Langs zomervelden wil ik zwerven, waar hemelreine liederen zingen, die tot den grond des harten dringen, langs zomervelden, waar het koren goudglanzig deint in wijde golven vol kollen, in die zee verloren.
Langs zomervelden wil ik zwerven, oneindig breed als Oceanen, waar nooit de blauwe sferen tanen, geen woud begrenst de verre kimmen; waar, boven't werelds kleine en boze, de ziel, in 't warme licht aan 't klimmen, gans wegsmelt in het eindeloze.
Langs zomervelden wil ik zwerven, waar uit den hogen, 't heimvol duister, doorzilverd van den starrenluister, neerzinkt als dauwvocht zoet en lavend; waar starren liefdevonken wekken, en, in den weeldevollen avond, onze armen zich ten hemel strekken.