel of soms als hageldrager voor het jachtgeweer.
Ik ben Franz Pieters
Ik ben een man en woon in Zaventem (België) en mijn beroep is 25 jaar lkr, 2 jaar kabinetsadviseur, 2 jaar adviseur DVO, 2 jaar TOS21-projectmedew..
Ik ben geboren op 08/05/1954 en ben nu dus 72 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: onderwijs - wetenschap & techniek - geschiedenis - natuur - muziek - lectuur - gastronomie - sport.
2 jaar TOS21-coördinator, 3 jaar projectcoördinator ESF-projecten KOMMA, WERK PRO-OPER, LINK en nu op RUST
Privacyverklaring van de Kille Meutel Vogelvrienden
Algemene privacyverklaring van onze vereniging: de Kille Meutel Vogelvrienden
De Kille Meutel Vogelvrienden hechten veel waarde aan de bescherming van uw persoonsgegevens.
In deze privacyverklaring willen we heldere en transparante informatie geven over welke gegevens we verzamelen en hoe wij omgaan met persoonsgegevens. Wij doen er alles aan om uw privacy te waarborgen en gaan daarom zorgvuldig om met persoonsgegevens.
Onze vereniging houdt zich in alle gevallen aan de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Dit brengt met zich mee dat wij in ieder geval:
• uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met het doel waarvoor deze zijn verstrekt, deze doelen en type persoonsgegevens zijn beschreven in deze Privacy verklaring;
• verwerking van uw persoonsgegevens beperkt is tot enkel die gegevens welke minimaal nodig zijn voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt;
• vragen om uw uitdrukkelijke toestemming als wij deze nodig hebben voor de verwerking van uw persoonsgegevens;
• passende technische en organisatorische maatregelen hebben genomen zodat de beveiliging van uw persoonsgegevens gewaarborgd is;
• geen persoonsgegevens doorgeven aan andere partijen, tenzij dit nodig is voor uitvoering van de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt;
• op de hoogte zijn van uw rechten omtrent uw persoonsgegevens, u hierop willen wijzen en deze respecteren.
Als Kille Meutel Vogelvrienden zijn wij verantwoordelijk voor de verwerking van uw persoonsgegevens. Indien u na het doornemen van onze privacy verklaring, of in algemenere zin, vragen heeft hierover of contact met ons wenst op te nemen kan dit via onderstaande contactgegevens:
Kille Meutel Vogelvrienden
Watertorenlaan 59
1930 Zaventem
franz.pieters@telenet.be
Mobiel: 0478 55 34 59
Waarom verwerken wij persoonsgegevens?
Uw persoonsgegevens worden door onze vereniging verwerkt ten behoeve van de volgende doeleinden en rechtsgronden:
• om te kunnen deelnemen aan de activiteiten van de Kille Meutel Vogelvrienden;
• om de uitnodigingen, verslagen, nieuwsmeldingen, … te versturen (met toestemming van de betrokken sympathisanten);
• om een brede en vlotte communicatie te verzorgen binnen het netwerk van de diverse partners;
• om de jaarlijkse subsidiëring door de overheid te bekomen (wettelijke verplichting);
Voor de bovenstaande doelstellingen houden we volgende gegevens bij:
naam, voornaam, adres, telefoon/gsm-nummer (indien beschikbaar), e-mail (indien aan ons doorgegeven)
We gebruiken de verzamelde gegevens alleen voor de doeleinden waarvoor we de gegevens hebben verkregen.
Verstrekking aan derden
Wij geven nooit persoonsgegevens door aan andere partijen waarmee we geen verwerkersovereenkomst hebben afgesloten, tenzij we hiertoe wettelijk worden verplicht (bv. politioneel onderzoek)
Bewaartermijn
De Kille Meutel Vogelvrienden bewaren persoonsgegevens niet langer dan 5 jaar op hun informaticasystemen.
Beveiliging van de gegevens
Wij hebben passende technische en organisatorische maatregelen genomen om persoonsgegevens van u te beschermen tegen onrechtmatige verwerking, zo hebben we bv. de volgende maatregelen genomen:
• we hanteren een gebruikersnaam en wachtwoordbeleid op al onze systemen en cloud-toegangen;
• de toegang tot de persoonsgegevens is beperkt tot de bestuursleden;
• wij maken back-ups van de persoonsgegevens om deze te kunnen herstellen bij fysieke of technische incidenten;
• onze bestuursleden zijn geïnformeerd over het belang van de bescherming van persoonsgegevens.
Uw rechten omtrent uw gegevens
U heeft recht op inzage en recht op correctie of verwijdering van de persoonsgegeven welke wij van u ontvangen hebben. Bovenaan dit privacy statement staat hoe je contact met ons kan opnemen.
Tevens kunt u verzet aantekenen tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (of een deel hiervan) door ons of door één van onze verwerkers.
Klachten
Mocht u een klacht hebben over de verwerking van uw persoonsgegevens dan vragen wij u hierover direct met ons contact op te nemen. U heeft altijd het recht een klacht in te dienen bij de Privacy Commissie, dit is de toezichthoudende autoriteit op het gebied van privacy bescherming.
Wijziging privacy statement
Onze vereniging de ‘Kille Meutel Vogelvrienden’ kan zijn privacy statement wijzigen. Van deze wijziging zullen we een aankondiging doen op onze website. De laatste wijziging gebeurde op 22 mei 2018. Oudere versies van ons privacy statement zullen in ons archief worden opgeslagen. Stuur ons een e-mail als u deze wilt raadplegen.