willem van swaanenburg
Inhoud blog
  • Willem van Swaanenburg, Aan de Saffo onzer eeuw ( Barbara Ogier )
  • Willem van Swaanenburg, Jupyn, als vader aller goden, Verheerlijkt in Parnas Heiligdom
  • Willem van Swaanenburg, Zegeboog, gericht ter ere van de Onsterflijke God (2)
  • Willem van Swaanenburg, Zegeboog, Gericht ter ere van de Onsterflijke God (1)
  • Willem van Swaanenburg, Chaos (3)
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    21-10-2011
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Willem van Swaanenburg, Chaos (2)

    p. 5


    Wijl dat een Herderin op klaverspreien wacht,
    Naar 't edelst mingenot van Tyrsis eerste kracht.
    Hoe teder lachen dan de rozen op hun stelen?
    Wat ziet men dan al bloed langs bleke vliezen spelen?
    Wat zwoegt de Westewind door wufte veren heen,
    Die kirrend op een struik, verfrissen door 't geween
    Van malse avonddauw, uit Febus kruik gegoten,
    Al 't water is het eerst uit godlijk bloed gesproten,
    Gelijk de wezens thans ontstaan uit vloeibare zucht,
    Die 't huwelijks echtaltaar besproeit met dunner lucht,
    Waar in het mannelijk zaad, of blik van feller driften,
    Zijn eigen beeltenis als in een vrouw doet schiften,
    Die vatbaar voor 't Idee, een wisse Fenix baart,
    Die, van het een door 't ander gesleurd, uit mist opklaart,
    Om langs de draaibank heen te stollen op zijn koten,
    En de eierschaal der Hen, met klem, tot gruis te stoten.
    Lui, Daphne, nu uw klok, en steek de Vaandels uit,
    Tooi flux met heldenblad het hoofd van zulk een bruid,
    Die uit een nevelkim op 't sierlijkst voort komt dagen,
    En met een gulle sleep dit rond wordt doorgedragen;
    Getakeld in 't Ivoor, verrukt ze 't Karmozijn,
    De vlammen onzer ziel zijn tot haar eer te klein:
    Zij breidt haar adem uit langs 't verste der vier winden,
    Daar Noord, en Zuider Pool de kou in zakken binden.
    Daar schiet een Beer zijn hom, de Walvis ijzeren kuit,
    In 't aanzien van het ijs, dat aan de starren stuit.
    De Walrus scherpt zijn tand op 't poezeligst van die schilden,
    Waar voor dat de Oorlogsgoden meer als voor monsters trilden;

     

    p. 6

    Daar helpen Pantser, Schild, of een gehard Helmet,
    Als Mars ligt door Vulkaan gesmeed op Venus bed.
    Dat ziet men aan de Nijl, waar wrede Krokodillen,
    Hoe grof geschubd van huid, langs hun moerasbak gillen,
    Door 't prikkeldrijvend gift, naar dat volmaakte wit,
    't Welk in de spiegeling van elk boetseersel zit.
    Een Olifant ploegt met zijn knots door 't dikst der Hagen,
    En wroet de kelders los, die eiken zolders dragen,
    Om door het worstelspel van twee, te zien dat een,
    Dat in de raking van zijn iet, tot niet verdween.
    Zo stampt op 't zien der Meer, de Hengst zijn krep aan stukken:
    Zo wil een Stier het merg van zijn begeerte plukken:
    Zo schrokt een Mijn zijn hart, tot kweking van 't kristal,
    De parel krijgt haar glans door innerlijk gebral:
    Al wat 'er is dat loeit naar onuitblusbare vonken,
    In welkers wortelgist haar oorsprong ligt verzonken.
    Ja Tijgers, giert van min! brult Leeuwen door het woud,
    Eén énige is 't alleen die alle schepsels trouwt.
    De Neger schouwt ze zwart en struikelt voor haar gitten,
    Wat moet 'er niet al sneeuw in 't brein der blanken zitten?
    Dat zo veel melk bevriest in kuipen van karmijn,
    Wat moet ons Chaös niet vol dappere spieren zijn?
    Eer het zijn zelf bespringt in afgelegen hoeken,
    Om 't geen het naaste is zo ver van huis te zoeken?
    ô Zonneling! die op uw Kar van hitte zweet,
    De natte Oceaan met droge duimen meet;
    En om een Zeemeermin verkwist uw levenskrachten,
    Wat zal ik tot uw roem voor Maro's tonen slachten?

     

    p. 7

    Waar drijf ik dit gareel, de tomen mijner vuist
    Thans heen? nu dat uw goud in zilveren kroezen bruist.
    Komt Moren voor mijn wiel, en sleept de dag door nachten;
    Dat Tegenvoeters op mijn wenk hun stem verkrachten;
    Dat aller Orgels treed met een gewijde voet,
    Nu dat de Keizer van het vuur zijn Vrouw ontmoet.
    Zag ooit Narcis zich zelf door weerstuit van zijn lonken?
    Wat moet gij, ronde god, op uw vierkanten pronken?
    Zoop ooit Hermafrodiet zijn eigen sluizen weer?
    Wat daalt er in uw schoot een onuitputbaar Meir?
    Al 't Ondermaans Saffier, 't korlijn van Flora's lippen,
    De Kersen van de min, en kleur der boezemtippen;
    Die regenboog der ziel, waar op vrouw Juno treedt,
    Zijn altemaal van u door deze echt gesmeed.
    Komt Bijen, laat uw korf, de tenten uwer jongen,
    De horzelen ten buit, die van de nijd besprongen,
    Vergallen op uw zoet, en zuigt van 't violet
    Het heilig Druivenwaas, dat deze hof blanket;
    Zo zal de Honingdauw herbotten in uw aderen,
    En gij op 't Wastapijt de schoonste kinderen baren,
    Waar op de Helikon zijn hoed van lauweren draagt,
    Geen groter Atlas, als die zulke velzen schraagt:
    Daar voor verstuikt de voet der Perinese bergen,
    Die met een grijns van ijs de grauwe wolken tergen,
    Als zij hun nek van 't juk der nederigheid ontslaan,
    En met een kroezen kop naar Jupijns zetel staan.
    Het Alpes Keigedrocht, dat met besneeuwde poten,
    De stralen van de zon tracht van het dak te stoten;

     

    p. 8


    Lilt op zijn dikke stronk, gelijk een tenger blad,
    Het welk een donderkloot in Arendsklauwen vat,
    Als slechts het Negental, een Bedevaart van Zangen
    Naar hare Dichter richt, om braver geest te ontvangen.
    Dan splijt de muur in twee van 't eeuwige cement,
    Waar achter dat de dag staat op de nacht geënt.
    Dan klappertandt geen kunst langs Pontus boerse stranden,
    Maar wichelaart het diepst van Febus ingewanden.
    Dan schenkt de Godspraak, uit zijn gapend wonderhol,
    Ons lege bekers, met zijn adem, boordevol.
    Dan moet een Wijnpapin voor woeder dolheid zwichten,
    Een ritse Veldbacchant ons tot de dans verplichten:
    Wij Priam waren doen langs 't lijkhout van zijn stad,
    En kletsen op 't Paneel meer als de wereld vat.
    Dat komt van Pindus koorts, van Parnas vege stuipen,
    Het maaksel wil de baas in nauwer duigen kuipen,
    Trotseren met zijn neb langs druppelen van wijn,
    En mesten 't logge lijf met geurig Ambrozijn.
    Zo breekt een Everzwijn Arkadische landsdouwen,
    Door zijne honger in, om 't leven te behouwen;
    En slokt in zijne balg de vruchtbare aren in,
    Die Damon had gebouwd tot spijs voor 't Huisgezin.
    Zo valt een vuile Wolf, in 't naarst der lange nachten,
    Verwoed de Kooien aan, waar 't nimmer Herders dachten,
    Om 't zwakke Lamsgeraamt te kneuzen door 't gebit,
    Dat vast aan de omtrek van zijn linkse kaken zit.
    Vrijbuiters, hoort gij wel? gij Stropers van de wegen,
    Die aan uw handgeweer de Rijmkunst hebt geregen,

     

    Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder

    Zie ook: www.willemvanswaanenburg.bloggertje.nl

    21-10-2011, 17:06 Geschreven door willem van swaanenburg  
    Reageren (0)

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Categorie:Willem van Swaanenburg, Parnas of de zanggodinnen van een schilder
    Foto

    Archief per week
  • 19/12-25/12 2011
  • 12/12-18/12 2011
  • 24/10-30/10 2011
  • 17/10-23/10 2011
  • 02/05-08/05 2011
  • 04/04-10/04 2011
  • 28/03-03/04 2011
  • 21/03-27/03 2011


    Blog tegen de wet? Klik hier.
    Gratis blog op https://www.bloggen.be - Bloggen.be, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!