|
Het systeem dat hier wordt besproken aan de hand van een beknopte tekst met bijgaande tekeningen en curve eindigt met een verkorte samenvatting en een conclusie. De tekst is verdeeld in items (zie verder na algemene beschouwingen) voor toegankelijker communicatie.
Elementaire duiding van het systeem <?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Door een overmaat aan vloeistofpotentiaalverschil toe te voegen aan een als ijkwaarde ingesteld potentiaalverschil met een bepaald debiet (bij 0°C en water, zie verder) zal bij méér dan verdubbeling van dit potentiaalverschil het eruit voortvloeiend vermogen dezelfde verhoging ondergaan. Het komt er nu op neer dit méér dan verdubbeld vermogen door zelfsturing van het debiet niet volledig éénzijdig te besteden aan de macroscopische beweging van het systeem maar enkel zoveel als nodig voor de optimalisatie ervan. De grotere rest (méér dan de helft) wordt dan aan de microscopische beweging besteed (warmte) teneinde tijdens het nivelleren een warmteniveauverschil op te bouwen. Deze opbouw kan evenwel slechts als hij niet het gevolg is van een weerstandstoename (= bewegingstoename) dan zou hij immers evenveel koeling veroorzaken. Hij moet het gevolg zijn van een bewegingsverhindering die eveneens het gevolg is een niveauverbruiksafname tgv. het verhoogd potentiaalverschil met evenredig lager debiet waardoor tezelfdertijd een koelingsreductie (in Z) veroorzaakt wordt. Hiervoor is het voorzien van voldoende thermische isolatie in het systeem (van X en Z) noodzakelijk waardoor deze warmteopbouw binnen een ingestelde systeemtijd mogelijk wordt en voldoende vloeistof terug wordt gevoerd naar een hoger gelegen condensatievat ter aanvulling van het niveauverlies. Dit dient te gebeuren door zelfsturing van de toegevoegde overmaat aan spanning en daling van het debiet, zodat dezelfde ijkwaardebeweging gehandhaafd blijft. Voor de grotere helft van het geleverde vermogen ontstaat dan een procesomkering waarbij een dalend niveauverbruik een stijgend werkzaam warmtepotentiaalverschil voortbrengt. Zodoende zijn er twee tegengestelde tijden (potentiaalverschillen) in het systeem aanwezig gesteld die naar een gestuurd evenwicht evolueren. Het systeem dient preventief zodanig ingesteld dat er agv. de informatie die het nu heeft tgv. afwijkingen van de preventief ingestelde norm van het een of het ander potentiaalverschil, in hetzelfde systeem meer energie als warmte opgebouwd wordt dan er voor beweging wordt genivelleerd. Het opgebouwde warmteniveauverschil tussen het lager gelegen gebied Z en het hoger gelegen condensatiegebied Y (0°C) komt hierdoor immers in contrast te staan met het vloeistofniveauverschil tussen VL3 boven in Y en VL2 onder X (zie verder). Het systeem zal nu ,zolang de omgevingstemperatuur niet te hoog oploopt evolueren in de richting van het hoogst ingestelde niveauverschil naar een metastabiel niveau waarin zowel de macroscopische als de microscopische energie behouden blijft zoals de eerste wet bepaald. Bij te hoge omgevingstemperatuur wordt automatisch geleidelijk op zonne energie overgeschakeld.
Elk technologisch energiesysteem beantwoordt in zijn werking immers slechts aan de tweede wet van de thermodynamica omdat de voortgebrachte energie van deze systemen slechts als het absoluut positief gedetermineerd en dus onstuurbaar gevolg wordt geacht van het afnemen van slechts één (positief) potentiaalverschil (= tijd of onevenwicht). Om tevens de eerste wet (behoud van energie) in technologische processen mogelijk te maken zoals dit ook in de natuurlijke processen voorkomt dienen echter twee onevenwichten in het proces aanwezig gesteld waardoor eveneens de inbouw van een negatief deterministische factor (negatief potentiaalverschil of tijd) noodzakelijk wordt. Pas dan wordt namelijk het sturen van de energie mogelijk zoals in de verder besproken zeer specifieke configuratie van bestaande technologie waarbij energie het gevolg wordt van het evenwicht tussen twee potentiaalverschillen. De energie (in dit geval vloeistofhoogte) dient hiervoor preventief dermate hoog ingesteld dat door sturing (cybernetisch) het grootste deel ervan per tijdseenheid niet terecht komt op de macroscopische beweging van een vloeistofturbine maar langs microscopische weg (negatief potentiaalverschil) wordt omgeleid als warmteopbouw in Z, ter recuperatie van vloeistof en damp in Y tot voldoende condensaat voor het instellen van een metastabiel niveau.
Dit wordt gerealiseerd door een nivellerend vloeistofpotentiaalverschil met een bepaald debiet (bij 0°C en water), op een schoepenrad aan te sluiten waardoor een optimale beweging van een dynamomotor gerealiseerd kan worden volgens het verder beschreven ijkwaardesysteem (zie DM en items 13,14 en 15). Hiervoor dient gelijknamigheid te worden gebracht tussen twee tegengestelde vormen van natuurlijke beweging zijnde macroscopische en microscopische beweging (of warmte). Deze komen immers altijd samen voor na het starten van een macroscopische beweging. Hier aangedreven door zwaartekracht als centrale gerichtheid van de energie in één richting, tov. warmte als expansiekracht of periferische gerichtheid die zich in alle richtingen voortplant (zie verder). Door de lage omgevingstemperatuur (+- 0°C en water) veroorzaakt de vloeistof echter onvermijdelijk ook koeling van de ontstane warmte. Het ijkwaarde -systeem moet daarom zodanig zijn ingesteld dat de warmte ontstaan tgv. het bewegingsrendement volledig geneutraliseerd wordtdoor het koelingsdebiet aan een gegeven spanning zodat er bij beweging geen warmte ontstaat in Z. Door nu het ijkwaarde -hoogtepotentiaalverschil binnen het raam van het ingestelde drieluik : weerstand (beweging DM) spanning (hoogte) en stroom (debiet) dat aan de ijkwaardeinstelling beantwoordt, preventief dermate te verhogen dat het ongestuurd vermogen op de bewegingsweerstand (DM) méér dan verdubbeld zou zijn, kan door zelfsturing tgv. de verhoogde spanning en het verlaagd debiet de optimale snelheid (die hierin als verhindering optreedt van de spontane toename naar maximale snelheid zonder sturing) die ook de warmte veroorzaakt, gehandhaafd blijven. Het is onontbeerlijk deze ijkwaardeinstelling als startmaatstaf te nemen voor het evenwaardig instellen van beide gerichtheden (beweging door vloeistofdruk en warmte door koelingsreductie) tov. de optimale bewegingssturing waardoor ze ineen energetische balans door sturingsomkering van elkaar gescheiden blijven. Deels als gehalveerde optimale beweging en deels als spontane reductie van de koeling waardoor een evenredige warmteopbouw in Z ontstaat.
Door de sturing (informatie) wordt de beweging immers optimaal gehouden waardoor niet enkel het debiet dwz. het niveauverbruik maar ook de koeling in Z daalt waardoor de temperatuur daar stijgt. Indien door het verhoogd potentiaalverschil enkel het niveauverbruik daalde om de beweging optimaal te houden en niet de koeling van betekenis zou zijn (zoals in alle conventionele omstandigheden), zou dit niets veranderen aan de energetische evolutie van het proces naar entropie (tweede wet) dat in dat geval enkel langer zou duren. Doordat echter de gestuurde debietreductie ook de eruit voortvloeiende koeling in Z doet dalen die in de ijkwaarde evenwaardig was ingesteld met de ontstane warmte van de beweging wordt het proces gedeeltelijk omgekeerd van macroscopische (DM) naar microscopische beweging (warmte). Hierdoor komt het stijgende temperatuurpotentiaalverschil dat ontstaat tussen Z en Y (condensor) in balans met de nivellerende vloeistofpotentiaalverschil tussen VL3 en VL2 (zie verder). Er ontstaat nu een stuurbare verhouding tussen de nog resterende koeling (beweging) en de geleverde koelingsreductie (warmte) die in een vooraf bepaald evenwicht tov. elkaar verschijnen. Echter alleen wanneer de koelingsreductie door de overmaat aan hoogte per tijdseenheid hoger is ingesteld dan het nog resterende koelingsdebiet zal het proces voldoende roteren in tegenovergestelde richting van de entropie. Deze twee tegengesteld gerichte bewegingsuitingen, zijnde enerzijds de hoogtedalende en koelingproducerende beweging en anderzijds de warmtestijgende en koelingsreductie producerende warmte zijn cybernetisch (niet energetisch) van elkaar afhankelijk geworden tot tussen hun respectievelijke potentiaalverschillen het gewenste evenwicht ontstaat. Hierdoor blijft het proces ook in koude omstandigheden (vanaf 0°C) van de omgeving energie leveren.
Door de sturing op de beweging waardoor dus slechts een bepaald vermogen (minder dan de helft) op de beweging per tijdseenheid wordt toegelaten zijn beiden onderling tgv. de sturing, in twee energetische gebieden verdeeld die evenwel samen hetzelfde energetisch pakket vertegenwoordigen van het verhoogde hoogtepotentiaalverschil dat in het ongestuurde geval enkel op de macroscopische beweging zou gericht zijn en dus geen koelingsreductie (niveauopbouwend) maar enkel warmteverlies door koeling (nivellerend) zou veroorzaken. Beiden mogen enkel nog cybernetisch (in twee afzonderlijke, omgekeerd energetische gebieden door sturing gescheiden) maar niet energetisch (dwz. in hetzelfde gebied) van elkaar afhankelijk ingesteld zijn waarbij de respectievelijke niveauverschillen als tegengestelde tijden voorkomen. Hierbij is zowel het dalend hoogtepotentiaalverschil dat door de ingestelde toevoertijd van de vloeistof aan de turbine is bepaald (in Y) als het stijgend warmtepotentiaalverschil dat door de kwaliteit van het isolatievermogen is bepaald, begrensd. Door deze begrenzing uit te breiden kunnen beiden tov. elkaar dermate worden ingesteld dat ze tot een welbepaald metastabiel evenwicht kunnen worden gestuurd.
Doordat nu, de spontane koeling van de dynamomotor, (die bij O°C in de ijkwaardeinstelling zonder deze sturing in het thermisch geïsoleerde vat Z onvermijdelijk volledig de ontstane warmte dekt), door het verlaagd debiet tot minder dan de helft gereduceerd wordt met als gevolg hiervan evenredige warmteopbouw in Z, kan door continue sturing van de beweging, per tijdseenheid, een hoger warmtevermogen opgebouwd worden (ter condensatie van voldoende vloeistof in Y) dan er voor het bewegen van de weerstand (DM) nivellerend hoogtevermogen, noodzakelijk was. Dit is afhankelijk van de ingestelde verhouding tussen koeling en koelingsreductie.Dit proces moet daarvoor echter ook een voldoende tijd worden aangehouden.De hoogte bepaalt dus de verhouding tussen koeling en koelingsreductie per tijdseenheid terwijl de isolatie de ingebouwde tijdsduur (ttz. het aantal tijdseenheden) van die verhouding in het proces bepaalt. De oorzaak van de bewegingsweerstand die eveneens optreedt als koeling van DM, heeft immers energetisch dezelfde waarde maar is omgekeerd evenredig aan de verder besproken koelingsreductiecapaciteit(bij O°C en water). De ontstane warmte is daardoor niet éénzijdig enkelhet gevolg van de weerstand van de beweging (zie tweede wet), vermits die volledig gekoeld werd maar ontstaat slechts nadat ook het omgekeerde, nl. een voldoende reductie van die koeling (door de toegevoegde overmaat aan hoogtespanning) bij evenredige daling van het niveauverbruik is opgetreden waardoor zij nu ook oorzaak wordt.
De actie van de gestuurde koelingsreductie, ontstaan door daling van het debiet bij behoud van het ijkwaardevermogen (= ontstaan van eerste wet in het proces), staat hierdoor dus tegenover het éénzijdig warmteverlies die de bewegingsweerstand onvermijdelijk veroorzaakt in conventionele energieprocessen (enkel tweede wet). Er ontstaan immers evenveel cal. aan warmte in Z als er door het verlaagde debiet werden vrijgemaakt door koelingsreductie. Voor de optimale beweging gaan anderzijds minder dan de helft van deze cal. verloren. Vermits het systeem nu bediend wordt vanuit twee tegengestelde potentiaalverschillen (of tijden, dwz. niet enkel rechtstreeks via vloeistofdruk maar ook onrechtstreeks via een overmaat aan condensatie in Y, tgv. méér opstijgende dan dalende vloeistof) kan er door omkering tgv. sturing op de optimale beweging en op voorwaarde dat de koelingsreductie door de ingestelde overmaat aan vloeistofspanning, hoger is ingesteld dan de nog resterende koeling (= omkeringsgrootte) na een instelbare procestijd (= omkeringsduur) die hiervan energetisch onafhankelijk is, (zie hiervoor volume VL3 of vloeistoftoevoer en isolatiewaarde X en Z) continu een relatie tussen beide potentiaalverschillen (hoogte - en warmtepotentiaalverschil) behouden blijven. Door hun respectievelijke afwijking van de ingestelde norm weet de sturing hoe elk potentiaalverschil zich tov. het andere dient te gedragen tussen hoeveelheid beweging (macroscopische) en hoeveelheid warmte (Brownse beweging van de vloeistof). Het is dan ook het relatief (behoudbaar) en stuurbaar metastabiel evenwicht tussen twee potentiaalverschillendat hier nu de energetische activiteit vertegenwoordigt en niet meer het éénzijdig absoluut geachte onstuurbaar (niet behoudbaar) onevenwicht, voortvloeiend uit het gebruik van slechts één potentiaalverschil. Dit relatief evenwicht uit zich dan als een procesrotatie in tegengestelde zin van het entropisch evenwicht als een voortdurend gestuurde energetische activiteit (zie eerste wet) met inbegrip ook van de macroscopische beweging van DM.
12-05-2011 om 21:09
geschreven door eggermont
|