De teksten op dit webblog zijn authentiek. Mogen wij u dus daarop wijzen dat iedere overname van tekst een schriftelijke toelating vereist van de auteur. De redactie.
Langs de IJse Lente - Smeerwortel - Look-zonder-look - Fluitenkruid - Witte dovenetel - Hondsdraf - Vergeet-mij-nietje
Nest van koolmees
HULDENBERG
Vroeger en nu
31-01-2021
De twee torens van de kerk van Neerijse
De twee torens van de kerk van Neerijse
.
Waarom heeft de Sint-Pieter en -Pauwelkerk van Neerijse twee torens in het midden van de kerk ? Het oude geheim wordt nu onthuld.
Over de oorsprong van de twee torens worden vele verhalen verzonnen. U kent ze wellicht, zij behoren alle tot het rijk der fabelen !
De twee
torens van de kerk van Neerijse (eigen foto)
- Zo zouden twee edele dames de bouw van de kerk
gefinancierd en elk een toren gewenst hebben. Dit kan niet want de torens
gaan terug tot ongeveer het jaar 1200, een periode waar in Neerijse geen
kasteel en dus geen adellijke familie leefde! Men had het woud gerooid om er de
kerk en een abdij te bouwen.
- Zo zou men voor ieder patroonheilige een toren gebouwd
hebben. Nee, want er zijn andere
kerken die gewijd zijn aan Sint-Pieter en Sint-Paulus en die maar één toren
hebben !
- Zo zou de kerk zowel Neerijse en Huldenberg moeten
bedienen. Nee, want er stond al In Huldenberg een romaanse kerk voor het
jaar 1000 op de plaats waar nu de gotische staat, dat was dus niet nodig !
- Zo zouden Niet-Neerijsenaars beweerd hebben dat één toren
niet genoeg was om alle uilen erin te
huisvesten. Dit is vanzelfsprekend een
flauwe grap.
Wel, deze uitleg heb ik al vaak gehoord maar de juiste reden
voor de bouw van 2 torens nog nooit. Het
wordt dus tijd om orde op zaken te stellen en de echte oorzaak van de bouw van
twee torens te onthullen. De bouw van twee torens aan deze kerk moet in een historisch
kader geplaatst worden.
In de vroege middeleeuwen waren er in Frankrijk grote
abdijen die hun praal en pracht wilden uitstallen. Nemen we als voorbeeld de benedictijnenabdij
van Cluny die het middelpunt was van belangrijke hervormingsbewegingen. De kerk
van dit klooster bezat 7 torens.
Maquette
van de vroegere abdij van Cluny met haar 7 torens. (foto internet)
De Kathedraal van Doornik heeft nog altijd 5 torens. Geen
enkele Belgische kerk heeft er meer.
Waarom zoveel ? Dit grote bedehuis was gedurende eeuwen het
belangrijkste religieus centrum van Vlaanderen, Noord-Frankrijk en
Henegouwen. Het was ook de eerste
kathedraal op Belgische bodem.
Toen de Collegiale St-Michiel en St-Goedele van Brussel
bijna af was, dit was rond 1475, besliste men twee torens aan de westkant en
een kleine boven de kruising te plaatsen, eigenlijk een nabootsing van Notre
Dame de Paris.
En later in de tijd werd de basiliek van Koekelberg gebouwd
met twee torens, de grootste kerk van het land, een prestigeproject van Leopold II waarvan de plannen
na zijn dood in art deco hertekend werden.
Dit zijn maar enkele kerken die twee of meer torens hebben :
al deze bedehuizen moesten pracht, prestige en macht uitstralen. Het waren belangrijke religieuze gebouwen in
de ogen van hun bouwers.
En Neerijse zal u zeggen ?
Dichtbij
de huidige Belgische grens, niet ver van Amiens, stond de invloedrijke
benedictijnenabdij van Corbie die zeer lang een kerk met drie torens had. Corbie was op dat ogenblik oppermachtig.
Zij was het centrum van zowel het religieuze als het profane leven. In 1323
werd zelfs in haar prachtig binnenhof een kruistocht gepredikt.
Het klooster onderhield voortdurend innige contacten met het
Karolingische koningshuis (de familie van Karel de Grote) waarvan sommige
leden zelfs abt werden. Zij schonken al hun goederen aan de abdij en die waren
omvangrijk vooral gronden.
Zodoende kreeg de abdij
uitgestrekte gebieden in het huidige Brabant en Limburg. In Neerijse had ze de belangrijkste vestiging
in onze streek. Na het rooien van een
groot stuk woud bouwden ze er een prestigieuze kerk, natuurlijk met twee
torens, volgens het cachet dat de orde van Corbie vereiste. Daarnaast hadden ze
het pachthof van Ophem en Corbeye, dat in de 20ste eeuw de
naam Lindenhof kreeg en wellicht ook andere gebouwen die ondertussen
verdwenen zijn.
Afbeelding van de gevel van de eerste
abdijkerk van Corbie uit de 7e en 8e eeuw. (bron internet)
Afbeelding van de doorsnede van de eerste
abdijkerk van Corbie uit de 7e en 8e eeuw. (bron
internet)
Een kerk die meer dan één toren
heeft, is een kerk die toen ze gebouwd werd een belangrijk religieus centrum
was. En dat was het geval voor Neerijse. De kerk kreeg een dubbele toren zoals
die van de moederabdij. Het merkwaardig document hierboven uit de 7e
en 8e eeuw toont de gelijkenis van de eerste abdijkerk van Corbie
(uit de 7e eeuw) met die van
Neerijse (uit de 12e eeuw). De torens van deze kerk waren 30 m hoog.
Afbeelding van de eerste romaanse kerk van Neerijse uit de 12e eeuw. (uit parochiaal archief )
De eerste kerk van Neerijse die
rond 1200 gebouwd werd, werd in haar geschiedenis op twee momenten verwoest maar
telkens in de oorspronkelijke stijl herbouwd en de torens bleven bestaan.
Tot er in de jaren 1860 een nieuwe
pastoor kwam, eerwaarde heer Petrus Schmitz, die een baksteen in de maag had
omdat hij afkomstig was van een Antwerpse aannemersfamilie en de romaanse kerk
wilde afbreken om er een neogotische te laten bouwen. De twee torens moesten
daarbij sneuvelen. Gelukkig maar dat
baron August-Jozef d Overschie (die 44 jaar burgemeester van Neerijse geweest
is) er een stokje voor stak en de twee torens redde. Nu kon een gotische kerk tussen de twee
torens ook moeilijk ; de zes meter afstand
tussen de twee torens waren onvoldoende om een kruisribgewelf te plaatsen. De
pastoor moest van zijn opzet afzien en er werden dan nieuwe plannen gemaakt
waarin slechts sprake was van een "vergroting"; er werd gekozen voor een
neoromaanse kerk met rondbogen en behoud van de twee torens.
In Corbie vormden de twee torens de
westgevel van de kerk. In Neerijse staan ze in het midden van de kerk. Waarom is dat zo ?
In de middeleeuwen liep de grens
van het prinsbisdom Luik met het hertogdom Brabant dwars door Sint-Agatha-Rode
: de rivier de Laan vormde de grens.
Aan de ene kant werden kerken gebouwd volgens de maasromaanse stijl :
dit is makkelijk te herkennen omdat de toren tegen de westgevel staat. Zo
behoren de St-Agathakerk in Sint-Agatha-Rode, de Sint-Pieterskerk en de
Sint-Veronakapel in Bertem tot deze
stijl. Aan de overkant van de Laan werd
de schelderomaanse stijl toegepast : bij deze kerken staat(n) de toren(s) in
het midden. Zo behoren de kerk van Neerijse en die van Huldenberg tot deze
stijl. De romaanse kerk van Huldenberg werd in 1251 omgebouwd tot een gotische
kerk maar er bestaan nog sporen van de eerste kerk die van voor het jaar 1000
dateerde. De nieuwe gotische toren werd bovenop de vroegere romaanse toren
gebouwd, in het midden van de kerk.
En maar wachten opdat het eens echt winter zouworden! Uiteindelijk hebben op een vriesdag het laatste stuk IJse van de Weysbrug tot de molen van Loonbeek eens afgestapt. Het is een zeer kort stukje.
Het is die strook die parallel met de straat loopt en waar de IJse rechtgetrokken is. Dat zal hoogst waarschijnlijk voor de molen gedaan zijn. Door die recht trekking heeft het water een hogere snelheid en dus ook meer energie om de watermolen te laten draaien.
Het water had aan de brug een temperatuur van 8° C en aan de molen nog 5° C te verklaren door het in openlucht liggen en dus zonder enige afdekking. Daar waar het water meer stroomopwaarts onder de bomen doorloopt zen dus minder onderhevig is aan afkoeling door blootstelling aan de wind.
Langs het pad staat de Gelderse roos waar nog enkele gedroogde rode bessen aan hangen. Ook de kardinaalsmuts is aanwezig en is enkel te herkennen aan de kurklijstenop de takken. De mooiepaarse bessen zijn verdwenen enkelnog enkele lege zaaddozen hangen te bengelen aan de twijgen. Wel schiet de plant al en ziet men het prille groen reeds aan de knoppen.
Dekatjesvan de boswilg laten ook hun witte donzen vacht al zien.
Aan zwarte els en hazelaar bengelen de katjes. Het zijn windbestuivers.
Het vrouwelijk bloempje van de hazelaar is piepklein en paars. Dat van de hazelaar even klein en mooi rood.
Her en der staat nog een reuzenberenklauw met zijnzaadschermen. Wit berijmd zijn het echte juweeltjes.
In een els bakent een koolmees met zijn typisch twink, twink, zijn terrein af.
In de verte hoor je een zwarte specht roffelen.
De zon komt ook een piepen en in de door de takken priemende stralen dansen de muggen hun eerste lentedans.
Ondertussen zijn we aangekomen bij de watermolen. Het rad is weg (1952) want er werd een turbine gebouwd die de zaak draaiend hield.
De molen werd voor 1495 reeds vermeld en was de banmolen. Elke dorpeling moest daar zijn graan laten malen en de Heer had van elke gemalen zak graan recht op een aantal schepels als belasting.
Aan de overkant staat het kasteel van Loonbeek thans privé-eigendom.
Loonbeek-Kermis is een oude gewoonte en nauw verbonden met de verering van Sint-Antonius-Abt.De Loonbekenaars maakten op die dag veel plezier en verzamelden zich in de plaatselijke cafés.
In de lage Landen is het meest opmerkelijke ritueel rond de viering van Antonius het slachten van een varken en het consacreren en bij opbod verkopen van de varkenskop. Op vele plekken werd de Sint vereerd maar het ritueel verschilde wel van plaats tot plaats.
In Loonbeek bestond er ook een traditie. Ter gelegenheid van Loonbeek-Kermis werd in de families een varken geslacht. De kop (of de helft ervan) werd geschonken aan de kerk.Na de hoogmis die niet alleen door de Loonbekenaars maar ook door talrijke pelgrims uit naburige parochies bijgewoond werd, vond de verkoop van de varkenskoppen aan de kerkpoort plaats. De plaatselijke veldwachter stond in voor de verkoop. Wie het meeste bood, kreeg de varkenskop (soms een halve). Zo werden er telkens een vijftal koppen aangeboden.De opbrengst van de verkoop ging naar de kerk. Met de tweede wereldoorlog werd er met de traditie van verkoop gebroken.Maar de Loonbekenaars bleven Loonbeek-Kermis vieren.
In 1983 was dit nog altijd zo, namelijk in zaal Den Til die die dag als café fungeerde.De organisatie van de Kermis berustte bij de Kaartvrienden.Op een vergadering van de kerkfabriek lanceerde Albert Verbeeck het idee van de verkoop van varkenskoppen. De andere leden, Albert Van Hoegaerden, Jean Renders, Georges Michiels, Willy Verheyden en pastoor Jaak Bertmans stemden ermee in.
Zo werd de eerste verkoop in zaal Den Til georganiseerd.Het systeem was heel simpel:vijf koppen werden aangeboden; de toehoorders konden telkens 20 frank inleggen in de hoop de laatste te zijn om het eindbedrag te bereiken dat pastoor Jaak secuur op zijn lei verborgen hield. Willy Verheyden was de man die de hele verkoop in goede banen moest leiden. Van boven op zijn stoel duidde hij de opstekende vingers aan en probeerde hij iedereen tevreden te stellen.De materiële organisatie berustte bij de Loonbeekse verenigingen.
Het was een waar succes, voor herhaling vatbaar.De formule is gebleven - 20 F is nu wel 1 euro geworden -, de sfeer is dezelfde gebleven en Loonbeek beleeft nog ieder jaar zijn verkoop van varkenskoppen op identieke manier.
De namiddag werd voorbehouden voor een gezellig samenzijn, met taart, appelbeignets smoutebollen en later tiramisu.Meestal kwam er muziek aan te pas: doedelzakspelers,accordeonisten en andere muzikanten op oude instrumenten, tot in de late uurtjes.
Er zijn tevens pogingen ondernomen om variatie in de organisatie te brengen, de ene al succesvoller dan de andere.Zo werd er gedurende enkele jaren een tekenwedstrijd voor de schoolkinderen gehouden.Iedereen had prijs, maar drie schoolkinderen kregen respectievelijk goud, zilver en brons.
Den Til werd gesloten.Maar de traditie werd niet onderbroken.Het evenement verhuisde naar de feestzaal van het Blauwhof.Later, na de bouw van de zaal Van der Vorst, kreeg de verkoop zijn definitieve bestemming.Er werd inmiddels geopteerd voor één varkenskop en aanverwante gerechten: kip kap, klaargemaakte kop, pensen, tong, poten en oren die de opbod moesten doorstaan. Gedurende verschillende jaren werden deze gerechten op een traditionele wijze door Felix Caeckelberghs klaargemaakt. Dan heeft Luk Dewit de taak overgenomen.Een nieuwigheid was dat voor sommige gerechten een recept meegegeven wordt.
Zo wacht nu iedere echte Loonbekenaar op zijn verkoop van varkenskoppen, maar dit jaar is de activiteit geannuleerd door de corona-toestand.
Dank aan Monique Nijs, Willy Verheyden en Josephine De Coster voor de verstrekte informatie.
St. Antoon en St. Sebastiaan (20 jan), komen met het hardste van de winter aan.
t Is koud in alle kerken op Sint-Antonius met zijn verken.
St. Antonius is een ijsmaker, of een ijsbreker.
St. Antonius komt over met hoog water Of met een hard hoofd
Als het vriest op St. Antonius, dan dooit het op St. Sebastiaan.
Met St. Antonius lengen de dagen, zoveel als het eetmaal van een monnik.
St. Anteunis met zijn vèrken, Vader abt van Kouderkerken, is er een die steeds verkiest, dat het op zijn feestdag vriest.
Antonius gezegden en volkse wijsheden
Brood dat op Sint-Antoniusdag wordt gezegend, beschimmelt niet en weert onheil af van mensen en dieren.
Omdat het stelen en verorberen van een Antoniusvarken gelijk stond aan heiligschennis, werd in Italië van personen die onder onverklaarbare omstandigheden overleden, wel gezegd: 'Ha forse rubato un porco di San Antonio' ('hij zal wel een varken van Sint Antonius gestolen hebben').
Lied uit Leuven van de studentenclub van de Katholieke Hogeschool Leuven Departement Rega.
Sa, laat ons vrolijk wezen, op Sint-Antonius feest, feest, feest, Op Sint-Antonius feest. Sint-Antonius en de duivel waren gemeen, En ze dansten om het zeest, zeest, zeest, en ze dansten om het zeest.
Eén van Lucifers posturen, die wilde vrolijk zijn, zijn, zijn, Die wilde vrolijk zijn. Hij droeg een ijzer braadpan op zijn hoofd, En een vaatje brandewijn, wijn, wijn, en een vaatje brandewijn.
A vous !, zeid' hij, Sint-Antoneke, 't is een glazeke tegen de vaak, vaak, vaak, 't Is een glazeke tegen de vaak. Sint-Antonius riep: "'k een mag geen brandewijn", En hij goot het tegen zijn kaak, kaak, kaak, en hij goot het tegen zijn kaak.
Dat was om hem te kwellen, door 't nemen van de drank, drank, drank, Door 't nemen van de drank. Sint-Antonius greep de duivel bij de steert, En hij schreeuwde wel zes uren lang, lang, lang, en hij schreeuwde wel zes uren lang.
Antonius werd rond 250 na Christus in Egypte geboren. Hij was de eerste en populairste van de woestijnvaders die het wereldse leven verlieten om in de woestijn de verbinding met God te vinden. Hij woonde als kluizenaar op de berg Kolzim bij de Rode Zee.Hij wordt dan ook Antonius de Kluizenaar geheten.
Daarom wordt hij voorgesteld als kluizenaar met baard gekleed in een donkerbruin habijt.
Hij werd verleid door de duivel - daarom wordt hij soms afgebeeld met een duiveltje en hij voerde een zware strijd tegen verzoekingen.
Hij kreeg dan ook veel navolging maar vormde geen kloostergemeenschap.Zijn levensverhaal werd door één van zijn leerlingen St Athanasius de Grote opgetekend.
In 561 werd zijn graf ontdekt en vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaardin de St-Julien-kerk te Arles.
Als attribuut draagt heeft hij een taustaf, een rozenkrans, een boek en een klokje aan de staf.Dit staat symbool voor de bel die de antonieten, een orde van ziekenbroeders die naar hem genoemd werd, luidden wanneer ze aalmoezen verzamelden.
Soms hangt het klokje aan de hals van een varken naast hem.Dit varken verwijst naar de zonde en de verleiding.De antonieten hadden ook het recht een aantal varkens vrij te laten rondlopen in de steden.
De T-vormige staf gaat terug tot de gebruikelijke abtsstaf.Sint-Antonius wordt trouwens ook Sint-Antonius Abt geheten.De vlammen aan zijn voeten staan symbool voor de bestrijding van het antoniusvuur.
Op zijn feestdag (17 januari) werd vlees uitgedeeld aan de armen.
Antonius is de patroon van armen, zieken, slagers, herders, hoveniers, doodgravers en varkenshoeders.
Antonius werd aangeroepen tegen pest, zweren, wratten en puisten.
Hij is één van de heiligen die het meest afgebeeld worden op kunstwerken.Zo vinden we hem op het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck.Zijn verleidingen werden uitgebeeld door Hiëronymus Bosch.De thematiek werd door tal van andere schilders overgenomen zoals Salvator Dali, Hans Memling Pieter Bruegel, Albrecht Dürer en Paul Delvaux.
Bron : Sanctus Meer dan 500 heiligen herkennen.2002. Davidsfonds. Leuven
U zal ze wellicht opgemerkt hebben, de maskers in het koor van de O.-L.-Vrouwekerk van Huldenberg. Ze zijn merkwaardig. Wanneer werden ze aangebracht ? Door wie ? Waarom ? Op deze vragen geven we u een antwoord.
Rond het jaar 1000 stond er op de Heullenberg reeds een romaanse kerk. Heulle (helling) was ook de naam van het plein dat ontstaan was op de kruising van twee wegen, waaruit tevens de naam van de gemeente is ontstaan. De initiatiefnemers hadden deze plek uitgekozen omdat ze uit alle richtingen zichtbaar was. Dit bedehuis had reeds de grootte van het koor en de hoofdbeuk van de bestaande gotische kerk. Een trap die beneden naast de huidige Casino vertrok leidde tot het zuidportaal.
In 1251 werd onder impuls van de heren van Huldenberg beslist een nieuwe, modernere, kerk op de grondvesten van de bestaande romaanse kerk te bouwen. Bepaalde bestanddelen van de romaanse architectuur werden behouden, bijvoorbeeld de paradijspoort aan de noordzijde van het koor die nog altijd zichtbaar is. Deze stenen zijn 1000 jaar oud en de oudste van de gemeente.
Het moest een revolutionair bouwwerk worden die de recente bouwstroming moest volgen, nl. de gotiek. In Brussel was men reeds begonnen (1226) met de bouw van de collegiale St.-Michiel en St.-Goedele onder impuls van de hertogen van Brabant. Dit reusachtig prestigewerk werd in 7 fasen over een periode van 300 jaar rechtgezet. Rond 1250 werden de werken tijdelijk gestopt, wellicht om financiële redenen. De arbeiders, vooral steenkappers, vielen zonder werk. Zij kregen de kans om hier in Huldenberg aan het werk te kunnen. Gedurende enkele jaren bouwden ze het gotisch koorgedeelte van onze kerk dat zodoende het tweede oudste in gebruik zijnde gotische gebouw is van midden België.
Deze steenhouwers hadden bepaalde vrijheden en mochten iets persoonlijks achterlaten. Zij plaatsten maskers en andere beelden die de kruisribben van het gewelf ondersteunden. Gelijkaardige maskers zijn ook te vinden in de huidige Kathedraal St.-Michiel en St.-Goedele in Brussel.
Maskers in het koor
Masker in de kathedraal St-Michiel en St-Goedele, Brussel.
Masker in de OLV-kerk, Huldenberg
Masker in de OLV-kerk te Huldenberg
Deze merkwaardige
maskers bevinden zich in het koor. Waarom
werden ze daar aangebracht ? De
verschrikkelijke gelaatsuitdrukkingen van sommigen doen denken aan iets
vreselijks. In die periode wilden de
kerkinstanties de gelovigen behoeden voor de afschrikwekkende heltoestanden . Gelovigen deden er goed aan, een voorbeeldig
leven te leiden en zorgvuldig hier tijdens hun aardse verblijf het hiernamaals
voor te bereiden. De steenhouwers die
soms ook kunstenaars waren genoten ruime vrijheden en konden hun signatuur
achterlaten. Zij lieten wel hun waar gelaat niet zien.
Er zijn ook
andere beeldhouwwerken te zien die geen maskers zijn, zij zijn neutraler. Het koor van de kerk biedt op een kleine
oppervlakte een uniek ensemble fraaie beelden.
Maskers in de
kruising van de kerk.
Er zijn ook
kleinere, minder schrikwekkende maskers in de kerk te vinden. Je moet wel eventjes zoeken. Ze bevinden zich in de kruising van de kerk
(dat is de plaats waar koor, hoofdbeuk en dwarsbeuk zich kruisen), ergens
tussen een pijler en de kerkmuur of tegen een kolom of in een hoekje verborgen.
Ook in Brussel,
in de kathedraal vind je gelijkaardige hoofdbeelden. Daar versieren zij de muren van het koor en
ondersteunen ook kleinere kolommen. Je moet het weten want ze vallen in dit
groot bouwwerk niet zo op.
Hoofdbeelden in het koor van de kathedraal, Brussel
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Hoofdbeeld in de kruising van de OLV-kerk, Huldenberg
Tot slot
De aanwezigheid
van gelijkvormige maskers en andere afbeeldingen zowel in Brussel als in
Huldenberg getuigt van een gelijktijdige bouwstroom door dezelfde steenhouwers
en/of hun kinderen. De heren van
Huldenberg waren weliswaar de vazallen van de hertogen van Brabant. Zij leefden in een gebonden afhankelijkheid ;
maar aan hen bewezen de hertogen ook als tegenprestatie bepaalde diensten zoals
de bouw van een gotisch bedehuis in Huldenberg ; daaraan hebben we nog altijd
onze mooie kerk te danken.
Het winteruur heeft zijn intrede gedaan. Onze uurwerken moeten één uur achteruitgezet worden... maar de zonnewijzer blijft zijn uur behouden. Alles over de zonnewijzer van Huldenberg.
(Als u de foto wil vergroten, klik erop)
Op de gevel van de dwarsbeuk van de O.-L.-Vrouwekerk werd een zonnewijzer aangebracht die de aandacht trekt van menige voorbijganger.
We merken dat deze zonnewijzer niet het officiële uur aangeeft.
Waarom is dat zo ?
Wat schuilt er achter de spreuk ?
Het gaat hier om een verticale zonnewijzer waarvan de stijl (dat is de staaf die de schaduw op de zonnewijzer werpt) schuin over het verticale vlak hangt.Het uurlijnenpatroon is links en rechts van de 12-uurlijn symmetrisch.Het gaat van 8 uur tot 4 uur s namiddags.Dit betekent dat de zonnewijzer perfect naar het zuiden gericht is.
Waarom geeft de zonnewijzer niet het officiële uur aan ?
Zonnewijzers geven meestal de ware plaatselijke tijd of de zonnetijd aan, dus niet de officiële tijd. In Vlaanderen loopt de officiële tijd voor op de zonnetijd.Wat zijn hiervan de oorzaken ?
1.Onze officiële tijd is afgestemd op de zonnetijd van de 15e oostelijke lengtegraad. Per lengtegraad meer naar het westen loopt de officiële tijd 4 minuten meer voor op de zonnetijd ter plaatse.
2.Doordat de aardas schuin staat en doordat de aarde in een elliptische baan rond de zon draait, is er een correctie nodig; dit heet de tijdsvereffening. Zij varieert van dag tot dag, in de lente en de zomer tussen +6 en -6 minuten, in de herfst en de winter tussen +14 en -16 minuten.
3.Met de zomertijd komen daar nog 60 minuten bij.
Bekijken we de foto:
Het is 7 juli en 14.03 uur.Huldenberg ligt op 4,5° oosterlengte.
Totaal =de officiële tijd loopt 108 minuten (1u48) voor op de ware plaatselijke tijd zoals die op een zonnewijzer is af te lezen.
Op de foto leest men op het uurwerk van de kerk 14 u 03.Op de zonnewijzer is het 12 u 15.
Wat is de zonnewijzerspreuk ?
We lezen onderaan de zonnewijzer de zonnewijzerspreuk.
DE TIJD HELAAS ZIET VERGAET ALS DIT TEECKEN VROEGH EN LAET
D
De tekst herinnert de voorbijganger aan de vergankelijkheid van het aardse leven.Zulke boodschappen waren vaak in trek in de 18e eeuw;zodoende krijgt de voorbijganger de boodschap mee die hem of haar doet nadenken over het gebruik van de tijd, het leven en de dood.De spreuk op de zonnewijzer van Huldenberg kan dus als een klassiek voorbeeld beschouwd worden.
In de chronogram (dat is de tekst waarin letters anders gedrukt zijn, als Romeins cijfer beschouwd worden) zit het jaartal van de bouw van de zonnewijzer verscholen.
Hoe leest men het jaartal van de bouw van de zonnewijzer ?
We halen de rode letters uit de tekst.Het zijn Romeinse cijfers.
D I J D L I V L D I C V L
D = 500
C = 100
L =50
V = 5
I=1
J = 1
We plaatsen ze in de onderstaande volgorde:
D D D C LL L V V J I I I
DDD = 1500
C= 100
LLL= 150
V V=10
J I I I = 4
Totaal = 1764
De zonnewijzer van de O.-L.-Vrouwekerk is in 1764 aangebracht.Hij is een prachtwerk en kan duidelijk als referentie dienen voor de tientallen zonnewijzers die in ons land op kerken voorkomen.
Wat is de origine van deze idyllische plaats ? De wandelaar komt er voorbij zonder zich rekenschap te geven dat er een fabelachtig verhaal aan verbonden is.
Het veld was eigendom van de familie Mennekens, meer bepaald Aleijdt Mennekens die getrouwd was Jan de Bleser uit Loonbeek.
Het woord ‘brug’ heeft niets te maken met een bouwconstructie.
Wij wonen in een grensstreek waar verschillende talen door mekaar gebruikt werden.
Eén van die woorden was in de Gallische taal – die door Asterix gesproken werd -‘bruco’ afkomstig van het Latijn ‘brucus’. In het Frans hebben ze het woord, weliswaar in een afgeleide vorm, bewaard: bruyère. En dat is ‘heide’. Mennekensbrug betekent dus ‘het heideveld van de familie Mennekens’.
Sinds de Middeleeuwen is dit landschap wellicht weinig veranderd.
En deze plaats is tevens nauw verbonden met de legende van de kabouters. Deze buitenaardse wezens waren zeer behulpzaam en gingen ’s nachts in hoeve Ten Bosch (de huidige boerderij Peeters naast Ganspoel) de huishoudelijke taken verrichten. Als het personeel ’s morgens opstond was al het werk gedaan. Menig Huldenbergenaar hoor ik soms bij het opstaan zeggen als zijn of haar keuken onderste boven ligt na een avondfeest “zouden de kabouters er niet geweest zijn”? Er moet dus toch wel iets blijven hangen zijn in Huldenberg !
Voor wie Mennekensbrug niet situeert : u neemt de weg van Ganspoel, na 800 m in de vallei ligt Mènnekensbrug.
De hoeves van Wolfshaegen. Waarvan komt de benaming Celongaet?
Bij het verlaten van Sint-Agatha-Rode smelten de valleien van de Dijle en die van Laan samen. Het weidelandschap wisselt af met bossen. Als we eventjes terugblikken, zien we het dorp nog een laatste keer prijken op de kam van het heuveltje. De landelijke hoekstraat leidt ons tot een uitgestrekte vlakte waar de landbouw eeuwenlang hoogtij gevierd heeft. Getuige hiervan zijn de drie vierkantige hoeves die mooi op een lijn deel uitmaken van het heuvelachtig landschap.
Hinnemeure, Withof, Monmax, het zijn namen uit een sprookje gegrepen en het sprookje is zeer oud. Toen men in de Middeleeuwen de plek uitkoos wist men dat de hoeves uitstekend zouden liggen. Een areaal dat alle onderdelen van de landbouwexploitatie combineert : in de laagvlakte, dichtbij de rivier, uitgestrekt weiland waar het vee aan zijn trekken kon komen; naar de heuvels toe, de teelten van graangewassen die een rijkere ondergrond vergen.
Het 'insolite' aspect van deze plek ligt hem in de benamingen. Monmax was de kleinste hoeve. De naam komt van de twee pachters : Maximiliaan, de grootvader, en Edmond Van Pee, de vader.
Hinnemeure is de eerste hoeve als men van Sint-Joris-Weert komt. De hoeve is goed gearchiveerd.
Het is nog een actieve boerderij en appelfabriek.
En we eindigen met de grootste hoeve, het withof dat sinds de recente mooie restauratie Celongaet geheten wordt. De historiek van het gebouw is quasi onbekend door gebrek aan archiefmateriaal. Het elitair karakter van de toenmalige eigenaar komt tot uiting in het torentje boven de ingang dat een duiventil herbergde. Dit bezit druiste weliswaar in tegen de economische exploitatie van het complex want duiven waren niet zo geliefd bij de boeren. De authentieke nu gerestaureerde binnenkoer laat ons een 18e-eeuws woonhuis met Spaanse baksteen bewonderen. Maar wat het meest tot verbazing wekt is het gotisch gebinte van de grote hooischuur: een technisch hoogstandje dat voortvloeit uit lang vervlogen tijden waar kathedralen de horizon van onze landschappen versierden.
Op de de Ferraris kaart lezen we Ce Celongaet. 'Ce' staat voor 'cense', een Waals woord voor pachthof.Vandaag nog wordt het woord 'cinsie'(< censier = pachter) in de
dagelijkse taal in Wallonië gebruikt.
Als dit op de kaart staat, dan betekent dat de Oostenrijkers
van de Ferraris zich hebben laten bijstaan door Franstaligen om deze kaart op
te maken.Wellicht begrepen deze het
woord Celongaet niet.
Gaet' is een Germaans woord dat in het modern Nederlands
verdwenen is maar toch nog voorkomt in toponiemen of straatnamen.Vleurgat, in Ukkel bv. waarbij gat verwijst naar doorgang of steeg
en vleug naar een vogelkooi of duiventil. In Jezus Eik hebben we de
Vuurgatstraat, een middeleeuwse weg van Hoeilaart naar Fura, de Latijnse naam
voor Tervuren .Iedereen heeft ook wel
eens het vliegtuig genomen en op de luchthaven het Engelse woord 'gate' gehoord, dat betekent 'toegang' (tot de vliegtuigen). Dat is de betekenis van 'gaet' in Celongaet.
Celon (celen)
verwijst wellicht naar de Cellenbroeders die eerst in de Brusselsestraat in
Leuven verbleven en daarna verhuisden naar een locatie buiten de stadsmurengelegen bij Gasthuisberg. Hun pachthof zou
gelegen zijn in Wolfshaegen.
Wellicht stond
hier in 1775 een plaatje (zoals er nu ook één staat) dat een richtingaanwijzer
was : Celongaet betekende dus 'toegang of ingang naar de hoeve van de cellenbroeders'.En de Franstalige kaartenmakers van de
Ferraris zullen gedacht hebben dat dit de naam van de hoeve was. Bij de laatste
restauratie heeft men de naam zonder nadenken overgenomen terwijl die nooit de
naam van het pachthof zou geweest zijn.
Withof zou dus
hier beter op zijn plaats zijn, een beetje in de verlenging van Blauwhof in
Loonbeek, en Roodhof in Neerijse, hoewel het rood van het toponiem niet
verwijst naar de kleur maar afgeleid is van rooien en dateert uit de tijd dat
onze streken bedekt waren door de 'Carbonaria Sylva', het kolenwoud.
Voor onze herfstwandeling wandelen we van Klein Waver tot aan de Wijsbrug. Het mooiste stuk IJse in Huldenberg. Het is het deel dat niet rechtgetrokken is en waar de rivier rustig kan meanderen.
Foto: Vlier (bron Internet)
U kan zelfs de waterloop helemaal volgen, wantdaar waar deIJse wegdraait van de weg, is gemaaid en kan men duslangs het water lopen. Dit geeft een rustig gevoel en een heel ander beeld van onze IJse. Bij ons vertrek aan de brug van Klein-Waver valt het paars van de reuzenbalsemien op. Hier en daar pronken nog de gele knopjes van het boerenwormkruid. De berenklauw staat in zaad. Bekijk je zo een zaadje eens van dichterbij dan zie je dat het gemerkt is met bruine strepen. Net een berenklauw. Vandaar de naam.
De witte bloem van de haagwindeschittert in de zon. De stengel van deze bloem heeft zich rond de bramen gerankt. Tussen de vele brandnetels zie je hier en daar de kleine witte bloempjes van de hennepnetel.
Langsheen de wandelweg vind je de reuzenpaardenstaart. Dit is een van de weinige plaatsen waar deze voorhistorische plant nog aanwezig is.
Plots wordt onze neus geprikkeld door een tabaksachtige geur. Het zijn de bladeren van het grote hoefblad. Weliswaar vol gaten. De slakken hebben hun buikje rondgegeten.
Hier en daar staat de moesdistel te pronken met zijn zaadpluizen. Langs de wandelweg vind je de esdoorn. Elk blad lijkt bespat met zwarte inktvlekken. Inderdaad! De boom is aangetast door de inktvlekkenzwam. De paardekastanje is reeds helemaal roestbruin. Dit is een gevolg van de aantasting door de minneervlieg. Waar we vorig seizoen de heerlijke geur van de moerasspirea opsnoven, vinden we nu bij de plant de gedraaide zaadjes. Tussen het gras bloeit hier en daar nog een vergeet-mij-nietje. In een draai staan een paar dode bomen. Die zullen er nog lang staan. Een liggende boom verrot vlugger dan een staande. Hij heeft meer contact met het vocht en de duizend kevers, mossen en paddestoelen of zwammen. Op een rechtstaande vind je meestal de tondelzwam en langzaam maar zeker zal die zijn werk van afbraak doen. Tussen de bramen schitteren de helrode bessen (giftig) van de gevlekte aronskelk.
Wanneer we bijna aan de Wijsbrug zijn staan er links op korte afstand van elkaar twee kardinaalsmutsjes. Binnenkort zijn de bessen scharlakenrood en pronken ze als een kardinaalsmuts aan de struik. Onderweg zagen we nog andere rode bessen: de giftige bessen van de Gelderse roos. Zelfs de vogels eten ze niet.
Terugkeren doen we langs de IJseweg. Aan onze linkerzijde ontdekken we een glashelder beekje. Het wordt gevoed door tal van kleine beekjes die hun bron hebben onder aan de heuvel. Het water kan daar niet meer verder doordringen want het stoot op de harde laag van het Brabants plateau. Als kwelbronnen en beken komt het naar de oppervlakte. Glashelder en steeds met dezelfde temperatuur. Een goede raad: loop er niet in. Je voetstappen blijven er lang gemerkt. Het is er zeer moerassig. Ook dit gebied is een unicum. Bronbeken en bronbossen zijn er zeer weinig. Wij hebben er hier en in het kasteelpark. Laat ons ze bewaren!
Hier vinden we de mannetjes- en wijfjesvaren? In het beekje groeit bitter waterkers. Ook de vlier met zijn zwarte bessen is in zijn nopjes. In de bronbossen groeien de elzen. Met hunbruine propjes van vorig jaar, de groene van dit jaar en de reeds aanwezig zijndekatjesvan volgend jaar lijken ze wel een kalender. Ook bij de hazelaar zijn de nootjes van dit jaar en de katjes van volgend jaar te vinden.
Op eenstuk dor hout kruipen langzaam twee wijngaardslakken. Deze beschermde dieren nemen hun tijd om er te geraken.
Voor het winterseizoen wandelen we van de Wijsbrug naar de molen van Loonbeek.
Kapelletje van het schoolgebouw in de
Elzasstraat.
Het gebouw dat dateert uit de eerste decennia van de 20ste eeuw
werd maandag 18 mei 2015 gesloopt.
De Zusters Annonciaden kwamen in het centrum van Huldenberg in 1912
aan. Het onderwijs werd in het huidig gemeentehuis en in het 'hospis'
gegeven. Daarna breidden ze hun activiteiten uit en betrokken ze de
gebouwen in de Elzasstraat. De schoollokalen achteraan dateren van
1952.
Het beeldje dat we hier noemen 'O.-L.-Vrouw van den Elzas met kindje
Jezus' dateert van het begin van de 20ste eeuw.
Het gebouw werd in een paar uur met de grond gelijk gemaakt .... maar
het beeldje van Onze-Lieve-Vrouw met het kindje Jezus hebben we op de
valreep kunnen redden !!!
Het beeld is dat van "OLV van de Overwinning"
of "Notre Dame des Victoires" in het Frans (let o.a. op de wereldbol
waarop het kindje Jezus staat). Dit beeld was begin vorige eeuw zeer
populair en stond in menig Vlaamse huiskamer onder een stolp.
Een bedevaartplaats van "Notre Dame des Victoires" is de
gelijknamige basiliek in Parijs, aan de Place des Petits-Pères in het Tweede
arrondissement.
In 1629 vroegen de paters Augustijnen aan koning Lodewijk XIII
financiële steun voor de bouw van hun klooster en kapel op deze
plaats. De koning wou dit financiëren op voorwaarde dat de kapel
"Notre Dame des Victoires" zou noemen als dank aan Maria voor
zijn overwinning op de Protestanten in La Rochelle in 1628. Zo gebeurde
en in 1629 legde hij de eerste steen van de kapel.
Waarschijnlijk had koning Lodewijk XIII het feest van "OLV van de
Rozenkrans" (jaarlijks gevierd op 7 oktober) in het achterhoofd. Dit
feest werd ingesteld door de heilige paus Pius V in 1571. Deze paus had de
christelijke overwinning van de Slag bij Lepanto (7 oktober 1571) toegeschreven
aan het bidden van de rozenkrans.
Sommige bronnen vermelden dat paus Pius V dit feest op 7.10.1571
instelde als het feest van "OLV van de Overwinning". Het was
zijn opvolger paus Gregorius XIII die in 1573 de naam veranderde in het
feest van "OLV van de Rozenkrans".
Dit rozenkransgebed werd gepropageerd door de orde der Dominicanen,
waartoe Pius V zelf ook toe behoorde. Volgens een legende was de Rozenkrans een
geschenk van de Heilige Maagd Maria aan Sint Dominicus (1170-1221), stichter
van de dominicanen. Maria zou de rozenkrans hebben gegeven als wapen in zijn
strijd tegen de Albigenzen.
Maria die de rozenkrans schenkt aan Sint Dominicus wordt in onze kerk
afgebeeld op het processievaandel van de vroegere Broederschap van de Heilige
Rozenkrans.
Tekst: Rudy Sterckx en Jean-Pierre Van Binnebeek
foto's: Norbert Mosselmans en Jean-Pierre Van Binnebeek
Er was eens een edele jonker, die het schilderachtige Neerijse had uitverkozen om er zijn sprookjeskasteel neer te zetten voor zijn beeldschone jonkvrouwe, eveneens van adellijke bloede, Anna.
Hunliefdesnest was voorzien van een wagenhuis en paardenstallen, met daarnaast ook een Brabantse vierkantshoeve, bewoond door een pachtersfamilie, om in hun levensbehoeften te voorzien.Zij woonden temidden van een aangelegd park en hun enige buren waren herten, vogels en kikkers.En daar leefden ze op hun roze wolk, hoe kon het ook anders, ze waren smoorverliefd.
Op een herfstdag wandelde Anna door de Doode Bemde, een plaats die haar voorkeur genoot omdat de natuur er op haar mooiste was.In de verte hoorde zij een gebrul.Het leek meer op het geluid van een gewond dier dan op dat van een wolf of een wilde hond.
Geleid door haar nieuwsgierigheid liep Anna in de richting van het aanhoudend geschreeuw en dat leidde haar naar één van de talrijke vijvers van de Doode Bemde.Achter het struikgewas ontdekte ze een hond, die alle moeite van de wereld had om zijn kop boven water te houden, omdat hij vast zat in een klem.Wie weet hoelang dit dier hier al vastzit, bedacht ze zich, en snel nam ze een stevige tak en liet zich in de vijver zakken.Het koste haar al haar energie, maar uiteindelijk slaagde ze erin de hond te bevrijden en hem, en haarzelf, op het droge te heisen.Het beest leek helemaal uitgeput, haar hulp kwam geen seconde te vroeg.
Anna bracht de hond naar het wagenhuis, legde hem in het hooi, gaf hem iets te eten en droogde hem met een handdoek waarop het dier in een diepe slaap viel.
Bij het verlaten van het wagenhuis, stuitte Anna op Jules, de jongste zoon van de pachter, die meehielp in de hoeve van zijn vader.Opgeschrikt door zijn plotse aanwezigheid, besefte ze toen pas hoe onverzorgd ze eruit zag, zij deed haar adellijke komaf op deze manier allerminst eer aan.Ze mompelde iets wat leek op een verontschuldiging en haastte zich terug naar het kasteel.
s Anderendaags werd aan de deur van het kasteel geklopt.Anna opende de deur en stond tegenover Jules die haar een boeket zelf geplukte bloemen bracht.
Hij had zijn schroom kunnen overwinnen en vertelde haar dat hij zijn hond had ontdekt in het wagenhuis.Hij wou haar komen bedanken want gezien hij al twee dagen zoek was, had hij alle hoop opgegeven om hem nog levend terug te vinden.Gevleid door deze spontane toenadering nam ze de bloemen in ontvangst en met een roze blos op de wangen volgde ze hem naar het wagenhuis om te kijken of de hond opnieuw wakker was geworden.
Aangezien de hond nog vast sliep, besloot Jules s namiddags terug te keren.
Ditmaal had hij twee trossen druiven voor Anna meegebracht.De hond was wakker en stelde het goed, Jules nam hem voorzichtig in zijn armen.Anna volgde dit liefdevolle schouwspel en bij het kruisen van hun blikken, leek de tijd even stil te staan.s Anderendaags gingen ze terug naar de plaats waar Anna de hond had gevonden, op de terugweg naar het kasteel werden zij onverwacht overvallen door een regenbui.Ze liepen naar het kasteel terug en Jules stak de haard aan om hun kleren te laten drogen.Laat op de avond verliet Jules het kasteel, de heer des huizes zou immers die nacht nog terugkeren van een verre reis.
Sinds die avond leidde Anna een dubbel leven: haar komaf maakte van haar een kasteeldame, in haar hart koesterde zijechter een passionele liefde voor de pachterszoon.
Inmiddels waren er schermutselingen ontstaan tussen de Spaanse troepen en lokale verzetstrijders. Een Spaanse generaal had van het kasteel zijn hoofdkwartier gemaakt.
Het werd Anna moeilijker om Jules te ontmoeten.Zij ontdekte in de vijver onder de hoeve tal van kikkers die iedere avond voor de hele omgeving een overweldigend concert gaven.
Hierdoor verzon zij het perfecte excuus om haar minnaar vaker te zien: ze liet namelijk uit alle streken van het land andere kikkers invoeren, van alle rassen en kleuren en groef nieuwe poelenwaar nieuwe inwoners konden gedijen en zich vermenigvuldigen.
s Avonds zaten zij onder hun beide, Jules en zij, naast het water met hun kikkers.
Tot het onvermijdelijke gebeurde: Anna werd zwanger.
Zij kon haar geheim niet meer verborgen houden voor de heer en werd verplicht het kasteel te verlaten.Verbannen door de hele gemeenschap, die de heer trouw gehoorzaamde, zag zij geen uitweg meer en besloot haar kikkers te vervoegen en verdronk zichzelf in de vijver.
Ook Jules mocht niet langer in de hoeve blijven en hij besloot toe te treden tot het verzet. Hij kwam twee jaar later om tijdens een veldslag dichtbij Brugge. Inmiddels had hij de toenaam Sang Del Toro gekregen, omdat hij meer dan 200 Spaanse soldaten met zijn aan twee kanten snijdende mes had omgebracht; het was nog een geschenk van Anna geweest.
De naam Anna zou ergens in één van de balken van het wagenhuis te lezen zijn, wellicht uitgesneden in het hout met een tweesnijdend mes.
En de kikkers blijven iedere avond, voor hun Anna en Jules, een overweldigend concert geven.
Tekst: Sofie en Jean-Pierre Van Binnebeek Naar de tekst van de legende verschenen op www.ranadelrey.com foto: Jean-Pierre Van Binnebeek Postkaart
Wanneer het echt zomer wordt zie je ze overal. Soms alleen, soms met duizenden samen. Als een rode zee deinen ze in de zon. De klaproos is onlosmakelijk verbonden met graanvelden. Vroeger vond men er nog de blauwe korenbloem, maar die is echt raar geworden.
De vuurrode klaproos is één van de vele papaverachtige. Breekt men ze af dan komt er melkachtig sap uit de wonde.
Vier tere, zijdeachtige kroonbladeren omhullen een doosvrucht met daar rond de meeldraden. De bloem geurt niet en bevat geen nectar. Maar de felle scharlakenrode kleur trekt de insecten aan. Bijen die blind zijn voor rood worden gelokt door de UV-uitstraling. Er heeft geen zelfbevruchting plaats, wel kruisbestuiving.
Deze bloem plukken is uit den boze. Na enkel minuten laat ze reeds haar kroonblaadjes vallen. Dan sta je daar nog met de zaaddoos die er uitziet als een Chinees lantaarntje. De zaadjes zien er uit als niertjes. Vandaar dat men van maanzaad spreekt.
We weten allemaal dat de papaverachtige giftig zijn. De echte papaver ( papaver somniferum, lila of wit) wordt gekweekt. Het sap wordt gebruikt om heroïne, opium,codeïne( hoestdranken), morfine te bereiden.
Ook onze klaproos is dus giftig. Zij het niet in de mate van de grote zus. Maar het is toch oppassen geblazen.
Er zijn duizenden soorten papavers en vele kleuren;
Men gebruikte rode blaadjes om een mooi rood drankje tegen de hoest te brouwen. Ook kleurden ze al eens rode wijn.
Uit de zaadjes (niet giftig) perst men een fijne tafelolie. De zaadjes zelf worden in de voeding gebruikt al was het maar om broodjes met maanzaadjes te bakken.
KLAPROOS: Zo heet ze bij ons. Wanneer de zaaddoos rijp is en men schudt er mee dan klapperen de zaadjes tegen de wand.
Andere namen:
qKollebloem: Een kol is een heks dus
qSlaaptots: de bloem bevat slaapverwekkende stoffen. Begin 20ste eeuw deed men wat zaad in een voddeke, bond het samen en voor de kinderen werd het een tut. Men gebruikte wel de echte papaver. Gevolg dat er toen wel heel kinderen aan de trage kant bleven. Ze waren gedrogeerd!
qUiltots: uil staat voor olie. Zoals hoger vermeld wordt er een fijn tafelolie uit geperst. De tweede persing leverde een olie voor de verfindustrie.
Dat deze bloem reeds eeuwen verbonden is met onze graanvelden, vinden we terug in de Griekse mythologie. Ceres, de godin van de landbouw wordt steeds afgebeeld met een kroon van klaprozen.
Wanneer men ze rustig laat drogen is het een dankbare bloem voor het herbarium. Beter is een foto te maken en deze dan te bewaren. Zo blijft de bloem staan en heeft iedereen er wat aan.