Wil je een minder toeristische stad verkennen,
volg dan de inwoners.
Bij voorbeeld op bedevaart naar het op één na hoogste
standbeeld van Zuid-Amerika. Een betonnen Maagd van de Vrede, gevleugelde boodschapper in de hand. Meer dan 46m hoog, tronend op de top van een heuvel.
Het parasolvormige groen rondom biedt menselijke tortelduifjes de nodige
intimiteit om samen te genieten van het duizelingwekkende berglandschap. Winkeltjes versjacheren de gebruikelijke aandenkens.
Binnenin het beeld wacht de lift die je tot
aan haar buste voert, al jaren op herstelling. In dit land een evidentie. De
trap dan maar. Op naar drie uitkijkposten die je niet wilt missen: halverwege
haar kleed als vanuit een bunker, op een terras aan de vogelkop en verborgen in
haar rechter oogkas. Gezegende missie.
Waar zij zich beslist niet aan wagen, is te
voet terugkeren naar de stad. Alleen gekke toeristen wandelen kilometerslang onbeschermd op een kronkelende asfaltbaan. Zoals wij en het Franse koppel uit Cáracas dat
we hier terugzagen.
Onderweg nemen bontgekleurde vlinders een
welgekomen rustpauze op onze rugzakken. Wat verder kruisen we een vloekende chauffeur in panne, die hoopt dat zijn amateuristische rode driehoek niet te snel omvalt. Een gierende terreinwagen raakt ons net niet in één van de vele
scherpe bochten. Terug in de bebouwde kom klinkt een gezamenlijke zucht van
verlichting.
Andere publiekslokkers zijn eethuizen, drank- en danslokalen. Soms gecombineerd tot georkestreerde volksfeesten. De zopas verkozen gouverneur organiseert twee
dagen vertier in het centrale park. Strikt geregisseerd van 15u tot 20u30.
Eerst komen de jongsten aan de beurt met
gratis popcorn, vertellers en goochelaars en vooral veel ballonnen. Glunderende gezichtjes zingen uit volle borst mee met live gebrachte kinderliedjes.
Wanneer ook alle notabelen en hun aanhang
plichtsgetrouw opduiken, kan een opzwepende overwinningsspeech beginnen. Een swingend muziektrio rondt hem af en zet de vrouwelijke burgemeester aan tot enkele
onwennige danspasjes met het provinciehoofd. Vervolgens laat iedereen zich gaan
op de noten van verschillende optredens; zelfs die van een vals zingende sopraan.
Ik wil mee opgaan in hun onbezorgde
uitgelatenheid. Hoe dom kan je zijn? Concreet laat ik me verleiden tot het eten
van een halfbakken hamburger bij een populaire straatverkoper. De ondefinieerbare klomp negerend die hij vanuit een tweedehandse diepvries box
onder zijn behangerstafel haalt. Doof voor Wims goede raad en blind voor de andere klanten die allen hotdogs eten.
Ons verblijf wordt noodgedwongen met een dag verlengd.
De rit naar Trujillo werd een hele belevenis.
De autobus zat al bijna vol toen we opstapten. Wim vloog helemaal
achteraan en ik mocht oncomfortabel plaatsnemen op de zetel aan de ingangsdeur,
samen met andermans pak en zak. Wel een ideaal zitje om scènes tussen de passagiers
van dichtbij te volgen en zo de opkomende krampen in mijn spieren te negeren.
Maakte zijn flamboyante intrede: een militair
in burger, zeker 1m80 groot, kortgeschoren, bijna geen voorhoofd, zelfbewuste grijns, ruitjeshemd en nepgouden uurwerk om de pols; aanhanger van Chávez. Met
flauwe moppen en boude uitspraken trachtte hij ieders aandacht te trekken.
Zonder succes.
Dan viel zijn oog op een goedgekleed gezin uit de
landelijke middenklasse. Vader, moeder en hun 9-jarig prinsesje; vrolijk napratend over de daguitstap. Het haantje-de-voorste wrong zich ertussen en begon aan een politieke uiteenzetting die geen tegenspraak duldde. Maar de pater
familias, zelfstandig architect en duidelijk behorend tot de oppositie, bood vurig weerwerk. "Het kon toch niet zijn dat wie geld verdient automatisch slecht gezien is en dat zijn familie op geen enkele overheidssteun meer beroep kan doen."
Gepikeerd ontpopte de krijgsman zich tot
provocateur. "Fuck familie. Ik blijf bewust vrijgezel. Een vrouw is toch maar een beperkt
houdbaar wezen. Bij mijn moeder kom ik niets tekort. En dat de staat ons beiden onderhoudt is mooi meegenomen."
De discussie pingpongde onverdroten verder. Buiten staken arbeiders met zonnebrillen de affiches
van de voorbije verkiezingen af. Uit het oog, niet uit het hart.
Plots viel een lijkbleke jongeman met
rollende ogen flauw. Lijmsnuiver? Onze huisvader maakte gebruik van het voorval en haastte
zich er naartoe. Bij het opmerken van een grote recente wonde op diens achterhoofd, waarschuwde hij dat zoiets dodelijk kan zijn, wanneer er niet snel
verzorging komt. Paniek alom. Niemand wil een dode op zijn bus. De eerste
controlepost met medische voorzieningen moest uitkomst bieden. Pech. De politie wilde evenmin de verantwoordelijkheid en dwong door te rijden.
Een kakofonie van nerveuze grappen vulde de ruimte. Iemand slaagde er dan toch in om via een strootje water toe te dienen. En ongelooflijk maar waar, even later herrees de zieke, net op tijd om zonder enig woordje uitleg of dank u, aan zijn voordeur
af te stappen.
Dan reden we Trujillo binnen, met zijn keurig
uitziende straten. En buurtwinkels die uitsluitend via een kleine opening in dikke traliehekkens handelen.
We werden door het gastgezin uitgenodigd om 's
avonds het kerstmaal te delen. Wij zouden voor de wijn zorgen, enkel te koop in
aparte warenhuisafdelingen voor "sterke drank".
In afwachting leek een bezoekje aan La Vela,
de haven van Coro op zo'n 12km afstand, een ideale uitstap. Er was een bushalte
niet ver van de winkelstraten aan een betonnen nepkasteel en een paarse kerk.
De aankomende "bus" deed onze wenkbrauwen fronsen. Een autowrak met de naam van de bestemming op een geel dakbord. Binnenin hingen de vaste prijzen uit en
konden zo'n 6 personen plaatsnemen. De deur ging niet meer dicht, de zetels
waren kapot en er ontbrak een venster. Maar het reed.
La Vela was vroeger een belangrijke haven en ook de plaats waar de
nationale held Francisco de Miranda in 1806 met een Venezolaanse vlag aan wal
ging in een 1ste poging om de onafhankelijkheid uit te roepen.
Nu is het een aangenaam dorp aan zee, met houten strandcabines in de vorm
van een halve boot, een pier waarop 1 van de vele straathonden je over en weer vergezelt, een uit de toon vallend ultramodern stadion, koloniale huizen en het
standbeeld van een Hollands meisje met tulpen ter ere van de goede relaties met
de Nederlandse Antillen.
In de binnentuin van onze posada verzamelden overdag talrijke kanaries
aan zelfgemaakte voedertafels. Nu was het onze beurt, aan de lange houten eettafel.
Eric, Nena, Ludovico, een jong Argentijns gastkoppel en wij. Enkele glazen
alcohol bij de eenvoudig klaargemaakte stoofpot maakten de tongen los. Over het
leven in Venezuela en daarbuiten. Warm en hartelijk.
Het onaangekondigde bezoek van de Sloveense buurvrouw, haar ouders - die familie in Gent bleken te hebben - en haar 2 logés, een Braziliaanse en een
Nederlander, verhoogde de internationale sfeer.
De passage van een Spaanse geëmigreerde broer en zus, op weg naar de
middernachtsmis maakte het gezelschap compleet. Hij, een onopvallende zwijgzame
luisteraar. Zij, een dominante kettingrookster van begin de 70 met door reuma
gekromde handen en gehuwd met een jongere mulat, doch fysieke mastodont. Ze
hadden een zelfgemaakte traditionele pan de jamón (hespenbrood, oorspronkelijk
gemaakt van restjes) mee, een heerlijke combinatie van zout en zoet, die gedeeld wordt met mensen die je echt apprecieert.
Kortstondige eenheid in de verscheidenheid. De volgende ochtend was de onzichtbare band weg en rustte elkeen weer
uit op zijn eigen plek. Enkele mooie herinneringen rijker.
Nog geen 10
minuten vertrokken en de man stopte op de nauwe landengte tussen het
vasteland en het schiereiland de Paraguaná, aan een nietszeggende betonnen
kapel naast de baan. "Kijk, op deze plek kwam in 1912 een groep anonieme caquetíos-indianen om van ontbering. Nu eert men hier hun rondwarende geesten (Animasde
Guasare)."
Na de oversteek
liep de weg doorheen een dorre vlakte vol cactussen. Ontsierd door talrijke
stortplaatsen van industrieel afval, indicators voor de olieraffinaderijen met bijbehorende zeehavens in het zuidwesten van deze landtong. Wij reden verder
richting centrale bergketen.
Met de voor hem
retorische vraag "Zijn jullie katholiek?", hield onze begeleider kort nadien halt
voor de spierwitte kathedraal van Santa Ana. Hij wilde absoluut dat we de
repetitie van het kerstkoor bijwoonden, terwijl hij in zijn auto een dutje
deed. Toen was het welletjes en we herinnerden hem aan de afspraak om ons de natuur
te laten zien. Mokkende stilte.
Tot hij nors zijn middagpauze aankondigde en zich in een baanrestaurant gretig aan het dagmenu zette, op onze kosten, terwijl wij er verbluft op zaten te kijken.
En dat terwijl er zoveel natuurpracht te
ontdekken valt.
Het onthaal in het reservaat van Montecano bestaat uit een kennismaking met de gedomesticeerde tarantula (regelrechte horror!). Vervolgens leidt een geestelijk mindervalide gids je doofstom doorheen verschillende biotopen. Met decors die niet zouden misstaan in de Rocky Horror Picture Show: afstotelijke hangende boomslakken, stekelige rode vetplanten met paarse bloemetjes, een scharlaken kardinaal corian-vogel, dikke draperieën
van luchtwortels.
Net aangekomen
bij een meertje met wondermooie groenblauwe kleurschakeringen, werden we
overvallen door een hevige tropische regenbui. Je kan je inbeelden hoe blij
onze chauffeur was, toen we druipnat zijn wagen terug inkropen. En vroegen om
de airco enkel op de voorruit te laten blazen. Had hij nog nooit gedaan. Wim
moest het hem voortonen.
Cabo San Román, het op één na meest noordelijke punt van Zuid-Amerika, nodigde met zijn weids strand en oude vuurtoren uit tot een bibberende wandeling
in onze kleffe kleren. Te zien aande baders was het beter zonder.
De terugrit langs de oostkust bracht verlichting met de zoutmijnenvan
Cumaragua, waar het water naargelang de lichtinval eenanderespectaculaire tint
roze weerkaatst en zich groepenzalmkleurigeflamingo's vestigden.
Maar de clou moest nog komen. Uit de autoradio klonk totaal onverwachteen
oer-Hollandse reclamespot. Wisten wij veel dat Aruba daarslechts 81 km vandaan
ligt.
Coro, oud-Spaans werelderfgoed. We zouden er een
kleine week verblijven, simpelweg omdat het onmogelijk was om er nog weg te
geraken vóór Kerstmis, familiefeest bij uitstek.
De populaire slaapgelegenheden waren gesloten
of volzet. Maar dankzij een onderling doorverwijsnetwerk vonden we ten langen leste een simpele cel bij een boeddhistische Franse anarchist, Eric, en zijn warmhartige
katholieke Venezolaanse gezellin, Nona. Hun onverhoopte 10-jarige zoon,
Ludovico, was gek op vogels en dinosaurussen en deed niets liever dan erover te
vertellen, ook al zat hij als mucoviscidosepatiënt af en toe aan het
zuurstofmasker. Het gebrek aan comfort en eigen sanitair werd ruimschoots gecompenseerd
door een ontwapenende gezelligheid.
Het toeristisch centrum lag er compleet
verlaten bij. Ideaal om de typische gebouwen rustig te bekijken, althans de
buitenzijde. De interieurs en het Joods kerkhof bezichtigen was ijdele hoop; alles dicht en geen personeel te bespeuren. Dat had de vakantie al ingezet met eindejaarsfeestjes.
Desalniettemin waren we gespot. Tweemaal klampte iemand ons vanuit het niets
aan, heimelijk vragend of we geen euro's wilden wisselen.
Wel altijd op het appèl waren massa's kleine pestmuggen
die de godganse dag staken, waardoor mijn benen net de mazelen hadden en
verschrikkelijk jeukten.
Om volk te zien moest je naar de nieuwe stad. Véél
volk, op stap om cadeautjes te kopen, al dan niet voor zichzelf. Wat direct
opviel was het onvoorstelbaar aantal schoenenwinkels, waar voortdurend mensen
met stapels dozen buitenstapten. Goedkope Made in China troep ofwel internationale
merknamen, weliswaar lokaal vervaardigd.
Daarnaast werd er duchtig geschransd, de tweede
geliefde bezigheid. Ook wij bestelden in een restaurant spaghetti met zeevruchten. Die kwam in zo'n grote hoeveelheid dat de helft als avondmaal voor
de volgende dag zou dienen. Des te meer choquerend was een zesjarig knulletje
dat van dikkigheid de trap enkel nog moeizaam kon afwaggelen. Zijn vader
wachtte hem beneden op met een reuzenportie frieten...
Vervolgens een uurtje wandelen door het
chaotisch verkeer naar de rand van de stad, en je ondergaat een verrassende decorwissel. Zonder echte overgang bots je plots op hoge zandduinen aan beide zijden van de
grote baan; los Médanos. Mensen stapten uit om foto's te nemen en een enkeling
waagde zich aan stuntelig zandsurfen.
Van boven uit ontwaarden we in de verte het groene
schiereiland. Een ambtenaar die als gelegenheidsgids tijdens zijn
verlof nog gauw een centje wilde bijverdienen, zou er ons de volgende dag meenemen op een ecologische excursie.
Chichiriviche is niet alleen een onmogelijke naam om uit te spreken, maar ook een plek om te mijden.
Het begon al met de bus. Ons ticket gold voor een directe rit, maar tot onze verbazing moesten we in Tucacas afstappen met een hoekje van een blad
papier dat de chauffeur meegaf als bewijs dat het hele traject betaald was. En
vanzelfsprekend belette de collector van de volgende bus ons om op te stappen. Dit is een typische maffiapraktijk. Bussen durven hun rit niet verderzetten, omdat bendes die dag zelf een lucratief transport organiseren. De ontvanger van het eerste traject stond nog vlakbij en bleek gelukkig een eerlijk mens te zijn, die zich bereid toonde om het grootste deel van zijn winst af
te staan, zodat we alsnog konden meerijden.
Bij aankomst, een eind van het centrum af, wisten we op weg richting
zee meteen dat we ons best low profile hielden: totale afwezigheid van politie,
overal afval en gebroken glas op de grond, veel vervallen gebouwen. Onze
fototoestellen bleven netjes opgeborgen.
Tot overmaat van ramp droegen 2 straten exact dezelfde naam en liepen
we natuurlijk in de verkeerde, alsmaar verder, tot voorbij een soort haventje waar
boten geverfd werden en mensen ons aanstaarden.
Ten langen leste dan toch maar de weg gevraagd naar het goedkope - volledig
ommuurde - hotelletje dat we zochten en nooit was ik zó blij met een oud
mannetje van eind de 70 dat ons een piepklein snikheet kamertje toewees, met
apart een douche en WC zonder deurafscheiding. Niet veel later genoten we, luierend in hangmatten in een booggalerij op de 1ste verdieping, van
de Spaans getinte binnentuin.
De reden om hierheen te komen was een bezoek
aan het natuurpark Morrocoy. Onze tweede vergissing, want een duurbetaalde veel
te korte tocht in een vissersmotorboot; weliswaar verfrissend, met mooie vergezichten.
De bootsman, die er totaal geen visser uitzag,
voer pijlsnel en ongeïnteresseerd, GSM aan het oor, rond, hard bonkend op het
water, naar de grot met oude indiaanse rotstekeningen en langs mangrovebossen. Voor
de beroemde "tunnel of love" zaten we evenwelin het verkeerde seizoen of in
een decor voor onwetende toeristen.
Vervolgens was het zijn beurt om zich te
verbazen over onze onverschilligheid tegenover een druk bezochte grot met mariabeeldjes en de vele atollen wel met wit strand en kokospalmen, maar vol
volk, eetstandjes en vuilnis.
Vanuit onze straat zag je ver in de hoogte een fort op een heuveltop, Fortín
Solano; wellicht de enige culturele bezienswaardigheid in de omgeving. Het zou
niet gemakkelijk worden om er te geraken, zonder afgedrukte informatie over de bestaande buslijnen en gehanteerde uurroosters. Maar waar een wil is, is een
weg en we vonden een stadsbusje naar de omliggende dorpen, waar we ergens onderweg aan een afsplitsing moesten afstappen, onderaan de heuvel.
Zo gezegd, zo gedaan. De andere busreizigers zouden wel aangeven waar
precies we eruit moesten. Het ogenblik dat de passagiers begrepen dat we te
voet naar boven wilden, verwittigden ze ons "Dat is te gevaarlijk, te ver.
Jullie moeten een taxi nemen". Daar liepen we dan, 2 verlaten straten verder die
naar nergens leken te leiden, met het fort hoog boven ons hoofd, en een eerste
discussie. Te voet of per taxi? Maar ik had gelezen dat zomaar een taxi nemen al even gevaarlijk kon zijn. Resultaat: we wachtten onverrichter zake op een busje
retour naar de stad. Tot zover onze sightseeing.
Strafst van al, terug in het centrum kwam een man, die ons gisteren ergens
de weg wees, spontaan een praatje slaan en hij wist ons te zeggen dat het fort
op maandag toch gesloten is!
Dan zouden we de overblijvende tijd wel vullen met rondhangen. Aan het water, waar jongens zoals overal ter wereld graag hun duikkunsten vertonen. Door de stad, langs een spoor van cartoonachtige graffiti op onder andere vuilnisbakken. Toen waren de tekeningen nog leuk om te bekijken. Maar sinds vorig jaar werd dit medium in Venezuela een nieuwe manier van bendes en politieke tegenstanders om doodsbedreigingen over te maken aan specifieke personen.
We maakten ook nog een uur het leven zoals het is mee, in een wasserette met strijkdienst. De kleren die we er de dag voordien afgaven, waren
natuurlijk nog niet klaar. De ploegbaas, een man, maakte continu grapjes met
zijn werkvolk, allen vrouwen, zijn vaste klanten én met ons. Of liever, met
Wim, benieuwd naar de gedachten van een gendergenoot uit zo'n ver land; ik
tolkte. Wanneer hij ontdekte dat ze beiden Formule 1-fan zijn én vanuit eenzelfde redenering supporterden voor dezelfde rijder, werd hij op slag
joviaal. En Wim hield zich aan de belofte om wat geld in het spaarvarken van de
werksters te steken.
Exit Puerto Cabello met een wondermooie zonsondergang.
Voor de bus terug naar Maracay moesten we opstaan om 5u30. Maar al om 5u werden we bruusk gewekt door klokkengelui, als plotse kanonschoten, en
gezang. Een betoging? Deze zondag was namelijk regionale verkiezingsdag, een
voorproefje van de presidentsverkiezingen. Nee, gewoon de ochtendmis.
Op het traject van Maracay naar Puerto Cabello zat tegenover ons een soldaat in burger. Zijn groen legerkostuum hing aan een kapstok opzij te
bengelen. Op een bepaald ogenblik hield hij een paarsgekleurde vinger omhoog
voor het kostuum, dat er nu extra groen uitzag, en trok er met zijn GSM een
foto van.
Pas later besefte ik dat die vingertop aantoonde dat hij was gaan stemmen. Want veel in een stempelkussen gedoopte vingers zagen we niet. In de
krant op maandag stond trouwens dat de opkomst bijzonder laag was geweest.
Na wat soezen kwamen we aan op onze bestemming, een grote internationale havenstad. Maar met een slechte reputatie, te zien aan de verbodsborden die ons al van in het busstation verwittigden en aan de alom
aanwezige politie, te voet, op moto's en in wagens. Geen enkele toerist en ook
geen enkel plan van de stad in onze boeken. Wat nu?
We doolden al een hele tijd door het centrum, ons gezicht verbrandend in de hete zon, toen we blijkbaar afdwaalden naar een minder betrouwbare wijk.
Plots waren daar 2 zwaantjes die ons de verdere doorgang beletten. We vroegen
hen dan maar naar een geschikte slaapplaats en heel gewillig begeleidden ze ons
naar een posh gerenoveerde posada, met parketten vloeren, houten trappen en een minizwembad op de binnenkoer. Koloniaal zelfs, met onzichtbare eigenaars en 5
man personeel om alles te bestieren. Verborgen achter een gewone gevel in een
rustige straat.
Die dag waren talloze families afgezakt naar zee. In de kleine volle strandrestaurantjes,
voorbij een afvalberg, deelden Wim en ik een grote geroosterde vis en maakten
dat we weer weg waren voor donker. Te veel pintjes Polar zorgden voor te veel
zatte mensen en een grimmiger wordende sfeer.
De Malecón (dijk) was een betere afsluiter. Alle gebouwen afgetekend
door kerstverlichtingen. Kraampjes vol vrolijkheid, heel veel snoep en
gekleurde taarten in trek bij alle leeftijden. En originele spelletjes, zoals de
tweedelige skateboards waarop jonge tieners heupwiegend zichzelf showden. Het grappigst
waren de driewielers, met de 2 achterste wieltjes zoals van een bureaustoel, waarmee de jongsten letterlijk rondtolden.
Zo hoog en kaal en wit onze kamer in de posada, zo overvol de binnenkoer, waar we 2x per dag echt lekker eten voorgeschoteld kregen door de
vrouw des huizes.
De muren knalgeel, helemaal volgehangen met de amateuristische werken van de man, een oudere mislukte artiest/interieurarchitect. Die trots honderduit babbelde, over zijn collectie jazzmuziek, die hij toen al vanop zijn
PC streamde (!); en over het radio-interview met zijn vrouw ter gelegenheid van
haar bekroonde restaurant. En die alsmaar aandrong om toch maar gezellig samen
een glas te drinken.
Tussen de vele antieke houten meubels, de piano en de planten, een hoge rieten kooi met 3 groene papegaaien die hij kunstjes had aangeleerd. De 3
vogels krasten regelmatig "Ola!" of zongen in een meerstemmig koor een
plaatselijk kerstliedje of floten zoals een mens. Tenslotte had je ook nog Princesa, hun klein, schattig, proper wit
keffertje.
Wij opgelucht dat we geen 3 maaltijden per dag
namen en overdag de hort op konden in dit afgelegen gebied, waar duidelijk ook verveling heerste.
Een aangename wandeling van zo'n 3 km bracht ons eerst naar het haventje, Puerto Columbia, waar vooral vissersfamilies in barakken wonen. Alles
draait hier om de zee.
We zagen voor het eerst de bruine pelikanen die zich met hun grote bek als volleerde kamikazes vanop grote hoogte loodrecht op de vissen storten. En de
zwarte gieren die als voorhistorische vlerkerige monsters in de lucht rondcirkelen.
Maar dé trekpleister lag nog 10' verder.
Om er te geraken moest je eerst via een voetbrug de rivier over. Of zou moeten; weinigen deden het. Zoals overal willen mensen met hun auto tot op de
bestemming geraken. Dus gauw een strookje beton in de rivier gegoten en voilà,
geen probleem meer voor auto's, moto's én voetgangers. Strandventers maakten er
gretig gebruik van om zich even te verfrissen. En toeristen om het zand van hun
voeten te spoelen.
Je hebt het al geraden, eindpunt was Playa Grande, 1 van de mooiste maagdelijke
Caraïbische stranden, vooral geliefd bij de eigen bevolking. Geen shopjes, geen
restaurants. Zoals in de boekjes, maar wel met vrij wilde golven. Bewakers floten
regelmatig mensen in zee terug, dichter bij het strand.
Ondanks het idyllische van deze plek, zouden we hier niet blijven hangen. Het was nog veel te vroeg in onze reis om al te luieren. Op naar het
volgende.
Via Maracay zouden we naar Choroní reizen, zo'n 100 km van Cáracas.
De juiste bus nemen in Venezuela is niet evident. De teksten op de bussen zijn niet te linken aan de pijlen en gangen naar de loketten van de verschillende elkaar beconcurrerende busmaatschappijen. 2x stapten we dan maar op
goed geluk gewoon een bus in waarop onze bestemming vermeld stond. En ja, geen
probleem om tickets aan boord te kopen. Maar welke bus je ook neemt, ze doen er
altijd langer over dan voorzien.
De eerste, naar Maracay, was vrij luxueus, met gordijntjes en ijskoude
airco. Op de achtergrond speelde een hele CD van de Bee Gees, en opnieuw en
opnieuw. Het duurde lang voor we de hoofdstad uit waren. Eerst wegenwerken, vervolgens
een ongeval met een auto over kop in de middenberm. Net België.
De tweede was een typisch bontgekleurd exemplaar, met de uitlaat opwaarts zoals een schoorsteen. Alle bovenste vensters stonden open. Er schalde
loeiharde swingmuziek.
We vertrokken vanuit de felle zon en zigzagden de
hoge bergen van het oudste natuurpark van Venezuela, Henri Pittier uit 1937,
in. De zwarte chauffeur trok dwangmatig veel aan zijn toetertouw; alleenheerser
op de baan. Maar had tegelijk verantwoordelijkheidszin, nam de gevaarlijkste
bochten uiterst voorzichtig. Hij, zijn bijzitter en de geldontvanger waren
trouwens goeie vriendjes met iedereen in elk dorp dat we doorreden.
De exotische flora veranderde in een dicht junglebos met regen en mist. Een prachtig groen zwartwit bevroren beeld, zoals in een strip of op Japans behangpapier.
De vrolijke Cubaanse salsa-jazz van Eddie Santiago & Band op dat ogenblik (luister vooral niet naar zijn latere smartlapmuziek), en de letterlijk
indringende natte geur, maakten de belevenis nog intenser. Dikke druppels
vielen door de open vensters op onze armen en bagage.
De roetsjbaan eindigde terug helemaal beneden in de zon, in het
stilleven van Choroní, 1 straat groot met allemaal gelijke huisjes in
pastelkleur met witte strepen. Maar zelfs hier, 2 verkiezingsaffiches voor de presidentsverkiezingen van 2013. 1 van Chávez, ook al zat die zwaar ziek in
Cuba, en 1 voor een kandidaat van de liberale oppositie. In de grote steden zag
je meer Maduro, door Chávez al aangewezen als zijn opvolger; en Capriles, de
toenmalige leider van de oppositie.
En slapen deden we in de enige posada, vergelijkbaar met een B&B; het rijk voor ons alleen ...
Het Museum van Moderne Kunst ligt in het groen vlakbij de universiteit. Het is gratis en toont werken van inheemse kunstenaars, maar ook van Picasso,
Léger, Chagall en Miró. Het biedt verder een mooi zicht op de hoge bergen, omsluierd met een
dikke witte nevel. Roofvogels cirkelen hoog in de lucht.
Jammer genoeg maken weinig mensen gebruik van deze opportuniteit. Het
is geen dichtbevolkte wijk en vol donker beton.
Volgt een tropische regenbui, langer en heviger dan verwacht. Schuilen onder gebladerte biedt geen oplossing. Dan maar naar de metro gelopen, waar aan
de ingang al snel parapluverkopers opdagen. De kleine flexibele ondernemers van
dit land. Het is inmiddels avondspits. In het metrostation, een gesloten muffe ruimte, volgen verschillende rijen opeengeplakte wachtenden de gele pijlen op
de grond; een voortstuwende mensenstroom. Bij de 5de metro zijn we
mee. Op zon moment voel je hoe het mogelijk is dat individuen soms vertrappeld
worden.
We waren onze kaart van Venezuela thuis vergeten en nergens een winkel
te vinden die zoiets verkoopt. Geen nood, het Nationaal Instituut van
Aardrijkskunde zou ons kunnen helpen.
Een vervallen gebouw, zoals zovele, met aan de ingang een soldaat die
wil weten wat wij daar komen doen. Na uitleg alles OK, door naar de receptie, zelfde
verhaal. En zoals overal, noteren ze onze ID. Elke Venezolaan kent de
zijne/hare van buiten.
Eens onze bezoekersbadge opgespeld vergezelt een liftjongen ons naar de juiste
verdieping. Op het einde van een kale gang, het lokaal met de kaarten. Oeps,
vergissing, enkel topografische of politieke kaarten verkrijgbaar. Een
politieke dan maar.
De man overhandigt een papier, waarmee we elders in het gebouw aan een
loket eerst de aankoop officieel moeten laten registreren. Waarna we met een
nieuw papier weer ergens anders aan een kassa moeten betalen, om dan terug te
keren naar het 1ste lokaal, waar de man intussen onze kaart opgerold
in een kleurrijk cadeaupapiertje heeft gestoken.
De kaart was bovendien duur, omdat de waarde van
hun munt door Chavez kunstmatig hoog wordt gehouden. En ja, we deden dan zoals de meeste toeristen. In het zwart geld wisselen.
Bij onze 77-jarige hoteleigenaar van Spaanse afkomst, Señor Antonio, die al 1
hartoperatie achter de rug had. Met meer dan het driedubbele van de officiële
wisselkoers werd alles opeens spotgoedkoop.
Overtuigde chavisten en fervente aanhangers van de vrije markt; 2
stromingen. Benieuwd hoe zich dat verder zou uiten.
We voelden ons niet helemaal op ons gemak die eerste dagen; het is hier
gevaarlijk, weet je wel. Dus na 7u 's avonds probeerden we de straat niet meer
op te gaan. Maar ook andere aspecten werden erdoor beïnvloed.
We aten liefst niet te ver van ons hotel, net zoals de Venezolaanse gasten. Dat betekent vooral vettig. Gefrituurde broodjes gevuld met een soort
van smout, vette kip en avocadosalade; voor hen ontbijt of tussendoortje. Hun
nationale gerecht: rijst met gestoofde vleesrepen, zwarte bonen, kaas en gebakken banaan; voor ons avondmaal - we eten nooit 's middags. Of nog,
gebraden kip met frieten, kool & wortel en overdadig mayonaise. Dat alles in reuzenporties. In deze regio lijdt een belangrijk aandeel van de inwoners aan obesitas. Niet verwonderlijk. En zeggen dat 6 Miss Worlds van hier kwamen.
Venezolanen snoepen ook continu tussendoor. In het centrum lopen bv. ijsverkopers
rond, met grappige afgeronde driehoekige karretjes op 2 wielen. Allen doofstommen,
die hiermee hun eigen beschermde beroep hebben.
Tijdens de wandelingen keken we behoed rond en kwamen zo op een ogenblik onbedoeld terecht tussen 2 hoofdbanen in, op een supersmal voetpad dat
abrupt stopte. Terugkeren was geen optie, dus railing overgekropen naar een
aarden wandelpad.
Een irreële ervaring. Rechts, echt vlak naast ons, raasde een onophoudelijke stroom auto's van de autostrade het centrum in. Links, de rivier
de Guaira, ook een beetje open riool, met heel veel groen en een kolonie witte
reigers in een boom genesteld. Verderop een ijzeren bruggetje voor de elektriciteitsleidingen. En tentjes waar daklozen sliepen. We konden nergens weg en dachten, als er nu een paar ons willen
overvallen, zijn we gezien. Maar opnieuw, er gebeurde niets.
Het eindigde aan een rotonde waar we gelukkig - na een paar gevaarlijke
oversteken - dan toch in de bewandelbare stad terug geraakten. Stervend van de dorst na zoveel stress en hitte, kochten we op een
marktje een stuk watermeloen. Van de lekkere fruitsapjes op straat bleven we nog af, omdat er onzuiver water en ijs wordt bijgedaan. Zalig verfrissend. En we wandelden verder met hernieuwde moed.
Een oudere dame passeerde met haar poedeltje op 4 gebreide sok-pantoffeltjes. Kinderen speelden met ballonnen. Langs de boomstammen in de parkjes, voorzien van voederbakjes, liepen
talloze zwarte eekhoorntjes.
Geleidelijk aan smolt alle terughoudendheid weg.
Cáracas is té levendig, kleurrijk en afwisselend om te blijven hangen in negatieve gevoelens.
Cáracas was toen en is misschien nog altijd de op 2 na gevaarlijkste
stad ter wereld.In de lokalekranten lees je dagelijks over vermoorde burgers,
in verlaten straten enop bussen. Er wordt je nietgevraagd om iets af te
geven. Nee, direct neerknallenen gewoon nemen wat ze willen; GSM of zo. Een simpele raad die we meermaals meekregen: wandel nooit waar er geen licht is en vermijd bepaalde bustrajecten.
Begrijpelijk dat we deze keer niet voor het openbaar vervoer kozen om
de afstand van ongeveer 20km naar de hoofdstad af te leggen. Samen met een ouder Frans trekkerskoppel onderhandelden we voor een gedeelde taxi, want toevallig
logeerden we in hetzelfde hotel, iets buiten de toeristische zone.
Voor het eerst in ons leven zaten we in zon gepantserde zwarte 4x4,
met donkere ruiten en een chauffeur die er het zwijgen toe deed. We gluurden door
het venster, om toch maar iets te proberen onderscheiden in de complete duisternis. Een beetje spannend wel, want je hebt geen flauw idee welke
richting de auto uitgaat. Net een gangsterfilm.
Bij het naderen van de agglomeratie rezen er plots
helemaal rondom ons heen heuvels vol met lichtjes. Dit creëerde een feeërieke
kerstsfeer; was gewoon zo mooi om te zien.
Geen eigen foto maar wel deze By franzconde - https://www.flickr.com/photos/79928508@N00/4295525588/, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=9051492
Tot je dichterbij komt en beseft dat de
lichtjes hun oorsprong vinden in de bidonvilles die zich boven de
stad van 5 miljoen inwoners hebben genesteld.
We reden verder door verlaten boulevards, over lege
kruispunten, langs schimmige silhouetten en... werden gewoon afgezet aan het hotel. Weliswaar met kamers zonder vensters, verborgen achterin een lange gang. Wij waren de laatste
gasten die toekwamen, waarna een groot traliehek voor de ingang schoof.
Weetje: 1 van president Hugo Chávez zijn initiatieven was een
2km-lange kabelbaan vanuit de hooggelegen armenbuurt San Augustín, naar beneden, naar het drukke Parque Central; met drie tussenstops in verschillende sloppenwijken. Speciaal aangelegd zodat de mensen minder lang moesten stappen om in het centrum te
geraken.
Dankzij Wim zijn feilloos gevoel voor richting,
geraakten we een paar dagen later te voet tot aan de boveningang van de kabelbaan - geen paniek, het was pal op de middag, uur van de siësta, zeker voor nachtbrakers - en maakten de rit naar beneden met enkele overweldigende
panorama's.
Welkom in Venezuela, een land dat ons nog
dikwijls zou verrassen.